CConstaterende datBarneveld
Koppel je AI →
Document · PDF

Nijkerkerweg-A30, partiële herziening Buitengebied 2012_Toelichting_Bijlage 4 Quickscan Ecologie.pdf

Gemeenteraad 25 mei 2022, gemeente BarneveldBij agendapunt: Bestemmingsplan Nijkerkerweg-A30, partiële herziening Buitengebied 201210.809 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING NIJKERKERWEG 145 TE BARNEVELD

Rapportage quickscan Wet natuurbescherming Nijkerkerweg 145 te Barneveld Opdrachtgever

Gemeente Barneveld Postbus 63 3770 AB Barneveld

Rapportnummer Versienummer

17416.001 D2

Status

Eindrapportage

Datum

17 december 2021

Vestiging

Gelderland Fabriekstraat 19c 7005 AP Doetinchem 088 - 5001600 doetinchem@econsultancy.nl

Opsteller

De heer T.J.J. Versluis, MSc

Paraaf

Kwaliteitscontrole

De heer G.J. Assink, BSc

Paraaf

Kwaliteitszorg Econsultancy is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is een vereniging van ecologische advies- en onderzoeksbureaus die werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en die de belangen behartigt van groene adviesbureaus. Het Netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteits- en milieuhandboek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NEN-EN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten en het al dan niet voorkomen van soorten. De gebruikte informatie omtrent verspreiding van soorten is deels afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.

Econsultancy accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde onderzoek neemt. In het algemeen kan gesteld worden dat een quickscan geldig is voor een periode van 2 tot 3 jaar, tenzij in deze periode de ecologische omstandigheden wezenlijk zijn veranderd en/of de Wet natuurbescherming, dan wel inzichten hieromtrent zijn gewijzigd. Bij uitstel van de uitvoering van een project met meer dan 3 jaar verdient het de aanbeveling de resultaten van de quickscan opnieuw te toetsen.

INHOUDSOPGAVE 1

INLEIDING .................................................................................................................................. 1

2

GEBIEDSBESCHRIJVING ......................................................................................................... 2 2.1 2.2

Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving ............................................................... 2 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen ..................... 4

3

ONDERZOEKSMETHODIEK ..................................................................................................... 5

4

OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING ..................................................... 6 4.1 4.2 4.3 4.4

5

AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN .................................. 9 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6

6

Vogels ............................................................................................................................... 9 Vleermuizen .................................................................................................................... 10 Overige zoogdieren ........................................................................................................ 10 Reptielen, amfibieën en vissen....................................................................................... 11 Ongewervelden............................................................................................................... 13 Vaatplanten..................................................................................................................... 13

TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING ......................................................................... 14 6.1 6.2 6.3 6.4

7

Zorgplicht .......................................................................................................................... 6 Soortenbescherming ........................................................................................................ 6 Gebiedenbescherming ..................................................................................................... 7 Houtopstanden ................................................................................................................. 8

Algemene broedvogels ................................................................................................... 14 Algemene grondgebonden zoogdieren .......................................................................... 14 Vissen en amfibieën ....................................................................................................... 15 Overige soort(groep)en .................................................................................................. 16

TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING ........................................................................ 17 7.1 7.2

Natura 2000 .................................................................................................................... 17 Natuurnetwerk Nederland ............................................................................................... 18

8

HOUTOPSTANDEN ................................................................................................................. 20

9

SAMENVATTING EN CONCLUSIES ....................................................................................... 21

10

AANBEVELINGEN.................................................................................................................... 23

Bijlage 1 Bijlage 2

toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming verklarende woordenlijst 17416.001

1

INLEIDING

Econsultancy heeft van gemeente Barneveld opdracht gekregen voor het uitvoeren van een quickscan Wet natuurbescherming aan de Nijkerkerweg 145 te Barneveld. De quickscan Wet natuurbescherming is uitgevoerd in het kader van het verleggen van een beekloop en de realisatie van waterberging. De quickscan Wet natuurbescherming heeft als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000-gebieden, houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. Econsultancy is lid van de branchevereniging "Netwerk Groene Bureaus" en werkt volgens de door het Netwerk opgestelde gedragscode en protocollen. In dat kader verklaart Econsultancy ten behoeve van de onderzoekslocatie niet eerder betrokken te zijn geweest voor ecologische advisering of ecologisch onderzoek.

Rapport 17416.001 versie D2

Pagina 1 van 23

2 2.1

GEBIEDSBESCHRIJVING Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving

De onderzoekslocatie (± 2,3 hectare) ligt aan de Nijkerkerweg 145, circa 2,5 kilometer ten noordwesten van de kern van Barneveld. Volgens de topografische kaart van Nederland zijn de coördinaten van het midden van de onderzoekslocatie X = 167.370, Y = 463.305. In figuur 1 is de ligging van de onderzoekslocatie weergegeven.

Figuur 1. Topografische ligging van de onderzoekslocatie.

De onderzoekslocatie betreft een deel van de Esvelderbeek tussen de Nijkerkerweg, de A30 en de omliggende maisakkers. Ten westen van de onderzoekslocatie loopt de A30. Voor de rest is de onderzoekslocatie omgeven door weilanden en akkers van het buitengebied van Barneveld. Direct ten zuidoosten van de onderzoekslocatie bevindt zich een woonhuis met tuin van Nijkerkerweg 145. In figuur 2 is een luchtfoto van de onderzoekslocatie en de directe omgeving weergegeven. De figuren 3 t/m 8 geven een impressie van de onderzoekslocatie, middels foto’s die zijn genomen tijdens het veldbezoek.

Rapport 17416.001 versie D2

Pagina 2 van 23

Figuur 2. Luchtfoto onderzoekslocatie en directe omgeving.

Figuur 3. De Esvelderbeek met aan weerszijde maisakker en weiland.

Figuur 4. De maiskakker aan de zuidkant van de onderzoekslocatie.

Figuur 5. De oostelijke rand van de onderzoekslocatie met de Esvelderbeek en de maïsakker.

Figuur 6. De Esvelderbeek aan de westkant van de onderzoekslocatie.

Figuur 7. Groene rand van de maisakker aan de zuidkant van de onderzoekslocatie.

Figuur 8. Oostkant van de onderzoekslocatie met de Esvelderbeek.

Rapport 17416.001 versie D2

Pagina 3 van 23

2.2

Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen

De initiatiefnemer (gemeente Barneveld) is voornemens de loop van de Esvelderbeek te verleggen. Hierbij wordt nauw samengewerkt met het waterschap. Er worden een waterberging en een poel gerealiseerd op de huidige loop. Op het perceel maisakker wordt de nieuwe loop van de Esvelderbeek en natuurontwikkeling gerealiseerd. Hierbij worden graafwerkzaamheden uitgevoerd en blijven de bomenrijen aan de rand van de onderzoekslocatie behouden. In figuur 9 is het ontwerp van de voorgenomen plannen weergegeven.

Figuur 9. Definitief ontwerp realisatie waterberging en nieuwe loop Esvelderbeek (gemeente Barneveld) .

Rapport 17416.001 versie D2

Pagina 4 van 23

3

ONDERZOEKSMETHODIEK

Het onderzoek is uitgevoerd middels het verrichten van een veldbezoek en een bureauonderzoek. Op deze wijze is inzicht verkregen in de aanwezigheid van geschikt habitat en de daarbij te verwachten beschermde soorten, gesitueerd op of nabij de onderzoekslocatie. Het veldbezoek is afgelegd op 28 oktober 2021. Tijdens dit veldbezoek is de gehele onderzoekslocatie, alsmede de directe omgeving beoordeeld. Gedurende het veldbezoek is gelet op de mogelijke aanwezigheid van beschermde en bedreigde soorten op basis van het aanwezige habitat. Waargenomen soorten zijn op verzoek van de opdrachtgever in de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) ingevoerd (17-11-21, T.J.J. Versluis). Daarnaast zijn enkele aanbevelingen gedaan wat betreft ontwerp en uitvoering van de ingreep. Verder is aan de hand van verspreidingsatlassen, andere standaardwerken en op basis van “expert judgement” nagegaan welke bijzondere planten- en diersoorten er voor kunnen komen op de onderzoekslocatie en zijn omtrent gebiedsbescherming gegevens van de provincie Gelderland opgevraagd. Actuele verspreidingsgegevens van flora en fauna zijn uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) opgevraagd. De quickscan Wet natuurbescherming is een toets van de ecologische potenties van de onderzoekslocatie en betreft geen volwaardig soort(en) specifiek onderzoek.

Er zijn in het onderhavige onderzoek geen inventarisaties uitgevoerd van soorten en soortgroepen. Een ecologische inventarisatie beslaat meerdere veldbezoeken gedurende de voor de soortgroep meest gunstige periode van het jaar.

Rapport 17416.001 versie D2

Pagina 5 van 23

4

OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING

Dit hoofdstuk geeft achtergrondinformatie over de natuurwetgeving waaraan de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie wordt getoetst. Er wordt een globale toelichting gegeven ten aanzien van potentiële overtredingen van de Wet natuurbescherming bij de meest voorkomende soorten en soortgroepen. Dit hoofdstuk is niet toegespitst op de situatie op de onderzoekslocatie, maar geeft enkel een beschrijving van de vigerende wetgeving. De Wet natuurbescherming is gericht op: • • •

het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit; het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur ter vervulling van maatschappelijke functies; het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen, vanwege hun bijdrage aan de biologische diversiteit en hun cultuurhistorische betekenis, mede ter vervulling van maatschappelijke functies.

De bevoegdheid voor het verlenen van ontheffingen en vrijstellingen bij soortenbescherming ligt grotendeels bij de provincies. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. 4.1

Zorgplicht

Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd. Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. In bijlage 1 wordt dit artikel nader toegelicht. 4.2

Soortenbescherming

Bij een quickscan wordt in beeld gebracht of er (potentiële) vaste rust- of voortplantingsplaatsen aanwezig zijn van de soorten uit de verschillende beschermingsregimes. Vervolgens wordt beoordeeld of de voorgenomen ingreep verstorend kan zijn en of nader onderzoek noodzakelijk wordt geacht. De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; • • •

soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).

In bijlage 1 worden deze artikelen nader toegelicht.

Rapport 17416.001 versie D2

Pagina 6 van 23

4.3

Gebiedenbescherming

Indien een plangebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten. Het gaat daarbij om Natura 2000-gebieden en gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. 4.3.1

Natura 2000

Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Met Natura 2000 wil men deze flora en fauna duurzaam beschermen. De staatssecretaris van Economische Zaken heeft voor Nederland ruim 160 Natura 2000-gebieden aangewezen. Gezamenlijk hebben ze een oppervlak van ruim 1,1 miljoen hectare. Ze maken deel uit van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie die zijn aangewezen op grond van de vogelrichtlijn en habitatrichtlijn. Het doel van Natura 2000 is het keren van de achteruitgang van de biodiversiteit. Binnen een gebied kan spanning optreden tussen economie en ecologie. In een zogenaamd beheerplan leggen Rijk en provincies vast welke activiteiten, op welke wijze mogelijk zijn. Uitgangspunt is steeds het realiseren van ecologische doelen met respect voor en in een zorgvuldige balans met wat particulieren en ondernemers willen. Het opstellen gebeurt daarom in overleg met alle direct betrokkenen, zoals beheerders, gebruikers, omwonenden, gemeenten, natuurorganisaties en waterschappen. Samen geven ze invulling aan beleven, gebruiken en beschermen. Daar draait het om in de Nederlandse Natura 2000-gebieden (bron: Regiegroep Natura 2000).

Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000gebied. (artikel 2.7, lid 2). Handelingen die een negatieve invloed hebben op Natura 2000-gebieden, worden slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. Een vergunning is vereist. Door middel van het Nederlandse vergunningsstelsel wordt een zorgvuldige afweging gewaarborgd. De vergunningen zullen beoordeeld en afgegeven worden door de desbetreffende provincie. 4.3.2

Natuurnetwerk Nederland

Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit: • • • • •

bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de Noordzee en de Waddenzee; alle Natura 2000-gebieden.

Rapport 17416.001 versie D2

Pagina 7 van 23

Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. 4.4

Houtopstanden

De bescherming van houtopstanden conform hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming heeft als doel om het aanwezige areaal bos in Nederland te behouden. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van tien are of meer of rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat. In bijlage 1 (tabel VI) worden de regels nader toegelicht. Wanneer houtopstanden geveld worden, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Op basis van deze melding wordt door de provincie beoordeeld of de voorgenomen velling aanvaardbaar is in het kader van natuur- en landschapswaarden. Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Indien bij de voorgenomen ontwikkeling herplantplicht geldt, maar niet voldaan kan worden aan de herplantplicht op de projectlocatie zelf, dan dient een ontheffing aangevraagd te worden met betrekking tot de herplantplicht bij de desbetreffende provincie.

De provincie toetst vervolgens of voldaan wordt aan de bij de provinciale verordening gestelde regels voor herbeplanting op andere perceelsgronden. Deze regels hebben onder andere betrekking op de kwaliteit, oppervlakte en locatie van de andere grond en de natuurwaarde van de te vellen houtopstand. Tevens kan ontheffing verleend worden van herplantplicht ter plaatse, indien gewerkt wordt via een door het ministerie goedgekeurde gedragscode die gebruikt mag worden door een van de betrokken partijen voor een wijze van vellen en een wijze van herplanten.

Rapport 17416.001 versie D2

Pagina 8 van 23

5

AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN

Het voorkomen van planten- en diersoorten in een gebied wordt mede bepaald door de aanwezigheid van geschikt leefgebied. Een soort kan in zijn leefgebied gebruik maken van verschillende plekken om te verblijven. Al deze plekken (biotopen) kunnen een bepaalde functie voor de soort vervullen. In dit hoofdstuk wordt op basis van het aanwezige habitat / verblijfsmogelijkheden samen met verspreidingsgegevens beschreven welke beschermde soorten binnen de onderzoekslocatie kunnen voorkomen. Afhankelijk van de soort wordt ingegaan op de potentiële aanwezigheid van vaste rust- of voortplantingsplaatsen, foerageergebied en verbindingsroutes. Tevens wordt beoordeeld of de voorgenomen plannen een negatief effect kunnen hebben op de mogelijk aanwezige beschermde soorten. In hoofdstuk 6 wordt beschreven welke juridische implicaties dit voor het project heeft. 5.1 5.1.1

Vogels Broedvogels (nesten jaarrond beschermd)

Er zijn broedvogels waarvan de nesten ook beschermd zijn op het moment dat ze niet voor de voortplanting in gebruik zijn. Binnen het agrarische buitengebied kunnen dit zijn: huismus, kerkuil, steenuil, buizerd, boomvalk en roek. Door het ontbreken van bomen en bebouwing op de onderzoekslocatie kunnen deze soorten op voorhand worden uitgesloten. 5.1.2

Overige broedvogels

De onderzoekslocatie kan nestgelegenheid bieden aan broedvogelsoorten als graspieper en wilde eend. De nesten van deze soorten zijn alleen beschermd op het moment dat ze als zodanig in gebruik zijn. Overtredingen van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming zijn te voorkomen (zie hoofdstuk 6). Tijdens het veldbezoek werden enkele foeragerende blauwe reigers, een grote zilverreiger en enkele wilde eenden waargenomen. Deze soorten gebruikte de oever als foerageergebied. Verder werden groepen kauw, zwarte kraai en kokmeeuw overvliegend en foeragerend waargenomen.

Figuur 10. Een grote zilverreiger en twee wilde eenden op de onderzoekslocatie.

Figuur 11. Enkele blauwe reigers op de onderzoekslocatie.

De broedvogels waarvan het nest in uitzonderlijke gevallen eveneens jaarrond is beschermd, zijn voornamelijk holenbroeders, zoals spechten en mezen, of makers van grote nesten, zoals ekster en zwarte kraai. Door het ontbreken van bomen of bebouwing op de onderzoekslocatie kunnen deze soorten worden uitgesloten.

Rapport 17416.001 versie D2

Pagina 9 van 23

5.2

Vleermuizen

Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF is de onderzoekslocatie gelegen in een deel van Nederland waar de volgende vleermuissoorten kunnen voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis, franjestaart, meervleermuis, baardvleermuis, bosvleermuis en watervleermuis. Verblijfplaatsen op de onderzoekslocatie De onderzoekslocatie is geheel onbebouwd en er zijn geen bomen aanwezig, waardoor uitgesloten kan worden dat er verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn. Overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van vleermuizen is niet aan de orde. Verblijfplaatsen buiten de onderzoekslocatie Door de herinrichting van de onderzoekslocatie worden door de onderlinge afstand tot mogelijke verblijfplaatsen geen potentieel belangrijke aanvliegroutes aangetast en zal er geen verstoring plaatsvinden van een in de omgeving gelegen verblijfplaats. Foerageerhabitat De onderzoekslocatie zal, gelet op het aanwezige habitat gebruikt kunnen worden door in de omgeving verblijvende vleermuizen als gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger en mogelijk gewone grootoorvleermuis om te foerageren. De plannen zullen echter geen aantasting van belangrijk foerageerhabitat vormen. Door de voorgenomen ingreep zal het aanbod van foerageermogelijkheden niet in het geding komen.

Bij de ontwikkeling van de waterberging en nieuwe natuur zal uiteindelijk meer geschikt foerageerhabitat voor vleermuizen ontstaan. Vliegroutes Vleermuizen maken veelal gebruik van lijnvormige (donkere) landschapselementen als houtsingels, beken en lanen om zich te verplaatsen tussen verblijfplaatsen en foerageergebieden. De Esvelderbeek is geschikt als vliegroute. Deze wordt bij de ingreep echter slechts verlegd en zal zijn functie voor vleermuizen behouden. 5.3

Overige zoogdieren

Alle zoogdieren in Nederland zijn beschermd. Voor sommige algemeen voorkomende soorten geldt een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. Op deze wijze is er onderscheid te maken in streng beschermde en minder streng beschermde soorten. Streng beschermde soorten Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF en Broekhuizen et al. (2016) ligt de onderzoekslocatie binnen het verspreidingsgebied van de volgende streng beschermde grondgebonden zoogdieren: boommarter, steenmarter, bunzing, wezel, hermelijn, das en eekhoorn. Wegens het ontbreken van bomen en bebouwing op de onderzoekslocatie kunnen de steenmarter, boommarter, das en eekhoorn op voorhand worden uitgesloten. Steenmarter en das schuilen wel eens in een maisakker, maar een vaste rust- of voortplantingsplaats die jaarrond benut kan worden is uit te sluiten.

Rapport 17416.001 versie D2

Pagina 10 van 23

Bunzing, wezel en hermelijn De bunzing, hermelijn en wezel komen volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF voor in de omgeving van de onderzoekslocatie. Aangezien het op de onderzoekslocatie ontbreekt aan landschapselementen die met elkaar in verbinding staan, is het uit te sluiten dat de onderzoekslocatie onderdeel uitmaakt van het functioneel leefgebied van kleine marterachtigen. De kleine marterachtigen zijn namelijk sterk gebonden aan landschapselementen zoals houtwallen en bosschages die dekking bieden gedurende het foerageren en migreren tussen de vaste rust- of voortplantingsplaatsen en de foerageergebieden. Aan de rand van de onderzoekslocatie zijn enkele groenstroken aanwezig, die soorten als verbindingszone kunnen gebruiken (figuur 12). Deze blijven bij de ingreep echter behouden. Gezien het ontbreken van voldoende schuilmogelijkheid en geschikte voortplantingslocaties zijn negatieve effecten voor kleine marterachtigen uit te sluiten als gevolg van de voorgenomen ingreep. Het voorkomen van overige grondgebonden zoogdieren waarvoor geen vrijstelling geldt, is tijdens het veldbezoek niet vastgesteld. Vanwege het ontbreken van geschikt habitat kan het voorkomen van deze soorten redelijkerwijs worden uitgesloten. Licht beschermde soorten De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor een aantal soorten grondgebonden zoogdieren.

Het gaat daarbij om algemene soorten als konijn, egel en rosse woelmuis. Door de voorgenomen werkzaamheden bestaat de kans dat holen worden vergraven (zie hoofdstuk 6).

Figuur 12. Groenstrook aan de zuidelijke rand van de onderzoekslocatie.

5.4

Figuur 13. Oever van de Esvelderbeek

Reptielen, amfibieën en vissen

Reptielen Volgens gegevens van de NDFF zijn er in de afgelopen 5 jaar in de directe omgeving van de onderzoekslocatie waarnemingen bekend van de streng beschermde muurhagedis. Dit betreft echter een niet wilde soort, die is meegekomen met rotsachtig materiaal uit Limburg waar de soort inheems is. Reptielen stellen specifieke eisen aan het habitat die betrekking hebben op verschillende factoren. Op de onderzoekslocatie is geen geschikt habitat voor reptielen aanwezig en negatieve effecten van de ingreep ten aanzien van reptielen zijn uit te sluiten. Amfibieën Volgens gegevens van de NDFF zijn binnen enkele kilometers rondom de onderzoekslocatie in de afgelopen 5 jaar de volgende soorten waargenomen: kleine watersalamander, bruine kikker, bastaardkikker en gewone pad.

Rapport 17416.001 versie D2

Pagina 11 van 23

Er is op de onderzoekslocatie weinig geschikt landhabitat aanwezig, eventueel aan de randen van de maisakker (figuur 12). Deze groenstructuren blijven bij de ingreep echter behouden. De Esvelderbeek vormt eventueel weinig geschikt voorplantingswater voor algemene amfibieënsoorten, al is deze door de steile oever slecht bereikbaar voor soorten (figuur 13). Voor de te verwachten algemene soorten geldt op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen een vrijstelling van de Wet natuurbescherming, waardoor een ontheffing bij verstoring niet noodzakelijk is. Bij werkzaamheden aan de Esvelderbeek is het wel zaak om aandacht te schenken aan de zorgplicht (zie hoofdstuk 6). Vissen De Esvelderbeek die op de onderzoekslocatie stroomt vormt in theorie geschikt habitat voor beschermde grote modderkruiper, omdat deze soort kan voorkomen in beken met zand- en slibbodem. Het is een soort die afwisselend ondiepe en ondiepere waterlopen met slib en vegetatie benut. Er wordt gepaaid in ondiepe, warme delen en overwintering vindt plaats in de diepere delen. De grote modderkruiper komt verspreid over Nederland voor in rivieren en beken, maar is slecht in kaart gebracht. Er zijn twee waarnemingen bekend van de grote modderkruiper, deze bevinden zich verder ten westen in de provincie Utrecht en meer ten zuiden in het binnenveld (Verspreidingsatlas, NDFF).

In 2009 is een inventarisatie uitgevoerd in opdracht van waterschap Vallei en Eem (Viridis, 2009). Enkele vergelijkbare, nabijgelegen beken in de gemeente Barneveld werden onderzocht: de Grote Barneveldse beek, Kleine Barneveldse been en de Haarbeek. De Esvelderbeek was in deze inventarisatie niet meegenomen. In de drie eerder genoemde beken werden 15, uitsluitend algemene vissoorten aangetroffen waaronder bermpje en driedoornige stekelbaars. Het gedeelte van de Esvelderbeek op de onderzoekslocatie is vanwege de dikke, zwarte sliblaag die door vermesting van de omliggende weilanden is ontstaan (zie figuur 13) en de verder stenige structuur van de bodem van de beek (figuur 8) ongeschikt voor de grote modderkruiper. De grote modderkruiper kan op basis van deze habitatkenmerken worden uitgesloten op de onderzoekslocatie (BIJ12, 2021). Voor andere beschermde vissoorten als beekprik, elrits, beekdonderpad, gestippelde alver en kwabaal gelden habitatkenmerken als snelstromend water en kiezelsubstraat, welke op de onderzoekslocatie ontbreken. Daarnaast betreft de verspreiding van deze soorten delen van Zuid-Limburg, de Veluwe of de grote rivieren (Verspreidingsatlas ANEMOON/RAVON). De Esvelderbeek kan leefgebied vormen voor algemene vissoorten als riviergrondel, bermpje en driedoornige stekelbaars.

Gezien de ligging en habitatkwaliteit van de onderzoekslocatie zijn er geen overtredingen van de Wet natuurbescherming te verwachten met betrekking tot beschermde vissoorten. Voor algemene vissoorten geldt wel de zorgplicht (zie Hoofdstuk 6).

Rapport 17416.001 versie D2

Pagina 12 van 23

5.5

Ongewervelden

Libellen Er zijn slechts enkele libellensoorten die binnen de Wet natuurbescherming een strenge bescherming genieten. Deze zijn voor wat betreft hun verspreiding gebonden aan specifieke habitateisen, die veelal alleen in natuurgebied zijn te vinden. Beschermde soorten zijn op de onderzoekslocatie niet te verwachten. Vlinders Beschermde vlinders stellen specifieke eisen aan het voortplantingshabitat. Bij het habitat is het belangrijk dat aan de eisen van alle stadia van de vlindersoort wordt voldaan. Voor de beschermde soorten in Nederland geldt dat deze veelal gebonden zijn aan zeldzame waardplanten, die vaak alleen in natuurterreinen zijn te vinden. Geschikte waardplanten voor beschermde vlindersoorten als sleedoornpage (sleedoorn), iepenpage (iep) en kleine ijsvogelvlinder (kamperfoelie) zijn op de onderzoekslocatie niet aanwezig. Het is uitgesloten dat er binnen de onderzoekslocatie geschikt habitat aanwezig is voor een (deel)populatie van een beschermde vlindersoort. Overige soorten Overige beschermde soorten, zoals vliegend hert, Europese rivierkreeft en platte schijfhoren, zijn op de onderzoekslocatie uit te sluiten. De Europese rivierkreeft leeft slechts nog op één vindplaats in Arnhem en kan worden uitgesloten op de onderzoekslocatie.

De platte schijfhoren kan op basis van een gebrek aan waarnemingen in de omgeving en de aanwezigheid van intensieve landbouw in de omgeving van de onderzoekslocatie worden uitgesloten (Boesveld et al., 2011). Er is geen geschikt habitat op de onderzoekslocatie aanwezig voor verdere beschermde ongewervelden als het vliegend hert en er zijn geen waarnemingen bekend in de directe omgeving van de onderzoekslocatie. 5.6

Vaatplanten

De onderzoekslocatie bestaat uit oevervegetatie met riet en brandnetel (figuur 14). Verder bestaat de onderzoekslocatie voornamelijk uit maisakker (figuur 15). De vegetatie aan de randen van de maisakker bestaat uit hazelaar, braam, vlier en eik. De planten op de onderzoekslocatie geven aan dat de bodem voedselrijk, zuur en vochtig is. In dergelijke vegetaties zijn geen beschermde soorten te verwachten. De meeste beschermde vaatplanten en de daarbij horende specifieke groeiomstandigheden zijn zeldzaam te noemen en zijn op de onderzoekslocatie niet aanwezig.

Figuur 14. Oevervegetatie met riet en brandnetel.

Rapport 17416.001 versie D2

Figuur 15. Oogstresten op de maisakker.

Pagina 13 van 23

6

TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING

Als gevolg van de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie kunnen er overtredingen van verbodsbepalingen uit soortbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming optreden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke soorten er sprake is van dreigende overtreding van de Wet natuurbescherming en of met eenvoudige maatregelen overtreding is te voorkomen. Verder wordt beschreven voor welke soorten een vervolgtraject noodzakelijk is, bijvoorbeeld omdat toetsing van de ingreep aan de Wet natuurbescherming op basis van de huidige onderzoeksinspanning niet mogelijk is, en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van ontheffingen. 6.1

Algemene broedvogels

Voor de algemene broedvogelsoorten die op de onderzoekslocatie zijn te verwachten geldt dat, indien het groen buiten het broedseizoen wordt verwijderd, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. Artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming (Het is verboden nesten te beschadigen, te vernielen of weg te nemen) is van toepassing. De nesten mogen echter wel worden weggenomen wanneer deze op dat moment niet in gebruik zijn. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Mocht groen toch worden verwijderd in het broedseizoen, dan dient van tevoren een insectie door een ter zake kundig ecoloog te worden uitgevoerd. 6.2

Algemene grondgebonden zoogdieren

Voor de te verwachten soorten geldt dat de werkzaamheden mogelijk verstorend kunnen werken. Als gevolg van graafwerkzaamheden kunnen dieren verwond of gedood worden en holen kunnen worden verwijderd. Dit houdt een overtreding van artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming in. Voor de te verwachten soorten geldt, op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen echter een vrijstelling, waardoor geen ontheffing hoeft te worden aangevraagd. Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. In het kader van de zorgplicht kan de oevervegetatie op de gebieden waar graafwerkzaamheden zullen plaatsvinden voorafgaand aan de werkzaamheden worden gemaaid, om algemene zoogdieren te ontmoedigen op de onderzoekslocatie. Het maaien dient in één richting te worden uitgevoerd, om soorten de kans te geven de onderzoekslocatie te ontvluchten.

Rapport 17416.001 versie D2

Pagina 14 van 23

6.3

Vissen en amfibieën

Bij het verleggen van de watergang zullen zonder maatregelen mogelijk algemene vissen en amfibieen worden gedood, hetgeen een overtreding van artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming inhoudt. Voor de te verwachten amfibieënsoorten geldt, op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen echter een vrijstelling, waardoor geen ontheffing hoeft te worden aangevraagd. Dit geldt ook voor de te verwachten algemene vissoorten. Voor de te verwachten vissen en amfibieën geldt echter wel de zorgplicht. Dit houdt in dat het doden van individuen redelijkerwijs vermeden dient te worden. Om aan de zorgplicht te voldoen dienen werkzaamheden aan de watergang in de periode septemberoktober te worden uitgevoerd in combinatie met een aanwezig ecologisch werkprotocol. Zo wordt de kwetsbare periode van voortplanting en winterrust van amfibieën en vissen vermeden en worden maatregelen genomen die doden en verwonden van soorten voorkomen. Daarnaast is ecologische begeleiding door een ter zake kundig ecoloog tijdens het vergraven van de beekloop vereist. Zo kunnen vissen en amfibieën die zich op de onderzoekslocatie bevinden tijdens de werkzaamheden tijdig worden wegevangen. Deze werkwijze middels een ecologisch werkprotocol en ecologische begeleiding is conform de gedragscode van de gemeente Barneveld (2009) en van de unie va Waterschappen (2019).

Rapport 17416.001 versie D2

Pagina 15 van 23

Aanbevolen wordt om de volgende werkwijze aan te houden, zie ook figuur 16: 1) Graven van de nieuwe loop van de Esvelderbeek ten zuiden van de huidige loop (afgesloten van de huidige loop); 2) Openzetten van stroomafwaarts gelegen verbinding tussen de huidige en de nieuwe loop (westkant onderzoekslocatie.); 3) Openen stroomopwaarts gelegen verbinding (oost) en direct naar punt 4; 4) Dichtzetten oostkant van oude loop met materiaal uit de nieuwe loop; 5) Machinaal water in de oude beekloop naar westen schuiven onder ecologische begeleiding (ten behoeve van vissen en amfibieën). Het bovenstaande betreft een grove weergave van de uit te voeren ingreep; deze werkwijze dient verder te worden vastgelegd in een ecologisch werkprotocol dat bij de uitvoerende partij onder de aandacht dient te worden gebracht (geen onderdeel van deze quickscan).

Figuur 16. Schets met te volgorde van werkwijze (1-5) ten behoeve van zorgplicht voor vissen en amfibieën.

6.4

Overige soort(groep)en

Overtredingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn wegens het ontbreken van geschikt habitat/verblijfsmogelijkheden, op basis van verspreidingsgegevens, de aanwezigheid van voldoende alternatieven en/of gezien de aard van de ingreep in dit geval niet aan de orde.

Rapport 17416.001 versie D2

Pagina 16 van 23

7

TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING

In algemene zin kan er door een plan sprake zijn van negatieve gevolgen, op vanuit de Wet natuurbescherming aangewezen beschermde gebieden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke gebieden er mogelijk sprake is van negatieve effecten als gevolg van de voorgenomen ingrepen op de onderzoekslocatie. Verder wordt beschreven of een vervolgtraject noodzakelijk is en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van vergunningen. 7.1

Natura 2000

De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, Veluwe, bevindt zich op circa 7,5 kilometer afstand ten noordoosten van de onderzoekslocatie (zie figuur 17).

Figuur 17. Ligging onderzoekslocatie ten opzichte van Natura 2000.

De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect, zoals toenamen van geluid, trilling, licht of depositie van stikstof. Externe effecten als gevolg van de voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie zijn, gezien de afstand (± 7,5 km) tot de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden in combinatie met de aard van de plannen (aanleg waterberging en verleggen van waterloop) niet te verwachten. Vervolgonderzoek in het kader van de gebiedsbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming wordt niet noodzakelijk geacht.

Rapport 17416.001 versie D2

Pagina 17 van 23

7.2

Natuurnetwerk Nederland

In figuur 18 is de ligging van de onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland weergegeven. De onderzoekslocatie maakt deel uit van het Gelders Natuurnetwerk (GNN, donkergroen) en de Groene Ontwikkelingszone (GO, lichtgroen). Het Natuurnetwerk betreft in Gelderland een planologische bescherming van de aangewezen gebieden.

Figuur 18. Ligging onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland.

Dit gedeelte van het Gelders natuurnetwerk wordt ontwikkeld ten behoeve van een verbinding tussen natuurgebieden in de Veluwe (oost) en de Utrechtse heuvelrug (West) voor soorten als kamsalamander en das. Voor het gedeelte van het Gelders natuurnetwerk (gebiedsnummer 81) en de groene ontwikkelingszone (GO) zijn de volgende kernkwaliteiten opgesteld (provincie Gelderland): -

Verbinding langs Esvelderbeek voor o.a. amfibieën, reptielen en vissen.

Voor het GNN en GO in de Gelderse vallei (gebiedsnummer 81) zijn enkele natuurontwikkelingsdoelen opgesteld: -

ontwikkeling ecologische verbinding Esvelder Beek - Barneveldse Beek: singels, graslanden, plasdrasbermen en moeraszones, aansluitend op het omringende landschap vermindering barrièrewerking A30, N310, N304, N224, N781, N225, N800, N801, N802 en N805 ontwikkeling bosranden en overgangen naar cultuurgronden ontwikkeling biotopen voor reptielen en amfibieën

In de volgende paragrafen zal worden beschreven op welke manier de voorgenomen ontwikkeling op de onderzoekslocatie effect heeft op de gestelde doelen voor GNN en GO in de Gelderse vallei.

Rapport 17416.001 versie D2

Pagina 18 van 23

7.2.1

Ontwikkeling van Gelders natuurnetwerk (GNN)

De Esvelderbeek met de waterberging en poel op de onderzoekslocatie wordt ontwikkeld tot een gebied rijk aan variatie in vochthuishouding en vegetatie. Bij wijzigingen aan GNN is het noodzakelijk de kwaliteit en kwantiteit in ieder geval gelijk blijven en zo mogelijk worden verhoogd. Het gedeelte van de onderzoekslocatie dat valt onder het GNN betreft de huidige loop van de Esvelderbeek. Deze huidige loop komt bij de voorgenomen ontwikkeling te vervallen, waarvoor een waterberging wordt gerealiseerd. Een alternatieve beekloop wordt gerealiseerd, welke door meer meanderende vorm een groter oppervlakte beslaat (geschatte toename 10%). Daarnaast wordt de oever natuurvriendelijk ingericht en ontstaat uitsluiting aan een laaggelegen waterberging, een poel en een nieuw te realiseren stuk oeverbos. Fluctuatie in waterstand zorgt voor verdere verhoging van natuurwaarde. Deze ontwikkeling past binnen de ontwikkelingsdoelen van het GNN in de Gelderse vallei door het ontwikkelen van biotoop voor amfibieën, het versterken van de verbindingsfunctie van de Esvelderbeek en de vergroting van de verbinding met het omringende landschap. Er is bij de voorgenomen ingreep sprake van een verbetering in kwaliteit en kwantiteit van GNN. 7.2.2

Ontwikkeling van groene ontwikkelingszone (GO)

Het gedeelte van de onderzoekslocatie in GO dat wordt ontwikkeld betreft het perceel maisakker. Om dit gebied te herontwikkeling vanuit de huidige staat zijn maatregelen vereist om de kwaliteit en kwantiteit van het huidige gebied GO te verbeteren. Het huidige perceel maisakker wordt gebruikt om een meer meanderende Esvelderbeek, een natuurvriendelijke poel en een oeverbos te creëren. Deze elementen zullen elk afzonderlijk verschillende natuurwaardes vervullen. Deze ontwikkeling past binnen de ontwikkelingsdoelen die zijn bepaald voor de GO in dit gebied; waarbij verbinding met het omliggend landschap, overgangszones aan de oever, poelen, plasdrasgebieden en verbindingszones voor diersoorten worden gerealiseerd Er is bij de voorgenomen ingreep sprake van een verbetering in kwaliteit en kwantiteit van GO. 7.2.3

Conclusie

Aangezien het planvoornemen leidt tot het verhogen van natuurwaarde in het onderdeel van het Natuurnetwerk, namelijk het verhogen van de kwaliteit van het GO en het verhogen van de kwantiteit en kwaliteit van het GNN, zijn aanvullende maatregelen of aanvullend advies ten aanzien van het GNN of GO niet aan de orde.

Rapport 17416.001 versie D2

Pagina 19 van 23

8

HOUTOPSTANDEN

De Wet natuurbescherming beschermt bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen, gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde 'houtopstanden'). Het is verboden deze houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen zonder voorafgaande melding bij gedeputeerde staten. In dit hoofdstuk wordt beschreven of er bij de voorgenomen kap sprake is van meldingsplicht en herplantplicht conform artikel 4.2 en artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming. Verder wordt beschreven of er vervolgmaatregelen getroffen dienen te worden ten behoeve van de voorgenomen houtkap. Wegens het ontbreken van bomen op de onderzoekslocatie, kan het onderdeel houtopstanden als bedoeld in paragraaf 4.1 van de Wet natuurbescherming buiten beschouwing worden gelaten. Vervolgstappen zijn niet noodzakelijk.

Rapport 17416.001 versie D2

Pagina 20 van 23

9

SAMENVATTING EN CONCLUSIES

Econsultancy heeft in opdracht van gemeente Barneveld een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd aan de Nijkerkerweg 145 te Barneveld. De quickscan Wet natuurbescherming is uitgevoerd in het kader van het verleggen van een beekloop en de realisatie van waterberging. Het onderzoek heeft tot doel om in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten, gebieden of houtopstanden aanwezig zijn die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve gevolgen kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. De initiatiefnemer is voornemens de loop van de Esvelderbeek te verleggen. Er worden een waterberging en een poel gerealiseerd op de huidige loop. Op het perceel maisakker wordt de nieuwe loop van de Esvelderbeek en natuurontwikkeling gerealiseerd. Hierbij worden graafwerkzaamheden uitgevoerd en blijven de bomenrijen aan de rand van de onderzoekslocatie behouden. De aanwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie voor de verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in tabel I. In de tabel is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningstrajecten.

In de tabel is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen. Tabel I.

Overzicht geschiktheid onderzoekslocatie voor soortgroepen en te nemen vervolgstappen Soortgroep

Geschikt habitat

Ingreep verstorend

Nader onderzoek

Ontheffingsaanvraag

Bijzonderheden / opmerkingen*

algemeen

minimaal

mogelijk

nee

nee

het verwijderen van nestgelegenheden buiten het broedseizoen uitvoeren

jaarrond beschermd

nee

nee

nee

nee

-

verblijfplaatsen

nee

nee

nee

nee

-

foerageergebied

ja

nee

nee

nee

voldoende alternatief + situatie na de ingreep van hogere kwaliteit

vliegroutes

nee

nee

nee

nee

-

Grondgebonden zoogdieren

minimaal

mogelijk

nee

nee

zorgplicht ten aanzien van algemene soorten

Amfibieën en vissen

minimaal

mogelijk

nee

nee

zorgplicht ten aanzien van algemene soorten door volgen ecologisch werkprotocol en ecologische begeleiding

Overige soortgroepen

nee

nee

nee

nee

-

Gebiedsbescherming

Gebied aanwezig

Ingreep verstorend

Nader onderzoek

Vergunningplicht

7,5 km

nee

nee

nee

-

Natuurnetwerk Nederland

ja

nee

nee

nee

ingreep leidt tot een verbetering in kwaliteit en kwantiteit van een onderdeel van Gelders natuurnetwerk (GNN) en Groene ontwikkelingszone (GO)

Houtopstanden

n.v.t

Broedvogels

Vleermuizen

Natura 2000

-

* Wijzigingen in het planvoornemen kunnen van invloed zijn op de uitkomst van het onderzoek.

Rapport 17416.001 versie D2

Pagina 21 van 23

Conclusie Algemene broedvogels Voor de algemene broedvogelsoorten die op de onderzoekslocatie zijn te verwachten geldt dat, indien het groen buiten het broedseizoen wordt verwijderd, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. De nesten mogen echter wel worden weggenomen wanneer deze op dat moment niet in gebruik zijn. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Algemene grondgebonden zoogdieren. Voor de te verwachten soorten geldt dat de werkzaamheden mogelijk verstorend kunnen werken. Als gevolg van graafwerkzaamheden kunnen dieren verwond of gedood worden en holen kunnen worden verwijderd. Voor de te verwachten soorten geldt, op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen echter een vrijstelling, waardoor geen ontheffing hoeft te worden aangevraagd. Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen.

Algemene vissen en amfibieën Bij het verleggen van de watergang zullen zonder maatregelen vissen worden gedood, hetgeen een overtreding van de Wet natuurbescherming inhoudt. De te verwachten soorten vallen echter onder het provinciale soortenbeleid, zodat voor de werkzaamheden niet vooraf een ontheffing hoeft te worden aangevraagd. Voor de te verwachten vissoorten geldt echter wel de zorgplicht. Dit houdt in dat het doden van individuen redelijkerwijs vermeden dient te worden. Om aan de zorgplicht te voldoen wordt allereerst de periode september-oktober aanbevolen. Zo wordt de kwetsbare periode van voortplanting en winterrust van amfibieën en vissen vermeden. In het kader van de zorgplicht word aanbevolen om de volgende werkwijze aan te houden: 1) Graven van de nieuwe loop van de Esvelderbeek ten zuiden van de huidige loop (afgesloten van de huidige loop); 2) Openzetten van stroomafwaarts gelegen verbinding tussen de huidige en de nieuwe loop (westkant onderzoekslocatie); 3) Openen stroomopwaarts gelegen verbinding (oost) en direct naar punt 4; 4) Dichtzetten oostkant van oude loop met materiaal uit de nieuwe loop; 5) Machinaal water naar westen schuiven onder ecologische begeleiding (ten behoeve van vissen en amfibieën).

Het bovenstaande betreft een grove weergave van de uit te voeren ingreep; deze werkwijze dient verder te worden vastgelegd in een ecologisch werkprotocol dat bij de uitvoerende partij onder de aandacht dient te worden gebracht. Daarnaast is ecologische begeleiding vereist.

Rapport 17416.001 versie D2

Pagina 22 van 23

10

AANBEVELINGEN

Beschermde broedvogels (huismus, kerkuil, torenvalk) Afhankelijk van de welwillendheid van de eigenaar van Nijkerkerweg 145 kunnen beschermde broedvogels zoals huismus en kerkuil worden gestimuleerd op de onderzoekslocatie. Op het erf van Nijkerkerweg 145 zijn tijdens het veldbezoek huismussen aangetroffen alsmede een schuur die geschikt zou zijn voor een broedgeval van de kerkuil. De ontwikkeling van de waterberging en de verlegde Esvelderbeek zal ten goede komen van de lokale huismuspopulatie door een vergroting van het voedselaanbod. Tijdens de natuurlijke successie zullen ruigtesoorten en bloeiende struiken gaan groeien op de huidige maisakker. Het is aan de eigenaar van nummer 145, maar wellicht zouden enkele huismuskasten het nestaanbod kunnen vergroten. De nieuwe beekbegeleidende natuur zal zeker op korte termijn het prooiaanbod (muizen) voor de kerkuil doen toenemen. Voor het plaatsen van een kerkuilenkast in een boerenschuur is overleg met een uilenwerkgroep aan te raden (Type UK KE 01 of vergelijkbaar). Ook de torenvalk kan worden geholpen met een nestkast. Deze soort is al in de buurt aanwezig en zal de nieuwe natuur gaan benutten (BIJ12 huismus, kerkuil en torenvalk). Geschikte oever en poel voor amfibieën Bij de inpassing van de nieuwe beekloop en de vijver kan eenvoudig rekening gehouden met amfibieen.

Een ondiepe/flauwe oever met vegetatie beschut larven en juveniele amfibieën. De vijver mag incidenteel ‘s zomers droogvallen, dit vermindert predatie door vissen. Bij een poel is omvang van belang, bij voorkeur minimaal 150m 2. Zorg voor genoeg zon op het wateroppervlak en bij voorkeur een flauwe oever aan de noordkant. Zo ontstaat het juiste warme microklimaat voor de ontwikkeling van amfibieën (Stichting Landschapsbeheer Gelderland). Struweel en houtwallen biedt overwinteringshabitat voor volwassen exemplaren van amfibieënsoorten. Door de poel apart van de beek aan te leggen kan worden voorkomen dat algemene vissoorten de eitjes en larven van amfibieënsoorten opeten. De versterkte amfibiepopulatie kan aansluiten aan de populatie in natuurgebied Esvelderbeek ten westen van de onderzoekslocatie. Oeverbos Bij de realisatie van de waterberging kan natuurlijke successie zorgen voor een gemengd loofbos. Eventuele verschillen in reliëf kunnen hier zorgen voor meer variatie in vegetatiestructuur en biodiversiteit. Ook variatie in waterstand, geassocieerd met het gebruik als waterberging, zal zorgen voor een diverse vegetatie van meer en minder vocht-tolererende soorten. Er is verder geen beheer noodzakelijk.

Wel kan de oever van de beek en de poel worden beheerd zodat er voldoende zon op het water kan blijven schijnen (BIJ12 rivier- en beekbegeleidend bos, Natura2000 herstelstrategieën). Voor verarming van de voedingstoestand in de bodem en het water kan een bufferzone worden aangelegd waar niet wordt gemest. Het perceel voormalige maisakker ten zuiden van de waterberging kan hiertoe dienst doen. Zo kan vermesting van oppervlaktewater en excessieve verruiging van de oever worden voorkomen (Bureau Viridis). Verbindingszone De toekomstige loop van de Esvelderbeek als zodanig kan een verbindingszone zijn voor diersoorten als das en kamsalamander. Hiervoor kan bij het plaatsen van duikers bij de nabijgelegen provinciale en snelweg zorg worden gedragen dat diersoorten de oever van de beek kunnen volgen. Dit kan bijvoorbeeld door een oever of betimmering te plaatsen zodat dieren de ruimte krijgen zich veilig onder de weg en langs de beek te verplaatsen, vergelijkbaar met huidige situatie (Kernkwaliteit GNN). Econsultancy Doetinchem, 17 december 2021

Rapport 17416.001 versie D2

Pagina 23 van 23

GERAADPLEEGDE BRONNEN Boesveld et al., 2011 - Natuurbeheer, bescherming en biotoopeisen van drie bijzondere Nederlandse slakken: de Nauwe korfslak, de Zeggekorfslak en de Platte schijfhoren. De Levende Natuur , Volume 112 - Issue 3 p. 114- 119 Broekhuizen, S., Spoelstra, K., Thissen, J., Canters, K. & Buys, J. (2016). Atlas van de Nederlandse zoogdieren - Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. BIJ12 (2017). Kennisdocument gewone dwergvleermuis. Opgehaald van https://www.bij12.nl/assets/BIJ12-2017-004Kennisdocument-Gewone-dwergvleermuis-1.0.pdf. BIJ12 (2021). Kennisdocument grote modderkruiper. Opgehaald van https://www.bij12.nl/wp-content/uploads/2021/10/Kennisdocument-Grote-modderkruiper-Misgurnus-fossilis-Versie-2.0oktober-2021.pdf Gemeente Barneveld 2009 – Gedragscode Flora en Faunawet (nu Wet natuurbescherming) opgehaald van: https://edepot.wur.nl/11828 Ministerie van Economische Zaken (2016). Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Lees hier wat de Wet natuurbescherming daarover regelt. Versie 1.3, december 2016. Ministerie van Economische Zaken, Den Haag. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (z.d.). Natura 2000 gebieden. Geraadpleegd op 17 december 2021 van https://www.natura2000.nl/gebieden. Nationale Database Flora en Fauna (z.d.).

Uitvoerportaal; zoekgebied Barneveld, periode 2016-2021. NDFF. Geraadpleegd op 17 december 2021 van https://ndff-ecogrid.nl. Sovon (z.d.). Soortenoverzicht. Geraadpleegd op 17 december 2021 van https://stats.sovon.nl/stats/soorten. Unie van Waterschappen 2019 – Gedragscode Wet natuurbescherming voor waterschappen. Opgehaald van: https://www.uvw.nl/publicatie/gedragscode-wet-natuurbescherming-voor-waterschappen-2019/ Verspreidingsatlas (z.d.). NDFF Verspreidingsatlas. Geraadpleegd op 17 december 2021 van https://www.verspreidingsatlas.nl/. Viridis in opdracht van waterschap Vallei en Eem 2009 – Het Stroomgebied van de Barneveldse beek. Opgehaald van: https://www.planviewer.nl/imro/files/NL.IMRO.0203.1075-0003/tb_NL.IMRO.0203.1075-0003_4.pdf Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus (2021). Vleermuisprotocol 2021. Opgehaald van https://netwerkgroenebureaus.nl/vleermuisprotocol. Wet natuurbescherming (2015, 16 december). Opgehaald van: https://wetten.overheid.nl/BWBR0037552/2021-02-17. Provinciale bronnen Provincie Gelderland (2021, maart). Planoviewer - Geconsolideerde Omgevingsverordening Gelderland (maart 2021). Geraadpleegd op 17 december 2021 van https://gldanders.planoview.nl/planoview/. Provincie Gelderland (z.d.). Bijlage Kernkwaliteiten Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszone.

Geraadpleegd op 17 december 2021 van https://www.ruimtelijkeplannen.nl/documents/NL.IMRO.9925.PVOmgverordeningGCgc08/b_NL.IMRO.9925.PVOmgverordeningGC-gc08_733.pdf. Provincie Gelderland (z.d.). Natuurregels in Gelderland. Geraadpleegd op 17 december 2021 van https://gelderland.maps.arcgis.com/apps/MapSeries/index.html?appid=38465e1d8fec467ba027024c1e3476d1 .

Rapport 17416.001 versie D2

Aanbevelingen Bronnen gebruikt bij het hoofdstuk aanbevelingen: https://www.bij12.nl/assets/BIJ12-2017-009-Kennisdocument-Huismus-1.0.pdf https://www.bij12.nl/assets/BIJ12-2017-011-Kennisdocument-Kerkuil-1.0.pdf http://www.vivarapro.nl/UK-KE-01-Nestkast-Kerkuil https://www.bij12.nl/onderwerpen/natuur-en-landschap/subsidiestelsel-natuur-enlandschap/agrarisch-natuurbeheeranlb/kennisbank/doelsoorten/torenvalk/ https://www.bij12.nl/assets/BIJ12-2017-014-Kennisdocument-Poelkikker-1.0.pdf https://www.bij12.nl/onderwerpen/natuur-en-landschap/index-natuur-en-landschap/natuurtypen/n14-vochtigebossen/n14-01-rivier-en-beekbegeleidend-bos/ https://www.natura2000.nl/sites/default/files/PAS/Herstelstrategieen/Deel%20II-1/H91E0C.pdf Stichting Landschapsbeheer Gelderland (SLG) ’Poel aanleg en onderhoud’. Opgehaald van: https://landschapsbeheergelderland.nl/wp-content/uploads/poel-1.pdf

Rapport 17416.001 versie D2

Bijlage 1 toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming Zorgplicht Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd (zie tabel II). Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. Tabel II. Zorgplicht Artikel 1.11. Zorgplicht 1.

Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De zorg houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a) dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b) indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c) voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt.

2.

Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld; “de zorgplicht kan wel door toepassing van bestuursdwang worden gehandhaafd”. Deze formulering van de zorgplicht brengt met zich mee dat wanneer men een bepaalde handeling wilt verrichten die gevolgen voor natuurwaarden zou kunnen hebben, men zich daaraan voorafgaand op de hoogte stelt van de aanwezige natuurwaarden, de kwetsbaarheid ervan en de mogelijke gevolgen daarvoor van het voorgenomen handelen. De zorgplicht is te allen tijde van toepassing, ook al vindt er geen overtreding van een verbodsbepaling plaats. Indien er aanleiding is maatregelen te nemen ten aanzien van de zorgplicht, zal dat voor het betreffende beschermde natuurgebied en de betreffende soortgroep in deze rapportage worden aangegeven. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; • • •

soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).

In tabel III t/m V worden deze artikelen nader toegelicht.

Rapport 17416.001 versie D2

Tabel III. Verbodsbepalingen en toelichting Artikel 3.1 Wet natuurbescherming Artikel 3.1. Soorten van de Vogelrichtlijn 1.

Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Barneveld&id=fc98f6b0-9d39-40e3-8235-0d6b82c05c13