Kerkstraat-Rembrandtstraat_Toelichting_Bijlage 8 Aanvraag Wnb-vergunning.pdf
Tekst van het document
Het beschermingsregime van overige op provinciaal niveau beschermde gebieden kan sterk verschillen tussen provincies.
11
3
Omschrijving plangebied
3.1
Algemeen
Het plangebied, De Pastorietuin, ligt in het noorden van de bebouwde kom van Voorthuizen, gemeente Barneveld, liggende in de provincie Gelderland (zie Afbeelding 1). Het plangebied betreft een kerkelijk centrum en een bosplantsoen wat binnen het ingekaderde plangebied valt.
Afbeelding 1: De ligging van het plangebied (rood omlijnd). Voor de regionale ligging, zie kaartinzet rechtsboven.(rode stip) Kaartbron: PDOK
3.2
Beschrijving,
Het plangebied: •
Het plangebied betreft een kerkelijk centrum (waarin gevestigd het kerkelijk bureau en enkele zalen), gebouwd na de jaren 70 van de 20ste eeuw. Dit is het Kerkheem.
•
Het Kerkheem is opgetrokken uit baksteen en heeft twee bouwlagen.
•
De dakbedekking bestaat uit dakpannen.
•
Plaatselijk zijn dakoverstekken aanwezig, plaatselijk sluiten de dakpannen nauw aan op de gevels. Onder de laatste rij dakpannen net boven de dakgoot zijn vogelschroten aangebracht.
•
In de gevels zijn onder de dakoverstekken open stootvoegen aanwezig die toegang bieden tot de luchtspouw. 13
•
Uitpandige regenpijpen zijn aanwezig.
•
Het terrein rondom het Kerkheem gebouw is aan de noordzijde verhard met tegels en aan de zuidzijde onverhard (grind/zand).
•
Langs de westgevel van het gebouw zijn enkele (overwegend) loofbomen (waaronder zomereik en beuk). Langs de west- en oostzijde van het gebouw zijn tevens verschillende soorten algemeen voorkomende tuinplanten aangeplant (waaronder hulst).
•
De zuidzijde van het Kerkheem is oud bos. In dit parkje zijn verschillende soorten loofbomen (beuk, eik, acacia, kastanje, waaronder monumentale bomen) Tussen de bomen is een struiklaag met soorten als braam, rododendron en hulst aanwezig. Alleen het meest noordelijke deel van dit bosplantsoen valt binnen het plangebied.
•
Tussen het sparrenbos en het loofbos loopt een laantje, met schaarse verlichting (bestaande uit één lantaarnpaal met gele verlichting).
•
In een aantal bomen zijn (naar verwachting) holten aanwezig, die vanwege de grote hoogte en onvindbaarheid (bomen hebben forse hoogte) niet te inspecteren zijn.
•
In het zuidwestelijk deel van het plangebied is een naaldbosje aanwezig, met een karige onderbegroeiing. Het betreft twee derde van het gehele naaldbos. Dit sparrenbosje is in gebrekkige staat van onderhoud.
•
Het deel van het plangebied aan de oostzijde van de fietsenstalling bestaat uit eenbosschage met verschillende lage bomen en struiken zoals coniferen, taxus, ruwe berk,spar, hulst, laurier, klimop en buxus. Deze bosschage ligt tussen de fietsenstalling, de oprijlaan, de achtertuin van Kerkstraat 33 en de noordzijde van het park.
•
Centraal in het plangebied loopt een laantje, met schaarse verlichting (bestaande uit één lantaarnpaal met gele verlichting).
•
Verlichting is aanwezig langs de noordzijde van het Kerkheem.
•
Ten noorden van het plangebied is een kerk aanwezig, met laatmiddeleeuwse kerktoren en een kerkzolder.
14
•
De kerk wordt omgeven door grindverharding.
•
Ten noordoosten van het plangebied bevindt zich een oprijlaan met leilindes (vanaf Kerkstraat).
•
Open water is afwezig binnen en grenzend aan het plangebied.
•
Aan de west- en zuidzijde grenst het sparrenbos aan openbare wegen.
•
Aan de noordzijde grenst het plangebied aan een kerkplein.
Afbeelding 2: Impressie van het plangebied gezien vanaf de noordzijde van het Kerkheem. Foto: K. de Vries | Ecoresult B.V. Zie bijlage 1 voor een verdere foto-impressie van het plangebied.
3.3
Voorgenomen ontwikkelingen
De voorgenomen ontwikkelingen betreffen5 (Zie Afbeelding 3): •
De bebouwing van het kerkelijk centrum (het Kerkheem) wordt gedeeltelijk gesloopt, vervolgens zal hier nieuwbouw van 25 woonunits plaatsvinden.
•
De naaldbomen in het plangebied worden gekapt. Hierna wordt hier een parkeerterrein gerealiseerd.
•
De bosschage tussen de fietsenstalling en de achtertuin van Kerkstraat 33 zal worden gekapt.
•
De waardevolle hoge oude bomen aan de zuidkant van het Kerkheem zullen behouden blijven.
5
Bron: opdrachtgever.
15
Afbeelding 3: Impressie van de nieuwe situatie. Bron Zebra Architecten
3.4
Planning
Momenteel vindt de bestemmingsplanprocedure plaats. De bedoeling is in 2021 te starten met de ontwikkeling.
16
4
Onderzoeksresultaten beschermde gebieden
4.1
Wet natuurbescherming
4.1.1
Natura 2000-gebieden
Afbeelding 4: Het plangebied (marker) ten opzichte van Natura 2000 gebied (groen) en haar stikstofgevoelige habitats (paarse overlay). Bron: AERIUS Calculator Het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied is de Veluwe op 3,2 km ten noordoosten van het plangebied en bevat stikstofgevoelige habitats (zie Afbeelding 4). Invloeden (ook van buitenaf ) mogen de instandhoudingsdoelstellingen van de betreffende Natura 2000-gebieden niet in gevaar brengen. Er zullen sloopwerkzaamheden plaats vinden, wat minder ingrijpend is dan woningbouw. Voor de bouw van 25 appartementen en aanleg van parkeerplaatsen in een groot stedelijk landschapstype is de 17
effectafstand 3,3 km. Stikstofgevoelige habitats bevinden zich dus zonder twijfel binnen de effectafstand voor stikstofdepositie van de werkzaamheden. Negatieve effecten in het kader van stikstofdepositie op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000 gebieden kunnen derhalve niet op voorhand worden uitgesloten. Aanvullend onderzoek in de vorm van een AERIUS-berekening is noodzakelijk.
4.2 4.2.1
Omgevingsverordening Gelderland Gelders Natuurnetwerk
Het dichtstbijzijnde onderdelen van het Gelders natuurnetwerk (Zie Afbeelding 5) is het Wilbrinkbosch en op ca. 820 meter ten oostnoordoosten van het plangebied. De dichtstbijzijnde ecologische verbindingszone (nat-droge verbindingszone) ligt op 3,2 km ten zuiden van het plangebied. Het gaat om het gebied tussen de spoorlijn en de Esvelderbeek. Er is geen overlap tussen de gebieden van het Gelders natuurnetwerk en het plangebied. Ook is er in de provincie Gelderland geen sprake van externe effecten op de wezenlijke waarden en kenmerken van NNN gebieden6. Aanvullend onderzoek is derhalve niet nodig en een ontheffing op de omgevingsverordening is niet noodzakelijk.
4.2.2
Groene ontwikkelzone
De dichtstbijzijnde Groene Ontwikkelzone betreft een deel van het Wilbrinkbosch op ca. 1 km ten oosten van het plangebied. Er is geen sprake van overlap tussen de Groene ontwikkelzone en het plangebied (zie Afbeelding 5). Op basis van de afstand van deze Groene Ontwikkelzone tot het plangebied en de aard van de activiteiten die hier zullen plaatsvinden valt uit te sluiten dat er sprake is van (tijdelijke) negatieve impact op bovengenoemd gebied. Aanvullend (veld)onderzoek is niet noodzakelijk en een ontheffing op de omgevingsverordening is niet noodzakelijk.
6
18
Verordening ruimte, provincie Gelderland
Afbeelding 5: Onderdelen van het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene Ontwikkelingszone ten opzichte van het plangebied (rode cirkel). Bron: http://gelderland.maps.arcgis.com/apps/webappviewer
19
5
Beschermde houtopstanden
Er zijn werkzaamheden gepland waarbij houtopstanden groter dan 10 are of 20 bomen in een rij (of een deel ervan) verwijderd worden. Het plangebied bevindt zich binnen de bebouwde kom van Voorthuizen. Zie Afbeelding 6In dit geval wordt vanwege de ligging binnen de bebouwde kom de Wet natuurbescherming, onderdeel houtopstanden niet overtreden.
Afbeelding 6: Bebouwde kom-grenzen Voorthuizen.
21
6
Onderzoeksresultaten beschermde soorten
6.1
Soorten Vogelrichtlijn
6.1.1
Bronnenonderzoek
6.1.1.1
Vogels met jaarrond beschermde nesten
S oor t B oomvalk B uizer d Gier zwaluw Havik Huis mus K er k uil Ooievaar R ans uil R oek S per wer S teenuil Wes pendief
S oor t gr oe p Vogels met vas te r us t- of ver blijfplaats Vogels met vas te r us t- of ver blijfplaats Vogels met vas te r us t- of ver blijfplaats Vogels met vas te r us t- of ver blijfplaats Vogels met vas te r us t- of ver blijfplaats Vogels met vas te r us t- of ver blijfplaats Vogels met vas te r us t- of ver blijfplaats Vogels met vas te r us t- of ver blijfplaats Vogels met vas te r us t- of ver blijfplaats Vogels met vas te r us t- of ver blijfplaats Vogels met vas te r us t- of ver blijfplaats Vogels met vas te r us t- of ver blijfplaats
Tabel 2: Waargenomen vogels met vaste rust- of verblijfplaatsen binnen een afstand van 5 km van het plangebied. Bron: NDFF geraadpleegd op 23-06-2020. Op grond van het in 2017 uitgevoerde onderzoek was in het naaldbosje binnen het plangebied één voortplantingsplaats van sperwer aanwezig7. Zie Afbeelding 7.
7
Van Meurs, 2017, blz. 23
23
Afbeelding 7: In 2017 aangetroffen sperwernest in naaldboom. Bron: Van Meurs, 2017.
6.1.2
Verkennend veldonderzoek
6.1.2.1
Vogels met jaarrond beschermde nesten
Het plangebied is ongeschikt voor vogels met jaarrond vaste rust- en verblijfplaatsen in gebouwen. Vanwege het aangebrachte vogelschroot onder de laatste rij dakpannen net boven de dakgoot kunnen de ruimtes onder de dakpannen niet gebruikt worden door huismus. Ook zijn er geen geschikte ruimtes onder de kantpannen aanwezig die door huismus en gierzwaluw gebruikt kunnen worden als nestplaats. Voor uilensoorten zoals kerkuil en steenuil herbergt het plangebied geen geschikte broedplaatsen. Er zijn geen oude schuren of andere geschikte binnenruimten aanwezig voor uilen om te broeden of om als rustplaats te gebruiken. Ook zijn er geen nestkasten voor uilen aanwezig binnen het plangebied. Voor ooievaar zijn geen geschikte plekken in het plangebied aanwezig, zoals een kunstnest op het dak of broedpaal7. Tijdens het veldbezoek zijn in de bomen 2 middelgrote boomnesten aangetroffen. Deze zijn in principe geschikt als nestplaats voor sperwer. Het gaat om een oud vervallen en een recent gebruikt nest. Het naaldbosje en de landschapstuin kunnen ook deel uitmaken van essentieel leefgebied voor de sperwer. Op grond van de ligging van het plangebied en de resultaten van het bronnenonderzoek worden andere soorten niet verwacht. 24
6.1.2.2
Vogels met niet-jaarrond beschermde nesten (Categorie 5)
Het plangebied is geschikt voor vaste rust- en verblijfplaatsen vogels met niet-jaarrond beschermde nesten. Tijdens het veldbezoek zijn verder de volgende vogelsoorten met niet-jaarrond beschermde nesten waargenomen: koolmees, pimpelmees, boomklever en boomkruiper. Al deze soorten kunnen broeden in de aanwezige kleine holtes in de aanwezige bomen. Ook voor grote bonte specht is het plangebied in de directe omgeving geschikt. Ook zijn er enkele oud gebruikte nesten aangetroffen. Van ekster en zwarte kraai zijn geen nesten aangetroffen. Wel kunnen deze soorten in nieuw nest bouwen in de bomen binnen het plangebied en de directe omgeving. Het plangebied is ook geschikt voor groene specht, maar tijdens het veldbezoek is deze soort niet waargenomen. Voor bosuil is het plangebied ook geschikt, maar er zijn geen nestkasten aangetroffen. Al de hierboven genoemde soorten hebben een gunstige staat van instandhouding8.
6.1.2.3
Algemene broedvogels
Het plangebied is geschikt als voortplantingsplaats voor algemene vogels zoals houtduif, holenduif, merel, zanglijster, roodborst, zwartkop, tjiftjaf, heggenmus, boomkruiper, boomklever en vink. Deze soorten kunnen broeden in de bomen, struiken (inclusief onderbegroeiing) en struikenhagen binnen het gehele plangebied en de directe omgeving.
6.1.3
Effectbeoordeling en toetsing
6.1.3.1
Vogels met jaarrond beschermde nesten
Het plangebied is deels geschikt voor vogels met jaarrond beschermde nesten. Dit betreft het naaldbos in het zuidwestelijk deel van het plangebied. Op grond van bronnenonderzoek was één voortplantingsplaats van sperwer aanwezig binnen het plangebied. Ook is het plangebied geschikt en de directe omgeving geschikt als essentieel leefgebied. Door de geplande kapwerkzaamheden zullen de mogelijke nestlocaties van de sperwer worden verwijderd, waardoor verbodsbepalingen Art 3.1 lid 2, lid 4 en lid 5 (zie Tabel 1) van de Wnb kunnen worden overtreden. Aanvullend onderzoek is nodig om te bepalen of: •
voortplantings- en vaste rust- en verblijfplaatsen van sperwer in het plangebied aanwezig zijn. Dit onderzoek dient te worden uitgevoerd middels 3 bezoeken in de periode april – juni met een periode van tenminste 10 dagen tussen twee bezoeken.
8
https://www.sovon.nl/
25
6.1.3.2
Vogels met niet- jaarrond beschermde nesten (Categorie 5)
Het plangebied is potentieel geschikt voor vaste rust- en verblijfplaatsen vogels met niet-jaarrond beschermde nesten. Vogels met niet jaarrond beschermde nesten (Categorie 5) zijn vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan en die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Deze zijn buiten het broedseizoen niet beschermd. Categorie 5-soorten zijn wel jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. In dezen zijn er geen ecologische omstandigheden waardoor Categorie 5 soorten in het plangebied jaarrond beschermd dienen te zijn. Het betreft een lokaal en regionaal algemene vogels met een gunstige staat van instandhouding. Direct grenzend en rondom het plangebied zijn voldoende geschikte structuren die als alternatief gebruikt kunnen worden. •
Tijdelijke schadelijke effecten op Categorie 5 soorten vogels door uitvoering van de werkzaamheden op bezette nesten zijn te voorkomen (in gebruik zijnde vogelnesten mogen in principe nooit worden verstoord) door buiten het broedseizoen te werken (buiten grofweg de periode 1 maart – 1 oktober). Werken binnen het broedseizoen is enkel mogelijk indien er geen bezette nesten worden verstoord. Indien er binnen het broedseizoen gewerkt wordt is voorafgaand aan de werkzaamheden een controle door een deskundig ecoloog noodzakelijk.
6.1.3.3
Algemene broedvogels
Het plangebied en de directe omgeving van het plangebied is potentieel geschikt als voortplantingsplaats voor algemene vogels. Nesten van algemene vogels vallen alleen tijdens het broedseizoen onder de bescherming van de wet. Tijdelijke schadelijke effecten door uitvoering van de werkzaamheden op bezette nesten van algemene vogels zijn onder andere te voorkomen (in gebruik zijnde vogelnesten mogen in principe nooit worden verstoord) door buiten het broedseizoen te werken (buiten grofweg de periode 1 maart – 1 oktober), of een inspectie te laten uitvoeren door een ecologisch deskundige.
26
6.2
Soorten Habitatrichtlijn
6.2.1
Bronnenonderzoek
S oor t B os vleer muis Gewone dwer gvleer muis Gewone gr ootoor vleer muis L aatvlieger Meer vleer muis R os s e vleer muis R uige dwer gvleer muis Muur hagedis Zandhagedis Heik ik k er K ams alamander P oelk ik k er Gevlek te wits nuitlibel
S oor t gr oe p Zoogdier en – vleer muizen Zoogdier en – vleer muizen Zoogdier en – vleer muizen Zoogdier en – vleer muizen Zoogdier en – vleer muizen Zoogdier en – vleer muizen Zoogdier en – vleer muizen R eptielen R eptielen Amfibieën Amfibieën Amfibieën L ibellen
Tabel 3: Waargenomen Habitatrichtlijnsoorten binnen een afstand van 5 km van het plangebied. Bron: NDFF, geraadpleegd 23-06-2020 Op grond van het in 2017 uitgevoerde onderzoek9 was in het naaldbosje binnen het plangebied geen voortplantingsplaatsen of vaste rust- en verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis aanwezig. Binnen het plangebied bevindt zich eveneens geen (essentieel) functioneel leefgebied voor deze soort. Ten noorden van het plangebied, in de kerktoren, was een zomerverblijfplaats van gewone grootoorvleermuis (mogelijk ook kraamverblijfplaats) aanwezig. Het loofbos binnen het plangebied werd beoordeeld als essentieel foerageergebied voor gewone grootoorvleermuis. Daarnaast werd een paarverblijfplaats van rosse vleermuis met bijbehorend paarterritorium aangetroffen binnen het plangebied. Deze paarverblijfplaats bevindt zich in een grote eik of beuk naast het Kerkheem, Zie Afbeelding 8.
9
Van Meurs, 2017, blz. 23
27
Afbeelding 8: Waarnemingen van rosse vleermuis binnen en rondom het plangebied in 2017. Kaartbron: Van Meurs, 2017.
6.2.2
Verkennend veldonderzoek
6.2.2.1
Vleermuizen
De bebouwing binnen het plangebied biedt potentie voor vaste rust- en verblijfplaatsen voor gebouwbewonende vleermuizen. Het Kerkheem bevat meerdere gaten en kieren zoals open stootvoegen die toegang geven tot de luchtspouw en kleine gaten en kieren achter de dakgoot. De verwachte soorten zijn gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, baardvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis. Het plangebied kan voor deze soorten derhalve een functie hebben als zomer-, kraam- en paar- en winterverblijfplaatsen (zie Tabel 4). Het laatste verblijftype (winterblijfplaats) geldt voor enkele solitaire dieren. Massawinterverblijfplaatsen zijn in het plangebied uitgesloten door beperkte omvang, geringe hoogte en laag temperatuurregulerend vermogen van de bebouwing. Meervleermuis komt voor in een waterrijke omgeving. Het plangebied en de directe omgeving maakt geen deel uit van een waterrijke omgeving, waardoor meervleermuis kan worden uitgesloten. Tevens worden andere soorten niet verwacht op basis van hun verspreidingsgebied. 28
De grote bomen binnen het plangebied en de directe omgeving beschikken over geschikte holten en scheuren voor boombewonende soorten zoals gewone grootoorvleermuis, rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis. Bosvleermuis en andere boombewonende soorten worden vanwege de grote zeldzaamheid niet verwacht/ Het plangebied kan voor deze soorten derhalve een functie hebben als zomer-, kraam- en paar- en winterverblijfplaatsen (zie Tabel 4). Het plangebied en de directe omgeving kan functioneren als essentieel leefgebied bestaande uit vliegroutes en foerageergebied voor
Vliegroute
Foerageergebied
Massawinterverblijfplaats
Winterverblijfplaats
Paarverblijfplaats
Kraamverblijfplaats
Zomerverblijfplaats
vleermuizen.
Baardvleermuis Gewone dwergvleermuis Gewone grootoorvleermuis Laatvlieger Rosse vleermuis Ruige dwergvleermuis
Tabel 4: Soorten welke verwacht worden en bijbehorende functies.
6.2.2.2
Overige Habitatrichtlijn soorten
Het plangebied is niet geschikt voor overige habitatrichtlijnsoorten (muurhagedis, zandhagedis, heikikker kamsalamander, poelkikker en gevlekte witsnuitlibel). Heikikker, kamsalamander, poelkikker en gevlekte witsnuitlibel kunnen allen worden uitgesloten door de afwezigheid van open wateren binnen en grenzend aan het plangebied. Muurhagedis komt voor op stenige locaties als oude muren of rotsachtige gebieden10. Dit type habitat is niet aanwezig binnen het plangebied en derhalve kan muurhagedis van aanwezigheid binnen het plangebied worden uitgesloten. Vanwege het ontbreken van heidevelden binnen het plangebied en de directe omgeving kan ook zandhagedis worden uitgesloten.
10 www.ravon.nl
29
6.2.3
Effectbeoordeling en toetsing
Aanwezigheid van vleermuizen in gebouwen (gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis.) is binnen het plangebied niet uit te sluiten. Ook de aanwezig van vleermuizen (baardvleermuis, gewone grootoorvleermuis, rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis) in de bomen binnen het plangebied is niet uit te sluiten. De werkzaamheden (sloop, nieuwbouw en kappen van bomen) kunnen invloed hebben op mogelijk aanwezige verblijfplaatsen. Hierdoor kunnen de verbodsbepalingen Art 3.5 lid 2 en 4 (zie Tabel 1) van de Wnb worden overtreden. Verblijfplaatsen kunnen aanwezig zijn in de spouwmuur en onder de dakpannen, toegankelijk via open stootvoegen en ruimtes tussen de dakpannen van het Kerkheem en in scheuren in holten van de aanwezige bomen in het loofbos. Aanvullend onderzoek is nodig in de periode 15 mei tot 15 juli middels 3 bezoeken en tussen 15 augustus en 15 september middels 2 bezoeken om te bepalen of: •
voortplantingsplaatsen en/of vaste rust- en verblijfplaatsen van baardvleermuis, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis aanwezig zijn binnen en grenzend aan het plangebied. Hierbij dient niet alleen het plangebied te worden beoordeeld maar ook het gehele park. De tussenliggende tijd tussen de veldonderzoeken is minimaal 20 dagen. De aanpak voor het aanvullend veldonderzoek is conform de eisen 11 die het bevoegd gezag hieraan stelt. Indien vleermuizen aanwezig zijn en de verblijfplaatsen door de werkzaamheden niet kunnen worden ontzien dient een ontheffing of vergunning in bezit te zijn voordat met verstorende werkzaamheden kan worden gestart. De doorlooptijd van de ontheffingsaanvraag is maximaal 6 maanden. Tevens dienen dan mitigerende maatregelen te worden getroffen, zoals het plaatsen van tijdelijke voorzieningen. Deze dienen aanwezig te zijn tenminste 3 maanden voor de start van het werk, maar hier zijn striktere uitzonderingen op mogelijk.
Het uitvoeren van onderzoek naar winterverblijfplaatsen in de bebouwing en in de bomen is niet mogelijk. Holten in bomen zijn nagenoeg onzichtbaar en niet te bereiken. Ook kan de luchtspouw maar beperkt worden onderzocht. Hierdoor moet er van worden uitgegaan dat indien paarverblijfplaatsen aanwezig zijn, deze ook functioneren als winterverblijfplaats voor één of enkele dieren.
11 Vleermuisprotocol 2017
30
2 bezoeken 2 bezoeken
december
november
2 bezoeken 2 bezoeken
2 bezoeken
2 bezoeken
3 bezoeken
2 bezoeken
2 bezoeken
oktober
september
augustus
juli
juni
mei
april
maart
februari
januari Gewone dwergvleermuis Gewone grootoorvleermuis Laatvlieger Rosse vleermuis Ruige dwergvleermuis
2 bezoeken
winterverblijfplaatsen zomerverblijfplaatsen zomer-/kraamverblijfplaatsen paarverblijfplaatsen/zwermplaatsen
Tabel 5: Onderzoeksperiode en bezoekfrequentie vleermuizen.
6.3
Nationaal beschermde soorten
6.3.1
Bronnenonderzoek NDFF
S oor t B oommar ter B unzing Damher t Das E ek hoor n E delher t S teenmar ter Wild zwijn Hazelwor m L evendbar ende hagedis Alpenwater s alamander Gentiaanblauwtje Gr ote vos Zilver en maan Ak k er ogentr oos t
S oor t gr oe p Over ige zoogdier en Over ige zoogdier en Over ige zoogdier en Over ige zoogdier en Over ige zoogdier en Over ige zoogdier en Over ige zoogdier en Over ige zoogdier en R eptielen R eptielen Amfibieën Dagvlinder s Dagvlinder s Dagvlinder s Vaatplanten
Tabel 6: Waargenomen niet vrijgestelde Nationaal beschermde soorten (Andere soorten § 3.3 Wnb) binnen een afstand van 5 km van het plangebied. Bron: NDFF, geraadpleegd 23-06-2020 In het kader van het onderzoek naar eekhoorn in 201712 werd op camerabeelden een juveniele eekhoorn waargenomen. Verblijfplaatsen werden niet aangetroffen. Geconcludeerd werd dat het plangebied deel uit van het maakte functioneel leefgebied van eekhoorn. Dit betreft niet essentieel foerageergebied. 12 Van Meurs, 2017
31
6.3.2
Verkennend veldonderzoek
6.3.2.1
Grondgebonden zoogdieren
Het plangebied is geschikt voor vaste rust- en verblijfplaatsen voor grondgebonden zoogdiersoorten waar een vrijstelling voor geldt: diverse algemene (spits)muissoorten, vos, ree en egel. Het plangebied is deels geschikt voor grondgebonden zoogdieren waar geen vrijstelling voor van toepassing is. Van das zijn geen grote grondholen en sporen aangetroffen, waardoor aanwezigheid kan worden uitgesloten. De aanwezigheid van damhert en edelhert kan worden uitgesloten door de ligging van het plangebied omgeven door bebouwing en de afwezigheid van bosachtig gebied. Ook steenmarter en de kleine marterachtigen kunnen worden uitgesloten van aanwezigheid in het plangebied. Er zijn geen rommelhoekjes, steenhopen, latrines en grondholen aangetroffen die kunnen duiden op de aanwezigheid van deze soorten in en rond het plangebied. Voor boommarter is het plangebied ook ongeschikt. In het plangebied en de directe omgeving zijn geen boomholten aangetroffen die groot genoeg zijn voor nesten van boommarter. Hierdoor kan boommarter worden uitgesloten. Het plangebied en de omgeving zijn wel geschikt als vaste rust- en verblijfplaatsen voor eekhoorn. Ook zijn één of meer nesten aangetroffen dat door deze soort in gebruik zou kunnen zijn. Ook is het plangebied en de directe omgeving geschikt als essentieel leefgebied.
6.3.2.2
Reptielen
Het plangebied en de directe omgeving ligt in een door bebouwing omgeven omgeving, en niet in geschikt habitat zoals heidevelden, open bossen, bosranden, houtwallen, hierdoor kunnen hazelworm en levendbarende hagedis worden uitgesloten.
6.3.2.3
Amfibieën
Het plangebied is enkel geschikt voor Nationaal beschermde soorten amfibieën waarvoor in Gelderland een provinciale vrijstelling geldt. Dit betreffen o.a. de bruine kikker en gewone pad, die in de landfase het plangebied kunnen bezoeken. Vanwege de afwezigheid van water binnen het plangebied en de directe omgeving kan de aanwezigheid van nationaal beschermde amfibieën zonder vrijstelling zoals alpenwatersalamander worden uitgesloten.
6.3.2.4
Dagvlinders
Vanwege het ontbreken van natte heide, vochtige heischrale graslanden en blauwgraslanden kan het 32
gentiaanblauwtje worden uitgesloten. Grote vos is een zeldzame en zeer mobiele vlindersoort. De NDFF-waarneming (zie Tabel 4) is hoogstwaarschijnlijk afkomstig van een zwervend exemplaar zonder binding met het plangebied. De zilveren maan maan leeft in vochtige, schrale graslanden en bloemrijke hooi- of rietlanden. Dit habitat ontbreekt binnen het plangebied en de directe omgeving, waardoor zilveren maan kan worden uitgesloten.
6.3.2.5
Vaatplanten
Beschermde plantensoorten zijn tijdens het verkennend veldonderzoek niet aangetroffen en worden tevens niet verwacht in het plangebied aanwezig te zijn. Veel plantensoorten zijn uit te sluiten op basis afwezigheid en natuurterreinen. Akkerogentroost is op basis van de zeldzaamheid en het ontbreken akkerranden en graanakkers binnen het plangebied en de directe omgeving uit te sluiten. Oude muren zijn ook niet aanwezig binnen het plangebied.
6.3.3
Effectbeoordeling en toetsing
In het plangebied is geschikt als vaste rust- en verblijfplaatsen en voortplantingsplaatsen van Nationaal beschermde soorten waarvoor géén provinciale vrijstelling geldt. Het gaat hier eekhoorn. Het kappen van het naaldbosje en een deel van de bomen in het park kan nadelige gevolgen op de verblijfplaatsen en essentieel leefgebied van de eekhoorn. •
Aanvullend onderzoek naar het voorkomen van eekhoorn is noodzakelijk, conform de voor de soort beschikbare ecologische informatie. Onderzocht dient te worden gedaan om de aanwezigheid van voortplantingsplaatsen en vaste rust- en verblijfplaatsen en functioneel leefgebied voor eekhoorn vast te stellen. Daarnaast is, om aanwezigheid van eekhoorn vast te stellen, het gebruik van een wildcamera nodig.
Het plangebied is behalve voor eekhoorn geschikt voor nationaal beschermde soorten met een provinciale vrijstelling. Verblijfplaatsen en functioneel leefgebied van o.a. diverse algemene (spits)muissoorten, bruine kikker en gewone pad zijn in het plangebied niet uit te sluiten. Aanvullend onderzoek naar deze soorten is niet noodzakelijk. Wel geldt te allen tijde de zorgplicht. Dit houdt in dat indien mogelijk schadelijke effecten zoveel mogelijk dient te worden voorkomen. Te denken valt aan het werken in één richting waarbij de dieren een vlucht mogelijkheid hebben.
33
7
Conclusies en aanbevelingen
7.1
Algemeen
In opdracht van Van Bekkum Projecten B.V. heeft Ecoresult B.V. een quickscan uitgevoerd voor het plangebied genaamd: De Pastorietuin, Voorthuizen. De aanleiding betreft het herontwikkeling (gedeeltelijke sloop, nieuwbouw en bomenkap) binnen het plangebied. Deze voorgenomen ontwikkelingen kunnen schadelijke effecten hebben op beschermde soorten en natuurgebieden.
7.2 7.2.1
Beschermde gebieden Wet natuurbescherming
Significante negatieve effecten van stikstofemissie op nabijgelegen Natura 2000-gebieden kunnen niet worden uitgesloten als gevolg van de aard van de werkzaamheden (herontwikkeling, gedeeltelijke sloop, nieuwbouw en toekomstig gebruik). Het nabij gelegen Natura2000-gebied Veluwe heeft voor stikstof gevoelige habitattypen. Passend aanvullend onderzoek naar stikstofemissies (van de aanlegfase en gebruiksfase) – middels de Aerius Calculator –is noodzakelijk. Het aanvragen van een ontheffing op de Wet natuurbescherming met betrekking tot gebiedsbescherming kan van toepassing zijn.
7.2.2
Omgevingsverordening Gelderland
Op basis van de afstand tot het plangebied en de aard van de werkzaamheden valt voorhand uit te sluiten dat de activiteiten negatieve effecten hebben op het Gelders Natuurnetwerk (GNN), ecologische verbindingszones en Groene ontwikkelzones. Aanvullend onderzoek is niet noodzakelijk. Het aanvragen van een vergunning is niet nodig.
7.3
Bescherming van houtopstanden
Er zijn werkzaamheden gepland waarbij houtopstanden groter dan 10 are of 20 bomen in een rij (of een deel ervan) verwijderd worden. Het plangebied bevindt zich binnen de bebouwde kom van 35
Voorthuizen. In dit geval wordt vanwege de ligging binnen de bebouwde kom de Wet natuurbescherming, onderdeel houtopstanden niet overtreden.
7.4
Beschermde soorten
7.4.1
Soorten Vogelrichtlijn
7.4.1.1
Vogels met jaarrond beschermde nesten
Het plangebied is ongeschikt voor vaste rust- en verblijfplaatsen van vogels met jaarrond beschermde nesten in gebouwen. In bomen zijn voor sperwer geschikte nestplaatsen aanwezig. Ook is het plangebied en de directe omgeving geschikt als essentieel leefgebied. Door de geplande kapwerkzaamheden zullen de mogelijke nestlocaties van de sperwer worden verwijderd, waardoor verbodsbepalingen Art 3.1 lid 2, lid 4 en lid 5 (zie Tabel 1) van de Wnb kunnen worden overtreden. Aanvullend onderzoek is nodig om te bepalen of: •
voortplantings- en vaste rust- en verblijfplaatsen van sperwer in het plangebied aanwezig zijn. Dit onderzoek dient te worden uitgevoerd middels 3 bezoeken in de periode april – juni met een periode van tenminste 10 dagen tussen twee bezoeken.
7.4.1.2
Algemene vogels en niet jaarrond beschermde nesten
Tijdelijke schadelijke effecten door uitvoering van de werkzaamheden op bezette nesten van vogels met niet jaarrond beschermde nesten en algemene vogels zijn te voorkomen (in gebruik zijnde vogelnesten mogen in principe nooit worden verstoord) door buiten het broedseizoen te werken (buiten grofweg de periode 1 maart – 1 oktober). Werken binnen het broedseizoen is enkel mogelijk indien er geen bezette nesten worden verstoord. Indien er binnen het broedseizoen gewerkt wordt is voorafgaand aan de werkzaamheden een controle door een deskundig ecoloog noodzakelijk.
7.4.2
Soorten Habitatrichtlijn
7.4.2.1
Vleermuizen
De voorgenomen ontwikkelingen kunnen leiden tot een negatief effect op potentieel aanwezige voortplantingsplaatsen en vaste rust- en verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen (baardvleermuis, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger en ruige 36
dwergvleermuis) en boombewonende vleermuizen (gewone grootoorvleermuis, rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis). Hierdoor kunnen de verbodsbepalingen Art 3.5 lid 2 en 4 (zie Tabel 1) van de Wnb worden overtreden. Aanvullend onderzoek is nodig. Indien voortplantings- en vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn én door de werkzaamheden een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming wordt overtreden dient een ontheffing of vergunning in bezit te zijn voordat met de werkzaamheden kan worden gestart. De doorlooptijd van de ontheffingsaanvraag is maximaal 6 maanden. Tevens dienen dan mitigerende maatregelen te worden getroffen, zoals het plaatsen van tijdelijke voorzieningen. Deze dienen aanwezig te zijn tenminste 3 maanden voor de start van het werk, maar hier zijn striktere uitzonderingen op mogelijk. Overige Habitatrichtlijnsoorten worden niet verwacht.
7.4.3
Nationaal beschermde soorten
In het plangebied bestaat potentie voor vaste rust- en verblijfplaatsen en voortplantingsplaatsen van nationaal beschermde soorten waarvoor géén provinciale vrijstelling geldt. Dit betreft eekhoorn. Het kappen van het naaldbosje en een deel van de bomen in het park kan nadelige gevolgen op de verblijfplaatsen en essentieel leefgebied van de eekhoorn. •
Aanvullend onderzoek naar het voorkomen van eekhoorn is noodzakelijk, conform de voor de soort beschikbare ecologische informatie. Onderzocht dient te worden gedaan om de aanwezigheid van voortplantingsplaatsen en vaste rust- en verblijfplaatsen en functioneel leefgebied voor eekhoorn vast te stellen. Daarnaast is, om aanwezigheid van eekhoorn vast te stellen het gebruik van een wildcamera nodig.
Het plangebied is potentieel geschikt voor Nationaal beschermde faunasoorten welke vrijgesteld zijn van een ontheffing in de provincie Gelderland. Voor deze soorten is er geen ontheffing vereist en aanvullend onderzoek is niet noodzakelijk. Wel geldt voor deze soorten de algemene zorgplicht. Dit houdt in dat indien mogelijk schadelijk effect op soorten zoals gewone pad, bruine kikker, diverse (spits)muizensoorten en egel zoveel mogelijk dient te worden voorkomen. Te denken valt aan het verplaatsen van dieren naar veilige locaties buiten het werkgebied indien zij aangetroffen worden tijdens de werkzaamheden.
37
Tabel 7: Samenvatting benodigd aanvullend onderzoek.
38
december
november
ok tober
s eptember
augus tus
juli
juni
mei
apr il
maar t
febr uar i
januar i
V le e r m uizen S pe r w e r E e k hoor n N a tur a 2 0 00
8
Geraadpleegde bronnen
8.1
Literatuur •
Cardinaals J.T.B., J. Daamen, G.F.J. Smit & H. van Ziel, 2019. Woningbouw en Natura 2000. Vuistregels bij het beoordelen van stikstofdepositie. Bureau Waardenburg Rapportnr. 19-246. Bureau Waardenburg, Culemborg.
•
Meurs, F. A. van, 2017. Aanvullend onderzoek vleermuizen, roofvogels en eekhoorn. In het kader van de Wet natuurbescherming Plangebied: De Pastorietuin, Voorthuizen. Kenmerk ER20170821v02. Ecoresult B.V., Dordrecht.
8.2
Internet
Beschermde gebieden •
Verordening ruimte provincie GelderlandZuid-Holland
•
https://www.bij12.nl/wp-content/uploads/2018/09/Natuurbeheerplan-Zuid-Hollandvastgesteld-2019.pdf
•
https://calculator.aerius.nl/calculator
•
https://gelderland.maps.arcgis.com/apps/webappviewer
Nationale Databank Flora en Fauna •
https://ndff-ecogrid.nl/
Natuurwetgeving en kennisdocumenten •
http://wetten.overheid.nl/BWBR0037552/2017-01-01#Hoofdstuk2
•
www.rvo.nl
•
https://www.bij12.nl/onderwerpen/natuur-en-landschap/kennisdocumenten-soortenontheffingen-wet-natuurbescherming/
PDOK – Publieke Dienstverlening op de Kaart •
http://pdokviewer.pdok.nl 39
Vleermuisprotocol 2017 •
http://www.netwerkgroenebureaus.nl/werken-aan-kwaliteit/vleermuisprotocol
Soortinformatie
40
•
Soortenbank: http://www.soortenbank.nl/
•
NDFF Verspreidingsatlas – https://www.verspreidingsatlas.nl/
•
Vleermuizen – http://www.vleermuis.net/
•
Zoogdieren – http://www.zoogdiervereniging.nl/
•
Amfibieën – http://www.ravon.nl/
•
Vogels – www.sovon.nl en www.vogelbescherming.nl
Bijlage 1 Foto-impressie plangebied
Het Kerkheem gelegen aan de noordzijde van het plangebied. Foto: K. de Vries | Ecoresult B.V.
De bosschage gelegen tussen Kerkstraaten de fietsenstalling aan de noordoostzijde van het plangebied. Foto: K. de Vries | Ecoresult B.V.
41
Deel van te kappen gedeelte van het naaldbosje. Foto: K. de Vries | Ecoresult B.V.
42
De oude bomen langs het door park lopende laantje. Foto: K. de Vries | Ecoresult B.V.
Deel van het net buiten het plangebied gelegen deel van het park aan de oostzijde van het laantje. Foto: K. de Vries | Ecoresult B.V.
Oostzijde van het Kerkheem met een deel van het dakpannendak. Foto: K. de Vries | Ecoresult B.V.
43
Aanvullend onderzoek sperwer, vleermuizen en eekhoorn In het kader van de Wet natuurbescherming Plangebied: De Pastorietuin, Voorthuizen Opsteller(s): K. de Vries & F.A. van Meurs
Nader onderzoek sperwer, vleermuizen en eekhoorn In het kader van de Wet natuurbescherming
Ondertitel
Plangebied: De Pastorietuin, Voorthuizen
Opsteller(s)
K. de Vries & F.A. van Meurs
Datum
02-10-2020
Versienummer
01
Rapportkenmerk
ER20200921v01
Aantal pagina's
37
Opdrachtgever
Van Bekkum Projecten B.V.
Contactpersoon
C. van Meijeren
Kwaliteitscontroleur
F.A. van Meurs
Wijze van citeren
Vries K. de & F.A. van Meurs. 2020. Aanvullend onderzoek sperwer, vleermuizen en eekhoorn. In het kader van de Wet natuurbescherming Plangebied: De Pastorietuin, Voorthuizen. Kenmerk ER20200921v01. Ecoresult B.V., Dordrecht.
Ecoresult B.V. Van Ravesteyn-erf 156 3315 DK Dordrecht 078 75 184 12 info@ecoresult.nl www.ecoresult.nl
© copyright Ecoresult B.V. 2020 Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar worden gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of welke wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de auteursrechthebbende. Ecoresult B.V. kan door opdrachtgever niet aansprakelijk worden gesteld voor schade die voortvloeit uit gebruik van data of gegevens of door toepassing van aanbevelingen en conclusies, die zijn opgenomen in deze rapportage.
INHOUDSOPGAVE
1 Inleiding........................................................................................................................................ 5 1.1 Aanleiding............................................................................................................................... 5 1.2 Onderzoeksvragen.................................................................................................................5 1.3 Leeswijzer............................................................................................................................... 5 2 Beschrijving plangebied...............................................................................................................7 2.1 Algemeen............................................................................................................................... 7 2.2 Beschrijving............................................................................................................................ 7 2.3 Geplande ingrepen.................................................................................................................
9 2.3.1 Omschrijving werkzaamheden..........................................................................................9 2.3.2 Werkplanning, werktijden en realisatieperiode................................................................10 2.3.3 Methode uitvoering: materieel en werkwijze...................................................................10 2.3.4 (ontwerp-)tekening..........................................................................................................10 3 Onderzoek beschermde soorten...............................................................................................13 3.1 Werkwijze.............................................................................................................................. 13 3.2 Navolgbaarheid onderzoek..................................................................................................16 3.2.1 Algemeen....................................................................................................................... 16 3.2.2 Sperwer.......................................................................................................................... 16 3.2.3 Vleermuizen....................................................................................................................
16 3.2.4 Eekhoorn......................................................................................................................... 17 4 Resultaten nader onderzoek......................................................................................................19 4.1 Vleermuizen.......................................................................................................................... 19 4.1.1 Gewone dwergvleermuis................................................................................................20 4.1.2 Laatvlieger...................................................................................................................... 22 4.1.3 Rosse vleermuis.............................................................................................................. 23 4.1.4 Gewone grootoorvleermuis.............................................................................................24 4.1.5 Overige vleermuissoorten...............................................................................................24 4.2 Sperwer................................................................................................................................ 24 4.3 Eekhoorn..............................................................................................................................
25 4.3.1 Resultaten cameraonderzoek.........................................................................................25 4.3.2 Resultaten veldonderzoek..............................................................................................26 4.4 Conclusie onderzoeksresultaten...........................................................................................27 5 Effectbeoordeling....................................................................................................................... 29 5.1 Vleermuizen.......................................................................................................................... 29 5.1.1 Gewone dwergvleermuis................................................................................................29 5.1.2 Laatvlieger...................................................................................................................... 30 5.1.3 Rosse vleermuis.............................................................................................................. 30 5.1.4 Gewone grootoorvleermuis.............................................................................................30 5.1.5 Overige soorten..............................................................................................................
31 5.2 Sperwer................................................................................................................................ 31 5.2.1 Overige vogelsoorten......................................................................................................31 5.3 Eekhoorn.............................................................................................................................. 31 6 Maatregelen............................................................................................................................... 33 7 Conclusies en aanbevelingen....................................................................................................35 7.1 Conclusies............................................................................................................................ 35 7.2 Aanbevelingen...................................................................................................................... 36 8 Geraadpleegde bronnen............................................................................................................ 37 8.1 Literatuur.............................................................................................................................. 37 8.2 Internet................................................................................................................................. 37
1 Inleiding
1.1 Aanleiding In opdracht van Van Bekkum Projecten B.V. heeft Ecoresult B.V. een aanvullend onderzoek naar sperwer, vleermuizen en eekhoorn uitgevoerd in het plangebied: De Pastorietuin, Voorthuizen. De aanleiding voor dit verzoek is de voorgenomen herontwikkeling binnen het plangebied, waaronder sloop en nieuwbouw en verwijderen van begroeiing (zie paragraaf 2.3). Uit een verkennend veldonderzoek uitgevoerd door Ecoresult B. V. in 20201 is gebleken dat in het plangebied potenties aanwezig zijn voor voortplantings- en vaste rust- en verblijfplaatsen van sperwer, vleermuizen (baardvleermuis, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis) en eekhoorn. Zodoende was nader onderzoek naar deze soortgroepen noodzakelijk om te vast te stellen of deze soorten inderdaad aanwezig zijn en zo ja, hoe in het kader van de Wet natuurbescherming gehandeld dient te worden. In voorliggende rapportage worden de onderzoeksresultaten beschreven. De resultaten van voorliggende rapportage zijn drie jaar geldig. Mochten de voorgenomen ontwikkelingen wijzigen dient het onderzoek te worden geactualiseerd.
1.2 Onderzoeksvragen In het onderzoek worden 5 onderzoeksvragen beantwoord: 1. Zijn sperwer, vleermuizen en/of eekhoorn aanwezig? 2. Welke functie(s) heeft het object of het gebied voor sperwer, vleermuizen en/of eekhoorn? 3. Blijft de functionaliteit van de voortplantingsplaatsen, vaste rust- of verblijfplaatsen en/of het essentiële functionele leefgebied behouden? 4. Is ontheffing op de Wet natuurbescherming noodzakelijk? 5. Welke eigenschappen van het object of gebied moeten gemitigeerd of gecompenseerd worden?
1.3 Leeswijzer In deze rapportage worden allereerst het plangebied en de geplande activiteiten 1
De Vries, 2020
5
beschreven. Hierna volgt een beschrijving van de werkwijze van het onderzoek, de resultaten van het onderzoek en een effectbepaling van de geplande werkzaamheden. Aansluitend wordt beschreven welke maatregelen genomen dienen te worden negatieve effecten te voorkomen of te verminderen. Er wordt afgesloten met de conclusies en aanbevelingen.
6
2 Beschrijving plangebied
2.1 Algemeen Het plangebied, De Pastorietuin, ligt in het noorden van de bebouwde kom van Voorthuizen, gemeente Barneveld, liggende in de provincie Gelderland (Zie Afbeelding 1). Het plangebied betreft een kerkelijk centrum en een bosplantsoen wat binnen het ingekaderde plangebied valt.
Afbeelding 1: Ligging van het plangebied (rood omlijnd). Voor de regionale ligging, zie kaartinzet rechtsboven. Bron: PDOK
2.2 Beschrijving Het plangebied betreft: • Een kerkelijk centrum (waarin gevestigd het kerkelijk bureau en enkele zalen), gebouwd na de jaren 70 van de 20ste eeuw. Dit is het Kerkheem. • Het Kerkheem is opgetrokken uit baksteen en heeft twee bouwlagen. • De dakbedekking bestaat uit dakpannen. • Plaatselijk zijn dakoverstekken aanwezig, plaatselijk sluiten de dakpannen nauw aan op de gevels. Onder de laatste rij dakpannen net boven de dakgoot zijn vogelschroten aangebracht. 7
• • • •
•
•
•
• •
• • • • • • • •
8
In de gevels zijn onder de dakoverstekken open stootvoegen aanwezig die toegang bieden tot de luchtspouw. Uitpandige regenpijpen zijn aanwezig. Het terrein rondom het Kerkheem gebouw is aan de noordzijde verhard met tegels en aan de zuidzijde onverhard (grind/zand). Langs de westgevel van het gebouw zijn enkele (overwegend) loofbomen (waaronder zomereik en beuk). Langs de west- en oostzijde van het gebouw zijn tevens verschillende soorten algemeen voorkomende tuinplanten aangeplant (waaronder hulst). De zuidzijde van het Kerkheem bestaat uit oud bos, voormalige pastorietuin. In dit parkje zijn verschillende soorten loofbomen (beuk, eik, acacia, kastanje, waaronder monumentale bomen) Tussen de bomen is een struiklaag met soorten als braam, rododendron en hulst aanwezig. Alleen het meest noordelijke deel van dit bosplantsoen valt binnen het plangebied. In een aantal grote bomen zijn (naar verwachting) holten aanwezig, die vanwege de grote hoogte en onvindbaarheid (bomen hebben forse hoogte) niet te inspecteren zijn. Het zuidwestelijk deel van het plangebied bestaat uit een sparrenbosje met een karige onderbegroeiing. Het betreft twee derde van het gehele naaldbos. Dit sparrenbosje is in gebrekkige staat van onderhoud. Tussen het sparrenbos en het loofbos loopt een laantje, met schaarse verlichting (bestaande uit lantaarnpalen met gele verlichting).
Het deel van het plangebied aan de oostzijde van de fietsenstalling bestaat uit een bosschage met verschillende lage bomen en struiken zoals coniferen, taxus, ruwe berk,spar, hulst, laurier, klimop en buxus. Deze bosschage ligt tussen de fietsenstalling, de oprijlaan, de achtertuin van Kerkstraat 33 en de noordzijde van het park. Centraal in het plangebied loopt een laantje, met schaarse verlichting (bestaande uit één lantaarnpaal met gele verlichting). Verlichting is aanwezig langs de noordzijde van het Kerkheem. Ten noorden van het plangebied is een kerk aanwezig, met laatmiddeleeuwse kerktoren en een kerkzolder. De kerktoren wordt tijdens duisternis verlicht. De kerk wordt omgeven door grindverharding. Ten noordoosten van het plangebied bevindt zich een oprijlaan met leilindes (vanaf Kerkstraat). Open water is afwezig binnen en grenzend aan het plangebied. Aan de west- en zuidzijde grenst het sparrenbos aan openbare wegen. Aan de noordzijde grenst het plangebied aan een kerkplein.
Afbeelding 2: Bestaande situatie met inmeting van de bomen binnen en grenzend aan het plangebied. Bron: Zebra Architecten. 1533-VTHZ-BWKtekeningen 200716.pdf
2.3 Geplande ingrepen 2.3.1 Omschrijving werkzaamheden De voorgenomen ontwikkelingen betreffen: • De bebouwing van het kerkelijk centrum (het Kerkheem) wordt gedeeltelijk gesloopt, vervolgens zal hier nieuwbouw van 25 woonunits plaatsvinden. • De naaldbomen in het plangebied worden gekapt. Hierna wordt hier een •
parkeerterrein gerealiseerd. De bosschage tussen de fietsenstalling en de achtertuin van Kerkstraat 33 zal
•
worden gekapt. De waardevolle hoge oude bomen aan de zuidkant van het Kerkheem zullen behouden blijven.
9
Afbeelding 3: Overzicht te kappen bomen in rood. Bron: Zebra Architecten. 1533VTHZ-BWK-tekeningen 200716.pdf
2.3.2 Werkplanning, werktijden en realisatieperiode Momenteel vindt de bestemmingsplanprocedure plaats. De bedoeling is in 2021 te starten met de ontwikkeling. Een doorlooptijd is (nog) niet bekend.
2.3.3 Methode uitvoering: materieel en werkwijze De werkzaamheden betreffen sloop van de aanwezige bebouwing, kap van bomen en nieuwbouwwerkzaamheden. Er wordt uit gegaan van volledige herinrichting waarbij gewerkt wordt met zware machines.
2.3.4 (ontwerp-)tekening De ontwerptekening (Zie Afbeelding 4) betreft de versie uit juli 2020.
10
Afbeelding 4: Impressie van de nieuwe situatie. Bron: Zebra Architecten. 1533-VTHZ-BWK-tekeningen 200716.pdf
11
3 Onderzoek beschermde soorten
3.1 Werkwijze De volgende soorten/soortgroepen zijn onderzocht: Sperwer:
Onderzoek naar de aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen en functioneel leefgebied van sperwer binnen het plangebied. Dit onderzoek is uitgevoerd middels 3 bezoeken in de periode april – juni met een periode van tenminste 10 dagen tussen twee bezoeken. Tijdens dit onderzoek zijn ook overige vogelsoorten geregistreerd.
Vleermuizen:
Onderzoek naar de aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen
(zomer-, kraam- en paar- en winterverblijfplaatsen) van vleermuizen (gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, baardvleermuis, laatvlieger, ruige dwergvleermuis en rosse vleermuis) binnen het plangebied conform de condities en methodiek van het meest actuele vleermuisprotocol (Vleermuisprotocol 2017). Eekhoorn: Onderzoek naar de aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen en functioneel leefgebied van eekhoorn binnen het plangebied. Door middel van sporenonderzoek, onderzoek naar individuen en wildcamera-onderzoek. Deze camera heeft op 2 plaatsen binnen het plangebied gehangen en op 1 plaats buiten het plangebied (Zie Afbeelding 5). Bij de derde locatie is de camera opgehangen aan de nestboom. De periode waarin het camera onderzoek heeft plaatsgevonden betrof: • locatie 1: 14-05-2020 tot 27-05-2020 • locatie 2: 27-05-2020 tot 23-06-2020 • locatie 3: 23-06-2020 tot 14-07-2020
13
Afbeelding 5: Locaties waar de wildcamera heeft gehangen van 17 mei t/m 14 juli 2020.
In Tabel 1, Tabel 2 en Tabel 3 wordt een overzicht gegeven van de onderzoeksmomenten, weersomstandigheden en betrokken ecologisch deskundigen tijdens de uitgevoerde veldonderzoeken. Alle betrokken deskundigen hebben aantoonbare ervaring op het gebied van inventariseren van sperwer, eekhoorn en vleermuizen. De veldbezoeken zijn uitgevoerd onder goede weersomstandigheden, conform de beschikbare Kennisdocumenten en het Vleermuisprotocol 2017.
14
1
14-05-2020
Sperwer
2
27-05-2020
Sperwer
3
23-06-2020
Sperwer
Tijd zonsType onderzoekMoment opkomst Voortplantings plaatsen, vaste rust- en verblijfplaatsen en functioneel leefgebied 11u00 – 13u00 05u46 Voortplantings plaatsen, vaste rust- en verblijfplaatsen en functioneel leefgebied 11u30 – 13u30 05u29 Voortplantings plaatsen, vaste rust- en verblijfplaatsen en functioneel leefgebied 05u30 – 07u30 05u19
Onderzoeker
Windkracht (Bft)
Soort
Temperatuur (°C) Neerslag (mm)
Veldbezoek
Datum
K. de Vries
12
0
N2
K. de Vries
20
0
ZW2
K. de Vries
13
0
O2
Moment
Onderzoekers
Temperatuur (°C) Neerslag (mm)
Windkracht (Bft)
19.30 – 23.30 uur
A. van Meurs
12
0
N2
Zomer-, kraamverblijfplaatsen, 16-06-20 Vleermuizen fuctioneel leefgebied
Op 05:18
01. 00– 01.45 uur
A. van Meurs
22
0
NO1
Zomer-, kraamverblijfplaatsen, 16-06-20 Vleermuizen fuctioneel leefgebied
Op 05:18
03.25 – 05.25 uur
A. van Meurs
19
0
NO1
Zomer-, kraamverblijfplaatsen, 14-07-20 Vleermuizen fuctioneel leefgebied
Onder 21:54
21.40 – 23.45 uur
A. van Meurs
12
0
ZW1
Paarverblijfplaatsen, winterverblijfplaatsen, functioneel 28-08-20 Vleermuizen leefgebied Onder 20:28
21.28 – 23.28 uur
K. de Vries
15
0
N2
Paarverblijfplaatsen, winterverblijfplaatsen, functioneel 18-09-20 Vleermuizen leefgebied Onder 19:49
21.45 – 23.45 uur
A. van Meurs
15
0
NO2
Onderzoek
Onder 21:54
Type onderzoek
Zomer-, kraamverblijfplaatsen, 04-06-20 Vleermuizen fuctioneel leefgebied
Datum
Zonop/zononder
Tabel 1: Onderzoeksmomenten sperweronderzoek en weergegevens met eigen waarnemingen in het veld.
Tabel 2: Onderzoeksmomenten vleermuisonderzoek en weergegevens met eigen waarnemingen in het veld.
15
Zonsopkomst
Onderzoeker
Windkracht (Bft)
23-06-2020
Moment
Neerslag (mm)
3
27-05-2020
Type onderzoek
Temperatuur (°C)
2
14-05-2020
Soort
Veldbezoek 1
Datum
Eekhoorn
Voortplantingsplaatsen, vaste rust- en verblijfplaatsen en functioneel leefgebied
11u00 – 13u00
05u46
K. de Vries
12
0
N2
Eekhoorn
Voortplantingsplaatsen, vaste rust- en verblijfplaatsen en functioneel leefgebied
11u30 – 13u30
05u29
K. de Vries
20
0
ZW2
Eekhoorn
Voortplantingsplaatsen, vaste rust- en verblijfplaatsen en functioneel leefgebied
05u30 – 07u30
05u19
K. de Vries
13
0
O2
Tabel 3: Onderzoeksmomenten eekhoornonderzoek en weergegevens met eigen waarnemingen in het veld.
3.2 Navolgbaarheid onderzoek 3.2.1 Algemeen Het onderzoek is uitgevoerd volgens de voor die soort(groep) geldende standaarden. De onderzoeksperiode voor al de betreffende soorten is optimaal. De inventarisatie blijft echter een steekproef. Het is dan ook mogelijk dat soorten en functies niet waargenomen zijn, terwijl dat ze op een ander tijdstip wel aanwezig zijn. Dit is echter acceptabel, de Wet natuurbescherming vraagt een initiatiefnemer om alles te doen wat redelijkerwijs van hem verwacht kan worden. Met de gekozen methode en inspanning is hieraan dan ook voldoende invulling gegeven.
3.2.2 Sperwer Gedurende het sperweronderzoek is een gebied onderzocht dat groter was dan het plangebied. Dit is gedaan om eventuele externe effecten van de werkzaamheden te onderzoeken.
3.2.3 Vleermuizen Het is aannemelijk dat te allen tijde 75% van het plangebied te goed te overzien was. De bebouwing en het aan de bebouwing grenzende bos is beperkt van omvang, waardoor deze in zeer korte tijd was rond te lopen. Ook liep de ervaren onderzoeker contant rond waardoor deze kon inspelen op de actuele situatie. In de schemering tot circa 3 kwartier na invliegen registreerde een automatische batlogger (Elekon Batlogger M) ter plaatse van de noordgevel van het Kerkheem alle passerende vleermuizen. Deze kon ook uitvliegende 16
dieren registreren. Daarnaast is gebruik gemaakt van de volgende typen batdetectors, Petterson D240x en Batscanner Stereo, alsook van warmtebeeldcamera Pulsar Helion XP28, en waar nodig sterke zaklamp met rood filter. Op 4 juni is voor zonsondergang de kerktoren en -zolder onderzocht op aanwezigheid van vleermuizen en sporen van vleermuizen.
3.2.4 Eekhoorn Gedurende het eekhoornonderzoek is een gebied onderzocht dat groter was dan het plangebied. Tijdens het veldonderzoek naar sperwer is tegelijkertijd onderzoek gedaan naar aanwezigheid van eekhoorn. Het onderzoek is uitgevoerd volgens de voor de eekhoorn beschikbare ecologische informatie2. Om vast te stellen of eekhoorn in het plangebied voorkomt is, naast de veldcontroles waarbij gericht is gezocht naar sporen, individuen en boomnesten (zie Tabel 1), ook met een wildcamera aanvullend onderzoek uitgevoerd. De camera’s zijn opgehangen op locaties met een goed overzicht die kansrijk waren voor onderzoek naar aanwezigheid van eekhoorn. Twee locaties lagen binnen het plangebied in het te kappen deel van het park. De 3e locatie lag buiten het plangebied in het deel van het park waar geen werkzaamheden plaats vinden. Deze locatie is gekozen omdat hier een bolvormig nest aanwezig is dat mogelijk door eekhoorn in gebruik is als vaste rust- en verblijfplaats. Bij detectie van beweging werd gedurende 15 seconden een filmpje opgenomen. De camera is op 15 mei 2020 geplaatst door K. de Vries en zijn op 27 mei 2020 en 23 juni 2020 verplaatst naar een andere locatie. De beelden zijn op 21 september 2020 geanalyseerd door K. de Vries.
2
https://www.zoogdiervereniging.nl/zoogdiersoorten/eekhoorn
17
4 Resultaten nader onderzoek
4.1 Vleermuizen Gedurende de veldonderzoeken zijn in totaal drie vleermuissoorten waargenomen (zie Afbeelding 6): • Gewone dwergvleermuis. • Laatvlieger. •
Rosse vleermuis.
Afbeelding 6: In en rondom het plangebied aangetroffen soorten vleermuizen. Kaartbron: Openstreetmaps Tijdens het onderzoek van de kerkzolder (buiten het plangebied) en toren werden op verschillende plekken uitwerpselen van vleermuizen gevonden. Er werden geen dieren gezien. De uitwerpselen betroffen van gewone grootoorvleermuis, dwergvleermuis spec. (beide in de toren en op de zolder), en van een of meer grotere soorten op de zolder tegen 19
de zuidwand van de toren aan. Deze sporen wijzen op de aanwezigheid van vaste rust en verblijfplaatsen van vleermuizen in de kerk. Aantallen dieren en soorten kunnen op basis van het aantal sporen niet worden benoemd.
4.1.1 Gewone dwergvleermuis Tijdens alle veldbezoeken in het kader van het vleermuisonderzoek (Tabel 2) werden 31 waarnemingen van gewone dwergvleermuizen geregistreerd (zie Afbeelding 7); 17 in het voorjaar en 14 in het najaar.
Afbeelding 7: Waarnemingen van gewone dwergvleermuis en waargenomen gedrag. De waarnemingen van foeragerende dieren betreffen steeds 1 dier, behalve binnen de groene cirkel. Dit betreffen waarnemingen van meerdere dieren tegelijkertijd. Kaartbron: Openstreetmaps Vaste rust- en verblijfplaatsen • •
20
In het plangebied zijn geen vaste rust- en verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis aangetroffen. Buiten het plangebied bevindt zich een kraamkolonie aan de achtergevel van de woning aan de Jan Steenstraat 50 (Zie Afbeelding 7).
Afbeelding 8: De kraamverblijfplaats aan de Jan Steenstraat 50. Videostill van warmtebeeldcamera. Warme objecten lichten op. De kleine stipjes in de lucht betreffen gewone dwergvleermuizen. Vliegrichting naar de invliegopening onder de nokpan is met rode lijn gemarkeerd. Functioneel leefgebied •
•
•
Het laantje in het bos tussen de kerk en de Jan Steenstraat wordt als vliegroute gebruikt door een substantieel deel van de kraamkolonie uit de Jan Steenstraat. Ook in het najaar zijn meerdere waarnemingen verricht van dieren op vliegroute in en uit het laantje. Voor deze dieren is het een essentiële vliegroute. De aanwezige gele verlichting vormt hier geen belemmering voor de dieren. Hoewel er rondom het plangebied meerdere geschikte lijnvormige elementen aanwezig zijn die als vliegroute kunnen worden gebruikt, vliegt veruit de overgrote meerderheid van de gewone dwergvleermuis via het laantje door het bos vanuit noordelijke en noordoostelijke richting van en naar het plangebied. De overige structuren, Jan Steenstraat, Kerkstraat en Rembrandstraat worden nauwelijks gebruikt als vliegroute. Het bos, waar ook het zuidelijk deel van het plangebied toe behoort, wordt als foerageergebied gebruikt door gewone dwergvleermuizen uit de directe omgeving van het plangebied. Na uitvliegen en tijdens winderige avonden foerageren meerdere dieren tegelijk onder de beschutting van de hoge bomen. Dit foerageergebied is essentieel. In de directe omgeving is geen vergelijkbaar bos met 21