CConstaterende datBarneveld
Koppel je AI →
Document · PDF

[Gewijzigd] TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a azc Nijkerkerweg_Motivering

Gemeenteraad 28 mei 2025, gemeente BarneveldBij agendapunt: TAM-omgevingsplan voor de realisatie van azc Nijkerkerweg 13224.158 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a azc Nijkerkerweg" (vastgesteld)

45

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a azc Nijkerkerweg

Er is voor dit plan geen passende beoordeling nodig. Provinciale milieuverordening Provinciale Staten kunnen in de provinciale milieuverordening extra activiteiten met gevallen, plannen en besluiten aanwijzen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben en dus mer-plichtig zijn (artikel 7.6 Wet milieubeheer). Dit is dus aanvullend op de mer-plicht op basis van onderdeel C van de bijlage Besluit mer (en dus ook aanvullend op de verplichting vanuit de Europese richtlijnen) én conform dezelfde systematiek. Provinciale staten van Gelderland hebben geen extra activiteiten met gevallen, plannen en besluiten aangewezen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (en zo mer-plichtig zijn). Conclusie Het aspect 'Milieueffectrapportage' vormt geen belemmering voor dit plan.

5.12

Milieuzonering

Om milieubelasting bij woningen door bedrijven te voorkomen is een goede afstemming onder de Omgevingswet noodzakelijk. Ten aanzien van bedrijvigheid geldt als uitgangspunt dat toekomstige woningen niet onevenredig worden belast op gebied van milieu (geur, geluid etc.) door nabijgelegen bedrijvigheid en andersom Om dit te borgen zijn in hoofdstuk 3 van het Bal rijksregels voor milieubelastende activiteiten opgenomen. Een 'milieubelastende activiteit' is een activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken. De algemene zorgplicht (artikel 1.7) en het algemene verbod (artikel 1.7a) uit de Omgevingswet zijn altijd van toepassing. In de publicatie ´Bedrijven en milieuzonering´ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, editie 2009, worden in verband met de aanwezigheid van milieubelastende functies indicatieve afstandsnormen voorgeschreven tot milieugevoelige functies, vooral wonen. Van die richtafstanden kan, mits voldoende onderbouwd, worden afgeweken. Dit is alleen toegestaan indien ondanks de afwijking alsnog een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. In het kader van dit plan is alleen (de planologische mogelijkheid voor) het bedrijf aan de Nijkerkerweg 126 van belang. Deze locatie maakt onderdeel uit van het ontwerpbestemmingsplan Bloemendal IIA waarbinnen het een reguliere woonbestemming krijgt.

Daarmee vormthet bedrijf aan de Nijkerkerweg 126 geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Los van het niet-agrarische bedrijf zijn in de omgeving nog enkele agrarische bedrijven aanwezig danwel planologisch mogelijk. Voor de beoordeling hiervan verwijzen wij naar paragraaf 5.7.

Veiligheidszone - Bal Binnen de grenzen van het plan is geen gasdrukmeet- en regelstation aanwezig. In het Activiteitenbesluit zijn veiligheidsafstanden opgenomen die moeten worden aangehouden tussen kwetsbare respectievelijk beperkt kwetsbare objecten en (onder andere) een gasdrukmeet- en regelstation (4-6 meter). Kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten volgens het Activiteitenbesluit zijn dezelfde objecten als die genoemd zijn in het Besluit externe veiligheid inrichtingen. Het gaat dan om onder andere woningen, ziekenhuizen en bedrijven. Tussen een woning en een gasdrukmeet- en regelstation moet een veiligheidsafstand van 6 meter worden aangehouden. Het plan voldoet aan de voorgeschreven afstand. Liander heeft op 31 juli 2023 aangegeven geen belangen in het gebied te hebben, daarom hoeven er in dit plan geen veiligheidsafstanden opgenomen te worden.

46

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a azc Nijkerkerweg" (vastgesteld)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a azc Nijkerkerweg

5.12.1 Spuitzonering In het Bal wordt het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen aangemerkt als een milieubelastende activiteit. Er is in Nederland geen wettelijke regeling die ziet op minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen worden geteeld met daarbij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en in de buurt gelegen gevoelige functies zoals woningen of bedrijven. Gevoelige functies zijn plaatsen waar regelmatig en voor een groot gedeelte van de dag, mensen verblijven of samenkomen waardoor de kans op blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen aanwezig is. Bij ruimtelijke plannen moet rekening worden gehouden met het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in verband met een goed woon- en leefklimaat. In het Bal wordt het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen aangemerkt als een milieubelastende activiteit. Er is in Nederland geen wettelijke regeling die ziet op minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen worden geteeld met daarbij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en in de buurt gelegen gevoelige functies zoals woningen of bedrijven. Gevoelige functies zijn plaatsen waar regelmatig en voor een groot gedeelte van de dag, mensen verblijven of samenkomen waardoor de kans op blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen aanwezig is.

Bij ruimtelijke plannen moet rekening worden gehouden met het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in verband met een goed woon- en leefklimaat. Uit de wet volgt niet hoeveel afstand er aangehouden moet worden tussen een agrarische activiteit waar bestrijdingsmiddelen worden toegepast en gevoelige functies. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat in het algemeen een afstand van 50 meter tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, niet onredelijk wordt geacht. Het is mogelijk die afstand te verkleinen als daaraan een deugdelijke motivering ten grondslag ligt. Deze motivering moet gebaseerd zijn op een zorgvuldig op de locatie toegesneden onderzoek. Als de gemeenteraad onvoldoende motiveert waarom hij het aanvaardbaar acht dat in de directe nabijheid, op een afstand minder dan de 50 meter die in de jurisprudentie als vuistregel wordt gehanteerd, een burgerwoning wordt toegestaan, dan berust het planologische besluit niet op een deugdelijke motivering. Bij deze ontwikkeling is ook de gangbare afstandseis van 50 meter het vertrekpunt. Bij de vaststelling van het voorliggende TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a azc Nijkerkerweg is de plangrens om die reden wat vergroot.

Aan de agrarische gronden die zich bevinden binnen een afstand van 50 meter van de gevoelige functies 'Maatschappelijk - In de kernen' respectievelijk 'Tuin' is de functie 'Agrarisch - Onbebouwd' toebedacht. Verder is op de verbeelding van dit TAM-omgevingsplan op die agrarische gronden de gebiedsaanduiding 'Milieuzone - spuitvrije zone' weergegeven. Hiermee is een beperking van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op die agrarische gronden geregeld. Dit met het oog op de borging van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Conclusie Vanuit milieuzonering zijn er geen belemmeringen voor het plan.

5.13

Natuur en landschap

Het plangebied van het azc is gelegen ten oosten van Nijkerkerweg 130 in Barneveld en ligt ingesloten tussen verschillende bestaande landschapselementen. Ten oosten en ten noorden van de bomensingel die de Trammalantbeek volgt en de boomsingel die iets oostelijker gelegen haaks op deze zelfde beek staat. Het plangebied bestaat voor een groot deel uit intensief beheerd akkerland waar mais verbouwd wordt. Het westelijk deel, waar de ontsluitingsweg naar het perceel op geprojecteerd wordt, bestaat uit voedselrijk soortenarm grasland. De noordzijde van het perceel is verder begrensd door een sloot. De omgeving van het plangebied bestaat grotendeels uit weiland. Ten zuiden van het plangebied is een braakliggend terrein waar in de nabij toekomst fase IIA van Bloemendal zal worden ontwikkeld. Het asielzoekerscentrum zal aansluiten op deze zuidelijk gelegen woonwijk.

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a azc Nijkerkerweg" (vastgesteld)

47

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a azc Nijkerkerweg

Het azc wordt vormgegeven conform dezelfde randvoorwaarden (duurzaam, klimaatadaptief en natuurinclusief) als gesteld in onder meer het beeldkwaliteitsplan Bloemendal fase 1 en IIA. Deze is ter illustratie toegevoegd als Bijlage 14. De ontwikkeling van het asielzoekerscentrum bestaat uit het bouw- en woonrijp maken van het perceel. De verharde wegen zullen aansluiten op de toekomstige infrastructuur van Bloemendal fase IIA en I. De bestaande houtsingels blijven hierbij grotendeels intact.

5.14

Ontplofbare oorlogsresten

Gemeente Barneveld heeft voor haar gehele grondgebied een historisch vooronderzoek uit laten voeren naar de aanwezigheid van Ontplofbare Oorlogsresten uit de Tweede Wereldoorlog. Volgens dit vooronderzoek van Expload met kenmerk RN-14037-2.0 van 27 oktober 2015 blijkt dat de planlocatie niet verdacht is van Ontplofbare Oorlogsresten, zijnde afwerpmunitie. De onderstaande afbeelding is een kaartuitsnede van de OO-belastingkaart van gemeente Barneveld. In blauw is het plangebied omcirkeld. Nabij de bebouwing (rood omcirkeld) is te zien. Direct ten westen van de bebouwing is de brug in de Nijkerkerweg over de Esvelderbeek gelegen. Daar hebben grondgevechten plaatsgevonden (kleine rode ster op de kaart). Er is geen verdacht gebied afgebakend op de Risicokaart. Als er wel een risicogebied was aangegeven dan zou dit een cirkel zijn met een straal van maximaal 250 meter. Een dergelijke cirkel raakt het plangebied niet. De overige aantekeningen op de Risicokaart zijn ook geen belemmeringen voor de ontwikkeling.

Afbeelding: Uitsnede OO-belastingkaart

5.15

Omgevingsveiligheid

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de nieuwe activiteit en de nieuwe functie de veiligheid ter voorkoming van branden, rampen of crises wordt gewaarborgd. Daarbij gaat het over het beperken en beheersen van risico's en effecten van calamiteiten, en over het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten (bedrijven en transport) met gevaarlijke stoffen. Dat gebeurt onder andere door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige functies (risicovolle) activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren.

48

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a azc Nijkerkerweg" (vastgesteld)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a azc Nijkerkerweg

5.15.1 Wettelijk kader De hoofdlijnen van het wettelijk kader over externe veiligheid zijn opgenomen in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen, die van belang zijn voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de (uit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) verschillende milieubelastende) activiteiten: activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor) en buisleidingen met gevaarlijke stoffen én windturbines. Onder Omgevingswet wordt gewerkt met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s bij risicovolle activiteiten uit het Bal om rekening te houden met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Deze aandachtsgebieden worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid. Binnen de aandachtsgebieden moet bij de vergunningverlening rekening worden gehouden met het groepsrisico (aanvullende bouwkundige eisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) kunnen gelden bij het risico van brand, explosies of gifwolken). Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen gebouwen en locaties toe te laten. Deze zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden.

In een planontwikkeling dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het plan kwetsbare gebouwen zijn/worden toegestaan. In een voorschriftengebied gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Bbl. Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Bal: Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl). Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl). Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl). Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl Plaatsgebonden Risico (PR) en Groepsricico (GR) Het plaatsgebonden risico is een maat voor de kans dat iemand dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met een gevaarlijke stof. De gestelde norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde (PR 10-6/jaar) die niet mag worden overschreden ten aanzien van 'kwetsbare objecten', alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10-6/jaar) ten aanzien van 'beperkt kwetsbare objecten'. Het Groepsrisico is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit.

Voor een ontwikkeling binnen een aandachtsgebied moet ingegaan worden op het groepsrisico en dient het groepsrisico te worden verantwoord. Hierbij dient ingegaan te worden op de effectscenario's en dienen maatregelen te worden afgewogen. Een hulpmiddel hierbij is het handboek omgevingsveiligheid. Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen en Plasbrandaandachtsgebied (PAG) Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen geeft aan over welke routes (spoor, water en weg) gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Het Basisnet spoor heeft betrekking op het vervoer van gevaarlijke stoffen over het hoofdspoorwegennet. Op basis van de wet- en regelgeving omtrent het Basisnet worden, rekening houdend met te verwachten groei van vervoer van gevaarlijke stoffen door Nederland en verdichting van de ruimte naast het spoor (binnen een afstand van 200 m van het spoor) in met name stedelijke kernen, afspraken gemaakt over de risicoruimte. Voor bepaalde trajecten binnen het basisnet dient niet alleen gekeken te worden naar risicoplafonds, maar ook naar zogeheten plasbrandaandachtsgebieden (PAG). Hiermee wordt het effectgebied weergegeven van het scenario met de grootste kans van voorkomen: de plasbrand. In deze gebieden moet er in samenhang met mogelijkheden van plasbrandbestrijding en bouwtechnische maatregelen beargumenteerd worden waarom er gebouwd wordt.

Beleidsvisie externe veiligheid In 2009 heeft de gemeente Barneveld de 'Beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld. In deze visie is onder meer vastgelegd hoe in Barneveld nabij risicobronnen zal worden omgegaan met het veiligstellen van een acceptabel niveau van risico's externe veiligheid en beheersbaarheid. 5.15.2 Beoordeling risicobronnen Ten aanzien van het aspect externe veiligheid geldt dat er wel risicobronnen in de directe nabijheid aanwezig zijn. Externe veiligheid is derhalve wel relevant milieuaspect. "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a azc Nijkerkerweg" (vastgesteld)

49

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a azc Nijkerkerweg

5.15.3 Verantwoording groepsrisico Op de locatie nabij de Nijkerkerweg 132 in Barneveld zal voor ongeveer 300 asielzoekers woningen worden gebouwd. Om dit planologisch mogelijk te maken, vindt een wijziging van het omgevingsplan plaats. In de omgeving van het plan bevinden zich de risicobronnen: Vervoer gevaarlijke stoffen over het spoor Amersfoort-Apeldoorn Vervoer gevaarlijke stoffen over de Rijkswegen A30 en A1 Een windturbine Een aardgastransportleiding. Het plangebied is niet gelegen binnen het aandachtsgebied van deze bronnen, echter het invloedsgebied van het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor en de weg liggen wel over het plangebied. Omdat bij een incident van één van deze risicobronnen het scenario toxische wolk kan optreden is er vanuit de verantwoording van het risico gekeken naar de zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Zelfredzaamheid Het plan leidt tot een toename van het aantal aanwezigen in de omgeving. Het ligt in de verwachting dat de toekomstig bewoners zich bij een (dreigend) incident in veiligheid kunnen brengen door te schuilen of bescherming te zoeken of te vluchten, mits zij geïnformeerd en tijdig gewaarschuwd zijn. Aandachtspunt in de communicatie naar de bewoners is hierbij de taalbarrière. Verder is het bij schuilen van belang dat ramen en deuren worden gesloten en ventilatie wordt gestopt.

Het bouwbesluit ziet erop toe dat het stoppen van ventilatie eenvoudig kan worden gedaan. Het ontvluchten kan vanuit het plangebied goed via de Nijkerkerweg. Rampbestrijding De bestrijding van het scenario toxische wolk richt zich met name op het reduceren van de schadelijke effecten door neerslaan of verdunnen van de toxische wolk vaak door het creëren van een waterscherm in de nabijheid van de bron. Dit is echter geen garantie dat een toxische wolk niet tot over plangebied reikt. Schuilen en/of ontvluchten blijft dus het voornaamste. 5.15.4 Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor dit plan.

5.16

Toegankelijkheid openbare ruimte

Voor zover een omgevingsplan voorziet in een nieuwe ontwikkeling met gevolgen voor de inrichting van de openbare ruimte, dan moet in het omgevingsplan rekening gehouden worden met het belang van het bevorderen van de toegankelijkheid van die openbare buitenruimte voor personen met een functiebeperking (artikel 5.162 Bkl). Bij de inrichting van het plangebied wordt rekening gehouden met de toegankelijkheid. Dit onder andere door te voorzien in gelijkvloerse oversteekmogelijkheden, afritjes waar nodig en geleidelijnen zodat het gebied voor iedereen te gebruiken is. Conclusie Doordat de toegankelijkheid van het plan wordt gewaarborgd door de benodigde voorzieningen in openbaar gebied is dit aspect geen belemmering voor de ontwikkeling van dit plan.

5.17

Trilling

Het onderdeel trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 en 5.87a van de Bruidsschat. Er is geen sprake van een plan dat een activiteit mogelijk maakt dat trillingen veroorzaakt. Daarnaast zijn er geen relevante trillingsbronnen aanwezig. 50

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a azc Nijkerkerweg" (vastgesteld)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a azc Nijkerkerweg

Conclusie Het aspect trillingen vormt geen belemmering voor de ontwikkeling van dit plan.

5.18

Verkeer

Ontsluiting en bereikbaarheid Het plangebied ligt ten noorden van Bloemendal fase 1 en 2. Ten behoeve van de wijk Bloemendal wordt een nieuwe weg aangelegd aan de noordzijde van fase 2,welke aansluit op de Nijkerkerweg. Het plangebied (voor gemotoriseerd verkeer) wordt toegankelijk via de tweede aansluiting op de Nijkerkerweg zoals ook te zien is op de afbeeldingen in § 3.1. Langzaam verkeer zal uiteindelijk richting de Thorbeckelaan verlopen via Bloemendal fase 1 en 2 of via het 'zondagspad', zoals dat dat nu al aanwezig is bij Bloemendal fase 1 en doorgetrokken moet worden via fase 2 en 4 naar het plangebied. Door de wijze van de uiteindelijke ontsluiting, via de hoofdinfrastructuur van Bloemendal, belast het aangegeven aantal verkeersbewegingen bestaande woningen niet. De route via fase IIA biedt een verkeersveilige ontsluiting. Ook op het moment dat de eenheden in gebruik worden genomen als reguliere woningen zal van deze tweede aansluiting van de Laan van Verzet op de Nijkerkerweg gebruik worden gemaakt.

Afbeelding ontsluiting azc

De ontsluitingsstructuur zoals voorgesteld voor de wijk Bloemendal IIA, zal ook planologisch onderdeel uitmaken van dit plan, om te waarborgen dat de ontsluiting gerealiseerd kan worden. Zie hiervoor de rode contour zoals hierboven is aangegeven. De logistieke aanvoer van het azc met touringcars zal via de Nijkerkerweg plaatsvinden. Langzaamverkeersbewegingen gaan (voor zover Bloemendal IIA nog niet gerealiseerd is) via de zuidelijke ontsluiting richting Bloemendal fase 1. Deze zuidelijke ontsluiting wordt tevens gebruikt voor personeelsleden van het azc. Op basis van ervaringscijfers van andere locaties leverde het COA het volgende aantal voertuigbewegingen aan:

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a azc Nijkerkerweg" (vastgesteld)

51

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a azc Nijkerkerweg

Afbeelding aantal voertuigbewegingen azc

De wegen in de woongebieden fase 1 en 2 zijn 30 km zones, met uitzondering van de Laan van Verzet. Hier geldt een maximum snelheid van 50 km/uur. De wegen in de woongebieden hebben een capaciteit van 5.000 mvt/etm. De toename van ca. 80 mvt/etm van het asielzoekerscentrum zoals hierboven berekend past daar bij. Parkeren De gemeentelijke Nota Parkeernormen bevat geen normen voor een azc.Voor dat gebruik wordt aangesloten bij de ervaringcijfers van het COA bij andere opvanglocaties. Het uitgangspunt is één parkeerplaats per tien opvangplekken. De parkeerplaatsen zijn met name bedoeld voor COA-medewerkers, personeel ketenpartners en bezoekers. Voor een azc met 300 opvangplekken zijn 30 parkeerplaatsen nodig. Deze parkeerplaatsen worden in de zone ten noorden van de bebouwing gerealiseerd. Als uitgegaan wordt van reguliere woningen dan betreft het 36 tot 41 eenheden, zie § 4.6.9. Het gaat om 36 tussen/hoekwoningen of 31 tussenwoningen en 10 middeldure koopappartementen. Op basis van de bijbehorende parkeernomen genereert dit een parkeervraag van 72 tot 83 parkeerplaatsen. Op het terrein tussen de te realiseren eenheden en dienstengebouwen is ruimte voor 76 parkeerplaatsen zodat elders binnen het gebied nog maximaal 5 parkeerplaatsen gerealiseerd moeten worden. Hiervoor is voldoende ruimte beschikbaar.

Conclusie Het aspect verkeer vormt geen belemmering voor de ontwikkeling van het plan.

5.19

Weging van het waterbelang

De weging van het waterbelang is gebaseerd op het waterhuishoudingsplan dat als Bijlage 15 bij deze toelichting is gevoegd. Dit waterhuishoudingsplan beschrijft de wijze waarop de waterhuishouding en riolering is geïntegreerd binnen het ruimtelijk plan voor het plangebied. Dit plan beschrijft voor de bestaande situatie de aspecten hoogteligging, bodemopbouw, grondwater, oppervlaktewater en riolering en geeft gedetailleerd aan hoe de waterhuishouding en riolering in het plangebied geregeld worden. Daarnaast zijn algemeen geldende waterdoelen van belang: een veilig en goed woonklimaat: droge voeten en geen wateroverlast, waarbij rekening wordt gehouden met klimaatscenario's; een klimaatrobuust en duurzaam watersysteem: voorkomen van afvoer grondwater en voldoende waterberging; een gezond watersysteem: beperken van ziektes door afvoer van afvalwater en goede waterkwaliteit. Gebiedsinventarisatie Plangebied Het plangebied betreft in de huidige situatie een akkerveld dat omringd is door watergangen. Het ligt ten noordoosten van Bloemendal fase IIA. Hoogteligging, bodemopbouw en grondwater De gemeente heeft het terrein volledig ingemeten. De hoogte varieert vanuit het midden van het plangebied van circa 9,00 m NAP tot circa 8,20 m NAP aan de randen. De omliggende percelen lopen tevens af naar de aangelegen watergangen en sloten. 52

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a azc Nijkerkerweg" (vastgesteld)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a azc Nijkerkerweg

Afbeelding: Hoogteligging

Op de Bodemkaart van Nederland bestaat de bodem in het zuiden van het plangebied uit leemarm en zwak lemig fijn zand (Veldpodzolgronden). De bodem in het noorden van het plangebied bestaat uit lemig fijn zand (Vlakvaaggronden).

Afbeelding: Bodemopbouw

Er is een bodemonderzoek uitgevoerd om een beeld te krijgen van de lokale bodemopbouw. De bovenlaag van de bodem in het plangebied bestaat voornamelijk uit zeer fijn zand met een gelimiteerde doorlatendheid. Bij de meeste locaties wordt de zeer fijne zandlaag gevolgd door een laag met matig fijn tot matig grof zand. Daar is sprake van een hogere waterdoorlatendheid. Onder de zandlaag bevindt in ieder boorprofiel een leem- en/of veenlaag. In het bodemonderzoek zijn ook de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) geschat per locatie. "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a azc Nijkerkerweg" (vastgesteld)

53

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a azc Nijkerkerweg

Op basis hiervan varieert de GHG binnen het plangebied van circa 7,85 m NAP tot 8,18 m NAP. Het grondwatermodel dat is gebruikt voor Bloemendal fase IIA geeft een berekende GHG van 0 (noordoosthoek en zuidrand plangebied) tot 0,2 – 0,5 meter onder maaiveld. Oppervlaktewater Het watersysteem rondom het plangebied is in beheer bij het Waterschap Vallei en Veluwe. De Trammelantbeek stroomt ten zuiden en westen van het plangebied en voert vrij af in noordwestelijke richting naar de Esvelderbeek. Het bodemniveau is ca. 7,00 m NAP. Vanuit het zuiden sluit de Zijtak Trammelantbeek aan op de Trammelantbeek. Vlak voor deze aansluiting wordt in de toekomst een duikerstuw onder de ontsluitingsweg aangebracht. De stuw zorgt ervoor dat hemelwater vanuit de woningbouw Bloemendaal niet versneld tot afvoer komt. De stuw krijgt een drempelhoogte van 8,30 m NAP en zal op bodemniveau water vertraagd (landelijke afvoer) doorlaten. Ten noorden en oosten van het azc terrein ligt een greppel met een C status op de legger. De sloot heeft de afvoer gericht op de Trammelantbeek in het zuidoosten. Er is geen verbinding aanwezig met de Trammelantbeek in het noordwesten.

Afbeelding: Oppervlaktewatersysteem

Riolering In het plangebied is geen riolering aanwezig. In Bloemendal fase IIA komt een vuilwaterriool dat afvoert naar het bestaande transportriool (diameter 1000 mm) in de Nijkerkerweg. Hemelwater De ontwikkeling van het azc-terrein mag niet leiden tot meer afvoer van hemelwater dan in de huidige situatie (de zogenaamde landelijke afvoer). Dit betekent dat er waterberging in het plangebied nodig is met een gedoseerde afvoer naar het watersysteem buiten het plangebied. De hoeveelheid waterberging is afgestemd op de maatgevende bui van het Waterschap Vallei en Veluwe (87 mm in 24 uur). Er is een bergingsopgave van 519 m3. Hierbij zijn voor een aantal vakken percentages van verharding aangenomen. De waterberging wordt gevonden in waterbergingen langs de Trammelantbeek en een 54

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a azc Nijkerkerweg" (vastgesteld)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a azc Nijkerkerweg bermgreppel langs de interne ontsluitingsweg. Bij de grondgebonden woningen wordt minimaal 1 m3 waterberging per perceel (36 eenheden) door infiltratiekratten of anders) gerealiseerd. Deze berging is niet meegenomen in de bergingsberekening in het waterhuishoudingsplan omdat hierover destijds nog geen duidelijkheid was. Als de wooneenheden in gebruik worden genomen als reguliere woningen wordt het binnenterrein omgezet naar een parkeerterrein met (halfverharde) parkeerplaatsen. De hiervoor benodigde aanvullende waterberging (toename 20% verharding binnenterrein betekent 46 m3 extra wordt onder andere ingevuld door de waterberging op eigen terrein 36 m3 en het grotendeels vervallen van de bergingsbehoefte voor het “gebouw mindervaliden” als gevolg van het aanbrengen van een groen dak met waterberging (zie volgende alinea). De bergingsbehoefte voor het “gebouw mindervaliden” (in waterhuishoudingsplan 31 m3) zal zeker met 20 m3 afnemen. Na gereedkomen van het waterhuishoudingsplan zijn de gebouwen verder doorontwikkeld. De dienstgebouwen van het azc en 5 woningen worden voorzien van een groen dak met een waterbergend pakket. De andere woningen krijgen eveneens een groen dak, maar zonder waterberging. Hierdoor is de bergingsbehoefte lager geworden.

Het hemelwater van alle openbare verhardingen en het (overtollige) dakwater wordt bovengronds afgevoerd naar de bermgreppel en de waterbergingen. Er is een peilenplan (woningen, wegen) opgesteld dat bovengrondse afvoer mogelijk maakt. Het vloerpeil van de woningen ligt altijd hoger dan de openbare ruimte. Bij bovengrondse afwatering is water op straat acceptabel zo lang het geen schade veroorzaakt en de situatie beperkt blijft tot stroming over de rijbaan. Hier wordt in het ontwerp aan voldaan. Door bovengrondse afvoer blijft het water zichtbaar en draagt het bij aan de bewustwording van een klimaatbestendig afwateringssysteem. Grondwater De grondwaterstanden worden mede bepaald door de ligging en diepte van watergangen rondom het plangebied. De watergangen blijven behouden zodat er geen significante vernatting plaatsvindt. Grondwateroverlast wordt voorkomen door het plangebied op te hogen. Hierbij wordt rekening gehouden met de beoogde ontwateringsdiepten (verschil in hoogte tussen maaiveld en GHG) voor woningen, straten, groen en wadi's zoals genoemd in de Standaard Ontwerp- en Materiaaleisen van de gemeente Barneveld. Het uitgangspunt is om geen ontwateringsmiddelen toe te passen. In de technische uitwerking wordt bepaald of drainage wordt toegepast om extreem hoge grondwaterstanden af te vangen. Met behulp van de berekende GHG is de minimaal benodigde aanleghoogte bepaald.

Het minimaal te hanteren wegpeil bedraagt 8.90 m NAP. Vuilwater Binnen het plangebied komt een gescheiden rioolsysteem. Het vuilwater dat in het plangebied vrijkomt, wordt onder vrij verval ingezameld. Het vuilwaterriool voert via de riolering in Bloemendal fase IIA af naar het transportriool in de Nijkerkerweg. In het hoogteontwerp van de riolering in IIA is daarmee rekening gehouden. Het vuilwaterstelsel kruist de Trammelantbeek in het westen. Ter plaatse van de kruising van de rijbaan met de Trammelantbeek wordt de watergang gedempt en vervangen voor een duiker. Onder deze duiker wordt het vuilwaterstelsel gelegd. Duurzaamheid In het kader van duurzaamheid, klimaatadaptatie en het vergroten van het klimaatbewustzijn onder bewoners worden de volgende aanvullende maatregelen genomen: het toepassen van een regenton per perceel; alle daken van dienstgebouwen en woningen krijgen een groen dak. In het kader van duurzaam bouwen en vanwege de beoogde grond- en oppervlaktewaterkwaliteit mogen in principe geen uitlogende bouwmaterialen (zoals zink, koper, lood en PAK-houdende materialen) worden toegepast. Er zijn voldoende milieuvriendelijke alternatieven die vergelijkbaar zijn wat betreft uitstraling, gebruiksgemak, levensduur en onderhoud.

Indien vanwege zwaarwegende argumenten toch uitlogende materialen worden voorgesteld, is de voorwaarde dat ze jaarlijks gecoat worden om diffuse waterverontreinigingen te voorkomen. Watervergunning "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a azc Nijkerkerweg" (vastgesteld)

55

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a azc Nijkerkerweg

Voor de realisatie van de woonwijk is een watervergunning van het waterschap Vallei en Veluwe nodig. De watervergunning is minimaal noodzakelijk voor de toename aan verhard oppervlak, de duiker in de Trammelantbeek en voorzieningen voor de waterberging. Extra Het waterhuishoudingsplan is opgesteld voor het gebied waar het azc komt (noordelijke deel). Voor zuidelijke ontsluitingsstructuur geldt dat de waterberging voor de Laan van Verzet wordt gevonden in de greppel tussen hoofdrijbaan en parallelweg. Het water dat op de verbindingsweg naar Bloemendal fase 1 valt, kan afstromen naar de lager gelegen gebieden aan weerszijden. Conclusie Het wateraspect vormt geen belemmering voor dit plan.

56

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a azc Nijkerkerweg" (vastgesteld)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a azc Nijkerkerweg

Hoofdstuk 6

Juridisch kader TAM-omgevingsplan

6.1

Wijziging omgevingsplan

6.1.1

Omgevingsplan van rechtswege

Op 1 januari 2024 is het omgevingsplan van gemeente Barneveld van rechtswege ontstaan. Dit omgevingsplan bestaat uit alle ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen en wijzigingsplannen, en uit de Bruidsschat die de gemeente van het Rijk heeft ontvangen. In de Bruidsschat zitten onder andere regels voor milieubelastende activiteiten en bouwactiviteiten. Ook twee bodemkaarten en de hogere waarde besluiten maken deel uit van het omgevingsplan van rechtswege. Gemeenten krijgen tot 1 januari 2032 de tijd om het omgevingsplan van rechtswege en andere regels over de fysieke leefomgeving om te zetten naar een nieuw omgevingsplan. Op grond van artikel 2.4 en 22.6 van de Omgevingswet kan de gemeenteraad het omgevingsplan van rechtswege (laten) wijzigen.

6.1.2

Toepassing TAM-IMRO

De Omgevingswet integreert wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Het DSO ondersteunt bij de uitvoering van de wet en bestaat uit lokale systemen van overheden en de landelijke voorziening (DSO-LV), zoals Regels op de kaart en het Omgevingsloket. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAMs) ontwikkeld voor organisaties die nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van deze TAMs is TAM-IMRO. Bij TAM-IMRO wordt het omgevingsplan gewijzigd via de - onder de Wet ruimtelijke ordening gebruikte - IMRO-standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de voorziening ruimtelijkeplannen.nl. Het gebruik van TAM-IMRO is toegestaan tot en met 31 december 2025. Als het ontwerp van een TAM-IMRO omgevingsplan uiterlijk 31 december 2025 ter inzage is gelegd, mag het ook na 1 januari 2026 worden afgemaakt met TAM-IMRO. Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Klimaat geeft aan dat TAM-IMRO plannen uiterlijk voor 1 januari 2032 moeten worden omgezet naar de nieuwe Standaard officiële publicaties (STOP) met de bijbehorende Toepassingsprofielen omgevingsdocumenten (TPOD).

6.1.3

Werkingsgebied

Dit TAM-omgevingsplan maakt onderdeel uit van het omgevingsplan van de gemeente Barneveld. Dat betekent dat alle regels uit het omgevingsplan ook van toepassing zijn op onderhavige ontwikkeling aan de Nijkerkerweg (tenzij ze daarmee strijdig zijn). Daarom worden in de regels alleen maar bepalingen opgenomen welke specifiek relevant zijn voor onderhavige ontwikkeling van dit plan. Zo is er voor dit plan ook gekozen om niet de specifieke bepaling over de het afwijken van bepalingen uit de bruidsschat op te nemen, aangezien er bij dit TAM-omgevingsplan nauwelijks wordt afgeweken van de bruidsschat. Op de onderdelen waar dit wel gebeurt (bijvoorbeeld reken- en meetbepalingen) zijn specifieke voorrangsbepalingen opgenomen. Daarnaast is er een toepassingsbereik-bepaling opgenomen in het plan waarmee geregeld wordt dat de nieuwe regels voorrang hebben als ze in strijd zijn met de oude regels (Artikel 3). Een TAM-omgevingsplan zorgt er namelijk niet automatisch voor dat de oude regels op de locatie waarvoor het TAM-omgevingsplan komt te gelden, komen te vervallen. Ook is een plankaart van het wijzigingsgebied van het plan niet direct onderdeel van het omgevingsplan. Daarvoor zijn er in dit plan ook bepalingen opgenomen die dit borgen.

De regels in dit TAM-IMRO omgevingsplan zijn van toepassing op de onderhavige locatie aan de Nijkerkerweg, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0203.TAMOP0001-0002 zoals vastgelegd op https://ruimtelijkeplannen.nl.

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a azc Nijkerkerweg" (vastgesteld)

57

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a azc Nijkerkerweg

Hoofdstuk 7

Financiële haalbaarheid

Onder de omgevingswet zijn er voor het publiekrechtelijke kostenverhaal twee systemen: Het kostenverhaal met en het kostenverhaal zonder tijdsvak. Het systeem van kostenverhaal met tijdsvak te vergelijken met het exploitatieplan dat vanuit de Wro bestond. De plannen hebben dan een duidelijk eindbeeld, een fasering en een einddatum. Daardoor is goed mogelijk om de kosten en opbrengsten van de gebiedsontwikkeling vooraf te berekenen. Het systeem van het kostenverhaal zonder tijdsvak is bestemd voor organische gebiedsontwikkeling. Dus voor plannen zonder een duidelijk eindbeeld, zonder fasering en zonder einddatum. Het gaat om plannen met globale functieaanduidingen die op verschillende manieren worden uitgewerkt Dat maakt het moeilijk om de kosten en opbrengsten van de gebiedsontwikkeling vooraf te berekenen. Bij het vaststellen van het omgevingsplan is dan geen gedetailleerder raming van de kosten en opbrengsten vereist, maar een kostenplafond. Bij dit kostenverhaal worden de kosten en bijdragen pas bij de aanvraag geconcretiseerd. De gemeente mag een kostenverhaal met tijdvak toepassen. Dit kan bij het vaststellen van een projectbesluit, een omgevingsplan of de afgifte van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevinpsplanactiviteit. Het toepassen van het kostenverhaal zonder tijdvak kan alleen in het gemeentelijke omgevingsplan.

7.1

Wijze van bekostiging

In de motivering van dit TAM-omgevingsplan is onderbouwd dat deze wijziging van het omgevingsplan een evenwichtige toedeling van functies aan de locatie wordt bereikt en dat de toegekende functie binnen een redelijke termijn kunnen worden gerealiseerd. Zodoende kan aangenomen worden dat het project financieel haalbaar is. Op grond van artikel 13.11 Omgevingswet is de gemeente verplicht kosten te verhalen, indien sprake is van een of meerdere aangewezen bouwactiviteiten uit artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit. De grond waarop de voorgenomen functies kunnen worden gerealiseerd is in eigendom bij de gemeente. De voor ontwikkeling vereiste investeringen worden gedekt door de verkoop van de bouwkavels. Hiermee is het kostenverhaal anderszins verzekerd en hoeft er geen (additionele) overeenkomst tot kostenverhaal te worden gesloten.

58

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a azc Nijkerkerweg" (vastgesteld)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a azc Nijkerkerweg

Hoofdstuk 8

Overleg en maatschappelijke uitvoerbaarheid

De procedures voor vaststelling van een omgevingsplan zijn door de wetgever geregeld.Een uitgebreide participatie is gestart voordat de omgevingswet van kracht was, destijds is er geen kennisgeving is geweest. Kennisgeving zal wel in het kader van het ter inzage liggen van het ontwerp plaatsvinden. Tussen gemeente en verschillende instanties vindt waar nodig overleg plaats waarna het ontwerpplan ter visie gelegd kan worden.

8.1

Participatie

Participatie gaat over het goede gesprek tussen initiatiefnemers, de samenleving en de beslissers. Het is de bedoeling om elkaar zo vroeg mogelijk te betrekken in het proces ter voorbereiding van een besluit en gezamenlijk te zoeken naar de beste oplossingen. Zo ontstaat er beleid dat moet leiden tot plannen met een hogere kwaliteit en een breder draagvlak. Het is de bedoeling om alle belanghebbenden zo vroeg mogelijk te betrekken in het proces ter voorbereiding van een besluit. Zo kunnen de knelpunten, belangen en verbeterpunten vroegtijdig worden gesignaleerd en kan daar op worden ingespeeld. Bij het opstellen van een (wijziging)omgevingsplan moet onder de Omgevingswet aangetoond worden op welke wijze de gemeente haar inwoners, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij het plan heeft betrokken (artikel 10.2 Ow). Hieronder vindt u een beschrijving van de manier waarop de gemeente participatie heeft toegepast. Participatiebeleid gemeente Barneveld Op 20 april 2022 heeft de gemeenteraad het 'Participatiebeleid gemeente Barneveld' vastgesteld. Sinds dat moment is dit de gemeentelijke leidraad bij participatie. Het beleid onderscheidt drie sporen: Spoor 1: Participatie bij ruimtelijke initiatieven; Spoor 2: Participatie bij initiatieven van de overheid; Spoor 3: Participatie bij initiatieven vanuit de gemeenschap.

In het beleid is de participatieladder opgenomen. Die ladder gaat over verschillende gradaties van meedoen. De participatieladder maakt de rol van de deelnemers duidelijk. Er zijn vier treden op de ladder: 1. 2. 3. 4.

Meeweten | informeren Meedenken | raadplegen Meewerken | adviseren Meebepalen | co-creatie

Bij de realisatie van het azc is spoor 1 van toepassing: Participatie bij ruimtelijke initiatieven. Bij spoor 1 is de initiatiefnemer verantwoordelijk voor de participatie. Dat is hier de gemeente. Na het invullen van de vragen van de participatieladder, bleek trede 3 van de participatieladder van toepassing: adviseren. Voorafgaand aan de locatiekeuze door de gemeenteraad vond in dat kader een uitgebreid participatietraject plaats.

Participatie inwoners, bedrijven en maatschappelijke organisaties De gemeente Barneveld heeft het participatietraject opgedeeld in vier fases met allen hun eigen manier en frequentie van dialoog en informeren van de verschillende doelgroepen. Het gaat om: 1. De fase voor het locatieonderzoek na het gemeenteraadsbesluit van 6 juli 2022 (dat de gemeente Barneveld een asielzoekerscentrum wil realiseren). 2. De fase na de locatiekeuze van het college van B en W op 28 maart 2023 (hierin werd de locatie die de gemeente op het oog had openbaar gemaakt) 3. De fase na besluitvorming van de gemeenteraad op 5 juli 2023 waarin het azc daadwerkelijk wordt ontwikkeld (ontwerpfase) 4. De fase waarin het azc operationeel is voor de opvang van vluchtelingen

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a azc Nijkerkerweg" (vastgesteld)

59

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a azc Nijkerkerweg

Op dit moment zitten we in fase 3, de ontwerpfase. Fase 3 bestaat uit twee delen: Fase 3A: In fase 3a wordt er gewerkt aan het stedenbouwkundig plan, het definitief ontwerp, het TAM-omgevingsplan en aan de omgevingsvergunning. Fase 3B: Deze fase start als de ruimtelijke procedures achter de rug zijn. Die fase bestaat uit de daadwerkelijke bouw en het invullen van sociale aspecten (activiteiten voor de asielzoekers, veiligheid, inburgeringsaspecten, enz.) Bij de totstandkoming van het ontwerp (fase 3A) is input meegenomen die inwoners, bedrijven en maatschappelijke organisaties in de afgelopen anderhalf jaar hebben gegeven. Zij deden dat in persoonlijke gesprekken bij hen thuis met collegeleden, tijdens één van de vijf participatieavonden, per mail (azc@barneveld.nl) of telefonisch. Alle input die tot nu toe door inwoners, bedrijven of maatschappelijke organisaties is gegeven, is bewaard en bij de ontwerpfase betrokken. Veel opmerkingen gingen over dezelfde thema's. Deze heeft de gemeente geclusterd. Vervolgens is per thema gekeken welke van de opmerkingen een plek in het ontwerp kon krijgen. Sommige suggesties staan haaks op andere suggesties. Hierin hebben het COA en de gemeente keuzes gemaakt op basis van eisen, wensen, uitvoerbaarheid, enzovoorts. Sommige input heeft te maken met inburgeren, veiligheid, activiteiten voor asielzoekers, enzovoorts.

Die opmerkingen worden meegenomen en afgewogen bij de verdere invulling van het azc (fase 3b en fase 4). Voor een samenvatting van de inhoudelijke opmerkingen die zijn gemaakt, verwijzen we u graag naar Bijlage 16. Ook is het participatieverslag over de locatiekeuze toegevoegd in deze zie hiervoor Bijlage 17.

Participatie klankbordgroep azc De klankbordgroep azc bestaat uit inwoners, bedrijven en maatschappelijke organisaties die kritisch meekijken met het hele proces rondom de realisatie van het azc. Inmiddels hebben er vijf bijeenkomsten van de klankbordgroep azc plaatsgevonden. Daarin hebben de leden van de klankbordgroep bijvoorbeeld invloed gehad op het materiaal gebruik en de uitstraling van de woningen, plus de invulling van de openbare ruimte, waar nog aan gewerkt wordt.

Participatie ketenpartners Bij de voorbereiding is het omgevingsplan voorgelegd aan: Waterschap Vallei en Veluwe Veiligheids- en gezondheidsregio Gelderland-Midden Bij ruimtelijke trajecten zijn de provincie, het Rijk en omliggende gemeenten soms ook doelgroepen die mee worden genomen in het participatietraject. In dit geval waren er argumenten om daar van af te zien. Er is in het gebied van de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van bijzondere waarden of andere situaties waardoor deze ontwikkeling zou raken aan enig nationaal belang. Ook zijn er geen provinciale belangen. Wel is de provincie betrokken bij het ecologisch onderzoek, gelet op hun bevoegdheid bij een eventuele ontheffing op de Wet natuurbescherming. Er kon daarom worden afgezien van participatie door de provincie en het Rijk. Ook belangen van omliggende gemeenten zijn bij dit plan niet in het geding of zijn eerder bij de locatiekeuze al betrokken geweest. De gemeente Barneveld heeft een brief van het ministerie van Infrastructuur en Milieu ontvangen. Daarin stond dat de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) geen adviserende en coördinerende rol meer heeft over de voorbereiding van gemeentelijke ruimtelijke plannen. Om die reden is er ook geen vooroverleg geweest met de Inspectie.

Voor de ter inzage legging van de dit plan volgt nog een informatiebijeenkomst waarbij belanghebbenden worden uitgenodigd om een toelichting te krijgen op het ontwerp. Zodra het plan officieel ter inzage ligt, kan iedereen reageren door een zienswijze in te dienen.

60

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a azc Nijkerkerweg" (vastgesteld)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a azc Nijkerkerweg

8.2

Zienswijzen

Het TAM-omgevingsplan heeft – tezamen met de overige ontwerpstukken – van 15 november 2024 tot en met 27 december 2024 ter inzage gelegen. Gedurende deze periode heeft een ieder de mogelijkheid gehad om een zienswijze naar voren te brengen. Tijdens deze zes weken zijn 4 reacties ingediend. Deze reacties hebben geleid tot aanpassingen in het plan. De nota zienswijzen is als bijlage bij het besluit gevoegd.

8.3

Coördinatieregeling

Afdeling 3.5 Algemene wet bestuursrecht (Awb) gaat over de coördinatie van de behandeling van samenhangende besluiten. Het regelt een uniforme procedure voor de voorbereiding, totstandkoming en rechtsbescherming (bezwaar en beroep) van besluiten. De gevraagde besluiten (TAM-omgevingsgsplan, omgevingsvergunning voor activiteit bouwen) worden gecoördineerd voorbereid. Dit betekent dat het ontwerp TAM-omgevingsplan en de ontwerp-omgevingsvergunning gelijktijdig voor een termijn van zes weken ter visie worden gelegd.

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a azc Nijkerkerweg" (vastgesteld)

61

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Barneveld&id=33415abf-8700-403c-8362-a6370db4c76c