Koperweg I_Toelichting_Bijlage 12 Nader eco. onderzoek, Koperweg 4, 5 en 6-8
Tekst van het document
Nader onderzoek vleermuizen, huismus, kerkuil en kleine marters Landgoed Groot Grevengoed te Zwartebroek
Opdrachtgever: Hogebrink Vastgoed B.V. T.a.v. De heer E. de Lange Middelaarsweg 9 3871 KR Hoevelaken
Opdrachtnemer: Eelerwoude Onze vestigingen 088-1471100 info@eelerwoude.nl www.eelerwoude.nl
Projectgegevens: Projectnummer: Datum: Projectleider: Opgesteld: Gecontroleerd: Status: Versie:
200068 14-11-2022 I. van Dijk I. van Dijk M. Leenen Definitief 1
© 2020 Eelerwoude Dit rapport is enkelzijdig opgemaakt.
Inhoudsopgave 1.1
Aanleiding ............................................................................................................................................... 4
2
Huidige situatie en ontwikkeling ................................................................................................................. 5
2.1
Huidige situatie ....................................................................................................................................... 5
2.2
Voorgenomen ontwikkeling ................................................................................................................... 7
3
Natuurwetgeving ........................................................................................................................................ 8
3.1
Inleiding .................................................................................................................................................. 8
3.2
Bescherming van soorten ....................................................................................................................... 8
4
Methode ..................................................................................................................................................... 9
4.1
Bureauonderzoek ................................................................................................................................... 9
4.2
Veldonderzoek ........................................................................................................................................ 9
5
Beschermde soorten ................................................................................................................................. 12
5.1
Vleermuizen .......................................................................................................................................... 12
5.1.1
Voorkomen en functie ................................................................................................................. 12
5.1.2
Effecten en ontheffing ................................................................................................................. 15
5.1.3
Te nemen maatregelen ................................................................................................................ 16
5.2
Vogels ................................................................................................................................................... 18
5.2.1
Voorkomen en functie ................................................................................................................. 18
5.2.2
Effecten en ontheffing ................................................................................................................. 19
5.2.3
Te nemen maatregelen ................................................................................................................ 20
5.3
Kleine marters ...................................................................................................................................... 21
5.3.1
Voorkomen en functie ................................................................................................................. 21
5.3.2
Effecten en ontheffing ................................................................................................................. 21
5.4
Overige beschermde soorten ............................................................................................................... 21
5.4.1
Voorkomen en functie ................................................................................................................. 21
5.4.2
Effecten en ontheffing ................................................................................................................. 22
6
Conclusie ................................................................................................................................................... 23
6.1
Soortenbescherming ............................................................................................................................ 23
6.2
Ontheffing noodzakelijk ....................................................................................................................... 23
6.3
Uitvoerbaarheid van de plannen .......................................................................................................... 24
6.4
Geldigheid onderzoek ........................................................................................................................... 24
Bijlage 1 - Wettelijk kader Natuurwetgeving ......................................................................................................... 26 Bijlage 2 - Kaarten aangetroffen soorten ............................................................................................................... 31 Bijlage 3 – Waargenomen soorten cameravallen .................................................................................................. 37
Landgoed Groot Grevengoed te Zwartebroek | Eelerwoude | 3
Inleiding 1.1 Aanleiding Voorgenomen wordt in het gebied bestaande uit Koperweg 2, 5, 6 en 8 te Zwartebroek een landgoed te realiseren (Figuur 1). In verband met deze plannen is er reeds een toetsing uitgevoerd aan de natuurwetgeving en aan het natuurbeleid. Uit deze toetsing kwam naar voren dat nader onderzoek naar vleermuizen, kerkuil en kleine marterachtigen noodzakelijk is. Tijdens de uitgevoerde quickscan zijn sporen van deze soorten aangetroffen. Nader, gericht veldonderzoek is noodzakelijk om aan te tonen, dan wel uit te sluiten dat aanwezige woningen/bomen een functie hebben als verblijfplaats voor beschermde soorten. Duidelijk moet dan ook worden om welke soort(en) en aantallen het gaat en wat de eventuele functie van het gebouw/bomen is voor deze soort(en). Uit het onderzoek komt naar voren of de voorgenomen ontwikkelingen consequenties hebben voor de aanwezige beschermde natuurwaarden in het kader van de Wet natuurbescherming en welke vervolgstappen noodzakelijk zijn. Voorliggende rapportage gaat hier verder op in.
Figuur 1. Ligging van het plangebied (roze kader) ten noorden van Zwartebroek. Bron: Esri, 2020.
Landgoed Groot Grevengoed te Zwartebroek | Eelerwoude | 4
2 Huidige situatie en ontwikkeling 2.1 Huidige situatie Het plangebied omvat het gebied van Koperweg 2, 5, 6 en 8 te Zwartebroek, gemeente Barneveld. Het plangebied ligt in de provincie Gelderland. Ter plaatse van Koperweg 5 staat een oude woonboerderij met 3 schuren (Figuur 2). Het woonhuis heeft een rieten dak dat aan de lange zijden tot een meter boven de grond reikt en wordt bewoond. De schuren worden gebruikt voor de opslag van spullen of garage. Rond de woning is een weide aanwezig dat ten tijde van het veldbezoek niet werd begraasd, maar waar dit wel wordt toegepast. Aan de noordzijde grenst de kavel aan een smalle waterloop, waar fruitbomen als peer en appel langs staan. Voor de woning staat een grote, oude perenboom. Overige bomen zijn niet aanwezig. Ter plaatse van Koperweg 6 staat een woonboerderij met een woonhuis (Figuur 3), dat middels een afdak aan elkaar is verbonden. De oude woonboerderij doet nu dienst als opslag en wordt grotendeels niet meer gebruikt. De ruimte is verdeeld in kleinere ruimten, het woonhuis wordt bewoond. De schuren rondom worden gebruikt als opslag, garage of staan leeg. De weide rond de woning wordt begraasd door pony’s en is deels niet in gebruik. Rondom het perceel staan bomen in een rijbeplanting. Ook is struweel aanwezig langs de oprit. Koperweg 8 betreft 2 grote loodsen die worden verhuurd voor opslag (Figuur 4).
De steens muren zijn verbonden met golfplaten daken. Aan de oostzijde is een weide aanwezig dat wordt begraasd door runderen. Koperweg 2 betreft een oude, vervallen schuur dat deels als stal werd gebruikt (Figuur 5). Een deel daarvan betreft een kapschuur met daarboven een hooizolder. Het dak is gemaakt van golfplaten en is deels open. De ramen zijn kapot of het glas is geheel afwezig. Rond de schuur is het groen verruigd. Het pad is onverhard en loopt door tot de weide ten zuiden van de schuur, dat tevens wordt begraasd door runderen. Het plangebied wordt doorkruist door de Koperweg, die wordt verlicht middels straatlantaarns. Ook is ter plaatse van de aanwezige bebouwing verlichting aanwezig, behalve de schuur van Koperweg 2. Deze is onverlicht. In het plangebied ontbreekt open water. Dit is wel aanwezig aan de rand van het gebied ten zuidwesten van Koperweg 2 en ten noorden middels een smalle waterloop aan de noordzijde van Koperweg 5 en poelen daar ten noorden van, buiten de grenzen van het plangebied. Deze poelen zijn gelegen in het natuurgebied dat in eigendom is van Natuurmonumenten, genaamd Zwarte Broek.
Figuur 2. Impressie van de woonboerderij aan Koperweg 5 met zicht op een van de drie schuren met steense muur en golfplaten dak. Opname 9 september 2019.
Landgoed Groot Grevengoed te Zwartebroek | Eelerwoude | 5
Figuur 3. Impressie van het woonhuis (pannendak) en binnenkant van de oude boerderij (golfplaten dak) aan Koperweg 6. Opname 9 september 2019.
Figuur 4. Impressie van de loodsen (met golfplaten dak) aan Koperweg 8. Opname 9 september 2019.
Figuur 5. Impressie van de schuur met hooizolder aan Koperweg 2. Opname 9 september 2019.
Landgoed Groot Grevengoed te Zwartebroek | Eelerwoude | 6
2.2 Voorgenomen ontwikkeling Voorgenomen wordt op het landgoed circa 8 tot 10 woningen te realiseren en het gebied in te richten met onder andere natte natuurbouw, cultuurbos, water en fruitbomen. Bijgevoegd is een concept schets van de voorgenomen gebiedsinrichting (Figuur 6).
Figuur 6. Conceptschets van landgoed Groot Grevengoed. Bron: Bouw en Ontwikkeling Evert de Lange B.V., 2019.
Landgoed Groot Grevengoed te Zwartebroek | Eelerwoude | 7
3 Natuurwetgeving 3.1 Inleiding De Wet natuurbescherming bestaat uit drie onderdelen: de bescherming van soorten, de bescherming van gebieden en de bescherming van houtopstanden. De kern van het natuurbeleid wordt gevormd door het Natuurnetwerk Nederland, dat een samenhangend netwerk vormt van natuurgebieden. De provincies zijn het bevoegd gezag. Alleen in een aantal situaties, zoals bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, is het Rijk het bevoegd gezag. In dit hoofdstuk wordt kort ingegaan op de relevante wetgeving en het natuurbeleid voor het plangebied; de Wet natuurbescherming, onderdeel soortenbescherming.
3.2 Bescherming van soorten Het uitgangspunt bij het onderdeel soortenbescherming is dat geen schade mag worden gedaan aan beschermde dieren of planten, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan. De wet kent een drietal beschermingsregimes; beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn, beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn en beschermingsregime “andere soorten”. Daarnaast zijn landelijk van een aantal vogelsoorten de nesten jaarrond beschermd. Elk beschermingsregime heeft zijn eigen verbodsbepalingen. Voor ieder ruimtelijk plan is het verplicht om te toetsen of deze leiden tot overtreding van de betreffende verbodsbepalingen. Wanneer er sprake is van een overtreding dient er onderzocht te worden of er een vrijstelling geldt. Indien er geen vrijstelling geldt, kan het aanvragen van een ontheffing noodzakelijk zijn. Bijlage 1 gaat verder in op het wettelijk kader bij toetsing aan de Wet natuurbescherming, onderdeel soortenbescherming. Gevolgen plangebied De wet Natuurbescherming in een nationale wet. Indien negatieve effecten worden verwacht door activiteiten of ontwikkelingen is een toetsing aan de wet Natuurbescherming noodzakelijk. In hoofdstuk 5 wordt verder ingegaan op de aanwezigheid van beschermde soorten en welke effecten de voorgenomen ontwikkeling heeft op deze soorten.
Landgoed Groot Grevengoed te Zwartebroek | Eelerwoude | 8
4 Methode De aanwezige natuurwaarden zijn in beeld gebracht op basis van een verkenning van bestaande inventarisatiegegevens en gericht onderzoek naar vleermuizen, huismus, kerkuil en kleine marters.
4.1 Bureauonderzoek Voor het bureauonderzoek is gebruikgemaakt van landelijke, provinciale en indien beschikbaar regionale verspreidingsinformatie; • NDFF (Nationale Databank Flora en Fauna). • Uit de landelijke verspreidingsinformatie uit atlassen, die deels gedateerd is, moet blijken of nabij de locaties in het verleden strikt beschermde soorten zijn aangetroffen. Exacte locaties of datering van de waarnemingen zijn daarbij veelal niet bekend. Deze gegevens hebben vaak betrekking op atlasblokken (5x5 kilometer), en veelal betrekking op de regio en niet specifiek op het plangebied. • De flora- en faunadatabase van Eelerwoude is eveneens geraadpleegd. Eelerwoude heeft meerdere onderzoeken in de nabije omgeving uitgevoerd. De data van deze onderzoeken zijn opgeslagen in deze database. Zie de literatuurlijst voor een totale lijst van de geraadpleegde bronnen.
4.2 Veldonderzoek Op basis van aantal veldbezoeken is het plangebied onderzocht op de aanwezigheid van verblijfplaatsen en de functionele leefomgeving van vleermuizen, huismus, kerkuil en kleine marterachtigen (hermelijn, bunzing en wezel). De onderzoeken zijn uitgevoerd door J. Loeffen, I. van Dijk en R. de Graaf. Betreffende personen zijn ecologische adviseur en werkzaam bij Eelerwoude (zie kader – ecologisch deskundige). In tabel 1 zijn de onderzoekdata weergegeven. Hierbij zijn tevens de onderzoekers, starttijd en weersomstandigheden genoteerd. Kader - Ecologisch deskundige De veldmedewerkers van Eelerwoude beschikken over een uitgebreide ervaring met de betreffende soortgroepen en voldoen aan de criteria van ‘ecologisch deskundige’. Met een ecologisch deskundige wordt bedoeld een persoon die voor de situatie en soorten ten aanzien waarvan hij of zij gevraagd is te adviseren en/of te begeleiden, aantoonbare ervaring en kennis heeft op het gebied van soortspecifieke ecologie. De ervaring en kennis dienen te zijn opgedaan doordat de deskundige:
-
op HBO- dan wel universitair niveau een opleiding heeft genoten met als zwaartepunt (Nederlandse) ecologie; en/of op MBO-niveau een opleiding heeft afgerond met als zwaartepunt de Wet natuurbescherming, soortenherkenning en zorgvuldig handelen ten opzichte van die soorten; en/of
-
als ecoloog werkzaam is voor een ecologisch adviesbureau, zoals bijvoorbeeld een bureau welke is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus; en/of
-
zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenbescherming en is aangesloten bij en werkzaam voor de daarvoor in Nederland bestaande organisaties (zoals bijvoorbeeld Zoogdiervereniging, RAVON, Stichting Das en Boom, Vogelbescherming Nederland, Vlinderstichting, Natuurhistorisch Genootschap, KNNV, NJN, IVN EIS Nederland, FLORON, SOVON, STONE, Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten, De Landschappen en Stichting Beheer Natuur en Landelijk Gebied; en/of
-
zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenmonitoring en/of -bescherming.
Landgoed Groot Grevengoed te Zwartebroek | Eelerwoude | 9
Tabel 1. Type onderzoek, datum, start- en eindtijd, onderzoeker(s) en de weersomstandigheden genoteerd per veldbezoek.
Datum
Type onderzoek
Start –eindtijd
Onderzoeker
Weersomstandigheden
5 september 2019
Kerkuilonderzoek
21.00-23.15 Zon onder: 20.20
J. Loeffen
13 °C, droog, heldere hemel, windkracht 2 Bft
5 september 2019
Baltsonderzoek vleermuizen
21.20-23.15 Zon onder:20.20
J. Loeffen
13 °C, droog, heldere hemel, windkracht 2 Bft
24 september 2019
Baltsonderzoek vleermuizen
20.30-23.00 Zon onder: 19.35
J. Loeffen
14 °C, af en toe een bui, zwaar bewolkt, windkracht 1 Bft
10 april 2020
Huismusonderzoek
09.00-10.00 Zon op: 06.55
I. van Dijk
8 °C, droog, licht bewolkt, windkracht 2 Bft
10 april 2020
Marteronderzoek + plaatsen camera’s
10.00-11.00
I. van Dijk
8 °C, droog, licht bewolkt, windkracht 2 Bft
24 april 2020
Huismusonderzoek
07.30-09.00 Zon op: 06.24
I. van Dijk
9 °C, droog, half bewolkt, windkracht 2 Bft
20 mei 2020
Kerkuilonderzoek
21.10-23.45 Zon onder: 21.37
I. van Dijk
17 °C, droog, heldere hemel, windkracht 2 Bft
20 mei 2020
Kraamonderzoek vleermuizen
21.28-23.45 Zon onder: 21.37
I. van Dijk R. de Graaf
17 °C, droog, heldere hemel, windkracht 2 Bft
22 mei 2020
Kraamonderzoek vleermuizen
03.20-05.40 Zon op: 05.36
I. van Dijk R. de Graaf
17 °C, droog, half bewolkt, windkracht 2 Bft
22 mei 2020
Marteronderzoek + ophalen camera’s
05.40-06.00
I. van Dijk
17 °C, droog, half bewolkt, windkracht 2 Bft
Kerkuilonderzoek
21.30-00.25 Zon onder: 22.06
I. van Dijk
16 °C, eerst droog later regen, betrokken, windkracht 2 Bft
Kraamonderzoek vleermuizen
21.45-23.59 Zon onder: 22.06
I. van Dijk R. de Graaf
16 °C, eerst droog later regen, betrokken, windkracht 2 Bft
30 juni 2020
30 juni 2020
Vleermuizen Bij de uitvoering van het vleermuisonderzoek is gewerkt conform het ‘Protocol voor vleermuisinventarisaties’ dat in januari 2017 is geëvalueerd door deskundigen van het Netwerk Groene Bureaus, de Zoogdiervereniging en de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). Het protocol is daarmee aangepast naar de meest recente wetenschappelijke inzichten. Het vleermuisonderzoek heeft zich gericht op het vaststellen van de soortensamenstelling, de aantallen, de gebruiksfunctie van het gebied en het vaststellen van verblijfplaatsen (kraamverblijven, winterverblijfplaatsen, zomerverblijven etc.), vliegroutes en foerageergebieden. Het onderzoek heeft zich geconcentreerd op de aanwezigheid van verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuizen en laatvlieger vanwege de geschiktheid van het type bebouwing voor deze soorten. Uiteraard is tijdens de veldbezoeken ook aandacht besteed aan eventuele andere beschermde vleermuissoorten binnen het plangebied. Tijdens het vleermuisonderzoek is gebruik gemaakt van een batdetector Pettersson D240X in combinatie met een batlogger (Batlogger M). De opnames van de Batlogger zijn geanalyseerd met de software Kaleidoscope. In totaal zijn vijf veldbezoeken uitgevoerd: drie in de kraamperiode en twee in de baltsperiode. Het kraamonderzoek heeft zich gericht op de aanwezigheid van zomer- en/of kraamverblijfplaatsen van vleermuizen.
Deze bezoeken hebben plaatsgevonden tijdens het uitvlieg- of invliegtijdstip van vleermuizen, respectievelijk rond zonsondergang en zonsopkomst. Het baltsonderzoek heeft zich gericht op het vaststellen
Landgoed Groot Grevengoed te Zwartebroek | Eelerwoude | 10
van balts-, paar-, en/of winterverblijfplaatsen van vleermuizen. Deze bezoeken hebben plaatsgevonden tijdens de baltsactiviteit van vleermuizen, na zonsondergang tot middernacht. Tijdens dit tijdstip is de meeste baltsactiviteit bij vleermuizen waar te nemen. De veldbezoeken hebben plaatsgevonden tijdens voor vleermuizen gunstige weersomstandigheden. Vogels Bij broedvogelinventarisaties van huismus en kerkuil wordt gewerkt volgens het Kennisdocument Huismus en Kerkuil (Bij12, 2017). Hierbij worden waarnemingen die op broedgevallen of een territorium duiden in verschillende inventarisatierondes genoteerd op kaart. Vervolgens wordt op basis van deze waarnemingen een kaart met territoria vastgesteld. De veldbezoeken richten zich vooral op de soorten die jaarrond gebruik maken van vaste rust- en verblijfplaatsen (zgn. ‘jaarrond-soorten’ en ‘categorie 5-soorten’). Hierbij is uitgegaan van de per 26 augustus 2009 gewijzigde vogellijst. Ook eventuele andere bijzonderheden zijn genoteerd. Huismus Het onderzoek naar huismus is uitgevoerd in twee bezoeken in de periode april – mei met één veldmedewerker. De bezoeken hebben plaatsgevonden tijdens gunstige weersomstandigheden. Tijdens het bezoek is onder andere gelet op zingende mannetjes en nestindicatieve waarnemingen zoals nestbouw, transport voedsel en alarmroepen.
Kerkuil Het onderzoek naar kerkuil is uitgevoerd in drie bezoeken gecombineerd met het onderzoek naar vleermuizen in de periode mei-september, met één à twee veldmedewerkers. De bezoeken hebben plaatsgevonden tijdens gunstige weersomstandigheden. Tijdens het bezoek is onder andere gelet aanwezigheid van kerkuil (zoals bezet nest of rustplaats), krijsende vogel, bedelende jongen en nestindicatieve waarnemingen zoals nestbouw, transport voedsel en alarmroepen. Overige beschermde soorten Kleine marterachtigen Het onderzoek naar kleine marterachtigen hermelijn, bunzing en wezel is uitgevoerd conform de ‘Handreiking Kleine Marters in relatie tot soortenbescherming, provincie Noord-Brabant (Bouwens, 2017). Hierbij is in de periode april – mei gebruik gemaakt van acht loopplankjes en twee cameravallen. Controle van de loopplankjes en onderzoek naar zichtwaarnemingen en/of sporen zijn gecombineerd met de huismusonderzoeken en vleermuisonderzoeken. Overig beschermde soorten In en rond het plangebied komen mogelijk nog een aantal andere beschermde soorten dan eerder beschreven voor. Voor een groot deel zal het gaan om algemeen voorkomende en vrijgestelde beschermde soorten, maar ook de aanwezigheid van een aantal beschermde (nachtactieve) soorten kan niet op voorhand worden uitgesloten. Hierbij dient gedacht te worden aan bijvoorbeeld steenmarter.
Het veldwerk naar de groep van overige soorten is uitgevoerd tijdens en/of na afloop van de veldbezoeken naar vleermuizen, vogels en kleine marterachtigen.
Landgoed Groot Grevengoed te Zwartebroek | Eelerwoude | 11
5 Beschermde soorten Dit hoofdstuk beschrijft de tijdens het veldonderzoek waargenomen soorten, al dan niet aangevuld met gegevens uit de literatuur en andere informatiebronnen. Vervolgens worden eventuele effecten beschreven als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling.
5.1 Vleermuizen 5.1.1 Voorkomen en functie Tijdens het vleermuisonderzoek zijn in het gebied drie soorten vastgesteld; gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en de rosse vleermuis. Hieronder wordt per soort ingegaan op welke functies het plangebied heeft voor deze soorten. Bijlage 2 geeft een weergave van de verschillende aangetroffen vleermuissoorten en hun verspreiding over het plangebied. Gewone dwergvleermuis De gewone dwergvleermuis is in Nederland de meest algemene vleermuissoort. De soort wordt veelvuldig waargenomen in stedelijk gebied. (Kraam)kolonies zijn in Nederland vooral in gebouwen aangetroffen. Voorbeelden van verblijfplaatsen in gebouwen zijn ruimtes in spouwmuren en achter boeiboorden en gevelbetimmering. Gebouwen worden ook als winterverblijf gebruikt, waarbij (mogelijk) vergelijkbare plaatsen als in de zomer benut worden, mits deze vorstvrij zijn. Ze jagen hoofdzakelijk binnen een straal van 2-5 km van de verblijfplaats. Vliegroutes volgen zoveel mogelijk lijnvormige structuren en ze jagen in gesloten tot halfopen landschap. Verblijfplaatsen Tijdens het kraamonderzoek is binnen de begrenzing van het plangebied één (vermoedelijk) zomerverblijfplaats vastgesteld bij de schuur naast de woonboerderij aan Koperweg 5 (Figuur 7). Hierbij heeft op 22 mei 2020 één gewone dwergvleermuis de westmuur van de schuur meermalen kort aangetikt.
Tijdens het baltsonderzoek is binnen de begrenzing van het plangebied één vermoedelijke balts-, paar- en/of winterverblijfplaats vastgesteld (Figuur 7). Hierbij vloog op 24 september 2020 één gewone dwergvleermuis rondjes om de eerder genoemde schuur naast de woonboerderij aan de Koperweg 5. Aannemelijk is dat deze verblijfplaats dezelfde verblijfplaats is als de (vermoedelijke) zomerverblijfplaats. Zie ook kaderVleermuisverblijfplaatsen en het kader – Paarverblijfplaatsen. Vleermuizen baltsen (ook wel sociale roep) in het najaar binnen een territorium om vrouwtjes te vinden en mee te lokken naar hun verblijfplaats om te paren. Zij vliegen daarbij op vaste routes, waarbij ze een zeer sterke binding met een bepaald gebouw en/of beplanting hebben waar zich een paar- en/of baltslocatie bevindt. Baltsende mannetjes zijn dan ook een indicatie voor de aanwezigheid van een balts- en/of paarverblijfplaats. Mogelijk overwinteren deze mannetjes ook op deze locaties. Een locatie met een baltsen/of paarverblijfplaats kan dan ook aangemerkt worden als (vermoedelijke) winterverblijfplaats. Bij strenge vorst verhuizen ze echter vaak naar massawinterverblijfplaatsen, die niet binnen het plangebied aanwezig zijn of te verwachten door het ontbreken van geschikte gebouwen.
De exacte plekken van de balts- en/of paarplekken zijn vaak niet duidelijk, aangezien ze tijdens het baltsen zelden in- of uitvliegen. Wel is de locatie op gebouwniveau vaak duidelijk. Soms baltsen mannetjes rondom meerdere bebouwing zonder duidelijke voorkeur voor een bepaald gebouw, in dat geval worden meerdere gebouwen omschreven. Het gaat dan wel om maar één balts- en/of paarverblijfplaats. Binnen een territorium kunnen de mannetjes verschillende
Landgoed Groot Grevengoed te Zwartebroek | Eelerwoude | 12
verblijfplaatsen hebben. Deze verblijfplaatsen maken onderdeel uit van een netwerk en binnen dit netwerk verhuizen ze regelmatig tussen deze verblijven.
Figuur 7. Schuur naast woning Koperweg 5 waar in het najaar rondom gebaltst werd en in het voorjaar de westelijke kant werd aangetikt (ter hoogte van de gele ster).
Kader -Vleermuisverblijfplaatsen Onder de vleermuizen zijn gebouw bewonende en/of boom bewonende soorten aanwezig. Gewone dwergvleermuis en laatvlieger zijn hoofdzakelijk gebouw bewonend. Rosse vleermuis en watervleermuis zijn voornamelijk boom bewonende en gewone grootoorvleermuis, franjestaart en ruige dwergvleermuis bewonen zowel bomen als gebouwen. Voorbeelden van verblijfplaatsen in gebouwen zijn ruimtes in spouwmuren en achter boeiboorden en gevelbetimmering. Holten en spleten in bomen en ruimtes achter loszittend schors zijn voorbeelden van verblijfplaatsen in bomen. Vanuit de verschillende functies van de verblijfplaats worden weer andere eisen gesteld aan bijvoorbeeld het klimaat, de toegankelijkheid en de expositie van het verblijf ten opzichte van de zon. Als kraamverblijfplaats worden meestal gebouwen en/of bomen uitgekozen waarbinnen een constant klimaat heerst. Bij gebouwen zijn dit voornamelijk woningen met een spouwmuur of een geïsoleerd dak. Sommige vleermuizen hebben aan een opening van 1-2 cm voldoende om naar binnen te kruipen. Bij bomen gaat het meestal om dikke, oude bomen met een dikke restwand.
Landgoed Groot Grevengoed te Zwartebroek | Eelerwoude | 13
Kader – Paarverblijfplaatsen Definitie paar(verblijf)plaats in het vleermuisprotocol 2017: Een verblijfplaats of de omgeving daarvan, waar ten minste een baltsend mannetje of meerdere vleermuizen overdag verblijven en paren of komen zwermen. Welk gedrag is waar te nemen, is afhankelijk van de soort. Te herkennen aan zwermgedrag en/of baltsroepen. (Zwermen bij het invliegen komt bij meer verblijfsfuncties voor.) Een samenhang van waarnemingen kunnen duidelijk maken wat de waarde van een locatie is. Fanatiek roepende mannetjes zijn een belangrijke indicatie voor een paarverblijfplaats in het gebied. Maar wanneer is de roep nou een indicatie voor een paarverblijfplaats of wanneer is het gewoon een sociaal geluid? Om zeker te kunnen aangeven dat het om een baltsroep gaat voor het vaststellen van een paarverblijfplaats moet er gekeken worden naar verschillende factoren: •
aantal roepen; wanneer een vleermuis <5 roept, gaat het om een sociale roep. Wanneer de roep in lange series met regelmatige intervallen > 10 keer wordt uitgestoten gaat het om een baltsroep;
•
vliegstijl; baltsactiviteiten gaan gepaard met vleugelslagen welke onderbroken worden met een glijdende vlucht;
•
valse landingen; baltsende mannetjes worden vaak herhaaldelijk aanvliegend waargenomen bij bepaalde plaatsen op de muur, dit vaak in de hoeken van een gebouw of onder uitstekende delen van de wand;
•
aantal uren na en voor zonsondergang en -opgang; baltsactiviteiten worden opgebouwd tot 4 uur na zonsondergang (met een piek in het 4e uur) en 4 uur voor zonsopkomst (piek op het 3e uur), om middernacht nemen de baltsactiviteiten iets af;
•
tijd van het jaar; van juli tot augustus is er weinig baltsactiviteit in de eerste uren na zonsondergang, van augustus t/m oktober beginnen de baltsactiviteiten steeds vroeger op de avond;
•
temperatuur en weersomstandigheden; bij hogere temperatuur in de avond zijn er meer baltsactiviteiten, bij heftige regen zijn er geen baltsactiviteiten aanwezig, andere weers- omstandigheden hebben geen invloed op de baltsactiviteiten.
Voordeel van het inventariseren tijdens de baltspiek is dat er makkelijk vastgesteld kan worden wat de territoriumgrenzen van het mannetje zijn, deze kunnen voor gewone dwergvleermuis circa 1,2 tot 10 ha groot zijn. Met deze gegevens kan de dichtheid van de paarplaatsen bepaald worden. Daarnaast is er een voordeel dat ook de aangrenzende gebieden makkelijk beoordeeld kunnen worden en of deze binnen het territorium vallen. Informatie over het territorium is belangrijk wanneer er in het plangebied een paarverblijfplaats wordt aangetroffen. Aan de hand van de informatie over de territoria in de omgeving kan aangegeven worden of er voldoende alternatieve in de omgeving aanwezig zijn. Want ook in de paartijd verhuizen mannetjes regelmatig binnen hun territorium.
Foerageergebied en vliegroutes Het plangebied wordt door de gewone dwergvleermuis gebruikt door diverse foeragerende en langsvliegende individuen. Vliegroutes zijn met name aangetroffen langs de bomenrij aan de Koperweg, de wilgenrij langs de oprijlaan naar de vrijstaande schuur met hooizolder aan de Koperweg 2, de bomenrij op de noordelijke grens van het plangebied ter hoogte van Koperweg 5, en de wilgenrij ten zuiden van de Koperweg 6. Met name op het erf aan de Koperweg 6, de (paarden)wei rondom Koperweg 6 en het natuurgebied ten noorden van de Koperweg 5 wordt gefoerageerd. Tijdens het onderzoek werden gemiddeld 5 gewone dwergvleermuizen per veldbezoek waargenomen. Er is geen sprake van belangrijke foerageergebieden of vliegroutes die essentieel onderdeel uitmaken van het leefgebied. In het plangebied en omgeving blijft genoeg leefgebied voorhanden. Daarbij wordt met de ontwikkeling meer groen, zoals bomen(rijen) en natte natuur, gerealiseerd wat het voedselaanbod en het aantal vliegroutes van de gewone dwergvleermuis vergroot. Rosse vleermuis De rosse vleermuis is in West-Europa een uitgesproken boombewonende soort. Onder andere solitaire mannetjes, groepen vrouwtjes met jongen en dieren in winterslaap gebruiken boomholten als onderkomen. De vlucht van de rosse vleermuis doet enigszins denken aan die van de gierzwaluw: hoog en snel.
De afstand tussen dagrustplaats en jachtgebied wordt in de regel in een snelle rechte vlucht afgelegd, op een hoogte van honderd meter of meer. Jachtplaatsen liggen meestal in open terrein, waar met snelle duiken op insecten gejaagd wordt. De rosse vleermuis jaagt vooral boven water en moerassige gebieden en ook wel rondom straatverlichting.
Landgoed Groot Grevengoed te Zwartebroek | Eelerwoude | 14
Verblijfplaatsen Tijdens het kraamonderzoek is binnen de begrenzing van het plangebied geen (vermoedelijk) zomerverblijfplaats vastgesteld. Tijdens het baltsonderzoek is binnen de begrenzing van het plangebied geen (vermoedelijke) balts-, paar- en/of winterverblijfplaats vastgesteld. Foerageergebied en vliegroutes Diverse foeragerende en langsvliegende individuen van rosse vleermuis zijn met name boven de weilanden ten noorden en ten westen van de Koperweg 5 waargenomen. Zowel binnen als buiten het plangebied. Op 20 mei 2020 werden vijf rosse vleermuizen overvliegend en foeragerend waargenomen boven het bos en ten noorden van de Koperweg 5 (buiten het plangebied). Op 22 mei 2020 werden drie rosse vleermuizen al foeragerend waargenomen boven de weilanden direct ten westen van de Koperweg 5 (binnen plangebied). Tijdens het onderzoek werden gemiddeld 3 rosse vleermuizen per veldbezoek waargenomen. Er is geen sprake van belangrijke foerageergebieden of vliegroutes die essentieel onderdeel uitmaken van het leefgebied. In het plangebied en omgeving blijft genoeg leefgebied voorhanden. Daarbij wordt met de ontwikkeling meer groen, zoals bomen(rijen) en natte natuur, gerealiseerd wat het voedselaanbod en het aantal potentiële verblijfplaatsen van de rosse vleermuis vergroot. Ruige dwergvleermuis De ruige dwergvleermuis kent een sterke seizoenstrek en legt daarbij grote afstanden af.
Vanaf augustus/september trekken vooral de dieren uit Midden- en Oost-Europa in Zuidwestelijke richting om onder andere in Nederland te overwinteren. De soort wordt dan ook vaak in Nederland in het najaar gezien, in Nederland zijn slechts enkele kraamverblijfplaats vastgesteld. Uit het buitenland zijn verblijfplaatsen vooral aangetroffen in spleten en gaten in bomen, in nest- en vleermuiskasten, in gebouwen achter betimmeringen, achter daklijsten, onder dakbedekking en op zolders. Ze gebruiken meerdere verblijfplaatsen en verhuizen relatief vaak. Als winterverblijf zijn gebouwen (spouwmuur, dakpannen, betimmering), houtstapels, maar ook boomholtes en nest- en vleermuiskasten bekend. Ze jagen tot op 5 á 10 km afstand van de verblijfplaats. Vliegroutes volgen zoveel mogelijk lijnvormige structuren. Ruige dwergvleermuizen jagen in vooral halfopen bosrijk landschap. Verblijfplaatsen Tijdens het kraamonderzoek is binnen de begrenzing van het plangebied geen (vermoedelijk) zomerverblijfplaats vastgesteld. Tijdens het baltsonderzoek is binnen de begrenzing van het plangebied geen (vermoedelijke) balts-, paar- en/of winterverblijfplaats vastgesteld. Foerageergebied en vliegroutes Tijdens het veldonderzoek is eenmaal een ruige dwergvleermuis langsvliegend ten noorden van de Koperweg waargenomen.
Daarnaast is eenmaal een ruige dwergvleermuis foeragerend ten westen, boven de paardenwei van Koperweg 6 waargenomen. Er is geen sprake van belangrijke foerageergebieden of vliegroutes die essentieel onderdeel uitmaken van het leefgebied. In het plangebied en omgeving blijft genoeg leefgebied voorhanden. Daarbij wordt met de ontwikkeling meer groen, zoals bomen(rijen) en natte natuur, gerealiseerd wat het voedselaanbod van de ruige dwergvleermuis vergroot.
5.1.2 Effecten en ontheffing Alle vleermuissoorten zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming met beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn. Het opzettelijk verstoren, vangen en doden van individuen van beschermde soorten, alsmede het beschadigen of vernielen van vaste verblijfplaatsen, inclusief de functionele leefomgeving, is verboden vanuit de Wet natuurbescherming. De functionaliteit van de verblijfplaatsen van vleermuizen dienen te allen tijde gegarandeerd te blijven.
Landgoed Groot Grevengoed te Zwartebroek | Eelerwoude | 15
Verblijfplaatsen Tijdens het vleermuisonderzoek is één verblijfplaats van gewone dwergvleermuis vastgesteld. Het gaat om de verblijfplaats in de bebouwing aan de Koperweg 5. Hierbij tikte een gewone vleermuis tegen de muur, nabij een open stootvoeg en klampte nabij deze voeg kort aan de muur aan. Hoewel niet is waargenomen dat deze in- of uitvloog, kan de open stootvoeg wel als in- en uitvliegopening gebruikt worden voor achterliggende ruimtes zoals het dak en de spouw, welke kan worden gebruikt als verblijfplaats. Als gevolg van de werkzaamheden kan de aanwezige verblijfplaats van gewone dwergvleermuis ongeschikt raken. Door deze ontwikkeling treedt verstoring op voor de gewone dwergvleermuis en zijn verblijfplaats, een overtreding van de Wet natuurbescherming. In de nieuwe situatie is het echter wel noodzakelijk dat er in de bebouwing weer ruimten beschikbaar zijn voor aanwezige vleermuizen als verblijfplaats. Daarnaast zijn aanvullende maatregelen noodzakelijk om negatieve effecten te voorkomen of te beperken en om te allen tijde een verblijfplaats voor vleermuizen aan te bieden. De gewone dwergvleermuis maakt gebruik van een netwerk aan verblijfplaatsen. Rond het plangebied zijn enkele diverse alternatieve verblijfplaatsen aanwezig.
Met de voorgenomen ontwikkeling wordt dan ook niet verwacht dat de gunstige staat van instandhouding van gewone dwergvleermuis in het geding komt, vooral niet na het nemen van enkele maatregelen. Het tijdelijk vernietigen of beschadigen van verblijfplaatsen van vleermuizen is wel ontheffingplichtig. Hiervoor dient een ontheffing Wet natuurbescherming, onderdeel soortenbescherming aangevraagd te worden. Foerageergebied en vliegroutes Tijdens het veldonderzoek zijn verschillende individuen gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en rosse vleermuis binnen het plangebied langsvliegend en foeragerend waargenomen. Dit betreffen geen essentiële foerageergebieden en vliegroutes. Door de voorgenomen werkzaamheden treedt er geen verstoring op van foerageergebieden en vliegroutes die onderdeel uitmaken van het (essentieel) leefgebied van de betreffende vleermuissoorten. Groenstructuren blijven ook na de ontwikkeling behouden en worden zelfs met de ontwikkeling versterkt (realiseren groen, zoals bomen(rijen)). Zie ook kader – Foerageergebieden en vliegroutes. Kader - Foerageergebieden en vliegroutes Foerageergebieden en vliegroutes van vleermuizen zijn beschermd indien bij het verdwijnen ook een verblijfplaats ongeschikt wordt. Bijvoorbeeld door het onderbreken van een vliegroute wordt een foerageergebied onbereikbaar, waardoor de vleermuizen onvoldoende voedsel kunnen vinden.
Bij het verdwijnen van foerageergebieden of vliegroutes wordt derhalve onderzocht of er voldoende bereikbare alternatieven zijn. Vleermuizen maken gebruik van lijnvormige landschapselementen zoals bomenrijen en singels om zich langs te verplaatsen. Een aaneengesloten kronendak heeft hierbij de voorkeur. Van vleermuizen is bekend dat onderbrekingen in de lijnstructuur maximaal 100 tot 200 meter mogen bedragen (kleinere en langzaam vliegende soorten 50 meter). Wanneer de onderbrekingen groter zijn dan deze afstand kunnen sommige soorten deze afstand niet overbruggen en zullen ze uitwijken naar alternatieve vliegroutes en foerageergebieden.
5.1.3 Te nemen maatregelen Om negatieve effecten op de gewone dwergvleermuis zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken zijn aanvullende maatregelen noodzakelijk. Te nemen maatregelen op hoofdlijnen: • •
plaatsen van kasten voor gewone dwergvleermuis voorafgaand aan de werkzaamheden (doorgaans wordt per verblijfplaats compensatiefactor 4 gerekend); werken buiten de kwetsbare perioden van de soort. In deze situatie betreft dit de zomerperiode en de paarperiode, echter kan een paarverblijfplaats tijdens (zachte) winters ook gebruikt worden als
Landgoed Groot Grevengoed te Zwartebroek | Eelerwoude | 16
• • • • •
winterverblijfplaats. Als een locatie jaarrond wordt gebruikt (zomer, paar, winter), is de paarperiode (september tot half oktober) de minst kwetsbare periode om te werken; de dieren zijn dan het meest mobiel en flexibel; voorkomen van lichtverstoring door bijvoorbeeld alleen verlichting te gebruiken waar het echt nodig is en geen uitstraling is naar de omgeving. Zie ook kader – Verlichting; ongeschikt maken van huidige verblijfplaatsen in werkgebied; nieuwe verblijfplaatsen creëren in de toekomstige situatie; ecologisch werkprotocol opstellen; begeleiding tijdens de werkzaamheden.
Conclusie: Als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden zijn negatieve effecten op gewone dwergvleermuizen niet uit te sluiten. Een ontheffing dient aangevraagd te worden, ook dienen een aantal maatregelen genomen te worden. Kader- Verlichting
Kader – Verlichting
Een aantal nachtactieve dieren, zoals vleermuizen, uilen en marters, zij gevoelig voor verlichting. Er zijn soorten die kunstlicht zoveel
Een aantal nachtactieve dieren, zoals vleermuizen, uilen en marters, zijn gevoelig voor verlichting. Er zijn
mogelijk zoalsmogelijk de watervleermuis, zijn soorten en dieer(in rond lantaarnpalen jagen, zoals de rosse soorten dievermijden, kunstlicht zoveel vermijden, zoalsen deer watervleermuis, zijnbeperkte soorten diemate) (in beperkte mate) rond Bij lantaarnpalen jagen, zoals de rosse Bij het plaatsen van verlichtingen bijfoerageergebieden in- en/of vleermuis. het plaatsen van verlichting bij invleermuis. -en/of uitvliegopeningen, vliegroutes kunnen barrières ontstaan uitvliegopeningen, vliegroutes en foerageergebieden kunnen barrières ontstaan waardoor de vleermuizen
waardoor de vleermuizen van de verblijfplaatsen, vliegroute en/of foerageergebied afzien.
van de verblijfplaatsen, vliegroute en/of foerageergebied afzien.
Op dit ditmoment moment binnen rondom het plangebied verlichting aanwezig. De verlichting beperkt Op is is binnen en en rondom het plangebied verlichting aanwezig. De verlichting beperkt zich tot de zicht tot de straatlantaarns en in de straatlantaarns enzal in de de verlichting nieuwe situatie zal detoenemen. verlichting mogelijk toenemen. Verwacht dat met nieuwe situatie mogelijk Verwacht wordt dat met dewordt toename vandeverlichting rondom de te ontwikkelen toename van verlichting rondom de te ontwikkelen locaties geen negatief effect zal optreden op de aanwezige
locaties geen negatief effect zal optreden op de aanwezige soorten. De te verwachte soorten gelden namelijk niet als bijzonder
soorten. De te verwachten soorten gelden namelijk niet als bijzonder gevoelig voor verstoring door verlichting.
gevoelig voor verstoring door verlichting. Er dient wel te allen tijde rekening gehouden te worden met verlichting, door verlichting tot
Er dient wel te allen tijde rekening gehouden te worden met verlichting, door verlichting tot een minimum te
een minimum te beperken en de directe verlichting van degebiedsdelen omgeving en onverlichteOm gebiedsdelen beperken en directe belichting van omgeving en onverlichte te voorkomen. lichthinder te voorkomen. Om lichthinder te te voorkomenen enhet het gebied gebied aantrekkelijker kunnen verschillende maatregelen voorkomen aantrekkelijk te te maken makenvoor voorvleermuizen vleermuizen kunnen verschillende maatregelen getroffen worden: getroffen worden:
---
-
Verlichting alleen plaatsen waar het echt nodig is;
verlichting alleen plaatsen waar het echt nodig is;
Verlichting alleen aan op het moment wanneer het nodig is (dynamische verlichting)
verlichting alleen aan op momenten wanneer het nodig is (dynamische verlichting);
Verlaag de hoogtes de lichtmasten zodat boomkronen onverlicht blijven; verlaag de hoogte van devan lichtmasten zodat boomkronen onverlicht blijven; beperk verstrooiing het van licht het tot licht een minimum door gebruik aangepaste armatuur Fout! Beperk verstrooiing tot een minimum doorvan gebruik van aangepaste armatuur;
Verwijzingsbron niet gevonden. ; Geen verlichting plaatsen bij in-en/of uitvliegopeningen en vliegroutes. geen verlichting plaatsen bij in- en/of uitvliegopeningen en vliegroutes.
Hieronderstaan staan enkele voorbeelden om lichtverstrooiing te voorkomen. Hieronder enkele voorbeelden om lichtverstrooiing te voorkomen.
Landgoed Groot Grevengoed te Zwartebroek | Eelerwoude | 17
5.2 Vogels 5.2.1 Voorkomen en functie Tijdens het vogelonderzoek zijn in het gebied twee soorten vastgesteld waarvan de verblijfplaatsen jaarrond zijn beschermd; huismus en kerkuil. Hieronder wordt per soort ingegaan op hoe zij het gebied gebruiken, daarnaast worden deze waarnemingen in de bijlagen op kaart weergegeven. Huismus Huismussen zijn bijzonder vindingrijk als het gaat om het vinden van een nestplaats. Ze nestelen meestal in holtes, bij voorkeur in huizen. De huismus is een jaarrond-soort, wat inhoudt dat de soort gedurende het hele jaar gebruik maakt van de verblijfplaatsen. De huismus is een echte cultuurvolger en bovendien uitermate veelzijdig, wel is het een veeleisende soort. Het ontbreken van één van de onderstaande elementen kan betekenen dat ondanks de aanwezigheid van veel geschikte nestplaatsen toch geen huismussen aanwezig zijn. Al deze elementen liggen dichtbij elkaar, bij voorkeur in een straal van een paar honderd meter. Geschikt huismussenhabitat bestaat uit de volgende elementen: • ruim voldoende nestgelegenheid; • continu voedsel in de directe omgeving van dekking; • voldoende inheems groen als leverancier van eiwitrijk voedsel voor de jongen; • evergreens (bladhoudende of groenblijvende plant) in hagen of gevelbegroeiing; • zandbad; • water. De huismus komt algemeen voor bij Koperweg 6 en Koperweg 8.
In het plangebied zijn drie verblijfplaatsen vastgesteld; twee verblijfplaatsen in de schuur aan de Koperweg 8 en één verblijfplaats in de schuur aan de Koperweg 6 (Figuur 8). Deze maken deel uit van een grotere populatie huismussen, die binnen het plangebied uit ongeveer 5-10 exemplaren bestaat. Het gaat hierbij om zingende mannetjes die vanaf de daken van de schuren zingen, en vrijwel allemaal broeden onder de eerste rij pannen. Ze foerageren rondom de schuren en het aanwezige groen, waarbij het zwaartepunt rondom de verblijfplaatsen ligt. De huismussen maken het gehele jaar gebruik van het plangebied als leefgebied.
Figuur 8. Foto links; twee verblijfplaatsen schuin boven de deuren (in geel omcirkeld). Rechts: nestplaats onder dakrand.
Landgoed Groot Grevengoed te Zwartebroek | Eelerwoude | 18
Kerkuil De kerkuil is een middelgrote slanke uil met lange vleugels en een hartvormig gezicht met zwarte ogen. Oranje grijze bovendelen, maar grotendeels witte buik en ondervleugels. Oogt daarom vooral in de vlucht zeer licht. Hij bidt regelmatig en heeft een langzame, schommelende vlucht. De kerkuil broedt in open, maar niet boomloze, agrarische gebieden. In lintdorpen en boerendorpen, liefst in kleinschalig landschap met veel faunaranden voor een hoog prooiaanbod, onder meer in de vorm van rijk begroeide bermen, akkerranden, dijken, heggen, houtwallen en ruige oeverhoekjes. Hij verblijft overdag in gebouwen op de rust- en/of nestplaats. Jaagt ’s nachts langs lijnvormige elementen zoals bermen en loopt hierbij groot risico om aangereden te worden. Kerkuil kan in principe het gehele jaar broeden. Doorgaans zijn eieren en jongen echter aanwezig van begin april tot eind september. Vliegvlugge jongen kunnen aanwezig zijn tot in december. Kerkuilen verblijven het gehele jaar in hetzelfde gebied, zoals nissen van kerktorens, op balken in stallen, schuren en andere toegankelijke gebouwen in agrarisch gebied. Maakt gretig gebruik van nestkasten in dergelijke gebouwen. In de vrijstaande schuur aan de Koperweg 2 is op 24 september 2019 kerkuil waargenomen (Figuur 9).
Ook is tijdens het veldonderzoek op 20 mei 2020 kerkuil langsvliegend boven de weilanden ten westen van de Koperweg 5 en nabij de betreffende schuur aan de Koperweg 2 waargenomen. Er is geen nest, nest indicerend gedrag, alarmroepen en/of bedelende jongen nabij de schuur waargenomen, wat duidt op een nestgelegenheid.
Figuur 9. Rustplaats kerkuil op de hooizolder van de schuur.
5.2.2 Effecten en ontheffing Verblijfplaatsen van huismus en kerkuil zijn jaarrond beschermd. Beide soorten zijn in het plangebied niet broedend vastgesteld. Er geldt een verbod op handelingen die opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Daarnaast is het verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Binnen het plangebied komen drie verblijfplaatsen van huismus en één rustplaats van kerkuil voor. Als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden kan een tijdelijk effect ontstaan en treedt verstoring op beide soorten en hun verblijfplaatsen op. Met het verwijderen van de bebouwing verdwijnen de nest- en rustplaatsen. Maatregelen zijn noodzakelijk om negatieve effecten te voorkomen of te beperken en om te allen tijde een verblijfplaats voor huismus en kerkuil aan te bieden. Na de ontwikkeling dienen weer verblijfplaatsen voor deze soorten aangeboden te worden. Voor huismus worden hiervoor ingemetselde neststenen, nestkasten en/of
Landgoed Groot Grevengoed te Zwartebroek | Eelerwoude | 19
speciale dakpannen gebruikt. In de nieuw te realiseren daken wordt vogelschroot geplaatst. Deze wordt onder de tweede rij dakpannen geplaatst, waardoor hetzelfde effect wordt gecreëerd als door het plaatsen van een Vogelvide. Met deze methoden is er voor de huismus broedgelegenheid onder de eerste rij dakpannen, waar ze nu ook broeden. Deze methode wordt over de gehele lengte van het dak toegepast, aan beide zijden, zonder aparte invliegopeningen. De huismus is flexibel in allerlei opzichten. Ze kunnen zich binnen enkele dagen aanpassen aan veranderde omstandigheden. Verwacht wordt dan ook dat de huismus in de nieuwe situatie gewoon weer onder de pannen gaat broeden. Voor kerkuil dienen minimaal twee, maar bij voorkeur meer verblijfplaatsen aangeboden te worden. Nieuwe roestplaatsen moeten bij voorkeur op een andere plek worden gerealiseerd dan de nieuwe nesten. Ze kunnen de vorm hebben van een houten balk in een gebouw waardoor een rustige, donkere plek wordt gerealiseerd. Mogelijk dat deze plekken al aanwezig zijn, maar dat een gebouw voor kerkuilen toegankelijk gemaakt moet worden, zodat ze die plekken kunnen bereiken. Na het nemen van maatregelen komt de gunstige staat van instandhouding van huismus en kerkuil niet in het geding. Het tijdelijk vernietigen of beschadigen van verblijfplaatsen van huismus en kerkuil is wel ontheffingsplichtig.
Hiervoor dient een ontheffing Wet natuurbescherming, onderdeel soortenbescherming aangevraagd te worden.
5.2.3 Te nemen maatregelen Om negatieve effecten op huismus en kerkuil te voorkomen of te beperken dienen een aantal aanvullende maatregelen genomen te worden. Op hoofdlijnen betreffen dit: • • •
•
• • • •
Huismuskast ophangen als alternatieve verblijfplaats voorafgaand aan de werkzaamheden (compensatiefactor 2 per verblijfplaats); kerkuilkast ophangen als alternatieve verblijfplaats voorafgaand aan de werkzaamheden (compensatiefactor 2 per verblijfplaats); werken buiten de kwetsbare periode van de huismus. In deze situatie betreft dit de broedperiode, echter doordat de verblijfplaats ook tijdens vorstperiode en als rustplaats gebruikt kan worden, is deze het gehele jaar door kwetsbaar. De periode waarin geen activiteiten, zoals het nest en/of zijn habitat beïnvloeden, uitgevoerd mogen worden, loopt globaal van december tot september; werken buiten de kwetsbare periode van de kerkuil. Doordat de verblijfplaats een rustplaats betreft is deze het gehele jaar kwetsbaar. De periode waarin geen activiteiten, zoals het nest en/of zijn habitat beïnvloeden, uitgevoerd mogen worden, loopt globaal van februari tot september; ongeschikt maken van de huidige verblijfplaatsen; nieuwe duurzame verblijfplaatsen aanbieden; ecologisch werkprotocol opstellen; begeleiding tijdens de werkzaamheden.
Conclusie: Als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden zijn negatieve effecten op huismus en kerkuil niet uit te sluiten. Een ontheffing dient aangevraagd te worden, ook dienen een aantal maatregelen genomen te worden.
Landgoed Groot Grevengoed te Zwartebroek | Eelerwoude | 20
5.3 Kleine marters 5.3.1 Voorkomen en functie In het plangebied is onderzoek gedaan naar de aanwezigheid van de kleine marterachtigen hermelijn, bunzing en wezel. Tijdens het onderzoek zijn geen zichtwaarneming, sporen en/of verblijfplaatsen van deze soorten waargenomen of aangetroffen. Hoewel sporen en verblijfplaatsen niet zijn aangetroffen en er ook geen beelden van deze soorten zijn vastgelegd op de cameravallen, zijn er verspreidingsgegevens van hermelijn, bunzing en wezel in de omgeving van het plangebied bekend. Het plangebied kan daarom wel als leefgebied (zoals migratieroute) worden gebruikt door deze soorten.
5.3.2 Effecten en ontheffing Tijdens het onderzoek zijn geen zichtwaarneming, sporen en/of verblijfplaatsen van deze soorten waargenomen of aangetroffen. Met de ontwikkeling zijn negatieve effecten op de hermelijn, bunzing en wezel daarom uit te sluiten. Wel kan het plangebied gebruikt worden als leefgebied, zoals migratieroute, voor hermelijn, bunzing en wezel. Met de ontwikkeling blijven in het plangebied en de omgeving genoeg leefgebied voorhanden. Daarbij wordt met de ontwikkeling meer groen, zoals bomen(rijen), groenstructuren en natte natuur, gerealiseerd wat het voedselaanbod en dekkingsmogelijkheden voor de kleine marters hermelijn, bunzing en wezel vergroot.
5.4 Overige beschermde soorten 5.4.1 Voorkomen en functie Tijdens het veldonderzoek is ook onderzoek gedaan op de aanwezigheid van andere (niet-vrijgestelde) beschermde soorten dan hierboven beschreven. Deze beschermde diersoorten, zoals das en Noordse woelmuis, zijn niet waargenomen en verblijfplaatsen worden ook niet verwacht, dit vanwege het ontbreken van geschikt biotoop en/of het bekende verspreidingsgebied. Uitzondering hierop is de steenmarter die (mogelijk) van het plangebied gebruikmaakt als leefgebied. Er zijn echter geen verblijfplaatsen vastgesteld van de steenmarter. In en rond het plangebied kunnen verschillende algemene vogelsoorten voorkomen. Het gaat hierbij onder andere om de soorten koolmees, pimpelmees, roodborst. Deze soorten kunnen in en rond het plangebied tot broeden komen. Binnen het plangebied zijn twee nesten van spreeuw aangetroffen en een onbekend gebruikt nest: één spreeuwennest op de hoek van de woning aan de Koperweg 6 (Bijlage 2), één spreeuwennest bij de kopgevel van de schuur aan de Koperweg 8 (Figuur 10) en in het gat in de noordelijke muur bij de eerdergenoemde schuur aan de Koperweg 5 (Figuur 10).
Landgoed Groot Grevengoed te Zwartebroek | Eelerwoude | 21
Figuur 10. Links: spreeuwennest in achterkopgevel van de schuur aan de Koperweg 8 (ter hoogte van de gele ster). Rechts: onbekend nest in de schuur aan de Koperweg 6.
5.4.2 Effecten en ontheffing Negatieve effecten zijn niet te verwachten op de groep overige beschermde soorten. Vaste rust- en verblijfplaatsen van deze beschermde soorten, zoals das en eekhoorn, ontbreken. Het plangebied maakt mogelijk wel onderdeel uit van het leefgebied van deze soorten, maar ook van deze soort zijn geen vaste rusten verblijfplaatsen waargenomen. Wel dient te allen tijde rekening gehouden te worden met de aanwezigheid van broedvogels. Alle vogelsoorten in Nederland zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming. Voor alle beschermde inheemse (ook algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Daarnaast is het verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Deze verbodsbepalingen worden kunnen in veel situaties worden voorkomen door verstorende werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. De periode van 15 maart tot 15 juli wordt over het algemeen beschouwd als broedseizoen. Werkzaamheden binnen het broedseizoen zijn mogelijk indien is vastgesteld dat er met deze werkzaamheden geen nesten van broedvogels worden verstoord.
Voor de Wet natuurbescherming zijn echter alle bewoonde vogelnesten beschermd, ongeacht het tijdstip van het jaar en ongeacht de zeldzaamheid van de soort. Conclusie: Negatieve effecten op overige beschermde soorten zijn niet te verwachten. Het aanvragen van een ontheffing is voor overige beschermde soorten niet noodzakelijk. Wel dient te allen tijde rekening gehouden te worden met het broedseizoen van vogels.
Landgoed Groot Grevengoed te Zwartebroek | Eelerwoude | 22
6 Conclusie Op basis van nader onderzoek naar vleermuizen, huismus, kerkuil en kleine marters worden de onderstaande conclusies getrokken.
6.1 Soortenbescherming Uit het flora- en faunaonderzoek is naar voren gekomen dat het plangebied onderdeel uitmaakt van het leefgebied van de beschermde soorten: gewone dwergvleermuis, huismus, kerkuil en kleine marterachtigen hermelijn, bunzing en wezel. Als gevolg van de geplande werkzaamheden worden tijdelijk negatieve effecten verwacht en treedt verstoring op voor deze soorten. Maatregelen zijn noodzakelijk om negatieve effecten te voorkomen of te beperken en om te allen tijde een verblijfplaats aan de beschermde soorten aan te bieden. Hierbij is het tevens van belang dat in de nieuwe situatie bebouwing weer geschikt zijn als verblijfplaats voor deze soorten. Paragrafen 5.1.3 en 5.2.3 geven een overzicht van de te nemen maatregelen weer. Met de voorgenomen werkzaamheden wordt niet verwacht dat de gunstige staat van gewone dwergvleermuis, huismus, kerkuil en kleine marterachtigen hermelijn, bunzing en wezel in het geding komt, vooral niet na het nemen van eerder genoemde maatregelen. Het verstoren van verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis, huismus en kerkuil is wel ontheffing plichtig. Hiervoor dient een ontheffing Wet natuurbescherming aangevraagd te worden.
6.2 Ontheffing noodzakelijk Voor de gewone dwergvleermuis, huismus en kerkuil dient een ontheffing aangevraagd te worden. Deze soorten kunnen gezamenlijk in een aanvraag ingediend worden. Om een ontheffing Wet natuurbescherming te verkrijgen voor gewone dwergvleermuis, huismus en kerkuil moet: • • • •
de gunstige staat van instandhouding gegarandeerd blijven; invulling gegeven worden aan de zorgplicht; voldaan worden aan een bij de wet genoemd belang; er mogen geen alternatieven zijn.
Deze gegevens moeten worden uitgewerkt in een projectplan. In het projectplan staat concreet welke werkzaamheden, wanneer, en op welke wijze worden uitgevoerd. Dit wordt aangevuld met een onderbouwing van de noodzaak van het project. Een ontheffingsaanvraag moet worden ingediend bij de provincie Gelderland. Maximaal twintig weken na het indienen van de aanvraag wordt er een besluit genomen. Op dat besluit kunnen belanghebbenden nog bezwaar maken. Deze termijnen zijn terug te vinden op de website van de provincie. Concrete maatregelen die genomen moeten worden tijdens de werkzaamheden dienen vastgelegd te worden in een ecologisch werkprotocol. Hierin dienen eveneens de aanvullende voorwaarden verwerkt te worden die voortvloeien uit de ontheffingsaanvraag.
Landgoed Groot Grevengoed te Zwartebroek | Eelerwoude | 23
6.3 Uitvoerbaarheid van de plannen Wanneer er sprake is van een bestemmingsplanprocedure moet aannemelijk gemaakt worden dat de plannen uitvoerbaar zijn. Dit betekent dat aangetoond moet worden dat een ontheffing Wet natuurbescherming verleend gaat worden. Voor verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis, huismus en kerkuil worden regelmatig ontheffingen aangevraagd en verkregen. In zijn algemeenheid moeten daarbij de volgende maatregelen genomen worden om de gunstige staat van instandhouding te garanderen en aan de zorgplicht te voldoen: • aanbieden nieuwe en meer verblijfplaatsen vóór verwijderen huidige; • in stand houden voldoende functioneel leefgebied (foerageergebied en dergelijke); • voorkomen van aantasten/doden dieren bij uitvoering, bijvoorbeeld door uit te voeren buiten de gevoelige periodes. Door bovengenoemde maatregelen te nemen wordt de functionaliteit van het plangebied (en/of directe omgeving) voor de dieren in stand gehouden. In dat geval kan een ontheffing worden aangevraagd voor het verstoren van de dieren (geldt niet voor vogels). Ten slotte moet aangetoond worden dat er geen alternatieven zijn. De ontwikkeling is locatie specifiek, hiervoor is geen alternatief. Alternatieven in het kader van de werkwijze en planning worden ingevuld bij het opstellen van het activiteitenplan en de ontheffing.
In het kader van het bestemmingsplan zijn deze onderdelen echter niet relevant. Het bestemmingsplan biedt voldoende ruimte om aan de eisen voor een ontheffing te voldoen. De noodzaak voor een ontheffing belemmert de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan dus niet.
6.4 Geldigheid onderzoek Dit onderzoek is uitgevoerd conform de landelijk geldende richtlijnen. Het bevoegde gezag hanteert de volgende definitie voor de geldigheid van onderzoeken naar beschermde soorten: “Onderzoekgegevens mogen maximaal 3 jaar oud zijn in gebieden waar weinig of geen ruimtelijke of kwalitatieve veranderingen zijn opgetreden in de afgelopen drie jaar. In gebieden waar dit niet voor geldt, moeten de gegevens recenter zijn.” Dit rapport gaat in op de effecten van de ontwikkeling zoals beschreven in hoofdstuk 2.2. Wijzigingen of aanpassingen in de ontwikkeling kunnen tot andere conclusies ten aanzien van de effecten op beschermde soorten leiden.