Het Wulperveld_Toelichting_Bijlage 14 Trillingenonderzoek, 31 januari 2022.pdf
Tekst van het document
Trillingenonderzoek woningen Stroe Trillingsonderzoek Stroe - Ericaweg
Van de Kolk Ontwikkeling B.V. 31 januari 2022
Project Opdrachtgever
Document Status Datum Referentie
Projectcode Projectleider Projectdirecteur
Auteur(s) Gecontroleerd door Goedgekeurd door
Trillingenonderzoek woningen Stroe Van de Kolk Ontwikkeling B.V.
Trillingsonderzoek Stroe - Ericaweg Definitief 02 31 januari 2022 126659/22-001.340
126659 P.W. Dijkstra MSc ir. J.L. Dierx
dr. ir. M. Bezemer-Krijnen, P.W. Dijkstra MSc ing. J.A.J. Snijders P.W. Dijkstra MSc
Paraaf
Adres
Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V. | Deventer Koningin Julianaplein 10, 12e etage Postbus 85948 2508 CP Den Haag +31 (0)70 370 07 00 www.witteveenbos.com KvK 38020751
Het kwaliteitsmanagementsysteem van Witteveen+Bos is gecertificeerd op basis van ISO 9001. © Witteveen+Bos Niets uit dit document mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt in enige vorm zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Witteveen+Bos noch mag het zonder dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd, behoudens schriftelijk anders overeengekomen. Witteveen+Bos aanvaardt geen aansprakelijkheid voor enigerlei schade die voortvloeit uit of verband houdt met het wijzigen van de inhoud van het door Witteveen+Bos geleverde document.
INHOUDSOPGAVE
1
INLEIDING
5
2
PROJECTBESCHRIJVING
7
2.1
Locatie
7
2.2
Treinverkeer nabij gebiedsontwikkeling
8
3
AANPAK
9
3.1
Trillingsmetingen
9
3.2
Predictie trillingen voor toekomstige nieuwbouw
10
3.3
Toetsingskader SBR-richtlijn deel B
10
4
TRILLINGSMETINGEN
13
4.1
Uitvoering trillingsmetingen
13
4.2
Resultaten
14
4.2.1 4.2.2
14 15
Maximale trillingsniveau Resultaten periodieke trillingsniveau
4.3
Analyseresultaten
16
5
PREDICTIE TOEKOMSTIGE SITUATIE EN TOETSING
17
5.1
Aanpak predictie trillingsniveau
17
5.2
Predictie en toetsing in gebouw op basis van kengetallen
18
6
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN
20
6.1
Conclusies
20
7
REFERENTIES
21
Laatste pagina
21
Bijlage(n)
Aantal pagina's
I
Bodemonderzoek
139
II
Stoorbronnen
2
III
Analyseresultaten
4
1 INLEIDING In opdracht van Van de Kolk ontwikkeling B.V. heeft Witteveen+Bos voorliggend trillingsonderzoek uitgevoerd. Aanleiding hiervoor is het voornemen om langs de Stroeërschoolweg in Stroe een nieuwbouwwijk te realiseren, op relatief korte afstand van de spoorlijn Amersfoort - Apeldoorn v.v. Ten behoeve van de projectrealisatie dient het bestemmingsplan te worden aangepast. De Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen [ref. 1] adviseert om bij ontwikkelingen van trillingsgevoelige bestemmingen die dichter dan 100 m van het spoor gelegen zijn een trillingsonderzoek te doen naar de kans op hinder ten gevolge van spoortrillingen. Onderstaande afbeelding geeft een overzicht van de beoogde situatie.
Afbeelding 1.1 Beoogde nieuwbouwlocatie in Stroe
Doel van het onderzoek Het doel van het onderzoek is om op basis van in situ-metingen langs de spoorlijn en aanvullende berekeningen een inschatting te geven of er in de woningen sprake is van een kans op trillingshinder. Voor de aanpassing van het bestemmingsplan beoordeeld moet worden of er spraken is van een goede ruimtelijke ordening en een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Op basis van de uitgevoerde metingen en berekeningen wordt een oordeel gegeven of er trillingshinder wordt verwacht en/of er aan het bouwplan of de bouwconstructies aanvullende voorwaarden nodig zijn om trillingshinder als gevolg van de spoorlijn te voorkomen.
5 | 21
Witteveen+Bos | 126659/22-001.340 | Definitief 02
Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt het project nader toegelicht. De aanpak van het trillingsonderzoek is uitgewerkt in hoofdstuk 3. Vervolgens worden in hoofdstuk 3 en hoofdstuk 4 respectievelijk de metingen en analyse van de meetresultaten beschreven. Daarna wordt in hoofdstuk 5 ingegaan op een predictie (berekening) van de verwachte trillingsniveaus op de ontwikkelingslocatie. De conclusies en aanbeveling die volgen uit het onderzoek zijn samengevat in hoofdstuk 6. Voor de uitwerking in dit onderzoek is tevens gebruik gemaakt van literatuurinformatie (zie referenties hoofdstuk 7).
6 | 21
Witteveen+Bos | 126659/22-001.340 | Definitief 02
2 PROJECTBESCHRIJVING 2.1
Locatie
In afbeelding 2.1 is de betreffende projectlocatie weergegeven. In het ontwerp is ruimte gelaten voor groen en parkeren, dit heeft verder geen positief of negatief effect op de overdracht van trillingen ten opzichte van de huidige situatie.
Afbeelding 2.1 Overzicht van de projectlocatie (bron: Plan Wulperveld Stroe-Noordwest, Van de Kolk, De Regt+Danz, 19 oktober 2021)
Het spoor ligt daarnaast op een talud met een hoogte van ongeveer 2 m. Dit heeft een positief effect op trillingen. Doordat deze in de huidige situatie ook aanwezig is, is het effect hiervan tijdens de metingen meegenomen. Type woningen De binnen de projectlocatie geprojecteerde types woningen zijn vrijstaande woning, 2-onder-1 kap woningen en rijtjeswoningen. De rij woningen aan de noordzijde (kortste afstand tot spoor) hebben allemaal twee verdiepingen en een kap. Het type fundering is nog onbekend, maar voor woningen op deze locatie wordt, als daar verder geen aanvullende eisen bij gelden, vrijwel altijd op staal gebouwd.
7 | 21
Witteveen+Bos | 126659/22-001.340 | Definitief 02
Afstanden tot spoor In afbeelding 2.1 zijn de afzonderlijke bouwblokken te zien met daarin aangegeven de kortste afstand van de bouwblokken tot het spoor. Deze afstand bedraagt circa 45 m. De eerstelijns bebouwing staat iets schuin ten opzichte van het spoor en de afstand van het meest westelijke huis tot het spoor is enkele meters groter. Eigenschappen ondergrond Op de projectlocatie is in 2017 en 2018 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Ter plaatse van het zuidelijke deel van het projectgebied en ter plaatse van de Ericaweg 3, ten zuiden van de projectlocatie [ref. 5 en ref. 6]. Hierbij is vastgesteld dat de toplaag voornamelijk bestaat uit zand. Spectraal gezien geeft een zandlaag (bij de hogere frequenties) trillingen beter door. De verwachte trillingsniveaus zullen dus doorgaans hoger zijn bij een ondergrond van zand dan bij een ondergrond van veen of klei. Daarnaast is recent een geactualiseerd bodemonderzoek gedaan. Hiervan is verslag gedaan in rapport ‘Verkennend bodem-, asbest en asfaltonderzoek op de locatie aan de Ericaweg 22 te Stroe’ van 17 september 2021 met referentie 210482/lvh/sh. Voor het onderzoek zijn op de locatie 59 boringen geplaatst. De maximale boordiepte bedroeg 3 m onder maaiveld. Hieruit blijkt dat de toplaag van de grotendeels uit zand bestaat en op basis van de genomen monsters als vrij homogeen te beschouwen is.
2.2
Treinverkeer nabij gebiedsontwikkeling
Op het spoor nabij de nieuwbouwlocatie wordt met name gereden met reizigersmaterieel van het type intercity’s, die circa acht keer per uur in de dag- en avondperiode de projectlocatie passeren. Na middernacht neemt dit aantal af naar ongeveer vier intercity’s per uur. Volgens de dienstregeling van NS Reizigers wordt er geen gebruik gemaakt van sprinters op dit traject, maar incidenteel kan dit voorkomen. Daarnaast wordt het spoor frequent bereden door goederentreinen. Dit gebeurt met een frequentie van circa 20 tot 25 goederentreinen per etmaal (gemiddeld circa één goederentrein per uur). Een globaal overzicht van de passages gedurende de meetperiode is opgenomen in bijlage III. Voor de nabije toekomst zijn er nog geen concrete plannen bekend dat er structureel meer reizigerstreinen op het traject Amersfoort - Apeldoorn v.v. gaan rijden. In voorliggend onderzoek gaan wij ervan uit dat het aantal goederentreinen niet binnen afzienbare tijd in een relevante mate wijzigt.
8 | 21
Witteveen+Bos | 126659/22-001.340 | Definitief 02
3 AANPAK 3.1
Trillingsmetingen
Witteveen + Bos heeft in juli 2021 een tweetal korte metingen en een langdurige meting uitgevoerd op maaiveldveldniveau. In afbeelding 3.1 zijn de locaties van de metingen weergegeven. Punt A en C zijn de locaties van de korte metingen, punt B geeft de locatie van de langdurige meting aan. De langdurige meting beslaat tien volledige meetdagen om zodoende een representatief beeld van trillingen als gevolg van het treinverkeer te krijgen. In deze periode zijn zowel passages van intercity’s als goederentrein gemeten.
Afbeelding 3.1 Meetlocaties, waarbij punt B de locatie van de langdurige meting aangeeft
9 | 21
Witteveen+Bos | 126659/22-001.340 | Definitief 02
3.2
Predictie trillingen voor toekomstige nieuwbouw
De trillingsniveaus in een woning kunnen verschillen van de niveaus op maaiveld, hierbij speelt de stijfheid van de fundering, het aantal verdiepingen en eigenschappen van onder andere de vloeren een rol. Met behulp van de beschikbare gegevens van de toekomstige bebouwing, kan een indicatie worden gegeven van de verwachte niveaus. Hierbij is een inschatting gemaakt van de gebouwoverdracht tussen maaiveld en fundering op basis van kengetallen, beschreven in beschikbare literatuur, zoals de CUR 166 [ref. 1] en de handleiding opgesteld door de FTA, de ‘Transit Noise and Vibration Impact Assessment Manual’ [ref. 2]. Voor een uitvoerige doorrekening en analyse van een specifiek ontwerp kan een eindige-elementenmodel worden opgezet. Een berekening met een eindige-elementenmodel valt buiten dit onderzoek.
3.3
Toetsingskader SBR-richtlijn deel B
De SBR-richtlijn deel B [ref. 3] wordt als toetsingscriterium gehanteerd. Formeel gezien heeft deze SBRrichtlijn geen wettelijke basis. Maar op basis van jurisprudentie en verwachte toekomstige ontwikkelingen in de wetgeving1 heeft de SBR-richtlijn voor de beoordeling van trillingen voor bovenlangs spoorlijnen wel rechtsgeldigheid. De SBR-richtlijn deel B kent een tweetal toetsingsgrootheden, namelijk Vmax en Vper. Vmax betreft het maximaal optredende trillingsniveau, terwijl Vper een periodiek gemiddelde betreft. Met V max wordt de maatgevende trein getoetst, met V per wordt tevens rekening gehouden met hoe vaak treinen passeren. Classificatie trillingen Volgens de SBR-richtlijn zijn weg- en railverkeer te classificeren als ‘herhaald voorkomende trillingen gedurende lange tijd’. Binnen het toetsingskader wordt onderscheid gemaakt tussen een bestaande situatie, een nieuwe situatie of een gewijzigde situatie. Omdat de toekomstige bebouwing nieuwbouw is, valt dit onder de nieuwe situatie. De streef- en grenswaarden voor deze classificatie komen overeen met de streefen grenswaarden voor de situatie ‘continu voorkomende trillingen gedurende lange tijd’, waarbij geen onderscheid gemaakt wordt tussen nieuwe, gewijzigde of bestaande situaties. Toetsingsprocedure afbeelding 3.2 toont de toetsingsprocedure conform de richtlijn.
In eerste instantie wordt het maximale trillingsniveau Vmax getoetst aan de onderste streefwaarde A1. Wanneer Vmax een lagere waarde heeft, wordt voldaan aan de richtlijn. Voor een hogere waarde wordt V max getoetst aan A2, de grenswaarde. Hiernaast moet het periodiek (of gemiddelde) trillingsniveau Vper afgeleid worden, een waarde waarin de ratio tussen het voorkomen van de trilling en de meetperiode van het trillingssignaal in rekening gebracht is. Alleen wanneer Vmax kleiner is dan A2 en Vper kleiner dan A3, wordt voldaan aan de SBR-richtlijn. De streefwaarden worden in tabel 3.1 gegeven, hierbij is de gebouwfunctie woning dik gedrukt, aangezien de toekomstige bebouwing deze functie zal hebben. In de tabel is ook te zien dat er een onderscheid gemaakt is tussen de streefwaarden voor de dag en avond en de nacht. Hierbij geldt dat de dag en avond van 7.00 uur ’s morgens tot 23.00 uur ’s avonds duurt en de nacht van 23.00 uur ’s avonds tot 7.00 uur ’s morgens.
1
Onder de Omgevingswet wordt de SBR-richtlijn van toepassing verklaard voor de activiteit bouwen.
10 | 21
Witteveen+Bos | 126659/22-001.340 | Definitief 02
Afbeelding 3.2 Toetsingsschema trillingshinder volgens SBR deel B Hinder voor personen in gebouwen
Tabel 3.1. Streefwaarden voor continue trillingen, voor zowel nieuwe als bestaande situaties volgens SBR-richtlijn [ref. 2] Gebouwfunctie
Dag en avond
Nacht
A1
A2
A3
A1
A2
A3
gezondheidszorg
0,1
0,4
0,05
0,1
0,2
0,05
wonen
0,1
0,4
0,05
0,1
0,2
0,05
onderwijs en kantoor
0,15
0,6
0,07
0,15
0,6
0,07
bijeenkomst
0,15
0,6
0,07
0,15
0,6
0,07
kritische werkruimte
0,1
0,1
-
0,1
0,1
-
Hinderkwalificatie In bijlage 5 van de SBR-richtlijn is een kwalificatie van mogelijke hinder gegeven, om de toelaatbaarheid van trillingssterkten voor railverkeer te helpen beoordelen. De kwalificatie is weergegeven in tabel 3.2. Hierbij moet worden opgemerkt dat ervaring van trillingen en hinder zeer subjectief is en afhangt van de mate waarin de trillingssterkte voorkomt, de aanwezigheid van andere trillingsbronnen (achtergrondtrillingen), de mogelijkheden tot treffen van trillingsreducerende maatregelen, de historie en de persoon.
Tabel 3.2 Hinderkwalificatie volgens bijlage 5 van SBR-richtlijn [ref. 2] Vmax
Hinderkwalificatie
< 0,1
geen hinder
0,1 - 0,2
weinig hinder (bestaande situaties)
0,2 - 0,8
matige hinder
0,8 - 3,2
hinder
> 3,2
ernstige hinder
Op basis van tabel 3.1 kan worden geconcludeerd dat er tot een waarde van Vmax is 0,2 tot 0,3 trillingen door personen slechts niet of in beperkte mate kunnen worden waargenomen en er in de regel ook geen of (matige) hinder zal zijn1.
1
Uit SBR-B bij bijlage 5: Het accepteren van (matige) hinder door overschrijding van de streefwaarden kan onder meer afhankelijk zijn van de mate waarin de trillingssterkte voorkomt, de aanwezigheid van andere trillingsbronnen (de achtergrondtrillingen). de mogelijkheid tot bettreffen van trillingsreducerende maatregelen en de historie. In geval van mogelijke hinder dienen de betrokken partijen te overleggen. Ernstige hinder is niet toelaatbaar.
11 | 21
Witteveen+Bos | 126659/22-001.340 | Definitief 02
Voor nieuwe woningen is het uitgangspunt dat wanneer uit metingen/ berekeningen blijkt dat in gevoelige ruimten in woningen wordt voldaan aan de in tabel 3.1. opgenomen streefwaarde en geen sprake is van trillingshinder. Voor de toetsing van het bouwplan richten we ons op de waarden zoals opgenomen in tabel 3.1 (wonen).
12 | 21
Witteveen+Bos | 126659/22-001.340 | Definitief 02
4 TRILLINGSMETINGEN 4.1
Uitvoering trillingsmetingen
Witteveen + Bos heeft tussen 1 juli en 12 juli 2021 een langdurig trillingsonderzoek uitgevoerd op maaiveldniveau ter plaatste van de locatie van de toekomstige bebouwing. Ook zijn er op 1 juli 2021 een tweetal korte metingen uitgevoerd. In dit hoofdstuk worden de resultaten van de metingen beschreven. Locaties De meetlocaties liggen in een weiland, aan de rand van Stroe. Op deze locatie zijn er zijn weinig verstoringen door mensen of andere bronnen waar te nemen. In afbeelding 3.1 is aangegeven waar deze meetlocaties zich bevinden ten opzichte van de toekomstige bebouwing en het spoor. De langdurige meting heeft plaatsgevonden op meetlocatie B, op ongeveer 45 m afstand van het dichtstbij gelegen spoor. De afstand van deze meetlocatie tot het spoor komt overeen met de kortste afstand tussen de toekomstige bebouwing en het spoor. Meetlocatie A is gesitueerd op dezelfde raai van het spoor, maar ligt op een afstand van ongeveer 75 m tot het spoor. Tijdens de meetdag bleek dat de trillingen als gevolg van treinpassages op deze afstand nog net goed te meten waren. Ondanks dat de woningen op de tweede lijn op ongeveer 100 m afstand geprojecteerd zijn, is daarom voor een meetafstand van 75 m gekozen. Met metingen op deze locatie wordt een indicatie verkregen van de relatie tussen de demping van de trillingen en de afstand tot het spoor.
Meetlocatie C bevindt zich op ongeveer 45 m vanaf het spoor, ten westen van meetlocatie A. Door op twee verschillende locaties te meten kan eventuele variatie in de ondergrond gemeten worden. Op zowel meetlocatie A als meetlocatie C is gelijktijdig gedurende een dagdeel gemeten. Om te waarborgen dat de trillingen als gevolg van treinverkeer - die zich door de ondergrond verplaatsen voldoende nauwkeurig gemeten worden, is de grond iets afgegraven en hierop is een zware tegel geplaatst. De trillingsopnemers zijn op deze vlakke tegel geplaatst. Doordat de opnemers iets zijn ingegraven worden de trillingen van de ondergrond gemeten en niet alleen de trillingen in de bovenste decimeters grond, wat mogelijk een verstoord beeld kan geven.
13 | 21
Witteveen+Bos | 126659/22-001.340 | Definitief 02
Afbeelding 4.1 Foto’s van meetpunt 1, op locatie B
Meetapparatuur Er is gebruik gemaakt van meetsystemen van Syscom, type MR3000TR. Deze systemen voeren trillingsmetingen uit conform de SBR-richtlijn. Voor de gehele periode wordt de Veff,max,30,i geregistreerd. Bovendien wordt de tijdsdata opgeslagen voor alle situaties waarin de drempelwaarde wordt overschreden. De drempelwaarde voor locatie A is ingesteld op 0,03 mm/s in alle richtingen. De drempelwaarde voor locatie B en locatie C is ingesteld op 0,1 mm/s in alle richtingen. De bemonsteringsfrequentie is 1000 Hz.
4.2
Resultaten
4.2.1
Maximale trillingsniveau
Conform de toetsing volgens de SBR-richtlijn deel B (zie paragraaf 3.3) zijn zowel de maximale trillingsniveaus (Vmax) als de periodieke trillingsniveaus (Vper) berekend aan de hand van de gemeten Veff,max,30,i waardes. Hieronder worden eerst de resultaten voor de maximale trillingsniveaus besproken. In de volgende paragraaf worden de periodieke trillingsniveaus besproken. afbeelding 4.2 laat de gemeten maximale niveaus (V eff,max,30,i) per 30 seconden interval van de voortschrijdende effectieve waarden (V eff(t)) over de gehele meetperiode zien voor de trillingsopnemer op locatie B. De hoge niveaus op 6 juli zijn te verklaren door de aanwezigheid van de technicus voor een korte check. Ook een stoorbron op 5 juli is uit de dataset verwijderd. Dit is beschreven in bijlage II.
Afbeelding 4.2 Gemeten Veff,max,30,i niveaus gedurende de gehele meetperiode in alle drie de richtingen op locatie B
14 | 21
Witteveen+Bos | 126659/22-001.340 | Definitief 02
Uit afbeelding 4.2 is te herleiden dat er tussen de gemeten maximale trillingsniveaus (V eff,max) van afzonderlijke treinpassages een behoorlijke spreiding zit. Dit is inherent aan trillingen als gevolg van treinverkeer. Tevens blijkt dat op een afstand van 45 m een waarde van 0.1 tot 0.2 niet vaak wordt overschreden. Voor de uitschieters heeft een controle plaatsgevonden of de gemeten waarde al dan niet representatief is voor de treinpassage. Indien niet representatief is de dataset daarop gecorrigeerd. Nadat niet representatieve meetdata is verwijderd uit de dataset is per meetrichting voor de gehele duur van de meting de grootste effectieve waarden bij treinpassages bepaald, dit is Veff,max. De identificatie van de meetsignalen is uitgevoerd op basis van de detailtreinactiviteiten van de PAB (prestatie-analysebureau)1. Aangezien de meting op locatie B een langdurige meting van tien volledige meetdagen betreft, is ervan uitgegaan dat de statische verwerking uit de SBR (geadviseerd bij korte metingen of voor het bepalen van worst case scenario’s) niet van toepassing is en het bepalen van de grootste effectieve waarde Veff,max voldoende is. In tabel 4.1 is een overzicht te zien van de aldus bepaalde grootste waarde van de effectieve waarden bepaald (Veff,max) per periode per richting.
Hier is te zien dat de maximale niveaus in de x-richting (de richting loodrecht op het spoor) gemeten worden, al liggen de trillingsniveaus in alle drie richtingen dicht bij elkaar. In tabel 4.1 zijn ook de waarden voor Vmax aangegeven in blauw, dit is de maximale trillingssterkte bepaald per beoordelingsperiode. Deze Vmax wordt getoetst aan de streefwaarden uit tabel 3.1.
Tabel 4.1 Meetresultaten maximale trillingsniveaus op locatie B (45 m naar spoor), gesorteerd per periode Meetrichting
Veff,max dag
Veff,max avond
Veff,max nacht
x
0.16
0.19
0.22
y
0.16
0.20
0.18
z
0.20
0.19
0.11
4.2.2
Resultaten periodieke trillingsniveau
Behalve de maximale trillingsniveaus is ook de trillingssterkte over de beoordelingsperiode (Vper) bepaald, hierbij is de methode gegeven in de SBR, deel B aangehouden. tabel 4.2 geeft de periodieke trillingsniveaus voor de dag, avond en nacht periode in de dominante richtingen voor de gehele meetperiode aan voor meetlocatie B. In tabel 4.2 is te zien dat het trillingsniveau in de y-richting voor de avond de hoogste waarde van Vper geeft. Ook is te zien dat het Vper niveau in voor de dagperiode in de z-richting het laagste is. Dit is te verklaren doordat de gemeten trillingsniveaus bij treinpassages in de z-richting vrij laag is, maar er enkele uitschieters zijn die relatief hoge trillingsniveaus geven. Doordat de waarde van Vper,meet uiteindelijk nog vermenigvuldigd wordt met de verhouding tussen de totale duur van de trillingen met een amplitude boven de 0,1 en de duur van de gehele beoordelingsperiode valt deze waarde erg laag uit.
1
Dit bedrijfsonderdeel van ProRail monitort en analyseert de treinpassages op vastgestelde dienstregelpunten, en heeft dus een overzicht van het treintype en het tijdstip van een treinpassage. Een overzicht hiervan is verkregen voor de periode van de metingen.
15 | 21
Witteveen+Bos | 126659/22-001.340 | Definitief 02
Tabel 4.2 Overzicht van Vmax en Vper per periode Periode
Dominante richting
Vmax
Vper
dag
z
0.20
0.0027
avond
y
0.20
0.0077
nacht
x
0.22
0.0069
4.3
Analyseresultaten
Een analyse van de resultaten is opgenomen in bijlage III.
16 | 21
Witteveen+Bos | 126659/22-001.340 | Definitief 02
5 PREDICTIE TOEKOMSTIGE SITUATIE EN TOETSING 5.1
Aanpak predictie trillingsniveau
Met behulp van de uitgevoerde metingen is een indruk verkregen wat de trillingsniveaus op maaiveld zijn ter plaatse van het punt waar de voorziene bebouwing het dichtst op het spoor is gelegen. In de toekomstige situatie waarin de nieuwbouw is gerealiseerd, zullen trillingen als gevolg van treinverkeer het gebouw aanstoten en in bepaalde mate voortplanten in het gebouw. De ervaring leert dat het trillingsniveau op fundering is afgenomen ten opzichte van het trillingsniveau op maaiveld. Dit komt doordat afhankelijk van de stijfheid van de fundering, de massa en de geometrie, de fundering maar deels het trillingspatroon in de bodem zal volgen. Hierbij geldt dat hoe massiever en stijver de fundatie en ook hoe hoger de frequenties van het trillingssignaal, hoe groter het verschil tussen maaiveld en fundatie. Voor grote gebouwen met massieve fundering, betekent dit dat het trillingsniveau op maaiveld soms met een veelvoud wordt teruggebracht. De CUR 166 [ref. 3] geeft voor trillingen als gevolg van het heien van palen en/of intrillen van damwanden in Nederland een indicatie van de overdrachtsfactor tussen maaiveld en fundering. De factor is bepaald op 0,7, oftewel een 30 % afname van het trillingsniveau.
De ervaring leert dat deze factor in veel gevallen conservatief is (oftewel tot een overschatting van optredende niveaus leidt) wanneer er sprake is van een ongevoelige fundering voor maaiveldtrillingen zoals een massieve fundering of een paalfundering. Bij een fundering op staal hoeft de factor niet conservatief te zijn. Voor de nieuwbouwwoningen wordt verwacht dat deze factor een overschatting van optredende trillingsniveaus oplevert, daarom is ook gekeken naar de factoren gegeven in ‘Transit Noise and Vibration Impact Assessment Manual’ [ref. 1]. tabel 5.1 geeft deze factoren weer. Uit deze tabel volgt dat voor de geplande woningen een factor van 0,44 gehanteerd kan worden, behorende bij een gebouw bestaande uit metselwerk met twee verdiepingen. Dit betekent dat verwacht wordt dat de trillingsniveaus op maaiveld met een factor 2,3 worden gereduceerd, een aanzienlijk hogere reductie dan die door de CUR 166 wordt gehanteerd.
Tabel 5.1 Verschil in trillingsniveaus tussen grond en fundering volgens FTA Type fundering
Verlies in dB*
Vertaling naar trillingsniveau factor
gebouwen opgetrokken uit hout
-5
0,56
1-2 verdieping metselwerk gebouwen
-7
0,44
3-4 verdieping metselwerk gebouwen
-10
0,32
grotere massieve metselwerken gebouwen met massieve fundering
-10
0,32
* Verlies in dB is in dit geval gedefinieerd als 20log 10(Vmaaiveld/Vfundering)
17 | 21
Witteveen+Bos | 126659/22-001.340 | Definitief 02
5.2
Predictie en toetsing in gebouw op basis van kengetallen
Voor de toetsing van de verwachte trillingsniveaus wordt de streef- en grenswaardes uit de SBR-richtlijn (tabel 3.1) voor de nacht aangehouden, omdat de gemeten niveaus zowel overdag als ’s nachts kunnen plaatsvinden. tabel 5.2 geeft de predictie weer voor de maatgevende woning van de nieuwbouwlocatie, degene die het dichtste bij het spoor gelegen is. Hierbij is uitgegaan van de trillingssnelheden gemeten iets onder maaiveldniveau bij de gevel aan de spoorzijde van het gebouw, op een afstand van 45 m tot het dichtstbijzijnde spoor.
Tabel 5.2 Predictie Vmax indien er geen sprake is van opslingering (spoorzijde gebouw) Richting
Vmax maaiveld
Vper maaiveld
Factor maaiveldfundering
Vmax fundering
Factor funderingvloer
Vmax vloer
Vper vloer
x
0,22
0,0027
0,44
0,097
1
0,097
0,0012
y
0,2
0,0077
0,44
0,088
1
0,088
0,0034
z
0,2
0,0069
0,44
0,088
1
0,088
0,0030
In de voorgaande tabel zijn de gemeten waarden op maaiveld omgerekend naar trillingsniveau op de verdiepingsvloer. Tabel 5.3 toetst deze aan de richt- en streefwaarden uit de SBR-B.
Tabel 5.3 Resultaten Vmax en Vper en toetsing aan streef- en grenswaarden SBR-B Streef- /grenswaarden SBR-B
Toetsing
Richting
Vmax vloer
Vper vloer
A1 streef
A2 grens
A3 grens
voldoet A1? (Vmax<0,1)
voldoet A2? (Vmax<0,2)
voldoet A3? (Vper<0,05)
x
0,097
0,0012
0,1
0,2
0,05
ja
ja
ja
y
0,088
0,0034
0,1
0,2
0,05
ja
ja
ja
z
0,088
0,0030
0,1
0,2
0,05
ja
ja
ja
Uit de tabel blijkt dat de verwachte trillingssnelheden op vloerniveau onder de streefwaarde A1 liggen en daarmee dus voldoet. Hierbij is aangenomen dat er geen sprake is van opslingering van vloeren. Opslingering is het fenomeen dat de eigenfrequentie van een vloer wordt aangestoten, wat kan leiden tot grote trillingen van de vloer. Wordt dit wel gedaan (CUR 166 presenteert een opslingeringsfactor van 1,4 bijvoorbeeld voor heien) dan wordt nog steeds voldaan aan de grenswaarde A2 uit de SBR. Voor de volledigheid is ook gekeken naar de streefwaarde voor de periodieke trillingsniveaus V per. Uit de metingen op maaiveld berekenen wij een maximale Vper van 0,0077, en ligt daarmee ruim onder de grenswaarde A3. Deze waarde valt nog lager uit als we ook de reductie van maaiveld naar de fundering meenemen. Daarmee voldoet ook de waarde Vper aan de grenswaarde uit de SBR.
18 | 21
Witteveen+Bos | 126659/22-001.340 | Definitief 02
Uitkomsten raaimeting Uit de raaimeting bleek dat de woningen op dezelfde afstand van het spoor (meetpunt C) een ongeveer gelijk trillingsniveau hebben als het meetpunt van de langdurige meting (meetpunt B). Daarmee zijn de resultaten uit de vorige paragraaf gelijk aan voor de andere woningen op gelijke afstand van het spoor. Ook hier wordt dus voldaan aan de grens- en streefwaarden uit de SBR. Ditzelfde geldt voor de woningen in de tweedelijns bebouwing.
19 | 21
Witteveen+Bos | 126659/22-001.340 | Definitief 02
6 CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN 6.1
Conclusies
In opdracht van Van de Kolk ontwikkeling B.V. heeft Witteveen+Bos voorliggend trillingsonderzoek uitgevoerd. Aanleiding hiervoor is het voornemen om langs de Stroeërschoolweg in Stroe een nieuwbouwwijk te realiseren, op relatief korte afstand van de spoorlijn Amersfoort - Apeldoorn v.v. Op basis van in situ-metingen langs de spoorlijn is een inschatting gegeven of er in de woningen sprake is van een kans op trillingshinder. Voor de aanpassing van het bestemmingsplan beoordeeld moet worden of er spraken is van een goede ruimtelijke ordening en een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Op basis van de uitgevoerde metingen en berekeningen is een oordeel gegeven of er trillingshinder wordt verwacht en/of er aan het bouwplan of de bouwconstructies aanvullende voorwaarden nodig zijn om trillingshinder als gevolg van de spoorlijn te voorkomen. Onderstaande tabel geeft een overzicht van de resultaten en toetst deze aan de beoordelingscriteria uit de SBR-B.
Tabel 6.1 Resultaten Vmax en Vper en toetsing aan streef- en grenswaarden SBR-B Streef- /grenswaarden SBR-B
Toetsing
Richting
Vmax vloer
Vper vloer
A1 streef
A2 grens
A3 grens
voldoet A1? (Vmax<0,1)
voldoet A2? (Vmax<0,2)
voldoet A3? (Vper<0,05)
x
0,097
0,0012
0,1
0,2
0,05
ja
ja
ja
y
0,088
0,0034
0,1
0,2
0,05
ja
ja
ja
z
0,088
0,0030
0,1
0,2
0,05
ja
ja
ja
Uit de tabel blijkt dat de verwachte trillingssnelheden op vloerniveau onder de streefwaarde A1 liggen en daarmee dus voldoet. De gemeten waarden van Vmax en Vper op maaiveld zijn, vergelijkend met andere vergelijkbare plaatsen, laag. Een verklaring hiervoor is dat het samenstel van materieel, de bovenbouw en de grondslag leidt tot lage emissies van trillingen. Wij stellen dat in de nieuwe situatie sprake is van een goede ruimtelijke ordening en een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, en de kans op hinder als gevolg van trillingen verwaarloosbaar is.
20 | 21
Witteveen+Bos | 126659/22-001.340 | Definitief 02
7 REFERENTIES [ref. 1] [ref. 2] [ref. 3] [ref. 4] [ref. 5] [ref. 6] [ref. 7]
21 | 21
Handboek Damwandconstructies (CUR 166), november 2008, ISBN 9037600735. Federal Transit Administration (2018). Transit Noise and Vibration Impact Assessment. SBR (herdruk juli, 2006). Trillingen: meet- en beoordelingsrichtlijnen, Hinder voor personen in gebouwen, Deel B. Bevestiging trillingsopnemer op maaiveld, C. Ostendorf, Congres en Beurs Geluid, Trillingen en Luchtkwaliteit in Nederland (november 2018). Verkennend bodemonderzoek en asbest in bodemonderzoek, Planontwikkeling Van de Kolk Garderen BV, 8 februari 2017 Verkennend bodemonderzoek op de locatie aan de Stroeerschoolweg 3 te Stroe, Hunneman Milieu-Advies, 2 november 2018 Handboek nieuwbouw en spoortrillingen. Ministerie Infrastructuur en Waterstaat, 2019
Witteveen+Bos | 126659/22-001.340 | Definitief 02
Bijlage(n)
I BIJLAGE: BODEMONDERZOEK
Witteveen+Bos | 126659/22-001.340 | Bijlage I | Definitief 02
Van de Kolk Ontwikkeling BV Verkennend bodem-, asbest- en asfaltonderzoek op de locatie aan de Ericaweg 22 te Stroe projectnummer: 210482/lvh/sh datum: 17 september 2021
Opdrachtgever Van de Kolk Ontwikkeling BV Koningsweg 29 3886 KC GARDEREN Hunneman Milieu-Advies Raalte BV Postbus 253 8100 AG RAALTE Tel: 0572-360998 E-mail: info@hunneman-milieu.nl
BRL-SIKB 2000
INHOUDSOPGAVE 1
INLEIDING............................................................................................................................. 1
2
VOORONDERZOEK ............................................................................................................ 2
2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 3
VELD- EN LABORATORIUM ONDERZOEK .................................................................. 8
3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 4
ONDERZOEKSAANLEIDING ................................................................................... 2 ACHTERGRONDINFORMATIE................................................................................. 3 HISTORISCHE INFORMATIE ................................................................................... 3 BODEMOPBOUW EN GEOHYDROLOGIE ................................................................. 5 ONDERZOEKSSTRATEGIE ...................................................................................... 5 BETROUWBAARHEID ONDERZOEK ........................................................................ 7 VELDONDERZOEK ................................................................................................. 8 LABORATORIUM ONDERZOEK .............................................................................. 9 TOETSINGSCRITERIA EN ANALYSERESULTATEN NEN-PARAMETERS................... 9 TOETSINGSCRITERIA EN ANALYSERESULTATEN ASFALT ................................... 11 TOETSINGSCRITERIA EN ANALYSERESULTATEN ASBEST ................................... 12
INTERPRETATIE ONDERZOEKSRESULTATEN ....................................................... 13
4.1 4.2 4.3 4.4 4.5
ASBESTONDERZOEK ........................................................................................... 13 VASTE BODEM EN GRONDWATER ....................................................................... 13 ASFALTVERHARDING ......................................................................................... 14 DOORLATENDHEIDSMETING ............................................................................... 14 SAMENVATTENDE CONCLUSIES .......................................................................... 14
BIJLAGEN: 1 Kadastraal overzicht 2 Boorbeschrijvingen 3 Toetsingstabellen, analyserapporten en foto’s boorkernen 3.1 vaste bodem 3.2 grondwater 3.3 asbest 3.4 asfalt inclusief foto’s boorkernen 4 Monsternemingsplan en -formulier asbest 5 Relevante historische informatie 6 Resultaten K-waarde bepalingen TEKENING: 1-1 Situatie met monsterpunten, boringen en peilbuizen
_________________________________________________Hunneman Milieu-Advies__________________
1
INLEIDING
In opdracht van Van de Kolk Ontwikkeling BV is in juli en september 2021, door Hunneman Milieu-Advies Raalte BV, een milieutechnisch bodem-, asbest- en asfaltonderzoek uitgevoerd op de locatie aan de Ericaweg 22 te Stroe. Voor een kadastraal overzicht van de onderzoekslocatie verwijzen wij naar bijlage 1. Het verkennend bodem- en asbestonderzoek is uitgevoerd naar aanleiding van de voorgenomen bestemmingswijziging en nieuwbouw op de locatie. Het verkennend bodem- en asbestonderzoek heeft tot doel het vaststellen van de actuele kwaliteit van de bodem, het grondwater en de asfaltverharding. Het veldwerk, de grond- en/of grondwaterbemonstering en het laboratoriumonderzoek is uitgevoerd conform de geldende beoordelingsrichtlijn “Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek” BRL-SIKB 2000. Voor deze richtlijn is Hunneman Milieu-Advies Raalte BV in het bezit van een procescertificaat, welke is afgegeven door KIWA. Het procescertificaat van Hunneman Milieu-Advies Raalte BV (certificaatnummer K26828) en het hierbij behorende keurmerk zijn uitsluitend van toepassing op de activiteiten inzake “Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek”. Hunneman Milieu-Advies Raalte BV is geen eigenaar van de te onderzoeken percelen en is onafhankelijk van de opdrachtgever en/of terreineigenaar.
Het rapport is als volgt ingedeeld: • Vooronderzoek • Veld- en laboratorium onderzoek • Interpretatie onderzoeksresultaten
Verkennend bodem-, asbest- en asfaltonderzoek, Ericaweg 22 e.o. te Stroe
(hoofdstuk 2); (hoofdstuk 3); (hoofdstuk 4).
1
_________________________________________________Hunneman Milieu-Advies__________________
2
VOORONDERZOEK
In de NEN-5725 zijn 7 aanleidingen tot vooronderzoek naar landbodems geformuleerd. Voor elke afzonderlijke aanleiding tot vooronderzoek dienen verschillende onderzoeksvragen te worden beantwoord. De verplicht te onderzoeken aspecten zijn per aanleiding omschreven in tabel 1. Tabel 1:
verschillende onderzoeksaspecten ONDERZOEKSASPECTEN
1. locatiegegevens 2.bodemopbouw en geohydrologie 3. verwachting t.a.v. de bodemkwaliteit 4. gebruik/beïnvloeding van de locatie, verdachte situatie, activiteiten, ongewoon voorval 5. terreinverkenning
eigendomssituatie hoogteligging bodemopbouw antropogene lagen in de bodem geohydrologie geval van ernstige bodemverontreiniging kwaliteit o.b.v. BKK o.b.v. uitgevoerde bodemonderzoeken voormalig huidig toekomst asbestverdacht voorafgaand aan de uitvoering
Aanleidingen tot vooronderzoek A
B
O
C
D
E
F
G
O
O O O
A. bodemonderzoek, par. 6.2.1; E. opstellen/ actualiseren bodemkwaliteitskaart (Bbk), par. 6.2.5; F. gebruik bodemkwaliteitskaart (Bbk), par. 6.2.6; B. nul‐ en eindsituatieonderzoek, par. 6.2.2; G. inschatten van arbeidshygiënische risico’s, par. 6.2.7. C. bodemkwaliteitsklasse (Bbk), par. 6.2.3; D. partijkeuring, par. 6.2.4; Verplicht onderzoeksaspect. Indien niet van toepassing, wordt dit vermeld en gemotiveerd O Optioneel
2.1
Onderzoeksaanleiding
Het vooronderzoek is uitgevoerd conform de paragraaf 6.2.1 “opstellen hypothese bodemkwaliteit ten behoeve van een bodemonderzoek” uit de NEN-5725. Voor het vooronderzoek zijn de volgende bronnen geraadpleegd: • informatie verstrekt door de opdrachtgever; • terreininspectie voorafgaand aan de veldwerkzaamheden; • informatie provincie Gelderland; • informatie Omgevingsdienst De Vallei; • informatie gemeente Barneveld; • informatie voorgaande bodemonderzoeken; • informatie bodemloket; • www.topotijdreis.nl; • BagViewer; • Kadaster; • grondwaterkaart van Nederland. De onderzoeksvragen voor het opstellen van de onderzoekshypothese en de gekozen onderzoeksstrategie zijn, voor zover relevant, in de onderstaande paragrafen nader toegelicht. De relevante gegevens zijn opgenomen in bijlage 5.
Verkennend bodem-, asbest- en asfaltonderzoek, Ericaweg 22 e.o. te Stroe
2
_________________________________________________Hunneman Milieu-Advies__________________
2.2
Achtergrondinformatie
De onderzoekslocatie betreft een plangebied, welke bestemd is voor herontwikkeling. Het plangebied is gesitueerd aan de Ericaweg 22 te Stroe en bestaat uit de volgende kadastrale percelen: • gemeente Garderen, sectie K, nummer 697 oppervlakte ca 3.400 m2 • gemeente Garderen, sectie I, nummer 992 oppervlakte ca 10.000 m2 • gemeente Garderen, sectie I, nummer 1532 oppervlakte ca 9.905 m2 • gemeente Garderen, sectie I, nummer 2266 oppervlakte ca 13.400 m2 • gemeente Garderen, sectie I, nummer 2267 oppervlakte ca 21.100 m2 De totale oppervlakte van het plangebied bedraagt circa 57.805 m2. Aangezien perceel Garderen I 2266 afdoende is onderzocht, bedraagt de totale oppervlakte van onderzoekslocatie circa 44.405 m2. De bestemming wordt gewijzigd naar “Wonen”. Op de locatie aan de Ericaweg 22 is een woonhuis met bijgebouwen aanwezig. De inrit is verhard met asfalt (100 x 3,0 m1= 300 m2). Het erf is deels verhard met klinkers. Op de locatie zijn 2 rijbakken gesitueerd. De rijbakken zijn voorzien van aangebracht zand. Het voornemen bestaat om op de percelen woningen te gaan realiseren. Voor de inrichting van het terrein verwijzen wij naar de tekening 1-1. 2.3
Historische informatie
Uit informatie van “topotijdreis” en de BAG-viewer blijkt dat alle bebouwing in 1966 gebouwd is. Voor die tijd was de locatie als agrarisch perceel in gebruik. Aan de noordzijde van het plangebied heeft in het verleden een weg gelopen (figuur 1 en 2). Binnen de onderzoekslocatie zijn een aantal dammen gesitueerd. Figuur 1: situatie 1909
Figuur 2: situatie 1961
Figuur 3: situatie 1974
Figuur 4: situatie 1986
Verkennend bodem-, asbest- en asfaltonderzoek, Ericaweg 22 e.o. te Stroe
3
_________________________________________________Hunneman Milieu-Advies__________________
Op de locatie aan de Ericaweg 22 is in 2017 door Grondvitaal een verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd (kenmerk 1724004). De belangrijkste conclusies uit het rapport zijn: • in de bovengrond zijn lokaal licht verhoogde gehalten aan PCB’s aangetoond; • in de ondergrond zijn geen gehalten aangetoond boven de achtergrondwaarden; • in het grondwater zijn licht verhoogde gehalten aan barium aangetoond; • in de actuele contactzone is zintuiglijk en analytisch geen asbest aangetroffen. Op het perceel Stroe I 2266 is in 2018 door Hunneman Milieu-Advies Raalte BV een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (kenmerk 180817). De belangrijkste conclusies uit het rapport zijn: • in en op de bodem is zintuiglijk geen asbestverdacht materiaal aangetroffen; • in de bovengrond zijn geen gehalten aangetoond boven de achtergrondwaarden; • in de ondergrond zijn geen gehalten aangetoond boven de achtergrondwaarden; • in het grondwater zijn licht verhoogde gehalten aan zware metalen aangetoond. Op basis van de asbestdakenkaart is binnen de onderzoekslocatie Ericaweg 22 een asbestdak aanwezig. Op deze locatie is een 3 m3 ondergrondse HBO-tank aanwezig geweest. De tank is in 1995 gesaneerd. Voor zover bekend is de tanklocatie niet eerder onderzocht. De exacte locatie is bij de Gemeente en Omgevingsdienst niet bekend. Figuur 5:
asbestdakenkaart provincie Gelderland
Figuur 6:
bodemverontreinigingenkaart provincie Gelderland
Verkennend bodem-, asbest- en asfaltonderzoek, Ericaweg 22 e.o. te Stroe
4
_________________________________________________Hunneman Milieu-Advies__________________
2.4
Bodemopbouw en geohydrologie
Regionale bodemopbouw De locatie is gelegen in een gedeeltelijk opgevuld glaciaal bekken, de Gelderse Vallei. Oostelijk hiervan is het complex van opgestuwde rivierzanden gelegen, waaruit de Veluwse stuwwallen ontstaan. De gegevens over de bodemopbouw zijn samengevat in tabel 2. Tabel 2:
schematische voorstelling van de regionale bodemopbouw
pakket
diepte (m-mv)
samenstelling
1e+2e+3e WVP Eemformatie, Formatie van Twente, Drenthe, Urk, Sterksel, Enschede en Harderwijk
0 - 205
matig fijn tot uiterst grof zand, soms slibhoudend
scheidende laag Formatie van Harderwijk
205 - 210
klei
4e WVP Formatie van Tegelen en Maassluis
210 >
fijne zanden
Toelichting: WVP = watervoerend pakket
Grondwaterstroming In het eerste watervoerend pakket stroomt het grondwater in zuid-zuidwestelijk richting. 2.5
Onderzoeksstrategie
Op basis van de geïnventariseerde gegevens is de locatie grotendeels onverdacht voor bodemverontreiniging, met uitzondering van de mogelijke aanwezigheid van asbest in de actuele contactzone/drupzones op het erf, de dammen en het voormalige wegtracé. De exacte locatie van de voormalige ondergrondse HBO-tank is niet bekend, derhalve is ter plaatse geen aanvullend onderzoek uitgevoerd. Voor de onderzoeksopzet voor de weilanden is uitgegaan van de onderzoeksstrategie bij een verkennend bodemonderzoek op een grootschalig onverdachte locaties (“GR-ONV” uit de NEN-5740). Ter plaatse van het erf van de Ericaweg 22 is aangesloten op de onderzoeksstrategie “ONV” (onverdacht onderzoek), aangevuld met een verkennend asbestonderzoek conform de strategie voor een verdachte locatie (strategie 6.4.5. uit de NEN 5707). Het onderzoek is gecombineerd met de aanwezige drupzones van het asbestdak (0,0-0,2 m-mv). Gezien het onderzoek uit 2017 heeft een actualisatie van de bovengrond plaatsgevonden. Ter plaatse van de dammen en het voormalige wegtracé is aanvullend veld- en laboratoriumonderzoek uitgevoerd. In de omgeving van de toekomstige infiltratievoorzieningen zijn infiltratiemetingen uitgevoerd, om de doorlatendheid van de bodem vast te stellen. In totaal zijn 5 infiltratiemetingen (K-waarde bepalingen) uitgevoerd. De K-waarde is bepaald middels de zgn. ‘omgekeerde boorgat methode’.
Per meetpunt wordt de tijd gemeten die nodig is om een bepaalde hoeveelheid water in de bodem te laten infiltreren. Aan de hand hiervan wordt de K-waarde berekend. Voor de bepaling in welk traject de K-waarde wordt bepaald, wordt rekening gehouden met de verwachte aanlegdiepte van de infiltrerende voorzieningen. Voor de vaststelling van de kwaliteit van het vrijkomende asfalt uit de inrit van de Ericaweg 22 is het onderzoek uitgevoerd zoals omschreven in de CROW-publicatie 210 “richtlijn omgaan met vrijgekomen asfalt” (2015 met wijzigingsbladen april 2017 en september 2018).
Verkennend bodem-, asbest- en asfaltonderzoek, Ericaweg 22 e.o. te Stroe
5
_________________________________________________Hunneman Milieu-Advies__________________
Als uitgangspunt voor de dikte van het vrijkomende asfalt gaan wij uit van een gemiddelde van 5 cm. De oppervlakte aan asfalt bedraagt circa 300 m2. Bij een gemiddelde dikte van 16 cm komt naar verwachting 48 m3 asfalt vrij (circa 120 ton). Voor het soortelijk gewicht van het asfalt, t.b.v. de omrekening in tonnages, gaan wij uit van factor 2,5. Op basis van de hierbij verkregen informatie zijn 2 boringen geplaatst. Van beide kernen is in het laboratorium de PAK-markertest en laagopbouw bepaald. Op basis van het tonnage en onderzoeksvakken is 1 PAK-analyse ingezet. Het uitgevoerde veld- en laboratoriumonderzoek is weergegeven in tabel 3. Tabel 3:
veld- en laboratoriumonderzoek
sublocatie/ onderdeel Ericaweg 22 actualisatie erf opp. 4.800 m2 asbestonderzoek erf+drup rijbakken asfalt ca 300 m2
boringen tot 0,5 m-mv
veldonderzoek waarvan tot > 2 m-mv
met peilbuis
21
4
-
21#
4#
3 2
agrarische percelen verkennend GR-ONV 30 opp. 4 hectare aanvullend onderzoek 9# vm wegtracé/dammen infiltratiemetingen K-waarde 4 #: in combinatie met onderzoek onverdacht
laboratoriumonderzoek vaste bodem
grondwater
3 x NEN-b.grond
-
-
5 x asbest (grond)
-
-
-
-
-
1 x NEN-grond 2 x constructie+marker 1 x DLC-analyse
9
5
3
-
4
4 #: putjes van 30 x 30 cm
3 x NEN-b.grond 3 x NEN-o.grond 2 x NEN-grond 2 x asbest (grond) -
5 x NEN-water -
-
De samenstelling van de in tabel 3 genoemde “NEN-pakketten” is samengevat in tabel 4. Tabel 4:
samenstelling NEN Pakketten
Parameters zware metalen barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink PCB’s PAK polycyclische aromatische koolwaterstoffen minerale olie vluchtige aromaten (incl. naftaleen en styreen) VCK (vluchtige chloorkoolwaterstoffen) bromoform
NEN-grond
NEN-grondwater
X
X
X X X -
X X X X
Verkennend bodem-, asbest- en asfaltonderzoek, Ericaweg 22 e.o. te Stroe
6
_________________________________________________Hunneman Milieu-Advies__________________
2.6
Betrouwbaarheid onderzoek
Onderhavig onderzoek beschrijft de actuele bodemkwaliteit en heeft alleen betrekking op de bodem van de terreindelen, welke zijn beschreven in het vooronderzoek van deze rapportage. De in het vooronderzoek geraadpleegde bronnen kunnen mogelijk onvolledig zijn. Het kan voorkomen dat niet alle bronnen zijn geraadpleegd, doordat ze niet voorhanden waren. Hierdoor kan informatie ontbreken. Dit onderzoek is op een zorgvuldige wijze uitgevoerd, conform de huidige richtlijnen en methoden op het gebied van bodemonderzoek. Het onderzoek is gebaseerd op het nemen van een, conform de geldende richtlijnen, representatief geacht aantal monsters. Bij het interpreteren van de onderzoeksresultaten moet rekening worden gehouden met het feit dat analyses mogelijk zijn uitgevoerd op basis van mengmonsters, waardoor lokaal hogere concentraties van de onderzochte stoffen niet zijn uit te sluiten. Tevens kan geen uitspraak worden gedaan omtrent de bodemkwaliteit van niet onderzochte (verdachte) deellocaties en blijft het mogelijk dat lokaal voorkomende verontreinigingen niet zijn ontdekt. Een bodemonderzoek betreft een momentopname. De resultaten van het onderzoek kunnen minder representatief worden naarmate de tijd verstrijkt. Eventuele toekomstige activiteiten, calamiteiten, sloopwerkzaamheden, bouwrijp maken en/of aanvoer van grond van elders, kunnen de bodemkwaliteit (sterk) beïnvloeden.
Tijdens werkzaamheden in de bodem dient men alert te blijven op waarneembare bijzonderheden, die kunnen duiden op eventuele verontreinigingen. Het onderzoek moet worden beoordeeld als één geheel, en betreft een inschatting van de bodemkwaliteit, op een bepaald moment. Het onderzoek is gebaseerd op informatie van derden en het verrichten van een beperkt aantal boringen en analyses, conform de geldende richtlijnen. Hierdoor is het mogelijk dat niet alle informatie is verkregen, dan wel dat niet alle afwijkingen in de bodem zijn geconstateerd. Voor eventueel hieruit voortvloeiende schade en/of gevolgen aanvaardt Hunneman Milieu-Advies Raalte BV op geen enkele wijze aansprakelijkheid.
Verkennend bodem-, asbest- en asfaltonderzoek, Ericaweg 22 e.o. te Stroe
7
_________________________________________________Hunneman Milieu-Advies__________________
3
VELD- EN LABORATORIUM ONDERZOEK
3.1
Veldonderzoek
Het veldonderzoek is uitgevoerd op 16, 19, 21 en 30 juli en 13 september 2021. De milieutechnische veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd door de BRL-2001 en 2018 gecertificeerde medewerkers dhr. J. Postma en J. Molenkamp van Hunneman Milieu-Advies Raalte BV. Voor het verkennend onderzoek zijn 69 boringen geplaatst (1 t/m 26 + 31 t/m 69 en KD1 t/m KD4), waarvan 5 boringen zijn afgewerkt als peilbuis, voor de monstername van het grondwater. Voor het bepalen van de doorlatendheid zijn 4 boringen afgewerkt als tijdelijke peilbuis. De maximale boordiepte bedraagt 3,0 m-mv. Alle boringen zijn doorgezet tot minimaal 2,0 m-mv. Ten behoeve van het asfaltonderzoek zijn 2 kernboringen uitgevoerd (25A en 26A). De resultaten van het doorlatendheidsonderzoek zijn opgenomen in bijlage 6. Voor de situatie van de monsterpunten, boringen en peilbuizen verwijzen wij naar tekening 1-1. Voorafgaand aan het verkennend asbestonderzoek is op het erf van de Ericaweg 22 een maaiveldinspectie uitgevoerd. Tijdens de maaiveldinspectie is op het maaiveld geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. Voor het verkennend asbestonderzoek zijn 21 monsterpunten uit het verkennend bodemonderzoek (1 t/m 21) handmatig gegraven tot maximaal 0,5 m-mv, met een minimale oppervlakte van 0,09 m2 (30 x 30 cm).
De monsterpunten zijn met behulp van een grondboor (diameter 12 cm) doorgezet tot de onderliggende/ongeroerde bodemlaag. De opgegraven grond is uitgespreid over een zeef, met een maaswijdte van 20 mm. Het achterblijvende residu op de zeef is geïnspecteerd op de aanwezigheid van asbestverdacht materiaal en afval- en puinrestanten. Van de uitgezeefde grond zijn mengmonsters samengesteld van de actuele contactzone (0,0-0,5 m-mv) en de drupzone (0,0-0,2 m-mv), voor de analytische bepaling van asbest in grond. In bijlage 4 zijn de monsternameformulieren asbest opgenomen. Voor de doorlatendheidsmetingen zijn 4 handboringen KD1 t/m KD4 op 1,5 m-mv afgewerkt als tijdelijke peilbuis. De peilbuizen zijn voorzien van een filter van 1,0 meter. De K-waarde is bepaald middels de zgn. ‘omgekeerde boorgatmethode’. Per peilbuis is de tijd gemeten die nodig is om een bepaalde hoeveelheid water in de bodem te laten infiltreren. Aan de hand hiervan is de K-waarde berekend. De berekeningen van de K-waarde zijn opgenomen in bijlage 6. Bodemopbouw In het veld zijn de fysische bodemeigenschappen per boring en bodemlaag beschreven. De beschrijvingen van de bodemprofielen zijn opgenomen in bijlage 2, en samengevat in tabel 5. Tabel 5: traject (m-mv) 0,0 ~ 0,5 0,5 ~ 1,4 1,4 ~ 3,0
samenvatting van het lokaal aangetroffen bodemprofiel (bouwland) hoofdnaam toevoeging zand, matig fijn matig siltig, zwak humeus zand, matig grof tot matig fijn zwak tot matig siltig, lokaal zwak grindig zand, matig fijn matig siltig, lokaal zwak humeus grondwaterstand: circa 1,0 m-mv
Zintuiglijke waarnemingen Tijdens het veldonderzoek is de opgeboorde grond beoordeeld op zintuiglijke waarneembare verontreinigingsindicaties. Hierbij is gelet op afwijkende kleur of geur (passief) van de bodem. Verkennend bodem-, asbest- en asfaltonderzoek, Ericaweg 22 e.o. te Stroe
8
_________________________________________________Hunneman Milieu-Advies__________________
In de vaste bodem, op het erf en in de dammen zijn lokaal sporen puin waargenomen. In de vaste bodem, ter plaatse van de weilanden, zijn geen noemenswaardige bijmengingen met bodemvreemde materialen waargenomen. Zintuiglijk zijn geen asbestverdachte materialen in of op de bodem aangetroffen. Eventuele bijzonderheden zijn weergegeven in de boorbeschrijvingen (bijlage 2). Monstername Voor het chemisch onderzoek zijn uit de boringen, van iedere 0,5 m (0,2 m bij monstername met steekbus) of onderscheiden bodemlaag, monsters genomen. Op de deellocaties, waar de vluchtige verbindingen de kritische parameters zijn, is de monstername, voor zover technisch mogelijk, verricht met een steekbus. Het grondwater uit de geplaatste peilbuizen is na een standtijd van minimaal een week bemonsterd. De zuurgraad (pH), de elektrische geleidbaarheid (EC) en de troebelheid (NTU) van het grondwater zijn in het veld gemeten. De meetresultaten zijn weergegeven in tabel 8. 3.2
Laboratorium onderzoek
Op basis van de gehanteerde onderzoeksstrategie en waarnemingen uit het veld zijn mengmonsters geselecteerd voor analyse. De samenstelling van de (meng)-monsters is weergegeven in tabel 6, 7 en 10. De analyses zijn uitgevoerd door een, door de RvA geaccrediteerd laboratorium, welke door het Ministerie van Infrastructuur en Milieu is erkend om, in het kader van de Wet Bodembescherming (Wbb) en het Besluit bodemkwaliteit (Bbk), analyses uit te voeren conform AS-3000 en AP-04. De resultaten van de analyses zijn weergegeven in tabel 6 t/m 8 en 10. 3.3
Toetsingscriteria en analyseresultaten NEN-parameters
Het toetsingskader voor de vaste bodem en het grondwater is afkomstig uit de “Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013” (Staatscourant 27 juni 2013, nr. 16675). De toetsing van de analyseresultaten vindt plaats conform de door het Rijk beschikbaar gestelde Bodem Toetsen Validatieservice (BoToVa). De vaste bodem wordt getoetst aan de achtergrond- en interventiewaarden. Het grondwater wordt getoetst aan de streef- en interventiewaarden. De meetwaarden voor de vaste bodem zijn afhankelijk gesteld van de gemeten organische stof- en/of lutumgehalten van de bodem, die meestal afwijken van de gehalten van de Standaardbodem. De volgende toetsingswaarden worden onderscheiden: AW/S(•)1:De achtergrond- en/of streefwaarden geven het niveau aan waar beneden sprake is van een duurzame bodemkwaliteit. De waarden hebben betrekking op de in de natuur voorkomende achtergrondgehalten of detectiegrenzen bij stoffen die niet in natuurlijke milieus voorkomen. T (••)1:
De tussenwaarde betreft het gemiddelde van de interventiewaarde + achtergrondwaarde of streefwaarde waarboven, in beginsel, een nader onderzoek noodzakelijk is.
I (•••)1 :
De interventiewaarden geven het concentratieniveau voor verontreinigende stoffen aan, waarboven sprake is van ernstige bodemverontreiniging. In bijzondere situaties kan ook bij gehaltes beneden de interventiewaarden sprake zijn van een geval van ernstige verontreiniging. De interventiewaarden zijn gebaseerd op de risico’s voor de volksgezondheid en het ecosysteem.
1
De symbolen tussen haakjes corresponderen met de “overschrijdingssymbolen” van tabel 6 t/m 8.
Verkennend bodem-, asbest- en asfaltonderzoek, Ericaweg 22 e.o. te Stroe
9
_________________________________________________Hunneman Milieu-Advies__________________
Van een geval van ernstige bodemverontreiniging is sprake indien de verontreiniging is ontstaan voor 1987, waarbij de gemiddelde concentratie van een verontreinigende stof in minimaal 25 m3 grond of 100 m3 grondwater hoger is dan de interventiewaarde. Bodemverontreiniging die is ontstaan na 1 januari 1987 (nieuwe verontreiniging) valt onder de zgn. zorgplicht en dient zo spoedig mogelijk te worden gesaneerd. Tabel 6:
analyseresultaten vaste bodem en toetsing bouwland
% H* = 10 % L*= 25 monster
gestandaardiseerde resultaten en overschrijdingen toetsingswaarden [BoToVa-toetsing is opgenomen in de bijlage] MM-01 MM-02 MM-03 MM-04 MM-05 MM-06 1t/m3+ 10t/m15 31~34+40~43+ 4t/m8+18 22t/m24 66t/m69 9+16+17 +20 46+47 0,0~0,5 0,0~0,5 0,0~0,5 0,0-0,5 0,0~0,9 0,0~0,5 < < < < < < @ @ @ @ @ @ < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < 0,20• < < < < < < < < < AW AW IND AW AW AW
boring traject (m-mv) arseen barium cadmium chroom kobalt koper kwik lood molybdeen nikkel zink PAK (10)-tot. PCB’s min.olie indicatief BBK
Tabel 7: % H* = 10 % L*= 25 monster
AW½ (AW+I) I-waarde waarde 20 @ 0,6 55 15 40 0,15 50 2 35 140 1,5 0,02 190 -
48 @ 6,8 117,5 118 115 18,08 290 96 67,5 430 20,8 0,51 2595 -
76 @ 13 180 180 190 36 530 190 100 720 40 1 5000 -
analyseresultaten vaste bodem en toetsing bouwland
traject (m-mv) arseen barium cadmium chroom kobalt koper kwik lood molybdeen nikkel zink PAK (10)-tot. PCB’s min.olie indicatief BBK
gestandaardiseerde resultaten en overschrijdingen toetsingswaarden [BoToVa-toetsing is opgenomen in de bijlage] MM-07 MM-08 MM-09 MM-10 MM-11 MM-12 35~39+44+ 51t/m60 31+41+47 35+44+48 54+57+59 61t/m65 45+48~50 0,0~0,4 0,0~0,5 0,4~2,0 0,4~2,0 0,4~2,0 0,0-0,5 < < < < < < @ @ @ @ @ @ < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < AW AW AW AW AW AW
Toelichting: < • •• •••
: geen overschrijding van de achtergrondwaarde : overschrijding van de achtergrondwaarde : overschrijding van de tussenwaarde : overschrijding van de interventiewaarde
boring
standaard bodem (mg/kg d.s.)
standaard bodem (mg/kg d.s.) AW½ (AW+I) I-waarde waarde 20 @ 0,6 55 15 40 0,15 50 2 35 140 1,5 0,02 190 -
48 @ 6,8 117,5 118 115 18,08 290 96 67,5 430 20,8 0,51 2595 -
76 @ 13 180 180 190 36 530 190 100 720 40 1 5000 -
-: niet geanalyseerd @: geen toetsoordeel mogelijk * : lutum- en humusgehalten standaard bodem H : organisch stof L : lutum
Verkennend bodem-, asbest- en asfaltonderzoek, Ericaweg 22 e.o. te Stroe
10
_________________________________________________Hunneman Milieu-Advies__________________
Tabel 8:
analyseresultaten grondwater en toetsing
peilbuis filter (m-mv) pH EC (µs/cm) troebelheid [NTU] grondwater [m-mv] zware metalen arseen barium cadmium chroom kobalt koper kwik lood molybdeen nikkel zink vluchtige aromaten benzeen tolueen ethylbenzeen xylenen (som) styreen naftaleen gechloreerde koolwaterstoffen 1,1-dichloorethaan 1,2-dichloorethaan 1,1-dichlooretheen som C+T 1,2-dichlooretheen dichloormethaan dichloorpropanen tetrachlooretheen (per) tetrachloormethaan (tetra) 1,1,1-trichloorethaan 1,1,2-trichloorethaan trichlooretheen (tri) trichloormethaan (chloroform) vinylchloride minerale olie bromoform Toelichting bij tabel: • : overschrijding van de streefwaarde •• : overschrijding van de tussenwaarde ••• : overschrijding interventiewaarde
3.4
31 1,8-2,8 7,37 202 8,6 1,38
analyseresultaten (µg/l) 44 47 57 1,9-2,9 2,0-3,0 1,9-2,9 7,48 7,40 7,69 592 370 508 6,4 7,2 8,8 1,49 1,60 1,51
59 2,0-3,0 7,38 464 9,4 1,59
toetsingswaarden (µg/l)
< < < 2,8• < < < < < < <
< 190• < 4• < 22• < < < 70•• <
< 180• < 3,9• < 20• < < < 68•• <
< 140• < 4,6• < 27• < < < 40• <
< 130• < 4,6• < 27• < < < 36• <
10 50 0,4 1 20 15 0,05 15 5 15 65
35 337,5 3,2 15,5 60 45 0,17 45 152,5 45 432,5
60 625 6 30 100 75 0,30 75 300 75 800
< < < < < <
< < < < < <
< < < < < <
< < < < < <
< < < < < <
0,2 7 4 0,2 6 0,01
15,1 503,5 77 35,1 153 35
30 1000 150 70 300 70
< < < < < < < < < < < < < < <
< < < < < < < < < < < < < < <
< < < < < < < < < < < < < < <
< < < < < < < < < < < < < < <
< < < < < < < < < < < < < < <
7 7 0,01 0,01 0,01 0,8 0,01 0,01 0,01 0,01 24 6 0,01 50 @
453,5 203,5 5 10 500 40,4 20 5 150 65 262 203 2,5 325 @
900 400 10 20 1000 80 40 10 300 130 500 400 5 600 630
S-waarde ½ (S+I) I-waarde
< : geen overschrijding detectiegrens en/of streefwaarde @ : geen toetsoordeel mogelijk -: niet bepaald
Toetsingscriteria en analyseresultaten asfalt
In de inrit zijn 2 asfaltkernen geboord en beide geselecteerd voor analyse in het laboratorium op PAK-marker en constructieopbouw. Naar aanleiding van de laboratoriumresultaten is 1 kern geanalyseerd op PAK. De geselecteerde kernen zijn weergegeven in tabel 9. De analyserapporten zijn opgenomen in bijlage 3. Voor hergebruik van asfalt geldt de norm van 75 mg/kg d.s. aan PAK-10. Indien het PAK (10)gehalte groter is dan 75 mg/kg d.s. dient het vrijkomende asfalt te worden afgevoerd naar een hiervoor erkende verwerker c.q. acceptant. Indien het PAK (10)gehalte kleiner is dan 75 mg/kg d.s. is het asfalt geschikt voor warm hergebruik. Tabel 9:
resultaten PAK-marker en PAK-analyses
uitslag PAK-marker uitslag PAK-marker PAK (10) Hunneman [mm] Laboratorium (mm) [mg/kg d.s.] 25A 136 geen 26A 183 geen < [laag 0-183 mm] * <75 : geschikt voor warm hergebruik : niet bepaald 75-250 : teerhoudend < : kleiner dan detectiegrens > 250 : teerhoudend en niet geschikt voor warm hergebruik nummer kern
dikte kern [mm]
Verkennend bodem-, asbest- en asfaltonderzoek, Ericaweg 22 e.o. te Stroe
11
_________________________________________________Hunneman Milieu-Advies__________________
3.5
Toetsingscriteria en analyseresultaten asbest
Voor asbestonderzoek is de interventiewaarde uit de “Circulaire bodemsanering van 1 juli 2013” voor asbest in grond of puin (100 mg/kg d.s. gewogen) van toepassing. Conform de NEN 5707 wordt in een verkennend onderzoek asbest beoordeeld of sprake is van een verdachte of een onverdachte locatie op het voorkomen van asbest. Het resultaat van het verkennend onderzoek is een uitspraak over de mogelijke verontreiniging van de bodem op basis van verzamelde stukken asbesthoudend materiaal en (meng)monsters grond. Aan de hand van het verkregen indicatieve gehalte aan asbest wordt nagegaan of nader onderzoek al dan niet noodzakelijk is. Door de lagere onderzoeksintensiteit van het verkennend onderzoek kan in deze fase niet direct worden getoetst aan de interventiewaarde. In het verkennend onderzoek wordt het gehalte getoetst aan de interventiewaarde, gecorrigeerd met een factor 2. Deze correctiefactor is een maat voor de betrouwbaarheid van het verkennend onderzoek in relatie tot het nader onderzoek. Alleen indien in het verkennend onderzoek de onderzoeksintensiteit (hoeveelheid geïnspecteerde grond in de gaten en het aantal analyses) op hetzelfde niveau zit als in het nader onderzoek, dan is een directe toetsing aan de interventiewaarde mogelijk.