Hanzeweg-Zuid I_Toelichting_Bijlage 5 Quickscan natuurtoets Hanzeweg in Barneveld, Staring, oktober 2022
Tekst van het document
Quickscan natuurtoets Hanzeweg in Barneveld In opdracht van gemeente Barneveld
Colofon Quickscan natuurtoets Hanzeweg in Barneveld
Opdrachtgever Contactpersoon
Gemeente Barneveld Dhr. T. Wagteveld
Opdrachtnemer
Staring Advies Jonker Emilweg 11 6997 CB Hoog-Keppel
Rapportnummer Auteur Controle Publicatiedatum: Foto voorblad
2282 Ing. R. Boerboom Drs. L.M.A Witjes 4 oktober 2022 Plangebied (foto: R. Top)
Copyright Niets uit dit rapport mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever, noch mag het zonder een dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd. Aansprakelijkheid Dit onderzoek is uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde natuurwet- en regelgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten. Het voorkomen van beschermde soorten is echter nooit met zekerheid te voorspellen. Staring Advies accepteert geen aansprakelijkheid ten aanzien van beslissingen die de opdrachtgever neemt naar aanleiding van het door Staring Advies uitgevoerde onderzoek. Staring Advies is niet aansprakelijk voor gevolgschade, alsmede voor schade welke voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van werkzaamheden of andere gegevens verkregen van Staring Advies; opdrachtgever vrijwaart Staring Advies voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing. Netwerk Groene Bureaus Staring Advies is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB) de brancheorganisatie voor groene adviesbureaus. Het netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. www.netwerkgroenebureaus.nl
Inhoud Samenvatting ...................................................................................................................... 3 1
2
3
4
Inleiding en doel........................................................................................................... 4 1.1
Inleiding ................................................................................................................ 4
1.2
Doel ...................................................................................................................... 4
Gebiedsbeschrijving en geplande werkzaamheden ..................................................... 5 2.1
Gegevens plangebied ........................................................................................... 5
2.2
Beschrijving van het plangebied ........................................................................... 5
2.3
Beschrijving van het onderzoeksgebied ................................................................ 5
2.4
Geplande werkzaamheden ................................................................................... 5
Beschermde status plangebied .................................................................................... 7 3.1
Gebiedsbescherming ............................................................................................ 7
3.2
Natuurnetwerk Nederland ..................................................................................... 7
3.3
Natura 2000 ........................................................................................................ 11
3.4
Houtopstanden ................................................................................................... 13
Beschermde soorten plangebied ............................................................................... 14 4.1
Methode ............................................................................................................. 14
4.2
Resultaten .......................................................................................................... 15
5
Wet natuurbescherming ............................................................................................. 22
6
Conclusie ................................................................................................................... 27
Bijlage 1
Impressie plangebied ..................................................................................... 29
Bijlage 2
Wettelijk kader Wet natuurbescherming ......................................................... 30
Bijlage 3
Beschermde plant- en diersoorten.................................................................. 38
Samenvatting Uit de quickscan natuurtoets blijkt dat voor geplande ruimtelijke ontwikkeling aan het plangebied aan de Hanzeweg in Barneveld, betreffende het realiseren van een fietscross accommodatie, aanvullend onderzoek naar buizerd, sperwer, kleine marterachtigen, boombewonende vleermuizen en foerageergebieden en vliegroutes van vleermuizen noodzakelijk is. Uit het aanvullende onderzoek zal blijken of er ontheffing en/of het treffen van mitigerende en compenserende maatregelen noodzakelijk is. Daarnaast moeten de werkzaamheden buiten het broedseizoen (globaal tussen 15 maart – 15 juli) worden uitgevoerd of ruim voor aanvang van het broedseizoen gestart worden en/of er dient te worden voorkomen dat (overige) broedvogels zich lokaal vestigen. Het plangebied ligt in een Groene Ontwikkelzone (GO), in deelgebied Gelderse Vallei. Significante negatieve effecten zijn niet op voorhand uit te sluiten. In overleg met de provincie Gelderland moet bepaald worden hoe hiermee wordt omgegaan. Nadere toetsing of vergunningsaanvraag is mogelijk aan de orde. Een AERIUS-berekening moet worden uitgevoerd om vast te stellen of een vergunningsaanvraag met betrekking tot stikstofdepositie op het nabijgelegen Natura 2000gebied “Veluwe” noodzakelijk is. Ten behoeve van de ontsluiting wordt een deel van een groenstructuur verwijderd.
Deze groenstructuur is een beschermde houtopstand binnen de Wet natuurbescherming. Een kapmelding bij de provincie Gelderland is dan ook noodzakelijk. Dit zijn de uitkomsten van het onderzoek dat is gehouden naar aanleiding van de voorgenomen plannen voor het realiseren van een fietscross accommodatie aan de Hanzeweg in Barneveld. Dit kan negatieve gevolgen hebben voor beschermde plant- en diersoorten. Daarom is onderzoek noodzakelijk om te voldoen aan de Wet Natuurbescherming. Staring Advies voerde het onderzoek uit in opdracht van de gemeente Barneveld. Het bureau deed literatuuronderzoek in de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) en veldonderzoek op de locatie.
Pagina 3
1
Inleiding en doel
1.1 Inleiding Bij een ruimtelijke ontwikkeling moet, in het kader van de Wet natuurbescherming, aangetoond worden dat er geen sprake is van aantasting van beschermde natuurgebieden en beschermde plant- en diersoorten. Hiervoor is in veel gevallen een gericht natuuronderzoek vereist. In eerste instantie is een quickscan natuurtoets noodzakelijk om een inschatting te kunnen maken over het effect van de plannen op beschermde natuurgebieden en soorten. Indien negatieve effecten verwacht worden is nader onderzoek noodzakelijk. Er zijn plannen om een fietscross accommodatie te realiseren aan de Hanzeweg in Barneveld. De gemeente Barneveld is betrokken bij de plannen en heeft aan Staring Advies gevraagd om de quickscan natuurtoets uit te voeren.
1.2 Doel Het doel van de quickscan natuurtoets is om snel te inventariseren of door de geplande ontwikkelingen schade kan ontstaan aan beschermde natuurgebieden en beschermde flora of fauna. Wanneer dit het geval is wordt vervolgens geadviseerd over het noodzakelijk vervolgonderzoek en eventuele procedurele vervolgstappen.
Pagina 4
2
Gebiedsbeschrijving en geplande werkzaamheden
2.1 Gegevens plangebied Locatie: Plaats: Gemeente: Provincie:
Hanzeweg Barneveld Barneveld Gelderland
2.2 Beschrijving van het plangebied Het plangebied bevindt zich net buiten de bebouwde kom van Barneveld, in de gelijknamige gemeente (zie figuur 1). Het plangebied ligt ten zuiden van het bedrijventerrein Harselaar. Het plangebied wordt globaal begrensd door de Hanzeweg aan de westzijde en aan lijnvormige groenstructuren aan de overige zijden. Aan de noordzijde van het plangebied stroomt de Esvelderbeek. In de directe omgeving van het plangebied zijn onder andere bedrijventerreinen, lijnvormige groenstructuren, agrarische percelen, watergangen zoals de Esvelderbeek met aangrenzend een vochtige natuurzone, infrastructuur en een boomkwekerij aanwezig. Het plangebied bestaat in de huidige situatie uit een voormalige graszodenkwekerij met rondom een opgaande groenstructuur. Het terrein ligt momenteel braak en bestaat grotendeels uit grasland met kruiden. Enkele schralere delen (waar nog graszoden zijn verwijderd) kennen een iets schralere vegetatie. Langs de oost- en zuidzijde loopt een houtwal met jonge en oude bomen en plaatselijke dichte ondergroei. De houtwal is enkele meters tot circa 10 meter breed en er zijn hoogteverschillen. Ook langs de beek aan de noordzijde van het plangebied is een lijnvormige groenstructuur aanwezig (zie figuur 2 en bijlage 1).
2.3 Beschrijving van het onderzoeksgebied Om het eventuele verstorend effect van de geplande ruimtelijke ontwikkeling op beschermde natuurwaarden in de directe omgeving van het plangebied (externe werking) in te kunnen schatten is een groter gebied onderzocht dan het plangebied zelf. Het onderzoeksgebied, met daarbinnen het plangebied voor de fietscross accommodatie, wordt bepaald door lijnvormige groenstructuren, agrarische percelen, watergangen zoals de Esvelderbeek met aangrenzend een vochtige natuurzone, infrastructuur en een boomkwekerij (zie figuur 2).
2.4 Geplande werkzaamheden Er zijn plannen om een fietscross accommodatie te realiseren op het terrein aan de Hanzeweg in Barneveld. Het terrein zal ingericht worden met onder andere een BMX track, een pumptrack, parkeerplaatsen, een clubgebouw, tribunes en waterberging. Ten behoeve
Pagina 5
van de ontsluiting via de Hanzeweg wordt een nieuwe rotonde gerealiseerd. Hiervoor moet een gedeelte van de aanwezige opgaande groenstructuur aan de zuidzijde van het plangebied gerooid worden.
Figuur 1. Ligging van het plangebied (rood), bron: Provincie Gelderland (2021).
Figuur 2. Luchtfoto van het onderzoeksgebied (geel) met daarbinnen het plangebied (rood), bron: Google Earth (2021).
Pagina 6
3
Beschermde status plangebied
3.1 Gebiedsbescherming In Nederland bestaat het Natuurnetwerk Nederland. Dit is een netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. In paragraaf 3.2 wordt het plangebied behandeld in relatie tot de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De Wet natuurbescherming gaat over gebiedsbescherming en soortenbescherming. Wat betreft de gebiedsbescherming beschermt de Wet natuurbescherming Natura 2000gebieden. Dit is een Europees, samenhangend netwerk van beschermde natuurgebieden. In paragraaf 3.3 wordt het plangebied behandeld in relatie tot de bescherming van Natura 2000-gebieden. Daarnaast beschermt de Wet natuurbescherming bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen. In paragraaf 3.4 wordt het plangebied behandeld in relatie tot deze beschermde houtopstanden.
3.2 Natuurnetwerk Nederland 3.2.1 Conclusie Het plangebied ligt binnen een Groene Ontwikkelzone (GO), in deelgebied Gelderse Vallei. Significante negatieve effecten zijn niet op voorhand uit te sluiten. In overleg met de provincie Gelderland moet bepaald worden hoe hiermee wordt omgegaan. Nadere toetsing of vergunningsaanvraag is mogelijk aan de orde.
3.2.2 Natuurnetwerk De gebieden van het Natuurnetwerk Nederland worden in de provincie Gelderland het Gelders Natuurnetwerk genoemd. In het Gelders Natuurnetwerk komen twee natuurcategorieën voor: het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Gelderse Groene Ontwikkelingszone (GO). Gelders Natuurnetwerk (GNN) Het GNN bestaat uit alle bestaande natuur en een zoekgebied voor nog te realiseren nieuwe natuur. In het GNN geldt: in de basis hier geen nieuwe initiatieven. Er zijn enkele uitzonderingen mogelijk. Dat zijn ontwikkelingen van een groot algemeen of provinciaal belang of waarvoor - overtuigend gemotiveerd – geen alternatieven bestaan. Voor dergelijke uitzonderingen gelden specifieke spelregels die garanderen dat het Gelders Natuurnetwerk in stand blijft (het nee, tenzij principe). Dat betekent dat hier geen ruimte is voor nieuwe projecten die de aanwezige en potentiële natuurwaarden significant aantasten. Groene Ontwikkelzones (GO) De GO is een gebied waar partners en partijen worden uitgenodigd om actief 'groene'
Pagina 7
doelen mee te helpen realiseren. Er is in dit gebied ruimte voor de verdere ontwikkeling van bestaande en bij het gebied behorende bedrijvigheid of bewoning. Afhankelijk van het type en de schaal van de ontwikkeling vraagt de provincie om een (extra) bijdrage te leveren aan de GO.
3.2.3 Plangebied Het plangebied ligt in een GO, binnen het deelgebied Gelderse Vallei. De Esvelderbeek en aangrenzende vochtige natuurzones ten noorden van het plangebied zijn aangewezen als bestaande natuur binnen het GNN (zie figuur 3).
Figuur 3. Ligging van het plangebied (rood) ten opzichte van het GNN, bron: Provincie Gelderland 2021.
Spelregels Groene Ontwikkelzone Het plangebied ligt binnen een GO. Het doel van de GO is het versterken van de samenhang tussen aangrenzende en inliggende natuurgebieden en een toename van de oppervlakte natuur. In een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden gelegen binnen de GO worden geen nieuwe grootschalige ontwikkelingen mogelijk gemaakt die leiden tot een significante aantasting van de kernkwaliteiten van het betreffende gebied, tenzij: ➢ geen reële alternatieven aanwezig zijn; ➢ sprake is van redenen van groot openbaar belang; ➢ de negatieve effecten op de kernkwaliteiten, de oppervlakte en de samenhang zoveel mogelijk worden beperkt; en ➢ de overblijvende negatieve effecten op de kernkwaliteiten, de oppervlakte en de samenhang gelijkwaardig worden gecompenseerd.
Pagina 8
In een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden gelegen binnen de GO kunnen nieuwe kleinschalige ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt, mits: ➢ In de toelichting bij het bestemmingsplan wordt aangetoond dat de kernkwaliteiten van het betreffende gebied, in hun onderlinge samenhang bezien, per saldo substantieel worden versterkt; en ➢ Deze versterking planologisch is verankerd in hetzelfde dan wel een ander, gelijktijdig vast te stellen bestemmingsplan. Kernkwaliteiten GO Ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk indien er geen negatief effect is op de kernkwaliteiten van de GO. Het plangebied ligt in het deelgebied ‘Gelderse Vallei’ (81). De Provincie Gelderland heeft op basis van de voormalige Ecologische Hoofdstructuur kernkwaliteiten en ontwikkelingsdoelen geformuleerd voor dit deelgebied. De ontwikkelingsdoelen voor de GO zone binnen dit deelgebied zijn: •
• • • • • •
Ontwikkeling ecologische verbinding Esvelder Beek - Barneveldse Beek: singels, graslanden, plas-drasbermen en moeraszones, aansluitend op het omringende landschap. Ontwikkeling ecologische verbinding Lunterse Beek: singels, graslanden, poelen, plas-drasbermen en moeraszones, in het bijzonder langs de beken. Vermindering barrièrewerking A1, A12 en A30, N310, N304, N224, N781, N225, N800, N801, N802 en N805. Ontwikkeling bosranden en overgangen naar cultuurgronden. Ontwikkeling biotopen voor reptielen en amfibieën. Ontwikkeling cultuurhistorische patronen en beheersvormen. Ontwikkeling van het kleinschalig landschap langs de voet van de Veluwe; houtsingels, beken en (schrale) graslanden.
Effectbeoordeling Voor elk ontwikkelingsdoel binnen de GO wordt aangegeven of de geplande ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk een negatief effect hebben. Ontwikkeling ecologische verbinding Esvelder Beek - Barneveldse Beek: singels, graslanden, plas-drasbermen en moeraszones, aansluitend op het omringende landschap Het plangebied ligt binnen deze ecologische verbindingszone, aan de zuidzijde van de Esvelderbeek. De beoogde ontwikkeling van een fietscross accommodatie belemmert de ontwikkelmogelijkheden voor bovenstaande natuurtypen en kan een barrière vormen voor deze verbindingszone. Significante negatieve effecten zijn niet op voorhand uit te sluiten. In overleg met de provincie Gelderland moet bepaald worden hoe hiermee wordt omgegaan.
Pagina 9
Ontwikkeling ecologische verbinding Lunterse Beek Het plangebied ligt niet binnen deze ecologische verbindingszone. De geplande ruimtelijke ontwikkeling vormt geen belemmering voor het realiseren van dit ontwikkelingsdoel. Vermindering barrièrewerking A1, A12 en A30, N310, N304, N224, N781, N225, N800, N801, N802 en N805 Het plangebied ligt niet in/langs deze verkeersaders. De geplande ruimtelijke ontwikkeling vormt geen belemmering voor het realiseren van dit ontwikkelingsdoel. Ontwikkeling bosranden en overgangen naar cultuurgronden Het plangebied grenst aan houtsingels. Voor een deel wordt één van de houtsingels doorsneden, ten behoeve van de ontsluiting van het plangebied. De beoogde ontwikkeling van een fietscross accommodatie belemmert de ontwikkelmogelijkheden voor met name bosranden en er is deels sprake van oppervlakteverlies van een houtsingel. Significante negatieve effecten zijn niet op voorhand uit te sluiten. In overleg met de provincie Gelderland moet bepaald worden hoe hiermee wordt omgegaan. Ontwikkeling biotopen voor reptielen en amfibieën Het plangebied ligt langs het GNN natuurgebied Esvelderbeek, met daarlangs percelen met vochtige natuur. Het gebied heeft potenties als leefgebied voor verschillende amfibieënsoorten en een reptielensoort als de ringslang.
De beoogde ontwikkeling van een fietscross accommodatie belemmert de ontwikkelmogelijkheden voor leefgebieden voor deze soortgroepen. Significante negatieve effecten zijn niet op voorhand uit te sluiten. In overleg met de provincie Gelderland moet bepaald worden hoe hiermee wordt omgegaan. Ontwikkeling cultuurhistorische patronen en beheersvormen In het plangebied liggen voor zover bekend geen cultuurhistorische waarden of beheersvormen. De geplande ruimtelijke ontwikkeling vormt geen belemmering voor het realiseren van dit ontwikkelingsdoel. Ontwikkeling van het kleinschalig landschap langs de voet van de Veluwe; houtsingels, beken en (schrale) graslanden Het plangebied ligt op ruime afstand van de Veluwe. De geplande ruimtelijke ontwikkeling vormt geen belemmering voor het realiseren van dit ontwikkelingsdoel.
Pagina 10
3.3 Natura 2000 3.3.1 Conclusie Er vinden geen ruimtelijke ingrepen plaats in of nabij een Natura 2000-gebied. Door de aard en de beperkte omvang van de activiteiten en door de afstand tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied “Veluwe” en overige Natura 2000-gebieden worden geen significante negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen en ontwikkelingsopgaven verwacht door directe verstoringsfactoren of indirecte verstoringsfactoren, met uitzondering van stikstofdepositie. Een AERIUS-berekening is noodzakelijk om vast te stellen of een vergunningsaanvraag inzake stikstofdepositie vereist is voor het Natura 2000-gebied ‘Veluwe”.
3.3.2 Natura 2000 De Europese Unie heeft een zeer gevarieerde en rijke natuur, die van grote biologische, esthetische en economische waarde is. Om deze natuur te behouden heeft de Europese Unie het initiatief genomen voor Natura 2000. Dit is een samenhangend netwerk van beschermde natuurgebieden. De Wet natuurbescherming beschermt onder andere Natura 2000-gebieden. Voor activiteiten die significante, negatieve effecten hebben op de kernkwaliteiten van een Natura 2000-gebied is een vergunning nodig.
3.3.3 Plangebied Het plangebied ligt niet in een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied “Veluwe” ligt op circa 5,4 kilometer afstand van het plangebied (zie figuur 4). Overige Natura 2000-gebieden (o.a. “Arkemheen”, “Binnenveld”, “Veluwerandmeren” en “Eemmeer & Gooimeer Zuidoever”) liggen op ruime afstand, vanaf circa 13 km. Door de aard en de beperkte omvang van de werkzaamheden en door de afstand tussen het plangebied en het Natura 2000-gebied “Veluwe” en overige Natura 2000-gebieden, worden geen significante negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen en ontwikkelingsopgaven van desbetreffende Natura 2000-gebieden verwacht door directe verstoringsfactoren als oppervlakteverlies of versnippering. Ook significante negatieve effecten door indirecte verstoringsfactoren als verontreiniging, verdroging, geluidsverstoring of lichtverstoring zijn op voorhand uit te sluiten door de ruime afstand tot de Natura 2000-gebieden en de aard en beperkte omvang van de geplande activiteiten, met uitzondering van stikstofdepositie. Stikstofdepositie In veel Natura 2000-gebieden is stikstofdepositie een groot probleem voor de realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen. Het gaat daarbij om de gevolgen van stikstofdepositie afkomstig uit de landbouw, het verkeer en de industrie op voor stikstof gevoelige habitats.
Ook in het nabijgelegen Natura 2000-gebieden “Veluwe” zijn stikstofgevoelige habitattypen en/of soorten aanwezig, zoals habitat H4030 droge heide (bron: www.synbiosys.alterra.nl/natura2000). De afspraken over stikstof staan in de
Pagina 11
gebiedsanalyse van het Natura 2000-gebied. Alleen als de hoeveelheid op termijn vermindert, zijn nieuwe bedrijfsactiviteiten met stikstofuitstoot mogelijk. In het plangebied wordt een fietscross accommodatie gerealiseerd. Door de inzet van werktuigen tijdens de aanlegfase en de toename in verkeersbewegingen in de gebruiksfase is een toename van stikstofdepositie in het Natura 2000-gebied “Veluwe” niet op voorhand uit te sluiten. Om vast te stellen of de geplande werkzaamheden een negatief effect hebben op de stikstofgevoelige habitats van het Natura 2000-gebied “Veluwe”, en om te bepalen of een vergunningsaanvraag nodig is, is een AERIUS-berekening noodzakelijk.
Arkemheen
Veluwe
Figuur 4. Ligging van het plangebied (rood) ten opzichte van de Natura 2000-gebieden “Arkemheen” en “Veluwe” (groen), bron: Provincie Gelderland (2021).
Pagina 12
3.4 Houtopstanden 3.4.1 Conclusie Een kapmelding bij de provincie Gelderland voor beschermde houtopstanden is noodzakelijk.
3.4.2 Houtopstanden De Wet natuurbescherming beschermt bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde 'houtopstanden'). Als men voornemens is houtopstanden te kappen die onder de Wet natuurbescherming vallen dan moet een kapmelding bij de provincie Gelderland worden ingediend. Er zijn enkele uitzonderingen waarbij een kapmelding niet is vereist.
3.4.3 Plangebied Het plangebied ligt buiten de bebouwde kom (zie figuur 1). Ten behoeve van de ontsluiting wordt een deel van een groenstructuur verwijderd. Deze groenstructuur is een beschermde houtopstand binnen de Wet natuurbescherming. Een kapmelding bij de provincie Gelderland is dan ook noodzakelijk.
Pagina 13
4
Beschermde soorten plangebied
4.1
Methode
Het verzamelen van gegevens heeft op twee manieren plaatsgevonden: via een literatuuronderzoek en een gericht veldonderzoek.
4.1.1 Literatuuronderzoek Ter ondersteuning van het veldonderzoek werd de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) geraadpleegd. Deze database geeft informatie over waarnemingen van beschermde en zeldzame planten en dieren in Nederland. In de NDFF zijn uitsluitend gevalideerde gegevens opgeslagen. De NDFF is de meest complete databank voor de actuele verspreiding van Nederlandse flora en fauna met meer dan 100 miljoen waarnemingen. De databank wordt dagelijks aangevuld met recente waarnemingen. De NDFF is echter niet vlakdekkend en volledig. In de NDFF is voor het onderzoeksgebied gezocht naar waarnemingen van beschermde soorten. In de NDFF is voor een zoekgebied met een straal van circa 1 km rond het plangebied gezocht naar waarnemingen van beschermde soorten, uit de afgelopen 10 jaar.
4.1.2 Veldonderzoek Een onderzoeker van Staring Advies onderzocht het plangebied om een inschatting te maken van de beschermde soorten die aanwezig zijn en om beschermde flora en fauna waar te nemen (zie tabel 1). Onderzoeker
Bezoekronde
Datum
Tijd
Weersomstandigheden
Ing. R. Top
1
27-04-2021
12:30 uur
Zonnig, droog, 14°C, windkracht 1 Bft
Tabel 1. Veldonderzoek.
Pagina 14
4.2 Resultaten Deze paragraaf bespreekt de resultaten van het literatuuronderzoek en het veldonderzoek.
4.2.1 Literatuuronderzoek Flora De NDFF maakt voor de omgeving van het plangebied geen melding van beschermde plantensoorten. Broedvogels De NDFF maakt voor de omgeving van het plangebied melding van diverse beschermde vogelsoorten. Een deel van de waarnemingen betreft overvliegende vogels zonder binding met het gebied. Een deel van de vogelsoorten kunnen wel een territorium bezetten in het plangebied of in de directe omgeving hiervan, waardoor ze gebruik kunnen maken van het plangebied. Van de in de omgeving waargenomen gierzwaluw, huismus en ooievaar zijn de vaste rust- en verblijfplaatsen en nestlocaties jaarrond beschermd. Zoogdieren De NDFF maakt voor de omgeving van het plangebied melding van twee nationaal beschermde zoogdiersoorten. Het betreft de volgende soorten: •
Nationaal beschermde soorten: haas en konijn¹.
Amfibieën, reptielen en vissen De NDFF maakt voor de omgeving van het plangebied melding van twee beschermde amfibieënsoorten. •
Nationaal beschermde soorten: bastaardkikker en bruine kikker1.
Ongewervelde dieren De NDFF maakt voor de omgeving van het plangebied geen melding van het voorkomen van beschermde ongewervelde diersoorten.
1 Deze soorten zijn in de provincie Gelderland vrijgesteld van de verboden als bedoeld in artikel 3.10, eerste lid,
onderdelen a en b, bij ruimtelijke ontwikkelingen.
Pagina 15
4.2.2 Veldonderzoek In deze paragraaf worden per soortgroep de resultaten van het veldonderzoek besproken. Flora Het plangebied bestaat voor het grootste deel uit een braakliggende graszodenkwekerij. De vegetatie bestaat uit open grasland met kruiden. Enkele schralere delen (waar nog graszoden zijn verwijderd) kennen een iets schralere vegetatie. In het plangebied groeien vrij algemene tot zeer algemene kruiden van voedselarme tot voedselrijke omstandigheden, zoals akkerviooltje, Duits viltkruid, duizendblad, gewoon biggenkruid, gewoon herderstasje, klein kruiskruid, klein vogelpootje, kleine veldkers, moeraskers, paardenbloem sp., paarse dovenetel, pinksterbloem, rode schijnspurrie, smalle weegbree en algemene grassoorten. In en langs de beek ten noorden van het plangebied zijn allerlei planten van voedselrijke en/of vochtige omstandigheden te vinden zoals akkerdistel, blaartrekkende boterbloem, boerenwormkruid, braam sp., echte valeriaan, fluitenkruid, gewoon speenkruid, grote brandnetel, harig wilgenroosje, kleefkruid, ridderzuring, riet en speerdistel. In de houtwal rondom het plangebied zijn onder andere de volgende bomen en struiken aanwezig: Amerikaans krentenboompje, ruwe berk, beuk, zomereik, gewone vlier, hazelaar, wilde lijsterbes, witte paardenkastanje en zwarte els.
In de kruidlaag groeien algemene soorten als akkerkool, gewone smeerwortel, klimop, robertskruid, vogelmuur en witte dovenetel. Bijzondere vegetaties met kenmerkende plantensoorten zijn niet in het plangebied aanwezig. De NDFF (zie paragraaf 4.2.1) maakt geen melding van beschermde plantensoorten voor de omgeving van het plangebied. Beschermde plantensoorten worden hier niet verwacht omdat er geen geschikte groeiplaatsen zijn, zo blijkt uit het veldonderzoek. Broedvogels Een volledige broedvogelkartering heeft niet plaatsgevonden, omdat dit geen onderdeel uitmaakt van de quickscan natuurtoets. Tijdens het veldbezoek zijn de volgende vogelsoorten aangetroffen in het plangebied en de directe omgeving: boerenzwaluw, groenling, houtduif, kauw, kievit, koolmees, merel, sijs, tjiftjaf, vink, wilde eend, winterkoning, zwarte kraai en zwartkop. Het centrale deel van het plangebied is door de openheid slechts marginaal geschikt als nestlocatie voor een enkele grondbroeder als de kievit. Deze soort is tijdens het veldbezoek ook waargenomen met binding aan het plangebied. De opgaande groenstructuren aan de rand van het plangebied zijn geschikt als nestlocatie voor diverse vogelsoorten, waaronder een deel van de aangetroffen soorten tijdens het veldbezoek.
De opgaande groenstructuur rondom het plangebied is geschikt als nestlocatie voor enkele jaarrond beschermde soorten als buizerd en sperwer. Jaarrond beschermde nesten De NDFF vermeldt voor de omgeving van het plangebied de gierzwaluw, huismus en ooievaar, waarvan de vaste rust- en verblijfplaatsen en nestlocaties jaarrond beschermd zijn (zie paragraaf 4.2.1). Tijdens het veldbezoek is in de opgaande groenstructuur aan de
Pagina 16
rand van het plangebied één nestlocatie gevonden die mogelijk in gebruik is door de buizerd of sperwer (zie foto 1). Ook is in de meest oostelijke zijde van de groenstructuur een plukplaats aangetroffen die mogelijk van één van deze soorten is (zie foto 2). Er zijn geen nestlocaties van overige jaarrond beschermde vogelsoorten in het plangebied en in de directe omgeving waargenomen of te verwachten. Het plangebied kan wel onderdeel zijn van het leefgebied van de jaarrond beschermde kerkuil en steenuil.
Foto 1. Mogelijke nestlocatie van de jaarrond beschermde buizerd of sperwer (foto: R. Top).
Foto 2. Plukplaats mogelijk veroorzaakt door buizerd of sperwer (foto: R. Top).
Pagina 17
Gierzwaluw en huismus Uit de omgeving van het plangebied zijn waarnemingen van de gierzwaluw en huismus bekend uit de bebouwde kom van Barneveld. Ook van enkele verspreid liggende erven in het buitengebied van Barneveld zijn waarnemingen van de huismus bekend (bron: NDFF). In het plangebied is geen bebouwing aanwezig, dus van een nestlocatie van deze soorten is geen sprake. Het plangebied behoort eveneens niet tot het functioneel leefgebied van deze soorten, doordat nestlocaties in de directe omgeving niet te verwachten zijn. Ooievaar Uit de omgeving van het plangebied zijn enkele waarnemingen van de ooievaar bekend (bron: NDFF). De ooievaar is tijdens het veldbezoek niet waargenomen. Voor de ooievaar ontbreken nestlocaties in de vorm van kunstnesten op palen of daken van gebouwen in het plangebied en de directe omgeving. Het plangebied is geen functioneel leefgebied voor deze soort. Kerkuil en steenuil Uit de directe omgeving van het plangebied zijn vanuit de NDFF geen waarnemingen van deze uilensoorten bekend. Er bevinden zich voor beide soorten geen geschikte nestlocaties in het plangebied, zoals nestkasten, oude knotbomen of toegankelijke schuren of andere gebouwen. Tijdens het veldbezoek zijn geen (sporen van) kerk- of steenuilen (braakballen, uitwerpselen, veren, prooiresten etc.) waargenomen in het plangebied.
Het plangebied is geschikt als foerageergebied voor deze soorten. Voor overige vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten is het plangebied niet van belang als nestlocatie of functioneel leefgebied. Grondgebonden zoogdieren De NDFF vermeldt het voorkomen van de beschermde soorten haas en konijn voor de omgeving van het plangebied. Tijdens het veldbezoek zijn (sporen van) haas, mol en muizenholen aangetroffen in het onderzoeksgebied. Het centrale deel van het plangebied is door de openheid niet geschikt als verblijfplaats voor grondgebonden zoogdieren, met uitzondering van enkele algemene muizensoorten en de mol. De opgaande groenstructuur langs de rand van het plangebied is geschikt als verblijfplaats en migratieroute voor soorten als das, eekhoorn, egel, haas, kleine marterachtigen, konijn, ree, steenmarter en vos en verschillende (spits)muizensoorten. Voor de genoemde soorten geldt, met uitzondering van de das, eekhoorn, kleine marterachtigen en steenmarter, in provincie Gelderland vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkelingen. Das Uit de omgeving van het plangebied zijn geen waarnemingen van de das bekend (bron: NDFF). Het plangebied is geschikt als foerageergebied voor de soort. De opgaande groenstructuur aan de rand van het plangebied is geschikt als verblijfplaats (burchtlocatie) voor de soort.
Tijdens het veldbezoek zijn echter geen sporen als wissels, krabsporen, uitwerpselen, haren of graafsporen waargenomen in het plangebied. Ook zijn er geen
Pagina 18
dassenburchten in het plangebied en de directe omgeving aangetroffen. Incidenteel gebruik door een enkel rondzwervend exemplaar is mogelijk. Eekhoorn Er zijn uit de omgeving van het plangebied geen waarnemingen van eekhoorns bekend (bron: NDFF). Met name de randen van het plangebied zijn door de aanwezigheid van opgaande groenstructuren geschikt als leefgebied voor de eekhoorn. Er zijn geen eekhoornnesten in de bomen in het plangebied waargenomen. Daarnaast zijn er geen eekhoorns of gebruikssporen van eekhoorns, zoals voedselresten, waargenomen tijdens het veldbezoek. Bovendien ligt het plangebied relatief geïsoleerd in een open agrarisch landschap en aan de rand van een bedrijventerrein waar robuuste groenstructuren niet of nauwelijks aanwezig zijn. Sporadisch kan een eekhoorn het plangebied doorkruisen. Van een (essentieel) leefgebied is geen sprake. Kleine marterachtigen Na de provincie Noord-Brabant en Noord-Holland zijn ook in de provincie Gelderland per 1 maart 2019 de kleine marterachtigen bunzing, hermelijn en wezel niet meer vrijgesteld in het kader van de Wet natuurbescherming. Dit betekent dat bij bepaalde activiteiten onderzocht dient te worden of deze activiteiten schadelijk kunnen zijn voor de rustplaatsen van deze kleine marterachtigen of dat dieren worden gedood. De NDFF vermeldt geen kleine marterachtigen voor de omgeving van het plangebied.
Maar deze soorten blijven door hun verborgen levenswijze echter vaak onopgemerkt. De bunzing komt voor in allerlei verschillende landschapstypen, maar zijn voorkeur gaat uit naar een kleinschalig landschap met voldoende schuilmogelijkheden en water in de buurt. Dit kunnen oeverbegroeiingen, droge sloten, heggen, houtwallen, bosranden en akkerranden zijn, maar ook meer waterrijke gebieden zoals rietvelden of moerasgebieden. Daarnaast komt hij ook voor in vrij open terreinen, zoals weidegebieden met sloten (bron: Zoogdiervereniging). De overige kleine marterachtigen hermelijn en wezel komen in vergelijkbare landschapstypen voor, maar zijn over het algemeen minder gebonden aan waterrijke gebieden. Het open perceel centraal in het plangebied gelegen is, door het ontbreken van dekking, ongeschikt als leefgebied voor kleine marterachtigen. Er zijn in de opgaande groenstructuur aan de randen van het plangebied takkenhopen aanwezig waar geschikte verblijfplaatsen kunnen zijn voor kleine marterachtigen. Ook de Esvelderbeek en aangrenzende vochtige natuurzones ten noorden van het plangebied zijn geschikt als leefgebied voor kleine marterachtigen. Steenmarter Vanuit de NDFF zijn geen waarnemingen van de steenmarter bekend uit de directe omgeving van het plangebied.
Gezien het huidige/actuele verspreidingsbeeld van de soort in de regio en de recente uitbreiding ten westen van de Veluwe kan de steenmarter in en
Pagina 19
rond de het plangebied wel verwacht worden. Steenmarters gebruiken hooizolders, loze ruimtes onder het dak, schuurtjes en dergelijke, als verblijfplaats. Een steenmarter heeft binnen zijn territorium verscheidene verblijfplaatsen. Tijdens het veldbezoek zijn geen steenmarters en/of sporen, zoals uitwerpselen of prooiresten, aangetroffen die duiden op het gebruik van het plangebied. Vaste rust- en verblijfplaatsen worden in het plangebied niet verwacht door het ontbreken van geschikte schuilgelegenheden. Incidenteel kan een rustend exemplaar worden aangetroffen in de opgaande groenstructuur langs de randen van het plangebied. Het plangebied is verder geschikt als foerageergebied voor de soort. Overige strikt beschermde grondgebonden zoogdiersoorten worden niet verwacht door het ontbreken van geschikt leefgebied. Het bronnenonderzoek bevestigt de afwezigheid van overige strikt beschermde grondgebonden zoogdieren. Vleermuizen De NDFF maakt geen melding van het voorkomen van vleermuizen voor de omgeving van het plangebied (zie paragraaf 4.2.1). Verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen In het plangebied zijn geen gebouwen aanwezig en derhalve zijn verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuissoorten uitgesloten. Ook direct langs het plangebied bevinden zich geen gebouwen. De dichtstbijzijnde bebouwing betreft een bedrijfshal op circa 75 meter afstand van het plangebied.
Verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen In de opgaande groenstructuur langs de randen van het plangebied kunnen door de mogelijke aanwezigheid van boomholten verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen verwacht worden. Vliegroutes en foerageergebied(en) van vleermuizen Het plangebied is, door de aanwezigheid van lijnvormige opgaande groenstructuren langs de randen geschikt als foerageergebied voor diverse vleermuissoorten. De opgaande groenstructuren kunnen ook onderdeel zijn van een vliegroute voor vleermuizen. Amfibieën, reptielen, vissen Beschermde amfibieën, reptielen of vissen zijn tijdens het veldbezoek niet aangetroffen. De NDFF meldt alleen de bastaardkikker en bruine kikker voor de omgeving van het plangebied (zie paragraaf 4.2.1). In het plangebied is geen open water aanwezig. Derhalve kan uitgesloten worden dat er sprake is van een voortplantingswater voor amfibieën. De randen van het plangebied waar sprake is van opgaande begroeiing, zijn marginaal geschikt als landbiotoop voor een enkele weinig kritische en algemene amfibiesoort als bruine kikker en gewone pad. Incidenteel kan een zwervend exemplaar van deze soorten in het plangebied aangetroffen worden.
Pagina 20
Strikt beschermde amfibieën, reptielen of vissen worden niet verwacht door het ontbreken van geschikt leefgebied. Het bronnenonderzoek bevestigt tevens de afwezigheid van strikt beschermde amfibieën, reptielen en vissen voor het plangebied en omgeving. Ongewervelde dieren Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde ongewervelde dieren aangetroffen. Deze zijn echter deels niet actief op het moment van het veldbezoek (april). De NDFF vermeldt geen beschermde ongewervelde diersoorten voor de omgeving van het plangebied (zie paragraaf 4.2.1). Beschermde ongewervelde diersoorten worden ook niet in het plangebied verwacht, door het ontbreken van geschikt leefgebied.
Pagina 21
5
Wet natuurbescherming
De Wet natuurbescherming volgt in hoofdlijnen de bepalingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn op. De belangrijkste beschermde natuurwaarden in de Wet Natuurbescherming zijn: • • • • •
Beschermde natuurgebieden (Natura 2000-gebieden). Aangepaste soortenlijst beschermde planten en dieren. Expliciete vermelding intrinsieke waarde van natuur (art. 1.10). Algemene zorgplicht voor natuurgebieden en in het wild levende dieren, planten en hun leefomgeving (art. 1.11). Actieve soortenbescherming (art. 1.12): verplichting voor provincies.
Alle natuurlijk in het wild levende vogels, meeste inheemse zoogdieren, alle inheemse amfibieën en reptielen, en een aantal vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten zijn beschermd. In hoofdstuk 4 is vastgesteld of beschermde soorten flora en fauna aanwezig zijn of verwacht worden op de locatie en is bepaald of ze mogelijk nadelige effecten kunnen ondervinden van de geplande werkzaamheden. In dit hoofdstuk worden deze effecten getoetst aan de verbondsbepalingen uit de Wet natuurbescherming (zie bijlage 2). Wanneer de Wet natuurbescherming (mogelijk) wordt overtreden wordt geadviseerd over het uitvoeren van aanvullend onderzoek en/of het aanvragen van een ontheffing. Flora Beschermde plantensoorten zijn niet aangetroffen en worden ook niet verwacht doordat er geen geschikte groeiplaatsen zijn, zo blijkt uit het veldonderzoek. Uit de NDFF zijn geen waarnemingen van beschermde plantensoorten bekend uit het plangebied. Aanvullend onderzoek naar het voorkomen van beschermde plantensoorten en/of het aanvragen van een ontheffing is dan ook niet noodzakelijk. Broedvogels Alle vogelsoorten zijn beschermd krachtens de Wet natuurbescherming (Vogelrichtlijn). Ontheffing voor deze diergroep is niet mogelijk. Dit betekent dat het opzettelijk verstoren, verontrusten, doden en anderszins nadelig beïnvloeden van deze soortgroep niet is toegestaan.
Werkzaamheden moeten bij voorkeur buiten het broedseizoen worden uitgevoerd of ruim voor aanvang van het broedseizoen gestart worden, waarbij voorkomen wordt dat broedvogels zich vestigen op de planlocatie. Omdat niet alle vogelsoorten op hetzelfde moment broeden en omdat dit mede afhankelijk is van de weersomstandigheden is er geen vaste broedperiode vastgesteld. Er zijn voorbeelden van vroege broeders zoals de blauwe reiger en de bosuil. Deze broeden vaak al in februari. Daarnaast broeden soorten als houtduif en meerkoet vaak nog tot in augustus.
Pagina 22
Vogelsoorten waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn De NDFF vermeldt voor de omgeving van het plangebied de gierzwaluw, huismus en ooievaar, waarvan de vaste rust- en verblijfplaatsen en nestlocaties jaarrond beschermd zijn. Deze soorten worden niet in het plangebied verwacht. De opgaande groenstructuur bevat mogelijk wel nestlocaties van de jaarrond beschermde buizerd en sperwer. Het plangebied kan verder onderdeel zijn van het leefgebied van de jaarrond beschermde kerkuil en steenuil. Buizerd en sperwer Er bevinden zich mogelijk bezette nesten van deze jaarrond beschermde vogelsoorten in de opgaande groenstructuur langs de randen van het plangebied. Door de geplande ruimtelijke ontwikkelingen worden mogelijk nestlocaties (permanent) verstoord of worden fysiek aangetast door bomenkap. Gericht onderzoek naar de aanwezigheid van bezette nestlocaties van deze soorten is dan ook noodzakelijk, om te bepalen of er sprake is van verstoring door de geplande ruimtelijke ontwikkeling. Uit het aanvullend onderzoek zal blijken of het aanvragen van ontheffing noodzakelijk is voor deze soorten. De aanwezigheid van een nest of van een rustplaats van een buizerd kan worden aangetoond door het uitvoeren van twee tot vier gerichte veldbezoeken.
Deze moeten overdag na zonsopkomst plaatsvinden in de periode maart tot en met half mei, met een tussenperiode van minimaal 10 dagen (bron: Kennisdocument Buizers, BIJ12). Afwezigheid van territoria van de sperwer kan worden aangetoond, als er tijdens 3 gerichte veldbezoeken in de periode 1 maart tot 15 juli geen aanwezigheid kan worden aangetoond. Kerkuil en steenuil Het plangebied biedt geen geschikte nestlocaties voor deze jaarrond beschermde soorten. Het plangebied is wel geschikt als foerageergebied voor de soorten. Door de beperkte omvang van het plangebied is echter geen sprake van een essentieel foerageergebied voor deze soorten. Aanvullend onderzoek en/of het aanvragen van een ontheffing is dan ook niet noodzakelijk voor deze soorten. In het plangebied bevinden zich geen nestlocaties van overige vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten. De functionaliteit van het leefgebied van deze soorten wordt eveneens niet aangetast door de geplande activiteiten. Het uitvoeren van een aanvullend onderzoek naar deze soorten of het aanvragen van een ontheffing is niet noodzakelijk. Grondgebonden zoogdieren Het plangebied is geschikt als leefgebied voor diverse soorten grondgebonden zoogdiersoorten als bunzing, das, eekhoorn, egel, haas, hermelijn, konijn, steenmarter, vos, wezel en diverse soorten (spits)muizen.
Voor deze soorten geldt in provincie Gelderland vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkelingen, met uitzondering van de bunzing, das, eekhoorn, hermelijn, steenmarter en wezel. Das, eekhoorn en steenmarter Het voorkomen van deze beschermde soorten is ontheffingsplichtig wanneer er vaste
Pagina 23
verblijfplaatsen of essentiële leefgebieden aangetast worden. Hiervan is geen sprake in het plangebied. Aanvullend onderzoek naar het voorkomen van deze beschermde zoogdiersoorten en/of het aanvragen van een ontheffing is dan ook niet noodzakelijk. Kleine marterachtigen Er is mogelijk sprake van een vaste rust- en verblijfplaats van kleine marterachtigen als bunzing, hermelijn of wezel in de opgaande groenstructuur langs de randen van het plangebied. Door de geplande ruimtelijke ontwikkelingen is mogelijk sprake van verstoring of fysieke aantasting van een vaste rust- en verblijfplaats van een kleine marterachtige. Gericht onderzoek naar het voorkomen van kleine marterachtigen is noodzakelijk. Hiervoor zal een inventarisatie uitgevoerd worden middels de richtlijnen zoals opgesteld in het document ‘Soortenbescherming in Overijssel; bunzing, egel, hermelijn en wezel (provincie Overijssel). De provincie Gelderland heeft op dit moment (mei 2021) nog geen eigen inventarisatieprotocol voor kleine marterachtigen. Om de aanwezigheid vast te stellen wordt aangeraden om altijd verschillende methoden te gebruiken. Om de aanwezigheid van kleine marterachtigen vast te stellen wordt aangeraden om altijd verschillende methoden te gebruiken.
De minimale inzet per inventarisatiemethode is afhankelijk van de aanwezige elementen die in het deelgebied aanwezig zijn en de locatie(s) waar men werkzaamheden gaat uitvoeren. Het aantal in te zetten inventarisatiemiddelen wordt bepaald aan de hand van het aantal aanwezige (potentiele) verblijfplaatsen en de eventueel aanwezige verbindingszones en foerageergebieden en de impact die het voorgenomen plan of project hierop heeft. De inventarisatiemiddelen dienen gedurende de looptijd van het onderzoek (maart tot en met augustus) ingezet te worden in de aanwezige structuren die mogelijk gebruikt worden door kleine marterachtigen, zoals bij takkenrillen en bosranden. Om de aanwezigheid vast te stellen moet gebruik gemaakt worden van een combinatie van de volgende methoden: • •
Cameraval met lokmiddel voor specifiek bunzing en mogelijk hermelijn en wezel. Marterbox (type ‘Mostela’) voor hermelijn, wezel en mogelijk bunzing.
Aanvullend onderzoek of een ontheffingsaanvraag is niet nodig voor overige grondgebonden zoogdieren. Vleermuizen Om te bepalen of aanvullend onderzoek naar vleermuizen noodzakelijk is, worden de resultaten van de quickscan getoetst aan de checklist van Het Protocol voor vleermuisinventarisaties van de Gegevensautoriteit Natuur en de Zoogdiervereniging. Hieronder zijn de relevante passages uit de checklist weergegeven:
Pagina 24
1. Zijn er voor gebouwbewonende vleermuizen als verblijfplaats geschikte gebouwen die gesloopt of gerenoveerd worden? Nee → Nader onderzoek naar winterverblijfplaatsen van vleermuizen in gebouwen is niet noodzakelijk. 2. Zijn er bomen met potentieel geschikte holten die gekapt of gesnoeid worden? Mogelijk → Nader onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen in bomen is noodzakelijk. 3. Worden er struiken, gewassen, bomen of andere elementen verwijderd of aangetast die deel uitmaken van een mogelijke route/verbinding of een essentieel foerageergebied? Ja → Nader onderzoek naar vliegroutes en foerageergebieden is noodzakelijk. Nader onderzoek naar verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen is niet noodzakelijk aangezien er geen gebouwen in het plangebied staan en er door de geplande werkzaamheden dus geen verblijfplaatsen voor deze vleermuizen worden aangetast. Binnen de invloedssfeer van de geplande ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk wel verblijfplaatsen van vleermuizen in bomen aanwezig. Nader onderzoek is noodzakelijk om vast te stellen of er geschikte verblijfplaatsen voor boombewonende vleermuizen aanwezig zijn, aangezien verstoring door bijvoorbeeld geluid, licht of trillingen en fysieke aantasting door bomenkap niet op voorhand uit te sluiten zijn.
Dit aanvullend onderzoek bestaat in eerste instantie uit één inspectie met boomcamera, waarbij potentiele verblijfplaatsen worden gezocht en gecontroleerd op geschiktheid voor vleermuizen. Indien geen geschikte holtes worden aangetroffen kunnen verblijfplaatsen voor boombewonende vleermuizen worden uitgesloten. Indien er wel geschikte holtes worden aangetroffen, is verder aanvullend onderzoek naar het voorkomen van deze soorten noodzakelijk. Het vleermuisprotocol adviseert om bij het vermoeden op kraam-, zomer- en paarverblijfplaatsen van de te verwachten boombewonende soorten gericht vleermuisonderzoek uit te voeren middels 4 veldbezoeken. Het gaat hierbij om 2 avond- of ochtendbezoeken in de periode 1 juni – 15 juli en 2 avondbezoeken in de periode 15 augustus – 15 september. Nader onderzoek naar essentiële foerageergebieden en vliegroutes van vleermuizen is noodzakelijk aangezien er mogelijk sprake is van aantasting van deze functies door bomenkap en een toename van verlichting. Gericht onderzoek naar foerageergebieden en vliegroutes van de te verwachten vleermuissoorten, zoals gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis, bestaat uit twee onderzoeksronden in de periode 15 april – 1 oktober. Er dient minimaal één veldbezoek binnen de kraamperiode plaats te vinden (15 mei – 15 juli).
Ook moet er minimaal 8 weken tussen beide veldbezoeken zitten.
Pagina 25
Uit het aanvullend onderzoek zal blijken of het aanvragen van ontheffing noodzakelijk is voor deze soortgroep. Overige soortgroepen Gezien het ontbreken van geschikt leefgebied zijn beschermde amfibieën, reptielen, vissen en/of ongewervelde dieren, met uitzondering van enkele algemene soorten niet te verwachten in het plangebied. Voor de mogelijk aanwezige algemeen voorkomende amfibieën geldt in de provincie Gelderland automatisch een vrijstellingsregeling bij ruimtelijke ingrepen. Het uitvoeren van een aanvullend onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is niet noodzakelijk voor deze soortgroepen.
Pagina 26
6
Conclusie
Aan de hand van de resultaten van de quickscan natuurtoets kan de volgende conclusie worden getrokken: Beschermde natuurgebieden Natuurnetwerk (GNN) Het plangebied ligt binnen een Groene Ontwikkelzone (GO), in deelgebied Gelderse Vallei. Significante negatieve effecten zijn niet op voorhand uit te sluiten. In overleg met de provincie Gelderland moet bepaald worden hoe hiermee wordt omgegaan. Nadere toetsing of vergunningsaanvraag is mogelijk aan de orde. Natura 2000 Er vinden geen ruimtelijke ingrepen plaats in of nabij een Natura 2000-gebied. Door de aard en de beperkte omvang van de activiteiten en door de afstand tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied “Veluwe” en overige Natura 2000-gebieden worden geen significante negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen en ontwikkelingsopgaven verwacht door directe verstoringsfactoren of indirecte verstoringsfactoren, met uitzondering van stikstofdepositie. Een AERIUS-berekening is noodzakelijk om vast te stellen of een vergunningsaanvraag inzake stikstofdepositie vereist is voor het Natura 2000-gebied “Veluwe”. Houtopstanden Een kapmelding bij de provincie Gelderland voor beschermde houtopstanden is noodzakelijk. Beschermde flora en fauna Aanvullend onderzoek is noodzakelijk voor de volgende soort(groep)en: • • • •
Buizerd en sperwer Kleine marterachtigen Verblijfplaatsen van vleermuizen in bomen Foerageergebieden en vliegroutes van vleermuizen
Aanvullend onderzoek of het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is niet noodzakelijk voor overige soort(groep)en. Bij de uitvoer van werkzaamheden dient rekening gehouden te worden met (overige) broedvogels.
Pagina 27
Bijlagen 1 2 3
Impressie plangebied Wettelijk kader Beschermde plant- en diersoorten
Pagina 28
Bijlage 1 Impressie plangebied
Pagina 29
Bijlage 2 Wettelijk kader Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Deze wet vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. De Wet natuurbescherming volgt in hoofdlijnen de bepalingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn op. De belangrijkste beschermde natuurwaarden in de Wet Natuurbescherming zijn: • • • • •
Beschermde natuurgebieden (Natura 2000-gebieden); Aangepaste soortenlijst beschermde planten en dieren; Expliciete vermelding intrinsieke waarde van natuur (art. 1.10); Algemene zorgplicht voor natuurgebieden en in het wild levende dieren, planten en hun leefomgeving (art. 1.11); Actieve soortenbescherming (art. 1.12): verplichting voor provincies.
Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden Toetsing van effecten van projecten op Natura 2000-gebieden blijft hetzelfde als nu. Beschermde natuurmonumenten Beschermde natuurmonumenten en bijbehorende doelen komen te vervallen. Hetzelfde geldt voor (nooit aangewezen) beschermde landschapsgezichten en beschermde leefomgevingen. De meeste natuurmonumenten vallen binnen het NNN areaal en zijn via dat beschermingsregime alsnog beschermd. Daarnaast kunnen gemeenten de natuurmonumenten via een bestemmingsplan als beschermde natuur aanwijzen. Provincies dienen gebieden aan te wijzen voor het NNN (voormalige EHS) en (evt. op verzoek) voor overige bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen. Het rijk kan een gebied, niet zijnde een Natura 2000-gebied, als bijzonder nationaal natuurgebied aanwijzen.
Soortbescherming Alle beschermde soorten worden aangewezen in de wet zelf (deels met verwijzing naar internationale regelgeving). Alle natuurlijk in het wild levende vogels, meeste inheemse zoogdieren, alle inheemse amfibieën en reptielen, en een aantal vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten zijn beschermd. Ongeveer 200 thans beschermde soorten (vooral vaatplanten en zeevissen) worden niet meer beschermd onder de Wet natuurbescherming (anders dan door algemene zorgplicht). De lijst met beschermde soorten is niet meer opgedeeld in tabellen, zoals in de huidige Flora- en faunawet. Zie bijlage 3 voor de nieuwe lijst met beschermde plant- en diersoorten.
Pagina 30
Totaal aantal beschermde soorten is slechts een fractie van ongeveer 35.000 soorten die in Nederland voorkomen. Groot aantal bedreigde (Rode lijst) soorten wordt niet passief beschermd (wel actieve bescherming vereist).
Drie regimes voor beschermde soorten 1. Regels ter bescherming van vogels die vallen binnen het bereik van de Vogelrichtlijn, i.e. alle natuurlijk in het wild levende vogels in EU (art. 3.1-3.4) 2. Regels ter bescherming van dier- en plantensoorten die strikt beschermd zijn op grond van de Habitatrichtlijn en natuurbeschermingsverdragen (art. 3.5-3.9) 3. Regels ter bescherming van niet onder 2 vallende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten vermeld in de bijlage bij de wet (art. 3.10-3.11) Inhoud beschermingsregimes • •
•
Geen uniform verbodsstelsel, maar aparte verboden voor elk van de drie categorieën beschermde soorten. Verboden en uitzonderingen sluiten nauw aan bij Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn (regime 1 en 2), maar ‘soepeler’ regime voor aanvullend beschermde soorten (regime 3). Meeste verboden nu alleen van toepassing op ‘opzettelijk’ handelen, maar dat dekt ook voorwaardelijk opzet (=willens en wetens aanmerkelijke kans aanvaarden dat gedraging schadelijke gevolgen heeft voor beschermde soorten). Verschil met de huidige verboden zal in de praktijk dus waarschijnlijk gering zijn.
Alle in de Wet genoemde soorten zijn strikt beschermd. Voor de verbodsbepalingen is een ontheffing noodzakelijk. Dit geldt ook voor zeer algemene soorten waarvoor in het verleden automatisch de vrijstellingsregeling van kracht was bij ruimtelijke ontwikkelingen. Echter kunnen de provincies voor een aantal algemene soorten een vrijstellingslijst opstellen (op basis van Artikel 3.11). Dit betekent dat de beschermde soorten per provincie verschillen (zie bijlage 3). Met betrekking tot ruimtelijke ontwikkelingen zijn de volgende verbodsbepalingen voor soorten het meest relevant.
Intrinsieke waarde natuur Artikel 1.10 Deze wet is gericht op: Het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde, en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit.
Pagina 31
Algemene Zorgplicht Artikel 1.11 1. Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. 2. De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op handelen of nalaten in overeenstemming met het bij of krachtens deze wet of de Visserijwet 1963 bepaalde.
Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn Artikel 3.1 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Artikel 3.3 1. Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van verboden als bedoeld in artikel 3.1, ten aanzien van vogels van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van hun nesten, rustplaatsen of eieren.
Pagina 32
2. Provinciale staten kunnen bij verordening vrijstelling verlenen van verboden als bedoeld in artikel 3.1 en ten aanzien van vogels van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van hun nesten, rustplaatsen of eieren. Ontheffing of vrijstelling Een ontheffing of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a. er bestaat geen andere bevredigende oplossing; b. zij is nodig: • • • • • •
in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren; ter bescherming van flora of fauna; voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt, of om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan;
c. de maatregelen leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort. In een ontheffing, onderscheidenlijk vrijstelling worden in elk geval voorschriften opgenomen, onderscheidenlijk regels gesteld, over: a. de middelen, installaties of methoden voor het vangen of doden, waarbij enkel het gebruik wordt toegestaan van bij algemene maatregel van bestuur aangewezen middelen, installaties of methoden; b. de tijd en plaats waarvoor de ontheffing of vrijstelling geldt, en c. de wijze waarop het risico voor het behoud van de vogelstand wordt beperkt.
Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn Artikel 3.5 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren.
Pagina 33
3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Artikel 3.8 1. Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van een of meer van de verboden, bedoeld in artikel 3.5 ten aanzien van dieren of planten van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van de voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren van daarbij aangewezen soorten. 2. Provinciale staten kunnen bij verordening vrijstelling verlenen van een of meer van de verboden, bedoeld in artikel 3.5 ten aanzien van dieren of planten van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van de voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren van daarbij aangewezen soorten. Ontheffing of vrijstelling Een ontheffing of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a. er bestaat geen andere bevredigende oplossing; b. zij is nodig: • • •