CConstaterende datBarneveld
Koppel je AI →
Document · PDF

Heetkamperweg II_Toelichting_Bijlage 6 Quickscan Wet natuurbescherming.pdf

Gemeenteraad 7 juli 2021, gemeente BarneveldBij agendapunt: Bestemmingsplan Heetkamperweg II.13.409 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING HEETKAMPERWEG 21 TE STROE

Rapportage quickscan Wet natuurbescherming Heetkamperweg 21 te Stroe Opdrachtgever

Lowijs advies Weegbree 6 8096 XW Oldebroek

Rapportnummer Versienummer

12782.001 D4

Status

Eindrapportage

Datum

15 december 2020

Vestiging

Gelderland Fabriekstraat 19c 7005 AP Doetinchem 088 - 5001600 doetinchem@econsultancy.nl

Opsteller

Dhr. M.C. de Haas, BSc

Paraaf

Kwaliteitscontrole

Dhr. C.C. Slemmer, BSc

Paraaf

Kwaliteitszorg Econsultancy is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is een vereniging van ecologische advies- en onderzoeksbureaus die werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en die de belangen behartigt van groene adviesbureaus. Het Netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteits- en milieuhandboek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NEN-EN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten en het al dan niet voorkomen van soorten. De gebruikte informatie omtrent verspreiding van soorten is deels afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.

Econsultancy accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde onderzoek neemt. In het algemeen kan gesteld worden dat een quickscan geldig is voor een periode van 2 tot 3 jaar, tenzij in deze periode de ecologische omstandigheden wezenlijk zijn veranderd en/of de Wet natuurbescherming, dan wel inzichten hieromtrent zijn gewijzigd. Bij uitstel van de uitvoering van een project met meer dan 3 jaar verdient het de aanbeveling de resultaten van de quickscan opnieuw te toetsen.

INHOUDSOPGAVE 1

INLEIDING .................................................................................................................................. 1

2

GEBIEDSBESCHRIJVING ......................................................................................................... 2 2.1 2.2

Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving ............................................................... 2 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen ..................... 4

3

ONDERZOEKSMETHODIEK ..................................................................................................... 5

4

OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING ..................................................... 6 4.1 4.2 4.3 4.4

5

AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN .................................. 9 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6

6

Vogels ............................................................................................................................... 9 Vleermuizen .................................................................................................................... 11 Overige zoogdieren ........................................................................................................ 13 Reptielen, amfibieën en vissen....................................................................................... 14 Ongewervelden............................................................................................................... 15 Vaatplanten..................................................................................................................... 16

TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING ......................................................................... 17 6.1 6.2 6.3 6.4 6.5 6.6

7

Zorgplicht .......................................................................................................................... 6 Soortenbescherming ........................................................................................................ 6 Gebiedenbescherming ..................................................................................................... 7 Houtopstanden ................................................................................................................. 8

Broedvogels .................................................................................................................... 17 Vleermuizen .................................................................................................................... 18 Algemene grondgebonden zoogdieren .......................................................................... 18 Reptielen ......................................................................................................................... 18 Amfibieën ........................................................................................................................ 18 Overige soort(groep)en .................................................................................................. 19

VOORTOETS NATURA 2000 .................................................................................................. 20 7.1 7.2 7.3 7.4 7.5 7.6 7.7 7.8

Doelstelling Natura 2000 ................................................................................................ 20 Ligging ten opzichte van Natura 2000 ............................................................................ 21 Aanwezige habitats ........................................................................................................ 21 Aangewezen vogelsoorten ............................................................................................. 22 Overige soorten .............................................................................................................. 22 Gevoeligheid ................................................................................................................... 22 Inventarisatie mogelijke effecten Natura 2000 ............................................................... 23 Conclusie mogelijke effecten Natura 2000 ..................................................................... 27

8

NATUURNETWERK NEDERLAND .......................................................................................... 28

9

HOUTOPSTANDEN ................................................................................................................. 29

10

SAMENVATTING EN CONCLUSIES ....................................................................................... 29

Bijlage 1 Bijlage 2

toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming verklarende woordenlijst 12782.001

1

INLEIDING

Econsultancy heeft van Lowijs advies opdracht gekregen voor het uitvoeren van een quickscan Wet natuurbescherming aan de Heetkamperweg 21 te Stroe. De quickscan Wet natuurbescherming is uitgevoerd in het kader van een bestemmingsplanwijziging. De quickscan Wet natuurbescherming heeft als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000-gebieden, houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. Econsultancy is lid van de branchevereniging "Netwerk Groene Bureaus" en werkt volgens de door het Netwerk opgestelde gedragscode en protocollen. In dat kader verklaart Econsultancy ten behoeve van de onderzoekslocatie niet eerder betrokken te zijn geweest voor ecologische advisering of ecologisch onderzoek.

R 12782.001 versie D4

Pagina 1 van 32

2 2.1

GEBIEDSBESCHRIJVING Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving

De onderzoekslocatie (± 4,8 ha) ligt aan de Heetkamperweg 21, circa 900 meter ten zuidoosten van de kern van Stroe. In figuur 1 is de topografische ligging van de onderzoekslocatie weergegeven. Volgens de topografische kaart van Nederland zijn de coördinaten van het midden van de onderzoekslocatie X = 176.660, Y = 466.000.

Figuur 1. Topografische ligging van de onderzoekslocatie.

De onderzoekslocatie heeft een recreatiebestemming en bestaat grotendeels uit een camping. Het zuidelijke gedeelte heeft een agrarische bestemming. Op de onderzoekslocatie zijn een bedrijfswoning en een kantine/restaurant aanwezig, evenals sanitaire gebouwen. Direct ten oosten van de onderzoekslocatie ligt het Natura 2000-gebied de Veluwe. Aan de noord-, west- en zuidzijde liggen agrarische percelen. In figuur 2 is een luchtfoto van de onderzoekslocatie en de directe omgeving weergegeven. De figuren 3 t/m 8 geven een impressie van de onderzoekslocatie, middels foto’s die zijn genomen tijdens het veldbezoek.

R 12782.001 versie D4

Pagina 2 van 32

Figuur 2. Luchtfoto onderzoekslocatie en directe omgeving.

Figuur 3. Kavels kampeerterrein.

Figuur 4. percelen.

centrale

Figuur 5. Maïsakker op zuidelijk perceel.

Figuur 6. Zuidelijke percelen.

Figuur 7. Kampeerterrein noordelijk perceel.

Figuur 8. Opstal op het noordelijk terreindeel.

R 12782.001 versie D4

Kampeerterrein

Pagina 3 van 32

2.2

Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen

De initiatiefnemer is voornemens om zes woonkavels te creëren, de huidige bedrijfswoning en kantine zullen hierbij een woonbestemming krijgen. Het centrale terreindeel, bestaande uit kavels met seizoenskampeerders, krijgt een agrarische bestemming (figuur 9).

Figuur 9. Toekomstige inrichting onderzoekslocatie (Bron: Lowijs advies; Poortvliet & Partners Tuin- en Landschapsarchitecten)

Ten behoeve van de voorgenomen ingrepen dienen bomen en struiken verwijderd te worden. Het groen aan de randen blijft behouden, evenals houtwallen die de onderzoekslocatie doorkruisen. Ook de hoge bomen op de huidige camping zullen behouden blijven. Enkele opstallen en gebouwen worden verwijderd. In de zuidelijke houtwallen dienen doorgangen gecreëerd te worden voor de aanleg van een oprit naar de vier woonpercelen die aan op de zuidelijke percelen gerealiseerd worden.

R 12782.001 versie D4

Pagina 4 van 32

3

ONDERZOEKSMETHODIEK

Het onderzoek is uitgevoerd middels het verrichten van een veldbezoek en een bureauonderzoek. Op deze wijze is inzicht verkregen in de aanwezigheid van geschikt habitat en de daarbij te verwachten beschermde soorten, gesitueerd op of nabij de onderzoekslocatie. Het veldbezoek is afgelegd op 25 juni 2020. Tijdens dit veldbezoek is de gehele onderzoekslocatie, alsmede de directe omgeving beoordeeld. Gedurende het veldbezoek is gelet op de mogelijke aanwezigheid van beschermde en bedreigde soorten op basis van het aanwezige habitat. Verder is aan de hand van verspreidingsatlassen, andere standaardwerken en op basis van “expert judgement” nagegaan welke bijzondere planten- en diersoorten er voor kunnen komen op de onderzoekslocatie en zijn omtrent gebiedsbescherming gegevens van de provincie Gelderland opgevraagd. Actuele verspreidingsgegevens van flora en fauna zijn uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) opgevraagd. De quickscan Wet natuurbescherming is een toets van de ecologische potenties van de onderzoekslocatie en betreft geen volwaardig soort(en) specifiek onderzoek. Er zijn in het onderhavige onderzoek geen inventarisaties uitgevoerd van soorten en soortgroepen. Een ecologische inventarisatie beslaat meerdere veldbezoeken gedurende de voor de soortgroep meest gunstige periode van het jaar.

R 12782.001 versie D4

Pagina 5 van 32

4

OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING

Dit hoofdstuk geeft achtergrondinformatie over de natuurwetgeving waaraan de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie wordt getoetst. Er wordt een globale toelichting gegeven ten aanzien van potentiële overtredingen van de Wet natuurbescherming bij de meest voorkomende soorten en soortgroepen. Dit hoofdstuk is niet toegespitst op de situatie op de onderzoekslocatie, maar geeft enkel een beschrijving van de vigerende wetgeving. De Wet natuurbescherming is gericht op: • • •

het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit; het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur ter vervulling van maatschappelijke functies; het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen, vanwege hun bijdrage aan de biologische diversiteit en hun cultuurhistorische betekenis, mede ter vervulling van maatschappelijke functies.

De bevoegdheid voor het verlenen van ontheffingen en vrijstellingen bij soortenbescherming ligt grotendeels bij de provincies. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. 4.1

Zorgplicht

Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd. Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. In bijlage 1 wordt dit artikel nader toegelicht. 4.2

Soortenbescherming

Bij een quickscan wordt in beeld gebracht of er (potentiële) vaste rust- of voortplantingsplaatsen aanwezig zijn van de soorten uit de verschillende beschermingsregimes. Vervolgens wordt beoordeeld of de voorgenomen ingreep verstorend kan zijn en of nader onderzoek noodzakelijk wordt geacht. De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; • • •

soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).

In bijlage 1 worden deze artikelen nader toegelicht.

R 12782.001 versie D4

Pagina 6 van 32

4.3

Gebiedenbescherming

Indien een plangebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten. Het gaat daarbij om Natura 2000-gebieden en gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. 4.3.1

Natura 2000

Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Met Natura 2000 wil men deze flora en fauna duurzaam beschermen. De staatssecretaris van Economische Zaken heeft voor Nederland ruim 160 Natura 2000-gebieden aangewezen. Gezamenlijk hebben ze een oppervlak van ruim 1,1 miljoen hectare. Ze maken deel uit van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie die zijn aangewezen op grond van de vogelrichtlijn en habitatrichtlijn. Het doel van Natura 2000 is het keren van de achteruitgang van de biodiversiteit. Binnen een gebied kan spanning optreden tussen economie en ecologie. In een zogenaamd beheerplan leggen Rijk en provincies vast welke activiteiten, op welke wijze mogelijk zijn. Uitgangspunt is steeds het realiseren van ecologische doelen met respect voor en in een zorgvuldige balans met wat particulieren en ondernemers willen. Het opstellen gebeurt daarom in overleg met alle direct betrokkenen, zoals beheerders, gebruikers, omwonenden, gemeenten, natuurorganisaties en waterschappen. Samen geven ze invulling aan beleven, gebruiken en beschermen. Daar draait het om in de Nederlandse Natura 2000-gebieden (bron: Regiegroep Natura 2000).

Het is krachtens de Wet natuurbescherming verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen (artikel 2.7, lid 2). Handelingen die een negatieve invloed hebben op Natura 2000-gebieden, worden slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. Een vergunning is vereist. Door middel van het Nederlandse vergunningsstelsel wordt een zorgvuldige afweging gewaarborgd. De vergunningen zullen beoordeeld en afgegeven worden door de desbetreffende provincie. 4.3.2

Natuurnetwerk Nederland

Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit: • • • • •

bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de Noordzee en de Waddenzee; alle Natura 2000-gebieden.

R 12782.001 versie D4

Pagina 7 van 32

Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. 4.4

Houtopstanden

De bescherming van houtopstanden conform hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming heeft als doel om het aanwezige areaal bos in Nederland te behouden. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van tien are of meer of rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat. In bijlage 1 (tabel VI) worden de regels nader toegelicht. Wanneer houtopstanden geveld worden, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Op basis van deze melding wordt door de provincie beoordeeld of de voorgenomen velling aanvaardbaar is in het kader van natuur- en landschapswaarden. Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Indien bij de voorgenomen ontwikkeling herplantplicht geldt, maar niet voldaan kan worden aan de herplantplicht op de projectlocatie zelf, dan dient een ontheffing aangevraagd te worden met betrekking tot de herplantplicht bij de desbetreffende provincie.

De provincie toetst vervolgens of voldaan wordt aan de bij de provinciale verordening gestelde regels voor herbeplanting op andere perceelsgronden. Deze regels hebben onder andere betrekking op de kwaliteit, oppervlakte en locatie van de andere grond en de natuurwaarde van de te vellen houtopstand. Tevens kan ontheffing verleend worden van herplantplicht ter plaatse, indien gewerkt wordt via een door het ministerie goedgekeurde gedragscode die gebruikt mag worden door een van de betrokken partijen voor een wijze van vellen en een wijze van herplanten.

R 12782.001 versie D4

Pagina 8 van 32

5

AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN

Het voorkomen van planten- en diersoorten in een gebied wordt mede bepaald door de aanwezigheid van geschikt leefgebied. Een soort kan in zijn leefgebied gebruik maken van verschillende plekken om te verblijven. Al deze plekken (biotopen) kunnen een bepaalde functie voor de soort vervullen. In dit hoofdstuk wordt op basis van het aanwezige habitat / verblijfsmogelijkheden samen met verspreidingsgegevens beschreven welke beschermde soorten binnen de onderzoekslocatie kunnen voorkomen. Afhankelijk van de soort wordt ingegaan op de potentiële aanwezigheid van vaste rust- of voortplantingsplaatsen, foerageergebied en verbindingsroutes. Tevens wordt beoordeeld of de voorgenomen plannen een negatief effect kunnen hebben op de mogelijk aanwezige beschermde soorten. In hoofdstuk 6 wordt beschreven welke juridische implicaties dit voor het project heeft. 5.1 5.1.1

Vogels Broedvogels (nesten jaarrond beschermd)

Er zijn broedvogels waarvan de nesten ook beschermd zijn op het moment dat ze niet voor de voortplanting in gebruik zijn. Binnen het agrarisch buitengebied kunnen dit onder meer zijn: buizerd, gierzwaluw, havik, huismus, kerkuil, ransuil, sperwer en steenuil. De gierzwaluw kan op voorhand worden uitgesloten, dit is een koloniebroeder die zelden voorkomt in kleine dorpen en rond vrijstaande bebouwing. Op de onderzoekslocatie is onvoldoende geschikte bebouwing aanwezig voor een kolonie gierzwaluwen wegens het ontbreken van geschikte nestplaatsmogelijkheden. Buizerd, havik, sperwer De bomen binnen de grenzen van de onderzoekslocatie zijn gecontroleerd op de aanwezigheid van nesten van deze roofvogelsoorten. Deze zijn hier niet aangetroffen, waardoor er geen sprake is van negatieve effecten als gevolg van de kap van bomen op de onderzoekslocatie. Huismus Op de onderzoekslocatie is geschikte bebouwing aanwezig voor de huismus. Het gaat hier om de een bedrijfswoning en een kantine, die behouden zullen blijven en een sanitair gebouw, die gebruikt wordt als zangpost, die gesloopt zal worden (figuur 10 en 12). Huismussen kunnen gebruik maken van de ruimtes onder het dak van het sanitaire gebouw om te broeden (hoofdstuk 6). In de overige gebouwen zijn nesten van huismussen uit te sluiten in verband met ontbreken van geschikte ruimtes.

Kerkuil/steenuil De kerkuil en steenuil zijn afhankelijk van nestruimtes in bebouwing, geschikte nestkasten of eventueel geschikte holtes. De onderzoekslocatie is hierop gecontroleerd, er zijn geen geschikte nestgelegenheden voor kerkuilen of steenuilen aangetroffen waardoor er geen sprake is van negatieve effecten als gevolg van de voorgenomen ingrepen. Ransuil De bomen op de onderzoekslocatie zijn gecontroleerd op nesten van de ransuil. Deze soort maakt geen eigen nesten, maar maakt gebruik van oude nesten van bijvoorbeeld kraaiachtigen. Op de onderzoekslocatie is mogelijk een nest van een ransuil aangetroffen (figuur 12), hier werden ook tientallen braakballen gevonden. De boom is weergegeven in figuur 11. Gezien de aanwezigheid van veel oude braakballen wordt de boom mogelijk ook als winterroestplaats gebruikt (hoofdstuk 6).

R 12782.001 versie D4

Pagina 9 van 32

Figuur 10. Zangpost van huismus met sporen van huismus of spreeuw.

Figuur 11. Boom met functie voor ransuil, onder deze boom werden tientallen braakballen aangetroffen.

Figuur 12. Onderzoekslocatie met locatie van geschikt gebouw voor huismus (geel) en boom met sporen van ransuil (groene stip).

5.1.2

Overige broedvogels

De bebouwing/beplanting op de onderzoekslocatie kan nestgelegenheid bieden aan broedvogelsoorten zoals merel, roodborst en winterkoning. Ook rommelhoekjes, nestkasten en grote stapels groenafval bieden nestgelegenheden voor algemene broedvogels (figuur 13 t/m 15). De nesten van deze soorten zijn alleen beschermd op het moment dat ze als zodanig in gebruik zijn. Overtredingen van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming zijn te voorkomen (zie hoofdstuk 6). De broedvogels waarvan het nest in uitzonderlijke gevallen eveneens jaarrond is beschermd, zijn voornamelijk holenbroeders, zoals spechten en mezen, of makers van grote nesten, zoals ekster en zwarte kraai.

R 12782.001 versie D4

Pagina 10 van 32

Gedurende het veldbezoek zijn geen nesten van dergelijke soorten aangetroffen. Er zijn geen holtes aangetroffen in de bomen die verwijderd zullen worden. Deze bomen zijn tevens gecontroleerd op grote nesten, die zijn hier niet aangetroffen.

Figuur 13. De vele hagen bieden uitgebreide nestgelegenheden voor vogels.

5.2

Figuur 14. Een hoop groenafval op de onderzoekslocatie.

Figuur 15. Een nestkast op de onderzoekslocatie.

Vleermuizen

Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF is de onderzoekslocatie gelegen in een deel van Nederland waar de volgende vleermuissoorten kunnen voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis, franjestaart, bosvleermuis en watervleermuis. Verblijfplaatsen op de onderzoekslocatie De receptie is geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen, vanwege de aanwezigheid van geschikte openingen die toegang verlenen tot ruimtes waar vleermuizen kunnen verblijven (zie figuur 16). De ventilatieschachten bieden openingen naar de spouwmuur, dit maakt de bebouwing geschikt als verblijfplaats voor gewone dwergvleermuis en laatvlieger. Ook de bedrijfswoning in het noordelijke deel van de onderzoekslocatie biedt mogelijk ruimte voor vleermuizen. Beide gebouwen blijven echter behouden, verstoring van eventueel aanwezige vleermuizen is zodoende niet aan de orde. Het lage gebouw ten zuidoosten van de receptie van de camping heeft een houten dakrand waar vleermuizen onder kunnen kruipen. Dit gebouw is echter niet geschikt voor vleermuizen door de geringe hoogte (figuur 17-18). Voor de meeste vleermuissoorten geldt een minimale invlieghoogte van 2,5-4 meter ten opzichte van de grond. Het sanitaire gebouw ten zuidwesten van de receptie van de camping biedt geen ruimte achter betimmeringen of muren.

Er is enkel ruimte onder de nokpannen (figuur 10), het schuine, kunststoffen dak biedt echter geen geschikte invliegmogelijkheden voor vleermuizen. Overige gebouwen op de onderzoekslocatie zijn ongeschikt als verblijfplaats voor vleermuizen wegens het ontbreken van geschikte openingen en/of ruimtes. Het gaat hierbij om houten schuurtjes en stacaravans op de camping.

R 12782.001 versie D4

Pagina 11 van 32

Figuur 16. Opening in de muur van de receptie biedt ruimte voor vleermuizen.

Figuur 17. Laag gebouw op onderzoekslocatie.

Figuur 18. Ruimte tussen muur en houten rand.

De houtopslag op de onderzoekslocatie (figuur 19) kan in gebruik zijn door een overwinterende ruige dwergvleermuis. Het is niet mogelijk om vooraf vast te stellen of er daadwerkelijk een ruige dwergvleermuis in de winter gebruik maakt van de houtstapel. Wanneer deze houtopslag verwijderd moet worden, wordt aanbevolen om dit buiten de winterperiode te doen (zie hoofdstuk 6). Juridisch gezien wordt het verwijderen van de houtopslag niet als overtreding van de Wet natuurbescherming beschouwd. De aanwezige bomen op de onderzoekslocatie Figuur 19. Houtopslag op de onderzoekslocatie. zijn onderzocht op holtes, spleten en/of loshangend schors, die kunnen dienen als potentiële vaste rust- of voortplantingsplaats voor boombewonende vleermuizen. Op de onderzoekslocatie zijn geen geschikte bomen aangetroffen voor boombewonende vleermuizen. Het gaat hier voornamelijk om gezonde naaldbomen zonder holtes of loshangende schors. Verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen zijn daarom uit te sluiten. Verblijfplaatsen buiten de onderzoekslocatie Door de herinrichting van de onderzoekslocatie worden door de onderlinge afstand tot mogelijke verblijfplaatsen geen potentieel belangrijke aanvliegroutes aangetast en zal er geen verstoring plaatsvinden van een in de omgeving gelegen verblijfplaats. De bestaande lijnvormige structuren worden ingepast en blijven zodoende behouden.

Foerageerhabitat De onderzoekslocatie zal, gelet op het aanwezige habitat gebruikt kunnen worden door in de omgeving verblijvende vleermuizen als gewone dwergvleermuis en laatvlieger om te foerageren. De plannen zullen echter geen aantasting van belangrijk foerageerhabitat vormen. Door de voorgenomen ingreep zal het aanbod van foerageermogelijkheden niet in het geding komen, in de directe omgeving is meer geschikt foerageerhabitat voor vleermuizen aanwezig. Vliegroutes Vleermuizen maken veelal gebruik van lijnvormige (donkere) landschapselementen als houtsingels, beken en lanen om zich te verplaatsen tussen verblijfplaatsen en foerageergebieden. Door de herinrichting van de onderzoekslocatie worden geen vliegroutes verstoord. De houtwallen op de onderzoekslocatie blijven behouden en blijven geschikt als vliegroute.

R 12782.001 versie D4

Pagina 12 van 32

5.3

Overige zoogdieren

Alle zoogdieren in Nederland zijn beschermd. Voor sommige algemeen voorkomende soorten geldt een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. Op deze wijze is er onderscheid te maken in streng beschermde en minder streng beschermde soorten. Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF en Broekhuizen et. al. (2016) ligt de onderzoekslocatie binnen het verspreidingsgebied van de volgende streng beschermde grondgebonden zoogdieren: boommarter, steenmarter, bunzing, das, eekhoorn en wezel. Streng beschermde soorten De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor de boom- en steenmarter. Beide soorten komen in de omgeving voor. Steenmarters gebruiken hooizolders, loze ruimtes onder daken, schuurtjes en dergelijke als verblijfplaats. Ook boommarters verblijven graag op dergelijke plekken of in holle bomen. Beiden soorten hebben binnen het territorium verscheidene verblijfplaatsen. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen, zoals uitwerpselen of prooiresten, aangetroffen die duiden op het gebruik van de onderzoekslocatie als vaste rust- of voortplantingsplaats door één van deze soorten. Bij intensief gebruik van een locatie door één van deze soorten zijn dergelijke sporen relatief eenvoudig aan te treffen. Gelet op het ontbreken ervan kan worden gesteld dat de onderzoekslocatie niet in gebruik is door de steenmarter.

Op de onderzoekslocatie zijn ook geen boomholtes aangetroffen waar marters gebruik van zouden kunnen maken. De onderzoekslocatie biedt tevens geschikt leefgebied voor wezel en bunzing. Voor deze soorten geldt geen vrijstelling binnen de provincie Gelderland. De houtwallen op de onderzoekslocatie bieden geschikt foerageergebied voor deze kleine marterachtigen. Deze houtwallen zullen behouden blijven bij de herinrichting van de onderzoekslocatie, waardoor deze functie niet verloren zal gaan. De camping en de directe omgeving van de bedrijfswoning biedt matig geschikt foerageergebied voor de twee soorten kleine marterachtigen. Dit terrein heeft geen essentiële functie voor het leefgebied van kleine marterachtigen. Het weiland en de maïsakker aan de zuidzijde van de onderzoekslocatie bieden geen vaste rust- of voortplantingsplaatsen voor kleine marterachtigen. Als gevolg van de ingreep is daarom geen sprake van overtreding en aantasting van leefgebied van kleine marterachtigen. De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor de eekhoorn. De hoge bomen op de onderzoekslocatie zijn onderzocht op de aanwezigheid van nesten. Dankzij de relatief open boomkronen kon de aanwezigheid van een vaste rust- of voortplantingsplaats van een eekhoorn in deze bomen met voldoende zekerheid worden uitgesloten. De das komt volgens de verspreidingsgegevens voor in de omgeving.

De onderzoekslocatie is door het ontbreken van reliëf en/of schuilmogelijkheden ongeschikt als vaste rust- of voortplantingsplaats door dassen. Tijdens het veldbezoek zijn op de onderzoekslocatie en de directe omgeving eveneens geen loop- of eetsporen, latrines en/of wissels aangetroffen die duiden op de aanwezigheid en/of het gebruik van de onderzoekslocatie door de das. Dassen zullen eerder hun leefgebied hebben in de nabij gelegen natuurgebieden. Verstoring ten aanzien van de das als gevolg van de voorgenomen ingreep is niet aan de orde. Licht beschermde soorten De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor een aantal soorten grondgebonden zoogdieren. Het gaat daarbij om algemene soorten als haas, konijn, egel, mol en rosse woelmuis. Van de mol werden op enkele plekken sporen aangetroffen in de vorm van molshopen, op de camping werd daarnaast een haas waargenomen tijdens het veldbezoek. (zie figuur 20 en 21). De verblijfplaatsen van deze

R 12782.001 versie D4

Pagina 13 van 32

soorten worden door de voorgenomen ingrepen aangetast. In het kader van de zorgplicht (artikel 1.11) dient bij werkzaamheden rekening met deze soorten gehouden te worden (zie hoofdstuk 6).

Figuur 20. Oude molshoop op de onderzoekslocatie.

5.4

Figuur 21. Locatie waar een haas werd aangetroffen.

Reptielen, amfibieën en vissen

Reptielen Volgens gegevens van de NDFF zijn er in de afgelopen 5 jaar in de directe omgeving van de onderzoekslocatie de volgende streng beschermde reptielen waargenomen: adder, gladde slang, hazelworm, zandhagedis en levendbarende hagedis. Reptielen stellen specifieke eisen aan het habitat die betrekking hebben op verschillende factoren. De waarnemingen van de genoemde streng beschermde reptielen hebben betrekking op het naastgelegen natuurgebied de Veluwe. In figuur 22 is weergegeven in welk gedeelte van de onderzoekslocatie incidenteel een reptiel verwacht kan worden. Overtreding van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming is te voorkomen (zie hoofdstuk 6).

Figuur 22. Onderzoekslocatie met gedeelte wat geschikt habitat vormt voor reptielen (lichtgroen).

R 12782.001 versie D4

Pagina 14 van 32

Amfibieën Volgens gegevens van de NDFF zijn binnen enkele kilometers rondom de onderzoekslocatie in de afgelopen 5 jaar de volgende soorten waargenomen: bastaardkikker, bruine kikker, heikikker, poelkikker, gewone pad, rugstreeppad en kleine watersalamander. Op de onderzoekslocatie bevinden zich twee kleine tuinvijvers, deze zijn echter niet geschikt als voorplantingswater voor amfibieën. Eén van de vijvers is verhoogd en daardoor niet toegankelijk voor amfibieën, de tweede vijver biedt geen geschikte plek voor ei-afzet door amfibieën. Door het ontbreken van andere wateroppervlakten als poelen, sloten en plassen op de onderzoekslocatie zijn voortplantingsmogelijkheden voor amfibieën op de onderzoekslocatie uitgesloten. Gedurende het uitvoeren van werkzaamheden bij de herinrichting van de onderzoekslocatie kan een geschikt leefgebied ontstaan voor de rugstreeppad. Deze streng beschermde soort komt in de omgeving van de onderzoekslocatie voor en maakt gebruik van ondiepe wateren die bijvoorbeeld kunnen ontstaan door graafwerkzaamheden. Overtreding van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming zijn te voorkomen (zie hoofdstuk 6). De onderzoekslocatie vormt geschikt landhabitat voor algemene amfibieënsoorten als bruine kikker en gewone pad. Deze soorten kunnen op de onderzoekslocatie beschutting vinden tussen ruigten en onder strooisel en tuinafval.

Door de voorgenomen werkzaamheden kunnen negatieve gevolgen ontstaan voor algemene soorten (zie hoofdstuk 6). Vissen Op de onderzoekslocatie bevinden zich enkel twee kleine, visvrije tuinvijvers. Het overtreden van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming met betrekking tot vissen is zodoende uitgesloten. 5.5

Ongewervelden

Libellen Er zijn slechts enkele libellensoorten die binnen de Wet natuurbescherming een strenge bescherming genieten. Deze zijn voor wat betreft hun verspreiding gebonden aan specifieke habitateisen, die veelal alleen in natuurgebied zijn te vinden. Beschermde soorten zijn op de onderzoekslocatie niet te verwachten. Dagvlinders Beschermde vlinders stellen specifieke eisen aan het voortplantingshabitat. Bij het habitat is het belangrijk dat aan de eisen van alle stadia van de vlindersoort wordt voldaan. Voor de beschermde soorten in Nederland geldt dat deze veelal gebonden zijn aan zeldzame waardplanten, die vaak alleen in natuurterreinen zijn te vinden. Geschikte waardplanten voor beschermde vlindersoorten als sleedoornpage (sleedoorn), iepenpage (iep) en kleine ijsvogelvlinder (kamperfoelie) zijn op de onderzoekslocatie niet aanwezig. Gedurende het veldbezoek zijn enkel een aantal onbeschermde vlindersoorten, zoals de Figuur 23. Kleine vuurvlinder, een onbeschermde vlinderkleine vuurvlinder, aangetroffen (figuur 23). Het is soort, op de onderzoekslocatie. uitgesloten dat er binnen de onderzoekslocatie geschikt habitat aanwezig is voor een (deel)populatie van een beschermde vlindersoort.

R 12782.001 versie D4

Pagina 15 van 32

Overige soorten De onderzoekslocatie biedt geschikt biotoop voor de teunisbloempijlstaart door de aanwezigheid van waardplanten als teunisbloem en basterdwederik (figuur 24). Potentiële waardplanten zijn onderzocht op rupsen en eitjes, ook is er gelet op rustende vlinders. Er zijn geen eitjes, rupsen of imago’s van de teunisbloempijlstaart aangetroffen, waardoor overtredingen van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming zijn uitgesloten. Overige beschermde soorten, zoals vliegend hert, Europese rivierkreeft en platte schijfhoren, zijn op de onderzoekslocatie uit te sluiten. Er is geen geschikt habitat voor dergelijke beschermde soorten op de onderzoekslocatie aanwezig en er zijn geen waarnemingen bekend in de directe omgeving van de onderzoekslocatie. 5.6

Figuur 24. Groeiplaats van teunisbloem op de onderzoekslocatie.

Vaatplanten

Rond de staanplaatsen op de camping en in de tuinen rond de bedrijfswoningen groeien veel aangeplante tuinplanten zoals tuinlobelia en muurleeuwenbek, hier zijn geen beschermde vaatplanten te verwachten. Tussen de staanplaatsen is de bodem schraal met een vegetatie die onder meer bestaat uit schapenzuring, reigersbek en een variatie aan composieten. Op de rijkere terreindelen, het maïsen graslandperceel aan de zuidzijde van de onderzoekslocatie, groeien diverse grassen en kruiden als witte klaver en kleefkruid. Gezien de geografische ligging en de abiotische omstandigheden zouden op de onderzoekslocatie eventueel soorten als glad biggenkruid en, op de rijkere delen, grote leeuwenklauw te verwachten. Deze soorten zijn niet op de onderzoekslocatie aangetroffen. Ook andere beschermde vaatplanten zijn tijdens het veldbezoek niet vastgesteld op de onderzoekslocatie. Het voorkomen van beschermde vaatplanten op de onderzoekslocatie kan zodoende met voldoende zekerheid worden uitgesloten.

R 12782.001 versie D4

Pagina 16 van 32

6

TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING

Als gevolg van de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie kunnen er overtredingen van verbodsbepalingen uit soortbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming optreden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke soorten er sprake is van dreigende overtreding van de Wet natuurbescherming en of met eenvoudige maatregelen overtreding is te voorkomen. Verder wordt beschreven voor welke soorten een vervolgtraject noodzakelijk is, bijvoorbeeld omdat toetsing van de ingreep aan de Wet natuurbescherming op basis van de huidige onderzoeksinspanning niet mogelijk is, en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van ontheffingen. 6.1 6.1.1

Broedvogels Jaarrond beschermde broedvogels

Huismus De nesten van huismussen zijn het gehele jaar beschermd en vallen onder de beschermingscategorie 2 van vogelnesten. Dit zijn nesten van koloniebroeders die elk seizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. Volgens artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming is het verboden nesten van huismussen te beschadigen, te vernielen of weg te nemen. Indien er op de onderzoekslocatie nestplaatsen van huismussen aanwezig zijn, hetgeen op basis van de huidige informatie niet is uit te sluiten, zal de sloop van het sanitaire gebouw kunnen leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming . Om vast te stellen of er broedgevallen van de huismus op de onderzoekslocatie aanwezig zijn dient een nader onderzoek uitgevoerd te worden tijdens het broedseizoen van de soort. Ransuil Nesten en roestplaatsen van de ransuil zijn het gehele jaar beschermd. Bij de voorgenomen werkzaamheden zal de boom waar braakballen zijn aangetroffen behouden blijven. Activiteiten rond de boom, zoals het verwijderen van struiken, kunnen verstorend werken op broedende of roestende ransuilen. Verstoring is te voorkomen door te werken buiten de periode van voortplanting en buiten de winterperiode waarin ransuilen de boom kunnen gebruiken als roestboom.

De geschikte periode voor het uitvoeren van werkzaamheden rond deze boom is tussen begin juni en eind september. Wanneer er in de periode begin oktober tot eind mei rond de boom gewerkt zal worden dient voor aanvang van de werkzaamheden een controle uitgevoerd te worden waarbij de functie van de boom op dat moment vastgesteld wordt. Aan de hand van de controle kan de ecoloog bepalen welke werkzaamheden wel of niet uitgevoerd kunnen worden. 6.1.2

Algemene broedvogels

Voor de algemene broedvogelsoorten die op de onderzoekslocatie zijn te verwachten geldt dat, indien het groen, de tijdelijke stacaravans en houten schuurtjes e.d., nestkasten en eventueel de houtopslag buiten het broedseizoen worden verwijderd, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. Artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming (Het is verboden nesten te beschadigen, te vernielen of weg te nemen) is van toepassing. De nesten mogen echter wel worden weggenomen wanneer deze op dat moment niet in gebruik zijn. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen.

R 12782.001 versie D4

Pagina 17 van 32

Met betrekking tot het verwijderen van de aanwezige beplanting buiten het broedseizoen wordt geadviseerd om ook het snoeiafval buiten het broedseizoen te verwijderen. Op het moment van het veldbezoek lag er een grote stapel groenafval, dit vormt een ideale broedlocatie voor kleine vogelsoorten als de winterkoning. Indien onverhoopt een dergelijke soort hierin tot broeden komt, mag het snoeiafval niet eerder worden verwijderd dan wanneer de jongen definitief zijn uitgevlogen. 6.2

Vleermuizen

Wanneer de houtopslag rond het hoofdgebouw van de camping wordt verwijderd kan dit, wanneer deze gebruikt wordt door een overwinterende ruige dwergvleermuis, leiden tot de overtreding van de Wet natuurbescherming. Alle vleermuissoorten zijn opgenomen in bijlage IV van de EU-Habitatrichtlijn, dier- en plantensoorten van communautair belang die strikt moeten worden beschermd. Vleermuizen worden ook benoemd in Bijlage II van de conventie van Bonn. Overtreding van de Wet natuurbescherming is in dit geval te voorkomen door de houtopslag buiten de winterperiode en het broedseizoen (zie Hoofdstuk 6.1.2) te verwijderen. Nader onderzoek voor vleermuizen is niet nodig mits er geen werkzaamheden aan daken of gevels van de hoofdgebouwen plaatsvinden. 6.3

Algemene grondgebonden zoogdieren

Voor de te verwachten soorten geldt dat de werkzaamheden mogelijk verstorend kunnen werken. Als gevolg van graafwerkzaamheden kunnen dieren verwond of gedood worden en holen kunnen worden verwijderd. Dit houdt een overtreding van artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming in. Voor de te verwachten soorten geldt, op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen echter een vrijstelling, waardoor geen ontheffing hoeft te worden aangevraagd. Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Het doden of verwonden kan plaatsvinden indien schuil- of voortplantingslocaties worden beschadigd. Dit kan door het verwijderen van stenenstapels, groenafval, bladeren en andere materialen die door langdurige opslag of aanwezigheid schuilplaatsen bieden. Het verwijderen van de materialen dient daarom buiten de gevoelige periode van voortplanting of winterrust plaats te vinden. Aanwezige dieren moeten de gelegenheid krijgen om veilig weg te komen. 6.4

Reptielen

Incidenteel kunnen reptielen vanaf de Veluwe de onderzoekslocatie bereiken. Het gaat hierbij om zandhagedis, levendbarende hagedis en hazelworm. Werkzaamheden zoals het verwijderen van afvalhopen, struiken en caravans kunnen leiden tot het doden of verwonden van reptielen. Om overtredingen van de Wet natuurbescherming te voorkomen wordt geadviseerd om een ecologisch werkprotocol op te laten stellen. Hierin zullen maatregelen worden beschreven om doden of verwonden van de genoemde reptielen te voorkomen gedurende de werkzaamheden. 6.5

Amfibieën

Werkzaamheden, zoals het verwijderen van materialen en struiken, kunnen verstorend werken voor amfibieën die zich op de onderzoekslocatie bevinden. Door de werkzaamheden kunnen dieren gewond raken of worden gedood. Voor de meeste te verwachten aanwezige soorten geldt, op grond van

R 12782.001 versie D4

Pagina 18 van 32

het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen een vrijstelling van de Wet natuurbescherming, waardoor geen ontheffing hoeft te worden aangevraagd. Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Het doden of verwonden kan plaatsvinden indien schuil- of voortplantingslocaties worden beschadigd. Dit kan door het verwijderen van stenenstapels, takkenhopen, bladeren en andere materialen die door langdurige opslag of aanwezigheid schuilplaatsen bieden. Het verwijderen van de materialen dient daarom buiten de gevoelige periode van winterrust plaats te vinden. Aanwezige dieren moeten de gelegenheid krijgen om veilig weg te komen. Voor de rugstreeppad geldt dat deze op de onderzoekslocatie kan opduiken wanneer hier geschikt biotoop ontstaat bij de ontwikkeling van het terrein. Deze streng beschermde soort komt voor op enkele honderden meters ten noordoosten van de onderzoekslocatie. De rugstreeppad heeft een groot dispersievermogen, individuen kunnen tot zo’n 300 meter in een etmaal afleggen (BIJ12, 2017). Migrerende dieren kunnen ook de onderzoekslocatie bereiken.

Daarnaast is het niet uit te sluiten dat de rugstreeppad het onderzoeksgebied gebruikt als overwinteringsplek, gezien de vele schuilmogelijkheden. Bij graaf- en opruimwerkzaamheden kunnen rugstreeppadden worden verwond of gedood. Om overtredingen van de Wet natuurbescherming te voorkomen wordt geadviseerd om een ecologisch werkprotocol op te laten stellen. Hierin zullen maatregelen worden beschreven om doden of verwonden van een rugstreeppad te voorkomen gedurende de werkzaamheden. 6.6

Overige soort(groep)en

Overtredingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn wegens het ontbreken van geschikt habitat/verblijfsmogelijkheden zijn in dit geval niet aan de orde.

R 12782.001 versie D4

Pagina 19 van 32

7

VOORTOETS NATURA 2000

De onderzoekslocatie is gelegen op de grens van het Natura 2000-gebied de Veluwe. Initiatiefnemers binnen de invloedsfeer van Natura 2000-gebieden dienen de effecten van de ingreep op instandhoudingsdoelen van het Natura 2000-gebied te onderzoeken. Uit een voortoets kunnen de volgende scenario’s naar voren komen; • •

•

Er is zeker geen negatief effect. Dit betekent dat er geen vervolgonderzoek noodzakelijk is en de voortoets volstaat en geen vergunning voor Natura 2000 benodigd is; Er is wel een mogelijk negatief effect, maar dit is zeker geen significant negatief effect. Dit betekent dat vergunningverlening aan de orde is. Omdat het effect zeker niet significant is, volstaat daarvoor de zogenoemde verslechterings- en verstoringstoets; Er is een kans op een significant negatief effect. Dit betekent dat vergunningverlening aan de orde is.

In figuur 25 is de onderzoekslocatie weergegeven ten opzichte van het Natura 2000-gebied de Veluwe.

Figuur 25. Ligging onderzoekslocatie ten opzichte van Natura 2000.

Omdat er een kans op een significant negatief effect bestaat, is een passende beoordeling vereist. Omdat de onderzoekslocatie buiten de begrenzing van Natura 2000-gebieden is gelegen, zijn hier alleen mogelijke externe effecten van de ingreep op de Veluwe worden getoetst. De toename van stikstof is al berekend middels een Aeriusberekening en maakt daarom geen onderdeel uit van deze rapportage. 7.1

Doelstelling Natura 2000

Voor ieder Natura 2000-gebied geldt dat deze een specifiek internationaal belang heeft voor bepaalde soorten en/of habitattypen. Op grond van de staat van instandhouding en het relatief belang van soorten en habitattypen zijn de belangrijkste verbeteropgaven en doelen op landelijke niveau vastgesteld. Deze landelijke doelen vormen de kaders voor de formulering van instandhoudingdoelen op gebiedsniveau.

R 12782.001 versie D4

Pagina 20 van 32

7.2

Ligging ten opzichte van Natura 2000

De onderzoekslocatie ligt op enkele meters ten westen van het Natura 2000-gebied de Veluwe, zie figuur 17. Het gebied is waardevol om zijn uitgestrekte zandverstuivingen, heidevelden en bossen met vennen en beken. 7.3

Aanwezige habitats

De Veluwe heeft in totaal 18 aangewezen habitats (zie tabel I). Tabel I. Aangewezen habitats Veluwe. Code H2310 H2320 H2330 H3130 H3160 H3260A H4010A H4030 H5130

Habitattype Stuifzandheiden met struikhei Binnenlandse kraaiheibegroeiingen Zandverstuivingen Zwakgebufferde vennen Zure vennen Beken en rivieren met waterplanten (waterranonkels) Vochtige heiden (hogere zandgronden) Droge heiden Jeneverbesstruwelen

Code H6230 H6410 H7110B H7140A H7150 H7230 H9120 H9190 H91E0C-

Habitattype Heischrale graslanden Blauwgraslanden Actieve hoogvenen (heideveentjes) Overgangs- en trilvenen (trilvenen) Pioniervegetaties met snavelbiezen Kalkmoerassen Beuken-eikenbossen met hulst Oude eikenbossen Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen)

De onderzoekslocatie is gelegen op enige afstand van Stuifzandheiden met struikhei (H2310), Binnenlandse kraaiheibegroeiingen (H2320), Zandverstuivingen (H2330), Zure vennen (H3160), Vochtige heiden (hogere zandgronden) (H4010A), Droge heiden (H4030) en Oude eikenbossen (H9190), zoals te zien in figuur 26.

Figuur 26. Ligging onderzoekslocatie (rood) ten opzichte van aangewezen habitats.

R 12782.001 versie D4

Pagina 21 van 32

7.4

Aangewezen vogelsoorten

De habitats in de omgeving vormen leefgebied voor aangewezen soorten als boomleeuwerik, nachtzwaluw, roodborsttapuit, tapuit, wespendief en zwarte specht. Het habitat vlakbij de onderzoekslocatie bestaat uit gesloten bos met aansluitend droge heide. Van de genoemde soorten is het gesloten bos enkel geschikt voor wespendief en zwarte specht. 7.5

Overige soorten

Voor de meeste overige aangewezen soorten geldt dat de habitats in de omgeving geen leefgebied vormen, het gaat hierbij vooral om aquatische soorten. Het aangrenzende bos vormt potentieel geschikt leefgebied voor het vliegend hert. Daarnaast is de Veluwe aangewezen als overwinteringsgebied voor de meervleermuis. 7.6

Gevoeligheid

De toetsing van de mogelijke effecten is uitgevoerd aan de hand van de effectenindicator van het Ministerie van Economische Zaken. In de effectenindicator zijn de meest voorkomende storende factoren met betrekking tot het Natura 2000gebied in het kade van diverse werkzaamheden beschreven. In tabel II staan vetgedrukt de storende factoren weergegeven die bij de toetsing worden beoordeeld. De niet vetgedrukte factoren kunnen op voorhand worden uitgesloten omdat deze vooral van toepassing zijn voor aquatische milieus of omdat dit interne effecten betreft (het plangebied is niet binnen de grenzen van Natura 2000 gelegen). Tabel II. Storende factoren conform effectenindicator*. 1. Oppervlakteverlies 2. Versnippering 3. Verzuring 4. Vermesting 5. Verzoeting 6. Verzilting 7. Verontreiniging 8. Verdroging 9. Vernatting 10. Verandering stroomsnelheid

11. Verandering overstromingsfrequentie 12. Verandering dynamiek substraat 13. Verstoring door geluid 14. Verstoring door licht 15. Verstoring door trilling 16. Optische verstoring 17. Verstoring door mechanische effecten 18. Verandering in populatiedynamiek 19. Bewuste verandering soortensamenstelling

* De vetgedrukte factoren worden bij de toetsing betrokken, de overige factoren zijn op voorhand niet aan de orde.

Per factor wordt beschreven of deze als gevolg van de voorgenomen ingreep in zijn algemeenheid kan plaatsvinden. Vervolgens wordt beschreven of het optreden van de verstorende factor tot negatieve effecten kan leiden. Niet iedere soort of habitat is even gevoelig voor de mogelijk optredende storende factoren. Door middel van de effectenindicator voor soorten en habitats zijn de meest voorkomende storende factoren bij woningbouw met betrekking tot het Natura 2000gebied de Veluwe weergegeven in figuur 27.

R 12782.001 versie D4

Figuur 27. Effectenindicator van woningbouw op soorten en habitats Veluwe.

Pagina 22 van 32

7.7 7.7.1

Inventarisatie mogelijke effecten Natura 2000 1 Oppervlakteverlies

Kenmerk: Afname beschikbaar oppervlak leefgebied soorten en/of habitattypen. Interactie andere factoren: Verlies van oppervlakte leidt tot verkleining en in sommige gevallen ook tot versnippering van het leefgebied (zie aldaar). Een kleiner gebied heeft bovendien meer te leiden van randinvloeden: vaak is de kwaliteit van het leefmilieu aan de rand minder goed dan in het centrum van het gebied. Op deze manier leidt verlies oppervlakte mogelijk ook tot een grotere gevoeligheid voor bijvoorbeeld verdroging, verzuring of vermesting. Werking: Door afname van het beschikbare oppervlak neemt ook het aantal individuen van een soort af. Om duurzaam te kunnen voortbestaan moet elke soort uit een minimum aantal individuen bestaan; bij diersoorten wordt meestal van een minimum aantal paartjes (reproductieve eenheden) gesproken. Wanneer een populatie te klein wordt neemt de kans op uitsterven toe, zeker als deze populatie geen onderdeel uitmaakt van een samenhangend netwerk van leefgebieden. Bij een populatie die uit te weinig individuen bestaat, neemt ook de kans op inteelt toe en dus de genetische variatie af. Hierdoor wordt een populatie kwetsbaar voor veranderingen tengevolge van bijvoorbeeld predatie, extreme seizoensinvloeden of ziekten. Ook habitattypen kennen een ondergrens voor een duurzame oppervlakte.

Analyse: De onderzoekslocatie ligt geheel buiten het Natura 2000-gebied de Veluwe. Hierdoor zal er geen afname van oppervlak leefgebied van soorten of habitattypen plaatsvinden. 7.7.2

2 Versnippering

Kenmerk: Van versnippering is sprake bij het uiteenvallen van het leefgebied van soorten. Interactie andere factoren: Treedt op ten gevolge van verlies leefgebied of verandering in abiotische condities van het leefgebied. Kan leiden tot verandering in populatiedynamiek. Gevolg: Als het leefgebied niet meer voldoende groot is voor een populatie, of individuen van één populatie kunnen de verschillende leefgebieden niet meer bereiken, neemt de duurzaamheid van de populatie af. Een gevolg kan zijn een verandering op in de soortensamenstelling en het ecosysteem. Soorten zijn in verschillende mate gevoelig voor de versnippering van hun leefgebied. Het meest gevoelig zijn soorten met een gering verspreidingsvermogen, soorten die zich over de grond bewegen en soorten met een grote oppervlaktebehoefte. Versnippering door barrières zoals wegen en spoorlijnen leidt mogelijk ook tot sterfte van individuen en kan zo effect hebben op de populatiesamenstelling. Bij versnippering moet men altijd goed rekening houden met het schaalniveau van het populatienetwerk. Analyse: De onderzoekslocatie ligt geheel buiten het Natura 2000-gebied de Veluwe. Hierdoor zal geen afname aan (aaneengesloten) oppervlakte van een beschermd natuurgebied plaatsvinden.

Er zullen, als gevolg van de voorgenomen ingreep, geen onoverkoombare barrières ontstaan voor migrerende soorten tussen natuurgebieden of tussen natuurgebieden en agrarische gebieden.

R 12782.001 versie D4

Pagina 23 van 32

7.7.3

7 Verontreiniging

Kenmerk: Er is sprake van verontreiniging als er verhoogde concentraties van stoffen in een gebied voorkomen, welke stoffen onder natuurlijke omstandigheden niet of in zeer lage concentraties aanwezig zijn. Bij verontreiniging is er sprake van een zeer brede groep van ecosysteem/gebiedsvreemde stoffen: organische verbindingen, zware metalen, schadelijke stoffen die ontstaan door verbranding of productieprocessen, straling (radioactief en niet radioactief), geneesmiddelen, endocrien werkende stoffen etc. Deze stoffen werken in op de bodem, grondwater en lucht. Interactie andere factoren: Geen directe interactie met andere factoren. Wel kan verontreiniging als gevolg van andere factoren optreden. Gevolg: Vrijwel alle soorten en habitattypen reageren op verontreiniging. De ecologische effecten uiten zich in het verdwijnen van soorten en/of het beïnvloeden van gevoelige ecologische processen. Deze beïnvloeding kan direct plaatsvinden maar ook indirect via een opeenvolging van ecologische interacties. Bovendien kan verontreiniging zich pas vele jaren/decennia later manifesteren. De gevolgen van verontreiniging zijn divers en complex. In het algemeen kan gesteld worden dat aquatische habitattypen en soorten gevoeliger zijn dan terrestrische systemen. Ook geldt dat soorten in de top van de voedselpiramide, als gevolg van accumulatie, van verontreinigingen gevoeliger zijn.

Echter, afhankelijk van de concentratie en duur van de verontreiniging zijn alle habitattypen en soorten gevoelig en kan verontreiniging leiden tot verandering van de soortensamenstelling. Analyse: De voorgenomen ingreep vindt geheel buiten het Natura 2000-gebied de Veluwe plaats, een directe aanvoer van gebiedsvreemde stoffen in het gebied is hierdoor niet aan de orde. Op basis van de voorgenomen ingreep is geen toename van gebiedsvreemde stoffen in de Veluwe te verwachten. 7.7.4

8 Verdroging

Kenmerk: Verdroging uit zich in lagere grondwaterstanden en/of afnemende kwel. De actuele grondwaterstand is zo lager dan de gewenste/benodigde grondwaterstand. Interactie andere factoren: Verdroging kan tevens leiden tot verzilting. Door verdroging neemt ook de doorluchting van de bodem toe waardoor meer organisch materiaal wordt afgebroken. Op deze wijze leidt verdroging tevens tot vermesting. Er zijn ook gebieden waar verdroging kan optreden zonder dat de grondwaterstand in de ondiepe bodem daalt. Het gaat daarbij om gebieden waar van oudsher grondwater omhoog komt. Dit water heet kwelwater. Kwelwater is water dat elders in de bodem is geïnfiltreerd en dat naar het laagste punt van het landschap stroomt. Kwelwater heeft dikwijls een bijzondere samenstelling: het is rijk aan ijzer en calcium, arm aan voedingsstoffen en niet zuur, maar gebufferd. Schade aan de natuur die veroorzaakt wordt door een afname of het verdwijnen van kwelwater en het vervangen van dit type water met gebiedsvreemd water, noemen we ook verdroging. Gevolg: De verandering in grondwaterstand en soms ook kwaliteit van het grondwater leidt tot een verandering in de soortensamenstelling en op lange termijn van het habitattype. Analyse: Op basis van de voorgenomen ingreep zijn er geen veranderingen in de grondwaterstand te verwachten.

Gezien de lage grondwaterstand op en rond de onderzoekslocatie zal er geen bemaling plaatsvinden. Als gevolg van de ingreep zullen er daarom geen negatieve effecten ten aanzien van verdroging ontstaan.

R 12782.001 versie D4

Pagina 24 van 32

7.7.5

13 Verstoring door geluid

Kenmerk: verstoring door onnatuurlijke geluidsbronnen; permanent zoals geluid wegverkeer danwel tijdelijk zoals geluidsbelasting bij evenementen. Geluid is een hoorbare trilling, gekenmerkt door geluidsdruk en frequentie. Interactie andere factoren: Treedt vaak samen met visuele verstoring op door bijv. vlieg- en autoverkeer, manifestaties etc. Gevolg: Logischerwijs zijn alleen diersoorten gevoelig voor direct effecten van geluid. Geluid sec is een belangrijke factor in de verstoring van fauna. De verstoring door geluid wordt beïnvloed door het achtergrondgeluid en de duur, frequentie en sterkte van de geluidsbron zelf. Geluidsbelasting kan leiden tot stress en/of vluchtgedrag van individuen. Dit kan vervolgens weer leiden tot het verlaten van het leefgebied of bijvoorbeeld een afname van het reproductieproces. In bepaalde gevallen kan ook gewenning optreden, in het bijzonder bij continu geluid. Voor zeezoogdieren en vogels is in bepaalde gevallen deze dosis-effect relatie goed gekwantificeerd. Analyse: Bij bouwwerkzaamheden zal een tijdelijke toename van geluid aan de rand van het Natura 2000-gebied de Veluwe plaatsvinden. Met name broedvogels zijn gevoelig voor geluid. De effecten van geluid zijn plaatselijk en tijdelijk.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Barneveld&id=d5ee3a8f-3a7e-4048-bcf4-c8a6f3c03b42