Nachtegaalweg V, partiële herziening Bg 2012_Toelichting.pdf
Tekst van het document
In deze visie is onder meer vastgelegd hoe in Barneveld nabij risicobronnen zal worden omgegaan met het veiligstellen van een acceptabel niveau van risico's externe veiligheid en beheersbaarheid. Beoordeling risicobronnen Op basis van de EV signaleringskaart is een beoordeling gemaakt van de EV-situatie.
Dicht in de buurt loopt namelijk een hoogspanningskabel, met een effectgebied; magnetisch stralingsgebied van 60 meter. In onderstaande tabel is een analyse van het aspect externe veiligheid opgenomen. Rondom het plangebied zijn de volgende externe veiligheidsrisicobronnen relevant:
"Nachtegaalweg V, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
27
Nachtegaalweg V, partiële herziening Buitengebied 2012
De beoordeling van externe veiligheid wordt uitgevoerd voor twee risiconormen, namelijk het plaatsgebonden risico en groepsrisico. Plaatsgebonden risico Het plangebied ligt buiten de plaatsgebonden risicocontour 10-6 van een Bevi inrichting, transportroute en hogedruk aardgastransportleiding. Dit vormt geen belemmering voor de realisatie van het plan. Groepsrisico Het Groepsrisico (GR): geeft de kans per jaar aan dat een groep personen tegelijk slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico bestaat uit een invloed gebied waarbinnen het risico verantwoordt moet worden. De afstand tussen het plangebied en de risicobronnen is zodanig dat het plangebied niet in een maatwerkzone ligt van een risicobron. Dit houdt in dat het groepsrisico niet onderzocht of verantwoord hoeft te gaan worden. Beoordeling en conclusie Het plangebied heeft geen effect op de externe veiligheid. Het plan brengt zelf geen risico met zich mee als wel dat het plangebied niet in een PR-contour ligt dan wel dat er een groepsrisico verantwoording noodzakelijk is. Wel ligt de kavel zeer dichtbij een hoogspanningsmast, waarbij één van de woningen dicht tegen de mast staat. Dit is voor de gezondheid van de bewoners mogelijk niet erg bevorderlijk. De woning ligt op de grens van 60 meter (een wettelijke gewenste norm).
Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavig plan. De woning komt niet dichterbij de hoogspanningsmast en - leiding te liggen en moet bij nieuwbouw op de plek teruggebouwd worden waar deze nu ook staat.
5.5
Geluid
De basis voor de ruimtelijke afweging van geluid is de Wet geluidhinder (Wgh). Bij het vaststellen van een bestemmingsplan komen in de volgende gevallen de regels van deze wet aan de orde: het bestemmen van gronden voor nieuwe geluidgevoelige objecten (bijvoorbeeld woningen en onderwijsgebouwen) binnen zones langs (spoor-)wegen en zones rondom industrieterreinen; het bestemmen van gronden voor de aanleg van nieuwe, dan wel reconstructie van gezoneerde (spoor-)wegen; het bestemmen van gronden voor (nieuwe) industrieterreinen waar zich grote lawaaimakers kunnen vestigen en herziening van zonegrenzen van industrieterreinen. De Wet geluidhinder gaat uit van zones langs (spoor-)wegen en zones bij industrieterreinen. Het gebied binnen deze zone geldt als akoestisch aandachtsgebied waar, voor bouwplannen en bestemmingsplannen, een akoestische toetsing uitgevoerd dient te worden. De geluidbelasting op de gevels van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen mag in principe niet meer bedragen dan de voorkeursgrenswaarde. Indien de geluidbelasting op de gevel hoger is dan de voorkeursgrenswaarde kan onder bepaalde voorwaarden een verzoek worden gedaan tot vaststelling van een hogere waarde. Hierbij mag de geluidbelasting de uiterste grenswaarde niet overschrijden. De voorkeursgrenswaarde en uiterste 28
"Nachtegaalweg V, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Nachtegaalweg V, partiële herziening Buitengebied 2012 grenswaarde voor nieuwe of bestaande geluidgevoelige bestemmingen verschillen per geluidsbron. In geval van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen binnen zones langs wegen of spoorwegen, of binnen de zone van een industrieterrein, is akoestisch onderzoek vereist. De nieuwe woonfunctie is op grond van de Wet geluidhinder aangewezen als geluidgevoelige bestemming. Daarom dient de geluidbelasting vanwege het wegverkeer te worden getoetst aan de grenswaarden uit de Wet geluidhinder in samenhang met het geldende geluidsbeleid "Beleidsregels hogere grenswaarden Wet geluidhinder Barneveld 2009". Wat betreft spoor- en/of wegverkeerslawaainormen én industrie-/bedrijfslawaai zijn geen nadere onderzoeken benodigd. De afstanden tot de omliggende wegen en de lage etmaalintensiteiten geven geen aanleiding tot overschrijding van de voorkeursgrenswaarde, gelet op het wegverkeer. De omliggende industriefunctie ligt op een afstand van meer dan 50 meter vanaf de projectgrenzen. Dit zal niet leiden tot een extra beperking van de bedrijfsvoering. Mede ook dat er momenteel reeds een woning is gesitueerd. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor uitvoering van het plan.
5.6
Geur
Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan toetst het bevoegde gezag enerzijds of in het plangebied een qua geur acceptabel woon- en leefklimaat gegarandeerd is. Anderzijds is het uitgangspunt dat met het plan de omliggende bedrijven niet vergaand in hun ontwikkelingsmogelijkheden mogen worden beperkt. Uitgangspunt voor de toetsing zijn de normen zoals die in of op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) zijn vastgelegd. De Wgv maakt het mogelijk om bij verordening af te wijken van de wettelijke geurnormen. De gemeente Barneveld heeft van die mogelijkheid gebruik gemaakt. De Verordening geurhinder en veehouderij is in werking getreden op 18 oktober 2008, waarbij voor een aantal aangegeven delen van het grondgebied van Barneveld andere normen dan de wettelijke zijn vastgesteld. Het plan is getoetst aan de normen die zijn vastgesteld in deze verordening, voor zover deze normen van toepassing zijn in of rond het plangebied. Veel bedrijven hebben geen omgevingsvergunning milieu meer nodig, maar vallen onder algemene milieuregels zoals vastgelegd in het Activiteitenbesluit milieubeheer. Aangezien de geurnormen uit de Wgv vrijwel één op één zijn overgenomen in het Activiteitenbesluit, kunnen bedrijven die onder dit besluit vallen ook gewoon worden meegenomen in de Wgv-toets.
Onder een 'geurgevoelig object' wordt verstaan: een gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt. In de omgeving van het plangebied ligt een veehouderij op het volgende adres: - Puurveenseweg 18. Dit bedrijf is op circa 175 meter afstand van het onderhavige plangebied gelegen. Het plangebied Nachtegaalweg 22 en 22 bis is omringd door andere woonbestemmingen. In dat geval zullen andere, omliggende woningen eerder een belemmering vormen voor agrarische bedrijven (waaronder ook voor Puurveenseweg 18) in de omgeving. In de omgeving zijn inmiddels ook een aantal bedrijven gestopt, waaronder Puurveenseweg 24 en Nachtegaalweg 26. Belangrijke uitbreidingen zijn er in de directe omgeving sindsdien niet geweest. Er zijn geen belemmeringen voor dit plan. De feitelijke situatie qua woon- en leefklimaat zal beter zijn dan op onderstaande afbeelding is weergegeven (kaart dateert uit 2013, met veehouderijgegevens uit 2012). Er zijn geen belemmeringen voor dit plan. De locatie ligt in een gebied met een maximale achtergrond streefwaarde van 32 ou. In dit geval is de verwachting dat de achtergrondbelasting niet hoger zal zijn dan 15 ou.
"Nachtegaalweg V, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
29
Nachtegaalweg V, partiële herziening Buitengebied 2012
Afbeelding: weergave van de achtergrondbelasting Er kan voldaan worden aan de eisen voor een voldoende goed woon- en leefklimaat voor het planologisch toevoegen van een woning qua geur. Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering om planologisch één woning toe te voegen aan de Nachtegaalweg.
5.7
Ladder voor duurzame verstedelijking
In het Besluit ruimtelijke ordening is de verplichting opgenomen om in het geval van nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. Artikel 3.1.6, tweede lid Bro luidt per 1 juli 2017 als volgt: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen (artikel 1.1.1, eerste lid, onder i van het Bro). De ontwikkeling van één woning valst niet onder 'stedelijke ontwikkeling'. Daarom is geen verdere toelichting vereist. Conclusie Nu het hier gaat om het splitsen van de bestaande woning in twee zelfstandige woningen waarbij er geen bebouwing bij zal komen, voorziet het betrokken plan niet in een woningbouwlocatie als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i van het Bro.
Gelet hierop voorziet het plan evenmin in een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in de genoemde bepaling en is artikel 3.1.6, tweede lid van de Bro derhalve niet van toepassing. Het aspect Ladder voor duurzame verstedelijking vormt geen belemmering voor dit plan.
30
"Nachtegaalweg V, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Nachtegaalweg V, partiële herziening Buitengebied 2012
5.8
Leidingen
Binnen of in de directe nabijheid van het plangebied komen geen leidingen of beschermingszones van leidingen voor die in het kader van onderhavig bestemmingsplan bescherming behoeven. Eveneens zijn er geen laagvliegroutes die beperkingen stellen aan de bouwhoogten. In de nabijheid is wel een hoogspanningsnetwerk gelegen. Hiervoor wordt verwezen naar paragraaf 5.11 van de toelichting. Conclusie Het aspect leidingen vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.
5.9
Luchtkwaliteit
In de Wet milieubeheer zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen. Hierin is opgenomen dat bij een ruimtelijk besluit de gevolgen voor de luchtkwaliteit getoetst moet worden. Om te bepalen of de kwaliteit van de lucht ter plaatse voldoet aan de eisen uit de Wet milieubeheer en de daarop gebaseerde regelgeving, dient bij nieuwe ontwikkelingen onderzoek gedaan te worden naar de luchtkwaliteit. Projecten waarvan aannemelijk is dat deze niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging hoeven niet getoetst te worden aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. De ontwikkelingen in het plangebied zijn dermate kleinschalig, dat ze vallen binnen de randvoorwaarden van het Besluit Niet in Betekenende Mate Bijdragen. De invloed van deze kleinschalige ontwikkelingen hoeven niet in beeld te worden gebracht. Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen heeft betrekking op de vraag of de gevolgen van een plan voor de luchtkwaliteit dienen te worden onderzocht. In het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) dient de luchtkwaliteit ter plaatse van nieuwe gevoelige bestemming die gelegen zijn op een afstand van minder dan 300 m vanaf de rand van een rijksweg of minder dan 50 m vanaf de rand van een provinciale weg te worden beoordeeld.
In dit geval is er geen sprake van een plan waar een gevoelige bestemming in de zin van het Besluit gevoelige bestemmingen mogelijk wordt gemaakt. Toetsing aan dit besluit behoeft derhalve niet plaats te vinden. Conclusie Op basis van het voorgaande vormt luchtkwaliteit geen belemmering voor uitvoering van onderhavige plan.
5.10
Milieueffectrapportage
Niet voor alle nieuwe activiteiten hoeft een m.e.r.-procedure gevolgd te worden. Uitgangspunt van de m.e.r.-beoordeling is het 'nee, tenzij' -principe. Dat wil zeggen dat alleen een milieueffectrapport (MER) hoeft te worden opgesteld, wanneer er omstandigheden zijn die (waarschijnlijk) leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen. De Wet milieubeheer maakt onderscheid in een m.e.r.-procedure voor plannen (planMER) en voor besluiten (besluitMER of projectMER). Voor een bestemmingsplan kan zowel de plan-m.e.r.-plicht als de besluit-m.e.r.-plicht gelden. Er zijn drie sporen waarlangs de m.e.r.-plicht kan ontstaan: 1. Plan- en/of besluit-m.e.r.-plicht: als de voorgenomen activiteit vermeld is in het Besluit milieueffectrapportage; 2. Plan-m.e.r.-plicht: als voor het plan een zogeheten passende beoordeling op grond van de Wet natuurbescherming gemaakt moet worden. Dat is het geval als het plan significante negatieve gevolgen kan hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000 gebied; 3. Toetsing aan de provinciale milieuverordening. Besluit milieueffectrapportage Per 16 mei 2017 is de regelgeving voor de MER en m.e.r.-beoordeling gewijzigd met daarin een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling.
Voor de ontwerp-bestemmingsplanfase moet een m.e.r-beoordelingsbeslissing worden genomen, waarin wordt aangegeven of wel of geen MER nodig is, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen. Deze beslissing wordt als bijlage bij het bestemmingsplan opgenomen. Voor elke aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde komt moet de initiatiefnemer "Nachtegaalweg V, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
31
Nachtegaalweg V, partiële herziening Buitengebied 2012 een aanmeldingsnotitie opstellen, waarbij ook mitigerende maatregelen mogen worden meegenomen. Het bevoegd gezag dient binnen zes weken na indienen een m.e.r.-beoordelingsbesluit af te geven. Een vormvrije m.e.r.-beoordelingsbeslissing hoeft echter niet gepubliceerd te worden. In het Besluit m.e.r. is een activiteit opgenomen die van toepassing kan zijn voor het voornemen: D11.2 'De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject Het plan valt onder activiteit D11.2 'De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'. De verandering is dermate klein dat deze ruim onder de drempelwaarden in kolom 2 blijft. Voor activiteiten onder de drempelwaarden geldt in principe een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Uit jurisprudentie blijkt echter dat niet iedere ontwikkeling onder de drempelwaarde tot een stedelijk ontwikkelingsproject gerekend hoeft te worden. De aard en omvang van de opgave en het karakter van de omgeving zijn o.a. relevant om hierin mee te nemen. In dit geval is sprake van een zeer beperkte wijziging. De ontwikkeling past tevens binnen het karakter van de omgeving. Hierdoor is in dit geval geen sprake van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' zoals bedoeld onder activiteit D11.2 uit het Besluit m.e.r.
Deze activiteit uit het Besluit m.e.r. is daarom niet van toepassing op het voornemen. Passende beoordeling via de Wet natuurbescherming Voor het vaststellen van plannen die significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied kunnen hebben, dient een passende beoordeling gemaakt te worden (artikel 7.2a Wet milieubeheer juncto artikel 2.8, eerste lid Wet natuurbeschermingswet). De plan-m.e.r-plicht op grond van de noodzaak van een passende beoordeling voor de Wet natuurbescherming is hier niet aanwezig. Er is voor dit plan geen passende beoordeling nodig. Provinciale milieuverordening Provinciale Staten kunnen in de provinciale milieuverordening extra activiteiten met gevallen, plannen en besluiten aanwijzen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben en dus m.e.r.-plichtig zijn (artikel 7.6 Wet milieubeheer). Dit is dus aanvullend op de m.e.r.-plicht op basis van onderdeel C van de bijlage Besluit m.e.r. (en dus ook aanvullend op de verplichting vanuit de Europese richtlijnen) én conform dezelfde systematiek. Provinciale staten van Gelderland hebben geen extra activiteiten met gevallen, plannen en besluiten aangewezen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (en zo m.e.r.-plichtig zijn).
Conclusie Vanwege de kleinschaligheid van het plan, er geen significante milieugevolgen te verwachten zijn en er geen passende beoordeling nodig is, is geen m.e.r. noodzakelijk. Het aspect m.e.r. staat de ontwikkeling van dit plan niet in de weg.
5.11
Milieuzonering
Ten aanzien van bedrijvigheid geldt als uitgangspunt dat toekomstige woningen geen onevenredige milieuhinder (geur, geluid etc.) mogen ondervinden van nabijgelegen bedrijvigheid. In de publicatie ´Bedrijven en milieuzonering´ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, editie 2009, worden in verband met de aanwezigheid van milieubelastende functies indicatieve afstandsnormen voorgeschreven tot milieugevoelige functies, vooral wonen. In dit kader zijn voor het onderhavige plan de volgende bedrijven en aspect van belang: - intensieve veehouderij aan de Puurveenseweg 18. Dit agrarische bedrijf ligt op ca. 175 m afstand van Nachtegaalweg 22 (afstand van dichtstbijzijnde stal tot dichtst bijgelegen woning). Het betreft een inrichting voor het fokken en houden van legkippen. Het is een type C -inrichting vanwege van toepassing zijn IPPC-richtlijn (cat. 6.6.: Intensieve pluimvee- of varkenshouderij: a) met meer dan 40.000 plaatsen voor pluimvee). Er is een vergunning verleend voor 76.500 kippen. Naast emissies van geur en ammoniak is ook de uitstoot van fijn stof hierdoor aanzienlijk. Voor dit bedrijf is SBI-code 0147.1 van toepassing: 200 meter is de minimale afstand die vanuit de brochure VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' wordt geadviseerd. 32
"Nachtegaalweg V, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Nachtegaalweg V, partiële herziening Buitengebied 2012
Verwezen wordt naar paragraaf 5.6 waarin is ingegaan op het aspect geur. Daaruit volgt dat er voldaan kan worden aan de eisen voor een voldoende goed woon- en leefklimaat voor het planologisch toevoegen van een woning qua geur. Hierdoor kan gemotiveerd afgeweken worden van die 200 meter afstand die in de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' is opgenomen. Veiligheidszone - Activiteitenbesluit Binnen de grenzen van het bestemmingsplan is geen gasdrukmeet- en regelstation aanwezig. In het Activiteitenbesluit zijn veiligheidsafstanden opgenomen die moeten worden aangehouden tussen kwetsbare respectievelijk beperkt kwetsbare objecten en (onder andere) een gasdrukmeet- en regelstation (4-6 meter). Kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten volgens het Activiteitenbesluit zijn dezelfde objecten als die genoemd zijn in het Besluit externe veiligheid inrichtingen. Het gaat dan om onder andere woningen, ziekenhuizen en bedrijven. Tussen een woning en een gasdrukmeet- en regelstation moet een veiligheidsafstand van 6 meter worden aangehouden. Het onderhavige plan voldoet aan de voorgeschreven afstand. Binnen de veiligheidsafstand kunnen eveneens geen beperkt kwetsbare objecten worden opgericht.
Liander heeft op 3 november 2020 aangegeven dat op basis van de informatie er sprake is van tenminste een afstand van 60 meter tot aan de hoogspanningsverbinding (indicatieve zone) waarbinnen geen woonbestemming of andere gevoelige bestemming mogelijk wordt gemaakt. In dit geval bedraagt de afstand vanaf de bestemming 'Wonen' tot aan de dubbelbestemming 'Leiding Hoogspanning' iets minder dan 60 meter. De grens van de bestemming 'Wonen' aan deze zijde wordt niet aangepast met deze partiële herziening, zodat de bestaande afstand van de woning tot aan de hoogspanningsmast en -leiding hetzelfde blijft. De woning staat op ongeveer 59 meter afstand van de dubbelbestemming 'Leiding - Hoogspanning' en het bestaande bijgebouw staat op een afstand van 56,7 meter. Doordat er in de regels is bepaald dat bij vervangende nieuwbouw de woning gebouwd dient te worden ter plaatse van de bestaande woning (artikel 20.2.2, onder b van de planregels "Buitengebied 2012") is daardoor verzekerd dat de woning niet dichterbij de hoogspanningsleiding gebouwd gaat worden (indien er een nieuw plan tot stand zou komen). Hiermee worden de belangen voldoende gerespecteerd en hoeven er in dit bestemmingsplan geen veiligheidsafstanden opgenomen te worden. Conclusie Vanuit milieuzonering zijn er geen belemmeringen voor het plan.
5.12
Natuur en landschap
Op en rondom het perceel komen waardevolle bomen en houtopstanden voor, waarvan zelfs enkele zijn bestemd als 'Groen'. De vergunningplichtige en meldingsplichtige waardevolle bomen en houtopstanden blijven allemaal behouden. De bomen zijn allemaal ingepast in het nieuwe plan. Kap vindt niet plaats. Op de tekening 'Splitsing woonbestemming a/d Nachtegaalweg' laatstelijk gewijzigd d.d. 04-12-2020, zijn de bestaande en nieuw te realiseren beplantingen ten behoeve van de landschappelijke inpassing weergegeven. De ingediende tekening is vanuit landschap akkoord bevonden. Om de beplanting aan te leggen en vervolgens ook in stand te laten, is een voorwaardelijke verplichting opgenomen in het bestemmingsplan. Daarnaast is er een verklaring opgesteld, waaraan een waarborgsom is gekoppeld.
5.13
Veiligheid
Om een veilige omgeving te creëren of te behouden is er op het gebied van fysieke veiligheid een aantal aspecten waarmee rekening gehouden moet worden. Zo worden er eisen gesteld aan de bereikbaarheid van de openbare wegen voor de hulpverleningsdiensten. Dit leidt tot het stellen van minimale afmetingen en bochtstralen zodat hulpverleningsvoertuigen een object of calamiteit goed kunnen bereiken en adequate hulp kunnen verlenen. Met betrekking tot voldoende bluswater in het openbare wegennet zijn er ook eisen gesteld. Deze eisen hebben betrekking op de afstanden vanaf de bluswatervoorziening tot aan een gebouw en de capaciteit ervan. In de “Handreiking Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid” een uitgave van Brandweer Nederland worden deze eisen gesteld. Voor wat betreft de bereikbaarheid zijn er binnen de gemeente Barneveld hoofd- en subaanrijdroutes vastgesteld.
"Nachtegaalweg V, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
33
Nachtegaalweg V, partiële herziening Buitengebied 2012
Tevens worden er eisen gesteld aan de opkomsttijden voor brandweervoertuigen. Deze zijn afhankelijk van de bestemming. Voor gebouwen waarin geslapen wordt en verminderd zelfredzame mensen verblijven worden strengere eisen gesteld dan gebouwen waar dit niet zo is. De opkomsttijden zijn gesteld in de Wet veiligheidsregio’s (1 oktober 2010) met het daarbij behorende Besluit veiligheidsregio’s. In het Besluit zijn de tijdnormen voor de opkomsttijden vastgelegd. Situatie Nieuwe ontwikkelingen zullen worden getoetst aan de Handreiking Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid, het Besluit veiligheidregio’s en aan de eisen van de aangewezen hoofd- en subaanrijdroutes. Dit zal gebeuren bij de bouwplannen en inrichtingsplannen. Conclusie Er zijn voor wat betreft de eisen voor de veiligheid geen belemmeringen voor dit bestemmingsplan.
5.14
Verkeer
Er is sprake van een woning met inwoningssituatie. In de nieuwe situatie betreft het twee vrijstaande woningen. Voor dit plan blijft daardoor vanuit verkeer het aantal wooneenheden gelijk. Hiermee zal derhalve ook de verkeersgeneratie naar verwachting niet toenemen. Er zijn in de nieuwe situatie drie goed en onafhankelijk van elkaar bereikbare parkeerplaatsen per woning (op eigen terrein) aanwezig. Dit voldoet aan de Nota Parkeernormen 2020. De ontsluiting verandert niet. Vanuit verkeer zijn er geen belemmeringen voor dit bestemmingsplan.
5.15
Water
Deze waterparagraaf vormt het resultaat van het procesinstrument watertoets. De watertoets betreft het vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten bij de totstandkoming van ruimtelijke plannen. Het is verplicht de watertoets toe te passen. Hiermee wordt beoogd om het belang van water een evenwichtige plaats te geven in het ruimtelijk planproces. De watertoets heeft betrekking op alle grond- en oppervlaktewateren en behandelt alle relevante waterhuishoudkundige aspecten zoals ontwatering, wateroverlast en waterkwaliteit. De waterpara-graaf beschrijft het relevante waterbeleid, de betrokkenheid en het advies van de waterbeheerder en de waterhuishoudkundige uitwerking van het plan. Waterbeleid Waterbeheerprogramma 2016 - 2021 waterschap Vallei en Veluwe In dit programma heeft waterschap Vallei en Veluwe haar huidige koers en ambities voor de toekomst vastgelegd.
Het waterbeheerprogramma bestaat uit 3 deelprogramma's: Waterveiligheid; richt zich op het voldoende beschermen van het gebied tegen overstromingen; Watersysteem; onderverdeeld in landelijke, stedelijke en KRW systemen, waarbij gericht wordt gestuurd op de juiste hoeveelheid water, de juiste kwaliteit van het water en (in het stedelijk watersysteem) het zo veel mogelijk gescheiden houden van schone en vuile waterstromen; Waterketen; dit programma richt zich op goede oppervlaktewaterkwaliteit, het zo veel mogelijk gescheiden houden van schone en vuile waterstromen en de hoogst haalbare waarde uit het water halen. Ondanks de losse programma's voor het watersysteem en de waterketen worden deze wel heel nadrukkelijk als één systeem behandeld, en komen de ambities binnen deze programma's dus ook voor een groot deel overeen. In de programma's spelen het anticiperen van en reageren op klimaatontwikkelingen en het terugwinnen van grondstoffen een belangrijke rol. Waterplan Barneveld 2005 - 2025 en Hemelwaterplan 2017 - 2020 Het Waterplan geeft een integrale watervisie op het verhogen van de gebruikswaarde en belevingswaarde van water. Door een verantwoord gebruik en duurzame ontwikkeling van het water kan ook in de toekomst gebruik worden gemaakt van een gezond watersysteem. De volgende ambities worden genoemd: Vasthouden en/of vertraagd afvoeren van hemelwater. 34
"Nachtegaalweg V, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Nachtegaalweg V, partiële herziening Buitengebied 2012 Het scheiden van vuil en schoon water. Bij nieuwbouw het hemelwater van schone oppervlakken niet op de riolering lozen en bij voorkeur lokaal gebruiken, infiltreren of lozen op oppervlaktewater. In bestaand gebied hemelwater afkoppelen van het gemengd riool indien technisch en financieel haalbaar. De afvoer van schoon hemelwater vindt bovengronds plaats. Rioolwateroverstorten beperken om de doelstellingen voor waterkwaliteit te bereiken. Huidige situatie In de huidige situatie is een woning met inwoningsituatie aanwezig. Huishoudelijk afvalwater is aangesloten op drukriolering. Hemelwater stroomt af naar omliggend onverhard terrein en kan daar infiltreren. Toekomstige situatie In de toekomstige situatie wordt het gebouw opgesplitst in twee wooneenheden. Er wordt geen nieuwbouw gerealiseerd en er zijn geen wijzigingen wat betreft riolering. Hemelwater stroomt af naar omliggend onverhard terrein en wordt deels naar de naastgelegen C-watergang afgevoerd. In het kader van duurzaam bouwen worden er geen uitlogende bouwmaterialen (zoals zink, koper, lood en PAK-houdende materialen) toegepast. De waterhuishoudkundige doelen van de gemeente en het waterschap komen niet in het gedrang door dit bestemmingsplan.
"Nachtegaalweg V, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
35
Nachtegaalweg V, partiële herziening Buitengebied 2012
Hoofdstuk 6 6.1
JURIDISCHE ASPECTEN
Inleiding
Deze partiële herziening is gebaseerd op het moederplan "Buitengebied 2012" (met identificatienummer NL.IMRO.0203.1056-0004), vastgesteld op 28 mei 2013 en zoals nadien door het college gewijzigd en in werking getreden, door de raad herzien en in werking getreden en zoals gewijzigd door een intrekkingsbesluit van de raad. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: Hoofdstuk 1 bevat de algemene voor het plangebied geldende bepalingen, de inleidende regels. Hoofdstuk 2 regelt de bestemmingen en het daarop toegestane gebruik. Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels, zoals de anti-dubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene afwijking- en algemene wijzigingsregels en tot slot de algemene procedureregels. Hoofdstuk 4 betreft het overgangsrecht en de slotbepaling. Bevoegdheid Het bevoegd gezag is het bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning. Over het algemeen zijn burgemeester en wethouders het bevoegd gezag. Het kan incidenteel voorkomen dat bijvoorbeeld het Rijk of de provincie het bevoegd gezag is. Burgemeester en wethouders zijn altijd bevoegd gezag bij het wijzigen van een plan en het stellen van nadere eisen.
6.2
Inleidende regels
Begrippen In artikel 1 van de partiële herziening zijn de begrippen plan en bestemmingsplan Buitengebied 2012 gedefinieerd. Het kan bij een partiële herziening voorkomen dat er een begrip wordt toegevoegd. Er wordt uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Voor zover er geen begrippen zijn gedefinieerd wordt aangesloten bij het normale spraakgebruik.
6.3
Bestemmingsregels
In hoofdstuk 2 van de partiële herziening zijn de bestemmingsregels opgenomen. In dit hoofdstuk en de daarin opgenomen bepalingen over de bestemmingen 'Agrarisch' en 'Wonen' worden de regels van het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" niet herzien. De verbeelding van het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" is op de locatie gewijzigd in die zin dat er nu twee bestemmingsvlakken 'Wonen' zijn (en de grens met de bestemming 'Agrarisch' is gewijzigd). Beide woningen hebben een inhoudsmaat (aanduiding 'maximum volume (m3)') gekregen. Het bestemmingsvlak 'Wonen' is enigszins vergroot (van 1437,4 m2 naar 1799,8 m2). Verder is een gebiedsaanduiding met betrekking tot een voorwaardelijke verplichting toegevoegd op het hele plangebied van deze partiële herziening. Zie verder de toelichting bij het bestemmingsplan "Buitengebied 2012". Hieronder volgt een nadere uiteenzetting van enkele specifieke onderdelen van deze partiële herziening.
6.4
Algemene regels
In hoofdstuk 3 is aangegeven dat de algemene regels zoals opgenomen in het bestemmingsplan "Buitengebied 2012", en zoals nadien door het college gewijzigd en in werking getreden, door de raad herzien en in werking getreden en zoals gewijzigd door een intrekkingsbesluit van de raad, niet zijn gewijzigd. Overeenkomstig het bepaalde in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de voorgeschreven Anti-dubbeltelregeling opgenomen.
36
"Nachtegaalweg V, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Nachtegaalweg V, partiële herziening Buitengebied 2012
6.4.1
Schakelbepaling
Er is in de regels een schakelbepaling opgenomen. Door middel van deze schakelbepaling opgenomen in 4 van de planregels bij deze partiële herziening is nader aangegeven wat er op de verbeelding en in de regels verandert. Dit is in paragraaf 6.3 van de toelichting van deze partiële herziening ook toegelicht. 6.4.2
Algemene aanduidingsregels
De algemene aanduidingsregels bevatten specificaties van de (dubbel-)bestemmingen met betrekking tot het gebruik of het bouwen. Een gebiedsaanduiding is een aanduiding die verwijst naar een gebied waarvoor bijzondere regels, extra regels of nadere afwegingen gelden. Bij gebiedsaanduidingen gaat het veelal om zones en gebieden die aan sectorale regelgeving zijn ontleend. De volgende gebiedsaanduiding is toegepast: 'overige zone - voorwaardelijke verplichting'. 6.4.2.1
Voorwaardelijke verplichting
Bij wijzigingen van het bestemmingsplan is het veelal noodzakelijk afspraken met betrekking tot het slopen van gebouwen of het realiseren van inrichtingsmaatregelen dan wel andere voorwaarden vast te leggen. Om dit te waarborgen wordt in het bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Hierbij worden aan het bestemmingsplan specifieke regels toegevoegd die de verzoeker verplichten om bij gebruikmaking van de toegestane ontwikkeling ook de inrichtingsmaatregelen te realiseren of bebouwing te slopen. In onderhavige partiële herziening is een voorwaardelijke verplichting opgenomen die ziet op de landschappelijke inpassing van het plangebied.
6.5
Overgangs- en slotregels
In het laatste hoofdstuk zijn de regels ten aanzien van het overgangsrecht opgenomen. Het laatste artikel van de regels betreft de citeertitel van voorliggende partiële herziening.
6.6
Handhaving
De gemeente acht handhaving van haar beleid van groot belang om de gewenste ruimtelijke kwaliteit te garanderen. Belangrijke redenen voor handhaven zijn: De regels zijn door de gemeente vastgesteld en de inwoners van de gemeente mogen verwachten dat de gemeente die regels handhaaft: waarom zijn er anders regels opgesteld? Inwoners van de gemeente hebben als het ware recht op handhaving. Handhaving gaat oneigenlijk gebruik van en daarmee de achteruitgang van de kwaliteit van het gemeentelijk grondgebied tegen. Een actueel bestemmingsplan beoogt de ruimtelijke kwaliteit van een gebied in stand te houden en te verbeteren. Niet daadkrachtig optreden tegen overtredingen van wettelijke regels werkt een toename van het aantal overtredingen in de hand en tast de geloofwaardigheid van daadkrachtig optreden aan. Het in het bestemmingsplan vastgelegde beleid wordt ondermijnd en het bestuur verliest de greep op de gebouwde omgeving. Onderscheid kan gemaakt worden tussen preventieve en repressieve handhavingsinstrumenten. Onder preventieve instrumenten kunnen onder andere goede regelgeving (zoals in bestemmingsplan), voorlichting, subsidieverlening, afwijking van bouwregels en gebruiksregels en de omgevingsvergunning worden begrepen. Repressieve instrumenten zijn onder meer controle en toezicht, opsporing en het hanteren van sancties als bestuursdwang en dwangsom.
In 2016 heeft de gemeente de Nota Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving, VTH-beleid vastgesteld. In dit VTH-beleid staat beschreven hoe het college van burgemeester en wethouders op hoofdlijnen omgaat met de uitvoering van VTH-taken en welke prioriteiten hieraan zijn toegekend. Het college is verantwoordelijk voor de uitvoering van de VTH-taken en heeft de uitvoering van deze taken met ingang van 1 april 2013 grotendeels belegd bij de Omgevingsdienst de Vallei. Bij de handhaafbaarheid van een bestemmingsplan spelen aspecten als communicatie, de planvorm, de normstelling, het daadwerkelijk kunnen handhaven en de controleerbaarheid van normen ook een belangrijke rol. "Nachtegaalweg V, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
37
Nachtegaalweg V, partiële herziening Buitengebied 2012
Randvoorwaarde voor handhaving is dat er voldoende basis/grondslag is om te kunnen handhaven. Deze basis wordt gevormd door: De regeling in het bestemmingsplan zelf: de handhaafbaarheid van de planregels. Het beleid voor afwijkingen. In het moederplan (bestemmingsplan "Buitengebied 2012"), en daarmee ook in onderhavige plan, is gestreefd naar heldere, eenduidige planregels met zo min mogelijk interpretatiemogelijkheden. Verder zijn aan de in het moederplan (bestemmingsplan "Buitengebied 2012") opgenomen afwijkingsmogelijkheden duidelijke voorwaarden verbonden, die voldoende objectief bepaalbaar zijn.
38
"Nachtegaalweg V, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Nachtegaalweg V, partiële herziening Buitengebied 2012
Hoofdstuk 7
ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID
Op grond van artikel 6.12, eerste lid van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) stelt de gemeenteraad een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bouwplan voorkomt dat in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is aangewezen. Nu het onderhavige plan niet de bouw van een hoofdgebouw (of een ander bouwplan zoals dat in artikel 6.2.1 Bro is opgenomen) mogelijk maakt maar splitsing van een bestaande woning betreft, is dit niet aan de orde. De kosten voor het opstellen van het plan worden gedekt door het heffen van leges. Voor de kosten van tegemoetkoming in schade, bedoeld in artikel 6.1 van de Wro (planschade) is een afzonderlijke overeenkomst gesloten. De inhoud voldoet aan die van een anterieure overeenkomst in de zin van artikel 6.24 Wro.
"Nachtegaalweg V, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
39
Nachtegaalweg V, partiële herziening Buitengebied 2012
Hoofdstuk 8 OVERLEG EN MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID De procedure voor het gedeeltelijk herzien van een bestemmingsplan is door de wetgever geregeld. Conform artikel 1.3.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) heeft het college op 15 oktober 2020 in de Barneveldse Krant en Barneveld Huis-aan-Huis en langs elektronische weg kennis gegeven van het voornemen om de voorliggende partiële herziening van het geldende bestemmingsplan voor te bereiden. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Daarnaast is er de gelegenheid om in het voortraject belanghebbenden te laten inspreken conform de gemeentelijke verordening. Pas daarna wordt de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van de partiële herziening opgestart.
8.1
Participatie
De initiatiefnemer heeft overleg gevoerd met vijf buren. Aangegeven is dat zij het prima vonden. Hiermee zijn omwonenden geïnformeerd over de plannen.
8.2
Overleg ex artikel 3.1.1 Bro
Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg voeren met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In het kader hiervan wordt het bestemmingsplan voor overleg aan onderstaande instanties toegezonden: -
Liander.
Door Liander is op 7 mei 2021 aangegeven dat ze geen opmerkingen hebben op het plan. Er is in het gebied van de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van bijzondere waarden of andere situaties waardoor deze ontwikkeling zou raken aan enig nationaal belang. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. Dit plan is gebaseerd op het Functieveranderingsbeleid Regio Food Valley 2016 en voldoet daar ook aan. Verder is er geen sprake van provinciale belangen, zodat ook is afgezien van vooroverleg met de provincie Gelderland. Op grond van artikel 3.1.1 lid 2 Bro kan derhalve worden afgezien van overleg in door de provincie en het Rijk aangegeven gevallen. Het Waterschap Vallei & Veluwe heeft aangegeven dat geen vooroverleg nodig is indien de toename van de verharding kleiner is dan 4.000 m² en de waterhuishoudkundige doelen van het waterschap niet in het geding komen door een bestemmingsplan. Hier is sprake van zo een geval. Om die reden heeft geen vooroverleg met het waterschap plaatsgevonden. Ook belangen van omliggende gemeenten zijn bij dit plan niet in het geding.
8.3
Inspraak
De Wro bevat geen procedurevoorschriften met betrekking tot de inspraak, en is in Wro zelf niet verplicht gesteld. Dat neemt niet weg dat het de gemeente vrij staat toch inspraak te verlenen bijvoorbeeld op grond van de gemeentelijke inspraakverordening. In relatie daarmee bepaalt artikel 150 van de Gemeentewet onder meer dat in een gemeentelijke inspraakverordening moet worden geregeld op welke wijze bovenbedoelde personen en rechtspersonen hun mening kenbaar kunnen maken. Op 15 december 2009 heeft het college besloten dat bij bestemmingsplannen alleen inspraak wordt gevoerd bij plannen waarbij maatschappelijke belangen een rol spelen, die politiek gevoelig liggen of waarbij inspraak een bijdrage kan leveren aan de kwaliteit en/of snellere doorlooptijd van het plan. In dit geval zal inspraak geen meerwaarde bieden.
40
"Nachtegaalweg V, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Nachtegaalweg V, partiële herziening Buitengebied 2012
8.4
Zienswijzen
Het ontwerpbestemmingsplan ligt van 7 mei tot en met 17 juni 2021 ter inzage. Gedurende deze periode heeft een ieder de mogelijkheid gehad om een zienswijze naar voren te brengen. Tijdens deze zes weken zijn geen reacties ingediend.
"Nachtegaalweg V, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
41