Kootwijkerbroekerweg-Oosterbrinkweg_Toelichting.pdf
Tekst van het document
Kootwijkerbroekerweg-Oosterbrinkweg
(mei 2022) bestemmingsplan Plannr. 1674
Kootwijkerbroekerweg-Oosterbrinkweg
Inhoudsopgave
Toelichting Hoofdstuk 1
5 INLEIDING
5
Hoofdstuk 2 BESTAANDE SITUATIE 2.1 Begrenzing plangebied 2.2 Geldende bestemmingen
6 6 6
Hoofdstuk 3
7
PLANBESCHRIJVING
Hoofdstuk 4 BELEIDSKADER 4.1 Inleiding 4.2 Rijk 4.3 Provincie 4.4 Regio 4.5 Waterschap 4.6 Gemeente
9 9 9 10 11 13 14
Hoofdstuk 5 RANDVOORWAARDEN 5.1 Bodem 5.2 Cultuurhistorie 5.3 Ecologie 5.4 Externe veiligheid 5.5 Geluid 5.6 Geur 5.7 Ladder voor duurzame verstedelijking 5.8 Leidingen en laagvliegroutes 5.9 Luchtkwaliteit 5.10 Milieueffectrapportage 5.11 Milieuzonering 5.12 Natuur en landschap 5.13 Veiligheid 5.14 Verkeer 5.15 Water
21 21 22 24 26 27 27 29 29 30 30 32 32 33 33 33
Hoofdstuk 6 JURIDISCHE ASPECTEN 6.1 Inleiding 6.2 Inleidende regels 6.3 Bestemmingsregels 6.4 Algemene regels 6.5 Overgangs- en slotregels 6.6 Handhaving
35 35 35 36 39 40 40
Hoofdstuk 7 ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID 7.1 Kostenverhaal en zekerstelling
42 42
Hoofdstuk 8 OVERLEG EN MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID 8.1 Overleg ex artikel 3.1.1 Bro 8.2 Inspraak 8.3 Zienswijzen
43 43 43 43
Bijlagen bij de toelichting Bijlage 1
Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai
Bijlage 2
Aanvullende notitie onderzoek wegverkeerslawaai
2
"Kootwijkerbroekerweg-Oosterbrinkweg" (vastgesteld)
Kootwijkerbroekerweg-Oosterbrinkweg
"Kootwijkerbroekerweg-Oosterbrinkweg" (vastgesteld)
3
Kootwijkerbroekerweg-Oosterbrinkweg
4
"Kootwijkerbroekerweg-Oosterbrinkweg" (vastgesteld)
Kootwijkerbroekerweg-Oosterbrinkweg
Toelichting Hoofdstuk 1
INLEIDING
Voor de percelen aan de Kootwijkerbroekerweg 86 en Oosterbrinkweg 17 in Kootwijkerbroek is een verzoek ingediend om de vorm en de situering van de bestemmings- en bouwvlakken ter plaatse van de twee woningen te wijzen. Dit om de locaties van de twee woningen met bijgebouwen op juiste wijze te bestemmen en de gewijzigde situering planologisch mogelijk te maken. De uitvoering van dit plan is niet mogelijk binnen het geldende bestemmingsplan. Daarom is voorliggende herziening van het bestemmingsplan opgesteld.
Afbeelding: ligging planlocatie Kootwijkerbroekerweg 86 en Oosterbrinkweg 17 in Kootwijkerbroek Voorliggend plan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De toelichting is opgebouwd uit acht hoofdstukken. Na dit hoofdstuk beschrijft hoofdstuk 2 de bestaande situatie. Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 een beschrijving van het plan gegeven. Hoofdstuk 4 gaat vervolgens in op het beleidskader. Het vijfde hoofdstuk gaat in op de randvoorwaarden, waarna in het zesde hoofdstuk de juridische aspecten worden besproken. In hoofdstuk 7 is aandacht voor de economische uitvoerbaarheid. Hoofdstuk 8 gaat in op de resultaten van de procedure ten behoeve van dit bestemmingsplan.
"Kootwijkerbroekerweg-Oosterbrinkweg" (vastgesteld)
5
Kootwijkerbroekerweg-Oosterbrinkweg
Hoofdstuk 2 2.1
BEST AANDE SIT UAT IE
Begrenzing plangebied
Het plangebied ligt tussen de Kootwijkerbroekerweg en Oosterbrinkweg nabij c.q. ten noordoosten van de kern Kootwijkerbroek. Het plangebied wordt aan de noordzijde begrensd door de Kootwijkerbroekerweg. Aan de oost- en westzijde vormen agrarische gronden c.q. weiland de grens van het plangebied. De grens aan de zuidzijde wordt gevormd door de Oosterbrinkweg. Onderstaande afbeelding geeft de ligging van het plangebied weer.
Afbeelding: luchtfoto directe omgeving planlocatie met plangrens
2.2
Geldende bestemmingen
Het plangebied ligt in het bestemmingsplan "Kootwijkerbroekerweg I". De gronden hebben de bestemmingen 'Wonen - Enkelvoudig' en 'Agrarisch'. De twee aanwezige bestemmingsvlakken 'Wonen' zijn allebei voorzien van een bouwvlak. Ter plaatse van het bestemmingsvlak aan de Oosterbrinkweg 17 geldt de maatvoeringsaanduiding 'maximum oppervlakte' met waarde 150 m2, waarmee binnen dit bestemmingsvlak 150 m2 aan bijgebouwen is toegestaan. Binnen het bestemmingsvlak ter plaatse van de Kootwijkerbroekerweg 86 geldt een maximum oppervlakte aan bijgebouwen van 80 m2. Beide woningen zijn gebouwd op een afwijkende locatie dan in dit bestemmingsplan is vastgelegd. Ook is het bijgebouw bij de woning Oosterbrinkweg 17 iets buiten het bestemmingsvlak gebouwd. In het bestemmingsplan zijn geen mogelijkheden opgenomen die uitvoering van voorliggend plan mogelijk maken, bijvoorbeeld door wijziging of afwijken met een omgevingsvergunning. Daarom is een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk.
6
"Kootwijkerbroekerweg-Oosterbrinkweg" (vastgesteld)
Kootwijkerbroekerweg-Oosterbrinkweg
Hoofdstuk 3
PLANBESCHRIJVING
In augustus 2011 is het bestemmingsplan “Kootwijkerbroekerweg I” onherroepelijk geworden. Met dit plan is - naast het bestemmen van de voormalige agrarische bedrijfswoning tot reguliere woning - met toepassing van functieverandering een extra woning op de planlocatie aan de Kootwijkerbroekerweg 86 (met oriëntatie op de Oosterbrinkweg) mogelijk gemaakt. Inmiddels is deze nieuwe woning met bijgebouw, met adres Oosterbrinkweg 17, gebouwd. Tijdens de bouw van de woning – ter vervanging van de inmiddels gesloopte, voormalige bedrijfswoning – op het perceel Kootwijkerbroek 86, is geconstateerd dat beide woningen een andere locatie hebben gekregen dan in het bestemmingsplan is vastgelegd. Nu is het verzoek de afwijkende locaties planologisch vast te leggen. Vanuit stedebouwkundig oogpunt zijn de gewijzigde locaties van de twee woningen acceptabel. Er is in de nieuwe situatie alsnog sprake van een compacte situatie. Daartoe is het noodzakelijk de binnen het huidige bestemmingsplan vastgelegde bestemmings- en bouwvlakken aan te passen. Verder dient er nog verspreid over het perceel Kootwijkerbroekerweg 86 liggende (bedrijfs)bebouwing, buitenopslag en verharding te worden verwijderd. Tevens moeten de bedrijfsmatige activiteiten aan Kootwijkerbroekerweg 86 worden beëindigd.
De tijdelijke woonunit, waarvoor recent een omgevingsvergunning voor het tijdelijk plaatsen daarvan voor 2 jaar is afgegeven, moet na voltooiing van de bouw van de woning op de locatie Kootwijkerbroekerweg 86 worden verwijderd.
Afbeelding: projectie huidig bestemde bestemmings-/bouwvlakken op luchtfoto met gerealiseerde/ in aanbouw zijnde bebouwing Tevens is geconstateerd dat de bijgebouwen bij de woning Kootwijkerbroekerweg 86 een grotere oppervlakte gekregen dan is toegestaan. In eerste instantie was het plan een grotere oppervlakte aan bijgebouwen bij de woning Kootwijkerbroekerweg 86 mogelijk te maken en ook planologisch vast te "Kootwijkerbroekerweg-Oosterbrinkweg" (vastgesteld)
7
Kootwijkerbroekerweg-Oosterbrinkweg leggen. Ter compensatie zouden dan hiervoor sloopmeters worden aangeleverd. Echter is aangegeven de oppervlakte aan bijgebouwen te vergroten door gebruik te maken van de vergunningsvrije bouwmogelijkheden die daarvoor gelden. Conform het bestemmingsplan is een 80 m2 aan bijgebouwen bij de woning Kootwijkerbroekerweg 86 toegestaan. Om te komen tot de maximale oppervlakte aan bijgebouwen inclusief de vergunningsvrije mogelijkheden moet er ook nog bebouwing - naast andere zonder vergunning opgerichte bebouwing - daarvoor worden gesloopt. Dit is vastgelegd met een voorwaardelijke verplichting. Bij de woning Oosterbrinkweg 17 is overigens reeds met het bestemmingsplan "Kootwijkerbroekerweg I" een oppervlakte van 150 m2 aan bijgebouwen toegestaan. Het bij het huidige bestemmingsplan goedgekeurde beplantingsplan ten behoeve van de landschappelijke inpassing is aangepast en akkoord bevonden.
8
"Kootwijkerbroekerweg-Oosterbrinkweg" (vastgesteld)
Kootwijkerbroekerweg-Oosterbrinkweg
Hoofdstuk 4 4.1
BELEIDSKADER
Inleiding
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het relevante beleidskader. Het gaat om beleid en beleidsnota's die direct dan wel indirect doorwerken in het bestemmingsplan of invloed hebben op de bestemmingsregelingen. Van deze nota's is hierna per bestuursniveau een beknopte samenvatting gegeven.
4.2
Rijk
4.2.1
Nationale Omgevingsvisie
Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) 'Duurzaam perspectief voor onze leefomgeving' in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven, zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw, zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI bevat een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.
ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio's; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond. Doorwerk ing Het beoogde plan is in lijn met de prioriteiten. De NOVI vormt daarom geen belemmering voor dit plan. 4.2.2
Nationaal Waterplan 2016-2021
Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is de opvolger van het Nationaal Waterplan 2009-2015. Het bevat de hoofdlijnen van het nationaal waterbeleid en de aspecten van het ruimtelijk beleid die daartoe behoren. Het Nationaal Waterplan verankert het nieuwe beleid voor de komende 6 jaar met een vooruitblik richting 2050: Nederland, een veilige en leefbare delta, nu en in de toekomst. In het Nationaal Waterplan staan 5 ambities centraal. Nederland moet de veiligste delta in de wereld blijven. Deze ambitie wordt vooral ingevuld door onze veiligheidsnormen tegen overstroming te vernieuwen. Daarnaast wordt ingezet op een verbetering van de waterkwaliteit (meststoffen, bestrijdingsmiddelen, medicijnresten, microplastics). Dit zorgt er voor dat de Nederlandse wateren schoon en gezond zijn en er genoeg zoet water is. Verder beschrijft het Nationaal Waterplan dat Nederland klimaatbestendig en waterrobuust wordt ingericht en dat Nederland een gidsland is en blijft voor watermanagement en -innovaties. Dat is gunstig voor onze economie en ons verdienvermogen. De vijfde ambitie bestaat er uit dat Nederlanders waterbewust leven. Deze ambities moeten gezamenlijk ingevuld worden door iedereen die werkt aan de ruimtelijke inrichting van Nederland: alle overheden, bedrijven, maatschappelijke organisaties en kennisinstellingen.
Doorwerk ing in plangebied De bevindingen en resultaten van de watertoets zijn beschreven in de waterparagraaf (§ 5.15). 4.2.3
Crisis- en herstelwet
Op 1 januari 2010 is de Crisis- en herstelwet (Chw) in werking getreden. Deze wet geeft regels met betrekking tot versnelde ontwikkeling en verwezenlijking van ruimtelijke en infrastructurele projecten. Op 25 april 2013 is de Crisis- en herstelwet via een wijzigingswet permanent gemaakt en zijn verbeteringen op het terrein van het omgevingsrecht doorgevoerd. "Kootwijkerbroekerweg-Oosterbrinkweg" (vastgesteld)
9
Kootwijkerbroekerweg-Oosterbrinkweg
De Chw omvat twee categorieën maatregelen: tijdelijke maatregelen voor afgebakende lijsten met projecten en bevoegdheden; wijzigingen van bijzondere wetten. In Bijlage I van de Chw worden onder meer de volgende ruimtelijke en infrastructurele projecten genoemd, waarop de wet van toepassing is: zeer diverse projecten op het gebied van duurzame energie; gebiedsontwikkeling en werken van lokaal of regionaal belang, onderverdeeld in: 1. een bestemmingsplan voor de bouw van meer dan 11 woningen in een aaneengesloten gebied, of de herstructurering van woon- en werkgebieden; 2. een bestemmingsplan voor de aanleg of wijziging van wegen; 3. projecten ten behoeve van de inpassing in het landschap, natuurontwikkeling of recreatiedoeleinden, waar deze samenhangen met projecten ten aanzien van de in bijlage I (van de Wet) bedoelde projecten ten aanzien van wegen. Doorwerk ing in plangebied In dit geval is de Crisis- en herstelwet niet van toepassing, want het gaat planologisch gezien slechts om de wijziging van de locatie van bebouwing.
4.3
Provincie
4.3.1
Omgevingsvisie en Omgevingsverordening
De provincie Gelderland heeft een Omgevingsvisie en -verordening. Deze plannen gaan over verkeer, water, natuur, milieu en ruimtelijke ordening. De Omgevingsvisie beschrijft de lange termijn ambities en beleidsdoelen voor de fysiek leefomgeving. In de Omgevingsverordening zijn regels en bepalingen over de inrichting en beheer van de ruimtelijke omgeving vastgelegd. Met de Omgevingsvisie en -verordening loopt de provincie vooruit op de aankomende Omgevingswet, die naar verwachting 1 juli 2022 van kracht wordt. Deze wet biedt meer ruimte voor initiatieven en ontwikkelingen in het fysieke domein, in gesprek met de omgeving. Wanneer het nodig is, actualiseert de provincie onderdelen van de Omgevingsvisie en -verordening. Vanaf 2019 actualiseert de provincie de Omgevingsverordening opnieuw, zodat deze verder in lijn wordt gebracht met de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland en anticipeert op de eisen van de Omgevingswet. 4.3.1.1
Omgevingsvisie
Provinciale staten van Gelderland hebben op 19 december 2018 de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland vastgesteld. De Omgevingsvisie Gaaf Gelderland 2018 vervangt na publicatie de Omgevingsvisie Gelderland 2014-2018. De Omgevingsvisie Gaaf Gelderland 2018 gaat in de breedte over het beleid van de provincie voor de fysieke leefomgeving. Anders dan de Omgevingsvisie Gelderland 2014-2018, geeft de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland 2018 richting op de strategische hoofdlijnen van het beleid. Beide visies integreren een vijftal wettelijk verplichte planfiguren voor het provinciaal beleid voor de leefomgeving; te weten ruimte, natuur, water, milieu en verkeer en vervoer. Gelderland werkt samen met partners aan een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland. Dit doen ze door zich bij het uitvoeren van onze taken te richten op een duurzaam, verbonden en economisch krachtig Gelderland. Met hulp van zeven onderwerpen geven ze hier richting aan: energietransitie klimaatadaptatie circulaire economie biodiversiteit bereikbaarheid economisch vestigingsklimaat woon- en leefklimaat. Doorwerk ing in plangebied Vanuit de visie gelden geen specifieke eisen op de onderhavige locatie die betrekking hebben op het plan voor het wijzigen van reeds vastgelegde planologische bouwmogelijkheden c.q. voor het verplaatsen van de locatie van een tweetal bestemde woningen.
10
"Kootwijkerbroekerweg-Oosterbrinkweg" (vastgesteld)
Kootwijkerbroekerweg-Oosterbrinkweg
4.3.1.2
Omgevingsverordening
De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de provincie Gelderland. Dit betekent dat alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. De Omgevingsverordening Gelderland heeft de status van ruimtelijke verordening, milieuverordening, waterverordening en verkeersverordening. De 'Ruimtelijke Verordening Gelderland' en de 'Ruimtelijke Verordening Gelderland, eerste herziening', zijn ingetrokken. In de Omgevingsverordening is het onderhavige plangebied opgenomen op de kaart: Kaart 3: Regels Glastuinbouw (Tijdelijk verbodsgebied her-/nieuwvestiging en uitbreiding bestaande glastuinbouw) Voor onderhavig plan is kaart 3 niet relevant. Immers is er op deze locatie geen sprake van glastuinbouw en ook na deze planherziening is dit niet aan de orde. Doorwerk ing in plangebied Nu er vanuit de kaarten geen regels worden gesteld, is het plan in overeenstemming met de Omgevingsverordening.
4.4
Regio
4.4.1
Functieveranderingsbeleid Regio Food Valley 2016
In maart 2017 is het “Functieveranderingsbeleid Regio Food Valley 2016” vastgesteld. Dit betreft een actualisering van de regionale beleidsafspraken over hoe de betrokken gemeenten om willen gaan met het toenemende probleem van leegstand van (voormalige) agrarische bedrijfsgebouwen. Het beleid stelt (voormalige) agrarische bedrijven in staat om de bedrijfsvoering op een maatschappelijk en ruimtelijk verantwoorde wijze te beëindigen. Daarnaast leidt het tot kwaliteitsverbetering in het buitengebied door de sloopverplichting van overtollige bebouwing en landschappelijke inpassing bij hergebruik / nieuwbouw ten behoeve van nieuwe woonfuncties of niet- agrarische bedrijfsfuncties. Dit regionale beleid is destijds tot stand gekomen als uitwerking van het provinciale functieveranderingsbeleid vanuit het Streekplan 2005. In 2008 is hiervoor de “Regionale beleidsinvulling functieverandering en nevenactiviteiten vastgesteld met in 2012 een “Nadere invulling” daarvan. Vanuit onder meer de praktijkervaringen van de regiogemeenten en jurisprudentie is de wens ontstaan om de beide beleidskaders uit 2008 en 2012 samen te voegen en te actualiseren. Het Functieveranderingsbeleid Regio Food Valley 2016 is dan ook primair geen nieuw beleid.
Wel zijn enkele beleidsaanpassingen/-toevoegingen gedaan; Vereenvoudiging van de systematiek voor afroming/korting van sloopmeters; Een toekomstbestendige en flexibele basissystematiek voor functieverandering naar wonen/werken; (Lichte) stijging van de benodigde compensatie van sloopmeters voor functieverandering naar wonen en werken om in te spelen op de trend en ontwikkeling dat meer agrarische bedrijven zullen stoppen en dat meer (voormalige) agrarische bebouwing vrijkomt; Deelnemende gemeenten Het regionale beleid voor functieverandering is opgesteld vanuit de samenwerking tussen de gemeenten in het Gelderse gedeelte van de regio Food Valley en de gemeente Putten. Het gebied waarop het regionale beleid van toepassing is omvat de gemeenten Nijkerk, Putten, Barneveld, Scherpenzeel, Ede en Wageningen. Van sloopmeters naar inzetbare sloopmeters Om alle sloopmeters gelijkwaardig te maken en de voorgaande systematiek van afroming te vereenvoudigen, worden sloopmeters als eerste stap in een functieveranderingsproces vóór gebruik of verkoop 'omgezet' naar een 'inzetbare sloopmeters'. Bij hergebruik van bestaande bebouwing geldt ditzelfde. De oppervlakte van de te hergebruiken bebouwing wordt eerst berekend als 'sloopmeters', waarna de omzetting plaatsvindt naar 'inzetbare sloopmeters'.
Voor het omzetten van de sloopmeters naar inzetbare sloopmeters wordt een korting toegepast (voorheen was dit de afroming), afhankelijk van de grootte van de slooplocatie. Regionale inzetbaarheid van inzetbare sloopmeters Het slopen van (voormalige) agrarische bedrijfsgebouwen wordt bevorderd door een regionale inzetbaarheid van de sloopmeters. Dit betekent dat er de mogelijkheid is om salderingslocaties te "Kootwijkerbroekerweg-Oosterbrinkweg" (vastgesteld)
11
Kootwijkerbroekerweg-Oosterbrinkweg benutten die in een andere regiogemeente liggen dan de locatie waar de meters worden ingezet. De markt voor aankoop en/of verkoop van inzetbare sloopmeters door marktpartijen is daarmee groter. Basissystematiek Vanuit het functieveranderingsbeleid zijn nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen door middel van compensatie van inzetbare sloopmeters mogelijk in twee hoofdvormen met een basissystematiek; functieverandering naar wonen; functieverandering naar werken: (niet-agrarische) bedrijven, maatschappelijke en recreatieve functies. De basissystematiek is opgebouwd met een standaard 'recht' voor een nieuwe woning/wooneenheid of niet-agrarisch bedrijf, het woningrecht en het bedrijfsrecht waarvoor een compensatie van inzetbare sloopmeters nodig is. Daarnaast wordt compensatie van inzetbare sloopmeters gevraagd per 1 m³ inhoud van de woning of 1 m² vloeroppervlakte niet-agrarisch bedrijf. Verbrede mogelijkheden (gemeentelijke keuze) In het geactualiseerde beleid is evenals in de voorgaande beleidsdocumenten een 'gereedschapskist' aan verbrede mogelijkheden voor de inzet van inzetbare sloopmeters opgenomen. Gemeenten hebben de keuzemogelijkheid uit deze regionaal afgestemde 'gereedschapskist' die onderdelen te kiezen die hen passen. Dit in aanvulling op de hoofdopzet van het beleid.
De met de actualisering toegevoegde mogelijkheden geven meer ruimte voor nieuwe (maatwerk) ontwikkelingen. Daarnaast is een maatwerkmogelijkheid toegevoegd om in nog niet uitgewerkte situaties oplossingen te bewerkstelligen die in overeenstemming zijn met de lijn en de systematiek van dit beleid. Doorwerk ing plangebied In het verleden is met toepassing van functieverandering een extra woning met een groter bijgebouw op de locatie mogelijk gemaakt, en is verankerd in het bestemmingsplan "Kootwijkerbroekerweg I". Het onderhavige bestemmingsplan gaat slechts om de verplaatsing van deze reeds planologisch vastgelegde bebouwing binnen de grenzen van het plangebied waarvoor eerder het voornoemde bestemmingsplan is vastgesteld. Verder wordt geen gebruik gemaakt van het functieveranderingsbeleid om met inzet van extra sloopmeters de bebouwing te vergroten. Er wordt enkel gebruik gemaakt van de vergunningsvrije bouwmogelijkheden om de bijgebouwen bij de woning aan de Kootwijkerbroekerweg 86 te vergroten. 4.4.2
Beeldkwaliteitsplan functieverandering
De beeldkwaliteitsplannen functieveranderingen Gelderse Vallei (uit 2008) en Agrarische Enclave Uddel-Elspeet (uit 2009) hebben als primaire functie om de ambities ten aanzien van de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit bij functieveranderingen weer te geven (erfbeplanting, oriëntatie en plaatsing bouwmassa’s op het erf, architectuur, materiaalgebruik en dergelijke). Doorwerk ing in plangebied Door initiatiefnemer is een erfinrichtings-/beplantingsplan ingediend, waar ook beeldkwaliteit onderdeel van uitmaakt. Dit plan is besproken in het overleg voor verzoeken in het buitengebied. De inrichting is akkoord bevonden, evenals de opzet/situering van de aangegeven bebouwing. Dit erfinrichtings-/beplantingplan is als Bijlage 3 bij de planregels van dit bestemmingsplan opgenomen. 4.4.3
Regionaal Adaptatie Plan Vallei en Veluwe
Op 4 december 2020 is het Regionaal Adaptatie Plan Vallei en Veluwe (RAP) ondertekend door de Manifestregio. In de regio werken 28 gemeenten, waterschap Vallei en Veluwe, provincies Utrecht en Gelderland, Vitens, Veiligheidsregio's en Rijkswaterstaat samen op het gebied van klimaatadaptatie. Met het RAP geeft de regio invulling aan de landelijke opgave voor overheden om vanaf eind 2020 klimaatadaptief te werken om in 2050 klimaatbestendig te zijn. Deze opgave komt voort uit het Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie. Het klimaat verandert namelijk snel en merkbaar. Klimaatadaptatie is omgaan met het nieuwe klimaat met extremer weer: heftige buien of juist lange periodes van hitte en droogte. De omgeving waarin we leven, werken en ontspannen, maar ook de manier van leven moeten we daarop aanpassen. In het RAP zijn de regionale aandachtsgebieden voor de komende jaren bepaald, aanvullend op wat elke partij zelf moet of kan doen. Vooraf zijn voor het hele gebied de kwetsbaarheden van wateroverlast, droogte en hitte in kaart gebracht in een klimaateffectatlas. Tevens zijn risicodialogen met elkaar gevoerd over de gevolgen van klimaatverandering en de opgaven voor de regio. 12
"Kootwijkerbroekerweg-Oosterbrinkweg" (vastgesteld)
Kootwijkerbroekerweg-Oosterbrinkweg
Het RAP is een strategische agenda rondom 4 thema's: Prettig wonen en werken, Aangenaam recreëren, Basisfuncties (elektriciteit, hoofdwegennet, verpleeghuizen, etc.) veilig stellen en Natuurlijk bodem- en watersysteem. Per thema zijn (hoofd)ambities, speerpunten en maatregelen geformuleerd. Het thema prettig wonen ambieert een klimaatbestendige, veilige en gezond ingerichte stedelijke omgeving. Speerpunten zijn Ketenafspraken klimaatbestendig bouwen, Ontwikkelafspraken met woningcoöperaties, Instrumentenmix voor bestaand stedelijk gebied, Stimuleringsregeling klimaatbestendige maatregelen en Hitteplan. Het thema Aangenaam recreëren ambieert een klimaatbestendige, veilige en gezond ingericht recreatief buitengebied. Het speerpunt is Groen-blauwe recreatie. Het thema Basisfuncties ambieert een veilig en robuust ontworpen nutsvoorzieningen en infrastructuur. Speerpunten zijn Natuurbranden preventieplan, Overstromingsbestendige gebieden en gebouwen, (Hoofd)verdeelstations beoordelen en Doorgaande wegen klimaatrobuust. Het thema Natuurlijk bodem- en watersysteem ambieert een klimaatbestendig, robuust en veerkrachtig natuurlijk bodem- en watersysteembeheer. Speerpunten zijn Loofbomen advies, Waterbeschikbaarheidsstrategie, Duurzaam grondwatersysteem en Verkenning regio Vallei en Veluwe – 2120.
In Werkplannen wordt concreet aangegeven hoe de ambities in het RAP voor telkens een periode van 2 jaar worden uitgewerkt. De opgaven worden regionaal verdeeld en er worden verbindingen gelegd. Van belang is dat ook inwoners, bedrijven en maatschappelijke organisaties worden betrokken. Doorwerk ing in plangebied De bevindingen en resultaten zijn beschreven in de waterparagraaf (§ 5.15).
4.5
Waterschap
4.5.1
Blauwe Omgevingsvisie 2050
De driedimensionale Blauwe Omgevingsvisie 2050 (BOVI) is de langetermijnvisie van Waterschap Vallei en Veluwe. Met deze BOVI zet Waterschap Vallei en Veluwe op een geheel nieuwe wijze koers naar een duurzame en waterinclusieve leefomgeving. Daarbij kijkt Waterschap Vallei en Veluwe integraal, grensontkennend, over de grenzen van taken en gebieden heen en werkt vanuit de drie zogenoemde waterprincipes: 1. Water is een ordenend principe in de ruimtelijke ordening. 2. Maximaal vasthouden en schoonhouden van water. 3. Partnerschap als watermerk. Deze principes leiden tot één samenhangende weergave van water in het landschap van Vallei en Veluwe: één kringloop van bron tot monding, door stedelijk en landelijk gebied en van boven- en ondergrond. Doorwerk ing in plangebied De bevindingen en resultaten van de BOVI 2050 zijn beschreven in de waterparagraaf (§ 5.15). 4.5.2
BOP 2022-2027 Waterschap Vallei en Veluwe
Het Blauw Omgevingsprogramma (BOP) is het waterbeheerprogramma van Waterschap Vallei en Veluwe voor de planperiode 2022-2027. Het gebied, de maatschappelijke thema's en samenwerking met partners zijn meer centraal gezet dan in voorgaande waterbeheerprogramma's. Het waterbeheerprogramma is een kerninstrument onder de Omgevingswet en bevat naast de verplichte onderdelen van het programma (zoals Kader Richtlijn Water (KRW), Richtlijn Overstromings Risico's (ROR), zwemwaterrichtlijn) ook een niet verplicht deel. Het BOP is daarmee het wettelijk instrument van het waterschap om de doelen voor de middellange termijn vast te leggen. In het BOP worden doelen uit de Blauwe Omgevingsvisie 2050 (BOVI2050) doorvertaald naar gebiedsgerichte doelen. De hoofddoelen van het BOP zijn hieronder kort beschreven. Waterveiligheid Een zo goed mogelijke bescherming tegen overstromingen volgens de wettelijke normen. Watersysteem Een toekomstbestendig en klimaatrobuust grond- en oppervlaktewatersysteem, dat passend is ingericht naar de veranderende gebiedswensen.
"Kootwijkerbroekerweg-Oosterbrinkweg" (vastgesteld)
13
Kootwijkerbroekerweg-Oosterbrinkweg
Wonen en zuiveren Een robuust proces voor het verwerken van extreme neerslag en inzameling van stedelijk en industrieel afvalwater in bebouwd gebied, tot aan het lozen van effluent in het watersysteem. Circulaire economie Volledig circulair opereren in 2050 door anders om te gaan met grondstoffen en goed samen te werken met partners en de omgeving. Energietransitie Het eerste energieneutrale waterschap van Nederland worden om een voorbeeld te zijn op het gebied van de energietransitie. Doorwerk ing in plangebied De bevindingen en resultaten van de watertoets zijn beschreven in de waterparagraaf (§ 5.15).
4.6
Gemeente
4.6.1
Structuurvisie Buitengebied Barneveld
De structuurvisie Buitengebied Barneveld is op 21 september 2011 door de gemeenteraad vastgesteld. De Structuurvisie Buitengebied Barneveld bouwt voort op keuzes die gemaakt zijn in de Strategische visie en de Nota van Uitgangspunten voor het buitengebied. De visie voor het buitengebied is ruimte bieden voor economische ontwikkeling in samenhang met behoud en ontwikkeling van de omgevingskwaliteiten landschap, natuur, woon- en leefmilieu. Er doen zich belangrijke ontwikkelingen voor die bepalend zijn voor de toekomst van het buitengebied. De landbouw heeft niet stil gestaan en past zich aan, aan nieuwe ontwikkelingen. De doorgaande ontwikkeling in de agrarische sector heeft onder andere tot gevolg dat er steeds minder maar wel grotere agrarische bedrijven zijn gekomen en nog zullen komen. Een gevolg hiervan is vrijkomende agrarische erven door functieverandering naar wonen of werken. Ook is steeds vaker sprake van verbreding en verduurzaming. Tevens wordt geconstateerd dat recreatiebedrijven moderniseren en de kwaliteit verhogen. Deze ontwikkelingen zijn van grote invloed op de omgevingskwaliteiten natuur, landschap, cultuurhistorie en woon- en leefomgeving. Met de visie wordt ruimte geboden voor economische ontwikkeling in samenhang met behoud en ontwikkeling van de omgevingskwaliteiten.
Dat gaat de gemeente doen door initiatieven mede te beoordelen op de mate waarin ze bijdragen aan behoud en ontwikkeling van de omgevingskwaliteit, bijvoorbeeld effecten op landschap (beeldkwaliteit), woon- en leefmilieu, verkeer en natuur. De gemeente wil diverse ontwikkelingen faciliteren. Wat betreft de landbouw gaat dat om zowel schaalvergroting als verbreding en innovatie. Die verbreding verdient mogelijkheden om enerzijds extra inkomsten te bieden aan agrarische ondernemers en anderzijds om duurzame en innovatieve ontwikkelingen ruimte te geven. Verbreding is bovendien interessant voor de beleidsopgave om recreatieve mogelijkheden in het hele buitengebied te benutten en te stimuleren. Innovatie verdient kansen omdat daarmee kan worden gewerkt aan de versterking van de positie van de Regio Foodvalley, aan ondernemingszin en aan klimaatadaptatie. De schaalvergroting en de innovatieve ontwikkelingen moeten echter wel passen in het landschap van de gemeente Barneveld. Die voorwaarde geldt ook voor de locaties waar de agrarische bedrijven juist stoppen en gebruik maken van het beleid voor functieverandering waarmee woningen of (kleine) bedrijven worden gerealiseerd. Het spreekt vanzelf dat ook recreatieve functies moeten bijdragen aan een fraai en herkenbaar landschap. Een landschappelijk fraai buitengebied met goed ingepaste ontwikkelingen.
Een buitengebied dat zo wordt ingericht dat het een aangename plek is om er te werken en te recreëren. Dat vergt een goed klimaat om passende werk- en recreatiefuncties daadwerkelijk te kunnen behouden en ontwikkelen. Het buitengebied als een prettige omgeving om te verblijven geeft ook een meerwaarde voor de talrijke woningen die in het buitengebied aanwezig zijn en is van groot belang als positieve vestigingsfactor voor de (toekomstige) bewoners van de negen woonkernen. Die meerwaarde wil de gemeente graag verder versterken door het ontwikkelen van de relaties tussen de dorpen en het buitengebied. Daarom wil de gemeente initiatieven op het gebied van bijvoorbeeld de lokale voedselvoorziening en het beleven van veehouderij (kijk- en doemogelijkheden) en natuur (rust zoeken en onderhoud) faciliteren.
14
"Kootwijkerbroekerweg-Oosterbrinkweg" (vastgesteld)
Kootwijkerbroekerweg-Oosterbrinkweg
De hiervoor genoemde aanpak geldt voor het hele buitengebied. Daarnaast is een onderscheid gemaakt in deelgebieden, met beleidsaccenten op grond van landschappelijke kenmerken en zones op grond van een specifieke functie. Zie hiervoor de afbeelding 'Visie ruimtelijke kwaliteit Barneveld'. De deelgebieden zijn: Agrarisch bedrijvenlandschap. Agrarisch bekenlandschap. Agrarisch slagenlandschap. Veluws natuurgebied met agrarische enclaves.
"Kootwijkerbroekerweg-Oosterbrinkweg" (vastgesteld)
15
Kootwijkerbroekerweg-Oosterbrinkweg
Afbeelding: visie ruimtelijke kwaliteit Barneveld + legenda
Per deelgebied wordt de ontwikkelingsrichting beschreven. Het kwaliteitsbeeld vormt het ruimtelijk toetsingskader. Het stelt eisen die richtinggevend zijn voor ruimtelijke ontwikkeling. Deze (minimum)eisen zijn kaderstellend voor het (bestemmings)plan. Het plangebied ligt in het volgende deelgebied en in de overgangszone landschap, landbouw en recreatie. 4.6.1.1
Agrarisch bedrijvenlandschap
Intensieve landbouw is de belangrijkste gebruiksvorm van dit deelgebied. Het beleid is gericht op herstructurering en passende schaalvergroting, waarbij productieruimte beschikbaar komt voor de toekomstgerichte bedrijven die in staat zijn om te groeien en daarin te investeren. Karakteristiek Het deelgebied wordt gekarakteriseerd door afwisselend kleinschalig landschap met diverse cultuurhistorische landschapstypes (kampenlandschap, heideontginningslandschap et cetera). Deze verschillende landschapstypen zijn op veel plekken niet langer direct herkenbaar. De agrarische bedrijven zijn op de voorgrond aanwezig in dit gebied. Sommige delen van het gebied zijn dichter dan andere delen door kleinschalige landschapselementen als houtsingels en door erfbeplanting. Daarbij vormen lanen en beken belangrijke landschappelijke elementen. De lanen zijn echter niet altijd consequent doorgezet en daardoor worden routes niet geaccentueerd. De beken vallen in de kleinschaligheid van het landschap nauwelijks op. In het groeiseizoen draagt de maïsteelt bij aan het kleinschalige karakter van het gebied. 16
"Kootwijkerbroekerweg-Oosterbrinkweg" (vastgesteld)
Kootwijkerbroekerweg-Oosterbrinkweg
Gebruik Intensieve landbouw is de belangrijkste gebruiksvorm van dit deelgebied. Het beleid is gericht op herstructurering en passende schaalvergroting, waarbij productieruimte beschikbaar komt voor bedrijven die in staat zijn om te investeren. Andere bedrijven zullen stoppen met hun agrarische activiteiten. In het kader van het functieveranderingsbeleid worden, in gevallen van vrijkomende en leegstaande agrarische bebouwing, planologische mogelijkheden geboden voor functiewijziging naar niet-agrarische bedrijvigheid. Vanwege het primaat van de ontwikkelingsmogelijkheden van de landbouw, wordt in het landbouwontwikkelingsgebied (LOG) in beginsel geen medewerking verleend aan verzoeken om functiewijziging naar wonen. Voor al aanwezige niet-agrarische bedrijven is het uitgangspunt dat eventuele uitbreiding alleen onder strenge voorwaarden wordt toegestaan. Hervestiging op een bestaand of nieuw bedrijventerreinen in de gemeente Barneveld is wenselijk. Behoudens de hiervoor genoemde mogelijkheden van functieverandering van stoppende agrarische bedrijven, worden in dit agrarische productiegebied geen nieuwe woningen of niet-agrarische bedrijven toegelaten. Deze functies horen thuis in de kernen. Het streefbeeld voor dit landschap is gericht op vernieuwing. Bestaande waardevolle natuur- en landschappelijke waarden worden beschermd en zijn nevengeschikt aan de hoofdfunctie landbouw.
Doorwerk ing plangebied Onderhavige plan gaat slechts om de verplaatsing van reeds bestemde bebouwing. Deze planologische mogelijkheden zijn in het bestemmingsplan "Kootwijkerbroekerweg I" vastgelegd, in overeenstemming met de regionale beleidsinvulling voor functiewijziging. Onderhavig plan is dan ook passend binnen de richtlijnen van de structuurvisie. 4.6.2 Woonvisie Barneveld 2021-2025, regionale bouwafspraken, Faseren en doseren woningmarkt en Doelgroepenverordening gemeente Barneveld 2021 In maart 2021 heeft de raad de Woonvisie Barneveld 2021-2025 'Wonen voor jong en oud' met doorkijk tot 2030/2040, vastgesteld. In de woonvisie is een streefprogramma woningbouw opgenomen om te voorzien in de woningbehoefte van de hier woonachtige en werkzame bevolking. Er is een nieuwbouwprogramma van gemiddeld 500 woningen per jaar (als uitbreiding) opgenomen, waarvan gemiddeld 40% ten behoeve van sociale huur- en koopwoningen (sociale huur 20%, sociale koop laag tot € 230.000 en sociale koop hoog van € 230.000 tot € 280.000), 20% middeldure woningen (middendure huur tot € 1.000,- en koop van € 280.000 tot € 350.000) en 30% duurdere woningen vanaf € 350.000,- en 10% vrij in te delen.
In regio FoodValley zijn onderlinge woningbouwafspraken gemaakt, waarbij Barneveld voor de periode 2017-2027 maximaal zo'n 3.800 woningen mag groeien, mede vanwege een zekere overloop vanuit regio Amersfoort. Er loopt verder een Verstedelijkingsstrategie Arnhem, Nijmegen, Foodvalley, waarbij er in de periode 2020-2040 in Foodvalley zo'n 40.000 woningen aan de voorraad moeten worden toegevoegd. Voor gemeente Barneveld zou dit een opgave van tenminste 6.000 woningen beteken. Provincie Gelderland streeft in het Aktieplan Wonen naar versnelling van woningbouwontwikkelingen, gezien de woningtekorten op de woningmarkt. Daarbij wordt ook naar gemeente Barneveld gekeken. In regio Amersfoort loopt een soortgelijke studie, namelijk het 'Ontwikkelbeeld regio Amersfoort' en wordt een woninguitbreiding met 36.000 in 2020-2040 als opgave gezien. De woningbouw in Barneveld is hier mede input voor. Door middel van het project 'Faseren en doseren woningmarkt Barneveld' wordt jaarlijks een actueel beeld van het planaanbod voor de komende vier jaar gegeven, waarbij ook een beeld wordt geschetst van de aantallen op te leveren woningen per kern, alsmede de differentiatie van deze nieuwbouw in termen van prijsklassen, eigendomsverhouding en bouwvorm (gestapeld of grondgebonden).
Ook wordt een beeld geschetst van de mate waarin voor bepaalde doelgroepen wordt gebouwd (zoals starters, ouderen of mensen met een beperking) om zo vraag en aanbod meer met elkaar in overeenstemming te brengen. Voor de periode 2021 t/m 2024 is een programma van ruim 2.600 woningen voorzien. De ervaring leert dat hiervan circa 75-80% daadwerkelijk in de genoemde periode wordt gerealiseerd, dit betekent zo'n 500 woningen per jaar. Dit is geheel in lijn met de vastgestelde woonvisie en gemaakte woningbouwafspraken. Sinds 1 januari 2018 is de Verordening doelgroepen sociale woningbouw en middenhuur gemeente "Kootwijkerbroekerweg-Oosterbrinkweg" (vastgesteld)
17
Kootwijkerbroekerweg-Oosterbrinkweg Barneveld van kracht. Deze verordening is in 2021 geactualiseerd, met als werktitel Doelgroepenverordening gemeente Barneveld 2021. Deze verordening ziet toe op sturing van de totale woningvoorraad en het bereikbaar houden van een deel van de woningvoorraad voor lage en midden inkomensgroepen. Het gaat daarbij om drie categorieën: sociale huurwoningen, sociale koopwoningen (opgesplitst in sociale koop laag tot € 230.000 en sociale koop hoog € 230.000 - € 280.000) en middendure huurwoningen (prijsgrens van € 1.000,- in 2021). In bestemmingsplannen en overeenkomsten met marktpartijen kan voor een bepaalde minimale tijdsduur de ingebruikname van sociale huurwoningen (10 jaar), goedkope koop (1 jaar met boetebeding tot 10 jaar) en middendure huurwoningen (10 jaar) worden vastgelegd evenals de maximale hoogte van de huur- en koopprijs. Verder is een zekere prijs-/kwaliteitsverhouding geformuleerd om in relatie tot de hoogte van de huur- of koopprijs toch een minimale woninggrootte te garanderen. Daarbij is ook aangegeven dat deze drie woningcategorieën met voorrang aan bepaalde lage en middeninkomensgroepen moeten worden aangeboden om zo tot een rechtvaardige verdeling van de woningvoorraad te komen.
Voor middendure huurwoningen en sociale koop hoog ligt deze inkomensgrens voor huishoudens op € 65.000, voor sociale koop laag op € 55.000 en voor sociale huurwoningen is de grens vanuit de Woningwet van belang. Prijsen inkomensgrenzen worden geïndexeerd conform de bepalingen in de verordening. Doorwerk ing plangebied Onderhavig bestemmingsplan gaat niet om de toevoeging van extra woningen en is dus niet strijdig met de gemeentelijke volkshuisvestelijke (beleids)uitgangspunten. 4.6.3
Waterplan Barneveld (2005) en Hemelwaterplan 2017-2020 'Klimaatactief!'
Het Waterplan geeft een integrale watervisie op het verhogen van de gebruikswaarde en belevingswaarde van water. Door een verantwoord gebruik en duurzame ontwikkeling van het water kan ook in de toekomst gebruik worden gemaakt van een gezond watersysteem. De volgende ambities worden genoemd: Vasthouden en/of vertraagd afvoeren van hemelwater. Het scheiden van vuil en schoon water. Bij nieuwbouw het hemelwater van schone oppervlakken niet op de riolering lozen en bij voorkeur lokaal gebruiken, infiltreren of lozen op oppervlaktewater. In bestaand gebied hemelwater afkoppelen van het gemengd riool indien technisch en financieel haalbaar. De afvoer van schoon hemelwater vindt bovengronds plaats. Rioolwateroverstorten beperken om de doelstellingen voor waterkwaliteit te bereiken. In het plan is een concrete doelstelling opgenomen: in 2025 is 10% van het verharde oppervlak afgekoppeld van de gemengde riolering (referentiejaar 2005). Dit betreft 18 ha. afkoppelen. In het Hemelwaterbeleidsplan is deze doelstelling uitgewerkt in concrete maatregelen. Het Hemelwaterplan 2017-2020 'Klimaatactief!' richt zich op een duurzame omgang met hemelwater. Het geeft aan wat het gemeentelijk beleid is ten aanzien van afstromend hemelwater in bestaande situaties en bij nieuwe ontwikkelingen. Het plan zet in op een integrale benadering en meervoudige inrichting van totale openbare ruimte.
Barneveld gaat aan de slag met het waterbestendig inrichten van de openbare ruimte om bestand te zijn tegen klimaatverandering. Doorwerk ing in plangebied De bevindingen en resultaten van de watertoets zijn beschreven in de waterparagraaf (§ 5.15). 4.6.4
Energievisie gemeente Barneveld 2015-2020
De raad heeft in 2015 de Energievisie gemeente Barneveld 2015-2020 ('investeren in Barneveldse bronnen') vastgesteld. Het energievraagstuk staat de laatste jaren landelijk stevig op de (politieke) agenda. Naast het milieumotief en betaalbaarheid zijn ook maatschappelijke verantwoordelijkheid en energie-onafhankelijkheid steeds meer een argument om actie te ondernemen. De gemeente Barneveld voelt de urgentie om een bijdrage te leveren aan een schone, betrouwbare en betaalbare energievoorziening en heeft een doelstelling vastgesteld die hoger ligt dan de landelijke energiedoelstellingen. Woningen en bedrijfspanden moeten de komende jaren fors energiezuiniger worden. Ook moet de gemeentelijke overheid in opdracht van de rijksoverheid uiterlijk in 2021 een warmteplan opstellen, dat de basis gaat vormen voor het uitfaseren van het gebruik van aardgas.
18
"Kootwijkerbroekerweg-Oosterbrinkweg" (vastgesteld)
Kootwijkerbroekerweg-Oosterbrinkweg
Vooruitlopend op de nieuwe energiewetgeving in 2020 en energieneutraliteit in 2050, ziet de gemeente graag dat de woningen en bedrijven aardgasloos en energieneutraal worden gebouwd. De gemeente is medio 2018 een verkenning gestart naar hoe een aardgasvrije gemeente vorm zou kunnen krijgen. Naar aanleiding van de uitkomsten hiervan kunnen keuzes voor de energievoorziening voor nieuw te bouwen woningen en/of bedrijven in de toekomst beïnvloed worden. Bijvoorbeeld waar het gaat om mogelijkheden om aan te sluiten bij een collectieve warmtevoorziening of een wijkgerichte aanpak voor het verduurzamen van woningen (Wijk van de Toekomst). Wettelijke eisen Bijna Energie Neutrale Gebouwen (BENG) Voor alle nieuwbouw, zowel woningbouw als utiliteitsbouw, geldt dat aanvragen om een omgevingsvergunning vanaf 1 januari 2021 moeten voldoen aan de eisen voor bijna energieneutrale gebouwen (BENG). Het beleid voor zeer energiezuinige bestaande gebouwen is nog in ontwikkeling. Warmtepompen Er zijn voorbeelden van geluidsoverlast veroorzaakt door warmtepompen, omdat er bij de plaatsing geen rekening gehouden is met het geluidsaspect of de warmtepomp verouderd is. Een zorgvuldige ruimtelijke inpassing van de warmtepomp is noodzakelijk en er moet voldaan worden aan een acceptabel geluidsniveau.
Als het geluidniveau op 5 meter van warmtepomp hoger is dan 30 dB(A) of als dit het geval is bij een kortere afstand tot de buurwoning dan is het toepassen van een geluiddempende omkasting nodig. Hiervoor komen steeds meer innovaties op de markt (bijvoorbeeld in een dummy schoorsteen). Per 1 april 2021 worden nieuwe geluidseisen gesteld aan (nieuw te plaatsen) buiten opgestelde installaties voor warmte- of koude opwekking. Het gaat hierbij om warmtepompen en airco's die worden toegepast bij woningen. Deze installaties mogen niet meer dan 40 dB geluid veroorzaken bij de buren. Zonnepanelen Gebruik van zonne-energie kan significant bijdragen aan de benodigde duurzame energieopwekking. In dit plan worden zonnepanelen opgenomen. Deze kunnen ook direct bij de bouw worden meegenomen en geïntegreerd worden in het ontwerp van het gebouw. Materialen In het ontwerp van een woning of gebouw kan door een slim ontwerp daglicht optimaal worden benut en zodat de benodigde energie voor verlichting zo laag mogelijk is en de binnen temperatuur zo min mogelijk fluctueert. Ook kunnen groendaken aangelegd worden. De hoeveelheid kan zoveel mogelijk worden beperkt en gebruik van gezonde en duurzame materialen gezien over de hele levenscyclus - heeft de voorkeur. Laadpalen Elektrisch autorijden is beter voor het milieu dan rijden op fossiele brandstoffen.
Er wordt namelijk geen CO2 uitgestoten door de auto. De gemeente staat dan ook positief tegenover het plaatsen van laadpalen voor elektrische voertuigen. Op eigen terrein een laadpaal plaatsen is natuurlijk ook mogelijk. Duurzaamheid in het openbaar gebied of op eigen terrein Er moet aandacht zijn voor energiezuinige openbare verlichting. Daarbij denken we aan een verlichtingsplan, waarbij zo weinig mogelijk lantaarnpalen worden toegepast, uitgevoerd met (dimbare) LED-lampen. Daarnaast is het vanuit duurzaamheidsoogpunt van belang om de hoeveelheid materiaalgebruik voor wegen en de verharde oppervlakte in het plangebied zo laag mogelijk te houden. Dat kan worden bereikt door de weglengte en -breedte zoveel mogelijk te beperken en doorlatende verharding toe te passen. Bij de keuze voor het materiaalgebruik heeft de gemeente ook hier de voorkeur voor het gebruik van duurzame materialen, bij zowel productie en gebruik en die bij sloop hergebruikt kunnen worden. Klimaat Het klimaat verandert met extremer weer als gevolg. We zullen vaker te maken krijgen met hoosbuien / wateroverlast, langere perioden van droogte en hitte. Het veranderende klimaat vraagt om maatregelen op alle schaalniveaus om de gevolgen voor gezondheid, veiligheid, productiviteit en natuur te beperken.
Klimaatbestendig handelen en waterrobuust inrichten wordt vanzelfsprekend in het gemeentebrede beleid en handelen vóór 2020. Zodat in 2050 de fysieke ruimte in 2050 waterrobuust en klimaatbestendig is. Eén van de maatregelen is het anders omgaan met het inzamelen van en verwerken van hemelwater dat op verhard oppervlak valt, bijvoorbeeld door het aanleggen van groene daken. Zie voor een verdere beschrijving "Kootwijkerbroekerweg-Oosterbrinkweg" (vastgesteld)
19
Kootwijkerbroekerweg-Oosterbrinkweg de waterparagraaf (§ 5.15). Door op een slimme manier om te gaan met (robuust) groen in de openbare ruimte in relatie tot de positionering van de woningen en de productie van zonne-energie op daken van woningen kan het microklimaat in de woningen en in een gebied op een positieve manier beïnvloed worden. Doorwerk ing in plangebied De duurzame aspecten en onderwerpen zijn aangehaald ter inspiratie om mee te nemen bij de realisatie c.q. de gewijzigde aanvraag omgevingsvergunning voor de nieuwe woning. 4.6.5
Overige gemeentelijke beleidsnota's en notities
Ruimte voor Mantelzorg In de notitie Ruimte voor mantelzorg (uit 2011) is het beleidskader voor woonruimte voor mantelzorg in het buitengebied nader uitgewerkt. De gemeente hanteert de volgende uitgangspunten: 1. Bij een directe behoefte aan mantelzorg die naar redelijke verwachting niet zeer langdurig zal zijn, denkt de gemeente mee in een voor de concrete situatie geëigende oplossing. Dit gebeurt doorgaans op basis van een tijdelijke omgevingsvergunning. 2. De mogelijkheid van inwoning – in zuivere zin, dus in de vorm van onzelfstandige woonruimte – past binnen de regelgeving en is en blijft daarmee dus een optie. 3. Een tweede wooneenheid binnen de bouwmassa van een woning in het buitengebied wordt mogelijk gemaakt: a. indien deze aantoonbaar een functie zal hebben voor (toekomstige) mantelzorg; b. binnen de toegelaten inhoudsmaat van de woning, eventueel in samenhang met het vergroten van die inhoud van die woning volgens mogelijkheden die beleid en regelgeving daarvoor bieden of gaan bieden; c. indien deze een ondergeschikt karakter heeft (een vloeroppervlak van maximaal 35% van dat van de woning, maar niet meer dan 65 m2); d. mits daarvoor een oppervlakte van 300 m2 aan overtollig geworden opstallen wordt gesloopt die voldoet aan de criteria voor sloopmeters volgens het functieveranderingsbeleid.
Voor het bestemmingsplan betekent dit dat ruimte moet worden geboden voor onderdeel 3. In het voorliggende bestemmingsplan is, gezien de bescheiden ruimtelijke effecten, onderdeel 3 mogelijk gemaakt door middel van een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid.
20
"Kootwijkerbroekerweg-Oosterbrinkweg" (vastgesteld)
Kootwijkerbroekerweg-Oosterbrinkweg
Hoofdstuk 5
RANDVOORWAARDEN
5.1
Bodem
5.1.1
Bodemkwaliteit
In het kader van de bestemmingsplanprocedure is beoordeeld of de milieuhygiënische bodemkwaliteit ter plaatse van het plangebied voldoet aan de eis van financiële uitvoerbaarheid en uit oogpunt van volksgezondheid en milieu aanvaardbaar mag worden geacht voor het beoogde gebruik. Beoordeling van de milieuhygiënische bodemkwaliteit vindt (o.a.) plaats op basis van de vastgestelde bodemkwaliteitskaart (PFAS) regio De Vallei en de nota bodembeheer regio De Vallei. Met dit instrumentarium kan de bodemkwaliteit binnen het plangebied met een bepaalde statistische zekerheid worden bepaald voor zover blijkens historisch onderzoek geen sprake is van verdachte locaties. In het kader van het bestemmingsplan "Kootwijkerbroekerweg I", welk plan het functieveranderingsverzoek en daarmee een extra woning mogelijk heeft gemaakt, is in 2007 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. In dit onderzoeksrapport, uitgevoerd door Hunneman Milieu-Advies te Raalte (rapport , is geconcludeerd dat de onderzoeksresultaten hebben aangetoond dat er geen sprake is van reële risico's voor de volksgezondheid en het milieu voor de onderzochte locatie. In dit kader waren er geen belemmeringen aanwezig voor het vastleggen van de nieuwe bestemming en voor de eventuele afgifte van een bouwvergunning c.q. aanvraag omgevingsvergunning.
Voor de bouw van de woning Oosterbrinkweg 17 is voor de milieuhygiënische bodemkwaliteit gebruik gemaakt van dit uitgevoerde verkennend bodemonderzoek. De gerealiseerde woning en het bijgebouw deels buiten het bouwblok/bestemmingsvlak zijn gesitueerd vormt voor de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse geen probleem. Het vroegere gebruik ter plaats was namelijk weiland. Ditzelfde geldt eveneens voor het reeds gerealiseerde bijgebouw bij de in aanbouw zijnde woning aan de Kootwijkerbroekerweg 86. De locatie van de nog in aanbouw zijnde woning van Kootwijkerbroekerweg 86 is deels gesitueerd ter plaatse van het voormalige erf van Kootwijkerbroekerweg 86. Ter plaatse was een voormalige stal en berging aanwezig welke beide waren voorzien van asbesthoudende dakbedekking zonder dakgoten en het maaiveld ter plaatse was onverhard. De inspoelzone van asbestdaken zonder dakgoot wordt als asbestverdacht aangemerkt. Ter plaatse van de inspoelzones (druppelzone) de toplaag (0-20 cm-mv) zou nu verkennend onderzocht moeten worden uitgevoerd op de aanwezigheid van asbest(vezels). Er was destijds (lees 2007) nog weinig aandacht voor de aanwezigheid van asbest op en in de bodem en met name ter plaatse van druppelzones. Gezien de reeds uitgevoerde sloop- en grondroerende werkzaamheden ter plaatse is de vraag of gericht onderzoek naar de voormalige druppelzones nog zinvol is.
Door deze betreffende werkzaamheden is een mogelijk plaatselijk aanwezige bodemverontreiniging met asbest(vezels) verspreid over een groter deel van het perceel wat resulteert in lagere asbestgehalten. De aanwezigheid van een asbestverontreiniging boven de saneringsnorm/hergebruiksnorm (100 mg/kg d.s.) ter plaatse van de nog in aanbouw zijnde woning Kootwijkerbroek 86 en directe omgeving is naar verwachting dan ook laag. De aanwezigheid van een plaatselijk sterke verontreiniging met asbest(vezels) kan niet geheel worden uitgesloten. Bouwen op een perceel zonder voorafgaand bodemonderzoek ter plaatse, houdt het risico in dat mogelijk later blijkt dat de grond toch verontreinigd is. Wij vinden dit risico aanvaardbaar. Er kan geen sprake zijn van aansprakelijkheid van de gemeente, als achteraf blijkt dat gebouwd is op verontreinigde grond. Indien door welke omstandigheden dan ook toch bodemverontreiniging wordt geconstateerd, dan kan de gemeente op geen enkele wijze voor de gevolgen daarvan aansprakelijk worden gesteld. 5.1.2
Ontplofbare oorlogsresten
Op de gemeentebrede Conventionele Explosieven (CE) kaart is het plangebied niet als risicogebied aangegeven. Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor onderhavig bestemmingsplan.
"Kootwijkerbroekerweg-Oosterbrinkweg" (vastgesteld)
21
Kootwijkerbroekerweg-Oosterbrinkweg
5.2
Cultuurhistorie
Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moet bij het opstellen van bestemmingsplannen rekening worden gehouden met cultuurhistorische waarden. Daar waar het voor de archeologie al gemeengoed is, geldt het dus ook voor andere aspecten van de cultuurhistorie. Rekening houden met cultuurhistorie impliceert dat bekend moet zijn wat er voor waarden aanwezig zijn. De gemeente heeft daarom een proces opgestart om bestaande kennisdocumenten te actualiseren en waar nodig nieuwe kennis op te bouwen. De gemeente beschikt over volgende vastgestelde kaarten: Archeologische waarden- en verwachtingenkaart; Cultuurlandschappelijke waardenkaart; Historische stedenbouwkundige waardenkaarten. Door cultuurhistorie een plek te geven in procedures op het gebied van ruimtelijke ordening wordt ook bereikt dat de aandacht niet uitsluitend uitgaat naar individuele objecten (de aangewezen monumenten), maar juist de samenhang tussen gebouwen en hun omgeving. 5.2.1 5.2.1.1
Archeologie Archeologie middelhoge verwachting
Bij een planontwikkeling moet rekening worden gehouden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten. De gemeenteraad heeft op 25 april 2018 ingestemd met de 'Archeologische waarden- en verwachtingenkaart' als archeologisch toetsingskader bij ruimtelijke ontwikkelingen. Deze kaart (zie afbeelding hieronder) geeft binnen het plangebied (blauwe contour) het volgende aan: Geelgroen: middelhoge archeologische verwachting (Middel2), lage dekzandwelving 10-25cm. De gemeenteraad heeft op 25 april 2018 besloten dat voor deze zone archeologisch onderzoek noodzakelijk is bij een oppervlakte van 2.000 m² of groter voor grondverstorende werkzaamheden dieper dan 30 cm.
Afbeelding: uitsnede nieuwe archeologische beleidskaart (plangebied aangeduid met blauwe contour). Aanvullende informatie Het plangebied is ook bekeken op het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN3). Daarop is inderdaad sprake van een lichte verhoging in het landschap, van maximaal 30 cm (zie afbeelding hieronder).
22
"Kootwijkerbroekerweg-Oosterbrinkweg" (vastgesteld)
Kootwijkerbroekerweg-Oosterbrinkweg
Afbeelding: het plangebied gezien op het AHN3. Bij de aanvraag voor de bestemmingsplanherziening en de nieuwbouw van een woning in 2009, is binnen het plangebied een archeologisch bureau- en booronderzoek uitgevoerd (Rooij, J.A.G. van; (2010): Kootwijkerbroekerweg 86 te Kootwijkerbroek (gemeente Barneveld), een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek. ADC-rapport 2260). Er werden 5 verkennende boringen gezet, gevolgd door 5 karterende boringen. Er bleek deels sprake van een esdek en een intacte bodemopbouw. Archeologische indicatoren werden niet aangetroffen. Voor het plangebied Kootwijkerbroek 86, geldt volgens het bestemmingsplan "Kootwijkerbroekerweg I", geen dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' meer. De dubbelbestemming is destijds verwijderd op basis van het plan de 2 woningen op het perceel te realiseren (waarvan er 1 bestaand is en 1 in aanbouw is) en het reeds uitgevoerde archeologisch onderzoek. Advies archeologie Bij onderhavig plan gaat het om het aanpassen van de bestemmingsvlakken met bestemming 'Wonen'. Ook zal het oppervlak aan bijgebouwen beperkt worden uitgebreid gebruik makende van de vergunningsvrije bouwmogelijkheden. Omdat er geen grootschalige nieuwbouw zal plaatsvinden dan wel ruimschoots onder de vrijstellingsgrens wordt gebleven, is geen (aanvullend) archeologisch onderzoek nodig.
Bij bodemingrepen geldt altijd onderstaande meldingsplicht. Dit houdt in dat indien bij de uitvoering van de werkzaamheden onverwacht toch archeologische resten worden aangetroffen, conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet, melding van de desbetreffende vondsten bij de minister (namens deze de RCE) verplicht is. 5.2.2
Historische stedenbouwkundige waarden
De gemeenteraad heeft op 25 april 2018 ingestemd met de 'stedebouwkundige waardevolle gebieden' als weergegeven in de 'Historische stedebouwkundige waardenkaart' en de aangegeven 'vast te leggen kenmerken' in de bijbehorende Tabel, en deze te hanteren als toetsingskader bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het plangebied heeft volgens deze kaart geen bijzondere waarde(n). Bij de bouwkundige monumenten is sprake van rijks- en gemeentelijke monumenten. Op de planlocatie en in de directe omgeving zijn geen monumenten aanwezig. Het aspect monumenten vormt geen belemmering voor het plan. 5.2.3
Cultuurlandschappelijke waarden
De gemeenteraad heeft op 25 april 2018 ingestemd met de 'Cultuurlandschappelijke waardenkaart' als toetsingskader bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het plan ligt in een gebied dat wordt aangeduid als een zone met jonge vochtige kampontginningen met waarde 2. De cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de huidige ontwikkelingen binnen het plangebied. Conclusie Dit bestemmingsplan is niet strijdig met deze waardering.
"Kootwijkerbroekerweg-Oosterbrinkweg" (vastgesteld)
23
Kootwijkerbroekerweg-Oosterbrinkweg
5.3
Ecologie
De belangrijkste wet voor natuurbescherming in Nederland is de Wet natuurbescherming. Deze wet is op 1 januari 2017 in werking getreden. De Europese Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn zijn vertaald in deze wet. Daarnaast is qua ecologie ook het Gelders Natuurnetwerk en de Gelderse Ontwikkelingszone van belang. 5.3.1 5.3.1.1
Wet natuurbescherming Gebiedsbescherming
Hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van speciale beschermingszones ter uitvoering van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Zo'n speciale beschermingszone wordt aangeduid als “Natura 2000-gebied”. De Wet natuurbescherming bepaalt vervolgens wat er wél en niet mag in zo'n Natura 2000-gebied. Ook zijn er bijzondere nationale natuurgebieden. Op 27 juni 2014 is de aanwijzing van het gebied Veluwe als speciale beschermingszone onder de Habitatrichtlijn in werking getreden. Tevens is met dit besluit het besluit tot de aanwijzing van Veluwe als speciale beschermingszone onder de Vogelrichtlijn, inclusief de daarbij behorende Nota van toelichting, gewijzigd. Deze twee genoemde speciale beschermingszones vormen samen het Natura 2000-gebied Veluwe, waarbij instandhoudingsdoelstellingen zijn toegevoegd. Stikstof Het plangebied ligt niet in een Natura 2000-gebied. Daarnaast is op 1 juli 2021 is de partiële vrijstelling in werking getreden voor de aanlegfase in de bouwsector. De partiële vrijstelling geldt alleen voor tijdelijke stikstofemissies tijdens de bouw, sloop en de aanleg. De vrijstelling geldt niet voor structurele stikstofemissies in de gebruiksfase van het bouwwerk. Voor beide woningen met bijgebouwen is al een omgevingsvergunning voor het bouwen verleend en de bouw daarvan is afgerond dan wel gestart.
Stikstof beperkt zich daardoor tot de aanlegfase. Het gaat enkel om het positief bestemmen van deze beperkt afwijkende locaties. Het gaat alleen om wijziging van de bestemmingsvlakken en er worden geen extra woningen mogelijk worden gemaakt met onderhavig bestemmingsplan. Geconcludeerd wordt dat er voor het aspect stikstofdepositie geen belemmeringen zijn voor de realisatie van het plan. 5.3.1.2