CConstaterende datBarneveld
Koppel je AI →
Document · PDF

Jan van der Heydenstraat I_Toelichting

Gemeenteraad 3 juli 2024, gemeente BarneveldBij agendapunt: Bestemmingsplan Jan van der Heydenstraat I in Kootwijkerbroek17.268 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Jan van der Heydenstraat I

(juli 2024) bestemmingsplan Plannr. 1767

Jan van der Heydenstraat I

Inhoudsopgave

Toelichting Hoofdstuk 1

5 INLEIDING

5

Hoofdstuk 2 BESTAANDE SITUATIE 2.1 Begrenzing plangebied 2.2 Geldende bestemmingen

6 6 6

Hoofdstuk 3

8

PLANBESCHRIJVING

Hoofdstuk 4 BELEIDSKADER 4.1 Inleiding 4.2 Rijk 4.3 Provincie 4.4 Regio 4.5 Waterschap 4.6 Gemeente

10 10 10 11 13 14 15

Hoofdstuk 5 RANDVOORWAARDEN 5.1 Bodem 5.2 Cultuurhistorie 5.3 Ecologie 5.4 Externe veiligheid 5.5 Geluid 5.6 Geur 5.7 Ladder voor duurzame verstedelijking 5.8 Leidingen en laagvliegroutes 5.9 Luchtkwaliteit 5.10 Milieueffectrapportage 5.11 Milieuzonering 5.12 Natuur en landschap 5.13 Ontplofbare oorlogsresten 5.14 Veiligheid en gezondheid 5.15 Verkeer 5.16 Water

22 22 23 24 26 27 28 28 29 29 29 31 31 32 33 34 34

Hoofdstuk 6 JURIDISCHE ASPECTEN 6.1 Juridische aspecten 6.2 Handhaving

35 35 39

Hoofdstuk 7 ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID 7.1 Kostenverhaal en zekerstellingen

41 41

Hoofdstuk 8 OVERLEG EN MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID 8.1 Participatie 8.2 Overleg ex artikel 3.1.1 Bro 8.3 Inspraak 8.4 Zienswijzen

42 42 42 43 43

Bijlagen bij de toelichting Bijlage 1

Historisch vooronderzoek bodem

Bijlage 2

Verkennend bodem- en asbestonderzoek

Bijlage 3

AERIUS aanlegfase

2

"Jan van der Heydenstraat I" (vastgesteld)

Jan van der Heydenstraat I

Bijlage 4

AERIUS gebruiksfase

Bijlage 5

Quickscan

Bijlage 6

Akoestisch onderzoek

Bijlage 7

Beplantingsplan

Bijlage 8

Memo buurtonderzoek

Bijlage 9

Nota zienswijzen

"Jan van der Heydenstraat I" (vastgesteld)

3

Jan van der Heydenstraat I

4

"Jan van der Heydenstraat I" (vastgesteld)

Jan van der Heydenstraat I

Toelichting Hoofdstuk 1

INLEIDING

Voor ongenummerde percelen met bijgebouw aan de Jan van der Heydenstraat (ten oosten van Essenerweg 17-19) in Kootwijkerbroek (kadastraal bekend als gemeente Garderen, sectie G, nummers 3430 en 4794) is een verzoek ingediend om drie woningen te realiseren. Op de onderstaande afbeelding is met een rood kruis de globale ligging van het plangebied aangeduid.

Afbeelding globale ligging locatie

De uitvoering van dit plan is niet mogelijk binnen het geldende bestemmingsplan. Daarom is voorliggende herziening van het bestemmingsplan opgesteld. Voorliggend plan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De toelichting is opgebouwd uit acht hoofdstukken. Na dit hoofdstuk beschrijft hoofdstuk 2 de bestaande situatie. Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 een beschrijving van het plan gegeven. Hoofdstuk 4 gaat vervolgens in op het beleidskader. Het vijfde hoofdstuk gaat in op de randvoorwaarden, waarna in het zesde hoofdstuk de juridische aspecten worden besproken. In hoofdstuk 7 is aandacht voor de economische uitvoerbaarheid. Hoofdstuk 8 gaat in op de resultaten van de procedure ten behoeve van dit bestemmingsplan.

"Jan van der Heydenstraat I" (vastgesteld)

5

Jan van der Heydenstraat I

Hoofdstuk 2 2.1

BESTAANDE SITUATIE

Begrenzing plangebied

Het plangebied ligt aan Jan van der Heydenstraat in de kern Kootwijkerbroek. Het plangebied wordt aan de noord- en oostzijde begrensd door woningen aan de Magirusstraat. De grens aan de zuidzijde wordt gevormd door Jan van der Heydenstraat. Woningen aan de Essenerweg vormen de grens aan de westzijde. Onderstaande afbeelding geeft de begrenzing van het plangebied weer.

Afbeelding plangebied (luchtfoto 2022)

2.2

Geldende bestemmingen

2.2.1

Bestemmingsplan

Het plangebied ligt in het bestemmingsplan "Kootwijkerbroek-Stroe" en heeft de bestemmingen 'Wonen-1' (artikel 19) met bouwaanduiding 'twee-aaneen' en (deels) maatvoering 'maximum oppervlakte' 225 m², 'Tuin', 'Verkeer' en dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1'. Tevens valt de locatie binnen de aanduiding 'vrijwaringszone - molenbiotoop'. Deze gronden zijn ook bestemd voor de bescherming van de werking van de molen en de waarde van de molen als landschapsbepalend element. Op grond van het bepaalde in artikel 19.2.1 mag er niet worden gebouwd, omdat er geen bouwvlak is opgenomen. In het bestemmingsplan is wel een wijzigingsbevoegdheid (artikel 19.7) opgenomen, maar deze kan hier niet worden toegepast. Dit omdat ook de bestemmingen 'Tuin' en 'Verkeer' aanpassing behoeven en daar geen wijzigingsbevoegdheid voor geldt. Realisatie van drie woningen is binnen deze bestemmingen dus niet toegestaan.

6

"Jan van der Heydenstraat I" (vastgesteld)

Jan van der Heydenstraat I

Afbeelding ruimtelijkeplannen.nl Tevens geldt voor het perceel het bestemmingsplan "Parapluherziening Cultuurhistorie-Archeologie". Het perceel heeft hierin de bestemming 'Waarde - Archeologie 1'. Hiermee is de dubbelbestemming 'Waarde Archeologie 1' uit het bestemmingsplan "Kootwijkerbroek-Stroe" komen te vervallen. In het bestemmingsplan zijn geen mogelijkheden opgenomen die uitvoering van voorliggend plan mogelijk maken, bijvoorbeeld door wijziging of afwijken met een omgevingsvergunning. Daarom is een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk. 2.2.2

Voorbereidingsbesluit

Er geldt overigens ook een voorbereidingsbesluit van de Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening met betrekking tot hyperscale datacenters op deze locatie. Nu het plan geen hyperscale datacenter mogelijk maakt, is dit voorbereidingsbesluit niet relevant voor het voorliggende plan.

"Jan van der Heydenstraat I" (vastgesteld)

7

Jan van der Heydenstraat I

Hoofdstuk 3

PLANBESCHRIJVING

Op het perceel wordt het bestaande (bedrijfs)gebouw gesloopt. Verzocht is drie aaneengesloten woningen te realiseren op de vrijkomende locatie. Er worden zeven parkeerplaatsen aangelegd, waarvan vijf in de openbare ruimte en twee op eigen terrein. Het plan is vergezeld van een groenplan. Het perceel kent op dit moment geen actieve gebruiksinvulling. De aanwezige loods werd tot voor kort nog als een opslagloods benut maar wordt al even niet meer als zodanig ingezet vanwege de bouwkundige staat van onderhoud. De loods is bovendien voorzien van een asbesthoudend dak, zodat het bouwwerk bij een eventuele calamiteit een reëel risico kan vormen voor de omliggende woonomgeving. Het onbebouwde deel is voor een groot deel verhard maar behoorlijk overwoekerd door onkruid. Door de staat en ligging van het terrein komt het met regelmaat voor dat (tuin)afval wordt geloosd. Visie De gemeenteraad heeft bij het bestemmingsplan "Kootwijkerbroek-Stroe" een ruimtelijke visie vastgesteld. De locatie is volgens deze visie gelegen in een woongebied. Het woongebied bestaat uit uitsluitend wonen en het uitgangspunt is dat dit niet verandert (verkleurt) en dat er dus andere functies worden toegevoegd anders dan ondergeschikte aan huis-gebonden beroepen. Het verzoek voor woningbouw past binnen de visie.

Stedenbouw Het plan sluit met dorpse variatie aan op de zijgevels van de hoofdbebouwing van de naast gelegen kavels. Daardoor is ook haaks parkeren voor de woningen mogelijk. Door de terugliggende positie worden heersende zichtlijnen langs de rooilijn niet onderbroken. De verspringing ten opzichte van de bijgebouwen geeft het ook een dorps karakter. De topgevel in combinatie met de langsgevel ondersteunt dit verder. De goot- en bouwhoogte sluiten aan op de omgeving ook de lengte van de voorgevel/rooilijn is aansluitend op wat er in de omgeving aanwezig is. Nu is een grote loods aanwezig; vervanging van deze loods door woningen op een iets andere locatie leidt naar verwachting tot een betere levenssfeer van derden. Door de tuin van de nieuwe woningen zal de leefbaarheid naar verwachting verbeteren. De toename van verharding is beperkt. Inpassing van groen is gewenst om de tuinen daadwerkelijk groen te houden. Er is geen beeldkwaliteitsplan nodig voor dit postzegelplan. Het plan moet voldoen aan de reguliere eisen uit de welstandsnota voor dit gebied. Dit wil zeggen dat het moet aansluiten op de karakteristieken van de bebouwing in de omgeving (gevels, materialen, kleur). Vanuit stedenbouw en de dorpsbouwmeester wordt akkoord gegaan met de voorlopige opzet en gevelindeling.

Afbeelding voorlopige schetsontwerp

8

"Jan van der Heydenstraat I" (vastgesteld)

Jan van der Heydenstraat I

Wonen De vraag naar woningen is groot. Het realiseren van de gevraagde woningen past binnen de wens meer woningen, en dan specifiek in de kernen, te bouwen. In de gemeentelijke woonvisie Woonvisie 2021-2025 'Wonen voor Jong en Oud' is een streefprogramma opgenomen dat uitgaat van een differentiatie goedkoop/middelduur/duur in de totale gemeentelijke woningbouwprogrammering. De middenwoning wordt als sociale koopwoning (laag) worden aangeboden. De woning aan de noordoostzijde zal in de klasse sociale koop hoog worden aangeboden en de andere eindwoning als 'betaalbaar' (= maximaal € 355.000,00). Er wordt hiermee voldaan aan de woonvisie. Overig De gemeente is bereid een deel van de grond om niet over te nemen nu hier in de nieuwe situatie vijf openbare parkeerplaatsen komen. Deze parkeerplaatsen zullen door ons, op kosten van initiatiefnemer worden aangelegd. Het plan voorziet in de aanplant van vijf bomen op de achterpercelen en zes bomen in het voorerf.

"Jan van der Heydenstraat I" (vastgesteld)

9

Jan van der Heydenstraat I

Hoofdstuk 4 4.1

BELEIDSKADER

Inleiding

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het relevante beleidskader. Het gaat om beleid en beleidsnota's die direct dan wel indirect doorwerken in het bestemmingsplan of invloed hebben op de bestemmingsregelingen. Van deze nota's is hierna per bestuursniveau een beknopte samenvatting gegeven.

4.2

Rijk

4.2.1

Nationale Omgevingsvisie

Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) 'Duurzaam perspectief voor onze leefomgeving' in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven, zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw, zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI bevat een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.

ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio's; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond. Doorwerking in plangebied Het beoogde plan is een kleinschalig plan dat voorziet in woningbouw op een inbreidingslocatie. Het is in lijn met de prioriteiten. De NOVI vormt daarom geen belemmering voor dit plan. 4.2.2

Nationaal Waterplan 2016-2021

Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is de opvolger van het Nationaal Waterplan 2009-2015. Het bevat de hoofdlijnen van het nationaal waterbeleid en de aspecten van het ruimtelijk beleid die daartoe behoren. Het Nationaal Waterplan verankert het nieuwe beleid voor de komende 6 jaar met een vooruitblik richting 2050: Nederland, een veilige en leefbare delta, nu en in de toekomst. In het Nationaal Waterplan staan 5 ambities centraal. Nederland moet de veiligste delta in de wereld blijven. Deze ambitie wordt vooral ingevuld door onze veiligheidsnormen tegen overstroming te vernieuwen. Daarnaast wordt ingezet op een verbetering van de waterkwaliteit (meststoffen, bestrijdingsmiddelen, medicijnresten, microplastics). Dit zorgt ervoor dat de Nederlandse wateren schoon en gezond zijn en er genoeg zoet water is. Verder beschrijft het Nationaal Waterplan dat Nederland klimaatbestendig en waterrobuust wordt ingericht en dat Nederland een gidsland is en blijft voor watermanagement en -innovaties. Dat is gunstig voor onze economie en ons verdienvermogen. De vijfde ambitie bestaat eruit dat Nederlanders waterbewust leven. Deze ambities moeten gezamenlijk ingevuld worden door iedereen die werkt aan de ruimtelijke inrichting van Nederland: alle overheden, bedrijven, maatschappelijke organisaties en kennisinstellingen.

Doorwerking in plangebied De bevindingen en resultaten van de watertoets zijn beschreven in de waterparagraaf (§ 5.16). 4.2.3

Crisis- en herstelwet

Op 1 januari 2010 is de Crisis- en herstelwet (Chw) in werking getreden. Deze wet geeft regels met betrekking tot versnelde ontwikkeling en verwezenlijking van ruimtelijke en infrastructurele projecten. Op 25 april 2013 is de Crisis- en herstelwet via een wijzigingswet permanent gemaakt en zijn 10

"Jan van der Heydenstraat I" (vastgesteld)

Jan van der Heydenstraat I verbeteringen op het terrein van het omgevingsrecht doorgevoerd (zie kamerstukken 33.135). De Chw omvat twee categorieën maatregelen: tijdelijke maatregelen voor afgebakende lijsten met projecten en bevoegdheden; wijzigingen van bijzondere wetten. In Bijlage I van de Chw worden onder meer de volgende ruimtelijke en infrastructurele projecten genoemd, waarop de wet van toepassing is: zeer diverse projecten op het gebied van duurzame energie; gebiedsontwikkeling en werken van lokaal of regionaal belang, onderverdeeld in: 1. een bestemmingsplan voor de bouw van meer dan 11 woningen in een aaneengesloten gebied, of de herstructurering van woon- en werkgebieden; 2. een bestemmingsplan voor de aanleg of wijziging van wegen; 3. projecten ten behoeve van de inpassing in het landschap, natuurontwikkeling of recreatiedoeleinden, waar deze samenhangen met projecten ten aanzien van de in bijlage I bedoelde projecten ten aanzien van wegen. Doorwerking in plangebied In dit geval is de Crisis- en herstelwet niet van toepassing, want het plan voorziet in minder dan 11 woningen.

4.3

Provincie

4.3.1

Omgevingsvisie en Omgevingsverordening

Algemeen De provincie Gelderland heeft een Omgevingsvisie en -verordening. Deze plannen gaan over verkeer, water, natuur, milieu en ruimtelijke ordening. De Omgevingsvisie beschrijft de lange termijn ambities en beleidsdoelen voor de fysiek leefomgeving. In de Omgevingsverordening zijn regels en bepalingen over de inrichting en beheer van de ruimtelijke omgeving vastgelegd. Met de Omgevingsvisie en -verordening loopt de provincie vooruit op de aankomende Omgevingswet, die 1 januari 2024 van kracht wordt. Deze wet biedt meer ruimte voor initiatieven en ontwikkelingen in het fysieke domein, in gesprek met de omgeving. Wanneer het nodig is, actualiseert de provincie onderdelen van de Omgevingsvisie en -verordening. Vanaf 2019 actualiseert de provincie de Omgevingsverordening opnieuw, zodat deze verder in lijn wordt gebracht met de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland en anticipeert op de eisen van de Omgevingswet. 4.3.1.1

Omgevingsvisie

Provinciale staten van Gelderland hebben op 19 december 2018 de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland vastgesteld. De Omgevingsvisie Gaaf Gelderland 2018 vervangt na publicatie de Omgevingsvisie Gelderland 2014-2018. De Omgevingsvisie Gaaf Gelderland 2018 gaat in de breedte over het beleid van de provincie voor de fysieke leefomgeving. Anders dan de Omgevingsvisie Gelderland 2014-2018, geeft de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland 2018 richting op de strategische hoofdlijnen van het beleid. Beide visies integreren een vijftal wettelijk verplichte planfiguren voor het provinciaal beleid voor de leefomgeving; te weten ruimte, natuur, water, milieu en verkeer en vervoer. Gelderland werkt samen met partners aan een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland. Dit doen ze door zich bij het uitvoeren van onze taken te richten op een duurzaam, verbonden en economisch krachtig Gelderland. Met hulp van zeven onderwerpen geven ze hier richting aan: energietransitie klimaatadaptatie circulaire economie biodiversiteit bereikbaarheid economisch vestigingsklimaat woon- en leefklimaat Doorwerking in plangebied Dit plan voorziet in kleinschalige woningbouw. Er wordt gesloopt en het perceel wordt landschappelijk ingepast. Het plan is daarmee in overeenstemming met de Omgevingsvisie.

"Jan van der Heydenstraat I" (vastgesteld)

11

Jan van der Heydenstraat I

4.3.1.2

Omgevingsverordening

De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de provincie Gelderland. Dit betekent dat alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. De Omgevingsverordening Gelderland heeft de status van ruimtelijke verordening, milieuverordening, waterverordening en verkeersverordening. De 'Ruimtelijke Verordening Gelderland' en de 'Ruimtelijke Verordening Gelderland, eerste herziening', zijn ingetrokken. De Omgevingsverordening is met ingang van 17 oktober 2014 in werking getreden. De provincie actualiseert regelmatig de Omgevingsverordening. In de Omgevingsverordening is het plangebied opgenomen op de kaarten: Kaart 2: Regels Glastuinbouw Kaart 9: Regels Water en Milieu Kaart 10: Regels Erfgoed Eerst wat betreft glastuinbouw. Het bestemmingsplan voorziet niet in glastuinbouw. Dan wat betreft water en milieu: het plangebied maakt deel uit van 'intrekgebieden'. Een intrekgebied is een beschermingsgebied grondwater waar het grondwater binnen duizend jaar bij een pompput voor de openbare drinkwatervoorziening kan zijn. In de Omgevingsverordening is bepaald dat het verboden is in een intrekgebied werken tot stand te brengen of handelingen te verrichten ten behoeve van de winning van fossiele energie. In het voorliggende bestemmingsplan is dit niet aan de orde.

Vanuit deze kaarten behorend bij de Omgevingsverordening volgen geen specifieke aanduidingen die relevant zijn voor het plan. De gronden vallen volgens de kaart 10 Regels Erfgoed binnen de aanduiding molenbiotoop.

Afbeelding uitsnede kaart 10 Regels Erfgoed Omgevingsverordening Een bestemmingsplan maakt voor gronden binnen een molenbiotoop geen nieuwe bebouwing of beplanting mogelijk als daardoor de windvang van de molen wordt beperkt. In dit geval gaat het om de molenbiotoop van de Puurveense molen. Dit is een stellingmolen die sinds 2015 gevestigd is aan de rand van het dorp Kootwijkerbroek. De afstand van de nieuwe woningen tot de molen bedraagt ongeveer 310 m. Er mag volgens de berekening behorend bij de molenbiotoop niet hoger worden gebouwd dan: a. binnen een afstand van 100 m van de molen: de bouwhoogte die gelijk is aan de hoogte van de onderste punt van de verticaal staande wiek van de molen;buiten een zone vanaf 100 m van de molen: b. de bouwhoogte genoemd onder a vermeerderd met 1/50 van de afstand tussen het bouwwerk en de 100 m zone vanaf de molen. De onderste punt van de verticale wiek van de betreffende molen ligt op circa 9,6 meter vanaf het vloerpeil van de molen. Daarmee is de toegestane hoogte 9,6 + 1/50 x 210 = 13,80 meter. Hier wordt met de bebouwing ruimschoots onder gebleven. Kortom, de woningen met een maximale bouwhoogte van 9 meter (na afwijking van 10% maximaal 9,9 meter) hebben geen effect op de windvang van de molen. Het plan maakt geen hogere bebouwing mogelijk. Er worden tevens geen bomen aangeplant waarvan te verwachten is dat ze hoger groeien. 12

"Jan van der Heydenstraat I" (vastgesteld)

Jan van der Heydenstraat I

Tot slot moet het plan worden getoetst aan de instructieregels van de provincie. Hieronder zal worden ingegaan op Wonen en Klimaatadaptie. Wonen In de verordening is een instructieregel opgenomen over de doorwerking regionale woonagenda. Op grond van het bepaalde in artikel 2.2 van de Omgevingsverordening maakt een bestemmingsplan alleen nieuwe woningen mogelijk als die ontwikkeling past binnen een door gedeputeerde staten vastgestelde woonagenda. Onderhavig plan past hierbinnen. In hoofdstuk 3 onder het kopje Wonen is dit nader uiteengezet. Klimaatadaptatie In artikel 2.65b van de provinciale verordening is een artikel opgenomen over klimaatadaptatie. Bij plannen moet hierop worden ingaan. Het artikel bepaalt dat voor zover een bestemmingsplan een nieuwe activiteit of ontwikkeling mogelijk maakt, de toelichting bij het bestemmingsplan een beschrijving dient te bevatten van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de risico's van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. In de beschrijving worden in ieder geval de volgende aspecten betrokken: a. b. c. d.

waterveiligheid; wateroverlast; droogte; en hitte.

Veranderende klimaatomstandigheden dwingen ons ertoe maatschappelijk aandacht te besteden aan de gevolgen ervan. Door tijdig maatregelen te nemen kunnen wateroverlast, overlast van hitte en aantasting van natuur wellicht in redelijke mate worden voorkomen. Door het afvloeiende hemelwater op te slaan in een pakket infiltratiekratten wordt het rioolstelsel ontzien en houden we het hemelwater langer vast op de plaats waar het valt. Het regenwater op de aanwezige verharding vloeit af naar de omliggende borders en er wordt zo veel als mogelijk gebruik gemaakt van half-open-verharding zodat het hemelwater op natuurlijke wijze in de bodem kan worden opgeslagen. Door de aanplant van vijf bomen in de achterpercelen en zes bomen in het voorerf wordt tevens voorzien in de nodige schaduwwerking op het perceel. Doorwerking in plangebied De regels inzage Glastuinbouw, Water en Milieu en Erfgoed vormen geen belemmering voor dit plan. Ook wordt voldaan aan de instructieregels. Het plan is in overeenstemming met de verordening.

4.4

Regio

4.4.1

Regionaal Adaptatie Plan Vallei en Veluwe

Op 4 december 2020 is het Regionaal Adaptatie Plan Vallei en Veluwe (RAP) ondertekend door de Manifestregio. In de regio werken 28 gemeenten, waterschap Vallei en Veluwe, provincies Utrecht en Gelderland, Vitens, Veiligheidsregio's en Rijkswaterstaat samen op het gebied van klimaatadaptatie. Met het RAP geeft de regio invulling aan de landelijke opgave voor overheden om vanaf eind 2020 klimaatadaptief te werken om in 2050 klimaatbestendig te zijn. Deze opgave komt voort uit het Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie. Het klimaat verandert namelijk snel en merkbaar. Klimaatadaptatie is omgaan met het nieuwe klimaat met extremer weer: heftige buien of juist lange periodes van hitte en droogte. De omgeving waarin we leven, werken en ontspannen, maar ook de manier van leven moeten we daarop aanpassen. In het RAP zijn de regionale aandachtsgebieden voor de komende jaren bepaald, aanvullend op wat elke partij zelf moet of kan doen. Vooraf zijn voor het hele gebied de kwetsbaarheden van wateroverlast, droogte en hitte in kaart gebracht in een klimaateffectatlas. Tevens zijn risicodialogen met elkaar gevoerd over de gevolgen van klimaatverandering en de opgaven voor de regio.

Het RAP is een strategische agenda rondom 4 thema's: Prettig wonen en werken, Aangenaam recreëren, Basisfuncties (elektriciteit, hoofdwegennet, verpleeghuizen, etc.) veilig stellen en Natuurlijk bodem- en watersysteem. Per thema zijn (hoofd)ambities, speerpunten en maatregelen geformuleerd. Het thema prettig wonen ambieert een klimaatbestendige, veilige en gezond ingerichte stedelijke "Jan van der Heydenstraat I" (vastgesteld)

13

Jan van der Heydenstraat I omgeving. Speerpunten zijn Ketenafspraken klimaatbestendig bouwen, Ontwikkelafspraken met woningcoöperaties, Instrumentenmix voor bestaand stedelijk gebied, Stimuleringsregeling klimaatbestendige maatregelen en Hitteplan. Het thema Aangenaam recreëren ambieert een klimaatbestendige, veilige en gezond ingericht recreatief buitengebied. Het speerpunt is Groen-blauwe recreatie. Het thema Basisfuncties ambieert een veilig en robuust ontworpen nutsvoorzieningen en infrastructuur. Speerpunten zijn Natuurbranden preventieplan, Overstromingsbestendige gebieden en gebouwen, (Hoofd)verdeelstations beoordelen en Doorgaande wegen klimaatrobuust. Het thema Natuurlijk bodem- en watersysteem ambieert een klimaatbestendig, robuust en veerkrachtig natuurlijk bodem- en watersysteembeheer. Speerpunten zijn Loofbomen advies, Waterbeschikbaarheidsstrategie, Duurzaam grondwatersysteem en Verkenning regio Vallei en Veluwe – 2120. In Werkplannen wordt concreet aangegeven hoe de ambities in het RAP voor telkens een periode van 2 jaar worden uitgewerkt. De opgaven worden regionaal verdeeld en er worden verbindingen gelegd. Van belang is dat ook inwoners, bedrijven en maatschappelijke organisaties worden betrokken. Doorwerking in plangebied De bevindingen en resultaten van het RAP zijn beschreven in de waterparagraaf (§ 5.16).

4.5

Waterschap

4.5.1

Blauwe Omgevingsvisie 2050

De driedimensionale Blauwe Omgevingsvisie 2050 (BOVI) is de langetermijnvisie van Waterschap Vallei en Veluwe. Met deze BOVI zet Waterschap Vallei en Veluwe op een geheel nieuwe wijze koers naar een duurzame en waterinclusieve leefomgeving. Daarbij kijkt Waterschap Vallei en Veluwe integraal, grensontkennend, over de grenzen van taken en gebieden heen en werkt vanuit de drie zogenoemde waterprincipes: 1. Water is een ordenend principe in de ruimtelijke ordening. 2. Maximaal vasthouden en schoonhouden van water. 3. Partnerschap als watermerk. Deze principes leiden tot één samenhangende weergave van water in het landschap van Vallei en Veluwe: één kringloop van bron tot monding, door stedelijk en landelijk gebied en van boven- en ondergrond. Doorwerking in plangebied De bevindingen en resultaten van de BOVI 2050 zijn beschreven in de waterparagraaf (§ 5.16). 4.5.2

Blauw Omgevingsprogramma 2022-2027Waterschap Vallei en Veluwe

Het Blauw Omgevingsprogramma (BOP) is het waterbeheerprogramma van Waterschap Vallei en Veluwe voor de planperiode 2022-2027. Het gebied, de maatschappelijke thema's en samenwerking met partners zijn meer centraal gezet dan in voorgaande waterbeheerprogramma's. Het waterbeheerprogramma is een kerninstrument onder de Omgevingswet en bevat naast de verplichte onderdelen van het programma (zoals Kader Richtlijn Water (KRW), Richtlijn Overstromings Risico's (ROR), zwemwaterrichtlijn) ook een niet verplicht deel. Het BOP is daarmee het wettelijk instrument van het waterschap om de doelen voor de middellange termijn vast te leggen. In het BOP worden doelen uit de Blauwe Omgevingsvisie 2050 (BOVI2050) doorvertaald naar gebiedsgerichte doelen. De hoofddoelen van het BOP zijn hieronder kort beschreven. Waterveiligheid Een zo goed mogelijke bescherming tegen overstromingen volgens de wettelijke normen. Watersysteem Een toekomstbestendig en klimaatrobuust grond- en oppervlaktewatersysteem, dat passend is ingericht naar de veranderende gebiedswensen. Wonen en zuiveren Een robuust proces voor het verwerken van extreme neerslag en inzameling van stedelijk en industrieel afvalwater in bebouwd gebied, tot aan het lozen van effluent in het watersysteem. Circulaire economie 14

"Jan van der Heydenstraat I" (vastgesteld)

Jan van der Heydenstraat I Volledig circulair opereren in 2050 door anders om te gaan met grondstoffen en goed samen te werken met partners en de omgeving. Energietransitie Het eerste energieneutrale waterschap van Nederland worden om een voorbeeld te zijn op het gebied van de energietransitie. Doorwerking in plangebied De bevindingen en resultaten van het BOP zijn beschreven in de waterparagraaf (§ 5.16).

4.6

Gemeente

4.6.1

Structuurvisie Kernen Barneveld 2022

De gemeenteraad heeft op 22 november 2011 de "Structuurvisie Kernen Barneveld 2022" vastgesteld. De structuurvisie legt de gemeentelijke visie op de toekomstige ruimtelijke ontwikkeling van het eigen grondgebied vast. Het bestemmingsplan zal hierbinnen moeten passen. De structuurvisie bevat een uitvoeringsprogramma. Hierin laat de gemeente zien hoe het voorgenomen beleid gerealiseerd zal worden. In de structuurvisie is een groot aantal ruimtelijke projecten opgenomen, waarvoor investeringen in de openbare ruimte noodzakelijk zijn. Ook is er een groot aantal lopende en potentiële bouwmogelijkheden. Uit de kaart behorende bij de structuurvisie blijkt dat de planlocatie in bestaand bebouwd gebied ligt.

"Jan van der Heydenstraat I" (vastgesteld)

15

Jan van der Heydenstraat I

Afbeelding Structuurvisie Kernen Barneveld 2022 Het plan betreft een inbreidingslocatie. Onder inbreiding wordt verstaan: intensiveren: de ruimte wordt intensiever benut; combineren: de ruimte wordt voor verschillende functies ingericht en gebruikt; revitaliseren: het opknappen en/of opnieuw inrichten van verouderde woongebieden of bedrijventerreinen. De gemeente zal de komende jaren blijven werken aan inbreidingslocaties. Dit is een voortzetting van het huidige beleid. Bij inbreiding gaat aandacht uit naar het realiseren van woningen voor ouderen. Het bouwen op inbreidingslocaties is van belang voor een kwalitatieve ontwikkeling van de kernen. Door de groeiende bevolking kan woningbouw een motor zijn achter lastige herstructureringen. In de tweede plaats liggen meerdere inbreidingslocaties gunstig ten opzichte van voorzieningen, waarmee door woningbouw een belangrijke doelgroep kan worden bediend. Tenslotte kan de herinvulling van inbreidingslocaties bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit en herkenbaarheid van de dorpse structuur. Zowel starters als senioren zijn in Kootwijkerbroek belangrijke doelgroepen. Gelet op de prijsklasse zijn de woningen geschikt voor starters. Doorwerking in plangebied Het plan voor drie woningen is in overeenstemming met deze structuurvisie.

16

"Jan van der Heydenstraat I" (vastgesteld)

Jan van der Heydenstraat I

4.6.2

Dorpsplannen en -visies

In alle dorpen in Barneveld zetten verenigingen plaatselijk belang zich actief in voor de leefbaarheid en toekomst van de dorpen en buurtschappen. Verschillende dorpen hebben in dit kader hun visie op de toekomst vastgelegd in een dorpsplan of –visie of zijn daar mee bezig. De dorpsplannen bevatten zowel een visie op de toekomst als een overzicht van concrete ideeën en wensen om de leefbaarheid van het dorp te versterken en zijn in samenspraak met veel inwoners en de gemeente tot stand gekomen. Vanuit de visie op burgerkracht ('Zelf-samen-gemeente') en netwerksamenleving is in de Strategische Visie 2030 (september 2016) ten aanzien van l de dorpsplannen een voorstel opgenomen om een andere werkwijze te gaan volgen die de plannen een sterkere positie geeft. Op die manier kan recht worden gedaan aan de geleverde inspanningen en de lokaal gemaakte keuzes. Dorpsplannen hebben - waar mogelijk - een positie bij de ontwikkeling en uitvoering van gemeentelijk beleid. Dit geldt in ieder geval voor de recente dorpsplannen (die opgesteld zijn na 2016) die in samenspraak met de gemeente tot stand gekomen zijn. Deze dorpsplannen bevatten een goede weergave van de ideeën en behoeften die er leven in de kernen. De gemeente houdt daarom bij ruimtelijke plannen en –initiatieven rekening met de inhoud van het dorpsplan en kan – indien nodig – hierover in overleg gaan met Plaatselijk Belang.

In de DorpsVisie Kootwijkerbroek 2025 is ten aanzien van wonen onder andere opgenomen dat binnen de bebouwde kom zowel inbreiden als uitbreiden mogelijk is. 'Faciliteer betaalbare woningen' is ook een belangrijk onderdeel van de DorpsVisie. Doorwerking in plangebied De dorpsvisie vormt geen belemmering voor het plan. 4.6.3

Bestemmingsplannen globaal en flexibel

Op 6 mei 2014 heeft de raad de kaderstellende notitie 'Bestemmingsplannen globaal en flexibel' vastgesteld. Met deze notitie geeft de raad voor met name grote(re) uitleggebieden kaders aan om bestemmingsplannen globaal en flexibel te maken, om adequaat te kunnen inspelen op maatschappelijke en marktontwikkelingen. Daarmee ontstaat enige ruimte om een plan te kunnen wijzigen, maar zonder significant verlies van kwaliteit in de openbare ruimte, beeldkwaliteit en rechtszekerheid. Globaal en flexibel zijn twee naast elkaar staande begrippen. Een globaal bestemmingsplan is een bestemmingsplan waarbij de belangrijkste uitgangspunten voor een gebied zijn vastgelegd. In een globaal bestemmingsplan zijn de bouw- en gebruiksmogelijkheden niet vastgelegd of gebonden aan een concreet perceel. Het tegenovergestelde van globaal bestemmen is gedetailleerd bestemmen, want een gedetailleerd bestemmingsplan legt juist wel een eindbeeld vast. Naast het begrip globaal, kennen we ook nog de begrippen star en flexibel. We spreken van een star bestemmingsplan als het niet of nauwelijks mogelijk is om van een bestemmingsplan af te wijken. Flexibel bestemmen is het tegenovergestelde. Flexibel bestemmen laat meer ruimte om in te spelen op initiatieven die niet direct zijn geregeld.

Flexibiliteit is in het bestemmingsplan in te bouwen door te werken met afwijkingsregels, wijzigingsbevoegdheden en uitwerkingsplichten. De notitie richt zich op toekomstige ontwikkelingen in de kernen, waarbij met name is gekeken naar de bestemmingen voor wonen en bedrijven. Doorwerking in plangebied In voorliggend bestemmingsplan zijn de gebruikelijke binnenplanse afwijkingsbevoegdheden, wijzigingsbevoegdheden en uitwerkingsplichten opgenomen. Voor het overige is geen toepassing gegeven aan de kaders uit de notitie, omdat het bestemmingsplan een postzegelplan betreft. 4.6.4

Energiebeleid gemeente Barneveld 2015-2020

De raad heeft in 2015 de Energievisie gemeente Barneveld 2015-2020 ('investeren in Barneveldse bronnen') vastgesteld. Het energievraagstuk staat de laatste jaren landelijk stevig op de (politieke) agenda. Naast het milieumotief en betaalbaarheid zijn ook maatschappelijke verantwoordelijkheid en energie-onafhankelijkheid steeds meer een argument om actie te ondernemen. De gemeente Barneveld voelt de urgentie om een bijdrage te leveren aan een schone, betrouwbare en betaalbare energievoorziening en heeft een doelstelling vastgesteld die hoger ligt dan de landelijke energiedoelstellingen. Woningen en bedrijfspanden moeten de komende jaren fors energiezuiniger worden. Eind 2021 heeft de "Jan van der Heydenstraat I" (vastgesteld)

17

Jan van der Heydenstraat I gemeenteraad "De warmtevisie Barneveld" vastgesteld, dat de basis vormt voor het verminderen van het gebruik (isoleren) en het uitfaseren van het gebruik van aardgas. Vooruitlopend op de nieuwe energiewetgeving en energieneutraliteit in 2050, ziet de gemeente graag dat de woningen en bedrijven aardgasloos en energieneutraal worden gebouwd. Wettelijke eisen Bijna Energie Neutrale Gebouwen (BENG) Voor alle nieuwbouw, zowel woningbouw als utiliteitsbouw, geldt dat aanvragen om een omgevingsvergunning sinds 1 juli 2021 moeten voldoen aan de eisen voor bijna energieneutrale gebouwen (BENG). Warmtepompen Er zijn voorbeelden van geluidsoverlast veroorzaakt door warmtepompen, omdat er bij de plaatsing geen rekening gehouden is met het geluidsaspect of de warmtepomp verouderd is. Een zorgvuldige ruimtelijke inpassing van de warmtepomp is noodzakelijk en er moet voldaan worden aan een acceptabel geluidsniveau. Als het geluidniveau op 5 meter van warmtepomp hoger is dan 30 dB(A) of als dit het geval is bij een kortere afstand tot de buurwoning dan is het toepassen van een geluiddempende omkasting nodig. Hiervoor komen steeds meer innovaties op de markt (bijvoorbeeld in een dummy schoorsteen). Sinds 1 april 2021 worden geluidseisen gesteld aan (nieuw te plaatsen) buiten opgestelde installaties voor warmte- of koude opwekking.

Het gaat hierbij om warmtepompen en airco's die worden toegepast bij woningen en woongebouwen. Deze installaties mogen niet meer dan 40 dB geluid veroorzaken bij de buren. Naar verwachting zal een lucht-warmtepomp worden toegepast met een binnen- en buitenunit. De recente technieken zijn reeds zodanig dat de buitenunit maximaal 38 dB opleveren zodat dit op buurniveau ruimschoots afzwakt tot ten hoogste 36 - 37 dB. De installatie zal derhalve ruim beneden 40 dB uitstoten naar de naburige percelen. Zonnepanelen Gebruik van zonne-energie kan significant bijdragen aan de benodigde duurzame energieopwekking. In dit plan zijn zonnepanelen opgenomen, die direct bij de bouw worden meegenomen. De zonnepanelen zijn geïntegreerd in het ontwerp van het gebouw. Er worden enkele zonnepanelen geplaatst. Dit zal niet enkel zijn ten behoeve van het realiseren van BENG-niveau maar natuurlijk ook als duurzame bijdrage. Als onderdeel van de formele omgevingsvergunningaanvraag een BENG-rapportage worden gevoegd waarin wordt uiteengezet hoe veel panelen worden geplaatst en in welk dakvlak. Duurzaamheid in het openbaar gebied of op eigen terrein Er moet aandacht zijn voor energiezuinige openbare verlichting. Daarbij denken we aan een verlichtingsplan, waarbij zo weinig mogelijk lantaarnpalen worden toegepast, uitgevoerd met (dimbare) LED-lampen.

Daarnaast is het vanuit duurzaamheidsoogpunt van belang om de hoeveelheid materiaalgebruik voor wegen en de verharde oppervlakte in het plangebied zo laag mogelijk te houden. Dat kan worden bereikt door de weglengte en -breedte zoveel mogelijk te beperken en doorlatende verharding toe te passen. Bij de keuze voor het materiaalgebruik heeft de gemeente ook hier de voorkeur voor het gebruik van duurzame materialen, bij zowel productie en gebruik en die bij sloop hergebruikt kunnen worden. De terrassen achter de woningen worden niet aangesloten op de infiltratie maar zodanig aangelegd dat het hemelwater rechtstreeks op de aanliggende borders afstroomt. Datzelfde geldt voor de ontsluitingsverharding aan de voorzijde. De uitwegen worden zo veel als mogelijk als halfverharding uitgevoerd en daar waar dit niet mogelijk is afstromend op aanliggende borders. Klimaat Het klimaat verandert met extremer weer als gevolg. We zullen vaker te maken krijgen met hoosbuien / wateroverlast, langere perioden van droogte en hitte. Het veranderende klimaat vraagt om maatregelen op alle schaalniveaus om de gevolgen voor gezondheid, veiligheid, productiviteit en natuur te beperken. Klimaatbestendig handelen en waterrobuust inrichten wordt vanzelfsprekend in het gemeentebrede beleid en handelen vóór 2020. Zodat in 2050 de fysieke ruimte in 2050 waterrobuust en klimaatbestendig is.

Eén van de maatregelen is het anders omgaan met het inzamelen van en verwerken van hemelwater dat op verhard oppervlak valt, bijvoorbeeld door het aanleggen van groene daken. Zie voor een verdere beschrijving 18

"Jan van der Heydenstraat I" (vastgesteld)

Jan van der Heydenstraat I de waterparagraaf (§ 5.15). Door op een slimme manier om te gaan met (robuust) groen in de openbare ruimte in relatie tot de positionering van de woningen en de productie van zonne-energie op daken van woningen kan het microklimaat in de woningen en in een gebied op een positieve manier beïnvloed worden. 4.6.5

Groenstructuurplan Barneveld (2011)

De doelstelling van het Groenstructuurplan Barneveld (2011) is het beschrijven van de lange termijn visie ten aanzien van de inrichting van het openbaar groen van de gemeente Barneveld om de groenstructuren in en de herkenbaarheid van de kernen te behouden, ontwikkelen en versterken. Om de gewenste groenstructuur te realiseren worden in het groenstructuurplan een aantal verbetervoorstellen gedaan.

Afbeelding gewenste groenstructuur Kootwijkerbroek Voor het plangebied, dat hierboven op de afbeelding met een rode pijl is aangegeven, gelden geen verbetervoorstellen. Doorwerking in plangebied Het groenstructuurplan vormt geen belemmering voor het plan. 4.6.6

Waterplan Barneveld (2005) en Hemelwaterplan 2017-2020'Klimaatactief!'

Het Waterplan geeft een integrale watervisie op het verhogen van de gebruikswaarde en belevingswaarde van water. Door een verantwoord gebruik en duurzame ontwikkeling van het water kan ook in de toekomst gebruik worden gemaakt van een gezond watersysteem. De volgende ambities worden genoemd: Vasthouden en/of vertraagd afvoeren van hemelwater. Het scheiden van vuil en schoon water. Bij nieuwbouw het hemelwater van schone oppervlakken niet op de riolering lozen en bij voorkeur lokaal gebruiken, infiltreren of lozen op oppervlaktewater. In bestaand gebied hemelwater afkoppelen van het gemengd riool indien technisch en financieel haalbaar. De afvoer van schoon hemelwater vindt bovengronds plaats. "Jan van der Heydenstraat I" (vastgesteld)

19

Jan van der Heydenstraat I Rioolwateroverstorten beperken om de doelstellingen voor waterkwaliteit te bereiken. In het plan is een concrete doelstelling opgenomen: in 2025 is 10% van het verharde oppervlak afgekoppeld van de gemengde riolering (referentiejaar 2005). Dit betreft 18 ha. afkoppelen. In het Hemelwaterbeleidsplan is deze doelstelling uitgewerkt in concrete maatregelen. Het Hemelwaterplan 2017-2020 'Klimaatactief!' richt zich op een duurzame omgang met hemelwater. Het geeft aan wat het gemeentelijk beleid is ten aanzien van afstromend hemelwater in bestaande situaties en bij nieuwe ontwikkelingen. Het plan zet in op een integrale benadering en meervoudige inrichting van totale openbare ruimte. Barneveld gaat aan de slag met het waterbestendig inrichten van de openbare ruimte om bestand te zijn tegen klimaatverandering. Doorwerking in plangebied De bevindingen en resultaten van de watertoets zijn beschreven in de waterparagraaf (§ 5.16). 4.6.7 Woonvisie Barneveld 2021-2025en regionale bouwafspraken, Faseren en doseren woningmarkt en Verordening doelgroepen sociale woningbouw en middenhuur gemeente Barneveld In maart 2021 heeft de raad de Woonvisie Barneveld 2021-2025 'Wonen voor jong en oud', met doorkijk tot 2030/2040, vastgesteld.

In de Woonvisie is een streefprogramma woningbouw opgenomen om te voorzien in de woningbehoefte van de hier woonachtige en werkzame bevolking. In deze visie is een nieuwbouwprogramma van gemiddeld 500 woningen per jaar (als uitbreiding) opgenomen. In verband met de grote woningbouwopgaven in Nederland is in de Woondeal met het rijk voor Barneveld tot en met 2030 een programma van circa 5.400 woningen overeengekomen. Daarmee komt de programmering op gemiddeld 600 woningen per jaar. Dit betekent dat gemiddeld 40% ten behoeve van sociale huur- en koopwoningen (sociale huur 20%, sociale koop laag tot € 260.000 en sociale koop hoog van € 260.000 tot € 320.000), 20% middeldure woningen (midden dure huur tot € 1.080,- (prijspeil 2023) en koop van € 320.000 tot € 390.000 (prijspeil 2024) en tot de actuele NHG grens van € 435.000,- (prijspeil 2024) en 30% duurdere woningen vanaf de NHG-grens en 10% vrij in te delen. In regio FoodValley zijn in verband met deze Woondeal onderlinge woningbouwafspraken gemaakt, waarbij Barneveld voor de periode 2022 t/m 2030 zo'n 5.400 woningen mag groeien, mede vanwege een zekere overloop vanuit regio Amersfoort. Er loopt verder een Verstedelijkingsstrategie Arnhem, Nijmegen, FoodValley, waarbij er in de periode 2020-2040 in FoodValley zo'n 40.000 woningen aan de voorraad moeten worden toegevoegd.

Voor gemeente Barneveld zal dit een opgave van tenminste 8.000 woningen tot 2040 beteken. Provincie Gelderland streeft in het Aktieplan Wonen naar versnelling van woningbouwontwikkelingen, gezien de woningtekorten op de woningmarkt. Daarbij wordt ook naar gemeente Barneveld gekeken. In regio Amersfoort loopt een soortgelijke studie, namelijk het 'Ontwikkelbeeld regio Amersfoort' en wordt een woninguitbreiding met 36.000 in 2020-2040 als opgave gezien. De woningbouw in Barneveld is hier mede input voor. Door middel van de voortgangsrapportage woningbouw wordt halfjaarlijks een actueel beeld van het planaanbod voor de komende vier jaar gegeven, waarbij ook een beeld wordt geschetst van de aantallen op te leveren woningen per kern, alsmede de differentiatie van deze nieuwbouw in termen van prijsklassen, eigendomsverhouding en bouwvorm (gestapeld of grondgebonden). Ook wordt een beeld geschetst van de mate waarin voor bepaalde doelgroepen wordt gebouwd (zoals starters, ouderen of mensen met een beperking) om zo vraag en aanbod meer met elkaar in overeenstemming te brengen. Voor de periode 2023 t/m 2027 is een programma van gemiddeld bruto 740 woningen per jaar voorzien. Dit is ruim 120% ten opzichte van de gewenste uitbreiding met zo'n 600 woningen per jaar.

Rekening houdend met planuitval, vertraging en dergelijke en het gegeven dat in 2022 minder dan 300 woningen zijn opgeleverd, wordt deze 120% programmering als wenselijk beschouwd. Dit is geheel in lijn met de vastgestelde woonvisie en gemaakte woningbouwafspraken. Sinds 1 januari 2018 is de Verordening doelgroepen sociale woningbouw en middenhuur gemeente Barneveld van kracht. Deze verordening is in 2022 geactualiseerd, met als werktitel Doelgroepenverordening gemeente Barneveld 2021. Deze verordening ziet toe op sturing van de totale 20

"Jan van der Heydenstraat I" (vastgesteld)

Jan van der Heydenstraat I woningvoorraad en het bereikbaar houden van een deel van de woningvoorraad voor lage en midden inkomensgroepen. Het gaat daarbij om drie categorieën: sociale huurwoningen, sociale koopwoningen en middendure huurwoningen. In bestemmingsplannen en overeenkomsten met marktpartijen kan voor een bepaalde minimale tijdsduur de ingebruikname van sociale huurwoningen (25 jaar), goedkope koop (1 jaar met boetebeding tot 10 jaar) en middendure huurwoningen (15 jaar) worden vastgelegd evenals de maximale hoogte van de huur- en koopprijs. Verder is een zekere prijs-/kwaliteitsverhouding geformuleerd om in relatie tot de hoogte van de huur- of koopprijs toch een minimale woninggrootte te garanderen. Daarbij is ook aangegeven dat deze drie woningcategorieën met voorrang aan bepaalde lage en middeninkomensgroepen moeten worden aangeboden om zo tot een rechtvaardige verdeling van de woningvoorraad te komen. Prijs- en inkomensgrenzen worden geïndexeerd conform de bepalingen in de verordening. Doorwerking plangebied Er wordt voldaan aan de Woonvisie. In Hoofdstuk 3 Planbeschrijving is dit onder het kopje Wonen verder beschreven.

"Jan van der Heydenstraat I" (vastgesteld)

21

Jan van der Heydenstraat I

Hoofdstuk 5 5.1

RANDVOORWAARDEN

Bodem

In het kader van de bestemmingsplanprocedure is beoordeeld of de milieuhygiënische bodemkwaliteit ter plaatse van het plangebied voldoet aan de eis van financiële uitvoerbaarheid en uit oogpunt van volksgezondheid en milieu aanvaardbaar mag worden geacht voor het beoogde gebruik. Beoordeling van de milieuhygiënische bodemkwaliteit vindt (o.a.) plaats op basis van de vastgestelde bodemkwaliteitskaart (PFAS) regio De Vallei en de nota bodembeheer regio De Vallei. Met dit instrumentarium kan de bodemkwaliteit binnen het plangebied met een bepaalde statistische zekerheid worden bepaald voor zover blijkens historisch onderzoek geen sprake is van verdachte locaties. Uit ons bodeminformatiesysteem blijkt dat voor zover bij ons bekend op de locatie nog geen verkennend bodemonderzoek is uitgevoerd. Onduidelijk is of het voormalige/huidige (bedrijfsmatige)gebruik van de locatie heeft geleid tot bodemverontreiniging (erfverhardingen, bedrijfsgebouwen met aanwezige/voormalige bodembedreigende activiteiten die mogelijk zijn voorzien van asbesthoudende dakbedekking etc.). Voor de voorgenomen bestemmingsherziening waarbij sloop- en grondroerende werkzaamheden zullen gaan plaatsvinden dient minimaal een historisch vooronderzoek conform de NEN 5725 uitgevoerd te worden, om vast te stellen of de locatie verdacht is voor de aanwezigheid van een bodemverontreiniging.

Op basis hiervan kan worden vastgesteld of een verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 en/of een verkennend asbestonderzoek in grond/puin conform de NEN 5707/NEN 5897 uitgevoerd dient te worden in relatie tot de voorgenomen bestemmingsherziening. Als de te slopen (bedrijfs)loods was/is voorzien van asbesthoudende dakbedekking die (in het verleden) niet voorzien was/is van een dakgoot en het maaiveld ter plaatse onverhard was/is dan wordt geadviseerd om voor de sloop ter plaatse een verkennend asbestonderzoek te laten uitvoeren conform NEN 5707. Een eventuele bodembesmetting met asbest(vezels), ontstaan door afstromend water in de zo genoemde druppelzone, wordt dan op tijd onderkend en voorkomt vertraging bij de voorgenomen herontwikkeling. Voor de sloop van de (bedrijfs)loods dient ook vooraf een asbestinventarisatie uitgevoerd te worden. Mogelijk dient er in het kader van de bedrijfsbeëindiging ook nog een eindsituatie bodemonderzoek plaats te vinden in kader van het Activiteitenbesluit. Onderzoek Op basis van de resultaten van het uitgevoerde historisch vooronderzoek (zie Bijlage 1 Historisch vooronderzoek bodem) dient er een verkennend bodem- en asbestonderzoek plaats te vinden. Het onderzoek dient zicht te richten op de plek waar een vat met ontkistingsolie was gesitueerd en de druppelzones van de aanwezig bedrijfsloods.

Tevens dient wat ons betreft ook aandacht te worden geschonken aan de voormalige ondergrondse HBO-tank op de locatie Essenerweg 17. Omdat deze deellocatie nagenoeg direct grenst aan de onderzoekslocatie is niet uit te sluiten dat deze voormalige ondergrondse HBO-tank heeft geleid tot bodemverontreiniging binnen de onderzoekslocatie. Naast deze verdachte (bedrijfsmatige) deellocaties dient men ook aandacht te schenken / een gedegen uitspraak te doen over de te verwachten algehele milieuhygiënische bodemkwaliteit van het overige deel van de onderzoekslocatie. Het uitgevoerde verkennend bodem- en asbestonderzoek (zie Bijlage 2 Verkennend bodem- en asbestonderzoek) is correct uitgevoerd en geeft een globaal beeld van de bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie. Het plangebied valt binnen de contour van de onderzoekslocatie. Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat in het samengestelde mengmonster van de zintuiglijk schone bovengrond (meest verdachte bodemlaag) een licht verhoogd gehalte aan minerale olie is aangetoond. Ter plaatse van de voormalige opslag van ontkistingsolie en ter plaatse van voormalige ondergrondse HBO-tank van Essenerweg 17 zijn zintuiglijk en analytisch in de bodem geen verontreinigingen met oliecomponenten waargenomen/gemeten.

Naar aanleiding van deze bevindingen is de milieuhygiënische kwaliteit van het grondwater ter plaatse van deze verdachte deellocaties niet onderzocht. Opgemerkt dient te worden dat voor het onderzoek ter plaatse van de voormalige ondergrondse HBO-tank de twee boringen op de perceelsgrens zijn gesitueerd. Dit zoals afgesproken. Zintuigelijk is op het maaiveld van de onderzoekslocatie en in de opgeboorde/opgegraven grond geen asbestverdacht (plaat)materiaal aangetroffen. In de samengestelde mengmonsters van de druppelzones ter plaatse van de aanwezige bedrijfsloods op de locatie, voor analyse op asbest, is analytisch asbest gemeten. In het mengmonster 22

"Jan van der Heydenstraat I" (vastgesteld)

Jan van der Heydenstraat I van de zuidelijke druppelzone overschrijdt de gewogen asbestconcentratie van 2.003 mg/kg d.s. ruim de saneringsnorm/hergebruiksnorm van 100 mg/kg d.s. Formeel gezien is ter plaatse van deze zuidelijke druppelzone een afperkend onderzoek noodzakelijk. De asbestinspectiegaten zijn echter in de druppelzone gesitueerd. De gemeten asbestconcentratie wordt zeer waarschijnlijk veroorzaakt door erosie van de dakplaten. Omdat de betreffende bedrijfsloods niet voorzien is van dakgoten en het maaiveld ter plaatse onverhard is, komt het regenwater derhalve direct op en in de bodem onder de dakrand terecht. Een afperkend asbestonderzoek is ons inziens derhalve niet noodzakelijk. Met uitzondering van de aangetoonde sterke asbestverontreiniging ter plaatse van de zuidelijke druppelzone ter plaatse van de aanwezige bedrijfsloods geven de onderzoeksresultaten geen aanleiding voor het uitvoeren van een nader bodem-/asbestonderzoek of -sanering. De sterke asbestverontreiniging ter plaatse van de betreffende druppelzone dient onder milieukundige begeleiding, te worden gesaneerd. Voorafgaand aan de bodemsanering dient een BUS-melding te worden ingediend bij het bevoegd gezag, de provincie Gelderland.

Ondanks dat het verkennend bodem- en asbestonderzoek correct is uitgevoerd conform de geldende protocollen/richtlijnen betreft het een steekproefsgewijze benadering van de bodemkwaliteit. Bij de voorgenomen herontwikkeling van het terrein en de daarbij behorende sloop- en grondroerende werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met het plaatselijk aantreffen van onvoorziene bodemverontreiniging. De aan-/afvoer van grond, bouwstoffen etc. naar/van de onderzoekslocatie dient te voldoen aan de regels van het Besluit bodemkwaliteit en het handelingenkader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie. Conclusie Op basis van de bodemonderzoeken bestaan er, met uitzondering van het aangetoonde gehalte aan asbest, geen bezwaren tegen de voorgenomen bestemmingsplanherziening en nieuwbouw op de locatie.

5.2

Cultuurhistorie

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moet bij het opstellen van bestemmingsplannen rekening worden gehouden met cultuurhistorische waarden. Daar waar het voor de archeologie al gemeengoed is, geldt het dus ook voor andere aspecten van de cultuurhistorie. Rekening houden met cultuurhistorie impliceert dat bekend moet zijn wat er voor waarden aanwezig zijn. De gemeente heeft daarom een proces opgestart om bestaande kennisdocumenten te actualiseren en waar nodig nieuwe kennis op te bouwen. De gemeente beschikt over de volgende vastgestelde kaarten: Archeologische waarden- en verwachtingenkaart; Cultuurlandschappelijke waardenkaart; Historische stedenbouwkundige waardenkaarten. Door cultuurhistorie een plek te geven in procedures op het gebied van ruimtelijke ordening wordt ook bereikt dat de aandacht niet uitsluitend uitgaat naar individuele objecten (de aangewezen monumenten), maar juist de samenhang tussen gebouwen en hun omgeving. 5.2.1 5.2.1.1

Archeologie Archeologie lage verwachting

Bij een planontwikkeling moet rekening worden gehouden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten. De gemeenteraad heeft op 25 april 2018 ingestemd met de 'Archeologische waarden- en verwachtingenkaart' als archeologisch toetsingskader bij ruimtelijke ontwikkelingen. Uit deze kaart blijkt dat binnen het plangebied een lage archeologische verwachting geldt. De gemeenteraad heeft op 28 september 2010 besloten dat voor deze zone archeologisch onderzoek noodzakelijk is bij een oppervlakte van 10.000 m² of groter voor grondverstorende werkzaamheden dieper dan 30 cm. Het project valt onder deze vrijstelling zodat geen nader onderzoek noodzakelijk is. Indien bij de uitvoering van de werkzaamheden onverwacht toch archeologische resten worden aangetroffen, dan is conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet melding van de desbetreffende vondsten bij de minister (namens deze de RCE) verplicht.

"Jan van der Heydenstraat I" (vastgesteld)

23

Jan van der Heydenstraat I

5.2.2

Historischestedenbouwkundige waarden

De gemeenteraad heeft op 25 april 2018 ingestemd met de 'stedebouwkundige waardevolle gebieden' als weergegeven in de 'Historische stedebouwkundige waardenkaart' en de aangegeven 'vast te leggen kenmerken' in de bijbehorende Tabel, en deze te hanteren als toetsingskader bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het plangebied heeft volgens deze kaart geen bijzondere waarde(n). Bij de bouwkundige monumenten is sprake van rijks- en gemeentelijke monumenten. In het plangebied en omgeving zijn geen monumenten aanwezig. Wel wordt de bebouwing gerealiseerd binnen de zogenaamde molenbiotoop. Het behoud van de windvang heeft bij een oude molen een directe relatie met het behoud van cultuurhistorische waarde. Een molen is een machine en deze moet in werking blijven om te kunnen voortbestaan. Voor de toetsing van dit aspect wordt verwezen naar 4.3.1.2 Omgevingsverordening 5.2.3

Cultuurlandschappelijke waarden

De gemeenteraad heeft op 25 april 2018 ingestemd met de 'Cultuurlandschappelijke waardenkaart' als toetsingskader bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het plan ligt in een gebied dat wordt aangeduid als een zone die bebouwd/sterk veranderd is (waarde 0). Het betreft lage cultuurhistorische waarden waarmee geen rekening hoeft te worden gehouden binnen de huidige planaanvragen. Conclusie Dit bestemmingsplan is niet strijdig met deze waardering.

5.3

Ecologie

De belangrijkste wet voor natuurbescherming in Nederland is de Wet natuurbescherming. Deze wet is op 1 januari 2017 in werking getreden. De Europese Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn zijn vertaald in deze wet. Daarnaast is qua ecologie ook het Gelders Natuurnetwerk en de Gelderse Ontwikkelingszone van belang. 5.3.1 5.3.1.1

Wet natuurbescherming Gebiedsbescherming

Hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van speciale beschermingszones ter uitvoering van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Zo'n speciale beschermingszone wordt aangeduid als “Natura 2000-gebied”. De Wet natuurbescherming bepaalt vervolgens wat er wél en niet mag in zo'n Natura 2000-gebied. Ook zijn er bijzondere nationale natuurgebieden. Op 27 juni 2014 is de aanwijzing van het gebied Veluwe als speciale beschermingszone onder de Habitatrichtlijn in werking getreden. Tevens is met dit besluit het besluit tot de aanwijzing van Veluwe als speciale beschermingszone onder de Vogelrichtlijn, inclusief de daarbij behorende Nota van toelichting, gewijzigd. Deze twee genoemde speciale beschermingszones vormen samen het Natura 2000-gebied Veluwe, waarbij instandhoudingsdoelstellingen zijn toegevoegd. Stikstof Het plangebied ligt op ongeveer 3 km van een Natura 2000-gebied (zie hiervoor kaart 5 Themakaart Natuuren landschapsbeleid van de provinciale Omgevingsvisie).

24

"Jan van der Heydenstraat I" (vastgesteld)

Jan van der Heydenstraat I

Afbeelding kaart 5 Themakaart Natuur- en landschapsbeleid Omgevingsvisie Voor zowel de bouwfase (tijdens de bouw, sloop en aanleg) als voor de gebruiksfase zijn de stikstofemissies beoordeeld. Er zijn voor de locatie AERIUS-berekeningen uitgevoerd van de aangevraagde situatie (Bijlage 3 AERIUS aanlegfase en Bijlage 4 AERIUS gebruiksfase). Conclusie van de uitgevoerde berekeningen is dat er geen effect is met betrekking tot stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Geconcludeerd wordt dat er voor het aspect stikstofdepositie geen belemmeringen zijn voor het plan. 5.3.1.2

Soortenbescherming

Hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van bepaalde plant- en diersoorten in Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden én daarbuiten. Er gelden drie beschermingsregimes, te weten voor vogels (Vogelrichtlijn), soorten onder de Habitatrichtlijn (bijlage IV, onderdeel a Habitatrichtlijn, dan wel bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn) en andere (nationale) soorten. Mogelijk is het aanwezige gebouw geschikt als verblijfplaats voor gebouwbewonende soorten. Ook kunnen er in de directe omgeving beschermde soorten aanwezig zijn en het landschap gebruiken als leefgebied of er een verblijfplaats hebben. Het gebouw wordt gesloopt waardoor vernietiging van verblijfplaatsen in de gebouwen niet is uitgesloten. Ook kunnen eventuele beschermde soorten in de directe omgeving hinder ondervinden van de werkzaamheden. Ook een aantal bomen wordt gekapt en struikgewas wordt verwijderd. Deze bomen en struiken kunnen verblijfplaats zijn voor vleermuizen of vogels. Daarom dienen de bomen ook gecontroleerd te worden door een ecologisch deskundige. Groenewold heeft een Quickscan natuur uitgevoerd (zie Bijlage 5 Quickscan). Er is specifiek gezocht naar aanwijzingen voor verblijfplaatsen van huismus, vleermuizen en andere zoogdieren.

In de te slopen loods of de te kappen bomen zijn geen beschermde soorten of vaste verblijfplaatsen gevonden of te verwachten. Er is daarmee geen belemmering vanuit de soortenbescherming en er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden. Algemene zorgplicht Voor de uitvoering van werkzaamheden geldt de algemene zorgplicht. Alle broedende vogels, hun broedplaatsen én de functionele omgeving van de broedplaatsen zijn beschermd tijdens de broedperiode. Het verwijderen van bomen en struiken dient gezien te worden als een voor vogels verstorende activiteit en dient buiten het vogelbroedseizoen plaats te vinden. Verstorende werkzaamheden dienen niet tijdens de broedperiode (grofweg maart - augustus) uitgevoerd te worden, tenzij geconstateerd is dat er geen vogelbroedgeval aanwezig is. Een ieder is verplicht om voldoende zorg in acht te nemen voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Barneveld&id=1590c812-3eec-4f84-9f25-d1ef8d42964a