CConstaterende datBarneveld
Koppel je AI →
Document · PDF

Hulstweg III, partiële herziening Buitengebied 2012_Toelichting_Bijlage 2 Quickscan Ecologie.PDF

Gemeenteraad 5 juli 2023, gemeente BarneveldBij agendapunt: Bestemmingsplan Hulstweg III, partiele herziening Buitengebied 20126.872 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Quickscan Wet natuurbescherming Hulstweg ong. te Kootwijkerbroek Oriënterend onderzoek ecologie in het kader van de Wet natuurbescherming

Colofon

Status:

Definitief

Project:

2022-1125

Datum:

28 oktober 2022

Samensteller:

ir. ing. D. Bogers

Collegiale toets:

ing. D.F. Knoops

Opdrachtgever:

Struikhoeve Advies & Bemiddeling

Contactpersoon:

A.M.J. Ruitenbeek

Disclaimer Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V. Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld.

Inhoud 1 Inleiding

4

1.1

Planlocatie

5

1.2

Beoogde ruimtelijke ingreep

6

2 Methode

7

2.1

Uitvoering onderzoek

7

2.2

Soortenbescherming

7

2.3

Gebiedsbescherming

9

2.4

Houtopstanden

10

2.5

Houdbaarheid en toepassing

10

3 Beoordeling

11

3.1

Soortenbescherming

11

3.2

Gebiedsbescherming

16

3.3

Houtopstanden

17

4 Samenvatting

18

4.1

Soortenbescherming

18

4.2

Gebiedsbescherming

18

4.3

Houtopstanden

18

5 Conclusie

19

5.1

Conclusie

19

5.2

Uitvoerbaarheid

19

5.3

Vervolgstappen

19

5.4

Te treffen maatregelen

19

1 Inleiding Aan de Hulstweg ong. te Kootwijkerbroek is een agrarisch perceel zonder bebouwing gesitueerd. De initiatiefnemer is voornemens op dit perceel twee nieuwe woningen te realiseren. Het bestemmingsplan voorziet niet in de beoogde ruimtelijke ingreep en dient derhalve te worden gewijzigd. De beoogde ruimtelijke ingreep heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ruimtelijke ingreep geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Struikhoeve Advies & Bemiddeling heeft Blom Ecologie verzocht de planlocatie te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde soorten, gebieden en houtopstanden. Vervolgens wordt getoetst of de beoogde ruimtelijke ingreep uitvoerbaar is in het kader van de Wet natuurbescherming en/of provinciaal beleid. Onderzoeksdoelen • Is het bestemmingsplan dat wordt opgesteld voor het project zoals hiervoor omschreven uitvoerbaar zoals het bepaalde in de Wro (art.

3.1.6 Bro)? • Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie en welke negatieve effecten kunnen optreden als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van provinciaal aangewezen beschermde gebieden? • Leidt de beoogde ruimtelijke ingreep tot kap van houtopstanden zoals bedoeld in de Wet natuurbescherming? • Dienen er vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming en/of provinciaal aangewezen beschermde gebieden te worden genomen, en zo ja, welke?

Figuur 1.1

De planlocatie is gelegen aan de Hulstweg ong. te Kootwijkerbroek.

4

1.1

Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Hulstweg ong. te Kootwijkerbroek (figuur 1.2). De planlocatie betreft een agrarisch perceel en bestaat uit een enigszins verruigd weiland. Op de planlocatie staan geen gebouwen of bomen. Parallel aan de noordoostelijke grens van de planlocatie loopt een smalle, ondiepe sloot. Ten tijde van het veldbezoek (oktober 2022) was deze sloot niet watervoerend. In figuur 1.3 en bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan.

Figuur 1.2 De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de Hulstweg ong. te Kootwijkerbroek. De planlocatie is gelegen in het buitengebied van Kootwijkerbroek. De directe omgeving van de planlocatie wordt gekenmerkt door agrarische percelen en enkele woningen. De planlocatie ligt circa 1,4 km ten zuidwesten van de Veluwe. De dichtstbijzijnde snelweg (A1) ligt circa 4,7 km ten noorden van de planlocatie.

Figuur 1.3 Fotografische indruk van de omgeving ten noorden van de planlocatie.

5

1.2

Beoogde ruimtelijke ingreep De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de realisatie van twee nieuwe twee-onder-een-kapwoningen op het huidige agrarische perceel. De functie van het perceel dient te wijzigen van ‘Agrarisch’ naar ‘Wonen’. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • kleinschalige werkzaamheden aan sloten: graafwerkzaamheden en realiseren duikers; • verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; • egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; • realisatie nieuwbouw: algemene bouwwerkzaamheden; • revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.

Figuur 1.4 Visuele representatie van de beoogde situatie (bron: Landborg).

6

2 Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. De reikwijdte bestaat uit de Wet natuurbescherming en de provinciale omgevingsverordening.

2.1

Uitvoering onderzoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Op basis van dit veldbezoek wordt een inschatting gemaakt omtrent de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 24 oktober 2022 en is uitgevoerd door ing. D.F. Knoops en ing. B.P.G. van Beurden. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 5/8 bewolkt, 17 Celsius en windkracht 4 (Bft). Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF). In NDFF wordt normaliter hierbij een straal van 2 km aangehouden rondom de planlocatie. Afhankelijk van het karakter en ligging van de planlocatie kan een afwijkende afstand aangehouden worden. Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.

2.2 Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (Wnb art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (Wnb art. 3.5) en Andere soorten (Wnb art. 3.10). Hierin worden rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Bij overtreding van een verbodsbepaling geldt een ontheffingsplicht. Vogelrichtlijn (Wnb art. 3.1) 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Habitatrichtlijn (Wnb art. 3.5) 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen.

2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen.

7

5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of

bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Andere soorten (Wnb art. 3.10) 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Vogelrichtlijn Onder de Vogelrichtlijn zijn alle in gebruik zijnde nesten en broedgevallen van vogels beschermd. Het is van alle vogelsoorten verboden om nesten te beschadigen of te vernielen. Daarnaast gelden onder provinciale aanwijzingen categorieën waarin de nesten en rustplaatsen van specifieke vogelsoorten jaarrond bescherming genieten, dus ook in de periode dat deze niet in gebruik zijn. Rustplaatsen zijn conform de Richtsnoeren van de Europese Commissie gedefinieerd als zijnde essentiële zones voor het bestaan van een dier of groep van dieren wanneer ze niet-actief zijn.

Tabel 2.1

Vogelsoorten onder categorie 1 t/m 4: nesten en rustplaatsen jaarrond beschermd. Vogelsoorten onder categorie 5: nesten en rustplaatsen jaarrond beschermd, indien er sprake is van ecologisch zwaarwegende redenen.

Vogelsoorten onder categorie 1 t/m 4 Boomvalk Buizerd Gierzwaluw Grote gele kwikstaart

Havik Huismus Kerkuil Oehoe

Ooievaar Ransuil Roek Slechtvalk

Sperwer Steenuil Wespendief Zwarte wouw

Kleine bonte specht Kleine vliegenvanger Koolmees Kortsnavelboomkruiper Oeverzwaluw Pimpelmees Raaf Ruigpootuil Spreeuw

Tapuit Torenvalk Zeearend Zwarte kraai Zwarte mees Zwarte roodstaart Zwarte specht

Vogelsoorten onder categorie 5 Blauwe reiger Boerenzwaluw Bonte vliegenvanger Boomklever Boomkruiper Bosuil Brilduiker Draaihals Eidereend

Ekster Gekraagde roodstaart Glanskop Grauwe vliegenvanger Groene Specht Grote bonte specht Hop Huiszwaluw IJsvogel

Provinciale vrijstelling Van de verboden als bedoeld in Andere soorten Wnb art. 3.10 eerste lid kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of vaste rustplaatsen voor bepaalde soorten. Voor alle soorten in Nederland geldt dat er sprake is van een algemene zorgplicht (Wnb art. 1.11). Hierin wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moeten worden. Het uitgangspunt van de algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen.

8

In de Omgevingsverordening van de Provincie Gelderland is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 2.2

Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Gelderland.

Vrijgestelde soorten Aardmuis

Gewone bosspitsmuis

Ondergrondse woelmuis

Bastaardkikker

Gewone pad

Ree

Bosmuis

Haas

Rosse woelmuis

Bruine kikker

Huisspitsmuis

Tweekleurige bosspitsmuis

Dwergmuis

Kleine watersalamander

Veldmuis

Dwergspitsmuis

Konijn

Vos

Egel

Meerkikker

Woelrat

2.3 Gebiedsbescherming In Nederland zijn natuurgebieden aangewezen met een beschermde status. Deze natuurgebieden betreffen hoofdzakelijk Natura 2000-gebieden en provinciaal beschermde gebieden. Natura 2000-gebieden Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist. Met de Voortoets wordt bepaald of de plannen mogelijk negatieve effecten hebben op de doelstellingen van Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden dient een vergunning voorhanden te zijn. Provinciaal beleid Onderstaande teksten zijn gebaseerd op de meest recente versie van de Omgevingsverordening. Gelders Natuurnetwerk Binnen het Gelders Natuurnetwerk geldt het ‘nee, tenzij’-principe. Het uitgangspunt is dat een bestemmingsplan geen nieuwe activiteiten mogelijk maakt die de kernkwaliteiten, oppervlakte of samenhang van het Gelders Natuurnetwerk aantasten. Uitzonderingen hierop betreffen ruimtelijke ontwikkelingen met een groot openbaar belang waarbij er geen reële alternatieven zijn. Bij aantasting van de kernkwaliteiten, oppervlakte of samenhang geldt een compensatieplicht.

Groene Ontwikkelingszone Een nieuwe ontwikkeling in de Groene Ontwikkelingszone is toegestaan als uit onderzoek blijkt dat de kernkwaliteiten of ontwikkelingsdoelen per saldo en naar rato van de ingreep worden versterkt en de samenhang niet verloren gaat. Deze onderbouwing dient te worden vastgelegd in een versterkingsplan. Weidevogelgebied Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op weidevogelgebied laat de realisatie van een nieuwe windturbine of nieuw zonneveld niet toe. Een andere nieuwe activiteit of ontwikkeling is enkel toegestaan als deze geen nadelige gevolgen heeft voor de functie als broedgebied voor weidevogels. Ganzenrustgebied Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een ganzenrustgebied laat een nieuwe activiteit of ontwikkeling alleen toe als uit onderzoek blijkt dat deze activiteit of ontwikkeling wordt uitgevoerd op een locatie waar de nadelige gevolgen voor de functie als rustgebied voor overwinterende ganzen zoveel mogelijk worden beperkt, en na uitvoering minimaal 500 hectare in het betreffende ganzenrustgebied overblijft.

9

Beschermingszone natte landnatuur Natte landnatuur is natuur die direct afhankelijk is van de grondwatersituatie ter plaatse. Een bestemmingsplan voor gronden gelegen in een beschermingszone natte landnatuur maakt geen functies mogelijk die significant nadelige effecten kunnen hebben op de instandhouding van de natte landnatuur. Uitzonderingen hierop betreffen ruimtelijke ontwikkelingen met een groot openbaar belang waarbij er geen reële alternatieven zijn.

2.4 Houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten. Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden. Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft (Wnb art.

4.1): a) houtopstanden binnen de door gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) éénrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013.

2.5 Houdbaarheid en toepassing De beoogde ruimtelijke ingreep wordt getoetst aan de actuele wetgeving en provinciale verordening. Over het algemeen heeft een quickscan Wet natuurbescherming een houdbaarheid van 3 jaar, mits binnen deze periode de omstandigheden op de planlocatie, de wetgeving en de provinciale verordening niet wezenlijk veranderen.

10

3 Beoordeling 3.1

Soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ruimtelijke ingreep. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt. Planten Binnen een straal van 2 km van de planlocatie is het voorkomen van beschermde planten niet bekend (NDFF 2012-2022). De planlocatie betreft een enigszins verruigd weiland. Ter plaatse van de planlocatie is slechts sprake van inheemse of aangeplante planten zonder beschermde status. Enkele waargenomen plantensoorten betreffen: echte kamille, Europese hanenpoot, grote brandnetel, hoge fijnstraal, paardenbloem, perzikkruid, robertskruid en veldzuring. De aanwezigheid van deze soorten duidt op (zeer) voedselrijke omstandigheden, waar beschermde plantensoorten over het algemeen niet voorkomen. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht.

Hiermee kan worden uitgesloten dat er sprake is van het opzettelijk vernielen van beschermde planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied. Grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende zoogdieren: boommarter, bosmuis, bruine rat, bunzing, das, edelhert, egel, haas, konijn, mol, ree, rode eekhoorn, rosse woelmuis, steenmarter, veldmuis, vos, wezel en wild zwijn (NDFF 2012-2022). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: boommarter, bunzing, das, edelhert, rode eekhoorn, steenmarter, wezel en wild zwijn. Boommarter, edelhert, rode eekhoorn en wild zwijn zijn kenmerkende soorten voor bossen. De rust- en voortplantingsplaatsen van de boommarter bestaan onder andere uit boomholten, holen van andere zoogdieren, ruimten tussen boomwortels en takkenhopen. Het edelhert zoekt gebieden met dekking (zoals struiken of dicht op elkaar staande dennen) op om te rusten. De soort foerageert buiten het bos ook in cultuurlandschap. De rustplaatsen van het wild zwijn bevinden zich tevens in dichte bedekking in het bos. De rode eekhoorn bouwt nesten in bomen maar maakt ook gebruik van boomholten of oude vogelnesten als rust- en voortplantingsplaats. De planlocatie bestaat uit een weiland.

Er is derhalve geen sprake van het geprefereerde leefgebied van de hiervoor genoemde soorten (namelijk, bos). Op de planlocatie zijn geen bomen of andere structuurelementen aanwezig, waardoor er geen sprake is van de aanwezigheid van boomholten, nesten of andere potentiële rust- of voortplantingsplaatsen. De aanwezigheid van (essentiële) migratieroutes is hiermee tevens uit te sluiten. Gezien er binnen de beoogde ruimtelijke ingreep, ten opzichte van de landelijke omgeving, slechts een klein oppervlak weiland komt te vervallen, kan uitgesloten worden dat er sprake is van aantasting van essentieel leefgebied van de hierboven benoemde soorten. Negatieve effecten ten aanzien van boommarter, edelhert, rode eekhoorn en wild zwijn zijn uitgesloten. De das komt onder andere voor in cultuurlandschappen met voldoende dekking in de vorm van bosjes, heggen en houtwallen. Grasland kan voor de das, wegens de aanwezigheid van veel regenwormen, onderdeel uitmaken van het foerageergebied. Burchten dienen voor deze soort als rust- en voortplantingsplaats. Deze burchten bevinden zich in bosranden, houtwallen, brede heggen of op hooggelegen terrein of hellingen. Op de planlocatie is geen dassenburcht aanwezig. Er zijn op de planlocatie tevens geen structuurelementen zoals houtwallen aanwezig die voor de soort van essentieel belang zijn. 11

Het grasland binnen de planlocatie is mogelijk onderdeel van het foerageergebied van de das. Echter is er, gezien de kleinschaligheid van de planlocatie, de afwezigheid van een burcht in de directe omgeving van de planlocatie en de aanwezigheid van voldoende alternatief foerageergebied in de omgeving, geen sprake van aantasting van essentieel foerageergebied van de das. Negatieve effecten ten aanzien van de das zijn derhalve uitgesloten. Bunzing, steenmarter en wezel behoren tot de marterachtigen. Deze soorten komen onder andere voor in kleinschalige cultuurlandschappen met voldoende structuur (o.a. houtwallen, greppels, sloten met overhangende vegetatie). Meer stedelijk gebied kan echter ook deel uitmaken van het leefgebied van deze soorten. Rust- en voortplantingsplaatsen bestaan onder andere uit holen van andere zoogdieren, takken- en steenhopen en rommelschuurtjes. De steenmarter heeft hierbij in het bijzonder een voorkeur voor stenige structuren, zoals gebouwen. Op de planlocatie zijn geen structuren aanwezig die voor de bunzing, steenmarter of wezel kunnen dienen als vaste rust- of voortplantingsplaats. Het open terrein biedt erg weinig dekking voor deze soorten. Er is derhalve op de planlocatie ook geen sprake van de aanwezigheid van essentiële onderdelen van het leefgebied. Negatieve effecten ten aanzien van de bunzing, steenmarter en wezel zijn derhalve uitgesloten.

Door vorengenoemde is het uitgesloten dat er sprake is van een essentiële functie op de planlocatie voor soorten van de Habitatrichtlijn en niet vrijgestelde andere soorten. De planlocatie heeft enkel mogelijk een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name egel, mol en veldmuis. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Er is ten aanzien van grondgebonden zoogdieren geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Vleermuizen Binnen een straal van 2 km is het voorkomen bekend van de volgende vleermuissoorten: gewone dwergvleermuis, laatvlieger en rosse vleermuis (NDFF 2012-2022). Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als Habitatrichtlijnsoorten beschermd (Wnb art. 3.5). Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat. Ongeacht de mogelijke aanwezigheid van vleermuisverblijfplaatsen kunnen vleermuizen gebruikmaken van de planlocatie tijdens vliegbewegingen en foerageeractiviteiten.

Hier dienen in het kader van de algemene zorgplicht mogelijk maatregelen genomen te worden (zie H5.4). Op de planlocatie zijn geen bomen of gebouwen aanwezig. Derhalve is het uitgesloten dat er binnen de beoogde ruimtelijke ingreep sprake is van aantasting van verblijfplaatsen van boom- of gebouwbewonende vleermuizen. Er zijn binnen de directe verstoringszone van de planlocatie geen bomen of gebouwen aanwezig die voor vleermuizen geschikte verblijfplaatsen faciliteren. De dichtstbijzijnde gebouwen die mogelijk verblijfplaatsen faciliteren voor vleermuizen zijn de woningen aan de Essenweg (ten westen van de planlocatie). Tussen de planlocatie en deze woningen zijn echter diverse bijgebouwen aanwezig. Tevens zal er tussen deze woningen en de nieuw te realiseren woningen een houtwal aangeplant worden. Deze houtwal en de bijgebouwen hebben een bufferende werking op potentieel aanwezige verstoringsfactoren zoals licht. Het is derhalve tevens uitgesloten dat de realisatie van twee woningen op de planlocatie in de bouw- of gebruiksfase resulteert in de verstoring van potentieel aanwezige vleermuisverblijfplaatsen. Hoewel het uitgesloten is dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute.

Op de planlocatie en in de directe omgeving hiervan zijn geen grote lijnvormige structuren zoals bomenrijen aanwezig. Derhalve is er geen sprake van de aanwezigheid (en aantasting) van vliegroutes. De planlocatie vormt mogelijk algemeen foerageergebied voor vleermuizen. Gezien de afwezigheid van oppervlaktewater en houtopstanden (i.e. foerageergebieden met een hoge kwaliteit) en de aanwezigheid van voldoende alternatief foerageergebied in de omgeving, kan echter uitgesloten

12

worden dat er binnen de beoogde ruimtelijke ingreep sprake is van aantasting van essentiële foerageergebieden. Amfibieën Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende amfibieënsoorten: bruine kikker, gewone pad, heikikker, kleine watersalamander, poelkikker en rugstreeppad (NDFF 2012-2022). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: heikikker, poelkikker en rugstreeppad. Amfibieën, waaronder de heikikker, poelkikker en rugstreeppad, leven zowel in een aquatische als terrestrische omgeving. Deze omgevingen betreffen voortplantingswater, foerageergebieden en overwinteringsstructuren. Deze habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen. De heikikker komt voor in en rond ondiepe, voedselarme en enigszins zure watersystemen. Vaak betreffen dit vennen of moerasgebieden. Het landhabitat waar de heikikker gedurende de actieve periode aanwezig is dient ruig en te allen tijde vochtig te zijn. Veelal betreffen dit vochtige heidelandschappen of vochtige half-natuurlijke graslanden. Overwintering vindt veelal plaats in afgetrapte slootkanten of bosjes. De heikikker is enkel waargenomen in en rond een klein bosmeer circa 1,8 km ten noorden van de planlocatie (NDFF 2012-2022).

Op en nabij de planlocatie is geen geschikt voortplantingswater aanwezig voor de heikikker. In het noorden van de planlocatie is een zeer smalle sloot aanwezig. Ten tijde van het veldbezoek (oktober 2022) was deze sloot echter niet watervoerend. Naar verwachting is dit een groot gedeelte van het jaar het geval (bron: Google Streetview), waarmee de sloot niet functioneel is als voortplantingsgebied. Tevens zijn de voedselrijke omstandigheden op de planlocatie niet aantrekkelijk voor de heikikker. Gezien de afwezigheid van geschikt voortplantingswater op de planlocatie en in de nabije omgeving, kan de aanwezigheid van de heikikker op de planlocatie uitgesloten worden. De poelkikker komt voor in gebieden met stilstaande, zonbeschenen wateren met een vrij dichte watervegetatie. Direct rond het voortplantingswater dient geschikt landhabitat aanwezig te zijn, wat onder andere bestaat uit weilanden en bossen. Het overwinteringshabitat bestaat uit beschutte en vorstvrije locaties zoals muizenholletjes en onder stronken. De poelkikker is slechts één keer waargenomen in 2013, op grote afstand van de planlocatie (> 1,9 km; NDFF 2012-2022). Dit duidt op de afwezigheid van een poelkikkerpopulatie in de omgeving van de planlocatie. De sloot op de planlocatie is niet jaarrond watervoerend en zeer smal.

Tevens is er in de zomerperioden in het water sprake van veel schaduw door een dichte begroeiing aan landvegetatie (bron: Google Streetview), waardoor het water niet voldoende op kan warmen en er geen sprake is van groei van waterplanten. Het kan derhalve uitgesloten worden dat er op de planlocatie geschikt voortplantingswater aanwezig is voor de poelkikker. In de nabije omgeving van de planlocatie is tevens geen sprake van geschikt voortplantingswater. Derhalve kan uitgesloten worden dat de poelkikker op de planlocatie aanwezig is. De rugstreeppad is een pionierssoort die vooral voorkomt in zandige gebieden met vergraafbare grond. De soort komt derhalve vaak voor op ruig, onbeschaduwd terrein met lage tot geen vegetatie zoals braakliggende bouwterreinen, zandafgravingen en duingebieden. Het voortplantingswater is ondiep en warmt snel op en bevat bij voorkeur geen vegetatie en concurrentie van andere amfibieën. Op de planlocatie zijn geen habitatonderdelen aanwezig die onderdeel uitmaken van het leefgebied van de poelkikker. Echter kan tijdens de beoogde (graaf)werkzaamheden wel geschikt leefgebied voor de soort ontstaan, waarna de soort de planlocatie kan koloniseren. Waarnemingen van de rugstreeppad zijn uitsluitend bekend rond een klein bosmeer op grote afstand van de planlocatie (NDFF 2012-2022).

Gezien de soort in de afgelopen 3 jaar niet binnen 1 km van de planlocatie is waargenomen, is kolonisatie van de planlocatie uitgesloten. Conform het Kennisdocument Rugstreeppad (BIJ12, 2017) zijn geen aanvullende maatregelen benodigd om de kolonisatie van de planlocatie te voorkomen. Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad voorkomen op de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen op basis van de vastgestelde provinciale verordeningen. Er is ten aanzien van amfibieën geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. 13

Reptielen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende inheemse reptielen: adder, gladde slang, hazelworm, levendbarende hagedis en zandhagedis (NDFF 2012-2022). Voor alle inheemse reptielen geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Reptielen, waaronder de hierboven benoemde beschermde soorten, zijn over het algemeen verbonden aan structuurrijke en weinig verstoorde biotopen als heidevelden, bosgebied en natuurlijke oevers. Adders komen voor in gebieden met een rijke vegetatiestructuur en overgangen van droog naar vochtig. Belangrijk is dat er geschikte plekken aanwezig zijn waar de soort kan zonnen. De soort maakt gebruik van holen van zoogdieren of holten tussen boomwortels voor overwintering. Vaak liggen deze winterverblijven op locaties met een dichte begroeiing van bijvoorbeeld bramen. De gladde slang komt met name voor op droge heideterreinen, in hoogveengebieden, open bossen en bij jonge aanplant op zandgrond. De hazelworm heeft een voorkeur voor enigszins vochtige en met dichte vegetatie bedekte gebieden. De soort wordt het meeste waargenomen in bos- en heideterreinen, maar kan ook voorkomen in houtwallen, struwelen, spoor- en wegbermen en kalkgraslanden. De levendbarende hagedis komt voor in heide, hoogveen, open bossen, bermen en duinen.

De soort wordt veel aangetroffen bij oevers en andere vochtige terreindelen. De zandhagedis is afhankelijk van zonnige, onbegroeide en zandige plekken. De soort is dan ook sterk gebonden aan duin- en heidegebieden. De planlocatie betreft een weiland zonder gradiënten en structuurelementen. Er is derhalve geen sprake van geschikt leefgebied voor de adder, gladde slang, hazelworm, levendbarende hagedis en zandhagedis. Deze soorten zijn uitsluitend waargenomen in het bosgebied op relatief grote afstand (> 1,8 km) van de planlocatie (NDFF 2012-2022). Derhalve kan de aanwezigheid van deze soorten op de planlocatie uitgesloten worden. Er is ten aanzien van reptielen geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Vissen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van beschermde vissoorten niet bekend (NDFF 20122022). De sloot in het noorden van de planlocatie is zeer smal en niet jaarrond watervoerend. Derhalve wordt de aanwezigheid van (beschermde) vissoorten niet verwacht. Mogelijk leiden de beoogde werkzaamheden op het land (tijdelijk) tot verstoringen (geluid/trillingen), echter zijn er in de watergangen voldoende uitwijkmogelijkheden voorhanden buiten de verstoringszone.

Eventuele werkzaamheden met betrekking op de sloot op de planlocatie dienen, in het kader van de Algemene zorgplicht, uitgevoerd te worden in één logische werkrichting (zie H5.4). Indien deze maatregel wordt opgevolgd is er ten aanzien van vissen geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Insecten en andere ongewervelden Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van beschermde insecten of ongewervelden niet bekend (NDFF 2012-2022). Op de planlocatie is geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Er is ten aanzien van insecten en andere ongewervelden geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: ekster, houtduif en kauw. Gedurende het veldbezoek zijn geen individuen, nesten en/of sporen aangetroffen van vogelsoorten met een jaarrond beschermde nestlocatie en/of leefgebied. Binnen een straal van 100 meter van de planlocatie is vastgestelde aanwezigheid van nestlocaties van jaarrond beschermde vogels niet bekend (NDFF 2012-2022).

14

Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) Huismussen zijn sterk geassocieerd met mensen. De nestplaats is in de regel gebonden aan bebouwing. Voor zijn voedsel is de huismus sterk afhankelijk van wat de mens hem al dan niet bewust biedt. Deze voedselbron moet continu aanwezig zijn. De huismus heeft een sterke binding met mensen en komt tot broeden in of tegen gebouwen in dorpen en steden, in en bij boerderijen, maneges, kinderboerderijen en andere vormen van bebouwing in het landelijk gebied. Op plekken waar menselijke bebouwing wordt afgewisseld met groenvoorzieningen zijn meer huismussen dan op plekken waar geen groen aanwezig is. (BIJ12 kennisdocument Huismus, 2022). Wegens het ontbreken van bebouwing kan uitgesloten worden dat er op de planlocatie nestlocaties van de huismus aanwezig zijn. Mogelijk zijn er in de woningen of schuren buiten de planlocatie nestlocaties van de huismus aanwezig. Echter bevinden deze gebouwen zich buiten de verstoringszone van de werkzaamheden, waardoor er geen sprake is van verstoring van (broedende) huismussen. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt tot zeer beperkte aantasting van groene delen en resulteert niet in afname van essentieel leefgebied.

Rond de woningen in de omgeving zijn voldoende groene elementen aanwezig, waardoor de planlocatie geen essentieel onderdeel uitmaakt van het leefgebied van de potentieel aanwezige huismussen. Van aantasting van nestlocaties en functioneel leefgebied van de huismus is derhalve geen sprake. De gierzwaluw heeft als oorspronkelijk rotsbewoner de rotsen ingeruild voor bebouwing. De soort broedt daardoor hoofdzakelijk in stedelijk gebied in donkere holtes van ventilatieschachten, spleten in muren en onder (pannen)daken (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017). Voedselvluchten kunnen op vele kilometers (tot wel 1000 km) van het nest plaatsvinden, waardoor het foerageergebied niet nader te definiëren is. Wegens het ontbreken van gebouwen, kan de aanwezigheid van nestlocaties van gierzwaluw op de planlocatie uitgesloten worden. De potentieel aanwezige gierzwaluw nestlocaties in de nabijgelegen woningen ondervinden geen verstoring van de beoogde ontwikkeling, omdat deze buiten de verstoringszone plaatsvindt. Op de planlocatie zijn geen sporen van uilen met jaarrond beschermde nesten (kerkuil en steenuil) aangetroffen. Tevens zijn er op de planlocatie geen geschikte structuren aanwezig die kunnen dienen als nestlocatie voor deze soorten. Er zijn geen grote nesten of horsten aangetroffen in de bomen rondom de planlocatie.

De aanwezigheid van in bomen broedende soorten als buizerd, sperwer en ransuil kan uitgesloten worden. De planlocatie vormt mogelijk algemeen leefgebied voor uilen en andere roofvogelsoorten. Echter is er, wegens de aanwezigheid van voldoende alternatief leefgebied in de directe omgeving, geen sprake van essentieel leefgebied voor deze soorten. Er is wat betreft vogels met jaarrond beschermde nesten geen sprake van het vangen of doden van individuen, het wegnemen van rust- of nestplaatsen, of het wegnemen van structuren die essentieel zijn in het functioneren van rust- of nestplaatsen. Vogels - Algemene broedvogels en cat. 5 De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. Het weiland op de planlocatie faciliteert voor algemene / niet jaarrond beschermde vogels geschikte nestlocaties. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de werkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie.

Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige.

15

3.2 Gebiedsbescherming Natura 2000 De planlocatie maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Op een afstand van circa 1,4 km ligt het Natura 2000-gebied ‘Veluwe’ (figuur 3.1).

Figuur 3.1 De planlocatie ligt op een afstand van circa 1,4 km tot het Natura 2000-gebied ‘Veluwe’ (bron: nationaal Georegister PDOK). De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de realisatie van twee nieuwe twee-onder-een-kapwoningen. Ondanks dat deze buiten een Natura 2000-gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is om te resulteren in negatieve effecten. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden. Ten opzichte van de huidige situatie leidt de beoogde ruimtelijke ingreep in de gebruiksfase tot een beperkte toename in het aantal verkeersbewegingen. De nieuwbouw zal zonder gasaansluiting in de gebruiksfase geen stikstofuitstoot hebben. Gedurende de bouwfase kan er een beperkte en tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en bijbehorende verkeersbewegingen. De Wet natuurbescherming bevat ten gevolge van de Stikstofwet per d.d. 1 juli 2021 een partiële vrijstelling voor activiteiten gedurende de bouwfase. Hiermee kunnen de gevolgen van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden door aangewezen activiteiten van de bouwsector buiten beschouwing worden gelaten (Wnb art. 2.9a).

De juridische status van deze partiële vrijstelling kan in de toekomst wijzigen. Als activiteiten van de bouwsector worden aangewezen (algemene maatregelen van bestuur stikstofreductie en natuurverbetering): a. het verrichten van een bouwactiviteit of een sloopactiviteit die het feitelijk verrichten van bouw- of sloopwerkzaamheden aan een bouwwerk betreft, met inbegrip van de daarmee samenhangende vervoersbewegingen; b. het aanleggen, veranderen of verwijderen van een werk, met inbegrip van de daarmee samenhangende vervoersbewegingen.

16

Om vast te stellen of er in de nieuwe gebruikssituatie sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden van Natura 2000-gebieden is reeds een AERIUS-berekening uitgevoerd. De berekening is beschreven in een separaat document. Provinciaal aangewezen gebieden De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied betreffende het Gelders Natuurnetwerk, Groene Ontwikkelingszone, Weidevogelgebied, Ganzenrustgebied of Beschermingszone natte landnatuur. Op een afstand van circa 1,4 km ligt het Gelders Natuurnetwerk en de Groene Ontwikkelingszone (figuur 3.2). Op een afstand van circa 19 km ligt Weidevogelgebied (geen kaartweergave). Ganzenrustgebied is gelegen op een afstand van circa 19 km van de planlocatie (geen kaartweergave). Op een afstand van circa 13 km ligt de Beschermingszone natte landnatuur (geen kaartweergave). Ten aanzien van provinciaal aangewezen gebieden geldt dat externe werking geen toetsingskader is.

Figuur 3.2 De planlocatie ligt op een afstand van circa 1,4 km tot het Gelders natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone (bron: www.gldanders.planoview.nl).

3.3 Houtopstanden In de beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien.

17

4 Samenvatting 4.1

Soortenbescherming De planlocatie heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor soorten welke niet beschermd zijn (behoudens de algemene zorgplicht) en/of waarvoor een vrijstelling geldt. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart – 15 juli). Tabel 4.1

Overzicht van de Soortenbescherming.

Soortgroep

Bescherming Wnb

Soortspecifiek onderzoek

Planten

Nee

Grondgebonden zoogdieren

Nee

Vleermuizen

Nee

Amfibieën

Nee

Reptielen

Nee

Vissen

Nee

Insecten en andere ongewervelden

Nee

Vogels (cat. 1 t/m 4)

Nee

Vogels (Algemeen en cat. 5)

Nee

Mogelijke functie planlocatie

4.2 Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of provinciaal aangewezen beschermde gebieden. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking (met uitzondering op stikstof) op omliggende Natura 2000gebieden geen sprake. Een Voortoets en/of ‘nee, tenzij’-toets is niet noodzakelijk. De effecten van stikstofemissie zijn reeds inzichtelijk gemaakt middels de AERIUS-Calculator. De rapportage van deze berekening is beschikbaar in een separaat document. Tabel 4.2

Overzicht van beschermde gebieden in het kader van gebiedsbescherming.*Er is voor dit project reeds een AERIUS-berekening uitgevoerd.

Gebiedsbescherming

Afstand

Mogelijke effecten

Nader onderzoek

Natura 2000 Gelders Natuurnetwerk Groene ontwikkelingszone Weidevogelgebied Ganzenrustgebied Beschermingszone natte landnatuur

1,4 km 1,4 km 1,4 km 19 km 19 km

Stikstof Geen Geen Geen Geen

AERIUS* N.v.t. N.v.t. N.v.t. N.v.t.

13 km

Geen

N.v.t.

4.3 Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming.

18

5 Conclusie 5.1

Conclusie De realisatie van twee nieuwe woningen aan de Hulstweg ong. te Kootwijkerbroek is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro).

5.2 Uitvoerbaarheid De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent soortenbescherming en houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van zoogdieren, algemene vissoorten en algemene broedvogels. Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. Om negatieve effecten omtrent gebiedsbescherming uit te sluiten, is reeds een berekening door middel van de AERIUS-calculator uitgevoerd. Deze rapportage is beschikbaar in een separaat document.

5.3 Vervolgstappen Voor de beoogde ruimtelijke ingreep dient rekenkundig inzichtelijk te worden gemaakt of er sprake is van een verhoging van stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden van Natura 2000-gebieden. Dit is reeds gedaan middels de AERIUS-Calculator.

5.4 Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Eventueel aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) voorafgaand aan de werkzaamheden gefaseerd verwijderen. Dit om grondgebonden dieren de kans te bieden zelfstandig de planlocatie te verlaten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • De mogelijke kleinschalige werkzaamheden aan de sloot in de planlocatie leiden niet tot aantasting van functioneel leefgebied van beschermde vissoorten. Tijdens de werkzaamheden dient rekening gehouden te worden met de Algemene zorgplicht.

De werkzaamheden dienen in één werkrichting worden uitgevoerd om eventueel aanwezige vissen voldoende uitwijkmogelijkheden te bieden.

19

• De werkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli). Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn.

20

Bronvermelding Creemers, R.C.M & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (redactie), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. -Nederlandse fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Geraadpleegde documenten (BIJ12, 2017) Kennisdocument Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) Kennisdocument Gierzwaluw (Apus apus) Kennisdocument Heikikker (Rana arvalis) Kennisdocument Huismus (Passer domesticus) Kennisdocument Levendbarende hagedis (Zootoca vivipara) Kennisdocument Poelkikker (Pelophylax lessonae) Kennisdocument Rugstreeppad (Epidalea calamita) Kennisdocument Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii) Kennisdocument Zandhagedis (Lacerta agilis) Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.gelderland.maps.arcgis.com www.gldanders.planoview.nl www.nationaalgeoregister.nl www.ndff.nl www.ravon.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuisprotocol.nl www.vlinderstichting.nl www.wilde-planten.nl www.zoogdiervereniging.nl

Bijlage 1

Fotografische impressie

21

Bijlage 1

Fotografische impressie

Figuur 1

De planlocatie is gelegen aan de Hulstweg ong. te Kootwijkerbroek en bestaat uit een agrarisch perceel zonder bomen of gebouwen. De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de realisatie van twee nieuwe woningen.

Figuur 2

In het noorden van de planlocatie loopt een niet jaarrond watervoerende, smalle sloot.

22

Figuur 3

De planlocatie is gelegen in landelijk gebied nabij diverse woningen.

Figuur 4

De omgeving rond de planlocatie bestaat uit vergelijkbaar weiland. Tevens zijn er diverse bomen(rijen) aanwezig. Binnen de beoogde ruimtelijke ingreep worden deze elementen niet aangetast.

23

Koeweistraat 2 4181 CD Waardenburg 0418 820 288

blomecologie.nl 24

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Barneveld&id=a927f5ee-dbde-43bd-b24e-896e90b21b27