CConstaterende datBarneveld
Koppel je AI →
Document · PDF

Dronkelaarseweg III, partiële herziening Buitengebied 2012 Toelichting Bijlage 2 Rapport bodemonderzoek.pdf

Gemeenteraad 26 mei 2021, gemeente BarneveldBij agendapunt: Bestemmingsplan Dronkelaarseweg III, partiële herziening Buitengebied 2012 (Barneveld28.980 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Er zijn nieuwe voorstellen voor interventiewaarden gedaan die zijn opgenomen in tabel 7.1 van het RIVM-rapport 711701023 (febr 2001). Voor een aantal stoffen van de eerste tranche zijn de nieuw voorgestelde interventiewaarden op basis van beleidsmatige overwegingen aangepast. De normaan-passingen zijn beschreven in het NOBO-rapport: VROM, 2008: NOBO: Normstelling en bodemkwali-teitsbeoordeling. Onderbouwing en beleidsmatige keuzes voor de bodemnormen in 2005, 2006 en 2007. De interventiewaarden grond voor de andere tranches zijn niet geëvalueerd en blijven gelijk aan de interventiewaarden grond zoals opgenomen in de Circulaire streefwaarden en interventiewaarden bodemsanering (2000). De interventiewaarden grond gelden voor droge bodem. Voor bodems of oevers van een oppervlaktewaterlichaam zijn aparte interventiewaarden opgesteld die zijn opgenomen in de Regeling bodemkwaliteit (Staatscourant 20 december 2007, nr. 247). De interventiewaarden grondwater zijn niet herzien en overgenomen uit de Circulaire streefwaarden en interventiewaarden bodemsanering (2000).

1

Tabel 1: Streefwaarden grondwater en interventiewaarden grond en grondwater gehalten in grond zijn weergegeven voor standaardbodem (10% organische stof en 25% lutum)

Streefwaarde Landelijke achter- Streefwaarde grond concentratie

Stofnaam

Interventiewaarden

ondiep

diep (AC)

diep (incl. AC)

(<10 m –mv)

(>10 m –mv)

(>10 m –mv)

grondwater 7 ( g/l)

grondwater ( g/l)

grondwater 7 ( g/l)

grond (mg/kg d.s.)

grondwater ( g/l)

10 50 0,4 1 20 15 0,05 15 5 15 65

0,09 7 200 0,6 2,4 0,6 1,3 1,6 0,7 2,1 24

0,15 7,2 200 0,06 2,5 0,7 1,3 0,01 1,7 3,6 2,1 24

22 76 -8 13 180 78 190 190 36 4 530 190 100 720

20 60 625 6 30 100 75 0,3 75 300 75 800

1. Metalen Antimoon Arseen Barium Cadmium Chroom Chroom III Chroom VI Kobalt Koper Kwik Kwik (anorganisch) Kwik (organisch) Lood Molybdeen Nikkel Zink

Streefwaarde grondwater 7 ( g/l)

Interventiewaarden grond grondwater

2. Overige anorganische stoffen Chloride (mg CL/l) Cyanide (vrij) Cyanide (complex) Thiocyanaat

100 mg/l 5 10 -

20 50 20

1.500 1.500 1.500

0,2 4 7 0,2 6 0,2 0,2

1,1 110 32 17 86 14 13

30 150 1000 70 300 2000 200

0,01 0,003* 0,0007* 0,003 0,003* 0,0001* 0,0005* 0,0004* 0,0004* 0,0003 -

40

70 5 5 1 0,2 0,5 0,05 0,05 0,05 0,05 -

0,01 0,01 7 7 0,01 0,01 0,8 6 0,01 0,01 24 0,01 0,01

0,1 3,9 15 6,4 0,3 1 2 5,6 15 10 2,5 0,7 8,8

5 1.000 900 400 10 20 80 400 300 130 500 10 40

3. Aromatische verbindingen Benzeen Ethylbenzeen Tolueen Xylenen (som) 1 Styreen (vinylbenzeen) Fenol Creosolen (som) 1

4. PAK’s Naftaleen Fenantreen Antraceen Fluorantheen Chryseen Benzo(a)antraceen Benzo(a)pyreen Benzo(k)fluorantheen Indeno(1,2,3cd)pyreen Benzo(ghi)peryleen PAK’s (totaal) (som 10)1

5. Gechloreerde Koolwaterstoffen A: (vluchtige) koolwaterstoffen Monochlooretheen (Vinylchloride)2 Dichloormethaan 1,1-dichloorethaan 1,2-dichloorethaan 1,1-dichlooretheen2 1,2-dichlooretheen (som)1 Dichloorpropanen (som)1 Trichloormethaan (chloroform) 1,1,1-trichloorethaan 1,1,2-trichloorethaan Trichlooretheen (Tri) Tetrachloormethaan (Tetra) Tetrachlooretheen (Per)

2

Tabel 1: Streefwaarden grondwater en interventiewaarden grond en grondwater Streefwaarde grondwater 7 ( g/l) 5. Gechloreerde Koolwaterstoffen (vervolg)

Interventiewaarden grond grondwater

b. chloorbenzenen5 Monochloorbenzeen Dichloorbenzenen (som)1 Trichloorbenzenen (som)1 Tetrachloorbenzenen (som)1 Pentachloorbenzenen Hexachloorbenzeen

7 3 0,01 0,01 0,003 0,00009*

15 19 11 2,2 6,7 2,0

180 50 10 2,5 1 0,5

0,3 0,2 0,03* 0,01* 0,04*

5,4 22 22 21 12

100 30 10 10 3

0,01*

1

0,01

-

50 0,00018 23

30 nvt6 6

0,02 ng/l* 0,004 ng/l* 0,009 ng/l* 0,1 ng/l* 0,04 ng/l* 0,2 ng/l* 33 ng/l 8 ng/l 9 ng/l 0,05 0,005 ng/l* 0,005 ng/l*

4 1,7 2,3 34 0,32 4 4 17 1,6 1,2 4 4

0,2 0,01 0,1 5 1 0,3 3

0,05* – 16 ng/l

2,5

0,7

0,02

4

50

29 ng/l 2 ng/l* 2 9 ng/l

0,71 0,45 0,017

150 50 100

0,5 0,5 50 0,5 0,5 0,5 -

100 150 82 53 17 36 48 220 60 5.000 11 7 8,8 75

15.000 5 600 30 300 5.000 630

c. chloorfenolen5 Monochloorfenolen(som)1 Dichloorfenolen(som)1 Trichloorfenolen(som)1 Tetrachloorfenolen(som)1 Pentachloorfenol

d. polychloorbifenylen (PCB’s) PCB’s (som 7) 1

e. Overige gechl. koolwaterstoffen Monochlooranilinen (som)1 Dioxine (som I-TEQ)1 Chloornaftaleen (som)1

6. Bestrijdingsmiddelen a.organochloorbestrijdingsmiddelen Chloordaan (som)1 DDT (som)1 DDE (som)1 DDD (som)1 DDT/DDE/DDD (som)1 Aldrin Dieldrin Endrin Drins (som)1 -endosulfan -HCH -HCH -HCH (lindaan) HCH-verbindingen (som)1 Heptachloor Heptachloorepoxide (som)1

b. organofosforpesticiden -

c. organotin bestrijdingsmiddelen Organotinverbindingen (som)1

d.chloorfenoxy-azijnzuur herbiciden MCPA

e. overige bestrijdingsmiddelen Atrazine Carbaryl Carbofuran

7. Overige stoffen Asbest3 Cyclohexanon Dimethyl ftalaat Diethyl ftalaat Di-isobutyl ftalaat Dibutyl ftalaat Butyl benzylftalaat Dihexyl ftalaat Di(2-ethylhexyl)ftalaat Ftalaten (som)1 Minerale olie4 Pyridine Tetrahydrofuran Tetrahydrothiofeen Tribroommethaan (bromoform)

3

Toelichting voetnoten tabel 1 * Getalswaarde beneden de detectielimiet/bepalingsondergrens of meetmethode ontbreekt. 1

Voor de samenstelling van de somparameters wordt verwezen naar bijlage N van de Regeling bodemkwaliteit (VROM, 2007). Bij het berekenen van een somwaarde worden voor de individuele componenten de resultaten < vereiste rapportagegrens AS3000 vermenigvuldigd met 0,7. Indien alle individuele waarden als onderdeel van de berekende waarde het resultaat < vereiste rapportagegrens AS3000 hebben, mag de beoordelaar ervan uit gaan dat de kwaliteit van de grond of het grondwater voldoet aan de van toepassing zijnde normwaarde. Indien er voor een of meer individuele componenten een of meer gemeten gehalten (zonder < teken) zijn, dan dient de berekende waarde te worden getoetst aan de van toepassing zijnde normwaarde. Deze regel geldt ook als gemeten gehalten lager zijn dan de vereiste rapportagegrens. Het verkregen toetsingsresultaat, op basis van een berekende somwaarde waarin voor een of meer individuele componenten is gerekend met een waarde van 0,7 maal de rapportagegrens, heeft geen verplichtend karakter. De onderzoeker heeft de vrijheid onderbouwd te concluderen dat het betreffende monster niet in die mate is verontreinigd als het toetsingsresultaat aangeeft. Dit geldt bijvoorbeeld als bij een meting van PAK in het grondwater alleen naftaleen in een licht verhoogde concentratie is aangetoond en de overige PAK een waarde ‘< vereiste rapportagegrens AS3000’ hebben.

Voor die overige PAK worden dan relatief hoge gehalten berekend (door de vermenigvuldiging met 0,7), waarvan kan worden onderbouwd dat die gehalten niet in het grondwater aanwezig zullen zijn gezien de immobiliteit van de betreffende stoffen. 2

De Interventiewaarde voor grond voor deze stoffen is gelijk of kleiner dan de bepalingsgrens (intralaboratorium reproduceerbaarheid). Indien de stof wordt aangetoond moeten de risico’s nader worden onderzocht. Bij het aantreffen van vinylchloride of 1,1-dichlooretheen in grond moet tevens het grondwater worden onderzocht. 3

Gewogen norm (concentratie serpentijn asbest + 10 x concentratie amfibool asbest).

4

De definitie van minerale olie wordt beschreven bij de analysenorm. Indien er sprake is van verontreiniging met mengsels (bijvoorbeeld benzine of huisbrandolie) dan dient naast het alkaangehalte ook het gehalte aan aromatische en/of polycyclische aromatische koolwaterstoffen te worden bepaald. Met deze somparameter is om praktische redenen volstaan. Nadere toxicologische en chemische differentiatie wordt bestudeerd.

5

Voor grondwater zijn effecten van PAK’s, chloorbenzenen en chloorfenolen indirect, als fractie van de individuele interventiewaarde, optelbaar (dat wil zeggen 0,5 x interventiewaarde stof A heeft evenveel effect als 0,5 x interventiewaarde stof B). Dit betekent dat een somformule gebruikt moet worden om te beoordelen of van overschrijding van de interventiewaarde sprake is. Er is sprake van overschrijding van de interventiewaarde voor de som van een groep stoffen indien (Ci/Ii) >1, waarbij Ci = gemeten concentratie van een stof uit een betreffende groep en Ii = interventiewaarde voor de betreffende stof uit de betreffende groep.

6

Voor grondwater is er een indicatief niveau voor ernstige verontreiniging.

7

De Streefwaarden grondwater voor een aantal stoffen zijn lager dan de vereiste rapportagegrens in AS3000. Dit betekent dat deze Streefwaarden strenger zijn dan het niveau waarop betrouwbaar (routinematig) kan worden gemeten. De laboratoria moeten minimaal voldoen aan de vereiste rapportagegrens in AS3000. Het hanteren van een strengere rapportagegrens mag ook, mits de gehanteerde analysemethode voldoet aan AS3000. Bij het beoordelen van het meetresultaat ‘< rapportagegrens AS3000’ mag de beoordelaar ervan uitgaan dat de kwaliteit van het grondwater voldoet aan de Streefwaarde. Indien het laboratorium een gemeten gehalte rapporteert (zonder < teken), moet dit gehalte aan de Streefwaarde worden getoetst, ook als dit gehalte lager is dan de vereiste rapportagegrens AS3000.

8

De norm voor barium is tijdelijk ingetrokken. Gebleken is dat de interventiewaarde voor barium lager was dan het gehalte dat van nature in de bodem voorkomt. Indien er sprake is van verhoogde bariumgehalten ten opzichte van de natuurlijke achtergrond als gevolg van een antropogene bron, kan dit gehalte worden beoordeeld op basis van de voormalige interventiewaarde voor barium van 920 mg/kg d.s. Deze voormalige interventiewaarde is op dezelfde manier onderbouwd als de interventiewaarden voor de meeste andere metalen en is voor barium inclusief een natuurlijk achtergrondgehalte van 190 mg/kg d.s.

9

Indien het laboratorium een waarde ‘< dan een verhoogde rapportagegrens’ aangeeft (hoger dan de rapportagegrens AS3000), dan dient de betreffende verhoogde rapportagegrens te worden vermenigvuldigd met 0,7. De zo verkregen waarde (of hiermee berekende somwaarde) wordt getoetst aan de van toepassing zijnde normwaarde. Een dergelijke verhoogde rapportagegrens kan optreden bij de analyse van een zeer sterk verontreinigd monster of een monster met afwijkende samenstelling. Het zo verkregen toetsingsresultaat heeft geen verplichtend karakter. De onderzoeker heeft de vrijheid onderbouwd te concluderen dat het betreffende monster niet goed kan worden beoordeeld.

4

B: Indicatieve niveaus voor ernstige verontreiniging (INEV’S) Voor de stoffen in tabel 2 zijn indicatieve niveaus voor ernstige verontreiniging opgenomen. Het betreffen stoffen van de tweede, derde en vierde tranche afleiding interventiewaarden. Op basis van twee redenen is een indicatief niveau voor ernstige verontreiniging aangegeven en geen interventiewaarde: 1. er zijn geen gestandaardiseerde meet- en analysevoorschriften beschikbaar of binnenkort te verwachten; 2. de ecotoxicologische onderbouwing van de interventiewaarde is niet aanwezig of minimaal en in het laatste geval lijkt het erop dat de ecotoxicologische effecten kritischer zijn dan de humaan-toxicologische effecten. De ecotoxicologische onderbouwing dient te voldoen aan de volgende criteria: a. er dienen minimaal 4 toxiciteitsgegevens beschikbaar te zijn voor minimaal twee taxonomische groepen; b. voor metalen dienen alle gegevens betrekking te hebben op het compartiment bodem; c. voor organische stoffen mogen maximaal twee gegevens via evenwichtspartitie uit gegevens voor het compartiment water zijn afgeleid; d. er dienen minimaal twee gegevens voor individuele soorten beschikbaar te zijn.

Indien aan een of meerdere van deze criteria niet is voldaan en indien ecotoxicologische effecten kritischer zijn dan humaantoxicologische effecten, wordt volstaan met het vaststellen van een indicatief niveau voor ernstige verontreiniging. De indicatieve niveaus hebben een grotere mate van onzekerheid dan de interventiewaarden. De status van de indicatieve niveaus is daarom niet gelijk aan de status van de interventiewaarde. Over- of onderschrijding van de indicatieve niveaus heeft derhalve niet direct consequenties voor wat betreft het nemen van een beslissing over de ernst van de verontreiniging door het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag dient daarom naast de indicatieve niveaus ook andere overwegingen te betrekken bij de beslissing of er sprake is van ernstige verontreiniging. Hierbij kan gedacht worden aan: • nagaan of er op basis van andere stoffen sprake is van ernstige verontreiniging en spoed tot saneren. Op verontreinigde locaties komen vaak meerdere stoffen tegelijk voor. Indien voor andere stoffen wel interventiewaarden zijn vastgesteld kan op basis van deze stoffen nagegaan worden of er sprake is van ernstige verontreiniging en spoed tot saneren. In zo’n geval is een risicoschatting voor de stoffen waarvoor slechts een indicatief niveau is aangegeven minder relevant.

Indien op basis van andere stoffen geen sprake blijkt te zijn van ernstige verontreiniging en spoed tot saneren, is een risicoschatting voor de stoffen waarvoor slechts een indicatief niveau is aangegeven wel belangrijk; • een ad hoc bepaling van de actuele risico’s. Bij de bepaling van actuele risico’s ten behoeve van het vaststellen van de spoed tot saneren spelen naast toxicologische criteria ook andere locatiegebonden factoren een rol. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om de blootstellingmogelijkheden, het gebruik van de locatie of de oppervlaktes van de verontreiniging. Dergelijke factoren kunnen vaak goed bepaald worden waardoor het ondanks de onzekerheid met betrekking tot de indicatieve niveaus toch mogelijk is een redelijke schatting van de actuele risico’s uit te voeren. Het verdient aanbeveling hierbij gebruik te maken van bioassays, omdat hiermee niet alleen de onzekerheden in de ecotoxicologische onderbouwing maar ook de onzekerheden ten gevolge van het gestandaardiseerde meet- en analysevoorschriften ontweken worden. • aanvullend onderzoek naar de risico’s van de stof. Er kunnen aanvullende toxiciteitexperimenten uitgevoerd worden om een betere schatting van de risico’s van de stof te kunnen maken. De INEV’s zijn niet geëvalueerd en blijven gelijk aan de INEV’s zoals opgenomen in de Circulaire streefwaarden en interventiewaarden bodemsanering (2000).

Enkele voormalige interventiewaarden zijn omgezet in INEV’s. Dit wordt toegelicht in het NOBO-rapport: VROM, 2008, in druk: NOBO: Normstelling en bodemkwaliteitsbeoordeling. Onderbouwing en beleidsmatige keuzes voor de bodemnormen in 2005, 2006 en 2007. Alleen voor MTBE is het INEV voor grondwater aangepast naar de waarde die is genoemd in de Circulaire zorgplicht Wbb bij MTBE- en ETBE-verontreinigingen (Staatscourant 18 december 2008, nr. 2139).

5

Tabel 2: Streefwaarden grondwater en indicatieve niveaus voor ernstige verontreiniging 6 gehalten in grond zijn weergegeven voor standaardbodem (10% organische stof en 25% lutum)

Streefwaarde 4

Stofnaam

grondwater ( g/l) ondiep4

diep4

(<10 m –mv)

(>10 m –mv)

-

0,05* 0,07 2* 2,2* 1,2 -

Interventiewaarden grond (mg/kg d.s.)

grondwater ( g/l)

30 100 600 15 900 250 15

15 160 70 7 50 70 40

1. Metalen Beryllium Seleen Tellurium Thallium Tin Vanadium Zilver

Streefwaarde grondwater 7 ( g/l)

Interventiewaarden grond (mg/kg d.s.) grondwater ( g/l)

3. Aromatische verbindingen Dodecylbenzeen Aromatische oplosmiddelen1 Dihydroxybenzenen (som)3 Catechol (o-dihydroxybenzeen) Resorcinol (m-dihydroxybenzeen) Hydrochinon (p-dihydroxybenzeen)

0,2 0,2 0,2

1.000 200 8 -

0,02 150 1.250 600 800

-

50 10 30 10 15 nvt 5

100 10 10 1 350 0,001 ng/l

0,1 ng/l * 0,05 ng/l*

2 22

2 0,1

0,08 -

0,1 30 200 75 270 100 0,1 220 30 35 100

5 5.600 6.300 15.000 13.000 5.500 50 31.000 24.000 6.000 9.400

5. Gechloreerde Koolwaterstoffen Dichlooranilinen Trichlooranilinen Tetrachlooranilinen Pentachlooranilinen 4-chloormethylfenolen Dioxine (som I-TEQ)2

6. Bestrijdingsmiddelen Azinfosmethyl Maneb

7. Overige stoffen Acrylonitril Butanol butylacetaat Ethylacetaat Diethyleen glycol Ethyleen glycol Formaldehyde Isopropanol Methanol Methylethylketon Methyl-tert-buthyl ether (MTBE)

Toelichting voetnoten tabel 2 * Getalswaarde beneden de detectielimiet/bepalingsondergrens of meetmethode ontbreekt. 1

Onder aromatische oplosmiddelen wordt een standaardmengsel van stoffen, aangeduid als ‘C9-aromatic naphta’ verstaan zoals gedefinieerd door de International Research and Development Corporation: o-xyleen 3,2%, i-isopropylbenzeen 2,74%, n-propylbenzeen 3,97%, 1-methyl-4-ethylbenzeen 7,05%, 1-methyl-3ethylbenzeen 15,1%, 1-methyl-2-ethylbenzeen 5,44%, 1,3,5-trimethylbenzeen 8,37%, 1,2,4-trimethylbenzeen 40,5%, 1,2,3-trimetylbenzeen 6,18% en > alkylbenzenen 6,19%. 2

Voor de samenstelling van de somparameters wordt verwezen naar bijlage N van de Regeling bodemkwaliteit (VROM, 2007). Bij het berekenen van een somwaarde worden voor de individuele componenten de resultaten < vereiste rapportagegrens AS3000 vermenigvuldigd met 0,7. Indien alle individuele waarden als onderdeel van de berekende waarde het resultaat < vereiste rapportagegrens AS3000 hebben, mag de beoordelaar ervan uit gaan dat de kwaliteit van de grond of het grondwater voldoet aan de van toepassing zijnde normwaarde. Indien er voor een of meer individuele componenten een of meer gemeten gehalten (zonder < teken) zijn, dan dient de berekende waarde te worden getoetst aan de van toepassing zijnde normwaarde. Deze regel geldt ook als gemeten gehalten lager zijn dan de vereiste rapportagegrens. Het verkregen toetsingsresultaat, op basis van een berekende somwaarde waarin voor een of meer individuele componenten is gerekend met een waarde van 0,7 maal de rapportagegrens, heeft geen verplichtend karakter. De onderzoeker heeft de vrijheid onderbouwd te concluderen dat het betreffende monster niet in die mate is verontreinigd als het toetsingsresultaat aangeeft.

6

3

Onder dihydroxybenzenen (som) wordt verstaan: de som van catechol, resorcinol en hydrochinon.

4

De Streefwaarden grondwater voor een aantal stoffen zijn lager dan de vereiste rapportagegrens in AS3000. Dit betekent dat deze Streefwaarden strenger zijn dan het niveau waarop betrouwbaar (routinematig) kan worden gemeten. De laboratoria moeten minimaal voldoen aan de vereiste rapportagegrens in AS3000. Het hanteren van een strengere rapportagegrens mag ook, mits de gehanteerde analysemethode voldoet aan AS3000. Bij het beoordelen van het meetresultaat ‘< rapportagegrens AS3000’ mag de beoordelaar ervan uitgaan dat de kwaliteit van het grondwater voldoet aan de Streefwaarde. Indien het laboratorium een gemeten gehalte rapporteert (zonder < teken), moet dit gehalte aan de Streefwaarde worden getoetst, ook als dit gehalte lager is dan de vereiste rapportagegrens AS3000.

5

Voor grond is er een interventiewaarde.

6

Indien het laboratorium een waarde ‘< dan een verhoogde rapportagegrens’ aangeeft (hoger dan de rapportagegrens AS3000), dan dient de betreffende verhoogde rapportagegrens te worden vermenigvuldigd met 0,7. De zo verkregen waarde (of hiermee berekende somwaarde) wordt getoetst aan de van toepassing zijnde normwaarde. Een dergelijke verhoogde rapportagegrens kan optreden bij de analyse van een zeer sterk verontreinigd monster of een monster met afwijkende samenstelling. Het zo verkregen toetsingsresultaat heeft geen verplichtend karakter. De onderzoeker heeft de vrijheid onderbouwd te concluderen dat het betreffende monster niet goed kan worden beoordeeld.

C: Bodemtypecorrectie Bij de beoordeling van de kwaliteit van de bodem worden de in de tabellen opgenomen waarden voor standaardbodem omgerekend naar de waarden voor de betreffende bodem gebruik makende van de gemeten gehalten aan organische stof en lutum. De omgerekende waarden kunnen vervolgens met de gemeten gehalten worden vergeleken.

Metalen Bij de omrekening voor metalen kan gebruik gemaakt worden van de volgende bodemtypecorrectieformule: (IW)b = (IW)sb x [{A + (B x % lutum) + (C x % organische stof)} / {A + (Bx25) + (C x 10)}] Waarin: (IW)b (IW)sb %lutum

= interventiewaarde voor de te beoordelen bodem; = interventiewaarde voor standaardbodem; = gemeten percentage lutum in de te beoordelen bodem. Voor bodem met een gemeten lutumgehalte van minder dan 2% wordt met een lutumgehalte van 2% gerekend; % org. stof = gemeten percentage organische stof in de te beoordelen bodem Voor bodem met een gemeten organisch stofgehalte van minder dan 2% wordt met een organisch stofgehalte van 2% gerekend; A, B, C = stofafhankelijke constanten voor metalen (zie hieronder); Tabel 3: Stofafhankelijke constanten voor metalen: Stof

A

Arseen Barium Beryllium Cadmium Chroom Kobalt Koper Kwik Lood Nikkel Tin Vanadium Zink

15 30 8 0,4 50 2 15 0,2 50 10 4 0, 12 50

B 0,4 5 0,9 0,007 2 0,28 0,6 0,0034 1 1 6 1,2 3

C 0,4 0 0 0,021 0 0 0,6 0,0017 1 0 0 0 1,5

7

Organische verbindingen De interventiewaarden en indicatieve niveaus voor ernstige verontreiniging voor organische verbindingen, zijn afhankelijk van het organische stofgehalte. Bij omrekening voor organische verbindingen, met uitzondering van PAK’s, kan gebruik gemaakt worden van de volgende bodemtypecorrectieformule: (IW)b = (IW)sb x (% organische stof / 10) Waarin: (IW)b (IW)sb % org. stof

= interventiewaarde voor de te beoordelen bodem; = interventiewaarde voor standaardbodem; = gemeten percentage organische stof in de te beoordelen bodem. Voor bodems met gemeten percentage organische stofgehalten van meer dan 30% respectievelijk minder dan 2% worden gehalten van respectievelijk 30% en 2% aangehouden.

PAK’s Voor interventiewaarde PAK’s wordt geen bodemtypecorrectie voor bodems met een organisch stofgehalte tot 10% en bodems met een organisch stofgehalte boven de 30% toegepast. Voor bodems met een organisch stofgehalte tot 10% wordt een interventiewaarde van 40 mg/kg d.s. en voor bodems met een organisch stofgehalte vanaf 30% een interventiewaarde van 120 mg/kg d.s. gehanteerd. Tussen de 10% en 30% organische stof gehalte kan gebruik gemaakt worden van de volgende bodemtypecorrectieformule: (IW)b = 40 x (% organische stof / 10) Waarin: (IW)b = interventiewaarde voor de te beoordelen bodem % organische stof = gemeten percentage organische stof in de te beoordelen bodem.

D: Meetvoorschriften De te hanteren analysemethoden zijn opgenomen in Bijlage L, behorende bij artikel 1.1 (versie 30 november 2007) van de Regeling bodemkwaliteit. Staatscourant 20 december 2007, nr. 247, pag 67.

8

BIJLAGE 5 Monsternemingsplan en -formulier asbest

BIJLAGE 6 Historische informatie

Rapport Bodemloket GE020300179 Dronkelaarseweg 4 Datum: 09-10-2019

Legenda

Locatie Voortgang onderzoek

Mijnsteengebieden

1/3

GE020300179 Dronkelaarseweg 4

Inhoud 1

Algemeen

1.1 Administratieve gegevens 1.2 Statusinformatie 1.3 Verontreinigende (onderzochte) activiteiten 1.4 Onderzoeksrapporten 1.5 Besluiten 1.6 Saneringsinformatie 1.7 Contactgegevens 2

Disclaimer

1

Algemeen Dit rapport is opgesteld met de gegevens uit http://www.bodemloket.nl/

1.1

1.2

Administratieve gegevens Locatienaam:

Dronkelaarseweg 4

Identificatiecode volgens bevoegd gezag:

GE020300179

Locatiecode gemeentelijk BIS:

AA020300179

Adres:

Dronkelaarseweg 4 3771VL Barneveld

Gegevensbeheerder:

Provincie Gelderland

Statusinformatie Vervolg: Omschrijving:

1.3

1.4

Verontreinigende (onderzochte) activiteiten Omschrijving

Start

Eind

stortplaats op land (niet gespecificeerd) (900030)

1974

1978

Onderzoeksrapporten Type

Auteur

Nummer

Datum

Historisch onderzoek

De Straat Milieuadviseurs B.V

GE/000/00027

1999-09-22

99.190

1999-04-21

Verkennend onderzoek CSO NVN 5740

1.5

Besluiten Type

1.6

Datum

Saneringsinformatie Bovengronds

2/3

Kenmerk

Ondergronds

Start

Eind

1.7

Contact Gedetailleerde informatie over deze locatie kunt u opvragen bij

Provincie Gelderland

Bezoekadres: Markt 11, 6811 CG Arnhem (route) Postadres: Postbus 9090, 6800 GX Arnhem Telefoon: (026) 359 99 99 Fax: (026) 359 94 80 E-mail: provincieloket@gelderland.nl Twitter: twitter.com/provgelderland

2

Disclaimer De bodeminformatie omvat alleen informatie die bij de provincie en gemeenten bekend is. Wanneer er geen gegevens op de kaart staan kunnen we niet met zekerheid zeggen dat de ondergrond schoon is. Andersom wijzen historische bedrijfsactiviteiten op de kaart niet zonder meer op bodemverontreiniging. Om daar duidelijkheid in te krijgen moet de bodem verder onderzocht worden. De inhoud van deze bodeminformatiekaart is met de grootste zorg samengesteld. Toch kan het voorkomen dat de informatie verouderd is of onjuistheden bevat. Wij vragen daarvoor uw begrip. Neem voor de meest actuele situatie van een locatie contact op met de gegevensbeheerder van de locatie. De contactgegevens van de gegevensbeheerder staat hierboven. Uw reactie stellen we op prijs. Het geeft ons gelegenheid de fouten en gebreken te herstellen. Rijkswaterstaat beheert de website Bodemloket. Vragen over de werking van de website kunt u stellen via onze helpdesk: http://www.bodemplus.nl/helpdesk.

3/3

Verkennend bodemonderzoek op het perceel aan de Dronkelaarseweg 4 te Barneveld

/tf.

^0

Projectcode

BAR.B04.I0

Rapportnummer

99.190

Datum

21 april 1999

Opdrachtgever

Architectenbureau Henk Gaasbeek Woudenbergseweg 58 3953 MH Maarsbergen telefoon: 06-54660728 telefax: 0343-432487

Contactpersonen CSO

H.J.Th. Nijmeijers

CSO Adviesbureau voor Milieuonderzoek Regulierenring 20 3981 LB Bunnik telefoon: 030-6594321 telefax: 030-6571792

CSO

Adviesbureau voor milieuonderzoek

Projectcode BAR.B04.10

Inleiding In opdracht van Architectenbureau Henk Gaasbeek heeft CSO Adviesbureau voor milieuonderzoek een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op een locatie aan de Dronkelaarseweg 4 te Bameveld. De aanleiding voor het verkennend onderzoek is de voorgenomen aankoop van het perceel en gebouwen. Het doel van het onderzoek is het vaststellen van de kwaliteit van de grond en het grondwater ter plaatse van de onderzoekslocatie. Het verkennend onderzoek is uitgevoerd op basis van de richtlijnen zoals aangegeven door de NVN 5740 Bodem: Onderzoeksstrategie bij verkennend onderzoek (september 1991), waarbij de onderzoeksstrategie voor niet-verdachte locaties is gehanteerd. Bij het uitvoeren van het veldwerk, de bemonstering en de chemische analyses zijn de aangepaste Voorlopige Praktijkrichtlijnen (VPR; VROM, 1988) en de Nederlandse Praktijk Richtlijnen (NPR 5741; NNI, 1994) gevolgd. Voor een uitleg van de in dit rapport gebruikte begrippen en afkortingen wordt verwezen naar bijlage 7. CSO Adviesbureau voor milieuonderzoek is lid van de Vereniging Kwaliteitsborging Bodemonderzoek (VKB). Alle werkzaamheden zijn uitgevoerd conform de kwaliteitseisen van deze vereniging. De naleving hiervan wordt getoetst door externe auditors van certificerende instellingen. Deze certificerende instellingen zij daartoe erkend door de Raad voor Accreditatie.

Achtergronden Locatiegegevens en historische gegevens De ligging van de onderzoekslocatie is weergegeven op kaartbijlage 1. Een overzicht van de locatie is opgenomen in kaartbijlage 2. De oppervlakte van de locatie bedraagt circa 25.000 m2. De locatie is bebouwd met woonhuis en schuren (voormalige stallen); de aanwezige panden zijn voorzien van betonvloeren. Het buitenterrein is verhard met asfalt, beton, grind en klinkers. De locatie is momenteel in gebruik als woonhuis met tuin. De bebouwing in de omgeving bestaat uit boerderijen. De toekomstige bestemming van de locatie is woonhuis met tuin. Voor zover bekend bevinden zich geen boven- en/of ondergrondse tanks op de onderzoekslocatie. In het verleden is de locatie in gebruik geweest als boerenbedrijf.

CSO

Adviesbureau voor milieuonderzoek

Projectcode BAR.B04.10

Uitgevoerde werkzaamheden Hypothese Uit de beschikbare informatie blijkt dat ter plaatse van de onderzoekslocatie geen activiteiten hebben plaatsgevonden die hebben kunnen leiden tot een verontreiniging van de grond en/of het grondwater, 'fijdens het onderzoek is derhalve conform de richtlijnen van de NVN 5740 een onderzoeksstrategie gehanteerd voor een niet-verdachte locatie.

Veldwerk Het veldw'erk is uitgevoerd op 31 maart en 7 april 1999. Om de kwaliteit van de grond en het grondwater vast te stellen zijn de volgende veldwerkzaamheden uitgevoerd: 25 boringen tot 0,5 m-mv, boring 4, 5, 6, 9 t/m 16, 19, 21 t/m 33; 8 boringen tot 2,0 m-mv, boring 2, 7, 8, 18, 20, 34, 35 en 36; 3 peilbuizen met het filter van 1,5 tot 2,5 m-mv, boring 1, 3 en 17. Een overzicht van de locatie met de ligging van de boorpunten is opgenomen in kaartbijlage 2. Bij de uitvoering van het veldwerk is de volgende algemene strategie gehanteerd: de boringen zijn gelijkmatig over de locatie verdeeld; bemonstering heeft plaatsgevonden van trajecten van maximaal 0,5 meter, waarbij bodemmateriaal uit zintuiglijk verschillende bodemlagen (textuur/verontreiniging) niet met elkaar is vermengd; in verband met recente ontwikkelingen ten aanzien van de regelgeving op het gebied van de arbeidsomstandigheden zijn tijdens het veldonderzoek geen geurwaamemingen verricht; om de eventuele aanwezigheid van vluchtige verbindingen in de bodem tijdens het veldonderzoek toch te kunnen detecteren is gebruik gemaakt van mobiele koolwaterstofdetectors (type ACTA); het peilfilter is ca. 1 meter onder de grondwaterspiegel geplaatst; het grondwater is een week na plaatsing van de peilbuis bemonsterd; Het opgeboorde materiaal is beoordeeld op kleur, textuur, bijmenging(en) en eventuele bijzonderheden.

De profielbeschrijvingen van de boringen zijn opgenomen in bijlage 4.

CSO

Adviesbureau voor milieuonderzoek

Projectcode BAIl.B04.10

4

Resultaten

4.1

Resultaten van het veld- en laboratoriumonderzoek De bodemopbouw ter plaatse van de onderzoekslocatie kan als volgt worden beschreven. Vanaf maaiveld tot maximaal 1,5 m-mv bestaat de bodem uit zeer fijn tot matig grof, zwak siltig tot matig siltig, humusarm tot sterk humeus zand. Hieronder bestaat de bodem uit matig fijn tot uiterst fijn, zwak tot sterk siltig, humusarm tot zwak humeus zand. Ter plaatse van boorpunt 7 is van 1,4-1,5 m-mv een mineraalarme veenlaag aangetroffen. In de bovengrond ter plaatse van boorpunt 13, 14 en 16 wordt een zwak grindige bijmenging aangetroffen. Zie ook bijlage 4. De zintuiglijke waarnemingen die zijn gedaan tijdens het veldwerk en kunnen duiden op mogelijk bodemverontreiniging zijn weergegeven in tabel 2. Tabel 2. Zintuiglijke waarnemingen. Diepte (m-mv)

Zintuiglijke waarneming

4 10 12

0.4 - 1,0 0.1 - 1,0 0 - 0.5 0 - 0.5 0 - 0,5

13 15

- 0,5 - 0,5

34

0.1 - 0,3 0,3 - 0,7 0,1 - 0,2 0 - 0,2 0,2 - 1,0

zwak puinhoudend zwak puinhoudend zwak puinhoudend zwak puinhoudend sterk puinhoudend, matig kolengruishoudend matig puinhoudend zwak puinhoudend zwak koolhoudend 100% bodemvreemd materiaal, puin zwak puinhoudend 100% bodemvreemd materiaal, puin 100% bodemvreemd materiaal, puin en grind zwak puinhoudend

Boring 2

35 36

Het grondwater is ten tijde van het veldwerk aangetroffen op een diepte van circa 0,5-1,0 m-mv. In verband met een defecte meter is het niet mogelijk geweest voorafgaand aan de bemonstering van de peilbuizen de pH (zuurgraad) en het geleidingsvermogen (Ec) te bepalen in het veld. Wel zijn de peilbuizen voorafgaand aan de bemonstering voldoende afgepompt. De analyseresultaten van de grond en het grondwater zijn integraal opgenomen in bijlage 6. Bijlage 5a en 5b geven een overzicht van de berekende streef- en interventiewaarden. De streef- en interventiewaarden voor grond zijn afhankelijk van het lutum- en/of organisch stofgehalte. Het lutum- en organische stofgehalte van de ondergrond van mengmonster MM8 is analytisch bepaald. De tabellen 3, 4 en 5 geven een overzicht van de analyseresultaten, waarbij is aangegeven of de gemeten concentraties de streef- of interventiewaarden overschrijden. De betekenis van deze indicatieve richtwaarden luidt als volgt: 5

CSO

Adviesbureau voor milieuonderzoek

Projectcode BAR.B04.10

Tabel 3. Analyseresultaten grondmonsters (gehalten in mg/kg d.s., tenzij anders vermeld)

M2 17,19,27,33 00,5 /

M3 21,28,29,31,32 00,5 I

M7 34,35,36 0,20,5 I

80,8

75,5

78,0

83,4

Metalen (ICP, MEN 6426) Chroom Nikkel Koper Zink Cadmium Lood Arseen

< 10 < 5,0 < 5,0 25 < 0,2 15 < 5,0

< 10 < 5,0 16,5 56 0,22 17 < 5,0

< 10 < 5,0 14,0 34 < 0,2 < 5,0

< 10 < 5,0 7,9 31 < 0,2 45 < 5,0

Kwik

< 0,1

< 0,1

< 0,1

0,11

E.O.X.

< 0,1

0,2

0,5

< 0,1

Minerale Olie GC (VPR C85-19) Fractie CIO - C12 Fractie C12 • C22 Fractie C22 • C30 Fractie C30 • C40 Totaal Minerale Olie CIO C40

< 5,0 < 5,0 < 5,0 < 5,0 < 20

< 5,0 < 5,0 < 5,0 < 5,0 < 20

< 5,0 < 5,0 19,0 84 105

< 5,0 5,7 25 125 155

Ml 1,2,3,5,8,9,11,16 00,5 /

Monsternummer Boring Monsterdiepte (rn mv) Bodemtype11

Droge stof 1%)

BTEX + Naftaleen Benzeen Tolueen Ethylbenzeen p + m-Xyleen o-Xyleen Totaal BTEX Som Xylenen Naftaleen

< 10

(ontw. NEN 5732, GCMS) 0,05 0,05 0,05 0,02 0,02 0,2 0,05 0,5

De analyseresultaten zijn getoetst aan het toetsingskader van VROM (circulaire: Saneringsregeling Wet bodembescherming d.d. 8 januari 1998, Aanpassing interventiewaarden: 9 juli 1998). De gehalten zijn als volgt geclassificeerd: * het gehalte is groter dan de streefivaarde (of de detectiegrens, indien deze hoger is) en kleiner dan of gelijk aan het gemiddelde van de streef- en interventiewaarde ** het gehalte is groter dan het gemiddelde van de streef- en interventiewaarde en kleiner dan of gelijk aan de interventiewaarde *** het gehalte is groter dan de interventiewaarde geen toetsingswaarden voor opgesteld niet geanalyseerd De streef- en interventiewaarden zijn afhankelijk van de bodemsamenstelling. Voor de toetsing zijn de grondmonsters ingedeeld in de volgende bodemtypen: I lutum—2,9 %; humus=2,9 %

7

CSO

Adviesbureau voor milieuonderzoek

Projcctcode BAR.B04.10

Vervolg tabel 3. Analyseresultaten grondmonsters (gehalten in mg/kg d.s., tenzij anders vermeld)

Monsternummer Boring Monsterdiepte (m mv) Bodemtype"

Ml 1,2,3,5,8,9,11 ,16 00,5

M2 17,19,27,33 00,5

M3 21,28,29,31,32 00,5

M7 34,35,36 0,20,5

/

I

I

I

< 0,02 < 0,02 < 0,02 < 0,02 < 0,02 0,03 0,06 0,03 0,02 0,02 0,02 0,02 0,3 0,2 0,2

<0,02 <0,02 0,03 0,03 0,35 0,10 0,55 0,46 0,28 0,30 0,38 0,17 0,23 0,15 0,08 0,18 3,3 2,3 1,7

PAK (AcetonIHexaan Extractie, GCMS) Naftaleen Acenaftyleen Acenafteen Fluoreen Fenanthreen Anthraceen Fluorantheen Pyreen Benzo(a|anthraceen Chryseen Benzo|b)fluorantheen Benzo|k)fluorantheen Benzolalpyreen lndeno(1,2,3c,d)pyreen Dibenz(a,h|anthraceen Benzo(g,h,ilperyleen Totaal PAK's EPA Totaal PAK's VR0M Totaal PAK's Borneff

0,02

0,02 0,02 0,02 0,02 0,03 0,02 0,17 0,15 0,12 0,14 0,32 0,14 0,15 0,12 0,05 0,14 1,5 1.0 1,0

0,02 0,02

0,02 0,02 : 0,02

0,09 0,07 0,05 0,07 0,14 0,06 0,05 0,04 : 0,02

0,05 0,6 0,4 0,4

Vluchtige Halogeenverbindingen (ontw. MEN 5732, Headspace, GC MS) 1.1Dichlooretheen Dichloormethaan 3-Chloorpropeen trans-1.2 Dichlooretheen I.IDichloorethaan cis-1.2-Dichlooretheen Trichloormethaan 1.2Dichloorethaan 1.1.1Trichloorethaan Tetrachloormethaan Broomdichloormethaan Trichlooretheen 1.1.2Trichloorethaan Tetrachlooretheen Tribroommethaan Hexachloorethaan Totaal vl. Hal. koolwaters!.

< 0,02 < 0,02 < 0,02 < 0,02

< 0,01 < 0,05 0,1 0,01 0,01 0,01 0,01 0,01 0,03 0,01 0,01 0,01 0,01 0,01 < 0,01 < 0,01 < 0,3

De analyseresultaten zijn getoetst aan het toetsingskader van VROM (circulaire: Saneringsregeling Wet bodembescherming d.d. 8 januari 1998, Aanpassing interventiewaarden: 9 juli 1998). De gehalten zijn als volgt geclassificeerd: * het gehalte is groter dan de streefwaarde (of de detectie grens, indien deze hoger is) en kleiner dan of gelijk aan het gemiddelde van de streef- en interventiewaarde ** het gehalte is groter dan het gemiddelde van de streef- en interventiewaarde en kleiner dan of gelijk aan de interventiewaarde *** het gehalte is groter dan de interventiewaarde geen toetsingswaarden voor opgesteld niet geanalyseerd "

De streef- en interventiewaarden zijn afhankelijk van de bodemsamenstelling. Voor de toetsing zijn de grondmonsters ingedeeld in de volgende bodemtypen: I luturn = 2,9 %; humus = 2,9 %

8

CSO

Adviesbureau voor milieuonderzoek

Projectcode BAR.B04.10

Tabel 4. Analyseresultaten grondmonsters (gehalten in mg/kg d.s., tenzij anders vermeld)

1.2,3 1,0-2,0

M6 17,18

M8 34,35,36

1,0-2,0

0,5-1,5

/

I

I

M4

Monsternummer Boring Monsterdiepte (m mvl Bodemtype11

Droge stof |%)

80,5

78,2

72,9

Organisch stof |% op ds)

2,9

Lutum {% op ds)

2,9

Metalen (ICP, NEN 6426) Chroom

15

12

Nikkel Koper

10,5 < 5,0 46

11,5 < 5,0

5,1 < 5,0

< 0,2 < 10

12 < 0,2 < 10

21 < 0,2

< 5,0

< 5,0

12 < 5,0

Kwik

< 0,1

< 0,1

< 0,1

E.O.X.

0,1

2,1

< 0,1

Zink Cadmium Lood Arseen

< 10

De analyseresultaten zijn getoetst aan het toetsingskader van VROM (circulaire: Saneringsregeling Wet bodembescherming d.d. 8 januari 1998, Aanpassing interventiewaarden: 9 juli 1998). De gehalten zijn als volgt geclassificeerd: * het gehalte is groter dan de streefwaarde (of de detectiegrens, indien deze hoger is) en kleiner dan of gelijk aan het gemiddelde van de streef- en interventiewaarde ** het gehalte is groter dan het gemiddelde van de streef- en interventiewaarde en kleiner dan of gelijk aan de interventiewaarde *** het gehalte is groter dan de interventiewaarde geen toetsingswaarden voor opgesteld niet geanalyseerd '>

De streef- en interventiewaarden zijn afliankelijk van de bodemsamenstelling. Voor de toetsing zijn de grondmonsters ingedeeld in de volgende bodemtypen: I lumm-2,9 %; humus=2,9 %

9

CSO

4.2

Adviesbureau voor milieuonderzoek

Projectcodc BAR.B04.10

De verontreinigingssituatie

CSO

Adviesbureau voor milieuonderzoek

Projectcode BAR.B04.10

Tabel 5. Analyseresultaten grondwatermonsters (gehalten in gg/l, tenzij anders vermeld)

Peilbuisnummer

pb 1

pb 3

pb 17

Filtertraject lm-mvl

1,5-2,5

1,5-2,5

1,5-2,5

Metalen (ICP-AES; NEN 6426) 4,4

Chroom

«r

m

< 5,0 < 5,0 41 5,0 0,4

< 0,4

32 < 5,0 < 0,4

Lood

5,0

< 5,0

< 5,0

Kwik

< 0,05

< 0,05

< 0,05

Fenolindex

< 2,0

< 2,0

< 2,0

Benzeen

< 0,2

Tolueen Ethylbenzeen p+m-Xyleen

< 0,2

0,2 0,2 0,2 0,1

0,2 0,2 0,2

o-Xyleen

< 0,1 < 1,0 < 0,2 < 0,2

< 0,1

0,1

0,2 0,2

< 0,1

1,0 0,2 0,2 0,1

0,5

0,5

0,5

1,0

Nikkel Koper Zink Arseen Cadmium

17,5 31 16,0

20

Vluchtige Aromaten en Gehalogeneerden (NEN 6407, purge&trap, GCMS)

< 0,2 < 0,1

Totaal BTEX Som Xylenen Naftaleen 1.1Oichlooretheen Dichloormethaan 3-Chloorptopeen trans-1.2-Dichlooretheen

0,1 1,0

0,1

1,0

Hexachloorethaan

< 0,1

1,0 0,1 0,1 0,1 < 0,1 < 0,1 < 0,1 < 0,1 < 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1

Totaal vl. Hal. koolwaters!.

< 3,0

3,0

3,0

E.O.X.

< 1,0

< 1,0

< 1,0

0,1

1.1Oichloorethaan cis-1.2 Dichlooretheen Trichloormethaan 1.2Dichloorethaan 1.1.1Trichloorethaan Tetrachloormethaan Broomdichloormethaan Trichlooretheen

0,1

1.1.2-

0,1

Trichloorethaan

0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1

Tetrachlooretheen

0,1

Tribroommethaan

0,1

1.1.2.2-

Tetrachloorethaan 0,1

0,1

0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1

0,1 0,1

0,1 0,1 0,1

De analyseresultaten zijn getoetst aan het toetsingskader van VROM (circulaire: Saneringsregeling Wet bodembescherming d.d. 8 januari 1998, Aanpassing interventiewaarden: 9 juli 1998). De gehalten zijn als volgt geclassificeerd: * het gehalte is groter dan de streefivaarde (of de detectiegrens, indien deze hoger is) en kleiner dan of gelijk aan het gemiddelde van de streef- en interventiewaarde ** het gehalte is groter dan het gemiddelde van de streef- en interventiewaarde en kleiner dan of gelijk aan de

CSO

Adviesbureau voor milieuonderzoek

Projectcode BAR.B04.10

Interpretatie aangetroffen verontreinigingen Waardoor de lichte verontreiniging met minerale olie in de bovengrond wordt veroorzaakt is niet bekend. De aangetroffen minerale olie is op grond van de samenstelling en het chromatogram niet eenduidig te karakteriseren. Zintuiglijk is geen verontreinigingsbron in de grond aangetroffen. Mogelijk wordt de lichte verontreiniging veroorzaakt door een analytische storing van natuurlijke huinus(achtige) verbindingen. De lichte verontreiniging met PAK (VROM) in de bovengrond is zeer waarschijnlijk gerelateerd aan het voorkomen van puin in de bodem. Voor EOX bestaat er geen interventiewaarde. De streefwaarde voor EOX is niet opgenomen in de Circulaire Interventiewaarde Bodemsanering (Staatscourant 24 mei 1994), maar in de notitie Milieukwaliteitsdoelstellingen Bodem en Water (M1LBOWA) vastgesteld op 0.1 mg/kg dst. De EOX bepaling vervult een zogenaamde P'/ggerfunctie die kan worden gebruikt om een indicatie te krijgen of interventiewaarden voor individuele halogeenverbindingen mogelijk worden overschreden. Gezien de hoogte van het EOX (totaal) gehalte in het mengmonster wordt de interventiewaarde voor individuele halogeenverbindingen niet overschreden. Waardoor de lichte tot matige verontreinigingen met zware metalen (chroom, nikkel, koper en arseen) wordt veroorzaakt is niet bekend.

Analytisch is in de grond geen verontreinigingsbron van zware metalen aangetroffen. Mogelijk zijn de lichte tot matige verontreinigingen toe te schrijven aan regionaal verhoogde achtergrondconcentraties. Bij navraag bij de afdeling Milieu van de Gemeente Bameveld is gebleken dat in Barneveld zware metalen vaker in verhoogde concentraties in het grondwater worden gemeten. Oorzaak van deze verhoogde concentraties zijn sedimentverwering en/of overbemesting. Sporadisch w'ordt nikkel zelfs boven de interventiewaarde aangetroffen en alleen in deze gevallen wordt het grondwater herbemonsterd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Barneveld&id=5912a939-99a6-4116-8cf3-b31c143975bc