Meentweg IV, partiële herziening Grenscorrecties_Toelichting_Bijlage 12 Vervolgonderzoek ecologie (2020).pdf
Tekst van het document
Inventarisatie van gebouwbewonende vleermuizen en steenuil aan de Meentweg 19 te Kootwijkerbroek Toetsing aan de Wet natuurbescherming
Inventarisatie van gebouwbewonende vleermuizen en steenuil aan de Meentweg 19 te Kootwijkerbroek
Colofon: Opdrachtgever:
Dhr. Mouw
Tekst en foto’s:
J.H.S. Rijsdijk MSc.
Rapportkenmerk:
R20005-01
Status rapport:
Definitief
Datum:
28-10-2020
Contact:
Natuurkompas Ecologisch onderzoek & advies Ugchelseweg 86 7339 CL Ugchelen 06-15383223 info@natuurkompas.nl www.natuurkompas.nl
© Natuurkompas. Alle rechten voorbehouden. Behoudens uitzonderingen door de wet gesteld, mag zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbenden niets uit dit document worden verveelvoudigd en/of openbaar worden gemaakt door middel van druk, fotokopie, digitale reproductie of anderszins noch mag het zonder toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd Natuurkompas is niet verantwoordelijk voor gevolgschade, alsmede voor schade welke voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van de werkzaamheden of andere gegevens verkregen van Natuurkompas. De opdrachtgever vrijwaart Natuurkompas voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing.
Inhoudsopgave 1
2
3
4
5
6
Inleiding .......................................................................................................................................... 2 1.1
Aanleiding .............................................................................................................................. 2
1.2
Doel ......................................................................................................................................... 2
1.3
Leeswijzer .............................................................................................................................. 2
Beleidskader .................................................................................................................................. 3 2.1
Inleiding Wet natuurbescherming....................................................................................... 3
2.2
Soortbescherming................................................................................................................. 3
Soort(groep)beschrijving ............................................................................................................. 5 3.1
Steenuil................................................................................................................................... 5
3.2
Vleermuizen ........................................................................................................................... 5
Plangebied en werkzaamheden ................................................................................................. 7 4.1
Beschrijving onderzoeksgebied .......................................................................................... 7
4.2
Geplande werkzaamheden ................................................................................................. 9
Werkwijze ..................................................................................................................................... 10 5.1
Steenuil................................................................................................................................. 10
5.2
Gebouwbewonende vleermuizen ..................................................................................... 10
Resultaten en effectbeoordeling ............................................................................................... 11 6.1
Steenuil................................................................................................................................. 11
6.1.1
Resultaten .................................................................................................................... 11
6.1.2
Effectbeoordeling ........................................................................................................ 12
6.2
Vleermuizen ......................................................................................................................... 13
6.2.1
Resultaten .................................................................................................................... 13
28 mei 2020 ................................................................................................................................. 13 6.2.2 6.3 7
Effectbeoordeling ........................................................................................................ 13
Overige waarnemingen ...................................................................................................... 13
Mitigatie en compensatie ........................................................................................................... 14 7.1 Mitigerende maatregelen ................................................................................................... 14 7.2 Compenserende maatregelen ........................................................................................... 14
8
Conclusies ................................................................................................................................... 16
Bronnenlijst ............................................................................................................................................ 2 Bijlage 1. Schets van toekomstige inrichting .................................................................................... 3
1 Natuurkompas Ecologisch onderzoek & advies
1
Inleiding
1.1
Aanleiding
Dhr. Mouw is voornemens om enkele leegstaande varkensstallen en een loods te slopen. Vervolgens wordt het kavel gesplitst en wordt op het nieuwe kavel een bedrijfswoning met bijgebouw gerealiseerd. De nieuwbouw wordt landschappelijk ingepast. Ten behoeve van deze ontwikkeling heeft ecologisch onderzoeks- en adviesbureau Natuurkompas in 2019 een flora- en faunaquickscan uitgevoerd. Uit de quickscan kwam naar voren dat de aanwezigheid van de steenuil en gebouwbewonende vleermuizen niet op voorhand is uit te sluiten. Om deze reden is een nader onderzoek naar de steenuil en gebouwbewonende vleermuizen noodzakelijk. Indien vaste rust- en verblijfplaatsen van deze soorten aanwezig zijn, moeten mitigerende (verzachtende) maatregelen getroffen worden en mogelijk een ontheffing van de Wet natuurbescherming aangevraagd worden. Ecologisch onderzoek en adviesbureau Natuurkompas is door de dhr. Mouw gevraagd een steenuilen vleermuisinventarisatie uit te voeren om de effecten van de sloop op de steenuil (Athena noctua) en gebouwbewonende vleermuizen in kaart te brengen. In voorliggende rapportage wordt de gehanteerde methodiek en de resultaten van het nader onderzoek beschreven.
1.2
Doel
Deze flora- en faunaquickscan geeft antwoord op de volgende vragen: • Zijn er voortplantings- en verblijfplaatsen van de steenuil of gebouwbewonende vleermuizen aanwezig? • Welke soort(en) betreft het? • Welke functie(s) vervullen de te slopen gebouwen voor deze soort(en)? • Welke negatieve effecten kunnen deze soorten ondervinden door de voorgenomen ingreep? • Is er als gevolg van de voorgenomen plannen sprake van een overtreding van de Wet natuurbescherming? • Is het treffen van mitigerende maatregelen noodzakelijk? • Is een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming noodzakelijk?
1.3
Leeswijzer
Deze rapportage is ingedeeld in verschillende hoofdstukken. In hoofdstuk 2 wordt het beleidskader, de Wet natuurbescherming, toegelicht. In hoofdstuk 3 wordt een korte soort(groep)beschrijving gegeven. Hoofdstuk 4 bevat de ligging van het plangebied en de voorgenomen werkzaamheden, waarna in hoofdstuk 5 de werkwijze wordt toegelicht. In hoofdstuk 6 worden de resultaten van de inventarisatie beschreven en worden de effecten van de voorgenomen ingreep bepaald. In hoofdstuk 7 worden mitigerende en compenserende maatregelen beschreven waarmee negatieve effecten op beschermde soorten kunnen worden voorkomen. De toetsing wordt afgesloten met een conclusie in hoofdstuk 8. Eventuele relevante (verspreidings)literatuur is opgenomen in een literatuurlijst.
2 Natuurkompas Ecologisch onderzoek & advies
2
Beleidskader
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op voor de voorgenomen ingreep relevante natuurwetgeving en het natuur- en soortenbeleid van de diverse overheden. In deze rapportage wordt ingegaan op hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming. In dit hoofdstuk is de soortbescherming vastgelegd. Daarnaast wordt kort het beleidskader voor gebiedsbescherming geschetst.
2.1
Inleiding Wet natuurbescherming
De Wet natuurbescherming is op 1 januari 2017 in werking getreden en voegt drie ‘oude’ natuurwetten samen: de Flora- en faunawet, Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet. Het uitgangspunt van de Wet natuurbescherming is de bescherming en ontwikkeling van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde, en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit. Op termijn gaat de Wet natuurbescherming op in de Omgevingswet. De uitwerking van de Wet natuurbescherming is vastgelegd in de Regeling Natuurbescherming en het Besluit Natuurbescherming. De Provincie Gelderland, waar dit project plaatsvindt, heeft de volgende relevante verordeningen en regelingen voor natuurbescherming vastgesteld: • Omgevingsverordening Gelderland • Omgevingsvisie Gelderland De Wet natuurbescherming kent naast de algemene zorgplicht (artikel 1.11) nog drie hoofdstukken die van belang zijn voor ruimtelijke ingrepen. Dit betreft hoofdstuk 2 (Natura 2000-gebieden), hoofdstuk 3 (Soorten) en hoofdstuk 4 (Houtopstanden). In voorliggende rapportage wordt enkel ingegaan op soortbescherming.
2.2
Soortbescherming
De Wet natuurbescherming (hierna Wnb) kent een apart hoofdstuk waarin de soortbescherming is vastgelegd. De Wnb kent 4 beschermingsregimes voor soorten: • art 3.1: bescherming van vogels die onder de Vogelrichtlijn vallen – dit zijn alle vogels; • art 3.5: bescherming van dieren en planten die in de bijlage IV van de Habitatrichtlijn, bijlage II van het verdrag van Bern of bijlage I van het verdrag van Bonn – ook wel ‘strikt beschermde soorten genoemd’; • art 3.10: bescherming van soorten die worden genoemd in bijlage A en B van de Wet natuurbescherming - dit zijn deels meer algemene soorten die enkel nationaal beschermd worden en geen bescherming genieten onder Europese regelgeving. • Algemene zorgplicht zoals verwoord in artikel 1.11. In de genoemde artikelen is bepaald voor welke handelingen een vrijstelling kan worden verleend van de tevens in dat artikel genoemde verbodsbepalingen. De verbodsbepalingen uit de Wnb zijn (iets) anders geformuleerd dan de verbodsbepalingen uit de Ffwet. De verbodsbepalingen komen er kortweg op neer dat vogels en andere beschermde soorten niet (opzettelijk) gedood of opzettelijk verstoord mogen worden en dat nesten/voortplantingsplaatsen en rustplaatsen niet beschadigd of vernield mogen worden. Planten mogen niet worden geplukt of vernield. Voor vogels geldt daarbij dat nesten niet weggenomen mogen worden1.
Daarnaast is de lijst met beschermde soorten gewijzigd: naast de overgehevelde en toegevoegde soorten (vaatplanten, vlinders) is er een groot aantal soorten dat geen beschermde status meer heeft in de Wnb. Dit betreffen voornamelijk vaatplanten en vissen.
1 De term jaarrond beschermde nesten (met een verdeling in 5 categorieën) is niet in de wet genoemd. De verwachting is wel dat uitwerking van dit onderwerp door provincies gevolgd gaat worden.
3 Natuurkompas Ecologisch onderzoek & advies
Ontheffings- en vrijstellingsmogelijkheden Artikelen 3.3, 3.8 en 3.11 van de Wnb bevatten de ontheffings- en vrijstellingsmogelijkheden van de genoemde verboden. Voor soorten van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn kan alleen vrijstelling worden verleend op basis van de in deze richtlijnen genoemde belangen (bijvoorbeeld openbare veiligheid of ter bescherming van flora en fauna). Onder de Wnb zal voor deze soorten een ontheffingsplicht gaan gelden, behalve als het bevoegd gezag, de Provincie of ministerie van LNV, door middel van een zogenoemde vrijstelling anders besluit. De bevoegdheid voor het verlenen van een ontheffing of vrijstelling wordt overgeheveld naar de provincie 2. Voor de ‘andere soorten’ van artikel 3.10 kunnen provincies en het ministerie van LNV een algemene vrijstelling van de vergunningplicht vaststellen middels een verordening. Provincie Gelderland heeft in januari 2017 de provinciale verordening en vrijstelling gepubliceerd. Voor ruimtelijke ingrepen geldt hierdoor een vrijstelling van de ontheffingsplicht voor een aantal meer algemeen voorkomende soorten zoogdieren en amfibieën in geval van ruimtelijke ontwikkeling. Deze soorten stonden voorheen op tabel 1 van de Flora- en faunawet. Zorgplicht soortenbescherming Voor alle planten en dieren (dus ook voor soorten die niet zijn opgenomen in de Wnb) geldt de algemene zorgplicht conform Wnb art. 1.11.
Deze plicht houdt in dat een ieder ‘voldoende zorg’ in acht moet nemen voor alle in het wild levende planten en dieren en hun leefomgeving. Veelal komt de zorgplicht erop neer dat tijdens werkzaamheden negatieve effecten op planten en dieren zoveel mogelijk moet worden voorkomen en dat bij de inrichting aandacht moet worden besteed aan de realisatie van geschikt habitat voor plant en dier. De zorgplicht geldt altijd en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als er ontheffing of vrijstelling is verleend. De zorgplicht betekent niet dat er geen effecten mogen optreden, maar wel dat dit, indien noodzakelijk, op zodanige wijze gebeurt dat de verstoring en eventueel lijden zo beperkt mogelijk is.
2 Met uitzondering van een aantal in art 1.3 van Wet natuurbescherming genoemde projecten (van nationaal belang).
4 Natuurkompas Ecologisch onderzoek & advies
3
Soort(groep)beschrijving
3.1
Steenuil
De steenuil is de kleinste van de in Nederland broedende uilen. De steenuil leeft bij voorkeur op erven van woningen, bij boerderijen in het agrarisch cultuurlandschap en aan dorpsranden. Het zijn uitgesproken standvogels. De steenuil verblijft jaarrond in zijn territorium. Dit territorium is relatief beperkt van omvang en varieert tussen de 5 en de 30 hectare. De grootte is onder andere afhankelijk van het voedselaanbod en van de leeftijd van het mannetje. Jongere steenuilen hebben een groter territorium dan oudere, ervaren mannetjes. De soort heeft een actieradius van slechts een paar honderd meter. In het broedseizoen is deze actieradius vaak nog kleiner. Het is dus van belang dat in de directe omgeving van het nest aan alle eisen van de steenuil wordt voldaan. Dit betreffen: • een open tot halfopen landschap met een afwisselend korte en verruigde vegetatie; • erven met bebouwing, beplanting, tuinen, moestuinen en weilandjes met (hobby)vee; • voldoende nestplaatsen in boomholten, nestkasten of nauwe ruimten in gebouwen, bijvoorbeeld tussen de dakbedekking en het beschot; • een gevarieerd aanbod van prooien zoals muizen, regenwormen en insecten; • voldoende zit- en uitkijkposten om te foerageren en om te rusten; • geen verstoring en versnippering door grote wegen; • geen gebruik van insecticiden of andere pesticiden in het territorium of in de directe omgeving.
De steenuil is een zonminnende soort en is geregeld op een beschut, zonnig plekje te vinden, bij voorkeur dicht bij een vluchtplek. De voortplantingsperiode start met baltsperiode vanaf begin februari, in zachte winters zelfs al vanaf januari. De voortplantingsperiode duurt tot in het najaar, als de jongen het ouderlijke territorium verlaten. In februari en maart kiest de steenuil de nestplaats uit. Daarin wordt doorgaans één broedsel grootgebracht. De eieren worden gebruikelijk gelegd tussen begin april en half mei. Eventuele vervolglegsels als een eerder legsel vroegtijdig verloren is gegaan, komen tot in juni voor. De legsels bestaan meestal uit drie tot vijf eieren, met een gemiddelde van vier. Het vrouwtje legt de eieren om de dag. Het vrouwtje bebroedt de eieren in een periode van 24 tot 28 (gemiddeld 26) dagen. De eieren komen in een periode van een tot twee dagen uit. De eerste week na uitkomst van de eieren is het vrouwtje vrijwel constant op het nest om de jongen warm te houden. Ze verdeelt dan het voedsel dat door het mannetje is aangevoerd in kleine stukjes. Na de eerste week voeren beide ouders het voedsel aan de jongen. De jongen blijven 30 tot 35 dagen in het nest. Na 38 tot 46 dagen zijn ze vliegvlug. Ze worden daarna nog meerdere weken door de ouders verzorgd. Vanaf begin augustus worden ze uit het ouderlijke territorium verdreven.
Steenuilen zijn in hun tweede kalenderjaar geslachtsrijp. Het mannetje en het vrouwtje blijven na de broedtijd in het territorium, maar hun paarband is dan minder hecht. Steenuilen gebruiken de nestplaats het hele jaar. Buiten het broedseizoen wordt de nestplaats minder vaak bezocht. In de loop van de winter bezoeken beide partners de nestplaats weer vaker. Naast de nestplaats heeft de steenuil daarnaast ook andere plekken op het erf die hij regelmatig gebruikt. Het mannetje gebruikt een verblijfplek in de directe omgeving van het nest als het vrouwtje aan het broeden is. Overdag verblijven de uilen tijdens rustperioden vaak op vaste roestplekken. Dit doen ze in de dekking van beplanting of gebouwen of in de nestplaats. Al deze plekken worden niet gerekend tot de vaste rustplaatsen, maar zijn wel onderdelen van de functionele leefomgeving die hoort bij het nest (BIJ12, 2017a).
3.2
Vleermuizen
Vleermuizen zijn nachtactieve dieren die overdag verblijven in besloten ruimtes. Ze kunnen globaal opgedeeld worden in boombewonende soorten zoals de watervleermuis en gebouwbewonende soorten zoals de gewone dwergvleermuis. Er zijn ook soorten die zowel gebouwen als bomen bewonen. Er wordt onderscheid gemaakt in typen verblijfplaatsen. Er zijn bijvoorbeeld
5 Natuurkompas Ecologisch onderzoek & advies
kraamverblijven, paarverblijven en winterverblijven. Sommige soorten verblijven het gehele jaar in gebouwen, waar zij wegkruipen in spouwmuren, achter gevelbetimmeringen of achter luiken (BIJ12, 2017b; Dietz et al., 2011). Andere soorten verblijven in bomen in holten, achter de bast). Een groot aantal soorten overwintert echter weer in bunkers, grotten en kelders. Vleermuizen maken vaak jaren achtereen gebruik van dezelfde verblijfplaatsen. Afhankelijk van de weersomstandigheden worden de meeste vleermuissoorten in april weer actief. Zij verlaten dan hun winterverblijfplaats. In de periode van half mei tot eind juli vormen de vleermuizen kraamkolonies. Deze kolonies bestaan enkel uit volwassen vrouwtjes en hun jongen. De mannetjes verblijven dan alleen of in kleine groepjes in zogenaamde zomerverblijfplaatsen. Tussen half juli en half augustus vallen de kraamkolonies uit elkaar en verspreiden de vrouwtjes en de jonge dieren zich over de omgeving. Vanaf circa half augustus breekt voor de meeste vleermuissoorten het paarseizoen aan. Het paarseizoen loopt door tot grofweg eind september. De mannetjes proberen in deze periode één of meerdere vrouwtjes mee te lokken naar hun verblijfplaats, de paarverblijfplaats, om daar met ze te paren. Afhankelijk van de weersomstandigheden gaan de meeste vleermuissoorten vanaf oktober in winterrust.
Dit kan alleen of in kleine groepjes in zogenaamde winterverblijfplaatsen. Bij strenge en langdurige vorstperiodes kunnen sommige soorten, zoals de gewone dwergvleermuis, zich ook massaal verzamelen in zogenoemde massawinterverblijfplaatsen. Deze verblijfplaatsen kunnen soms wel duizenden dieren omvatten. Vanuit hun verblijfplaats vliegen vleermuizen vaak via een vaste route naar hun foerageergebied. Dit worden vaste vliegroutes genoemd. Vaak wordt er bij deze vaste vliegroutes gebruik gemaakt van lijnvormige elementen zoals bomenrijen, dijklichamen of waterlichamen. Het behoud van deze lijnvormige elementen is vaak van groot belang voor het behoud van de lokale populatie. Alle vleermuissoorten, hun verblijfplaatsen en belangrijke onderdelen van hun leefgebied (zoals de vaste vliegroutes) zijn dan ook beschermd in de Wet natuurbescherming (art. 3.5 en 3.6 en bijlage IV van de Habitatrichtlijn).
6 Natuurkompas Ecologisch onderzoek & advies
4
Plangebied en werkzaamheden
4.1
Beschrijving onderzoeksgebied
Het plangebied is gelegen aan de Meentweg 19 in Kootwijkerbroek, in de provincie Gelderland. Kootwijkerbroek ligt ten noorden van Ede, ten westen van Apeldoorn, ten zuiden van Putten en ten oosten van Amersfoort. Kootwijkerbroek ligt in de Gelderse Vallei. De directe omgeving van Kootwijkerbroek wordt gekenmerkt door open agrarisch gebied in het noordwesten, westen en zuiden. Op iets grotere afstand bevinden zich de uitlopers van de Veluwe en de snelweg A1 in het noorden. Het plangebied zelf is gelegen in het buitengebied van Kootwijkerbroek. Het plangebied grenst in het noorden aan de Meentweg en in het oosten, zuiden en westen aan agrarisch grasland (zie ook afbeelding 4.1).
7 Natuurkompas Ecologisch onderzoek & advies
Afbeelding 4.1: Boven: Globale ligging van het plangebied met in rood de plangebiedsgrenzen en in geel de te slopen bebouwing. Onder: Topografische kaart met ligging van het plangebied (rood omlijnd). Bron: PDOK. Bewerking: Natuurkompas, 2020.
In de huidige situatie bestaat het plangebied deels uit een verhard en bebouwd erf en deels uit agrarisch grasland. De voorgenomen werkzaamheden hebben enkel betrekking op het verharde deel. De spaarzame beplanting wordt voornamelijk gevormd door de voortuin van de woning en enkele bomen langs de weg. In onderstaande afbeeldingen (afbeelding 4.2) wordt een korte impressie van het plangebied gegeven ten tijde van het veldbezoek in 2019.
8 Natuurkompas Ecologisch onderzoek & advies
Afbeelding 4.2: Impressie van het plangebied: Verschillende te slopen opstallen op het erf. Van linksboven naar rechtsonder de stallen F en D, loods H en stal E. Foto’s: Natuurkompas, 2019.
4.2
Geplande werkzaamheden
De voorgenomen werkzaamheden bestaan uit het slopen van enkele stallen en een loods. Na de sloop wordt het perceel gesplitst, waarna er op de vrijgekomen locatie een nieuwe woning met vrijstaande garage wordt gerealiseerd. Het geheel wordt landschappelijk ingepast.
Afbeelding 4.3: Links: schets van de huidige inrichting van het plangebied. Rechts: schets van de toekomstige inrichting van het plangebied. Bron: Graveland Bouwontwerp, 2019.
9 Natuurkompas Ecologisch onderzoek & advies
5
Werkwijze
Het onderzoek is door twee deskundig ecologen van Natuurkompas uitgevoerd, conform de richtlijnen zoals beschreven in het Kennisdocument Steenuil (BIJ12, 2017a) en het Vleermuisprotocol 2017 (Netwerk Groene Bureaus, 2017).
5.1
Steenuil
Het plangebied is gericht onderzocht op aanwezigheid van de steenuil. Er zijn drie ronden inventarisatieronden uitgevoerd, conform het Kennisdocument Steenuil (BIJ12, 2017a). Hierbij is geïnventariseerd op zicht en geluid. Tevens zijn geluidsopnames van de baltsroep van de steenuil afgespeeld. Tabel 5.1: Data en weersomstandigheden tijdens de inventarisatieronden voor de steenuil.
Ronde
Datum
Tijd
Weersomstandigheden
1
18-03-2020
19.19 – 00.04u
Bewolkt, droog, ca. 13°C., 0 Bft.
2
20-04-2020
20.40 – 23.58u
Helder, droog, ca. 15 - 17°C., 3 - 4 Bft.
3
29-04-2020
20.56 – 23.49u
Bewolkt, lichte regen, 14°C, 1 Bft.
5.2
Gebouwbewonende vleermuizen
Het plangebied is gericht onderzocht op aanwezigheid van verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuissoorten. Hierbij is geïnventariseerd met behulp van batdetectors met time-expansion mogelijkheden (Petterson D240x en Batlogger M). Hiermee kunnen vertraagde geluidopnames worden gemaakt die achteraf geanalyseerd kunnen worden met behulp van het programma Batsound en Batexplorer. Zo kan worden bepaald welke soorten in het plangebied aanwezig zijn. Tijdens de kraamtijd is geïnventariseerd met twee personen. In de paartijd is geïnventariseerd met één persoon. Tabel 5.2: Data en weersomstandigheden tijdens de inventarisatieronden voor gebouwbewonende vleermuizen.
Ronde
Datum
Tijd
Weersomstandigheden
1
28-05-2020
21.20 – 00.03u
Helder, droog, ca. 17-13°C., 1-2 Bft.
2
10-07-2020
03.24 – 05.32u
Zwaarbewolkt, droog, ca. 17-16°C., 1-3 Bft.
3
10-07-2020
21.50 – 00.07u
Lichtbewolkt, droog, ca. 31-11°C., 0 Bft.
4
25-08-2020
21.39 – 23.39u
Droog, gedeeltelijk bewolkt, ca. 19°C, 3-4 Bft.
5
16-09-2020
21.20 – 23.20u
Droog, gedeeltelijk bewolkt, ca. 17°C, 3 Bft
10 Natuurkompas Ecologisch onderzoek & advies
6
Resultaten en effectbeoordeling
6.1
Steenuil
6.1.1 Resultaten 18 maart 2020 Op 18 maart 2020 is de eerste inventarisatieronde voor de steenuil uitgevoerd. Bij aankomst blijkt dat er de dag ervoor twee steenuilenkasten zijn geplaatst door een vrijwilliger van STONE (Steenuilenwerkgroep Nederland). Eén van de kasten is geplaatst in de stelling met hoedliggers, waar de steenuilen tijdens het flora- en faunaquickscan veldbezoek zijn aangetroffen. De andere kast is geplaatst in een beukenrij in het zuidelijk deel van het plangebied. Bij de kast in de hoedliggerstelling is ook een wildcamera geplaatst. In navolgende afbeelding is de ligging van beide kasten weergegeven.
Afbeelding 6.1: Het plangebied (rood omlijnd) met de te slopen bebouwing (geel omlijnd) en de locaties van de geplaatste steenuilenkasten (groene punten). Bron: PDOK. Bewerking: Natuurkompas, 2020.
Op en rondom een weidepaaltje zijn uitwerpselen van een steenuil aangetroffen. Een snelle inspectie van de hoedliggers en de geplaatste nestkasten levert geen steenuilen op. Gedurende de avond is op verschillende momenten de baltsroep van de steenuil afgespeeld. Er zijn echter geen dieren gehoord of gezien. 20 april 2020 Op 20 april 2020 is de tweede inventarisatieronde voor de steenuil uitgevoerd. De hoedliggers en nestkasten zijn wederom geïnspecteerd, zonder resultaat. De bewoner geeft aan de steenuilen in de tussenliggende periode ook niet meer gezien of gehoord te hebben. Ook de vrijwilliger van STONE (dhr. W. Brouwer) is meerdere keren langs geweest voor een inspectie en is van mening dat de dieren
11 Natuurkompas Ecologisch onderzoek & advies
zijn vertrokken. Gedurende de avond is op verschillende momenten de baltsroep van de steenuil afgespeeld. Er zijn echter geen dieren gehoord of gezien. 29 april 2020 Op 29 april 2020 is de derde inventarisatieronde voor de steenuil uitgevoerd. Bij aankomst blijkt dat er nog wordt gewerkt; één van de stallen wordt leeggehaald. Een inspectie van de hoedliggers en de nestkasten levert wederom niets op. Ook het afspelen van de baltsroep van de steenuil levert geen waarnemingen op. 28 mei 2020 Deze ronde maakt deel uit van de vleermuisinventarisatie. Bij aankomst om 21.20u blijkt echter een steenuil aanwezig op de dakgoot van de meest zuidelijk gelegen loods. Op een later moment is gelijktijdig nog een tweede steenuil waargenomen. De dieren zijn dus nog aanwezig in het plangebied. Een inspectie van de nestkasten en hoedliggers levert echter geen recente sporen van bewoning op. Vermoedelijk verblijven de dieren in één van de gebouwen binnen het plangebied. Gedurende de rest van de avond wordt er gelet op nestindicerend gedrag. De exacte verblijfplaats kan echter niet worden vastgesteld. 10 juli 2020 Ook deze ronde maakt deel uit de vleermuisinventarisatie. Om 04.24u wordt de een steenuil waargenomen op het dak van de dubbele varkensstal. Later die ochtend worden bedelende jongen gehoord in dezelfde stal.
In de ochtendschemer worden uiteindelijk drie jonge steenuilen waargenomen boven in een ventilatieschacht op het dak van de achterste varkensstal. De dieren hebben vermoedelijk een nest gehad tussen de dak- en isolatieplaten van deze stal.
6.1.2 Effectbeoordeling Realisatiefase De voorgenomen plannen voorzien in de sloop van meerdere opstallen en een loods. Ook de varkensstal met de vermoedelijke nestlocatie van de steenuil wordt gesloopt. Het nest van de steenuil valt ook buiten het broedseizoen onder de definitie van ‘vaste rust- en verblijfplaats’. Het nest is daarom jaarrond beschermd. De sloop van de varkensstal leidt dan ook tot de vernietiging van een jaarrond beschermd nest. Dit is een overtreding van art. 3.1, lid 2 van de Wnb. Wanneer met de sloopwerkzaamheden daarnaast geen rekening wordt gehouden met de steenuil, kunnen dieren worden gedood. Dit is een overtreding van art. 3.1, lid 1. Ook kunnen de sloopwerkzaamheden leiden tot het verstoren van het aanwezige broedkoppel. Dit is een overtreding van artikel 3.1, lid 4 van de Wnb, welke het volgende stelt: Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen”. De verstoring is echter niet van wezenlijke invloed op de staat van instandhouding van de soort. Het betreft hier immers “slechts” één broedpaar van de steenuil, tegenover een geschatte landelijke populatie van ca. 7.500 tot 8.500 broedparen (SOVON, 2018). Hierdoor is art.
3.1, lid 5 van de Wnb van toepassing, welke het volgende stelt: “Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort”. Overtreding van art. 3.1, lid 4 is hierdoor niet aan de orde. Samengevat is er sprake van een overtreding van art. 3.1, lid 1 en 2. Gebruiksfase In de gebruiksfase is het erf beplant met hagen, bomen en een kleine boomgaard in een grasweide. Bovendien neemt de verharde en bebouwde oppervlakte af. Hierdoor is sprake van een kwalitatieve verbetering van het plangebied als foerageergebied. De reeds geplaatste nestkasten blijven in de gebruiksfase aanwezig waardoor het plangebied ook kan blijven fungeren als voortplantingslocatie. In de gebruiksfase is dan ook geen sprake van negatieve effecten op de steenuil.
12 Natuurkompas Ecologisch onderzoek & advies
6.2
Vleermuizen
6.2.1 Resultaten 28 mei 2020 In de avond van 28 mei 2020 is het plangebied geïnventariseerd op vleermuizen. Hierbij is om 22.07u een foeragerende gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) waargenomen naast de noordgevel van stal D (zie ook afbeelding 4.1). Dit individu is later ook foeragerend boven het erf waargenomen. Er zijn geen overige waarnemingen van vleermuizen gedaan. Er zijn geen uitvliegende vleermuizen waargenomen. 10 juli 2020 In de ochtend van 10 juli 2020 is het plangebied geïnventariseerd op vleermuizen. Om 3.53u is een passerende gewone dwergvleermuis waargenomen. Dit dier vertoonde geen relatie met het plangebied. Er zijn geen overige waarnemingen van vleermuizen gedaan. Er zijn geen invliegende vleermuizen waargenomen. 10 juli 2020 In de avond van 10 juli 2020 is het plangebied geïnventariseerd op vleermuizen. Om 22.35u is de eerste gewone dwergvleermuis waargenomen, om 22.53u gevolgd door een tweede gewone dwergvleermuis. Beide individuen zijn waargenomen naast de noordgevel van de stal. Er zijn geen overige waarnemingen van vleermuizen gedaan. Er zijn geen invliegende vleermuizen waargenomen. 25 augustus 2020 In de avond van 25 augustus is het plangebied geïnventariseerd op vleermuizen. Om 22.08u is de eerste gewone dwergvleermuis waargenomen. Dit dier vloog langs de noordgevel van stal D.
Vermoedelijk hetzelfde individu is om 22.45u waargenomen boven het erf. Er zijn geen overige waarnemingen van vleermuizen gedaan. Er zijn geen invliegende vleermuizen waargenomen. 16 september 2020 In de avond van 16 september is het plangebied geïnventariseerd op vleermuizen. Gedurende de avond zijn tussen de vijf en tien individuen van de gewone dwergvleermuis waargenomen aan de noord-, oost- en westzijde van stal D. Er is slechts sporadisch een sociaal roepje gehoord. Langdurig baltsende of zwermende dieren zijn niet waargenomen waardoor de aanwezigheid van een paarterritorium of vaste rust- en verblijfplaats wordt uitgesloten. Overige waarnemingen betroffen passerende rosse vleermuizen (Nyctalus noctula). Deze passeerden het plangebied langs de oostzijde. Er zijn geen overige waarnemingen van vleermuizen gedaan. Er zijn geen invliegende vleermuizen waargenomen.
6.2.2 Effectbeoordeling Binnen het plangebied zijn geen vaste rust- en verblijfplaatsen, vaste vliegroutes of essentieel foerageergebied aangetroffen. Het plangebied fungeert slechts als marginaal foerageergebied. In de directe omgeving is voldoende alternatief foerageergebied aanwezig. Met de sloop van de agrarische opstallen is daardoor geen sprake van negatieve effecten op vleermuizen. Er is dan ook geen sprake van een overtreding van verbodsbepalingen van de Wnb.
6.3
Overige waarnemingen
Tijdens het onderzoek zijn geen overige relevante waarnemingen gedaan.
13 Natuurkompas Ecologisch onderzoek & advies
7
Mitigatie en compensatie
De beoogde plannen leiden tot het vernietigen van een nestlocatie van de steenuil en het mogelijk doden individuen van de steenuil. Hiermee is sprake van een overtreding van artikel 3.1, lid 1 en 2. Voor de overtreding van art. 3.1, lid 1 zijn mitigerende maatregelen te treffen. Deze worden hieronder nader uitgewerkt. Voor overtreding van verbodsbepaling van art. 3.1, lid 2 zijn geen mitigerende maatregelen te treffen. Er moet een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming worden aangevraagd bij de Provincie Gelderland voor het vernietigen van een nestlocatie van de steenuil. Om de functionaliteit van het plangebied voor de steenuil te waarborgen, moeten daarnaast ook compenserende maatregelen worden getroffen. De maatregelen worden hieronder besproken:
7.1
Mitigerende maatregelen
De negatieve effecten op de steenuil kunnen voor een deel worden ondervangen met mitigerende maatregelen. Voorgesteld wordt om de volgende mitigerende maatregelen te treffen: I. II.
Werken buiten de kwetsbare periode van de steenuil (dus buiten de periode van februari tot en met half juli). Ongeschikt maken van de opstallen voorafgaand aan de sloop door verwijdering van de dakplaten en het isolatiemateriaal.
I. Werken buiten de kwetsbare periode Voor de steenuil geldt dat de soort in de periode globaal van februari tot half juli gebruik kan maken van het nest als nestgelegenheid. De sloopwerkzaamheden moeten buiten deze periode plaatsvinden om verstoring en vernietiging van nesten met eieren en jongen te voorkomen. Indien dit niet mogelijk is, moet het gebouw buiten de kwetsbare periode ongeschikt gemaakt worden voor de steenuil. II. Ongeschikt maken van de nestlocaties Voorafgaand aan de sloop van de opstallen, moeten deze ongeschikt gemaakt worden voor de steenuil. Dit kan door het verwijderen van de dakplaten en het isolatiemateriaal. Hiermee verdwijnt de beschutting voor de steenuil en wordt voorkomen dat schuilende en slapende dieren tijdens de sloopwerkzaamheden worden gedood of verwond.
7.2
Compenserende maatregelen
Voor de overtreding van art. 3.1, lid 2 is geen mitigatie mogelijk. Hiervoor moet een compenserende maatregel getroffen worden. Deze maatregel bestaat uit: • Het aanbrengen van permanente verblijfplaatsen in de vorm van marterproof steenuilenkasten binnen het bestaande territorium. Het kennisdocument Steenuil (BIJ12, 2017) geeft aan dat bij voorkeur de oorspronkelijke verblijfplaats weer geschikt gemaakt moet worden na uitvoering van de werkzaamheden. In dit geval is dat echter niet mogelijk; de bestaande verblijfplaats verdwijnt met de sloop van de opstallen. Ter overbrugging worden, ruim voorafgaand aan de (sloop)werkzaamheden, nieuwe verblijfplaatsen gecreëerd in de vorm van marterproof steenuilnestkasten. Als standaard wordt gehanteerd dat voor elke aangetaste of verwijderde verblijfplaats minimaal twee nieuwe verblijfplaatsen worden gerealiseerd. Binnen het plangebied is één nestlocatie vastgesteld, waardoor er minimaal twee nieuwe verblijfplaatsen moeten worden aangeboden. In afbeelding 7.1 is een voorbeeld van een marterproof steenuilenkast gegeven.
14 Natuurkompas Ecologisch onderzoek & advies
Afbeelding 7.1: Een voorbeeld van een (marterproof) steenuilenkast. Bron: www.vivarapro.nl
Steenuilen hebben de tijd nodig om aan een nieuwe verblijfplaats te wennen. Gedurende de gewenningsperiode moeten daarom zowel de bestaande als nieuwe verblijfplaats aanwezig zijn. Hierdoor kan de steenuil de nieuwe verblijfplaatsen ontdekken en inspecteren, voordat de huidige verblijfplaats verdwijnt. Voor vervanging van verblijfplaatsen geldt voor de steenuil een gewenningsperiode van minimaal 3 maanden en bij voorkeur reeds aanwezig zijn in de periode september tot december. De nieuwe verblijfplaatsen moeten ook voldoende aan de eisen zoals opgenomen in het Kennisdocument Steenuil (BIJ12, 2017): • Voor elke verblijfplaats die aangetast of verwijderd wordt minimaal twee nieuwe verblijfplaatsen aanbieden. Dit in de vorm van bijvoorbeeld steenuilkasten, steenuiltorens en toegangen in gebouwen (bijvoorbeeld schuurtjes) tussen dakbedekking en isolatielaag. Op langere termijn pas effectief zijn bomen gaan beheren als knotbomen of het aanplanten van fruitbomen en notenbomen. • Voor de vervangende verblijfplaatsen is het van belang dat: o Vervangende verblijfplaatsen binnen het bestaande territorium in de directe omgeving en zo mogelijk op hetzelfde erf als de oorspronkelijke verblijfplaats worden geplaatst, en buiten de invloedsfeer van de werkzaamheden staan.
o Vervangende verblijfplaatsen buiten een bestaand territorium in een gebied worden geplaatst waar nu geen steenuilen een territorium hebben en op een locatie liggen die door steenuilen vanuit bewoonde territoria te bereiken is. In dit geval worden per beoogd nieuw territorium (erf), voor elk territorium dat verloren gaat bij voorkeur minimaal drie vervangende verblijfplaatsen waar succesvol gebroed kan worden gerealiseerd. o Deze op een geschikte wijze en plek worden opgehangen. In de omgeving van de nieuwe nestplaats is het van belang dat er voldoende dekking en voldoende voedsel zijn. o Deze bij voorkeur minimaal drie maanden voor de start van de werkzaamheden, en bij voorkeur al in de periode september tot december, aanwezig zijn, om de vogels te laten wennen aan de nieuwe voorzieningen. o De aangeboden vervangende nestgelegenheid voldoende veiligheid biedt tegen predatoren. o De aangeboden vervangende nestgelegenheid van voldoende duurzaam materiaal is. o Het beheer van de nieuwe voorzieningen duurzaam geregeld is. Er zijn op 17 maart 2020 twee compenserende steenuilenkasten geplaatst op het erf. Beide kasten bevinden zich binnen het bestaande territorium van het koppel steenuilen. Beide kasten zijn inmiddels meerdere keren geïnspecteerd door de dieren. De locatie van de kasten is bepaald door een vrijwilliger van STONE, welke de kasten ook in beheer heeft.
Gezien het bovenstaande wordt voldaan aan alle eisen die het Kennisdocument Steenuil stelt aan nieuwe verblijfplaatsen.
15 Natuurkompas Ecologisch onderzoek & advies
8
Conclusies
In het plangebied is een nestlocatie van de steenuil aanwezig. De nestlocatie bevindt zich vermoedelijk tussen de dak- en isolatieplaten van de achterste varkensstal. Met de sloop van de stallen gaat deze nestlocatie verloren. Wanneer met de sloopwerkzaamheden daarnaast geen rekening wordt gehouden met de steenuil, kunnen dieren worden gedood Hiermee is sprake van een overtreding van artikel 3.1, lid 1 en 2 van de Wnb. Nesten van de steenuil zijn jaarrond beschermd, waardoor ook buiten de broedperiode sprake is van het vernietigen en beschadigen van nesten en daarmee van een overtreding van de Wet natuurbescherming. Dus ook wanneer buiten de broedperiode wordt gewerkt, is er sprake van een overtreding van verbodsbepalingen. Het doden van de steenuil kan worden voorkomen door de bebouwing buiten het kwetsbare seizoen van de steenuil, dat wil zeggen buiten de periode van februari tot en met half juli ongeschikt te maken. Voor het aantasten en vernietigen van de nestplaatsen zijn geen mitigerende maatregelen te treffen. Hiervoor is dan ook een ontheffing van verbodsbepalingen van de Wnb nodig. Ook moet het verlies aan nestplaatsen worden gecompenseerd. Deze compensatie is op 17 maart 2020 reeds geplaatst in de vorm van twee steenuilenkasten. Beide kasten zijn geplaatst door een vrijwilliger van STONE die de kasten ook in beheer heeft.
16 Natuurkompas Ecologisch onderzoek & advies
Bronnenlijst Literatuur • BIJ12, 2017a. Kennisdocument Steenuil Athena noctua. BIJ12, juli 2017. •
BIJ12, 2017b. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus. BIJ12, juli 2017.
•
Dietz, C., von Helversen, O. & Nill, D. 2011. Vleermuizen. Alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika, uitgeverij De Fontein|Tirion Uitgevers B.V., Utrecht.
•
SOVON Vogelonderzoek Nederland. 2018. Vogelatlas van Nederland. Broedvogels, wintervogels en 40 jaar verandering. Tweede druk, Kosmos Uitgevers, Utrecht/Antwerpen.
•
Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, Zoogdiervereniging, 2017. Vleermuisprotocol 2017, maart 2017. www.netwerkgroenebureaus.nl en www.zoogdiervereniging.nl.
Internet • Website Zoogdiervereniging (www.zoogdiervereniging.nl). • Website vivarapro (www.vivarapro.nl).
Bijlage 1. Schets van toekomstige inrichting