Hunnenweg-Meeuwenveenseweg_vastgesteld_1_Regels_Bijlage 5 Te slopen bebouwing Meeuwenveenseweg
Tekst van het document
Quickscan natuurwaardenonderzoek Hunnenweg 40a en Meeuwenveenseweg 5 te Voorthuizen
Effectbeoordeling in het kader van de Wet natuurbescherming, Gelders Natuurnetwerk en Natura 2000
Colofon Quickscan natuurwaardenonderzoek Hunnenweg 40a en Meeuwenveenseweg 5 te Voorthuizen
Effectbeoordeling in het kader van de Wet natuurbescherming, Gelders Natuurnetwerk en Natura 2000
Uitgevoerd door: Natuurbank Overijssel Nobelstraat 5-7 7131PZ Lichtenvoorde BTW-ID: NL001388212B56 E: info@natuurbankoverijssel.nl Tel: 0850-509852
Opdrachtgever:
Craeft Advies B.V.
Abonnementhouder van de Nationale Databank Flora en Fauna
Projectnummer en versie: 4634 versie 1.0 Ligging plangebied: Hunnenweg 40A Voorthuizen Auteur: Ing. P. Leemreise
Status: concept Rapportdatum: 30-1-2022, geactualiseerd 23-11-2023 Veldwerk uitgevoerd door: P. Leemreise
De vermelde medewerkers in deze rapportage zijn akkoord met openbaring van zijn of haar persoonsgegevens in het kader van de AVG-privacy wetgeving.
1
Inhoudsopgave Samenvatting ..................................................................................................................................................... 3 Hoofdstuk 1
Inleiding .................................................................................................................................... 4
Hoofdstuk 2
Het plangebied ......................................................................................................................... 5
2.1 Situering ................................................................................................................................................... 5 2.2 Beschrijving van het plangebied............................................................................................................... 5 Hoofdstuk 3
Voorgenomen activiteiten........................................................................................................ 7
3.1 Algemeen ................................................................................................................................................. 7 3.1.1 Deelgebied Hunnenweg .................................................................................................................... 7 3.1.2 Deelgebied Meeuwveenseweg ......................................................................................................... 8 3.2 Mogelijk effect van de voorgenomen activiteiten op beschermde soorten en/of –gebieden ................ 9 3.3 Vaststellen van de invloedsfeer ............................................................................................................... 9 3.4 Vaststellen van het onderzoeksgebied .................................................................................................. 10 Hoofdstuk 4
Toetsingskaders ...................................................................................................................... 11
4.1 Algemeen ............................................................................................................................................... 11 4.2 Wet natuurbescherming; Natura 2000 .................................................................................................. 11 4.3 Wet natuurbescherming; Soortenbescherming ..................................................................................... 11 4.4
Beleid ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland ................................................................... 12
Hoofdstuk 5
Gebiedsbescherming .............................................................................................................. 13
5.1 Algemeen ............................................................................................................................................... 13 5.2 Gelders Natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone ......................................................................... 13 5.3 Natura 2000............................................................................................................................................ 14 5.4 Bescherming bos .................................................................................................................................... 16 5.5 Slotconclusie........................................................................................................................................... 16 Hoofdstuk 6
Soortenbescherming .............................................................................................................. 17
6.1 Methode ................................................................................................................................................. 17 6.2 Bronnenonderzoek ................................................................................................................................. 17 6.3 Veldonderzoek ....................................................................................................................................... 17 6.4 Resultaten .............................................................................................................................................. 19 6.5 Wettelijke consequenties van de beoogde ingreep............................................................................... 22 6.6 Historische gegevens en overige bronnen ............................................................................................. 26 6.7 Volledigheid van het onderzoek............................................................................................................. 26 Hoofdstuk 7
Conclusies ............................................................................................................................... 27
2
SAMENVATTING Op de adressen Hunnenweg 40A en Meeuwenveenseweg 5 te Voorthuizen is stal Jacobs gevestigd. In verband met enkele ruimtelijke ontwikkelingen op beide erven, is Natuurbank Overijssel gevraagd een verkennend natuurwaardenonderzoek uit te voeren en de voorgenomen activiteiten te toetsen aan wet- en regelgeving voor beschermde soorten en gebieden. Om de wenselijke ontwikkeling mogelijk te maken, dient het bestemmingsplan gewijzigd te worden. In voorliggend rapport worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresenteerd. Naast een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek, worden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten weergegeven. Het plangebied is op 23 maart 2022 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied, zoals Natura 2000 en het Gelders Natuurnetwerk. Resultaten toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde gebieden: Het plangebied behoort grotendeels tot de Groene Ontwikkelingszone en voor een klein deel tot het Gelders Natuurnetwerk.
Mits een versterkings- en compensatieplan opgesteld wordt, dat voldoet aan de door de provincie Gelderland gestelde voorwaarden, is voorgenomen initiatief niet strijdig met beleidsregels voor de bescherming van GNN/GO, zoals verwoord in de Omgevingsverordening Gelderland. Er dient een versterkings- en compensatieplan opgesteld te worden. Om vast te kunnen stellen of sprake is van toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebied, dient een stikstofberekening opgesteld te worden voor de ontwikkel- en gebruiksfase. Tenslotte dient het areaal bos dat verloren gaat gecompenseerd te worden. Resultaten toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde soorten: De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Beschermde diersoorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk bezetten grondgebonden zoogdieren en amfibieën er een (winter)rust- en/of voortplantingsplaats en nestelen er vogels. Vleermuizen bezetten geen vaste verblijfplaats in het plangebied en het vormt geen functioneel leefgebied van reptielen. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats.
Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet verstoord, beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Geadviseerd wordt sloopwerkzaamheden uit te voeren buiten de broedtijd van vogels. Als gevolg van de voorgenomen activiteiten wordt mogelijk een beschermd grondgebonden zoogdier en/of amfibie gedood en wordt mogelijk een (winter)rust- en/of voortplantingsplaats van een beschermd grondgebonden zoogdier en/of amfibie beschadigd of vernield. Voor het beschadigen/vernielen van de (winter)rust- of voortplantingsplaats van een beschermd grondgebonden zoogdier en amfibie, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling, maar deze vrijstelling geldt niet voor het doden van beschermde dieren. Om te voorkomen dat beschermde dieren gedood worden, mogen ze verjaagd of weggevangen worden. De provincie Gelderland heeft een lijst met toepasbare vangmiddelen vastgesteld. Geadviseerd wordt het plangebied ongeschikt te maken voor beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën, zodat ze op eigen initiatief verkassen naar buiten het plangebied. Mits geen bezette vogelnesten negatief beïnvloed worden en geen beschermde dieren gedood worden, vormt de Wet natuurbescherming geen belemmering voor uitvoering van de voorgenomen initiatieven.
3
HOOFDSTUK 1
INLEIDING Op de adressen Hunnenweg 40A en Meeuwenveenseweg 5 te Voorthuizen is stal Jacobs gevestigd. In verband met enkele ruimtelijke ontwikkelingen op beide erven, is Natuurbank Overijssel gevraagd een verkennend natuurwaardenonderzoek uit te voeren en de voorgenomen activiteiten te toetsen aan wet- en regelgeving voor beschermde soorten en gebieden. Om de wenselijke ontwikkeling mogelijk te maken, dient het bestemmingsplan gewijzigd te worden. In voorliggend rapport worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresenteerd. Naast een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek, worden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten weergegeven. Er is in het onderzoeksgebied gekeken naar de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten en dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingsplaatsen en andere beschermde functies. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied. Op basis van de onderzoeksresultaten worden de wettelijke consequenties bepaald van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming (soorten en Natura 2000-gebied) en de Omgevingsverordening Gelderland (Gelders Natuurnetwerk).
Doel van deze rapportage: De Quickscan natuurwaardenonderzoek is uitgevoerd als één van de verschillende (milieu)onderzoeken in het kader van besluitvorming binnen de Ruimtelijke Ordening (doorgaans het wijzigen van het bestemmingsplan) of het aanvragen van een Omgevingsvergunning. Het onderzoek is uitgevoerd om antwoord te kunnen geven op de vraag: is er sprake van een goede ruimtelijke ordening (is de voorgenomen activiteit uitvoerbaar?). Het is nadrukkelijk geen ecologisch werkprotocol dat opgesteld wordt om te voorkomen dat de Wet natuurbescherming overtreden wordt als gevolg van de voorgenomen activiteiten. De Wet natuurbescherming is tijdens de uitvoering van voorgenomen activiteiten altijd van toepassing en het is aan de uitvoerende partijen om de noodzakelijke zorgvuldigheid te betrachten tijdens de uitvoering. Om een goed ecologisch werkprotocol op te kunnen stellen is meer detailinformatie vereist, zoals de planning in uitvoering, in te zetten materieel en informatie over type bebouwing, bouwwijze, materiaalgebruik etc.
4
HOOFDSTUK 2
HET PLANGEBIED
2.1 Situering Het plangebied bestaat uit twee deelgebieden, te weten Hunnenweg 40A en Meeuwenveenseweg 5 te Buurthuizen. Beide deelgebieden liggen naast elkaar, maar worden gescheiden van elkaar door de Meeuwveenseweg. Beide deelgebieden liggen in het buitengebied, op circa 1,5 kilomer te noordoosten van de woonkern Voorthuizen. Op onderstaande afbeelding wordt de globale ligging van het plangebied weergegeven op een topografische kaart.
Globale ligging van het plangebied. De ligging van het plangebied wordt met de rode cirkel aangeduid (bron: ruimtelijkeplannen.nl).
2.2 Beschrijving van het plangebied Hunnenweg 40A Op dit adres is stal Jacobs gevestigd. Het bestaat uit bebouwing, erfverharding, opgaande beplanting in de vorm van solitaire bomen, erfbos en houtsingel en (ruig) grasland. In het plangebied staan een bedrijfswoning, enkele stallen, een rijhal, paddocks en twee buitenrijbanen. Meeuwenveenseweg 5/5A Dit deelgebied bestaat uit een woonerf en agrarisch cultuurland. In plangebied staan een woning en schuur. Deze wordt omgeven door een (eenvoudige) siertuin, opgaande beplanting, braakland en (ruig) grasland. Ten noorden van het erf is een minicamping aanwezig. Voor een verbeelding van de huidige situatie wordt verwezen naar de fotobijlage.
5
Deelgebied Meeuwenveenseweg
Deelgebied Hunnenweg
Luchtfoto met de begrenzing van beide deelgebieden (gele lijn).
6
HOOFDSTUK 3
VOORGENOMEN ACTIVITEITEN
3.1 Algemeen De voorgenomen activiteiten bestaat uit verschillende activiteiten in twee deelgebieden. Hieronder worden de activiteiten per deelgebied weergegeven.
3.1.1 Deelgebied Hunnenweg Ten opzichte van de huidige situatie worden de volgende ontwikkelingen voorgesteld: • Amoveren bestaande (tijdelijke) stallen • Nieuwbouw stalruimte • Uitbreiding bestaande stal • Aanleg rijbal en paddocks • Aanleggen poel • Aanleggen erf- en landschappelijke beplanting; Het houden van paarden, wordt in het kader van deze studie niet beoordeeld. Op onderstaande afbeelding wordt het wenselijke eindbeeld weergegeven.
Verbeelding van het wenselijke eindbeeld Hunnenweg.
Op onderstaande luchtfoto worden de te amoveren gebouwen aangeduid.
7
Aanduiding op de luchtfoto van de te slopen gebouwen (gele ster).
Op onderstaande luchtfoto wordt de te verwijderen beplanting aangeduid.
Te verwijderen beplanting (gele kader)
3.1.2 Deelgebied Meeuwveenseweg Ten opzichte van de huidige situatie worden de volgende ontwikkelingen voorgesteld: • Amoveren bijgebouwen; • Verwijderen beplanting aan noordwestzijde; • Bouwen nieuw bijgebouw; • Aanleggen parkeergelegenheid met verharding (grastegels); • Aanleg landschappelijke beplanting in de vorm van houtsingels, bomenrij en bos; • Realiseren wandelpad; Deelgebied Meeuwenveenseweg In dit deelgebied worden een bijgebouw bij een bestaande woning en een kampgebouw opgericht. Beide gebouwen worden op onderstaande afbeelding weergegeven. Om de gebouwen te kunnen bouwen, hoeft geen bestaande bebouwing gesloopt te worden of beplanting gerooid te worden. De te slopen bijgebouwen op het erf, zoals afgebeeld op onderstaande afbeelding, zijn reeds geamoveerd.
Op onderstaande afbeelding wordt het wenselijke eindbeeld weergegeven.
8
Verbeelding van het wenselijke eindbeeld Meeuveenseweg. Verbeelding van het wenselijke eindbeeld Meeuwenveenserweg.
3.2 Mogelijk effect van de voorgenomen activiteiten op beschermde soorten en/of – gebieden De voorgenomen activiteiten hebben mogelijk een negatieve invloed op beschermde soorten en beschermd (natuur)gebied. We onderscheiden de volgende negatieve invloeden: Mogelijke tijdelijke invloeden: • Verstoren rust- en voortplantingsplaatsen als gevolg van geluid, stof en trillingen tijdens de werkzaamheden; Mogelijke permanente invloeden: • Mogelijk afname/verdwijnen van beschermde vaste rust- of voortplantingsplaatsen en/of jaar rond beschermde nesten; • Vernielen/verdwijnen van beschermde soorten; • Aantasting van de kwaliteit van het leefgebied van beschermde soorten;
3.3 Vaststellen van de invloedsfeer Naast een tijdelijk effect in het onderzoeksgebied, kan het voorkomen dat een voorgenomen activiteit een negatief effect heeft op beschermde soorten of beschermd natuurgebied buiten het onderzoeksgebied. Dit noemen we de invloedsfeer. De omvang van de invloedsfeer wordt bepaald door de duur, aard en omvang van de tijdelijke en/of permanente nieuwe situatie. Het effect van de voorgenomen activiteit op een beschermde soort verschilt per soort en/of soortgroep. In deze studie wordt alleen gekeken naar de uitvoering van de fysieke werkzaamheden, zoals sloop- en bouwwerkzaamheden en het gebruik van nieuwe gebouwen. Beoordeling van de invloedsfeer van de voorgenomen activiteit:
9
Om de effecten van de voorgenomen activiteiten goed in beeld te kunnen brengen, is het soms van belang buiten het plangebied te kijken. In voorliggend geval grenst het plangebied aan een woonerf, openbare weg, agrarisch cultuurland en een houtsingel. Er is geen aanleiding te veronderstellen dat beschermde soorten en/of -waarden buiten het plangebied op een dusdanige wijze aangetast worden, dat dit leidt tot wettelijke consequenties.
3.4 Vaststellen van het onderzoeksgebied Het onderzoeksgebied wordt gelijk gesteld aan het plangebied.
10
HOOFDSTUK 4
TOETSINGSKADERS
4.1 Algemeen In dit Hoofdstuk worden de diverse toetsingskaders toegelicht waaraan het initiatief getoetst wordt.
4.2 Wet natuurbescherming; Natura 2000 Het gebiedsbeschermingsdeel van de Wet natuurbescherming heeft als doel het beschermen van Natura 2000-gebieden (Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden) in Nederland. Projecten die significante gevolgen voor deze gebieden kunnen hebben, zijn in beginsel – zonder vergunning – niet toegestaan. Ook het vaststellen van plannen zoals een bestemmingsplan of een inpassingsplan is niet toegestaan, indien het betreffende plan significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Naast directe effecten (bijv. ruimtebeslag), dient ook gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe werking (bijv. door geluid, licht en stikstofdepositie). De eerste stap in de toetsing is vaak een voortoets. Als significante gevolgen in de voortoets niet op voorhand met zekerheid kunnen worden uitgesloten, dan is een passende beoordeling noodzakelijk. In dat geval is voor een project een vergunning noodzakelijk op grond van artikel 2.7 Wet natuurbescherming.
4.3 Wet natuurbescherming; Soortenbescherming In de Wet natuurbescherming is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de wet zijn lijsten opgenomen met beschermde soorten. In de Wet natuurbescherming worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld: Soorten Vogelrichtlijn (artikel 3.1 e.v.): • lid 1) Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen; • lid 2) Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen; • lid 3) Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben; • lid 4) Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen; • lid 5) Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.
Soorten Habitatrichtlijn (artikel 3.5 e.v.); • lid 1) Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen; • lid 2) Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren; • lid 3) Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen; • lid 4) Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen; • lid 5) Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Andere Soorten (artikel 3.10 e.v.) lid 1) Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: • onderdeel a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; • onderdeel b.
de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of
11
•
onderdeel c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Ten aanzien van de andere beschermde soorten geldt dat het bevoegd gezag (provincies c.q. ministerie van LNV) de vrijheid hebben om soorten binnen deze categorie vrij te stellen van de verbodsbepalingen uit ontheffingsplicht artikel 3.10 uit de Wet natuurbescherming. Voor beschermde soorten die niet zijn vrijgesteld dient bij overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wn een ontheffing te worden aangevraagd. Voor vogels geldt in afwijking hierop dat voor verstoring geen ontheffing nodig is, indien de gunstige staat van instandhouding niet in het geding is. Het is ook mogelijk om voor beide categorie soorten te werken volgens een goedgekeurde gedragscode die is afgestemd op de Wet natuurbescherming. Er is dan geen ontheffing nodig.
4.4 Beleid ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is het ruimtelijk beleid op rijks-, provinciaal, en gemeentelijk niveau vastgesteld, waarin onder andere de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN)/Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is verankerd. De EHS werd officieel geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan en is daarna opgenomen in de Nota Ruimte, welke inmiddels vervangen is door de Nationale omgevingsvisie (NOVI). Kaderstellende regels ten aanzien van o.a. NNN/EHS zijn opgenomen in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Bij geplande ingrepen die binnen het NNN/EHS vallen moet het belang van de natuurbescherming worden afgewogen tegen andere belangen, indien de voorgenomen ingreep negatief uitwerkt op de aanwezige natuurwaarden. De kern van de afweging vormt het 'nee, tenzij'-principe. Dit wil zeggen dat schadelijke ingrepen niet zijn toegestaan, tenzij er andere belangen zijn die de ingreep rechtvaardigen. In dat geval zijn compenserende maatregelen voorgeschreven. Concrete beleidsregels ten aanzien van de NNN in Gelderland zijn opgenomen in de vigerende provinciale ruimtelijke verordening van de provincie Gelderland
12
HOOFDSTUK 5
GEBIEDSBESCHERMING
5.1 Algemeen In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het mogelijke effect van de voorgenomen activiteiten op Natura 2000gebied en het Gelders Natuurnetwerk.
5.2 Gelders Natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone Om de biodiversiteit nu en voor toekomstige generaties Gelderlanders veilig te stellen, beschermt de provincie het Gelders Natuurnetwerk. Het Gelders Natuurnetwerk is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuur van internationaal, nationaal en provinciaal belang. Een groot deel van de Gelderse natuurgebieden is internationaal beschermd: de Natura 2000-gebieden. Juist in deze gebieden moet de biodiversiteit worden behouden of verbeterd. De provincie geeft in het natuurbeleid prioriteit aan het behalen van de Natura 2000-doelen in de Natura 2000-gebieden. Het Gelders Natuurnetwerk vervult daarnaast een belangrijke rol bij het behoud van de biodiversiteit. De Ecologische verbindingszones maken voor een klein deel uit van het Gelders Natuurnetwerk. De provincie wil de natuur van het Gelders Natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone beschermen tegen aantasting en heeft daarom regels opgenomen in de Omgevingsverordening. Centraal staat de bescherming van de kernkwaliteiten. De kernkwaliteiten bestaan uit bestaande natuurwaarden, uit nog te ontwikkelen potentiële waarden en de omgevingscondities zoals stilte. De (nog te ontwikkelen) natuurwaarden zijn beschreven en als bijlage bij de Omgevingsverordening opgenomen.
De omgevingscondities zijn in de bijlage bij de Omgevingsverordening wel benoemd, maar er heeft geen provincie dekkende inventarisatie plaatsgevonden. Bij projecten kan op maat een effectbeschrijving worden gemaakt voor de relevante omgevingscondities. Ligging t.o.v. het Gelders Natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone Het plangebied behoort gedeeltelijk tot het Gelders Natuurnetwerk en voor het overige deel tot de Groene ontwikkelingszone. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van het Gelders Natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone in de omgeving van het plangebied weergegeven.
GO
GNN
GO
Ligging van Gelders Natuurnetwerk (GNN) en Groene Ontwikkelingszone (GO) in de omgeving van het plangebied. De ligging van het plangebied wordt met de rode lijn aangeduid (bron: ruimtelijkeplannen.nl). 13
Ligging van GNN in deelgebied Hunnenweg. Gronden die tot GNN behoren worden met de donkergroene kleur aangeduid.
Toetsing aan provinciaal beleid Er is sprake van wijziging van de bestemming van gronden dit tot GNN/GO behoren. De voorgenomen ontwikkeling dient daarom getoetst te worden aan de beleidsregels zoals opgesteld in de Omgevingsverordening Gelderland. Voor ontwikkelingen in GNN dient een compensatieplan opgesteld te worden, voor ontwikkelingen in de GO dient een versterkingsplan opgesteld worden. Conclusie Voorgenomen ontwikkelingen bettreffen uitbreiding van een bestaande situatie. Er dient een compensatieen versterkingsplan opgesteld te worden.
5.3 Natura 2000 De biodiversiteit (soortenrijkdom) in Europa gaat al jaren achteruit. Duurzame bescherming van flora en fauna is hard nodig. Planten en dieren trekken zich weinig aan van landsgrenzen en het is daarom belangrijk om natuurbescherming in Europees verband aan te pakken. Zo voorkomen we dat de natuur in Europa en in Nederland steeds eenvormiger wordt. Daartoe is in 1979 de Vogelrichtlijn opgesteld en in 1992 de Habitatrichtlijn. Deze richtlijnen hebben twee componenten: soortenbescherming en gebiedsbescherming. Alle EU-lidstaten wijzen beschermde gebieden aan voor specifieke (leefgebieden van) (vogel-)soorten. De onder beide richtlijnen aangewezen beschermde gebieden vormen het Natura 2000-netwerk. De Nederlandse bijdrage aan dit Europese netwerk van beschermde natuurgebieden bestaat uit ruim 160 gebieden. Beschermingsregime De Wet natuurbescherming regelt in hoofdstuk 2 de bescherming van Natura 2000-gebieden. Dit zijn speciale beschermingszones op grond van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De minister wijst deze gebieden aan. Voor de Natura 2000-gebieden stelt de minister instandhoudingsdoelstellingen op voor: 14
• de leefgebieden van vogels; • de natuurlijke habitats of habitats van soorten (art. 2.1 Wet natuurbescherming); De provincies stellen voor de Natura 2000-gebieden een beheerplan op (art. 2.3 Wet natuurbescherming). In het beheerplan staan maatregelen die ervoor moeten zorgen dat de instandhoudingsdoelstellingen worden bereikt. Nederland past een vergunningenstelsel toe. Hierdoor is in ons land een zorgvuldige afweging gewaarborgd rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Vergunningen worden verleend door provincies of door het ministerie van LNV. Natura 2000-gebieden mogen geen significante schade ondervinden. Dit houdt in dat bepaalde plannen en projecten, op zichzelf óf in combinatie met andere plannen en projecten, de natuurwaarden waarvoor de gebieden zijn aangewezen niet significant negatief mogen beïnvloeden. Elke ontwikkeling in of nabij een Natura 2000-gebied dient te worden onderworpen aan een ‘voortoets’. Uit de voortoets moet blijken of kan worden uitgesloten dat de gewenste werkzaamheden/ontwikkelingen een (significant) negatief effect hebben (op zichzelf of in combinatie met andere plannen of projecten). Voor alle Natura 2000-gebieden dient een beheerplan te zijn opgesteld waaruit duidelijk wordt welke activiteiten wel en niet zonder vergunning mogelijk zijn in en nabij die gebieden. Ligging van het plangebied t.o.v.
Natura-2000 Het plangebied ligt op minimaal 244 meter afstand van Natura 2000-gebied. Het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied, is Veluwe. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van het Natura 2000-gebied in de omgeving van het plangebied weergegeven.
Ligging van Natura 2000-gebied in de omgeving van het plangebied. De ligging van het plangebied wordt met de rode stip aangeduid. Gronden die tot Natura 2000 behoren worden met de lichtgroene en lichtblauwe kleur aangeduid (bron: pdok.nl).
Effectbeoordeling Beoordeling uitvoering fysieke activiteiten Het plangebied is niet of nauwelijks zichtbaar vanuit Natura 2000-gebied. Negatieve effecten, zoals geluid, licht en optische verstoring zijn daarom niet aan de orde. Ook zijn in het Natura 2000-gebied geen negatieve effecten, zoals trillingen waarneembaar. Met uitzondering van het aspect stikstof, kunnen negatieve effecten op Natura 2000-gebied uitgesloten worden.
15
Beoordeling stikstof Ten behoeve van de voorgenomen activiteiten, wordt materieel met een verbrandingsmotor ingezet en neemt het aantal verkeersbewegingen toe tijdens de ontwikkelfase. Als gevolg van de inzet van materieel en vervoersmiddelen met een verbrandingsmotor vindt emissie van stikstof(oxiden) plaats. Deze stikstof(oxiden) kunnen neerslaan in Natura 2000-gebied en een negatief effect hebben op kwalificerende Habitatsoorten en Habitattypen. Mogelijk neemt per kalenderjaar het aantal verkeersbewegingen van en naar het plangebied toe. Om vast te kunnen stellen of sprake is van een negatief effect op instandhoudingsdoelen van Natura 2000gebied, dient een stikstofberekening uitgevoerd te worden voor de ontwikkel- en gebruiksfase.
5.4 Bescherming bos Aaneengesloten bos van minimaal 1.000m2 en een bomenrij van minimaal 21 bomen, gelegen buiten de komgrens Wet natuurbescherming, valt onder de bescherming van de Wet natuurbescherming. Beplanting op erven valt buiten het beschermingsregime van de Wet natuurbescherming. Toetsing van het initiatief Voorgenomen initiatief voorziet in het vellen van een deel van een erfbosje aan de westzijde van het plangebied (deelgebied Hunnenweg). Deze beplanting valt onder het beschermingsregime van de Wet natuurbescherming. Het areaal bos dat verloren gaat dient gecompenseerd te worden.
5.5 Slotconclusie Het plangebied behoort grotendeels tot de Groene Ontwikkelingszone en voor een klein deel tot het Gelders Natuurnetwerk. Mits een versterkings- en compensatieplan opgesteld wordt, dat voldoet aan de door de provincie Gelderland gestelde voorwaarden, is voorgenomen initiatief niet strijdig met beleidsregels voor de bescherming van GNN/GO, zoals verwoord in de Omgevingsverordening Gelderland. Er dient een versterkings- en compensatieplan opgesteld te worden. Om vast te kunnen stellen of sprake is van toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebied, dient een stikstofberekening opgesteld te worden voor de ontwikkel- en gebruiksfase. Tenslotte dient het areaal bos dat verloren gaat gecompenseerd te worden.
16
HOOFDSTUK 6
SOORTENBESCHERMING
6.1 Methode Bij het bepalen van de mogelijke aantasting van beschermde soorten is gebruik gemaakt van de volgende bronnen: • Bronnenonderzoek (o.a. internet en de Nationale databank flora en fauna); • Veldbezoek door ervaren ecoloog;
6.2 Bronnenonderzoek Op 19 november 2023 is de NDFF geraadpleegd en is gekeken of waarnemingen van beschermde planten en dieren aanwezig zijn in de databank. In een ruime begrenzing van het zoekgebied rondom het plangebied, zijn 28 verschillende waarnemingen bekend in de NDFF in de afgelopen 5 jaar. Voor de verspreiding van de waarnemingen, zie luchtfoto onder.
Verbeelding van het zoekgebied, waarbinnen de NDFF is geraadpleegd. De flora- en faunawaarnemingen worden met de groene stip aangeduid.
In het zoekgebied en directe omgeving zijn waarnemingen verricht van vogels, insecten, vaatplanten, korstmossen en schimmels. Met uitzondering van de vogels, betreft het geen beschermde soorten. De waarnemingen van niet beschermde soorten worden in deze studie buiten beschouwing gelaten. In de NDFF is een waarneming van een steenuil opgenomen, net buiten het plangebied. Deze waarneming wordt meegenomen in de soortbespreking.
6.3 Veldonderzoek In het kader van het natuurwaardenonderzoek is het plangebied op 20 september 2022 tijdens de daglichtperiode (ochtend) bezocht. Het onderzoeksgebied is te voet onderzocht op de aanwezigheid en potentiële aanwezigheid van beschermde flora- en faunawaarden. Het gebied is visueel en auditief onderzocht. Tijdens het veldbezoek is gebruik gemaakt van een verrekijker (Swarovski 12x50) en zijn de in dit 17
rapport opgenomen afbeeldingen gemaakt. De onderzoeker beschikte tevens over een warmtebeeldcamera (Helion Pulsar xq28). Het plangebied bestaat uit agrarische cultuurgrond. De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde planten, maar wel tot een potentieel geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde diersoorten. Gelet op de inrichting en het gevoerde beheer, behoort het plangebied mogelijk tot functioneel leefgebied van sommige algemene en weinig kritische diersoorten uit onderstaande soortgroepen: • vogels; • vleermuizen; • grondgebonden zoogdieren; • amfibieën; • reptielen; Overige soorten Het onderzoeksgebied is niet onderzocht op het voorkomen van beschermde faunasoorten als reptielen, libellen, vissen, dag- en nachtvlinders, bladmossen, sporenplanten, haften en kreeftachtigen omdat het onderzoeksgebied geen geschikte habitat vormt voor deze soorten of omdat het plangebied buiten het normale verspreidingsgebied van deze soortgroepen ligt. Het is niet aannemelijk dat soorten, of soortgroepen, die (soms) moeilijk nieuwe leefgebieden koloniseren, zich spontaan buiten het normale verspreidingsgebied vestigen. Dit geldt bijvoorbeeld voor sommige kleine grondgebonden zoogdieren, reptielen en voor planten. Vogels Het gebied is visueel en auditief onderzocht op het voorkomen van (broed)vogels.
De onderzoeksperiode is matig geschikt voor onderzoek naar (broed)vogels. Sommige vogels vertonen in deze tijd van het jaar territorium-indicerend gedrag (zingen/balts), maar slechts enkele vogelsoorten kunnen een bezet nest hebben in deze tijd van het jaar (o.a. kerkuil). Standvogels, zoals steenuil en huismus bevinden zich meestal nog wel in de directe omgeving van de nestplaats. In het plangebied is gekeken naar vogels, oude nesten en sporen die op de aanwezigheid van nesten in het plangebied duiden, zoals prooiresten (roofvogels), schijtsporen, braakballen, ruiveren (roofvogels), eierdoppen en zichtbaar nestmateriaal. Op basis van een beoordeling van de landschappelijke kenmerken kan een goede inschatting gemaakt worden van de functie van het onderzoeksgebied voor vogels en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde eisen voor onderzoek naar vogels. Grondgebonden zoogdieren Het plangebied is visueel onderzocht op het voorkomen van beschermde grondgebonden zoogdieren. De onderzoeksperiode is geschikt voor verspreidingsonderzoek, maar matig geschikt voor onderzoek naar voortplantingslocaties. Grondgebonden diersoorten hebben doorgaans geen zogende jongen in deze tijd van het jaar. Wel benutten veel grondgebonden zoogdieren de voortplantingsplaats als vaste rustplaats buiten de voortplantingsperiode.
Er is in het plangebied gezocht naar grondgebonden zoogdieren, verblijfplaatsen en sporen die op de aanwezigheid van grondgebonden zoogdieren in het plangebied duiden zoals holen, nesten, graaf-, krab- en bijtsporen, haren, prooiresten, pootafdrukken en uitwerpselen. De beplanting en bebouwing zijn specifiek beoordeeld als potentiële verblijfplaats voor egel en steenmarter.
Vleermuizen De onderzoeksperiode is beperkt geschikt voor onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen. Kraamkolonies zijn verlaten. Sommige soorten bezetten de zomerverblijfplaats nog, maar er zijn ook soorten die al vertrokken zijn richting winterverblijfplaats, al dan niet in de omgeving van de zomerverblijfplaats. Sommige vleermuissoorten bezetten de winterverblijfplaats op enige afstand (>100km) van de 18
zomerverblijfplaats, terwijl de gewone dwergvleermuis soms de zomerverblijfplaats blijft bezetten in de wintermaanden, totdat de koude intreed en dan soms alsnog een winterverblijfplaats in de regio gaat opzoeken. Er is in het plangebied gezocht naar vleermuizen en naar potentiële rust- verblijfplaatsen van vleermuizen. Het plangebied is bezocht op een moment op de dag dat vleermuizen niet foerageren en geen lijnvormige landschapselementen benutten als vliegroute. De mogelijke betekenis van het plangebied als foerageergebied en vliegroute voor vleermuizen is bepaald op basis van een visuele beoordeling van de landschappelijke karakteristieken van het plangebied. Amfibieën De onderzoeksperiode is matig geschikt voor verspreidingsonderzoek naar amfibieën. Afhankelijk van de temperatuur, zijn amfibieën nog actief, of hebben ze al de winterrustplaats opgezocht. Amfibieën in de winterrustplaats zijn moeilijk te vinden omdat die zich bevinden in holen en gaten in de grond, onder opgeslagen materialen, afval, takkenbossen, boomstammen of onder water in de sliblaag van natte landschapselementen. Amfibieën in landbiotoop zitten overdag ook meestal weggekropen in holen en gaten in de grond of onder strooisel, bladeren, takken, rommel of opgeslagen goederen.
Op basis van een beoordeling van landschappelijke kenmerken kan een goede inschatting gemaakt worden van de functie van het plangebied voor amfibieën en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde eisen voor onderzoek naar deze soorten. Daarbij is tevens rekening gehouden met de ligging van het plangebied ten opzichte van het (normale) verspreidingsgebied van verschillende amfibieënsoorten. Reptielen Het onderzoeksgebied is matig geschikt voor verspreidingsonderzoek naar reptielen omdat sommige reptielen de winterrustplaats reeds opgezocht hebben. Een soort als levendbarende hagedis kan op rustige, zonnige najaarsdagen nog wel actief zijn. Winterrustplaatsen bevinden zich in holen gaten in de grond, in holle bomen en onder stronken, groen(afval), rommel, bouwafval en soms opgeslagen spullen.
6.4 Resultaten In deze paragraaf worden de resultaten van het veldbezoek gepresenteerd. Alleen soorten die in het onderzoeksgebied vastgesteld zijn, zeer waarschijnlijk in het onderzoeksgebied voorkomen of soorten waarvan het onderzoeksgebied een (essentieel) onderdeel van het functionele leefgebied vormt, worden in deze paragraaf besproken. Vogels Het plangebied behoort tot functioneel leefgebied van verschillende vogelsoorten. Vogels benutten het plangebied als foerageergebied en mogelijk nestelen er jaarlijks vogels in het plangebied. Vogels kunnen een nestlocatie bezetten in de te slopen bebouwing, in/op opgeslagen spullen en rommel. Vogelsoorten die mogelijk in het plangebied nestelen zijn merel, roodborst, winterkoning, heggenmus, koolmees, pimpelmees, boomkruiper, boerenzwaluw, holenduif en houtduif. Uit bronnenonderzoek (NDFF, geraadpleegd op 30 januari 2023), kwam naar voren dat op 19 juli 2021 een steenuil is doodgereden op de Meeuwenveenseweg, 50 meter ten oosten van het plangebied. Dit betrof een jonge, net uitgevlogen steenuil. Deze jonge vogel was vliegvlug. Het is onbekend waar deze vogel geboren is. Er zijn tijdens het veldonderzoek geen steenuilen waargenomen en er zijn geen sporen gevonden die op de aanwezigheid van steenuilen in het onderzoeksgebied duiden.
De te slopen gebouwen worden niet als potentiële nestplaats van steenuilen beschouwd; de gebouwen beschikken niet over holle wanden of een beschoten kap. Mogelijk bezetten steenuilen een nestplaats in de reeds gesloopte gebouwen in deelgebied Meeuwenveenseweg. Daar valt achteraf niets meer over te zeggen. Als gevolg van de waarneming, wordt de buitenruimte van het plangebied wel beschouwd als foerageergebied van steenuilen.
19
Vindplaats dode jonge steenuil (19-7-2021). Bon: NDFF.
Door het slopen van bebouwing tijdens de voortplantingsperiode, wordt mogelijk een vogel gedood en een bezet vogelnest verstoord, beschadigd of vernield. Als gevolg van het bebouwen van een deel van het plangebied, en het aanleggen van twee trainingsmolens, neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor vogels mogelijk iets af. Ongeacht of het plangebied wel of geen functioneel leefgebied van steenuilen is, leidt deze afname niet tot het ongeschikt raken van de nestplaats van steenuilen. Daarvoor is het affect te gering. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Slopen bebouwing tijdens de voortplantingsperiode; - Bebouwen plangebied; - Omzetten grasland in trainingsmolens; Grondgebonden zoogdieren Er zijn in het plangebied geen beschermde grondgebonden zoogdieren waargenomen, maar het plangebied behoort vermoedelijk tot functioneel leefgebied van verschillende algemene- en weinig kritische grondgebonden zoogdiersoorten als eekhoorn, ree, das, haas, vos, huisspitsmuis, bosmuis, rosse woelmuis, gewone bosspitsmuis, egel, bunzing en steenmarter. Voorgenoemde soorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk bezetten soorten als bosmuis, gewone bosspitsmuis, rosse woelmuis en huisspitsmuis er ook een vaste rust- en voortplantingsplaats.
Deze soorten kunnen een rust- en voortplantingsplaats bezetten in holen en gaten in de grond, in gebouwen en in/onder rommel en opgeslagen goederen. Een geschikte plek voor steenmarter om een vaste rust- of voortplantingsplaats te bezetten, zoals een holle ruimte onder het dakvlak van de bebouwing, ontbreekt in het plangebied. Tevens zijn geen sporen van steenmarters waargenomen, zoals prooiresten of uitwerpselen. Ook zijn geen potentiële verblijfplaatsen van bunzings waargenomen. In de bomen is geen nest van eekhoorns waargenomen. Mogelijk benutten dassen het agrarisch cultuurland en onbebouwde delen op het erf. Er zijn geen sporen van dassen, zoals foerageerputjes of uitwerpselen, van dassen waargenomen. Ook Intensief beheerd grasland met agrarisch gebruik, vormt optimaal foerageergebied voor dassen. In voorliggend plan wordt agrarische cultuurgrond ingericht als poel, bos, houtsingel en parkeerplaats. Het areaal optimaal foerageergebied neemt in oppervlakte iets af ten opzichte van de huidige situatie. Daar staat tegenover dat opgaande beplanting en een poel worden toegevoegd. Daardoor wordt het landschap kleinschaliger en meer divers qua landschapselementen. Dit resulteert in een meer divers voedselaanbod voor dassen.
Gelet op de beperkt afname agrarisch cultuurland en de aanleg van nieuwe landschapselementen, wordt geconcludeerd dat het duurzaam behoud van geen enkele dassenburcht wordt aangetast. Door het slopen van bebouwing en het uitvoeren van grondverzet wordt mogelijk een beschermd grondgebonden zoogdier gedood en wordt mogelijk een vaste rust- en/of voortplantingsplaats beschadigd en vernield. De betekenis van het plangebied als foerageergebied voor beschermde grondgebonden zoogdieren zal mogelijk iets afnemen als gevolg van de voorgenomen activiteiten. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Uitvoeren grondverzet; 20
-
Slopen bebouwing; Bebouwen/verharden buitenruimte;
Vleermuizen • Verblijfplaatsen Er zijn tijdens het veldbezoek geen vleermuizen waargenomen en er zijn geen aanwijzingen gevonden dat vleermuizen een rustplaats in de te slopen bebouwing bezetten. De gebouwen worden niet als potentiële verblijfplaats van vleermuizen beschouwd. Potentiële verblijfplaatsen, zoals een spouwmuur, beschutte zonder of een holle ruimte achter een windveer of gevelbetimmering ontbreken. Aan de westzijde van het deelgebied Hunnenweg worden enkele solitaire bomen verwijderd. In deze bomen ontbreken potentiële verblijfplaatsen van vleermuizen, zoals holen en losse bast.
Schuren met damwand wanden en golfplaten daken vormen géén potentiële verblijfplaats van vleermuizen.
Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt geen vleermuis verstoord of gedood en wordt geen vaste rust- of verblijfplaats verstoord, beschadigd of vernield. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen; • Foerageergebied Het veldbezoek is uitgevoerd buiten de periode van de dag waarop vleermuizen foerageren, maar op basis van een beoordeling van de inrichting en het gevoerde beheer, wordt het plangebied als geschikt foerageergebied voor vleermuizen beschouwd. Vermoedelijk foerageren vleermuissoorten als gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en mogelijk laatvlieger, incidenteel in het plangebied. Ze kunnen foerageren rond gebouwen, boven ruigte en ruig grasland en randen van beplanting. Gelet op de inrichting, het gevoerde beheer en de kleine oppervlakte, is de betekenis van het plangebied als foerageergebied beperkt. Het plangebied wordt niet als essentieel foerageergebied van vleermuizen beschouwd. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor vleermuizen niet af.
Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen; •
Vliegroute
21
Sommige vleermuissoorten benutten lijnvormige elementen ter geleiding tijdens het foerageren en om van verblijfplaats naar foerageergebied te vliegen (en van foerageergebied naar verblijfplaats). Lijnvormige elementen die benut worden als vliegroute kunnen bestaan uit houtopstanden en wateren, maar ook een rij gevels van woningen. Het plangebied vormt geen verbindende schakel in een lijnvormig landschapselement en maakt daarom geen onderdeel uit van een vliegroute van vleermuizen. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten heeft geen negatief effect op vliegroutes van vleermuizen. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen; Amfibieën Tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieën waargenomen, maar gelet op de inrichting, het gevoerde beheer, en de ligging in intensief beheerd agrarisch cultuurland, wordt het plangebied als matig geschikt leefgebied voor amfibieën beschouwd. Mogelijk benutten amfibieënsoorten als bruine kikker en gewone pad het plangebied als functioneel leefgebied, benutten ze de buitenruimte als foerageergebied en bezetten ze er een (winter)rustplaats. Geschikt voortplantingsbiotoop ontbreekt in het plangebied. Amfibieën kunnen een (winter)rustplaats bezetten in holen en gaten in de grond, onder rommel, opgeslagen spullen, groen(afval) en rommel. Amfibieën bezetten geen verblijfplaats in stallen.
Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt mogelijk een amfibie gedood en wordt mogelijk een (winter)verblijfplaats beschadigd en vernield. De betekenis van het plangebied als foerageergebied voor amfibieën zal mogelijk iets afnemen als gevolg van de voorgenomen activiteiten. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Uitvoeren grondverzet; - Bebouwen en verharden buitenruimte; Reptielen Er zijn tijdens het veldbezoek geen reptielen waargenomen. Gelet op de inrichting, het beheer en de ligging op enige afstand van bos, wordt het plangebied niet als functioneel leefgebied van reptielen beschouwd. Als gevolg van de voorgenomen activiteiten wordt geen reptiel gedood en wordt geen functioneel leefgebied van reptielen negatief beïnvloed. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen; Overige soorten Er zijn geen andere beschermde soorten aangetroffen. Het gevoerde beheer en de inrichting maken het plangebied tot een ongeschikt functioneel leefgebied voor deze soorten.
6.5 Wettelijke consequenties van de beoogde ingreep Vogels Als gevolg van het slopen van bebouwing tijdens de voortplantingsperiode wordt mogelijk een bezet vogelnest verstoord, beschadigd en/of vernield. Van de in het plangebied nestelende soorten is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Voor het beschadigen/vernielen van een bezet nest (eieren) of het doden van een vogel kan geen ontheffing van de verbodsbepalingen verkregen worden omdat de voorgenomen activiteit niet als een in de wet genoemd belang wordt beschouwd. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren/vernielen van vogelnesten dienen buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen 22
activiteiten uit te voeren is augustus-februari. Voorgenomen werkzaamheden mogen juridische beschouwd wel plaats vinden tijdens het broedseizoen van vogels, mits geen bezette vogelnesten beschadigd/vernield worden. Indien de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode, dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te sluiten. Ook mogen maatregelen genomen worden die vogels weerhouden een nestelpoging te doen in de te slopen gebouwen. De afname van de geschiktheid van het plangebied als foerageergebied, leidt niet tot wettelijke consequenties.
Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Slopen bebouwing buiten de voortplantingsperiode van vogels (of broedvogelscan uitvoeren); Vleermuizen • Verblijfplaatsen Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt geen vleermuis verstoord of gedood en wordt geen vaste rust- of verblijfplaats beschadigd of vernield. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen; • Essentieel foerageergebied Door het rooien van beplanting neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor vleermuizen mogelijk iets af. Er wordt echter geen essentieel foerageergebied van vleermuizen aangetast. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen; • Essentiële Vliegroute Het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten heeft geen negatief effect op (essentiële) vliegroutes1 van vleermuizen.
Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen; Grondgebonden zoogdieren Mogelijk wordt een beschermd grondgebonden zoogdier gedood en wordt een vaste rust- of voortplantingsplaats beschadigd of vernield, als gevolg van uitvoering van de voorgenomen activiteiten. Voor 1
Vliegroutes van vleermuizen zijn beschermd wanneer deze essentieel zijn voor het kunnen functioneren van de verblijfplaats van een vleermuis. Niet ieder lijnvormig element waar langs vleermuizen vliegen is een essentiële vliegroute. 23
de beschermde grondgebonden zoogdieren die een vaste rust- en/of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling `beschadigen/vernielen van vaste rust- en voorplantingsplaats’. Voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren geldt geen vrijstelling. De betekenis van het plangebied als foerageergebied voor grondgebonden zoogdieren neemt af, maar is voor de in het plangebied voorkomende soorten niet beschermd. Mits geen beschermde grondgebonden zoogdieren (opzettelijk) gedood worden, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties. Indien niet voorkomen kan worden dat beschermde dieren gedood worden, dient een ontheffing van de verbodsbepalingen (doden) aangevraagd te worden. Om te voorkomen dat beschermde grondgebonden zoogdieren (opzettelijk) gedood worden, dienen ze verjaagd of gevangen en verplaatst te worden. In onderstane tabel worden de toegestane vangmiddelen weergegeven per soort.
Toegestane vangmiddelen2 voor soorten waarvoor een vrijstelling geldt de vaste rust- en voortplantingsplaats te mogen beschadigen/vernielen in verband met een ruimtelijke ontwikkeling.
Mits geen beschermde dieren gedood worden, leidt uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen, mits er geen beschermde dieren gedood worden; Amfibieën Door uitvoering van bouw- en sloopactiviteiten wordt mogelijk een beschermd amfibie gedood en wordt mogelijk een (winter)rustplaats beschadigd en/of vernield. De in het plangebied voorkomende amfibieën mogen niet (opzettelijk) gedood worden. Voor het beschadigen/vernielen van de (winter)rustplaats geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen. Voor de beschermde amfibieën die mogelijk gedood worden en waarvan mogelijk de vaste (winter)rustplaats beschadigd en/of vernield wordt, geldt een vrijstelling voor het beschadigen/vernielen van de vaste (winter)rustplaats, maar er geldt geen vrijstelling voor het doden van beschermde dieren. Om te voorkomen dat beschermde dieren gedood worden, dienen ze verjaagd te worden of dient het werkterrein ongeschikt gemaakt te worden, zodat de dieren zelfstandig verkassen. Ook mogen amfibieën weggevangen worden, om ze elders op een veilige plek weer los te laten (zie lijst boven voor toegestane vangmiddelen per soort). Mits geen beschermde dieren gedood worden, leidt uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties.
2 Omgevingsverordening Gelderland (februari 2022)
24
Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen, mits er geen beschermde dieren gedood worden; Reptielen Als gevolg van de voorgenomen activiteiten wordt geen reptiel gedood en wordt geen vaste rust- en/of voortplantingsplaats beschadigd of vernield. Ook wordt het functionele leefgebied van reptielen niet negatief beïnvloed. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: Geen; Overige soorten Het plangebied behoort niet tot functioneel leefgebied van andere beschermde flora- of faunasoorten. Vanwege de lokale invloedsfeer heeft de voorgenomen activiteit geen negatief effect op andere beschermde soorten. Nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is niet noodzakelijk.
25
In onderstaande tabel worden de wettelijke consequenties samengevat weergegeven. Soortgroep
Functie
Beschermde soorten planlocatie
Verbodsbepalingen (Wet natuurbescherming)
Aandachtspunt
Grondgebonden zoogdieren Grondgebonden zoogdieren Grondgebonden zoogdieren Vogels
Foerageergebied
Diverse soorten
Geen
Vaste rust- en voortplantingsplaats Doden van dieren
Diverse soorten
Niet van toepassing; functie is niet beschermd Niet van toepassing; vrijstelling i.v.m. ruimtelijke ontwikkeling Art. 3.10 lid 1a
Foerageergebied
Diverse soorten
Geen
Vogels
Diverse soorten Niet aanwezig
Niet van toepassing
Geen bezette nesten negatief beïnvloeden Geen
Diverse soorten Niet aanwezig
Art. 3.1 lid 1 Niet van toepassing
Geen vogels doden Geen
Vleermuizen
Bezette nesten (niet jaarrond beschermd) Jaarrond beschermde nest- en rustplaats Doden van dieren Rust- of voortplantingsplaats Foerageergebied
Niet van toepassing; functie is niet beschermd Art. 3.1 lid 2
Diverse soorten
Geen
Vleermuizen Vleermuizen
Vliegroute Doden van dieren
Amfibieën
Foerageergebied
Niet aanwezig Niet van toepassing Diverse soorten
Niet van toepassing; er wordt geen essentieel foerageergebied aangetast Niet van toepassing Niet van toepassing
Geen
Amfibieën
Vaste rustplaats
Diverse soorten
Amfibieën Amfibieën Reptielen Overige soorten
Voortplantingsplaats Doden van dieren Alle functies Dieren en overige functies
Niet aanwezig Diverse soorten Niet aanwezig Niet aanwezig
Niet van toepassing; functie wordt niet aangetast Niet van toepassing; vrijstelling i.v.m. ruimtelijke ontwikkeling Niet van toepassing Art. 3.10 lid 1a Niet van toepassing Niet van toepassing
Vogels Vogels Vleermuizen
Diverse soorten
Geen Geen
Geen Geen
Geen Geen Geen Geen Geen
Samenvatting van de wettelijke consequenties. Soortgroep
Grondgebonden zoogdieren Vogels
Vleermuizen Amfibieën Reptielen
Vaste rust- Voortplanplaats tingsplaats
Vliegroute Essentieel (vleermuizen) foerageergebied
Wettelijke consequenties
Nader onderzoek vereist
Ontheffing vereist
Ja
Ja
n.v.t.
Nee
Ja
Nee
Nee
Nee
Ja
n.v.t.
Nee
Ja
Nee
Nee
Nee Nee
Nee n.v.t.
Nee Nee
Nee Ja
Nee Nee
Nee, tenzij vogels gedood, bezette nesten verstoord, beschadigd of vernield worden Nee Nee
Nee
n.v.t.
Nee
Nee
Nee
Nee
Mogelijk Nee
Vereenvoudigde samenvatting van de wettelijke consequenties per diergroep.
6.6 Historische gegevens en overige bronnen Er zijn geen historische gegevens van het plangebied bekend.
6.7 Volledigheid van het onderzoek Het onderzoek is volledig uitgevoerd met geschikte weersomstandigheden.
26
HOOFDSTUK 7
CONCLUSIES De voorgenomen activiteiten worden gezien als ‘ruimtelijke ontwikkeling’. Voor een aantal algemeen voorkomende en talrijke faunasoorten geldt in Gelderland een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘het opzettelijk beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingsplaats’, als gevolg van werkzaamheden die in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling worden uitgevoerd. Voor beschermde soorten die niet op deze vrijstellingslijst staan, is een ontheffing vereist of er dient gewerkt te worden volgens een goedgekeurde en toepasbare gedragscode om ze te mogen verstoren en om opzettelijk de vaste rust- en voortplantingsplaats te mogen beschadigen en te vernielen. Voor het doden van beschermde diersoorten geldt geen vrijstelling van de verbodsbepalingen. In het kader van de zorgplicht moet rekening worden gehouden met alle in het plangebied aanwezige planten en dieren en moet er gekozen worden voor een werkmethode en/of planning in de tijd, waardoor planten en dieren zo min mogelijk schade ondervinden als gevolg van de voorgenomen activiteiten. Het plangebied behoort grotendeels tot de Groene Ontwikkelingszone en voor een klein deel tot het Gelders Natuurnetwerk.
Mits een versterkings- en compensatieplan opgesteld wordt, dat voldoet aan de door de provincie Gelderland gestelde voorwaarden, is voorgenomen initiatief niet strijdig met beleidsregels voor de bescherming van GNN/GO, zoals verwoord in de Omgevingsverordening Gelderland. Er dient een versterkings- en compensatieplan opgesteld te worden. Om vast te kunnen stellen of sprake is van toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebied, dient een stikstofberekening opgesteld te worden voor de ontwikkel- en gebruiksfase. Tenslotte dient het areaal bos dat verloren gaat gecompenseerd te worden. De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Beschermde diersoorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk bezetten grondgebonden zoogdieren en amfibieën er een (winter)rust- en/of voortplantingsplaats en nestelen er vogels. Vleermuizen bezetten geen vaste verblijfplaats in het plangebied en het vormt geen functioneel leefgebied van reptielen. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet verstoord, beschadigd of vernield worden.
Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Geadviseerd wordt sloopwerkzaamheden uit te voeren buiten de broedtijd van vogels. Als gevolg van de voorgenomen activiteiten wordt mogelijk een beschermd grondgebonden zoogdier en/of amfibie gedood en wordt mogelijk een (winter)rust- en/of voortplantingsplaats van een beschermd grondgebonden zoogdier en/of amfibie beschadigd of vernield. Voor het beschadigen/vernielen van de (winter)rust- of voortplantingsplaats van een beschermd grondgebonden zoogdier en amfibie, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling, maar deze vrijstelling geldt niet voor het doden van beschermde dieren. Om te voorkomen dat beschermde dieren gedood worden, mogen ze verjaagd of weggevangen worden. De provincie Gelderland heeft een lijst met toepasbare vangmiddelen vastgesteld. Geadviseerd wordt het plangebied ongeschikt te maken voor beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën, zodat ze op eigen initiatief verkassen naar buiten het plangebied. Mits geen bezette vogelnesten negatief beïnvloed worden en geen beschermde dieren gedood worden, vormt de Wet natuurbescherming geen belemmering voor uitvoering van de voorgenomen initiatieven.