CConstaterende datBarneveld
Koppel je AI →
Document · PDF

Hanzeweg-Zuid I_Toelichting_Bijlage 6 Aanvullend natuuronderzoek Hanzeweg in Barneveld, Staring, maart 2023

Gemeenteraad 13 december 2023, gemeente BarneveldBij agendapunt: Bestemmingsplan Hanzeweg-Zuid I in Barneveld (Flying Bikes)8.856 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Aanvullend natuuronderzoek Hanzeweg in Barneveld In opdracht van Flying Bikes

Colofon Aanvullend natuuronderzoek Hanzeweg in Barneveld

Opdrachtgever Contactpersoon

Flying Bikes Dhr. W. Mudde

Opdrachtnemer

Staring Advies Jonker Emilweg 11 6997 CB Hoog-Keppel

Rapportnummer Auteur Controle Publicatiedatum:

2420 Ing. R. Boerboom Ing. R. Top / Drs. L.M.A. Witjes 13 maart 2023

Foto voorblad

Houtwal langs het plangebied (foto: R. Top)

Eigendom Dit rapport is vervaardigd op verzoek van de opdrachtgever. Het rapport blijft eigendom van de opdrachtgever. Niets uit dit rapport mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden d. m. v. druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever, noch mag het zonder een dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde natuurwet- en regelgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten. Het incidenteel voorkomen van beschermde soorten is echter nooit met zekerheid te voorspellen. Staring Advies accepteert daarom op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van eventuele beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Staring Advies uitgevoerde onderzoek neemt. Staring Advies is niet aansprakelijk voor gevolgschade, alsmede voor schade welke voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van werkzaamheden of andere gegevens verkregen van Staring Advies; opdrachtgever vrijwaart Staring Advies voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing. Kwaliteitszorg Staring Advies is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB).

Het Netwerk Groene Bureaus is de brancheorganisatie voor groene adviesbureaus. Het Netwerk werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en behartigt de belangen van groene adviesbureaus. Het Netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. www.netwerkgroenebureaus.nl

Inhoud Colofon ............................................................................................................................... 1 Samenvatting ...................................................................................................................... 3 1

2

3

4

Inleiding en doel........................................................................................................... 4 1.1

Inleiding ................................................................................................................ 4

1.2

Doel ...................................................................................................................... 4

Gebiedsbeschrijving en geplande werkzaamheden ..................................................... 5 2.1

Gegevens plangebied ........................................................................................... 5

2.2

Beschrijving van het plangebied ........................................................................... 5

2.3

Beschrijving van het onderzoeksgebied ................................................................ 5

2.4

Geplande werkzaamheden ................................................................................... 5

Het ecologisch onderzoek ............................................................................................ 7 3.1

Onderzoeksmethode ............................................................................................ 7

3.2

Resultaten .......................................................................................................... 12

Wet natuurbescherming ............................................................................................. 21 4.1

Gewone dwergvleermuis .................................................................................... 21

4.2

Laatvlieger .......................................................................................................... 24

4.3

Bunzing .............................................................................................................. 25

4.4

Hermelijn/wezel .................................................................................................. 26

4.5

Overige soorten .................................................................................................. 27

Conclusie .......................................................................................................................... 28 Literatuurlijst ..................................................................................................................... 29 Bijlagen ............................................................................................................................. 30 Bijlage 1 DO-tekening plangebied ..................................................................................... 31 Bijlage 2 Beplantingsplan .................................................................................................. 32 Bijlage 3 Resultaten veldonderzoek .................................................................................. 33 Bijlage 4 Wettelijk kader Wet natuurbescherming ............................................................. 35

Samenvatting Uit het gericht onderzoek blijkt dat de geplande realisatie van een fietscross accommodatie op het terrein aan de Hanzeweg in Barneveld het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming noodzakelijk is voor de gewone dwergvleermuis, laatvlieger en kleine marterachtigen. Het treffen van mitigerende en compenserende maatregelen is noodzakelijk. Ook moet tijdens de aanlegfase rekening worden gehouden met broedvogels. Dit zijn de uitkomsten van het onderzoek dat is gehouden naar aanleiding van de voorgenomen plannen om een fietscross accommodatie te realiseren op het terrein aan de Hanzeweg in Barneveld. Dit kan negatieve gevolgen hebben voor beschermde plant- en diersoorten. Daarom is onderzoek noodzakelijk om te voldoen aan de Wet Natuurbescherming. Staring Advies voerde het onderzoek uit in opdracht van Flying Bikes. Het bureau voerde gericht veldonderzoek uit op de locatie.

Pagina 3

1 Inleiding en doel 1.1 Inleiding Bij een ruimtelijke ontwikkeling verlangt de huidige wetgeving een gedegen onderzoek naar flora en fauna in verband met de zorgplicht die de Wet natuurbescherming een plannenmaker oplegt. De fietscrossclub Flying Bikes uit Kootwijkerbroek heeft plannen om een fietscross accommodatie te realiseren aan de Hanzeweg in Barneveld. Staring Advies heeft in opdracht van de gemeente Barneveld een quickscan natuuronderzoek uitgevoerd en is tot de conclusie gekomen dat aanvullend onderzoek naar buizerd, sperwer, kleine marterachtigen, boombewonende vleermuizen en foerageergebieden en vliegroutes van vleermuizen noodzakelijk is (SA, rapportnummer 2282). De heer Mudde is namens de Flying Bikes betrokken bij de plannen en heeft Staring Advies opdracht gegeven voor dit aanvullende onderzoek.

1.2 Doel Ruimtelijke plannen kunnen conflicterend zijn met de Wet natuurbescherming, wanneer er sprake is van negatieve effecten op beschermde soorten. Het doel van het natuuronderzoek is om te inventariseren of er door de geplande ruimtelijke ontwikkelingen sprake is van aantasting van vaste rust- en verblijfplaatsen, nestlocaties en functioneel leefgebied van genoemde soorten. Voor overige beschermde soorten is tijdens de quickscan natuurtoets aangetoond dat negatieve effecten op deze soorten op voorhand uit te sluiten zijn, indien verstoring van broedvogels wordt voorkomen. Daarvoor moeten de werkzaamheden buiten het broedseizoen (globaal tussen 15 maart – 15 juli) worden uitgevoerd of ruim voor aanvang van het broedseizoen gestart worden en/of er dient te worden voorkomen dat broedvogels zich lokaal vestigen. Bezette nesten mogen, ongeacht de tijd van het jaar, niet worden verstoord.

Pagina 4

2 Gebiedsbeschrijving en geplande werkzaamheden 2.1 Gegevens plangebied Locatie: Plaats: Gemeente: Provincie:

Hanzeweg Barneveld Barneveld Gelderland

2.2 Beschrijving van het plangebied Het plangebied bevindt zich net buiten de bebouwde kom van Barneveld, in de gelijknamige gemeente (zie figuur 1). Het plangebied ligt ten zuiden van het bedrijventerrein Harselaar. Het plangebied wordt globaal begrensd door de Hanzeweg aan de westzijde en aan lijnvormige groenstructuren aan de overige zijden. Aan de noordzijde van het plangebied stroomt de Esvelderbeek. In de directe omgeving van het plangebied zijn onder andere bedrijventerreinen, lijnvormige groenstructuren, agrarische percelen, watergangen zoals de Esvelderbeek met aangrenzend een vochtige natuurzone, infrastructuur en een boomkwekerij aanwezig. Het plangebied bestaat in de huidige situatie uit een voormalige graszodenkwekerij met rondom een opgaande groenstructuur. Het terrein ligt momenteel braak en bestaat deels uit grasland met kruiden en deels uit een recent gerealiseerde pumptrack met daarnaast halfverharding. Langs de oost- en zuidzijde loopt een houtwal met jonge en oude bomen en plaatselijke dichte ondergroei. De houtwal is enkele meters tot circa 10 meter breed en er zijn hoogteverschillen. Ook langs de beek aan de noordzijde van het plangebied is een lijnvormige groenstructuur aanwezig (zie figuur 2).

2.3 Beschrijving van het onderzoeksgebied Om het eventuele verstorend effect van de geplande ruimtelijke ontwikkeling op de buizerd, sperwer, kleine marterachtigen, boombewonende vleermuizen en foerageergebieden en vliegroutes van vleermuizen in de directe omgeving van het plangebied (externe werking) in te kunnen schatten is een groter gebied onderzocht dan het plangebied zelf. Het onderzoeksgebied, met daarbinnen het plangebied voor de fietscross accommodatie, wordt bepaald door lijnvormige groenstructuren, agrarische percelen, watergangen zoals de Esvelderbeek met aangrenzend een vochtige natuurzone, infrastructuur en een boomkwekerij (zie figuur 2).

2.4 Geplande werkzaamheden Er zijn plannen om een fietscross accommodatie te realiseren op het terrein aan de Hanzeweg in Barneveld. Het terrein wordt ingericht met onder andere een BMX track, een pumptrack, parkeerplaatsen, een clubgebouw, tribunes en waterberging. Ten behoeve van

Pagina 5

de ontsluiting via de Hanzeweg wordt een nieuwe rotonde gerealiseerd. Hiervoor moet een gedeelte van de aanwezige opgaande groenstructuur aan de zuidwestzijde van het plangebied gerooid worden. Het betreft het verruimen van een bestaande doorsteek tussen twee graslandpercelen. De doorsteek wordt maximaal 10 meter breed. In bijlage 1 is de DO-tekening weergegeven van de geplande inrichting van het plangebied.

Figuur 1. Ligging van het plangebied (rood), bron: Provincie Gelderland (2022).

Figuur 2. Het onderzoeksgebied (gele stippellijn) met daarin in het plangebied (rood), bron: Google Earth (2022).

Pagina 6

3 Het ecologisch onderzoek In dit hoofdstuk worden de onderzoeksmethode en de resultaten van het onderzoek naar boombewonende vleermuizen, buizerd, sperwer, kleine marterachtigen en vliegroutes en foerageergebieden van vleermuizen besproken. Op basis van de landelijk erkende protocollen voor gericht natuuronderzoek is de onderzoeksintensiteit bepaald.

3.1

Onderzoeksmethode

Boombewonende vleermuizen Tijdens de eerder uitgevoerde quickscan natuurtoets konden de aanwezige en te kappen bomen niet volledig worden geïnspecteerd omdat er nog blad aan de bomen aanwezig was, dat het zicht op stammen en takken belemmerde. Verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen kunnen zich bevinden in holten en spleten in bomen, maar ook achter loszittend schors. Indien in de realisatiefase bomen met holten, spleten of loszittende schors worden gekapt gaan er mogelijk verblijfplaatsen van deze soorten verloren. Daarnaast is tijdens de gebruiksfase mogelijk sprake van verstoring van deze soorten. Gericht onderzoek is dan ook noodzakelijk om te bepalen of er sprake is van holten, spleten of loszittende schors. Indien geschikte verblijfplaatsen voor boombewonende vleermuizen worden aangetroffen is aanvullend onderzoek naar het gebruik en functioneren van deze verblijfplaatsen noodzakelijk. Om te bepalen of er sprake is van geschikte verblijfplaatsen is een inspectie uitgevoerd met behulp van een drone, een boomcamera, een ladder en een verrekijker. Deze inspectie is met twee personen uitgevoerd in de winterperiode, wanneer er geen blad aan de in het plangebied aanwezige loofbomen aanwezig is (zie tabel 1). Onderzoeker

Ronde

Datum

R. Top en R. Boerboom

bomeninspectie

01-03-2022

Begintijd Eindtijd Weersomstandigheden 9:30 uur

13:00 uur

Half bewolkt, droog, 6°C, wind 1-2 Bft

Tabel 1. Veldbezoek bomeninspectie.

Jaarrond beschermde boombewonende vogelsoorten In het plangebied bevinden zich mogelijk vaste rust- en verblijfplaatsen (nestlocaties) van soorten als buizerd en sperwer. Door de geplande ruimtelijke ontwikkelingen worden mogelijk nestlocaties verstoord of worden fysiek aangetast door bomenkap. Daarnaast is tijdens de gebruiksfase mogelijk sprake van verstoring van deze soorten. Voor gericht onderzoek naar vaste rust- en verblijfplaatsen (territoria/broedlocaties) van de te verwachten buizerd en sperwer is het plangebied en directe omgeving geïnventariseerd op activiteit van deze vogelsoorten (zie tabel 2). Hierbij is met name gelet op territoriaal gedrag, transport van voedsel, transport van nestmateriaal, bedelroep van jonge vogels, aanwezigheid van prooiresten etc. Op basis van de waargenomen activiteit zijn de nestlocaties vastgesteld en het functioneel leefgebied bepaald. De aanwezigheid van een

Pagina 7

nest of van een rustplaats van een buizerd kan worden aangetoond door het uitvoeren van twee tot vier gerichte veldbezoeken. Deze moeten overdag na zonsopkomst plaatsvinden in de periode maart tot en met half mei, met een tussenperiode van minimaal 10 dagen (bron: Kennisdocument Buizerd, BIJ12). Afwezigheid van territoria van de sperwer kan worden aangetoond, als er tijdens 3 gerichte veldbezoeken in de periode 1 maart tot 15 juli geen aanwezigheid kan worden aangetoond. Er is ook gekeken of het plangebied en de directe omgeving dienst kan doen als functionele leefomgeving (foerageergebied, rustplaats, etc.) van een nest. De inventarisatie heeft tijdens goede omstandigheden (zoals weersomstandigheden, moment op de dag) plaatsgevonden. Onderzoeker(s)

Ronde

Datum

R. Top en R. Boerboom

1

01-03-2022

R. Top

2

22-3-2022

R. Top

3

14-4-2022

Tabel 2. Veldonderzoek jaarrond beschermde roofvogelnesten.

Kleine marterachtigen Het plangebied voldoet aan de eisen voor het leefgebied van de bunzing, hermelijn en wezel. De geplande werkzaamheden in het plangebied leiden mogelijk tot verstoring, beschadiging of vernietiging van een vaste rust- en verblijfplaats van deze soorten. Om de aan- of afwezigheid van kleine marterachtigen aan te tonen is een inventarisatie uitgevoerd conform de richtlijnen zoals opgesteld in het document ‘Toelichting aanvraag ontheffing Wet natuurbescherming Hfdst 3 soorten’ (provincie Gelderland, juni 2021). De relevante tekst uit dit document luidt: “Om kleine marterachtigen in geschikt leefgebied te mogen uitsluiten is nader onderzoek nodig. Vanwege de trefkans van de verschillende soorten is een combinatie van 2 methoden nodig (cameraval en sporenbuis of cameraval en marterbox). Het onderzoek wordt bij voorkeur verricht in de periode waarop de dieren het meest actief zijn, te weten van maart tot en met augustus, daarvoor wordt de apparatuur minimaal zes weken in het gebied geplaatst en gecontroleerd. Buiten deze periode dient dit minimaal 12 weken te zijn.” De minimale inzet per inventarisatiemethode is afhankelijk van de aanwezige elementen die in het plangebied aanwezig zijn en de locatie(s) waar men werkzaamheden (zoals kappen, graven, bouwen, etc.) gaat uitvoeren.

Het aantal in te zetten inventarisatiemiddelen is bepaald aan de hand van het aantal aanwezige (potentiele) verblijfplaatsen en de eventueel aanwezige verbindingszones en foerageergebieden en de impact die het voorgenomen plan of project hierop heeft. De inventarisatiemiddelen zijn gedurende de looptijd van het onderzoek ingezet in de

Pagina 8

aanwezige structuren die mogelijk gebruikt worden door kleine marterachtigen, zoals bij een braamstruwelen en in een brede houtwal met zand- en takkenhopen. Om de aanwezigheid vast te stellen is gebruik gemaakt van een combinatie van de volgende methoden: • •

Cameraval (type ‘Struikrover’) met lokmiddel voor specifiek bunzing en mogelijk hermelijn en wezel Marterbox (type ‘Mostela’) met lokmiddel voor hermelijn, wezel en mogelijk bunzing

Hierbij zijn de eenheden bestaande uit twee cameravallen en één marterbox gedurende zes weken in het gebied geplaatst in de periode maart-april (zie tabel 3). Vanwege de gebiedsgrootte zijn de eenheden op verschillende kansrijke plekken geplaatst (zie figuur 3 en foto 1). Na afronding van het onderzoek zijn de eenheden opgehaald en de fotobeelden van de cameravallen en de camera’s in de marterboxen geanalyseerd en de aangetroffen marters en eventueel overige dieren op naam gebracht.

Onderzoeker R. Top en R. Boerboom R. Top R. Top

Bezoekronde

Datum

Plaatsen cameravallen

01-03-2022

Controleren cameravallen

22-03-2022

Ophalen cameravallen

14-04-2022

Tabel 3. Veldonderzoek kleine marterachtigen.

Foto 1. Cameraval in het plangebied (foto: R. Boerboom).

Pagina 9

Figuur 3. Locaties cameravallen (geel) en marterbox (rood). Het plangebied is in blauw aangegeven.

Pagina 10

Vliegroutes en foerageergebieden van vleermuizen De randen van het plangebied bestaan uit diverse houtwallen, die geschikt zijn als foerageergebied en/of vliegroute voor verschillende soorten vleermuizen, zoals gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis. Door de geplande ruimtelijke ontwikkelingen worden mogelijk (essentiële) foerageergebieden en/of vliegroutes verstoord of worden fysiek aangetast door bomenkap. Daarnaast is tijdens de gebruiksfase mogelijk sprake van verstoring van deze soorten. Derhalve is nader onderzoek naar vleermuizen noodzakelijk. Voor het vleermuisonderzoek is het Vleermuisprotocol 2021, opgesteld door de Zoogdiervereniging VZZ, in samenwerking met het Netwerk Groene Bureaus en de Gegevensautoriteit Natuur, richtinggevend. Voor het onderzoek is, conform dit protocol, de volgende onderzoeksinspanning noodzakelijk: Twee avond- of ochtendbezoeken in de periode 1 april – 1 oktober. Er dient minimaal één veldbezoek binnen de kraamperiode plaats te vinden (15 mei – 15 juli). Ook moet er minimaal 8 weken tussen beide veldbezoeken zitten (zie tabel 4). Vanwege de grootte van het plangebied en het bepalen van vliegrichtingen van vleermuizen is het vleermuisonderzoek met twee personen per ronde uitgevoerd. Er is gebruik gemaakt van de bat-detector Petterson D240x.

Onderzoeker

Ronde

Datum

Begintijd

Eindtijd

Weersomstandigheden

R. Top en G. Baller

1

21-4-2021

20:45 uur

22:45 uur

Bewolkt, droog, 14°C, wind 1 Bft

R. Top en G. Baller

2

4-7-2022

21:55 uur

0:00 uur

Onbewolkt, droog, 16°C, wind 1-2 Bft

Tabel 4. Veldonderzoek vliegroutes en foerageergebieden van vleermuizen.

Pagina 11

3.2 Resultaten In deze paragraaf worden de resultaten van het gericht veldonderzoek besproken.

Vleermuizen Verblijfplaatsen Op basis van de eerder uitgevoerde quickscan natuurtoets bleek dat er binnen de invloedssfeer van de geplande ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk verblijfplaatsen van vleermuizen in bomen aanwezig zijn. In de opgaande groenstructuur aan de rand van het plangebied bevinden zich bomen waar mogelijk geschikte holten aanwezig zijn voor vleermuizen. Op 1 maart 2022 zijn alle aanwezige bomen middels visuele inspectie gecontroleerd op de aanwezigheid van holten. Indien er holten aanwezig waren, zijn deze vervolgens op geschiktheid beoordeeld middels een boomcamera. Alle aanwezige holten bleken ongeschikt om als verblijfplaats voor vleermuizen te dienen. De holten waren te ondiep, te klein en/of niet voldoende naar boven ingerot. Een verblijfplaats van een boombewonende vleermuissoort is uitgesloten binnen de invloedsfeer van de geplande ruimtelijke ontwikkelingen. Nader onderzoek met behulp van een bat-detector bleek dan ook niet noodzakelijk om de aanwezigheid van een verblijfplaats vast te stellen of uit te sluiten. Foerageergebied en vliegroutes Op basis van de eerder uitgevoerde quickscan natuurtoets bleek dat er binnen de invloedssfeer van de geplande ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk (essentiële) foerageergebieden en/of vliegroutes van vleermuizen aanwezig zijn bij de opgaande groenstructuren langs de randen van het plangebied.

Middels gericht onderzoek met behulp van bat-detectors is het gebiedsgebruik door vleermuizen inzichtelijk gemaakt. Tijdens het vleermuisonderzoek zijn de volgende soorten aangetroffen binnen het onderzoeksgebied: gewone dwergvleermuis, laatvlieger en myotis spec.. Hieronder wordt per soort het gebiedsgebruik beschreven. Gewone dwergvleermuis Van deze soort zijn vliegroutes en een essentieel foerageergebied vastgesteld binnen het plangebied. De houtwal aan de zuidzijde van het plangebied wordt als foerageergebied gebruikt door de soort. Gezien het intensieve gebruik is hier sprake van een essentieel foerageergebied. Deze groenstructuur is vermoedelijk de belangrijkste of één van de belangrijkste foerageerplekken voor een kolonie gewone dwergvleermuizen die hun verblijfplaats in de omgeving van het plangebied heeft, bijvoorbeeld in een bedrijfspand of woning in de bebouwde kom van Barneveld of in een boerderij in het buitengebied rond het plangebied. Tijdens het vleermuisonderzoek is waargenomen dat er vanuit drie richtingen gewone dwergvleermuizen kwamen aanvliegen om hier langs de houtwal te jagen. Deze vliegroutes zijn op kaart weergegeven in bijlage 3. Er is waargenomen dat er aan beide zijden van de houtwal gefoerageerd werd. In de loop van de avond keerde een deel van de aanwezige gewone dwergvleermuizen terug via deze vliegroutes. Mogelijk betreft het

Pagina 12

zogende vrouwtjes die terugkeren naar hun verblijfplaats, waar de jonge dieren verblijven. In mindere mate werd ook de opgaande groenstructuur aan de noordrand van het plangebied, langs de Esvelderbeek, als foerageergebied gebruikt en incidenteel ook het open centrale deel van het plangebied waar de fietscross accommodatie gepland is. Hier is geen sprake van een essentieel foerageergebied. Laatvlieger Van deze soort zijn tijdens het vleermuisonderzoek enkele foeragerende exemplaren waargenomen langs de opgaande groenstructuren aan de randen van het plangebied (zie bijlage 3). Eén van de waargenomen laatvliegers gebruikte de houtwal aan de zuidzijde van het plangebied ook als vliegroute. Van één exemplaar is waargenomen dat deze vanuit westelijke richting kwam aanvliegen, via de houtwal aan de overzijde van de Hanzeweg. Van een tweede exemplaar is waargenomen dat deze vanuit oostelijke richting aan kwam vliegen en de houtwal passeerde aan de westzijde. De verblijfplaats van de waargenomen laatvliegers bevindt zich vermoedelijk in een gebouw in de bebouwde kom van Barneveld of in het buitengebied rondom het plangebied. Gezien de relatief lage aantallen is geen sprake van een essentieel foerageergebied. Myotis spec. Tijdens de tweede vleermuisronde is een myotis soort waargenomen die niet op naam te brengen is.

Dit exemplaar is foeragerend langs de houtwal aan de zuidzijde van het plangebied waargenomen (zie bijlage 3).

Pagina 13

Jaarrond beschermde vogelnesten In de opgaande groenstructuur aan de rand van het plangebied bevinden zich bomen waar mogelijk jaarrond beschermde nestlocaties zijn van soorten als buizerd en sperwer. In het vroege voorjaar, voordat er blad aan de bomen verschijnt, zijn alle bomen gecontroleerd op de aanwezigheid van mogelijke nestlocaties van deze soorten. Met uitzondering van een vervallen nest zijn geen aanwijzingen gevonden van een mogelijk bezet nest. In de wijde omgeving van het plangebied is een cirkelende buizerd waargenomen tijdens de eerste onderzoeksronde. In het plangebied zijn tijdens dit eerste bezoek geen jaarrond beschermde vogelsoorten aangetroffen. Wel is in de groenstructuur langs de rand van het plangebied een plukplaats gevonden (zie foto 1). Het slachtoffer was vermoedelijk een houtduif. Dit kan het resultaat zijn van een jaarrond beschermde vogelsoort als buizerd, havik of sperwer of van een grondgebonden zoogdier als een vos of marterachtige.

Foto 1: Plukplaats in houtwal aan de zuidrand van het plangebied (foto: R. Boerboom).

Bij de vervolgbezoeken is gecontroleerd op aanwezigheid van jaarrond beschermde vogelsoorten, waarbij specifiek gelet is op nestindicerend gedrag als balts- en paargedrag, nestbouw, alarmeren en roepende jongen. Dit gedrag is niet vastgesteld. In het plangebied zijn tijdens deze vervolgbezoeken geen vogelsoorten waargenomen met jaarrond

Pagina 14

beschermde nesten. In de ruime omgeving zijn incidenteel wel overvliegende of rond cirkelende buizerds waargenomen, maar er is geen binding met het plangebied waargenomen. In de houtwal aan de oostzijde van het plangebied is een bezet nest van de zwarte kraai vastgesteld. Op één van de camerabeelden van de wildcamera’s, ten behoeve van het onderzoek naar kleine marterachtigen, is eenmalig een jonge havik waargenomen in het plangebied (zie foto 2). Dit exemplaar was eenmalig kortstondig ter plaatse, wat blijkt uit de beperkte hoeveelheid opnamen. Er is geen sprake van een nestlocatie van de havik in het plangebied of de directe omgeving.

Foto 2: Jonge havik bij de cameraval aan de noordzijde van het plangebied.

Pagina 15

Kleine marterachtigen Tijdens het onderzoek naar kleine marterachtigen met behulp van cameravallen zijn diverse diersoorten op beeld vastgelegd, waaronder de marterachtigen bunzing, steenmarter en hermelijn of wezel. Op basis van de beelden is de soort niet te bepalen. Bij de cameraval in de noordrand van het plangebied (zie figuur 3) zijn de bunzing en steenmarter waargenomen (zie foto 3 en 4). Bij de cameraval in de oostrand aan het plangebied is de wezel waargenomen (zie foto 5).

Foto 3: Bunzing bij de cameraval in noordrand van het plangebied.

Foto 4: Steenmarter bij de cameraval in noordrand van het plangebied.

Pagina 16

Foto 5: Wezel bij de cameraval in oostrand van het plangebied.

De houtwallen rondom het plangebied bevatten diverse potentiele verblijfplaatsen voor kleine marterachtigen, zoals de bunzing en wezel. Ook in de omgeving van het plangebied bevinden zich diverse potentiele verblijfplaatsen in met name de ecozone langs de Esvelderbeek en diverse houtwallen in het buitengebied rondom het plangebied. Aangezien beide kleine marterachtigen slechts eenmalig (kort) op beeld vastgelegd zijn, wordt aangenomen dat de vaste rust- en verblijfplaats zich niet in de directe omgeving van het plangebied bevindt. De groenstructuren rond het plangebied behoren wel tot het leefgebied van deze soorten. De steenmarter is hoofdzakelijk een gebouwbewonende soort. De takkenbossen in de houtwal kunnen als tijdelijke dagrustplaats gebruikt worden voor de soort. Een vaste rusten verblijfplaats (voortplantingsplaats) is minder waarschijnlijk en bevindt zich waarschijnlijk in een gebouw in de omgeving van het plangebied, in de bebouwde kom van Barneveld, of het buitengebied rondom het plangebied.

Overige soorten Naast de bunzing, steenmarter en wezel zijn diverse andere diersoorten op beeld vastgelegd bij de marterbox en Struikrover cameravallen. Er zijn onder andere vastgelegd: fazant, gaai, grote bonte specht, haas, heggenmus, huiskat, koolmees, merel, roodborst,

Pagina 17

vos, waterral, winterkoning en diverse muizensoorten als bosmuis, veldmuis en een spitsmuis (soort onbekend). Op de volgende pagina’s zijn van enkele soorten de beelden weergegeven.

Foto 6: Bosmuis bij de cameraval.

Foto 7: Een vos bij de cameraval.

Pagina 18

Foto 8: Huiskat bij de cameraval.

Foto 9: Bosmuizen in de marterbox.

Pagina 19

Foto 10: Een haas bij de cameraval.

Foto 11: Waterral de cameraval.

Pagina 20

4 Wet natuurbescherming De effecten op aangetroffen beschermde soorten en de wettelijke consequenties zijn ingeschat aan de hand van de geplande werkzaamheden (zie bijlage 1). Binnen de invloedsfeer van de geplande ruimtelijke ontwikkeling bevinden zich vliegroutes en essentiële foerageergebieden van de gewone dwergvleermuis en laatvlieger. Daarnaast is er vermoedelijk sprake van vaste rust- en verblijfplaatsen van de bunzing en wezel. Daarnaast zijn diverse vogelsoorten, de steenmarter en verschillende overige grondgebonden zoogdieren aangetroffen.

4.1 Gewone dwergvleermuis 4.1.1 Beschermde status Alle vleermuissoorten zijn strikt beschermd via de Wet natuurbescherming. Ze staan ook vermeld in de Europese Habitatrichtlijn. Dat wil zeggen dat de vaste rust- en verblijfplaatsen jaarrond beschermd zijn. Daarnaast zijn essentiële foerageergebieden en vliegroutes ook beschermd. Wanneer een vaste rust- en verblijfplaats, vliegroute of essentieel foerageergebied verdwijnt dient hiervoor ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming aangevraagd te worden en dienen mitigerende en/of compenserende maatregelen getroffen te worden.

4.1.2 Gebruik van het plangebied Er is sprake van een essentieel foerageergebied van de gewone dwergvleermuis in de vorm van de houtwal aan de zuidzijde van het plangebied. Er lopen vliegroutes vanuit verschillende richtingen naar deze groenstructuur (zie bijlage 3). Er is sprake van fysieke aantasting van deze houtwal en lichtverstoring door de geplande ruimtelijke ontwikkelingen. Met name door de lichtverstoring is sprake van aantasting van een essentieel foerageergebied en een vliegroute van de soort. Bomenkap Nabij deze houtwal is bij de geplande ruimtelijke ontwikkeling de aanleg van een rotonde beoogd (zie bijlage 1). Ten behoeve van de aansluiting op deze rotonde wordt een doorsteek gemaakt in de houtwal van maximaal 10 meter breed. De doorsteek is beoogd op de locatie van een voormalige inrit naar het plangebied (zie figuur 4). Deze inrit is tot begin 2021 gebruikt al doorgang tussen het plangebied (destijds nog in gebruik als graszodenkwekerij) en het graslandperceel ten zuiden van het plangebied. Om de doorgang te realiseren moeten circa 9 bomen (voornamelijk berken) gerooid worden en moet wat opslag van voornamelijk bramen en grote brandnetel verwijderd worden. Er ontstaat hierdoor een open ruimte tussen de boomkronen van circa 10 meter. Hiernaast wordt de huidige groenstructuur versterkt door extra aanplant (zie bijlage 2).

Pagina 21

De aan te brengen open ruimte in de houtwal is door de gewone dwergvleermuis te overbruggen, waardoor geen sprake is van aantasting van de functionaliteit van een vliegroute of het onbereikbaar worden van essentieel foerageergebied. Ten hoogte van de Hanzeweg overbruggen gewone dwergvleermuizen in de huidige situatie ook een open ruimte van circa 27 meter, waar ten hoogte van de oversteek over de weg bovendien (led)straatverlichting aanwezig is.

Figuur 4. Locatie van de beoogde doorsteek in de houtwal.

Door de oost-west ligging van de betreffende groenstructuur en de aangrenzende groenstructuur met noord-zuid ligging blijft er altijd een windluwe zijde beschikbaar voor vleermuizen om langs te vliegen. Tijdens het vleermuisonderzoek is vastgesteld dat de gewone dwergvleermuis beide zijden van de houtwal gebruikt als foerageergebied/vliegroute. Gezien de beperkte omvang van de te creëren doorgang in relatie tot de oppervlakte van de gehele groenstructuur en het aanbrengen van extra groen rondom het gehele plangebied, is er geen aantasting van de functionaliteit van het foerageergebied van de gewone dwergvleermuis door het openmaken van de doorgang. Het aanbrengen van extra verlichting in/langs deze groenstructuur zorgt echter mogelijk wel voor aantasting van het functioneel leefgebied van de gewone dwergvleermuis. Het verwijderen van de bomen ten behoeve van de doorgang kan dan ook een cumulatief effect hebben op de gewone dwergvleermuis.

Pagina 22

Verlichting Het te realiseren fietscross terrein moet verlicht worden. Er wordt zowel in het centrale deel als langs de MTB track, aan de buitenrand van het plangebied, verlichting geplaatst. Er wordt overal led-verlichting toegepast. Dit werkt minder verstorend voor vleermuizen dan conventionele verlichting. Er treedt minder strooilicht op. Er is een onderscheid in het type verlichting en de hoogte van de masten voor de verschillende terreindelen: Middenterrein In het middenterrein komen 8 masten van 15 meter hoog, elk voorzien van 2 of 4 armaturen. Er wordt helderwitte led-verlichting toegepast (type armatuur: OMNISTAR / 2260 / 144 LEDs 1200mA WW 830 530W / / 530.0 W 54908 lm 103.6 lm/W 434122), (zie figuur 5). MTB track Onderdeel van het beoogde fietscross terrein is de realisatie van een MTB track aan de buitenrand van het plangebied (zie bijlage 1 en 2). Deze route komt langs en deels in de bestaande houtwal te liggen, die in gebruik is als foerageergebied door de gewone dwergvleermuis. Langs deze route komen op verschillende punten lichtmasten te staan. In totaal komen er 25 lichtmasten van 4 meter hoog, elk voorzien van één armatuur. Direct langs het foerageergebied van de gewone dwergvleermuis (de houtwal aan de zuidzijde van het plangebied) komen 10 van zulke masten. Een deel hiervan staat direct naast of tussen de boomkronen (zie figuur 5).

Er wordt amberkleurige led-verlichting toegepast (type armatuur: BRISA-AMBER-LC-M-16LED-1600LM-29W).

Figuur 5. Locatie van de lichtmasten langs de MTB track (geel) en het middenterrein (rood), (bron: verlichtingsplan Mountainbike Track v1.1.)

Pagina 23

Met name de verlichting langs de MTB track, aan de zuidzijde van het plangebied zal een verstorend effect hebben op de gewone dwergvleermuis. Een aantal van de masten komt namelijk in of direct naast de boomkronen van de houtwal die als foerageergebied en vliegroute gebruikt wordt. Daarnaast is er mogelijk sprake van een cumulatief effect van de verlichting vanuit het middenterrein en het aanbrengen van een opening in de houtwal, waarvoor bomenkap noodzakelijk is. Het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is noodzakelijk. Er moet een mitigatie- en compensatieplan opgesteld worden voor de gewone dwergvleermuis.

4.2 Laatvlieger 4.2.1 Beschermde status Alle vleermuissoorten zijn strikt beschermd via de Wet natuurbescherming. Ze staan ook vermeld in de Europese Habitatrichtlijn. Dat wil zeggen dat de vaste rust- en verblijfplaatsen jaarrond beschermd zijn. Daarnaast zijn essentiële foerageergebieden en vliegroutes ook strikt beschermd. Wanneer een vaste rust- en verblijfplaats, vliegroute of essentieel foerageergebied verdwijnt dient hiervoor ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming aangevraagd te worden en dienen mitigerende en/of compenserende maatregelen getroffen te worden.

4.2.2 Gebruik van het plangebied Ook voor de laatvlieger geldt dat er sprake is van een vliegroute richting de houtwal aan de zuidzijde van het plangebied (zie bijlage 3). De houtwal wordt zelf ook gebruikt als vliegroute en als foerageergebied door enkele exemplaren. Aangezien er sprake is van slechts een enkel individu, kan de houtwal niet gezien worden als essentieel foerageergebied. Voor de laatvlieger geldt echter ook dat de functionaliteit als vliegroute behouden moet blijven, inclusief de oversteek over de Hanzeweg. De laatvlieger is voor zijn oriëntatie minder sterk gebonden aan landschappelijke lijnvormige elementen dan andere vleermuissoorten en vliegen dan ook wel grotere afstanden door open gebied. De onderbreking in de vliegroute ten behoeve van de aansluiting op de rotonde heeft derhalve geen effect op de functionaliteit van de houtwal als vliegroute voor de laatvlieger. De soort is echter wel gevoelig voor lichtverstoring. Ook voor deze soort geldt dat de toename van verlichting, in combinatie met de bomenkap leidt tot aantasting van het functioneel leefgebied. Het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is noodzakelijk. Er moet een mitigatie- en compensatieplan opgesteld worden voor de laatvlieger.

Pagina 24

4.3 Bunzing 4.3.1 Beschermde status Van de kleine marterachtigen bunzing, hermelijn en wezel zijn de vaste verblijfplaatsen beschermd in de provincie Gelderland via de Wet natuurbescherming. Ook het leefgebied dat benodigd is voor de functionaliteit van de vaste rust- en verblijfplaats is beschermd. Wanneer een vaste rust- en verblijfplaats verdwijnt of de functionaliteit hiervan aangetast wordt, bijvoorbeeld door het verdwijnen van geschikt leefgebied, is ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming noodzakelijk en moeten mitigerende en/of compenserende maatregelen getroffen worden.

4.3.2 Gebruik van het plangebied De bunzing is aangetroffen in de opgaande groenstructuur aan de noordzijde van het plangebied, langs de Esvelderbeek (ecozone). Aangenomen mag worden dat de gehele groenstructuur rondom het plangebied door de soort gebruikt wordt, maar met name de zone langs de Esvelderbeek, omdat de bunzing een voorkeur heeft voor vochtige gebieden en meer watergebonden is dan andere kleine marterachtigen. Incidenteel zal ook het open terrein waar de fietscross accommodatie gepland is doorkruist worden, maar door de openheid is hier geen sprake van een essentieel leefgebied. Kleine marterachtigen zijn namelijk afhankelijk van voldoende dekking in de vorm van ruigte en bosschages, aangezien ze kwetsbaar zijn voor grotere predatoren. Aangezien de bunzing slechts eenmalig kort vastgelegd is op één van de cameravallen is het vermoeden dat de vaste rust- en verblijfplaats zich niet in de directe omgeving van het plangebied bevindt. Uit de ruime omgeving van het plangebied (enkele kilometers) zijn drie waarnemingen van de bunzing bekend (bron: NDFF). Twee van deze waarnemingen zijn afkomstig vanuit het Schaffelaarse Bosch, ten zuidwesten van het plangebied. De waarnemingen zijn gedaan op circa 3 kilometer afstand van het plangebied. Hier bevindt zich geschikt leefgebied in de vorm van een afwisseling van bos met waterpartijen, lanen, houtwallen en natuurterreinen.

Het is aannemelijk dat zich in dit gebied een verblijfplaats van de bunzing bevindt en dat de groenstructuur langs de Esvelderbeek, waar tijdens het onderzoek de bunzing op beeld is vastgelegd, als migratieroute gebruikt wordt. Een verblijfplaats in de opgaande groenstructuren langs de randen van het plangebied is echter niet geheel uit te sluiten. Aan de buitenrand van het plangebied is een MTB track beoogd. Deze grenst aan de opgaande groenstructuren die onderdeel zijn van het functioneel leefgebied van de bunzing (en waar zich mogelijk dus ook vaste rust- en verblijfplaatsen bevinden) en loopt hier deels ook doorheen. Aan de zuidzijde loopt de route namelijk door de bestaande houtwal heen op een aantal plaatsen (zie bijlage 1 en 2). Bovendien is hier verlichting voorzien (zie figuur 5) wat een verstorend effect op deze nachtactieve soort kan hebben. De geplande ruimtelijke ontwikkelingen leiden mogelijk tot verstoring of fysieke aantasting van een vaste rust- en verblijfplaats van de bunzing. Het aanvragen van een ontheffing en het treffen van mitigerende en/of compenserende maatregelen is noodzakelijk.

Pagina 25

4.4 Hermelijn/wezel 4.4.1 Beschermde status Van de kleine marterachtigen bunzing, hermelijn en wezel zijn de vaste verblijfplaatsen strikt beschermd in de provincie Gelderland via de Wet natuurbescherming. Ook het leefgebied dat benodigd is voor de functionaliteit van de vaste rust- en verblijfplaats is beschermd. Wanneer een vaste rust- en verblijfplaats verdwijnt of de functionaliteit hiervan aangetast wordt, bijvoorbeeld door het verdwijnen van geschikt leefgebied, is ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming noodzakelijk en moeten mitigerende en/of compenserende maatregelen getroffen worden.

4.4.2 Gebruik van het plangebied De hermelijn of wezel is aangetroffen in de opgaande groenstructuur aan de oostzijde van het plangebied. Op basis van de camerabeelden kon de exacte soort niet worden vastgesteld. Aangenomen mag worden dat de gehele groenstructuur rondom het plangebied door de soort gebruikt wordt door de hermelijn/wezel. Incidenteel zal ook het open terrein waar de fietscross accommodatie gepland is doorkruist worden, maar door de openheid is hier geen sprake van een essentieel leefgebied. Kleine marterachtigen zijn namelijk afhankelijk van voldoende dekking in de vorm van ruigte en bosschages, aangezien ze kwetsbaar zijn voor grotere predatoren. Aangezien de hermelijn/wezel slechts eenmalig kort vastgelegd is op één van de cameravallen is het vermoeden dat de vaste rust- en verblijfplaats zich niet in de directe omgeving van het plangebied bevindt. Uit de ruime omgeving van het plangebied (enkele kilometers) zijn twee waarnemingen van de wezel bekend (bron: NDFF). Beide waarnemingen zijn gedaan op ruim 2 kilometer afstand van het plangebied. Van de hermelijn zijn geen waarnemingen bekend uit de ruime omgeving van het plangebied. Een verblijfplaats in de opgaande groenstructuren langs de randen van het plangebied is echter niet geheel uit te sluiten. Aan de buitenrand van het plangebied is een MTB track beoogd.

Deze grenst aan de opgaande groenstructuren die onderdeel zijn van het functioneel leefgebied van de hermelijn of wezel (en waar zich mogelijk dus ook vaste rust- en verblijfplaatsen bevinden) en loopt hier deels ook doorheen. Aan de zuidzijde loopt de route namelijk door de bestaande houtwal heen op een aantal plaatsen (zie bijlage 1 en 2). Bovendien is hier verlichting voorzien (zie figuur 5) wat een verstorend effect op deze nachtactieve soorten kan hebben. De geplande ruimtelijke ontwikkelingen leiden mogelijk tot verstoring of fysieke aantasting van een vaste rust- en verblijfplaats van de hermelijn of wezel. Het aanvragen van een ontheffing en het treffen van mitigerende en/of compenserende maatregelen is noodzakelijk.

Pagina 26

4.5 Overige soorten Voor de overige aangetroffen soorten, zoals de myotis sp., de steenmarter en waargenomen vogelsoorten geldt dat er geen sprake is van aantasting van een vaste rusten verblijfplaats of functioneel leefgebied. Er moet bij de aanlegwerkzaamheden wel rekening worden gehouden met het broedseizoen. Bezette nesten van alle inheemse broedvogels zijn beschermd en een ontheffing voor het verstoren of vernielen van deze nesten is in de meeste gevallen niet mogelijk. Activiteiten moeten daarom bij voorkeur buiten het broedseizoen (15 maart – 15 juli) worden uitgevoerd of ruim voor aanvang van het broedseizoen gestart worden, waarbij voorkomen wordt dat broedvogels zich vestigen in het plangebied. Vogels die buiten het broedseizoen broeden zijn ook beschermd. Werkzaamheden mogen alleen in het broedseizoen plaatsvinden indien er geen broedvogels wezenlijk verstoord worden.

Pagina 27

Conclusie Aan de hand van de verkregen resultaten en datgene wat gesteld wordt in de Wet natuurbescherming kunnen de volgende conclusies getrokken worden: Voor de aangetroffen beschermde soorten gewone dwergvleermuis, laatvlieger, bunzing en hermelijn/wezel is het aanvragen van een ontheffing ten aanzien van de Wet natuurbescherming noodzakelijk. Er moet een mitigatie- en compensatieplan opgesteld worden voor deze soorten. Daarnaast moet tijdens aanlegfase rekening worden gehouden met broedvogels.

Pagina 28

Literatuurlijst • Veldman, J., Troost, C. en Klink, A., Natuur en Milieu, Februari 2021. Brochure Soortenbescherming in Overijssel; bunzing, egel, hermelijn en wezel.

• Bouwens, S., Provincie Noord-Brabant, oktober 2017. Handreiking Kleine Marters in relatie tot soortbescherming.

• Provincie Noord-Holland. Wezel, Hermelijn en Bunzing beschermd in NoordHolland.

• Tast, 13-2-2023. Verlichtingsplan Mountainbike Track v1.1. • Tast, 13-2-2023. Verlichtingsplan BMX baan V2.2. • Vleermuizen en lichtverstoring (https://www.vleermuizenindestad.nl/node/56.html)

Pagina 29

Bijlagen 1 2 3 4

DO-tekening plangebied Beplantingsplan Resultaten veldonderzoek Wettelijk kader

Pagina 30

Bijlage 1 DO-tekening plangebied

Pagina 31

Bijlage 2 Beplantingsplan

Pagina 32

Bijlage 3 Resultaten veldonderzoek Waarnemingen vleermuizen

Vliegroute gewone dwergvleermuis Vliegroute laatvlieger Foerageergebied gewone dwergvleermuis, laatvlieger en myotis sp. Foerageergebied gewone dwergvleermuis

Pagina 33

Waarnemingen steenmarter en kleine marterachtigen

Bunzing Steenmarter Wezel

Pagina 34

Bijlage 4 Wettelijk kader Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Deze wet vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. De Wet natuurbescherming volgt in hoofdlijnen de bepalingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn op. De belangrijkste beschermde natuurwaarden in de Wet Natuurbescherming zijn: • • • • •

Beschermde natuurgebieden (Natura 2000-gebieden); Aangepaste soortenlijst beschermde planten en dieren; Expliciete vermelding intrinsieke waarde van natuur (art. 1.10); Algemene zorgplicht voor natuurgebieden en in het wild levende dieren, planten en hun leefomgeving (art. 1.11); Actieve soortenbescherming (art. 1.12): verplichting voor provincies.

Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden Toetsing van effecten van projecten op Natura 2000-gebieden blijft hetzelfde als nu. Beschermde natuurmonumenten Beschermde natuurmonumenten en bijbehorende doelen komen te vervallen. Hetzelfde geldt voor (nooit aangewezen) beschermde landschapsgezichten en beschermde leefomgevingen. De meeste natuurmonumenten vallen binnen het NNN areaal en zijn via dat beschermingsregime alsnog beschermd. Daarnaast kunnen gemeenten de natuurmonumenten via een bestemmingsplan als beschermde natuur aanwijzen. Provincies dienen gebieden aan te wijzen voor het NNN (voormalige EHS) en (evt. op verzoek) voor overige bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen. Het rijk kan een gebied, niet zijnde een Natura 2000-gebied, als bijzonder nationaal natuurgebied aanwijzen.

Soortbescherming Alle beschermde soorten worden aangewezen in de wet zelf (deels met verwijzing naar internationale regelgeving). Alle natuurlijk in het wild levende vogels, meeste inheemse zoogdieren, alle inheemse amfibieën en reptielen, en een aantal vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten zijn beschermd. Ongeveer 200 thans beschermde soorten (vooral vaatplanten en zeevissen) worden niet meer beschermd onder de Wet natuurbescherming (anders dan door algemene zorgplicht). De lijst met beschermde soorten is niet meer opgedeeld in tabellen, zoals in de huidige Flora- en faunawet. Zie bijlage 3 voor de nieuwe lijst met beschermde plant- en diersoorten.

Pagina 35

Totaal aantal beschermde soorten is slechts een fractie van ongeveer 35.000 soorten die in Nederland voorkomen. Groot aantal bedreigde (Rode lijst) soorten wordt niet passief beschermd (wel actieve bescherming vereist). Drie regimes voor beschermde soorten 1. Regels ter bescherming van vogels die vallen binnen het bereik van de Vogelrichtlijn, i.e. alle natuurlijk in het wild levende vogels in EU (art. 3.1-3.4) 2. Regels ter bescherming van dier- en plantensoorten die strikt beschermd zijn op grond van de Habitatrichtlijn en natuurbeschermingsverdragen (art. 3.5-3.9) 3. Regels ter bescherming van niet onder 2 vallende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten vermeld in de bijlage bij de wet (art. 3.10-3.11) Inhoud beschermingsregimes • •

•

Geen uniform verbodsstelsel, maar aparte verboden voor elk van de drie categorieën beschermde soorten. Verboden en uitzonderingen sluiten nauw aan bij Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn (regime 1 en 2), maar ‘soepeler’ regime voor aanvullend beschermde soorten (regime 3). Meeste verboden nu alleen van toepassing op ‘opzettelijk’ handelen, maar dat dekt ook voorwaardelijk opzet (=willens en wetens aanmerkelijke kans aanvaarden dat gedraging schadelijke gevolgen heeft voor beschermde soorten). Verschil met de huidige verboden zal in de praktijk dus waarschijnlijk gering zijn.

Alle in de Wet genoemde soorten zijn strikt beschermd. Voor de verbodsbepalingen is een ontheffing noodzakelijk. Dit geldt ook voor zeer algemene soorten waarvoor in het verleden automatisch de vrijstellingsregeling van kracht was bij ruimtelijke ontwikkelingen. Echter kunnen de provincies voor een aantal algemene soorten een vrijstellingslijst opstellen (op basis van Artikel 3.11). Dit betekent dat de beschermde soorten per provincie verschillen (zie bijlage 3). Met betrekking tot ruimtelijke ontwikkelingen zijn de volgende verbodsbepalingen voor soorten het meest relevant.

Intrinsieke waarde natuur Artikel 1.10 Deze wet is gericht op: Het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde, en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit.

Pagina 36

Algemene Zorgplicht Artikel 1.11 1. Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. 2. De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op handelen of nalaten in overeenstemming met het bij of krachtens deze wet of de Visserijwet 1963 bepaalde.

Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn Artikel 3.1 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Artikel 3.3 1. Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van verboden als bedoeld in artikel 3.1, ten aanzien van vogels van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van hun nesten, rustplaatsen of eieren.

Pagina 37

2. Provinciale staten kunnen bij verordening vrijstelling verlenen van verboden als bedoeld in artikel 3.1 en ten aanzien van vogels van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van hun nesten, rustplaatsen of eieren. Ontheffing of vrijstelling Een ontheffing of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a. er bestaat geen andere bevredigende oplossing; b. zij is nodig: • • • • • •

in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren; ter bescherming van flora of fauna; voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt, of om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan;

c. de maatregelen leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort. In een ontheffing, onderscheidenlijk vrijstelling worden in elk geval voorschriften opgenomen, onderscheidenlijk regels gesteld, over: a. de middelen, installaties of methoden voor het vangen of doden, waarbij enkel het gebruik wordt toegestaan van bij algemene maatregel van bestuur aangewezen middelen, installaties of methoden; b. de tijd en plaats waarvoor de ontheffing of vrijstelling geldt, en c. de wijze waarop het risico voor het behoud van de vogelstand wordt beperkt.

Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn Artikel 3.5 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren.

Pagina 38

3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Artikel 3.8 1. Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van een of meer van de verboden, bedoeld in artikel 3.5 ten aanzien van dieren of planten van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van de voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren van daarbij aangewezen soorten. 2. Provinciale staten kunnen bij verordening vrijstelling verlenen van een of meer van de verboden, bedoeld in artikel 3.5 ten aanzien van dieren of planten van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van de voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren van daarbij aangewezen soorten. Ontheffing of vrijstelling Een ontheffing of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a. er bestaat geen andere bevredigende oplossing; b. zij is nodig: • • •

•

•

in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten, of om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben;

Pagina 39

c. er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Beschermingsregime andere soorten Artikel 3.10 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. 2. Artikel 3.8, met uitzondering van het derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op de verboden, bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat, in aanvulling op de redenen, genoemd in het vijfde lid, onderdeel b, de noodzaak voor de ontheffing of vrijstelling ook verband kan houden met handelingen: a. in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; b.

ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen; c. ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden; d. ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren; e. in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; f. in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; g. in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied, of h. in het algemeen belang.

Pagina 40

3. De verboden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, en b, zijn niet van toepassing op de bosmuis, de huisspitsmuis en de veldmuis voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden. Artikel 3.11 1. Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat de bij die regeling aan te wijzen verboden, bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, onderdeel b of c niet van toepassing zijn ten aanzien van bij die regeling aan te wijzen soorten, op bij die regeling aan te wijzen categorieën van handelingen die na een voorafgaande melding aan gedeputeerde staten worden uitgevoerd om een reden, genoemd in artikel 3.8, vijfde lid, onderdeel b, of in artikel 3.10, tweede lid. 2. Provinciale staten kunnen bij verordening regels stellen waaraan een melding als bedoeld in het eerste lid moet voldoen.

Gedragscodes De verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.2, zesde lid, 3.5, 3.6 tweede lid, of 3.10, en de krachtens artikel 3.11, eerste lid, geldende verplichting tot melding, zijn niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door Onze Minister goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van: a. een bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; b. een bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of de bosbouw; c. een bestendig gebruik, of d. ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. 2. Een gedragscode als bedoeld in het eerste lid wordt goedgekeurd, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a. in de gedragscode worden handelingen beschreven die nodig zijn voor: • • •

ingeval het handelingen betreft die invloed kunnen hebben op vogels, één van de in artikel 3.3, vierde lid, genoemde redenen; ingeval het handelingen betreft die invloed kunnen hebben op dieren als bedoeld in artikel 3.5, eerste lid, één van de in artikel 3.8, vijfde lid, genoemde redenen; ingeval het handelingen betreft die invloed kunnen hebben op dieren als bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, onderdeel a, of van planten als bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, onderdeel c, één van de in artikel 3.8, vijfde lid, of in artikel 3.10, tweede lid, onder a, e, f of g, genoemde redenen;

Pagina 41

b. in de gedragscode een wijze van uitvoering van handelingen is beschreven, waarmee naar het oordeel van Onze Minister afdoende is gewaarborgd dat ten aanzien van de soorten, bedoeld in artikel 3.1, 3.5, eerste of vijfde lid, 3.10, eerste lid, geen benutting of economisch gewin plaatsvindt; c. in de gedragscode een wijze van uitvoering van handelingen is beschreven, waarmee naar het oordeel van Onze Minister afdoende is gewaarborgd dat ten aanzien van de soorten, bedoeld in artikel 3.1, 3.5, eerste of vijfde lid, 3.10, eerste lid, zorgvuldig wordt gehandeld.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Barneveld&id=d7a429c6-cd74-4bb9-b049-a5767debcde2