CConstaterende datBarneveld
Koppel je AI →
Document · PDF

Kerkstraat-Rembrandtstraat_Toelichting.pdf

Commissie Grondgebied 16 september 2021, gemeente BarneveldBij agendapunt: Raadsagenda: Bestemmingsplan Kerkstraat-Rembrandtstraat (Pastoriebos), Voorthuizen18.576 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Aanvullend onderzoek is nodig om te bepalen of voortplantings- en vaste rust- en verblijfplaatsen van sperwer in het plangebied aanwezig zijn. Dit onderzoek dient te worden uitgevoerd middels 3 bezoeken met een periode van tenminste 10 dagen tussen twee bezoeken. Voor wat betreft algemene vogels en niet jaarrond beschermde nesten is aangegeven dat, om tijdelijke schadelijke effecten door uitvoering van de werkzaamheden op bezette nesten van vogels met niet jaarrond beschermde nesten en algemene vogels te voorkomen (in gebruik zijnde vogelnesten mogen in principe nooit worden verstoord) moet er buiten het broedseizoen (grofweg de periode 1 maart – 1 oktober) gewerkt worden. Hiervan kan afgeweken worden indien er geen bezette nesten worden verstoord. Indien er binnen het broedseizoen gewerkt wordt is voorafgaand aan de werkzaamheden een controle door een deskundig ecoloog noodzakelijk. Habitatrichtlijn De voorgenomen ontwikkelingen kunnen leiden tot een negatief effect op potentieel aanwezige voortplantingsplaatsen en vaste rust- en verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen (baardvleermuis, bosvleermuis, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis) en boombewonende vleermuizen (bosvleermuis, gewone grootoorvleermuis, rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis).

Hierdoor kunnen de verbodsbepalingen artikel 3.5 lid 2 en 4 van de Wnb worden overtreden. Overige Habitatrichtlijnsoorten worden niet verwacht. Aanvullend onderzoek is nodig. Daarover hierna meer. Nationaal beschermde soorten "Kerkstraat-Rembrandtstraat" (vastgesteld)

25

Kerkstraat-Rembrandtstraat

In het plangebied bestaat potentie voor vaste rust- en verblijfplaatsen en voortplantingsplaatsen van nationaal beschermde soorten waarvoor géén provinciale vrijstelling geldt. Dit betreft de eekhoorn. Het kappen van het naaldbosje en een deel van de bomen in het park kan nadelige gevolgen op de verblijfplaatsen en essentieel leefgebied van de eekhoorn. Uit aanvullend onderzoek middels wildcamera's is naar voor gekomen dat binnen het gebied waar gebouwd moet gaan worden geen eenhoorn aanwezig is. Uit hetzelfde camera-onderzoek bleek dat in het gemeentelijke deel van het sparrenbos wel een eekhoornnest aanwezig is. Het voorliggende plan leidt niet tot ingrepen in het gemeentelijek sparrenbos zodat geconcludeerd kan worden dat er geen voortplantingsplaatsen en/of vaste rust- en verblijfplaatsen vande eekhoorn verloren gaan. Algemene zorgplicht Het plangebied is potentieel geschikt voor Nationaal beschermde faunasoorten welke vrijgesteld zijn van een ontheffing in de provincie Gelderland. Voor deze soorten is er geen ontheffing vereist en aanvullend onderzoek is niet noodzakelijk. Wel geldt voor deze soorten de algemene zorgplicht. Dit houdt in dat indien mogelijk schadelijk effect op soorten zoals gewone pad, bruine kikker, diverse (spits)muizensoorten en egel zoveel mogelijk dient te worden voorkomen.

Te denken valt aan het verplaatsen van dieren naar veilige locaties buiten het werkgebied indien zij aangetroffen worden tijdens de werkzaamheden. Aanvullend onderzoek Naar aanleiding van de bevindingen en conclusies uit de Quickscan flora en fauna heeft aanvullend onderzoek plaatsgevonden (Aanvullend onderzoek sperwer, vleermuizen en eekhoorn, Ecoresult, 2 oktober 2020, rapportkenmerk ER20200921v01, zie Bijlage 6. Het onderzoek is uitgevoerd onder de condities en methodiek van de relevante kennisdocumenten en het Vleermuisprotocol 2017. In het onderzoek is achtereenvolgens ingegaan op vleermuizen, sperwer en eekhoorn. Vleermuizen In het plangebied zijn geen vaste rust- en verblijfplaatsen aanwezig van de gewone dwergvleermuis. Wel bevindt zich binnen het plangebied een essentiële vliegroute en is essentieel foerageergebied aanwezig. In het plangebied en binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden zijn geen vaste rust- en verblijfplaatsen en essentieel functioneel leefgebied aanwezig van andere vleermuissoorten. Los van de onderzoeksresultaten, maar als duurzame inrichtingsmaatregel “inclusief bouwen voor vleermuizen en vogels", heeft het de ecologische voorkeur om rekening te houden met de wensen van vleermuizen en vogels in het nieuwe ontwerp. Anders gezegd: door inclusief te bouwen voor vleermuizen en vogels wordt het gebouw toegankelijk voor vleermuizen en vogels.

Concreet voor het voorliggende plan is aangegeven dat de nieuwbouw zich uitstekend leent voor het realiseren van permanente voorzieningen voor vleermuizen in, met name, de westgevel die langs de vliegroute wordt gerealiseerd. Naar aanleiding van dit aspect voorziet het bouwplan in de westgevel in drie permanente voorzieningen voor vleermuizen. Sperwer In het plangebied (en binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden) zijn geen vaste rust- en verblijfplaatsen van sperwers aanwezig. Ook is het plangebied geen essentieel onderdeel van het leefgebied van één of meerdere sperwers. Eekhoorn Binnen het plangebied zijn geen vaste rust- en verblijfplaatsen of is essentieel functioneel leefgebied van eekhoorn aanwezig. Eekhoorns zijn aangetroffen in het te kappen gedeelte van het plangebied, maar dit deel is niet van essentieel belang voor de eekhoorn. Er blijft voldoende leefgebied voor de eekhoorn over. Maatregelen Voor de gewone dwergvleermuis is een ontheffing van de Wet natuurbescherming aangevraagd, zie Bijlage 8. Op basis van de bevindingen in de rapportage en de voorgestelde mitigerende maatregelen, is er sprake van een vergunbare situatie mits de maatregelen voldoende geborgd worden in het bestemmingsplan.

Het gaat daarbij om mitigerende maatregelen om schadelijke effecten te voorkomen op de functionaliteit van het plangebied als functioneel leefgebied voor gewone dwergvleermuis en daarmee de staat van instandhouding te waarborgen.

26

"Kerkstraat-Rembrandtstraat" (vastgesteld)

Kerkstraat-Rembrandtstraat

De maatregelen bestaan uit: Langs het pad en direct aansluitend op de kap van de naaldbomen wordt inheems struweel (struikvormende inheemse bomen zoals meidoorn, sleedoorn, sneeuwbes) aangeplant tussen het bosperceel en het parkeerterrein. Dit struweel moet tenminste 2 groeiseizoenen oud zijn voordat dit wordt aangeplant. Hierdoor is er te alle tijden voldoende beschutting en luwte aanwezig waardoor verduistering gewaarborgd blijft. Nieuwe aanplant bestaat uit inheemse soorten, om het voedselaanbod en daarmee de functionaliteit als foerageergebied te garanderen. De windluwte in het bos wordt gegarandeerd door de ontwikkeling van deze zoomvegetatie aan de westzijde. Overige aanbevelingen met betrekking tot vrijgestelde soorten en vogels, zoals benoemd in de quickscan blijven van kracht. Nieuw eekhoornnest Na het aanvullend onderzoek bleek dat in het te bebouwen deel van het Pastoriebos (nabij boom 118, zieBijlage 12) een nieuw eekhoornnest aanwezig te zijn. Naar aanleiding daarvan is de lopende ontheffingsaanvraag (in verband met de dwergvleermuis) Wet natuurbescherming aangevuld met het verstoren van dit nest. 5.3.1.3

Houtopstanden

De bescherming van houtopstanden conform hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming heeft als doel om het aanwezige areaal bossen en beplanting in Nederland te behouden. Daarmee wordt de functie van bossen en beplantingen gegarandeerd als habitat voor dieren en planten, als recreatiegebied en als groene long. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, van een oppervlakte van tien are of meer of een bomenrij die twintig (of meer) bomen omvat. Voor het kappen of rooien van een houtopstand geldt een meld- en herplantplicht wanneer de houtopstand buiten de vastgestelde bebouwde kom ligt. De Wet natuurbescherming beschermt geen houtopstanden binnen de bebouwde kom. 5.3.2

Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszones

Het plangebied ligt niet binnen de (voormalige) Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de opvolger van de EHS. Met het bestuursakkoord Natuur is de realisatie en het beheer van het NNN de verantwoordelijkheid van de provincies geworden. In de periode tot 2027 willen Rijk en provincies een forse extra stap zetten op weg naar realisatie van de doelen van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en de Kaderrichtlijn Water. Hierbij moet maximale synergie worden bereikt tussen natuur- en watermaatregelen. De provincies geven elk in hun eigen provincie uitwerking aan het natuurbeleid op basis van het Natuurpact. Voor de EHS uit de Structuurvisie Gelderland zijn in de Omgevingsvisie twee nieuwe natuurcategorieën in de plaats gekomen: het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene Ontwikkelingszone (GO.) Uit de onderstaande afbeelding blijkt dat het plangebied niet in het GNN of de GO ligt.

"Kerkstraat-Rembrandtstraat" (vastgesteld)

27

Kerkstraat-Rembrandtstraat

Afbeelding:

fragment Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszone

In de eerder genoemde Quickscan flora en fauna (Ecoresult, 3 juli 2020, rapportkenmerk ER20200623v01, zie Bijlage 5) is ingegaan op de Omgevingsverordening Gelderland. Geconcludeerd wordt dat, op basis van de afstand tot het plangebied en de aard van de werkzaamheden, op voorhand valt uit te sluiten dat de activiteiten negatieve effecten hebben op het GNN, ecologische verbindingszones en GO. Aanvullend onderzoek is niet noodzakelijk net als het aanvragen van een vergunning. Conclusie Voor wat betreft het aspect ecologie zijn er geen belemmeringen voor het plan indien er tijdig mitigerende maatregelen worden getroffen voor de aanwezige vleermuissoort.

5.4

Externe veiligheid

Doel Externe veiligheid gaat over het beperken en beheersen van risico's en effecten van calamiteiten, en over het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten (bedrijven en transport) met gevaarlijke stoffen. Dat gebeurt door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren. In deze paragraaf wordt ingegaan op externe veiligheid in relatie tot verschillende risicovolle bronnen en/of objecten in en nabij het plangebied. Eerst wordt het wettelijk kader op nationaal niveau beschreven, daarna het gemeentelijk beleid en vervolgens overige wet- en regelgeving die voor het plangebied relevant is. Tot slot wordt zonodig het groepsrisico verantwoord. Wettelijk kader Op nationaal niveau zijn verschillende wetten en regels ten aanzien van externe veiligheid. Voor bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI; oktober 2004). Voor transport is het Besluit externe veiligheid transportroutes van toepassing (Bevt: april 2015). Voor buisleidingen moet worden getoetst aan het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb; januari 2015). Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt tussen Plaatsgebonden risico en Groepsrisico.

Plaatsgebonden Risico (PR) Dit is een maat voor de kans dat iemand dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met een gevaarlijke stof. De gestelde norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde (PR 10-6/jaar) die niet mag worden overschreden ten aanzien van 'kwetsbare objecten', alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10-6/jaar) ten aanzien van 'beperkt kwetsbare objecten'; Groepsrisico (GR) Dit is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Plasbrandaandachtsgebied (PAG) 28

"Kerkstraat-Rembrandtstraat" (vastgesteld)

Kerkstraat-Rembrandtstraat Binnen het werkveld externe veiligheid wordt sinds jaren gewerkt met twee risiconormen, het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Bij de ontwikkeling van het Basisnet is hieraan een derde voorwaarde toegevoegd: het plasbrandaandachtsgebied (PAG). Hiermee wordt het effectgebied weergegeven van het scenario met de grootste kans van voorkomen: de plasbrand. In deze gebieden moet er in samenhang met mogelijkheden van plasbrandbestrijding en bouwtechnische maatregelen beargumenteerd worden waarom er gebouwd wordt. Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen Op 1 april 2015 is het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen van kracht geworden. Dit Basisnet geeft aan over welke routes (spoor, water en weg) gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Het Basisnet spoor heeft betrekking op het vervoer van gevaarlijke stoffen over het hoofdspoorwegennet. Op basis van de wet- en regelgeving omtrent het Basisnet worden, rekening houdend met te verwachten groei van vervoer van gevaarlijke stoffen door Nederland en verdichting van de ruimte naast het spoor (binnen een afstand van 200 m van het spoor) in met name stedelijke kernen, afspraken gemaakt over de risicoruimte. Beleidsvisie externe veiligheid In 2009 heeft de gemeente Barneveld de 'Beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld.

In deze visie is onder meer vastgelegd hoe in Barneveld nabij risicobronnen zal worden omgegaan met het veiligstellen van een acceptabel niveau van risico's externe veiligheid en beheersbaarheid. Ten aanzien van het aspect externe veiligheid geldt dat er geen risicobronnen in de directe nabijheid aanwezig zijn. Conclusie Het aspect Externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavig plan.

5.5

Geluid

De basis voor de ruimtelijke afweging van geluid is de Wet geluidhinder (Wgh). Bij verlening van de omgevingsvergunning of het vaststellen van een bestemmingsplan komen in de volgende gevallen de regels van deze wet aan de orde: het bestemmen van gronden voor nieuwe geluidgevoelige objecten (bijvoorbeeld woningen en onderwijsgebouwen) binnen zones langs (spoor-)wegen en zones rondom industrieterreinen; het bestemmen van gronden voor de aanleg van nieuwe, dan wel reconstructie van gezoneerde (spoor-)wegen; het bestemmen van gronden voor (nieuwe) industrieterreinen waar zich grote lawaaimakers kunnen vestigen en herziening van zonegrenzen van industrieterreinen. De Wet geluidhinder gaat uit van zones langs (spoor-)wegen en zones bij industrieterreinen. Het gebied binnen deze zone geldt als akoestisch aandachtsgebied waar, voor bouwplannen en bestemmingsplannen, een akoestische toetsing uitgevoerd dient te worden. De geluidbelasting op de gevels van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen mag in principe niet meer bedragen dan de voorkeursgrenswaarde. Indien de geluidbelasting op de gevel hoger is dan de voorkeursgrenswaarde kan onder bepaalde voorwaarden een verzoek worden gedaan tot vaststelling van een hogere waarde. Hierbij mag de geluidbelasting de uiterste grenswaarde niet overschrijden.

De voorkeursgrenswaarde en uiterste grenswaarde voor nieuwe of bestaande geluidgevoelige bestemmingen verschillen per geluidsbron. In geval van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen binnen zones langs wegen of spoorwegen, of binnen de zone van een industrieterrein, is akoestisch onderzoek vereist. De nieuwe woonfunctie is op grond van de Wet geluidhinder aangewezen als geluidgevoelige bestemming. Daarom dient de geluidbelasting vanwege het wegverkeer te worden getoetst aan de grenswaarden uit de Wet geluidhinder in samenhang met het geldende geluidsbeleid "Beleidsregels hogere grenswaarden Wet geluidhinder Barneveld 2009". Omdat het plangebied ligt in de geluidzones van de Rembrandtstraat en de Rubensstraat ligt, is akoestisch onderzoek uitgevoerd. In het onderzoek (SPA ingenieurs, 19 juni 2019, 21900302.R01, zie Bijlage 13) zijn ook de Kerkstraat en Jan Steenstraat meegenomen ondanks het punt dat er geen sprake is van een geluidzone langs deze wegen (in verband met een maximale snelheid van 30 km/uur). Conclusie van het onderzoek is dat ter plaatse van twee appartementen aan de zijde van de Rembrandtstraat de geluidbelasting hoger is dan de voorkeurswaarde (maar lager dan de maximale ontheffing).

"Kerkstraat-Rembrandtstraat" (vastgesteld)

29

Kerkstraat-Rembrandtstraat

Gezien de situatie en de berekende waarden zijn er binnen het bouwplan geen reële maatregelen mogelijk om de geluidbelasting ten gevolge van de Rembrandtstraat bij de twee appartementen te reduceren tot de maximale voorkeurswaarde van 48 dB. Voor de twee appartementen is het dan ook noodzakelijk dat er hogere waarden in het kader van de Wet geluidhinder vastgesteld worden. Aangezien de appartementen voor het overige voldoen aan het gemeentelijk geluidbeleid (geluidluwe gevel en buitenruimte aan de geluidluwe zijde) voldoet het plan. Om er zeker van te zijn dat het binnenniveau voldoet aan de eisen uit het bouwbesluit, is onderzocht wat de geluidwering van de gevels van de betreffende appartementen is (AtelierBouwkunde advies bv, project: Woonzorgcentrum De Pastorie Voorthuizen, gedateerd 14-05-2020, zie Bijlage 14). Conclusie is dat de gevels een voldoende geluidwerende functie hebben zodat het binnenniveau aan de gestelde normen voldoet. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor onderhavig plan.

5.6

Geur

Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan toetst het bevoegde gezag enerzijds of in het plangebied een qua geur acceptabel woon- en leefklimaat gegarandeerd is. Anderzijds is het uitgangspunt dat met het plan de omliggende bedrijven niet vergaand in hun ontwikkelingsmogelijkheden mogen worden beperkt. Uitgangspunt voor de toetsing zijn de normen zoals die in of op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) zijn vastgelegd. De Wgv maakt het mogelijk om bij verordening af te wijken van de wettelijke geurnormen. De gemeente Barneveld heeft van die mogelijkheid gebruik gemaakt. De Verordening geurhinder en veehouderij is in werking getreden op 18 oktober 2008, waarbij voor een aantal aangegeven delen van het grondgebied van Barneveld andere normen dan de wettelijke zijn vastgesteld. Het plan is getoetst aan de normen die zijn vastgesteld in deze verordening, voor zover deze normen van toepassing zijn in of rond het plangebied. Veel bedrijven hebben geen omgevingsvergunning milieu meer nodig, maar vallen onder algemene milieuregels zoals vastgelegd in het Activiteitenbesluit milieubeheer. Aangezien de geurnormen uit de Wgv vrijwel één op één zijn overgenomen in het Activiteitenbesluit, kunnen bedrijven die onder dit besluit vallen ook gewoon worden meegenomen in de Wgv-toets.

Onder een 'geurgevoelig object' wordt verstaan: een gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt. In de omgeving van het plangebied liggen geen veehouderijen zodat het aspect geur geen belemmering vorm voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.7

Ladder voor duurzame verstedelijking

In het Besluit ruimtelijke ordening is de verplichting opgenomen om in het geval van nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. Artikel 3.1.6, tweede lid Bro luidt per 1 juli 2017 als volgt: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen (artikel 1.1.1, eerste lid, onder i van het Bro). 30

"Kerkstraat-Rembrandtstraat" (vastgesteld)

Kerkstraat-Rembrandtstraat

De locatie Rembrandstraat betreft een binnenstedelijke functieveranderingslocatie en voldoet daarmee aan de voorkeur van de provincie om binnen bestaand stedelijk gebied woningen te realiseren in plaats van op uitleglocaties. In de eind 2016 vastgestelde woonvisie is de jaarlijkse bouw van 25 tot 30% nultredenwoningen (waartoe ook deze appartementen behoren) als streefprogramma opgenomen. Dit ook in verband met de veroudering van de bevolking en de toename van het aantal 1-2 persoons huishoudens vanaf 65 jaar. Dit beeld wordt ook bevestigd in het rapport 'Samen voor wonen, zorg en welzijn, Update foto 2018, Met doorkijk naar 2023 (en verder)' (2019), welke als Bijlage 8 bij deze toelichting is gevoegd. Conclusie van dit rapport is dat het voor de periode 2018 tot 2025, mede gezien het verloop van de demografische groei, extramurale aanbod in Barneveld met ruim 750 geschikte woningen zou moeten toenemen waarvan ruim 375 nultredenwoningen (accent op koopwoningen), 205 aangepaste woningen (accent op koopwoningen) en 170 geclusterde ouderenwoningen (accent op huurwoningen). Het genoemde rapport geeft aan dat, gelet op de feitelijke nieuwbouwprestaties alsmede de voorgenomen bouwprojecten tot 2023 aan de doelstelling wordt voldaan om jaarlijks ruim 100 geschikte woningen aan de woningvoorraad toe te voegen. Niet alle voorgenomen bouwprojecten zijn al in detail uitgewerkt.

Het nieuwbouwaanbod in Voorthuizen biedt nog ruimte in dit segment. Het is de bedoeling dat het voorliggende plan in de periode 2022-2023 wordt gerealiseerd. Geconcludeerd wordt dan ook dat er voldoende behoefte is aan het voorliggende plan en dat er sprake is van een duurzame stedelijke ontwikkeling. De ontwikkeling van de circa 25 appartementen ten behoeve van senioren zullen naar verwachting goed in de markt worden ontvangen. Dit is ook uit enkele georganiseerde inloopavonden gebleken, hier zijn veel ouderen op af gekomen. De ontwikkeling past binnen de totale woningbouwprogrammering en de afspraken die daaromtrent met regio FoodValley zijn gemaakt (realisatie van 3.500 woningen in de periode 2017 t/m 2026). De locatie ligt nabij het centrum van Voorthuizen met alle benodigde voorzieningen binnen loopafstand. Openbaar vervoer is eveneens beschikbaar en verder ligt de kern Voorthuizen goed ontsloten door de nabijheid van de A1 en A30.

5.8

Leidingen

Binnen of in de directe nabijheid van het plangebied komen geen leidingen of beschermingszones van leidingen voor die in het kader van dit bestemmingsplan bescherming behoeven. Eveneens zijn er geen laagvliegroutes die beperkingen stellen aan de bouwhoogten.

5.9

Luchtkwaliteit

In de Wet milieubeheer zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen. Hierin is opgenomen dat bij een ruimtelijk besluit de gevolgen voor de luchtkwaliteit getoetst moet worden. Om te bepalen of de kwaliteit van de lucht ter plaatse voldoet aan de eisen uit de Wet milieubeheer en de daarop gebaseerde regelgeving, dient bij nieuwe ontwikkelingen onderzoek gedaan te worden naar de luchtkwaliteit. Projecten waarvan aannemelijk is dat deze niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging hoeven niet getoetst te worden aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit.

Afbeelding: Berekening bijdrage plan op de luchtkwaliteit

"Kerkstraat-Rembrandtstraat" (vastgesteld)

31

Kerkstraat-Rembrandtstraat

Uit de rekentool 'Niet in Betekenende Mate' blijkt dat de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van het plan op de luchtkwaliteit ruimschoots onder de grens blijft. Op basis van het voorgaande vormt luchtkwaliteit geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.10

Milieueffectrapportage

Niet voor alle nieuwe activiteiten hoeft een m.e.r.-procedure gevolgd te worden. Uitgangspunt van de m.e.r.-beoordeling is het 'nee, tenzij' -principe. Dat wil zeggen dat alleen een milieueffectrapport (MER) hoeft te worden opgesteld, wanneer er omstandigheden zijn die (waarschijnlijk) leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen. De Wet milieubeheer maakt onderscheid in een m.e.r.-procedure voor plannen (planMER) en voor besluiten (besluitMER of projectMER). Voor een bestemmingsplan kan zowel de plan-m.e.r.-plicht als de besluit-m.e.r.-plicht gelden. Er zijn drie sporen waarlangs de m.e.r.-plicht kan ontstaan: 1. Plan- en/of besluit-m.e.r.-plicht: als de voorgenomen activiteit vermeld is in het Besluit milieueffectrapportage; 2. Plan-m.e.r.-plicht: als voor het plan een zogeheten passende beoordeling op grond van de Wet natuurbescherming gemaakt moet worden. Dat is het geval als het plan significante negatieve gevolgen kan hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000 gebied; 3. Toetsing aan de provinciale milieuverordening. Besluit milieueffectrapportage De lijst van activiteiten in de onderdelen C en D van het Besluit bestaat uit vier kolommen. De eerste kolom bevat een omschrijving van de m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteiten. De tweede kolom vermeldt eventuele drempelwaarden.

Wettelijk kader Voor de vraag of een bestemmingplan besluit-m.e.r.-plichtig is, geldt dat het Besluit milieueffectrapportage onderscheid maakt naar m.e.r.-plichtige activiteiten en m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten. Onderdeel C van de bijlage bij dit Besluit vermeldt voor welke activiteiten altijd verplicht een MER moet worden opgesteld, voordat een (m.e.r.-plichtig) besluit mag worden genomen. In onderdeel D is vermeld welke activiteiten beoordelingsplichtig zijn. Voor dergelijke activiteiten moet het bevoegd gezag beoordelen of op basis van 'belangrijke nadelige gevolgen die de voorgenomen activiteit voor het milieu kan hebben', een m.e.r.-procedure noodzakelijk is. Daarbij geldt dat een bestemmingsplan alleen besluit-m.e.r.-plichtig is, als het bestemmingsplan in kolom 4 wordt genoemd. Voor de vraag of een bestemmingsplan plan-m.e.r.-plichtig is, geldt dat dit het geval is als het plan genoemd is in kolom 3 en activiteiten mogelijk maakt die in onderdeel C en D, kolom 1 vermeld zijn en voldoen aan de in kolom 2 genoemde drempelwaarden. Als een bestemmingsplan een activiteit mogelijk maakt die Besluit-m.e.r.-plichtig is op grond van de uitkomst van een toets van een activiteit die onder de drempelwaarden blijft, dan is dat bestemmingsplan alsnog plan-m.e.r.-plichtig. Het maakt dan immers een (besluit) m.e.r.-plichtige activiteit mogelijk.

Voor zowel de plan-m.e.r.- als besluit-m.e.r.-plicht geldt dat als de activiteit onder de drempelwaarden uit kolom 2 van bijlage D blijft, met een vormvrije m.e.r. beoordeeld moet worden of alsnog een MER moet worden opgesteld. De centrale vraag die daarbij beantwoord moet worden is of er omstandigheden zijn die (waarschijnlijk) leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen. Daarbij moet in ieder geval worden getoetst aan de criteria die opgenomen zijn in bijlage III van de Europese m.e.r.-richtlijn. Als dergelijke milieugevolgen kunnen optreden, geldt alsnog de betreffende plan- en/of besluit-m.e.r.-plicht. Toetsing In dit geval is de activiteit niet m.e.r.-plichtig want de activiteit komt weliswaar voor op de lijst in onderdeel D van het Besluit milieueffectrapportage, maar de omvang van de activiteit ligt onder de drempelwaarden zoals genoemd in onderdeel D.11.2 en het onderhavige plan is geen project dat vanwege aard, omvang of ligging een aanzienlijk milieueffect zal hebben. Dat blijkt ook uit de toetsing van het plan aan de in bijlage III van de Europese m.e.r.-richtlijn opgenomen criteria. Zo heeft die toetsing aan de in bijlage III van de 32

"Kerkstraat-Rembrandtstraat" (vastgesteld)

Kerkstraat-Rembrandtstraat Europese m.e.r.-richtlijn opgenomen criteria uitgewezen dat er geen sprake zal zijn van belangrijke milieugevolgen, zodat een m.e.r. achterwege kan blijven. Passende beoordeling via de Wet natuurbescherming Voor het vaststellen van plannen die significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied kunnen hebben, dient een passende beoordeling gemaakt te worden (artikel 7.2a Wet milieubeheer juncto artikel 2.8, eerste lid Wet natuurbeschermingswet). Uit de beoordeling van het aspect ecologie (zie paragraaf 5.3) blijkt dat er voor dit plan geen passende beoordeling nodig is. De plan-m.e.r-plicht op grond van de noodzaak van een passende beoordeling voor de Wet natuurbescherming is hier niet aanwezig. Er is voor dit plan geen passende beoordeling nodig. Provinciale milieuverordening Provinciale Staten kunnen in de provinciale milieuverordening extra activiteiten met gevallen, plannen en besluiten aanwijzen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben en dus m.e.r.-plichtig zijn (artikel 7.6 Wet milieubeheer). Dit is dus aanvullend op de m.e.r.-plicht op basis van onderdeel C van de bijlage Besluit m.e.r. (en dus ook aanvullend op de verplichting vanuit de Europese richtlijnen) én conform dezelfde systematiek.

Provinciale staten van Gelderland hebben geen extra activiteiten met gevallen, plannen en besluiten aangewezen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (en zo m.e.r.-plichtig zijn).

5.11

Milieuzonering

Ten aanzien van bedrijvigheid geldt als uitgangspunt dat toekomstige woningen geen onevenredige milieuhinder (geur, geluid etc.) mogen ondervinden van nabijgelegen bedrijvigheid. In de publicatie ´Bedrijven en milieuzonering´ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, editie 2009, worden in verband met de aanwezigheid van milieubelastende functies indicatieve afstandsnormen voorgeschreven tot milieugevoelige functies, vooral wonen. Binnen 100 meter van de beoogde bouwlocaties zijn geen bedrijven gevestigd die milieubelastende effecten hebben op de beoogde ontwikkeling. Buiten de straal van 100 meter zijn wel enkele bedrijven en bedrijfjes gevestigd maar dit betreft bedrijven met een potentiële hinderafstand van maximaal 30 meter. Direct ten noorden van de beoogde bouwlocatie is de kerk gelegen. Deze heeft een potentiële hinderafstand van 30 meter in verband met geluid. Daarnaast liggen ten (zuid-)oosten van de locatie diverse percelen met de bestemming 'Centrum' waarop diverse dienstverlenende bedrijfsactiviteiten mogelijk zijn. Het geplande appartementengebouw grenst direct aan het parkeerterrein van de kerk en wordt het geïntegreerd met het bestaande kerkelijk centrum. De locatie is gelegen aan een vroegere hoofdweg en wordt gekenmerkt door een menging van functies.

Hierdoor is er sprake van een 'gemengd gebied' waardoor mogelijke hinderafstanden op basis van de genoemde publicatie met één stap verlaagd mogen worden. Hierdoor dient de afstand ten minste 10 meter te bedragen in verband met het aspect geluid. Deze afstand wordt aan de noordzijde niet behaald aangezien het appartementengebouw direct grenst aan de parkeerplaats van de kerk. Door het specifieke gebruik ten behoeve van de kerk alsmede de vormgeving en detaillering van de betreffende gevel (waardoor het binnenniveau voldoet aan de geldende norm) is er sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat. Het appartementengebouw wordt geïntegreerd met het kerkelijk centrum. Hierdoor is de afstand tussen beide functies feitelijk 0 meter. Desondanks is er sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat. Dit omdat, als onderdeel van het plan, een deel van het kerkelijk centrum (de grote zaal) wordt verplaatst en nieuw gebouwd. Bij deze bouw wordt extra aandacht besteed aan het beperken van geluidsoverdracht richting de appartementen. Daarnaast is er tussen het centrum en de appartementen op de begane grond een gang gelegen alsmede de gemeenschappelijke berging welke de geluidsoverdracht beperkt. Ook op de verdieping is er een gang tussen de appartementen en het centrum.

Veiligheidszone - Activiteitenbesluit Binnen de grenzen van het bestemmingsplan is geen gasdrukmeet- en regelstation aanwezig. In het Activiteitenbesluit zijn veiligheidsafstanden opgenomen die moeten worden aangehouden tussen kwetsbare respectievelijk beperkt kwetsbare objecten en (onder andere) een gasdrukmeet- en regelstation "Kerkstraat-Rembrandtstraat" (vastgesteld)

33

Kerkstraat-Rembrandtstraat (4-6 meter). Kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten volgens het Activiteitenbesluit zijn dezelfde objecten als die genoemd zijn in het Besluit externe veiligheid inrichtingen. Het gaat dan om onder andere woningen, ziekenhuizen en bedrijven. Het plan voldoet aan de voorgeschreven afstand. Liander heeft op 31 juli 2019 aangegeven geen belangen in het gebied te hebben, daarom hoeven er in dit bestemmingsplan geen veiligheidsafstanden opgenomen te worden. Conclusie Vanuit milieuzonering zijn er geen belemmeringen voor het plan.

5.12

Natuur en landschap

De planlocatie ligt ten zuiden van de Hervormde Kerk in Voorthuizen en is gedeeltelijk voorzien van een (half-)verharding. Het overgrote deel van de locatie heeft echter een groene uitstraling door de aanwezigheid van loof- en naaldbomen alsmede de aanwezige struiklaag. Het aanwezige groen is matig onderhouden waardoor het geheel weinig aantrekkelijk oogt. Ten oosten van het kerkelijk centrum is een sparrenbos aanwezig. Ook dit sparrenbos is matig onderhouden en daardoor weinig aantrekkelijk. Over het terrein loopt een historisch kerkepad. Verder is het pastoriebos slecht/niet toegankelijk. Op de planlocatie en directe omgeving zijn veel bomen aanwezig. In de navolgende paragraaf wordt daar afzonderlijk op ingegaan. In verband met de aanwezigheid van een beschermde soort (gewone dwergvleermuis) dient, als gevolg van de kap van het sparrenbos, struweel aangeplant te worden direct langs het kerkepad aan de oostzijde van het te kappen sparrenbos. 5.12.1 Bomen Om de invloed van de ontwikkeling op de aanwezige bomen in beeld te krijgen zijn deze geïnventariseerd (Bomeninventarisatie, Adviesbureau voor ruimtelijke vormgeving Haver Droeze, gedateerd 29-09-2011, nummer I-Inv-968.3-1, zie Bijlage 9). Vervolgens zijn middels een boom effect analyse (Pius Floris, 31 oktober 2018, projectnummer PFBV.18.BP.130, zie Bijlage 10) de gevolgen van de ontwikkeling op de bomen in beeld gebracht.

Daaruit blijkt het volgende: 1. Voor twee bomen in het pastoriebos is de (duurzame) handhaving negatief waardoor deze op termijn ook gekapt hadden moeten worden. De ontwikkeling versnelt dit slechts. 2. Zes bomen zijn niet beoordeeld aangezien het kappen van deze bomen niet vergunningplichtig is. 3. Twee bomen krijgen te maken met (bouw) activiteiten. De conclusie is dat de (duurzame) handhaving van deze bomen ondanks de (bouw) activiteiten positief is. 4. Vier bomen krijgen te maken met de aanleg van een toegangsweg en parkeergelegenheid. Dit beïnvloedt de (duurzame) handhaving in negatieve zin. In een aanvulling op de Boom Effect Analyse (Pius Floris Boomverzorging, projectnummer PFBV.18.BP.130 B, gedateerd 28 mei 2019, zie Bijlage 11) wordt geconcludeerd dat met een aangepaste uitvoering (met druk-verdelende platen in combinatie met half-verharding) de duurzame instandhouding geborgd is. De betreffende parkeerplaatsen worden conform dit uitgangspunt gerealiseerd. 5. Voor de bomen in het sparrenbos geldt dat de (duurzame) handhaving negatief is voor zover het de fijn sparren (100 van de 125 bomen) betreft. Diverse fijn sparren zijn nagenoeg dood en over het algemeen is de conditie van de rest matig tot slecht zodat deze fijn sparren weinig tot geen toekomstwaarde hebben.

In het sparrenbos staan echter ook nog 26 andere bomen (11 esdoorns, 7 prunus, 3 berken, 2 lijsterbes, 1 acacia, 1 eik en 1 linde). In de eerder genoemde aanvulling Boom Effect Analyse wordt geconcludeerd dat de veranderende windbelasting (door de kap van de naaldbomen) het niet mogelijk maakt dat de bomen verantwoord gehandhaafd kunnen blijven. Daarnaast wordt aangegeven dat het ook niet echt om (zeer) waardevolle bomen gaat. Uitzondering hierop is de eik. Deze ligt op grond van de gemeente en wordt gehandhaafd, net als het gemeentelijke deel van het sparrenbos. Ook voor de aanwezige linde geldt een uitzondering. Deze heeft een goede toekomstverwachting. Deze zal verplaatst worden naar een locatie welke onderdeel uit maak van de Groene Slinger Voorthuizen. 34

"Kerkstraat-Rembrandtstraat" (vastgesteld)

Kerkstraat-Rembrandtstraat concreet gaat het om een locatie bevindt zich tegenover de G.H. Roeterdinkstraat 44 en Bakkersweg 40 in Voorthuizen. Later is gebleken dat een aantal bomen niet meegenomen waren in de Boom Effect Analyse of de eerste aanvulling daarop. Voor deze bomen is alsnog gekeken in een tweede aanvulling (Pius Floris Boomverzorging, projectnummer PFBV.18.BP.130 C, gedateerd 20 mei 2020, zie Bijlage 12). Conclusie is dat de betreffende bomen (nabij de bomen met de nummers 40 t/m 45 uit de Bomeninventarisatie) niet van een behoudenswaardige kwaliteit zijn en een matige toekomstverwachting hebben. Twee esdoorns (nummers 114 en 115) zijn van goede kwaliteit maar kunnen op de huidige plek, met het oog op het bouwplan, niet gehandhaafd blijven. Verplaatsen is geen mogelijkheid aangezien ze dicht op elkaar staan waardoor er een minder goede (afzonderlijke) kluit gemaakt kan worden. De boomdeskundige adviseerde dan ook deze bomen niet te verplanten aangezien de hergroei (door de beperkte kluitomvang) niet te garanderen is. Dit leidt dus tot kap van deze bomen. In de tweede aanvulling is daarnaast verder ingezoomd op het sparrenbos (zie ook hiervoor onder punt 5). In totaal zijn er in het sparrenbos 84 kapvergunning plichtige bomen aanwezig. Van deze 84 bomen zijn er 16 al compleet afgestorven.

Van de 84 bomen vallen er 36 in de stamdiameterklasse 25-30 cm, 47 in de stamdiameterklasse 30-50 cm en 1 boom (nummer 9) in de stamdiameterklasse 50-100 cm. Daarnaast zijn er 48 bomen in het sparrenbos geïnventariseerd onder de kapvergunningsgrens (<25 cm stamdiameter). De complete boomgegevens van het sparrenbos zijn opgenomen in de bijlage van de tweede aanvulling. In de onderstaande tabel een overzicht van de individuele bomen waarvoor een kapvergunning aan de orde is. Nr.

Soort

Kwaliteit

Diameter (cm)

BEA

Opmerking

40

Venijnboom

Matig

50

2e aanvulling

Meerstammig Eénzijdige kroon

41

Lawson cypres

Matig

50

2e aanvulling

42

Esdoorn

Matig

30

2e aanvulling

Meerstammig Meerstammig, grote scheefstand

43

Levensboom

Matig

60

2e aanvulling

44

Paardenkastanje

Matig

60

2e aanvulling

Zware zijtak

45

Bospest

Matig

50

2e aanvulling

Meerstammig

100

Esdoorn

Slecht

35

2011

107

Ruwe berk

Matig

25

2e aanvulling

114

Esdoorn

Goed

40

2011

115

Esdoorn

Goed

40

2011

118

Lawson cypres

Matig

31

2e aanvulling

119

Fijnspar

Matig

35

2e aanvulling

130

Linde

Redelijk

30 - 50

2e aanvulling

"Kerkstraat-Rembrandtstraat" (vastgesteld)

Te verplaatsen

35

Kerkstraat-Rembrandtstraat

Afbeelding: Nummering bomen (uitsnede) Naast het bovenstaande met betrekking tot individuele bomen dient te allen tijde rekening te worden gehouden met de algemeen geldende adviezen bij werkzaamheden in de buurt van bomen zoals opgenomen in de paragrafen 4.5 en 4.6 uit de Boom Effect Analyse uit oktober 2018, zie Bijlage 10. Om dit te waarborgen moet initiatiefnemer voor de start van de werkzaamheden een boombeschermingsplan aan te leveren. Daarbij moet ook rekening worden gehouden met de bouwplaatsinrichting en het al dan niet toe moeten passen van bemaling (waarbij beperking van hinder voor omwonenden ook van belang is). Het aanleveren van een dergelijk boombeschermingsplan wordt geborgd middels een voorwaarde in de omgevingsvergunning. Geconcludeerd kan worden dat met een planaanpassing met betrekking tot het parkeren alle loofbomen met een positieve toekomstverwachting gehandhaafd kunnen blijven. Het sparrenbos verkeert (met uitzondering van twee loofbomen) in matige tot slechte staat en heeft derhalve geen toekomstwaarde. De noordelijke loofboom (Linde) wordt verplaatst. De andere loofboom is niet op het terrein van de ontwikkeling gelegen. Een herplantplicht is verder niet aan de orde zodat het aspect 'bomen' het onderhavige plan niet in de weg staat.

5.13

Veiligheid

Om een veilige omgeving te creëren of te behouden is er op het gebied van fysieke veiligheid een aantal aspecten waarmee rekening gehouden moet worden. Zo worden er eisen gesteld aan de bereikbaarheid van de openbare wegen voor de hulpverleningsdiensten. Dit leidt tot het stellen van minimale afmetingen en bochtstralen zodat hulpverleningsvoertuigen een object of calamiteit goed kunnen bereiken en adequate hulp kunnen verlenen. Met betrekking tot voldoende bluswater in het openbare wegennet zijn er ook eisen gesteld. Deze eisen hebben betrekking op de afstanden vanaf de bluswatervoorziening tot aan een gebouw en de capaciteit ervan. In de “Handreiking Bluswatervoorziening en bereikbaarheid” een uitgave van Brandweer Nederland worden deze eisen gesteld. Voor wat betreft de bereikbaarheid zijn er binnen de gemeente Barneveld hoofd- en subaanrijdroutes vastgesteld. Tevens worden er eisen gesteld aan de opkomsttijden voor brandweervoertuigen. Deze zijn afhankelijk van 36

"Kerkstraat-Rembrandtstraat" (vastgesteld)

Kerkstraat-Rembrandtstraat de bestemming. Voor gebouwen waarin geslapen wordt en verminderd zelfredzame mensen verblijven worden strengere eisen gesteld dan gebouwen waar dit niet zo is. De opkomsttijden zijn gesteld in de Wet veiligheidsregio’s (1 oktober 2010) met het daarbij behorende Besluit veiligheidsregio’s. In het Besluit zijn de tijdnormen voor de opkomsttijden vastgelegd. Situatie Nieuwe ontwikkelingen zullen worden getoetst aan de Handreiking Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid, het Besluit veiligheidregio’s en aan de eisen van de aangewezen hoofd- en subaanrijdroutes. Dit zal gebeuren bij de bouwplannen en inrichtingsplannen. Duidelijk is al wel dat bij zowel de hoofdentree aan de westzijde en de secundaire toegang aan de noordoostzijde een opstelplaats voor de brandweer is. Conclusie Voor wat betreft de opkomsttijd wordt voldaan aan de gestelde opkomstnorm van maximaal 6 minuten. Ook op het punt van de bluswatervoorziening wordt voldaan aan de normen voor wat betreft de opstelplaats en bluswatervoorziening. Er zijn voor wat betreft de eisen voor de veiligheid geen belemmeringen voor dit bestemmingsplan.

5.14

Verkeer

Ontsluiting De nieuwe woning aan de Kerkstraat wordt rechtstreeks ontsloten via de Kerkstraat. De appartementen en het parkeerterrein worden ontsloten via een nieuw te realiseren uit- en inrit van en naar de Rembrandtstraat. Parkeren Aan de hand van de Nota Parkeernormen is een parkeerbalans opgesteld (zie Bijlage 16) voor het appartementengebouw. Hieruit blijkt dat ten behoeve van het plan ten minste 29 parkeerplaatsen gerealiseerd moeten worden. Het bestemmingsplan biedt binnen de bestemming 'Wonen - 2' voldoende ruimte voor het handhaven van de waardevolle bomen, het herkenbaar houden van het kerkepad, en het realiseren van het benodigde aantal parkeerplaatsen. Gelet hierop voldoet het plan aan de in de Nota Parkeernormen gestelde eisen. Om lichthinder van parkerende auto's te voorkomen danwel te beperken is aan de zijde van de Rembrandtstraat de aanplant en instandhouding van een dubbele haag in het bestemmingsplan opgenomen. Om dezelfde reden is de locatie van de in-/uitrit specifiek vastgelegd tegenuit de uitrit van de woningen aan de Rembrandtstraat 2/24. Fietspad In 2019 is de westelijke rondweg om Voorthuizen gerealiseerd (Voortse Ring). Als gevolg hiervan wordt de Rembrandtstraat heringericht. Mogelijk onderdeel hiervan is het realiseren van een dubbelzijdig fietspad aan de oostzijde van de Rembrandtstraat voor zover deze nog niet aanwezig is.

Hierover komt meer duidelijkheid via de visie voor de hoofdwegen in Voorthuizen. Deze visie wordt naar verwachting in juli 2021 behandeld in de gemeenteraad. Een deel van het traject loopt over het terrein van de voorliggende ontwikkeling. Gelet hierop krijgt de betreffende grond in het voorliggende plan de bestemming 'Verkeer'.

5.15

Water

De waterparagraaf vormt het resultaat van het procesinstrument watertoets. De watertoets betreft het vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten bij de totstandkoming van ruimtelijke plannen. Het is verplicht de watertoets toe te passen. Hiermee wordt beoogd om het belang van water een evenwichtige plaats te geven in het ruimtelijk planproces. De watertoets heeft betrekking op alle grond- en oppervlaktewateren en behandelt alle relevante waterhuishoudkundige aspecten zoals ontwatering, wateroverlast en waterkwaliteit. De waterparagraaf "Kerkstraat-Rembrandtstraat" (vastgesteld)

37

Kerkstraat-Rembrandtstraat beschrijft de waterhuishoudkundige uitwerking van het plan. Huidige en toekomstige situatie Het perceel is gelegen in de kern van Voorthuizen en wordt aan de westzijde begrensd door de Rembrandtstraat, zuidzijde Jan Steenstraat en oostzijde Kerkstraat. Het plangebied omvat op dit moment een kerk en een kerkelijk centrum. Er is geen oppervlaktewater aanwezig in het plangebied. In zowel de Rembrandtstraat, Jan Steenstraat als de Kerkstraat is sprake van gemengde riolering. De huidige bebouwing blijft in stand, in de nieuwe situatie wordt er een appartementengebouw gerealiseerd en een vrijstaande woning ten noorden van Kerkstraat 33. Er is sprake van een toename van verhard oppervlak van ca. 1.400 m2. Het hemelwater wat afstroomt van het appartementencomplex wordt middels een verzamelleiding naar een infiltratieveld gebracht wat deels is gelegen onder het park en deels onder de fietsenstallingen. Dit infiltratieveld heeft een bergingscapaciteit van 48 mm. De vrijstaande woning krijgt op eigen terrein een infiltratiesysteem van 48 mm. Het vuilwater wat afkomstig is van het appartementencomplex wordt aangesloten op de huidige aansluiting op de gemengde riolering in de Rembrandtstraat. De vrijstaande woning aan de Kerkstraat krijgt een aansluiting op de gemengde riolering in de Kerkstraat.

In het kader van duurzaam bouwen worden er geen uitlogende bouwmaterialen (zoals zink, koper, lood en PAK-houdende materialen) toegepast maar wordt gebruik gemaakt van kunststof of gecoat staal. De waterhuishoudkundige doelen van de gemeente en het waterschap komen niet in het gedrang door dit bestemmingsplan.

38

"Kerkstraat-Rembrandtstraat" (vastgesteld)

Kerkstraat-Rembrandtstraat

Hoofdstuk 6 6.1

JURIDISCHE ASPECTEN

Juridische aspecten

De Wet ruimtelijke ordening (Wro) geeft gemeenten de plicht tot het opstellen van een bestemmingsplan. In de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is nader uitgewerkt uit welke onderdelen een bestemmingsplan in ieder geval moet bestaan. Dit zijn een verbeelding met planregels en een toelichting daarop. Daarnaast bieden zowel de Wro als het Bro opties voor een nadere juridische inrichting van een bestemmingsplan. Hierbij moet onder meer worden gedacht aan het afwijken met een omgevingsvergunning, wijzigingsbevoegdheden en het toepassen van nadere eisen. De bruikbaarheid van deze instrumenten is geheel afhankelijk van het doel van het bestemmingsplan en de gewenste bestemmingsmethodiek van de gemeente Barneveld. Het uitgangspunt is dat het bestemmingsplan moet voorzien in een passende regeling voor de komende tien jaar, dit is de geldigheidsduur van een bestemmingsplan. Het juridische deel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en gebouwen en bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor de toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende onderdeel van het bestemmingsplan.

De planregels vallen in vier hoofdstukken uiteen. Hoofdstuk 1 bevat de algemene voor het plangebied geldende bepalingen, de inleidende regels. Hoofdstuk 2 regelt de bestemmingen en het daarop toegestane gebruik. Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels, zoals de anti-dubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene afwijkings- en algemene wijzigingsregels en tot slot de algemene procedureregels. Tenslotte komt in hoofdstuk 4 het overgangsrecht en de slotbepaling aan bod. Wijze van bestemmen Om de bouw van het appartementengebouw (met bijbehorende voorzieningen) mogelijk te maken worden de bestemmingen 'Maatschappelijk' (met de aanduiding 'religie') en 'Groen' gedeeltelijk gewijzigd in 'Wonen-2'. De bouwlocatie wordt daarbij voorzien van een bouwvlak. Ter plaatse van het parkeren, is geen bouwvlak voorzien. Aan de zuidzijde krijgt een stuk grond de bestemming 'Groen' in plaats van 'Maatschappelijk'. De bestemming van het kerkterrein wijzigt niet. Wel wordt, om de bouw van een nieuwe bedrijfswoning (pastorie) mogelijk te maken het bouwvlak aan de noordoostzijde (Kerkstraat) verkleind en voorzien van de aanduiding 'bw' (bedrijfswoning). Als gevolg van uitgevoerd archeologisch onderzoek komt de bestemming 'Waarde – Archeologie 1' op een groot deel van het beoogde terrein van de appartementen (met bijbehorende voorzieningen) te vervallen.

Daarnaast krijg het overgrote deel van het terrein de bestemming 'Waarde - Cultureel Erfgoed' teneinde de ensemblewaarde in de toekomst te kunnen bewaren. Om het groene karakter van het overige gebied te waarborgen, is daarop de functie-aanduiding 'Groen' opgenomen waarmee de aanleg van verharding wordt uitgesloten. Tot slot worden een tweetal voorwaardelijke verplichtingen opgenomen. De eerste heeft betrekking op het borgen van voldoende parkeerplaatsen bij de kerk terwijl de tweede betrekking heeft op het borgen van de aanplant van de haag aan de zijde van de Rembrandstraat. Bevoegdheid Het bevoegd gezag is het bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning. Over het algemeen zijn burgemeester en wethouders het bevoegd gezag. Het kan echter incidenteel voorkomen dat bijvoorbeeld het Rijk dan wel de provincie het bevoegd gezag is. Burgemeester en wethouders zijn altijd bevoegd gezag bij het wijzigen van een plan en het stellen van nadere eisen.

"Kerkstraat-Rembrandtstraat" (vastgesteld)

39

Kerkstraat-Rembrandtstraat

6.1.1 6.1.1.1

Inleidende regels Begrippen

In dit artikel worden de begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd. Bij de toetsing van het bestemmingsplan wordt uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Voor zover er geen begrippen zijn gedefinieerd wordt aangesloten bij het normale spraakgebruik. De omschrijving van het begrip 'bouwperceel' staat in artikel 1. Een voorbeeld van een bouwperceel is een stuk grond waarop een woning staat met een tuin. De bestemmingen 'Wonen-1' en 'Tuin' horen beiden bij het bouwperceel. 6.1.1.2

Wijze van meten

Dit artikel geeft aan hoe hoogte- en andere maten (die bij het bouwen in acht dienen te worden genomen) moeten worden gemeten. 6.1.1.3

Bestemming 'Groen'

Het structureel groen krijgt de bestemming 'Groen'. Onder structureel groen worden wijkparken, grotere groenelementen op buurt- of blokniveau, groen om wegen en waterlopen en wadi's verstaan. Binnen deze bestemming zijn ook speelvoorzieningen, waterlopen en waterpartijen en paden toegestaan. De bestemming 'Groen' wordt alleen toegepast op openbare gronden, niet op particuliere terreinen. In de omschrijving van de bestemming 'Groen' staat dat de gronden zijn bestemd voor groenvoorzieningen (et cetera) 'met daaraan ondergeschikt parkeervoorzieningen'. Het is de bedoeling van de raad dat een relatief klein gedeelte van de gronden kan worden gebruikt als parkeervoorziening: om en nabij 10% van de oppervlakte van het bestemmingsvlak. De raad beschouwt de parkeervoorzieningen dan als ondergeschikt. Die 10% is geen harde norm. De regeling is bewust flexibel geformuleerd. Als de parkeervoorzieningen meer dan de helft van de oppervlakte van het bestemmingsvlak beslaan, dan is in elk geval geen sprake van ondergeschiktheid. Het is mogelijk om met een omgevingsvergunning af te wijken van de regels voor de aanleg van in- en uitritten. Tot slot is ter plaatse van de aanduiding 'groen' het aanbrengen van verharding niet toegestaan. 6.1.1.4

Bestemming 'Maatschappelijk'

Binnen de bestemming 'Maatschappelijk' zijn gebouwen ten behoeve van maatschappelijke voorzieningen toegestaan. Door middel van een aanduiding op de verbeelding wordt een specifieke maatschappelijke voorziening aangegeven, zoals begraafplaats, kinderopvang of religie. In principe wordt zo min mogelijk gebruik gemaakt van aanduidingen om het bestemmingsplan zo flexibel mogelijk te maken. Wanneer echter een andere maatschappelijke voorziening niet wenselijk is, door de ligging of omvang van het perceel, dan wordt wel een aanduiding toegepast. De maximale hoogte voor overige bouwwerken is drie meter. Door middel van een aanduiding op de verbeelding is een bedrijfswoning toegestaan. 6.1.1.5

Bestemming 'Verkeer'

De bestemming 'Verkeer' wordt opgenomen voor wegen, straten en paden, voet- en rijwielpaden. Daarnaast zijn parkeer-, groen- en speelvoorzieningen mogelijk. Evenals waterhuishoudkundige doeleinden en bermen. 6.1.1.6

Bestemming 'Wonen-2'

De bestemming 'Wonen-2' wordt opgenomen wanneer sprake is van gestapelde woningen. Bij de bestemming 'Wonen-2' is de functie wonen toegestaan in combinatie met bijbehorende voorzieningen zoals parkeerplaatsen. Het begrip wonen is gedefinieerd als 'het zelfstandig gehuisvest zijn van één afzonderlijk huishouden'. Dit betekent dat kamerverhuur niet is toegestaan. Bij de aanduiding 'maatschappelijk' zijn maatschappelijke voorzieningen toegestaan op de begane grond om een zorgsteunpunt mogelijk te maken. Omdat aan huis verbonden beroepen en aan huis verbonden (bedrijfs-)activiteiten zowel in de woning als in 40

"Kerkstraat-Rembrandtstraat" (vastgesteld)

Kerkstraat-Rembrandtstraat de aan- en uitbouwen onder voorwaarden zijn toegestaan, is gekozen voor een algemene gebruiksbepaling in een apart artikel. 6.1.1.7

Dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie 1, 3 en 4'

In alle gebieden die (nog) niet zijn vrijgegeven na archeologisch onderzoek of waar is besloten tot behoud in situ is een dubbelbestemming voor archeologie toegepast. De dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1' is toegepast bij een ondergrondse bouwdiepte van 0,3 m, in gebieden met een lage verwachtingswaarde (bij een oppervlakte van meer dan 10.000 m2). De dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' is toegepast bij een ondergrondse bouwdiepte van 0,3 m, in gebieden met een hoge verwachtingswaarde (bij een oppervlakte van meer dan 250 m2). Bij de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4' gaat het om een ondergrondse bouwdiepte van 0,3 m, in historische kernen en historische boerenerven (bij een oppervlakte van meer dan 100 m2). 6.1.1.8

Dubbelbestemming 'Waarde - Cultureel erfgoed'

Omdat gebouwen een relatie met elkaar aangaan, is het belangrijk dat aandacht wordt besteed aan dat wat er in de omgeving van een monument gebeurt. Bouwplannen kunnen namelijk kwaliteit aan de omgeving van een monument toevoegen, maar ook een negatieve invloed hebben wanneer geen rekening wordt gehouden met de waarden en karakteristieken van de omgeving en het monument zelf. Het betreft hier geen daadwerkelijke bescherming, maar het betekent dat bij een bouwplan rekening moet worden gehouden met algemene richtlijnen, zoals bijvoorbeeld de hoofdvorm, het materiaalgebruik en de bouwhoogte van het monument. Met de dubbelbestemming 'Waarde - Cultureel erfgoed' wordt een regeling getroffen ter bescherming van het cultureel erfgoed. In de voorrangsregeling is aangegeven hoe de bestemmingen zich tot elkaar verhouden. Wordt er op gronden gebouwd die een dubbele bestemming hebben, dan dient men zich aan de regels te houden die de dubbele bestemming geeft. Er is een afwijkings- en wijzigingsbevoegdheid opgenomen. 6.1.2 6.1.2.1

Algemene regels Anti-dubbeltelregel

Het doel van de anti-dubbeltelregel is te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. 6.1.2.2

Algemene bouwregels

In artikel 12 is een regeling opgenomen voor ondergronds bouwen. De regeling houdt in dat ondergronds bouwen is toegestaan waar ook bovengronds bouwen is toegestaan, tenzij anders is aangegeven. 6.1.2.3

Algemene gebruiksregels

Ter verduidelijking van het plan wordt aangegeven dat het gebruiken van gronden ten behoeve van een seksinrichting in ieder geval strijdig is met de bestemming. Ten behoeve van nieuwe ontwikkelingen wordt in deze regels aangegeven dat er voldoende parkeerplaatsen aanwezig moeten zijn conform de nota parkeernormen. Hierbij wordt het vergroten van een woning uitgesloten. 6.1.2.4

Algemene aanduidingsregels

Bij wijzigingen en herzieningen van het bestemmingsplan is het veelal noodzakelijk afspraken met betrekking tot het slopen van gebouwen of het realiseren van inrichtingsmaatregelen vast te leggen. Om dit te waarborgen worden in het bestemmingsplan voorwaardelijke verplichtingen opgenomen. Hierbij worden aan het bestemmingsplan specifieke regels toegevoegd die de verzoeker verplichten om bij gebruikmaking van de toegestane ontwikkeling ook de inrichtingsmaatregelen te realiseren of bebouwing te slopen.

"Kerkstraat-Rembrandtstraat" (vastgesteld)

41

Kerkstraat-Rembrandtstraat

6.1.2.5

Algemene afwijkingsregels

Er is een algemene afwijkingsregel opgenomen wanneer dit voor een betere technische realisering van bouwwerken dan wel in verband met de werkelijke toestand van het terrein noodzakelijk is. Deze afwijkingsregel dient bij uitzondering te worden toegepast. De noodzaak om van de bestemmingsregeling af te wijken dient te worden aangetoond. Het is niet de bedoeling dat deze algemene bevoegdheid wordt toegepast in combinatie met het afwijken zoals dat bij een specifieke bestemming is genoemd. Met andere woorden: cumulatie van deze bevoegdheden is uitgesloten. Het is toegestaan om af te wijken van de goot- en bouwhoogte en inhoud en buiten het bouwvlak te bouwen wanneer de bestaande en eventueel bij te bouwen nieuwe bebouwing op het bouwperceel wordt geïsoleerd. De uitbreiding is uitsluitend bedoeld wanneer de isolatiemaatregelen een grotere omvang van de bebouwing vragen om eenzelfde oppervlakte te krijgen als wanneer er geen of een beperkter isolatiepakket zou worden gehanteerd dat alleen aan de eisen uit het Bouwbesluit voldoet. Het gaat hier dus bijvoorbeeld om dikkere muren en/of een hoger dak. 6.1.2.6

Algemene wijzigingsregels

In deze bepaling wordt aan het bevoegd gezag de bevoegdheid gegeven om bestemmingen te wijzigen ten behoeve van kleine overschrijdingen van bestemmingsgrenzen. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn daarbij aangegeven. De bevoegdheid is bedoeld voor aanpassing aan de bij uitmeting blijkende werkelijke toestand van het terrein. Ook wordt hier aan het bevoegd gezag de mogelijkheid gegeven om, onder voorwaarden het plan wijzigen in die zin dat de aanduiding 'specifieke vorm van detailhandel - Standplaats' wordt toegevoegd aan de gronden. 6.1.2.7

Algemene procedureregels

Op de voorbereiding van het besluit tot wijziging is afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht en artikel 3.9a van de Wet ruimtelijke ordening van toepassing, met dien verstande dat burgemeester en wethouders binnen acht weken na afloop van de termijn van terinzagelegging een besluit nemen omtrent de wijziging. Voor het stellen van nadere eisen is geen procedure opgenomen in de wet. De procedure staat beschreven in hoofdstuk 3 "Algemene regels" van dit bestemmingsplan. 6.1.3 6.1.3.1

Overgangs- en slotregels Overgangsregels

Voor de overgangsregels is onderscheid gemaakt tussen de overgangsbepalingen ten aanzien van bouwwerken en de overgangsbepalingen ten aanzien van gebruik. Zowel de overgangsbepalingen ten aanzien van bouwwerken als de overgangsbepalingen ten aanzien van gebruik gelden vanaf inwerkingtreding van het bestemmingsplan. Uitgangspunt is dat zo weinig mogelijk gebruik wordt gemaakt van het overgangsrecht. Vooraf dient een afweging te worden gemaakt tussen legaliseren (positief bestemmen) dan wel handhaving van illegale situaties. De overgangsbepalingen voor bouwwerken en gebruik zijn overgenomen uit artikelen 3.2.1 en 3.2.2 Besluit ruimtelijke ordening (Bro). 6.1.3.2

Slotregel

Het laatste artikel van de regels betreft de citeertitel van het voorliggende bestemmingsplan.

6.2

Handhaving

De gemeente acht handhaving van haar beleid van groot belang om de gewenste ruimtelijke kwaliteit te garanderen. Belangrijke redenen voor handhaven zijn: de regels zijn door de gemeente vastgesteld en de inwoners van de gemeente mogen verwachten dat de gemeente die regels handhaaft: waarom zijn er anders regels opgesteld? Inwoners van de gemeente hebben als het ware recht op handhaving; handhaving gaat oneigenlijk gebruik van en daarmee de achteruitgang van de kwaliteit van het gemeentelijk grondgebied tegen. Een actueel bestemmingsplan beoogt de ruimtelijke kwaliteit van een 42

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Barneveld&id=3472c93f-dc15-41ef-a6e1-b45638ec1554