CConstaterende datBarneveld
Koppel je AI →
Document · PDF

Kootwijkerbroek-Stroe_Regels_Bijlage 1 Veldonderzoek ecologie (Houtbeekweg I).pdf

Gemeenteraad 21 april 2021, gemeente BarneveldBij agendapunt: Bestemmingsplan Kootwijkerbroek-Stroe3.269 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Veldinventarisatierapport

Twilmij te Stroe

Opdrachtgever: Aequator Groen & Ruimte

7 november 2014 Projectnummer 65.14.01

Naam product: Veldinventarisatierapport Locatie: Twilmij te Stroe Opdrachtgever: Aequator Groen & Ruimte

Laneco is lid van het Netwerk Groene Bureaus

Opdrachtnemer: Laneco Ons kenmerk: 65.14.01 Projectleider: ir. D van Pijkeren Contact: DvPijkeren@Laneco.nl

LANECO

VELDONDER ZOEK TWILMI J TE STRO E

I

INHOUD 1

2

3 4

5 6

INLEIDING

1

AANLEIDING

1

GEBIEDSBESCHRIJVING EN BEOOGDE INGREPEN

1

FLORA- EN FAUNAWET

3

WETTELIJK KADER

3

PROCEDURELE GEVOLGEN

3

SOORTBESCHRIJVING

5

VLEERMUIZEN

5

ONDERZOEKSVRAAG EN M ETHODE

6

ONDERZOEKSVRAAG

6

ONDERZOEKSMETHODIEK

6

ONDERZOEKSRONDES

7

ONDERZOEKSRESULTATEN

8

VLEERMUIZEN

8

CONCLUSIE EN CONSEQUENTIES

11

CONCLUSIE

11

CONSEQUENTIES

11

BIJLAGE 1: LITERATUURLIJST

13

BIJLAGE 2: WAARNEMINGEN VAN VLEERMUIZEN

14

LANECO

VELDONDER ZOEK TWILMIJ TE STRO E

II

1

INLEIDING AANLEIDING Aan de Houtbeekweg te Stroe, tegen het spoor, is het bedrijf Twilmij gevestigd. Twilmij wil enkele oudere loodsen en een ouder kantoorpand vervangen door nieuwe bebouwing.

Globale ligging van het plangebied te Stroe (luchtfoto: Google) Door Aequator Groen & Ruimte is tijdens een vooronderzoek (quick scan flora en fauna) geconstateerd dat het kantoorpand niet op voorhand ongeschikt is voor vleermuizen. In dit kantoorpand zijn toegangen tot de spouw aanwezig die door vleermuizen gebruikt kunnen worden. Laneco is daarom gevraagd nader onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van en het gebruik van het plangebied door vleermuizen.

GEBIEDSBESCHRIJVING EN BEOOGDE INGREPEN Het plangebied te Stroe ligt aan de rand van de bebouwde kom van het dorp, tegen de spoorlijn die dwars door het dorp heenloopt. Aan de westzijde ligt de drukke, doorgaande Wolweg. Ten zuiden liggen andere bedrijven, met direct aan de overzijde van een private weg enkele grote loodsen van het bedrijf Steco. Het plangebied zelf bestaat uit een bedrijfsperceel met verschillende grote loodsen, schuren en (kantoor)gebouwen. Het bedrijf is voornemens op eigen terrein uit te breiden, en wil daarvoor een deel van de bebouwing (loodsen, kantoorgebouw) aan de zuidzijde gaan slopen, om een grote nieuwe multifunctionele hal te kunnen realiseren.

LANECO

VELDONDER ZOEK TWILMI J TE STRO E

1

Indrukken van het plangebied (achterzijde (links) en de voorzijde aan de Houtbeekstraat (rechts)).

Beoogde inrichting (Reuvers, buro voor Groene Ruimte, 2014).

LANECO

VELDONDER ZOEK TWILMIJ TE STRO E

2

2

F L O R A - E N FA U N A W E T WETTELIJK KADER Soortenbescherming is altijd aan de orde. Hiervoor is de Flora- en faunawet bepalend. De Flora- en faunawet is gericht op het duurzaam in stand houden van soorten in hun natuurlijk leefgebied. Deze wet heeft de beschermingsregels, zoals die ook in de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn zijn opgenomen, overgenomen en voor de Nederlandse situatie toegepast. Deze bescherming is als volgt in de Flora- en faunawet opgenomen: 

het is verboden beschermde plantensoorten te plukken, verzamelen, af te snijden, uit te steken, te vernielen, te beschadigen, te ontwortelen of op enigerlei andere wijze van hun groeiplaats te verwijderen (artikel 8);

het is verboden beschermde diersoorten te doden, te verwonden, te vangen, te bemachtigen of met het oog daarop op te sporen (artikel 9), opzettelijk te verontrusten (artikel 10) en hun nesten, holen of andere voortplantings- of vaste rust- of verblijfsplaatsen te beschadigen, te vernielen, uit te halen, weg te nemen of te verstoren (artikel 11).

PROCEDURELE GEVOLGEN De procedurele consequenties zijn afhankelijk van de soorten die door de ingreep worden beïnvloed. Kortweg kunnen er drie beschermingsregimes worden onderscheiden: 

beschermingscategorie 1: Een groot aantal beschermde soorten is in Nederland algemeen voorkomend. Denk daarbij aan soorten zoals konijn, veldmuis, egel, ree, bruine kikker en kleine watersalamander. Op basis van het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten uit de Flora- en faunawet mogen ruimtelijke ingrepen worden uitgevoerd die tot effect hebben dat de verblijfplaatsen van deze soorten worden aangetast.

beschermingscategorie 2: Voor beschermde soorten die niet zo algemeen zijn en dus extra aandacht verdienen (bijvoorbeeld eekhoorn, steenmarter en wild zwijn), geldt de vrijstelling alleen als er een goedgekeurde gedragscode is. Organisaties die geen gedragscode hebben moeten, voor ingrepen die leiden tot verstoring of aantasting van deze soorten, een ontheffing aan te vragen.

beschermingscategorie 3: Voor ongeveer honderd zeldzame soorten (o.a. das, boommarter) geldt géén vrijstelling als het gaat om ruimtelijke ingrepen. Dan is meestal een ontheffing van het ministerie van Economische Zaken nodig, met uitgebreide toetsing.

Als een ruimtelijke ingreep rechtstreeks kan leiden tot verstoring of vernietiging van bepaalde beschermde soorten of hun leefgebied, kan het project in strijd zijn met de Flora- en faunawet. Afhankelijk van de ingreep en de soort

LANECO

VELDONDER ZOEK TWILMI J TE STRO E

3

kan dan een ontheffing noodzakelijk zijn. Ontheffingen worden slechts verleend wanneer er geen andere bevredigende oplossing voor de ingreep bestaat, de ingreep vanwege dwingende redenen van groot openbaar belang dient plaats te vinden en de gunstige staat van instandhouding van de soort niet in gevaar komt. Vaak worden hierbij mitigerende en compenserende maatregelen gevraagd. Uit uitspraken van de Raad van State blijkt dat volgens Europese richtlijnen (Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn) het verlenen van een ontheffing voor vogels en soorten van bijlage IV van de Habitatrichtlijn alleen mogelijk is onder een beperkt aantal voorwaarden. Ontheffingen van de Flora- en faunawet worden alleen verleend als de volgende voorwaarden van toepassing zijn: Alle soorten: 

Er zijn geen alternatieven;

Het duurzaam voortbestaan van de populatie is niet in het geding.

Voor soorten van Tabel 2 en 3 van de Flora- en faunawet: 

Er is sprake is van een bij de wet genoemd belang.

Voor soorten van Bijlage IV van de Habitatrichtlijn: 

Ter bescherming van de wilde flora en fauna en instandhouding van natuurlijke habitats;

De volksgezondheid, de openbare veiligheid in het geding is;

Andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en voor het milieu wezenlijk gunstige effecten.

Voor vogels gelden voorwaarden uit de Vogelrichtlijn: 

De volksgezondheid en de openbare veiligheid in het geding is;

Veiligheid van het luchtverkeer in het geding is;

Ter bescherming van flora en fauna.

Uit een uitspraak van Raad van State (juli 2012) blijkt dat in alle gevallen dat het overtreden van de artikelen 10 en 11 van de Flora- en faunawet niet kan worden voorkomen door mitigatie, bij het ministerie een ontheffing van de Flora- en faunawet moet worden aangevraagd. Er moet voldoende mitigatie worden uitgevoerd om alle effecten te voorkomen. Artikel 2 van de Flora- en faunawet is een zorgplichtbepaling. Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor de in het wild levende dieren en hun leefomgeving.

LANECO

VELDONDER ZOEK TWILMIJ TE STRO E

4

3

S OORT BES CH RIJV ING VLEERMUIZEN Alle vleermuissoorten, hun verblijfplaatsen en belangrijke onderdelen van het leefgebied zijn strikt beschermd in de Flora- en faunawet, volgens tabel 3 van deze wet en bijlage IV van de Habitatrichtlijn. Vleermuizen zijn vliegende zoogdieren die aan de hand van echolocatie hun positie bepalen. Deze nachtdieren verblijven overdag in besloten ruimtes. Vleermuizen zijn globaal op te delen in gebouwbewonende soorten zoals gewone dwergvleermuis en laatvlieger en boombewonende soorten als rosse vleermuis en watervleermuis. Daarnaast zijn er soorten die van beide elementen gebruik maken. Ook is er onderscheid te maken in zomer- en winterverblijfplaatsen van de verschillende soorten. Sommige soorten verblijven het gehele jaar in gebouwen (spouwmuren, achter gevelbetimmeringen enz.) of bomen (in holten, achter de bast). Een groot aantal soorten, ook soorten die ’s zomers in boomholten verblijven, overwintert echter weer in bunkers, grotten en kelders. Alle vleermuizen zijn strikt beschermd in de Flora- en faunawet (Tabel 3 Flora- en faunawet en bijlage IV Habitatrichtlijn). Vanaf begin april komen vleermuizen te voorschijn uit hun winterverblijven, afhankelijk van het weer, de ene soort wat later dan de andere. Van half mei tot half juli vormen de vleermuizen kraamkolonies waarin de jongen worden geboren en grootgebracht.

De mannetjes verblijven dan apart in kleinere groepen. Vanaf half augustus tot september, in het paarseizoen, vallen de kraamkolonies uiteen en trekken sommige soorten vleermuizen uit hun voortplantingsgebied weg, terwijl andere soorten nooit ver vliegen tussen zomer en winter verblijf. In deze periode paren de meeste vleermuissoorten. Vanaf oktober gaan de verschillende soorten in winterslaap, waarbij de ene soort zich eerder terugtrekt in zijn winterverblijf dan de andere (Helmer 1988). Omdat de soorten vaak jarenlang gebruik maken van vaste aanvliegroutes tussen verblijfsplaats en foerageergebied, kan het behoud van lijnelementen cruciaal zijn voor de instandhouding van het leefgebied.

LANECO

VELDONDER ZOEK TWILMI J TE STRO E

5

4

ONDERZOEKSVRAAG EN METHODE ONDERZOEKSVRAAG Doel van dit onderzoek is om na te gaan of de voorgenomen ingreep gevolgen heeft voor beschermde soorten vleermuizen. Als effecten op deze beschermde soorten zodanig zijn dat belangrijke onderdelen van het leefgebied of verblijfplaatsen (indirect) verloren gaan, dan moet over het algemeen een ontheffing in het kader van de Flora- en faunawet voor de ingreep worden aangevraagd, of in dit geval, worden verlengd.

ONDERZOEKSMETHODIEK Het onderzoek naar vleermuizen is uitgevoerd met behulp van een batdetector (Petterson D240X). Batdetectors vertalen de voor mensen onhoorbare sonargeluiden van vleermuizen in hoorbare geluiden. Vleermuizen zijn op naam gebracht door interpretatie van het ritme en de klank van hun sonargeluid, gecombineerd met zichtwaarnemingen van vliegstijl en grootte. Kraamseizoen Er zijn twee onderzoeksrondes uitgevoerd in het zomerseizoen van 2014 om de aanwezigheid van vliegroutes, belangrijke foerageergebieden, zomerverblijven en kraamkolonies te onderzoeken: 1) De eerste onderzoeksronde betrof een avondonderzoek wat door twee personen is uitgevoerd. De aanbouw was overzichtelijk genoeg om door één persoon onderzocht te worden. Er is gekeken naar vliegroutes, foeragerende dieren en uitvliegers. 2) De tweede ronde betrof een ochtendronde. ’s Ochtends is door één persoon onderzoek gedaan. ’s Ochtends zwermen vleermuizen en zijn dan makkelijker te vinden. Paarseizoen Er zijn in de nazomer/het najaar van 2014 onderzoeksrondes uitgevoerd om de aanwezigheid van vliegroutes, belangrijke foerageergebieden en paarplaatsen te onderzoeken: 1) Er zijn twee avondrondes uitgevoerd, waarvan 1 door twee personen. Er is gewerkt conform de protocollen voor vleermuisonderzoek zoals opgesteld door het Netwerk Groene Bureaus (NGB, 2013).

Bijzondere waarnemingen zijn opgenomen en in batsound geanalyseerd.

LANECO

VELDONDER ZOEK TWILMIJ TE STRO E

6

ONDERZOEKSRONDES Datum

Periode/soort

Zon op/onder Windkracht

Temp.

Bijzonderheden

5 juni 2014

Vleerm. avond

21:54 uur

0-1 Bft.

13 °C

Helder

10 juli 2014

Vleerm. ochtend 5:28 uur

Windstil

16°C

Helder/heiig

18 augustus 2014

Vleerm. avond

20:57 uur

1-2 Bft.

14°C

Bewolkt

20 september 2014

Vleerm. avond

19:40 uur

0-1 Bft.

15°C

Bewolkt

LANECO

VELDONDER ZOEK TWILMI J TE STRO E

7

5

O N D E R Z O E K S R E S U LTAT E N VLEERMUIZEN

5.1.1

Kraamseizoen In het kraamseizoen is de aanwezigheid van vleermuizen met jongen in de bebouwing middels onderzoek met de batdetector onderzocht. De waarnemingen zijn weergegeven in bijlage 2. 1e onderzoeksronde De eerste onderzoeksronde betrof een avondronde die, om voldoende overzicht te houden, door 2 personen is uitgevoerd. Er zijn twee vleermuissoorten waargenomen in het plangebied; de gewone dwergvleermuis en de laatvlieger. Tijdens deze onderzoeksronde werden uit het bedrijfspand van Steco, aan de overzijde van de private weg die ten zuiden van het plangebied ligt, al voor zonsondergang koloniegeluiden van vleermuizen gehoord. Uit dit pand; uit een gat achter een overloopbuis in het dak, vlogen 65 gewone dwergvleermuizen, die voor 90% langs de groenstructuur in oostelijke richting wegvlogen. Al binnen een uur kwamen de eerste exemplaren terug; waarmee vastgesteld kon worden dat het een kraamkolonie van deze soort betreft. Op het terrein zelf werden slechts 2 gewone dwergvleermuizen kort foeragerend vastgesteld. Eén enkele laatvlieger kwam eenmalig keer langs vliegen, maar maakte geen gebruik van het plangebied. 2e onderzoeksronde Tijdens de tweede onderzoeksronde; een ochtendronde zijn wederom gewone dwergvleermuizen waargenomen. Bij de kraamkolonie in het pand van Steco was wederom veel activiteit van gewone dwergvleermuizen.

Verder zijn verspreid in en voor het plangebied nog een drietal gewone dwergvleermuizen vastgesteld, en foerageerde buiten het plangebied korte tijd een laatvlieger. De laatste gewone dwergvleermuis vloog rond 5:08 uur, ruim 20 minuten voor zonsondergang, nabij de kraamverblijfplaats.

5.1.2

Paarseizoen 1e onderzoeksronde Tijdens de eerste najaarsronde op 18 augustus zijn 4-6 gewone dwergvleermuizen foeragerend in het plangebied waargenomen. Tevens foerageerde ten noorden van het plangebied een laatvlieger en zijn 2 overvliegende rosse vleermuizen waargenomen. Aan de westzijde van het pand van Steco is een paarplaats aangetroffen van de gewone dwergvleermuis. In het plangebied zijn geen verblijfplaatsen geconstateerd.

LANECO

VELDONDER ZOEK TWILMIJ TE STRO E

8

2e onderzoeksronde Tijdens de tweede onderzoeksronde in het najaar zijn wederom foeragerende gewone dwergvleermuizen waargenomen. Ook werden twee paarplaatsen buiten het plangebied vastgesteld, en 1 paarplaats van de gewone dwergvleermuis in bebouwing van Twilmij. Dit gebouw blijft gehandhaafd in de plannen. Andere soorten werden niet waargenomen.

5.1.3

Winterseizoen In de te slopen bebouwing in het plangebied is in het najaar geen verblijfplaats aangetroffen. Hierdoor kan worden uitgesloten dat vleermuizen in de winter gebruik maken van het plangebied. Wel kan de kraamlocatie ook dienst doen als winterverblijfplaats. Deze wordt echter niet rechtstreeks aangetast; en met maatregelen kunnen effecten worden voorkomen.

5.1.4

Effecten In de te slopen bebouwing in het plangebied zijn geen verblijfplaatsen aangetroffen tijdens onderzoek. Wel is in een gebouw van Twilmij een paarplaats van de gewone dwergvleermuis vastgesteld, die niet wordt aangetast omdat het gebouw niet wordt gesloopt. Ook is het plangebied niet van essentieel belang als foerageergebied. Echter, aan de overzijde van de private weg tussen Twilmij en Steco is in de bebouwing van Steco een kraamverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis aanwezig (65 uitvliegers). Deze vlogen in de avond allemaal langs de groenstructuur in oostelijke richting. In de ochtend kwamen dieren meer gespreid terug. Deze locatie kan ook dienst doen als winterverblijfplaats. Er zijn enkele randvoorwaarden om de functionaliteit van deze kraamverblijfplaats te kunnen garanderen, en effecten op de verblijfplaats, en daarmee een overtreding van artikel 11 van de Flora- en faunawet te voorkomen: 1. Er moet minimaal 8-10 meter afstand tussen de bebouwing van Steco en de nieuwbouw blijven en de nieuwe bebouwing (nu twee bouwlagen) wordt niet meer dan 2 meter hoger dan nu het geval is (de eerste 5 meter van de bebouwing) om zoninstraling en lichtinval te kunnen behouden. Dat is in de plannen het geval; de nieuwe bebouwing is zo’n 10 meter hoog en de gevellijn ligt op 14 meter van de verblijfplaans. 2.

De groenstructuur in oostelijke richting aan de zijde van het terrein van Twilmij moet intact blijven, of in de winter tussen november en maart worden verwijderd en opnieuw worden aangelegd met oudere begroeiing zodat een element van minimaal 3 meter hoogte ontstaat. Dat is nu niet het geval. Er dient een groenstructuur doorgetrokken te worden tot de verblijfplaats; bij voorkeur een houtsingel van enkele meter breed, maar minimaal een met klimplanten (klimop, wilde wingerd e.d.) begroeide erfafscheiding. 3. Er mag niet meer verlichting dan nu het geval is op en grenzend aan het achterpad komen. Als deze voorwaarden worden gevolgd, zijn geen effecten op de verblijfplaats te verwachten, en wordt niet toegekomen aan een overtreding van artikel 11

LANECO

VELDONDER ZOEK TWILMI J TE STRO E

9

van de Flora- en faunawet. Als deze maatregelen niet of maar deels kunnen worden toegepast, moet met een ecoloog worden overlegd wat de te verwachten effecten zijn en is mogelijk een ontheffing van de Flora- en faunawet noodzakelijk.

LANECO

VELDONDER ZOEK TWILMIJ TE STRO E

10

6

CONCLUSIE EN CONSEQUENTIES Twilmij wil enkele oude panden op haar terrein slopen en nieuwe bebouwing op dezelfde plaats ontwikkelen. Voor deze ingreep mag plaatsvinden, moet inzichtelijk zijn of beschermde soorten uit de Flora- en faunawet negatieve effecten ondervinden van deze ingreep. Aangezien de bebouwing kieren en een spouwmuur met open stootvoegen heeft, konden vleermuisverblijfplaatsen niet worden uitgesloten. Daarom is nader onderzoek uitgevoerd naar vleermuizen.

CONCLUSIE Bij onderzoek in de zomer en het najaar van 2014 zijn 3 soorten vleermuizen in en om het plangebied aangetroffen; de gewone dwergvleermuis, de laatvlieger en de rosse vleermuis. Middels gericht onderzoek kan geconstateerd worden dat in de te slopen bebouwing geen verblijfplaatsen aanwezig zijn van vleermuizen. Ook is het plangebied niet van groot belang als foerageergebied. De in het plangebied aanwezige paarverblijfplaats bevindt zich in bebouwing die niet wordt gesloopt. Daarnaast is in het pand van Steco, aan de overzijde van een private weg, een kraamverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis aanwezig. De hier aanwezige dieren gebruiken de groenstructuur langs het terrein van Twilmij in oostelijke richting als vliegroute. Er zijn randvoorwaarden om deze functie te kunnen behouden en effecten in het kader van de Flora- en faunawet te voorkomen..

CONSEQUENTIES

6.2.1

Vleermuizen Er zijn randvoorwaarden om de functionaliteit van de kraamverblijfplaats en vliegroute van de gewone dwergvleermuis buiten het plangebied te behouden, en daarmee effecten op deze soort, en de noodzaak voor een ontheffing van de Flora- en faunawet te voorkomen. Verblijfplaatsen en belangrijke vliegroutes van de gewone dwergvleermuis zijn beschermd (tabel 3 Flora- en faunawet en bijlage IV Habitatrichtlijn). De volgende maatregelen zijn nodig om effecten te voorkomen: 1. Er moet minimaal 8-10 meter afstand tussen de bebouwing van Steco en de nieuwbouw blijven en de nieuwe bebouwing (nu twee bouwlagen) wordt niet meer dan 2 meter hoger dan nu het geval is (de eerste 5 meter van de bebouwing) om zoninstraling en lichtinval te kunnen behouden. Dat is in de plannen het geval; de nieuwe bebouwing is zo’n 10 meter hoog en de gevellijn ligt op 14 meter van de verblijfplaans. 2. De groenstructuur in oostelijke richting aan de zijde van het terrein van Twilmij moet intact blijven, of in de winter tussen november en maart worden verwijderd en opnieuw worden aangelegd met begroeiing zodat

LANECO

VELDONDER ZOEK TWILMI J TE STRO E

11

een element van minimaal 3 meter hoogte ontstaat. Dat is nu op de inrichtingsschets niet het geval. Er dient een groenstructuur doorgetrokken te worden tot de verblijfplaats; bij voorkeur een houtsingel van enkele meter breed, maar minimaal een 3 meter hoge met klimplanten (klimop, wilde wingerd e.d.) begroeide erfafscheiding. Dit element moet actief in stand worden gehouden (inboet en beheer). 3. Er mag niet meer verlichting dan nu het geval is op en grenzend aan het achterpad komen. Als deze voorwaarden worden gevolgd, zijn geen effecten op de verblijfplaats te verwachten, en wordt niet toegekomen aan een overtreding van artikel 11 van de Flora- en faunawet. Als deze maatregelen niet of maar deels kunnen worden toegepast, moet met een ecoloog worden overlegd wat de te verwachten effecten zijn en is mogelijk een ontheffing van de Flora- en faunawet noodzakelijk.

LANECO

VELDONDER ZOEK TWILMIJ TE STRO E

12

B I J L A G E 1: L I T E R AT U U R L I J S T Broekhuizen, S e.a., 1992, Atlas van de Nederlandse zoogdieren, uitgeverij KNNV, Utrecht. Helmer, W., Limpens, H.J.G.A. en Bongers., W., 1e versie 1988, Handleiding voor het inventariseren en determineren van Nederlandse vleermuissoorten met behulp van bat-detectors, Stichting vleermuis-onderzoek (dr. L. Bels stichting). Limpens, H., K. Mosterd en W. Bongers, 1997; Atlas van de Nederlandse vleermuizen; Onderzoek naar verspreiding en ecologie; KNV Uitgeverij. Netwerk Groene Bureaus en GAN, 2013, vleermuisprotocol. SOVON Vogelonderzoek Nederland, 2002. Atlas van de Nederlandse Broedvogels 1998, 2000, Nederlandse Fauna 5. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden. Websites: www.vleermuis.net www.zoogdieratlas.nl

LANECO

VELDONDER ZOEK TWILMI J TE STRO E

13

BIJLAGE 2: WAARNEM INGE N VAN VLEERMUIZEN Waarnemingen van vleermuizen in de zomer van 2014

Legenda Foeragerende gewone dwergvleermuis Vliegroute gewone dwergvleermuis Kraamverblijfplaats gewone dwergvleermuis Foeragerende laatvlieger

Waarnemingen van vleermuizen in het najaar van 2014

Legenda Foeragerende gewone dwergvleermuis Paarverblijfplaats gewone dwergvleermuis Foeragerende rosse vleermuis Foeragerende laatvlieger

LANECO

VELDONDER ZOEK TWILMIJ TE STRO E

14

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Barneveld&id=ce31da5a-e6b5-422d-9179-8c4c7c1d13b5