CConstaterende datBarneveld
Koppel je AI →
Document · PDF

Dronkelaarseweg III, partiële herziening Buitengebied 2012 Toelichting Bijlage 3 Quickscan Flora en Fauna.pdf

Gemeenteraad 26 mei 2021, gemeente BarneveldBij agendapunt: Bestemmingsplan Dronkelaarseweg III, partiële herziening Buitengebied 2012 (Barneveld6.178 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Dhr. Gaasbeek Dronkelaarseweg 4 3771 VL Barneveld

Datum

april 2020

Kenmerk

BE/2020/207/r

Uw kenmerk

Email d.d. 5 maart 2020

Auteur(s)

ir. M. Poelman

Collegiale toets

ir. ing. K.J. Rebergen

Quickscan Wet natuurbescherming Dronkelaarseweg 4 te Barneveld Aan de Dronkelaarseweg 4 te Barneveld is een perceel gesitueerd met een voormalige veestal, een grote schuur met aanbouw, twee stenen schuren, een woning met aanbouw, een overkapping en twee houten schuren. Er ligt een tuin rondom de bebouwing en aangrenzend aan de zuidzijde ligt een grasweide. De initiatiefnemer is voornemens de bestaande bebouwing op de planlocatie deels te saneren, en op de aangrenzende grasweide ten zuiden een nieuwe woning met een aantal bijgebouwen te realiseren. Het bestemmingsplan voorziet niet volledig in de beoogde ontwikkeling en dient derhalve deels te worden gewijzigd. De beoogde ontwikkeling heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Middels voorliggend ecologisch oriënterend onderzoek is de (potentiële) aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de betekenis van de planlocatie voor deze soorten in kaart gebracht. Struikhoeve Advies en Bemiddeling begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie B.V.

verzocht de planlocatie te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde flora en fauna en deze vervolgens te toetsen aan de effecten van de werkzaamheden en het geldende bestemmingsplan. Onderzoeksdoelen Middels dit oriënterende onderzoek worden de volgende onderzoeksvragen beantwoord: • Is het bestemmingsplan dat wordt opgesteld voor het project zoals hiervoor omschreven uitvoerbaar zoals het bepaalde in de Wro (art. 3.1.6 Bro)? • Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie? • Welke negatieve effecten treden op voor (potentieel) aanwezige flora en fauna als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op het de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van het Gelders Natuurnetwerk? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd? • Dienen er vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming te worden genomen, en zo ja, welke?

Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Dronkelaarseweg 4 te Barneveld (figuur 1). Het betreft een perceel met een voormalige veestal, een grote schuur met aanbouw, twee stenen schuren, een woning met aanbouw, een overkapping, twee houten schuren en een zwembad. Er liggen een tuin en delen verharding rondom de bebouwing en aangrenzend ligt een grasweide. Hieronder volgt een omschrijving van de diverse gebouwen. In figuur 2 en bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de diverse gebouwen op de planlocatie en de directe omgeving hiervan. Gebouw A: Een voormalige veestal opgetrokken uit muren met een gemetselde basis en daarboven houten betimmering. Er is geen spouw aanwezig. Het heeft een zadeldak met golfplaten zonder dakbeschot. Gebouw B: Een grote schuur met aanbouw. De schuur zelf blijft behouden. De aanbouw wordt gesloopt. Deze is opgetrokken uit gemetselde muren zonder spouw en een dak van golfplaten zonder dakbeschot. Gebouw C: Een oude stenen schuur opgetrokken uit gemetselde muren zonder spouw en een zadeldak met golfplaten met dakbeschot. Gebouw D: Een stenen aanbouw die verbonden is met de woning (gebouw H). Dit gebouw blijft behouden. Het is opgetrokken uit gemetselde muren met een zadeldak met golfplaten. Gebouw E: Een houten schuur bestaande uit twee delen die met elkaar verbonden zijn.

Het is opgetrokken uit muren met aansluitende potdeksels en gevelbetimmering aan het zuidelijke deel. Het heeft zadeldaken met golfplaten. Het noordelijke deel heeft deels een open structuur. Gebouw F: Een houten schuur opgetrokken uit muren met een betonnen basis en daarboven houten betimmering. Er is geen spouw aanwezig. Het heeft een zadeldak met golfplaten en dakbeschot. Gebouw G: Een stenen schuur met gemetselde muren zonder spouw en een zadeldak met golfplaten en dakbeschot. Gebouw H: Een woning. Deze blijft behouden. Het heeft gemetselde muren en een rieten wolfsdak. Gebouw I: Een overkapping van hout met een golfplaten dak. De directe omgeving van de planlocatie wordt gekenmerkt door agrarisch gebied. De A30 ligt direct ten oosten en de A1 ligt op circa 1,5 km ten noorden. Op circa 1 km ten noorden ligt een spoorlijn. Ten zuidoosten begint op circa 1 km de bebouwde kom van Barneveld.

H

Figuur 1

2

De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de Dronkelaarseweg 4 te Barneveld (bron kaartmateriaal: Struikhoeve Advies en Bemiddeling).

A

B

C

D

E

F

G

H

I

Figuur 2

3

Fotografische indruk van de diverse gebouwen op de planlocatie.

Functieverandering en effecten De beoogde ingrepen zijn permanent van karakter. De beoogde ontwikkeling betreft het saneren van gebouw A, C, E, F, G, I en de aanbouw van gebouw B. Daarnaast wordt op de grasweide ten zuiden van het huidige woonperceel een woning met bijgebouwen gerealiseerd. Het betreft deels een functieverandering van agrarisch naar wonen. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • • • • •

saneren van bebouwing: algemene sloopwerkzaamheden en afvoer sloopmateriaal; verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; realisatie nieuwbouw: algemene bouwwerkzaamheden; revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.

Figuur 3

Visuele representatie van de beoogde situatie (bron: Struikhoeve Advies en Bemiddeling).

Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. Veldbezoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 18 maart 2020 en is uitgevoerd door naam werknemer. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 8/8 bewolkt, 14 Celsius en windkracht 3 (Bft). Externe bronnen

4

Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF). Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.

Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 zijn drie voormalige wetten; de Flora- en faunawet samen met de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998, vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Bevoegdheden zijn met het ingaan van deze wet overgedragen van het rijk naar de provincie. Algemene zorgplicht In de Algemene zorgplicht (art. 1.11) wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moet worden. Het uitgangspunt van de Algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. (a) Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (art. 3.5) en Andere soorten (art. 3.10). Hierin worden ook rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Bij negatieve effecten op soorten in de specifieke soortenbescherming geldt een ontheffingsplicht. Van de verboden als bedoeld in Andere soorten art. 3.10 eerste lid kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen voor bepaalde soorten.

In de verordening Ruimte van de provincie Gelderland is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 1 Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Gelderland. Aardmuis Gewone bosspitsmuis Ondergrondse woelmuis Bastaardkikker

Gewone pad

Ree

Bosmuis

Haas

Rosse woelmuis

Bruine kikker Dwergmuis Dwergspitsmuis

Huisspitsmuis Kleine watersalamander Konijn

Tweekleurige bosspitsmuis Veldmuis Vos

Egel

Meerkikker

Woelrat

(b) Gebiedsbescherming Naast de specifieke soortenbescherming kent Nederland ook gebiedsbescherming, waarbij bepaalde gebieden extra bescherming genieten. Het gaat hier hoofdzakelijk om Natura 2000gebieden en het Gelders Natuurnetwerk. In deze gebieden mogen in principe geen werkzaamheden binnen de grenzen uitgevoerd worden. Voor werkzaamheden in Natura 2000gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist en binnen het Gelders Natuurnetwerk geldt het ‘nee, tenzij’-principe. In bepaalde gevallen dient er natuurcompensatie uitgevoerd te worden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Ten aanzien van het Gelders Natuurnetwerk geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden geldt een ontheffingsplicht. (c) Houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten.

5

In geval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden. Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft: a) houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) éénrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013.

Beoordeling (a) soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ontwikkeling. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten (beschermingsregime ‘Andere soorten’) geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen (zie soortenbescherming). In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt c.q. soorten waarvoor een ontheffingsplicht noodzakelijk is. Vaatplanten In de omgeving, binnen een straal van circa 2 km, van de planlocatie is het voorkomen van beschermde vaatplanten niet bekend (NDFF 2010-2020). Gedurende het veldbezoek zijn geen beschermde planten en/of sporen hiervan aangetroffen. Ter plaatse van de planlocatie is slechts sprake van inheemse of aangeplante kruiden zonder beschermde status. Enkele waargenomen soorten betreffen: beuk, blauwe druif, conifeer, zomereik, esdoorn, haagbeuk, kleine brandnetel, klimop, madelief, narcis, paardenkastanje, paarse dovenetel, plataan, ruwe berk en wilde peen. Op de muren van de bebouwing is geen (beschermde) muurvegetatie aangetroffen.

De beoogde ontwikkeling leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie. Beschermde planten stellen over het algemeen specifieke eisen aan hun milieu, zoals kalkhoudende schrale grond of stikstofarme blauwe graslanden. De planlocatie is een voormalig agrarisch perceel dat verstoord en geëutrofieerd is door het gebruik ervan in het verleden. Soorten als kleine brandnetel indiceren een voedselrijke bodem. Dit is ongunstig voor het gros van de beschermde plantensoorten. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Daarnaast zijn beschermde planten niet aangetroffen gedurende het veldbezoek, waarmee negatieve effecten ten aanzien van beschermde vaatplanten derhalve kunnen worden uitgesloten. Grondgebonden zoogdieren In de omgeving, binnen een straal van circa 2 km, is onder andere de aanwezigheid van de volgende soorten vastgesteld: boommarter, bosmuis, bruine rat, bunzing, das, rode eekhoorn, egel, haas, konijn, mol, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos, woelrat (NDFF 2010-2020). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: boommarter, bunzing, das en rode eekhoorn. Tijdens het veldbezoek is een haas gezien.

De boommarter komt voor in verschillende typen bossen. Rust- en/of nestlocaties zijn vaak aanwezig in boomholten, holen gemaakt door andere dieren of onder takkenbossen. De soort

6

komt ook voor in stadsparken met voldoende (oude) bomen en vakantiehuizen of schuren in of aan de rand van natuurgebieden. Een territorium kan circa 1000 hectare groot zijn en er worden nachtelijk afstanden tot wel 20 km afgelegd (Zoogdiervereniging boommarter, 2019). Op de planlocatie staan vrij veel bomen en er is dekking aanwezig. Er was tijdens het veldbezoek onvoldoende tijd om alle bomen te inspecteren op de aanwezigheid van holten. Echter, de bomen blijven behouden. Daarnaast is de planlocatie niet erg geschikt voor boommarters vanwege de beperkte grote en verstoring. Mogelijk komt de boommarter zeer sporadisch voor binnen de planlocatie. Er is tevens een dood exemplaar aangetroffen op de A30 die naast de planlocatie loopt. Echter, door de geïsoleerde locatie van het plangebid, maakt deze geen deel uit van essentieel leefgebied van de soort. Daarbij zullen de bomen behouden blijven en in de beoogde ontwikkeling zullen een aantal bomen aangeplant worden. Negatieve effecten op boommarters worden derhalve niet verwacht. De bunzing komt in allerlei landschapstypen voor, maar lijkt een voorkeur te hebben voor kleinschalig landschap met voldoende schuilmogelijkheden en water in de nabijheid. Bunzingen kunnen voorkomen in oeverbegroeiingen, droge sloten, heggen, houtwallen, bosranden en akkerranden, maar ook in rietvelden of moerasgebieden.

Daarnaast kan de soort ook voorkomen in vrij open terreinen, zoals weidegebieden met sloten. Allerlei droge ruimten of holten kunnen als rust- en nestplaats worden benut, waaronder konijnenholen, verlaten dassenpijpen, holle boomstammen; ook onder bijvoorbeeld hooibalen, grove puinhopen of houten vlonders. In de winter komt de bunzing ook wel in de buurt van boerderijen waar ze tussen strobalen en op hooizolders warm blijven en muizen en ratten bemachtigen. Een mannetjes bunzing markeert zijn territorium met muskus en soms met uitwerpselen (stichting kleine marters, 2020). Op de planlocatie is sprake van potentieel geschikt habitat voor de bunzing gezien de aanwezigheid van struweel, schuilmogelijkheden en water in de nabijheid. Er is vlakbij ook een dood exemplaar aangetroffen op de A30. De groenstructuren blijven echter grotendeels behouden en worden zelfs uitgebreid; er gaan gebouwen weg en er komt veel groen voor terug. Dit zou gunstig zijn voor de soort. Ten westen en zuiden liggen veel open velden, en er zijn niet overal dekking biedende structuren die veilige migratie naar de planlocatie mogelijk maken voor de bunzing. De aanwezigheid van de soort op de planlocatie wordt derhalve niet verwacht, en er worden geen/weinig groenstructuren verwijderd, dus er is geen sprake van verwijdering van potentieel leefgebied mocht hij er toch sporadisch voorkomen.

Aanvullend onderzoek is niet noodzakelijk. De das leeft in gebieden die bestaan uit een combinatie van diverse habitattypen. Vaak zijn dit zowel hooggelegen als laaggelegen gronden die op korte afstand van elkaar liggen, in meestal kleinschalige akker- en weidelandschappen met voldoende bosjes, houtwallen, singels en heggen. Belangrijk voor het habitat van de das zijn voldoende voedselaanbod; een goed vergraafbare grond; voldoende dekking in de vorm van bijvoorbeeld houtwallen of heggen en weinig verstoring van het gebied (BIJ12 kennisdocument Das, 2017). De planlocatie is niet ideaal voor de das gezien er sprake is van verstoring. Daarnaast zijn er geen waarnemingen bekend van de das op de planlocatie zelf, enkel in omliggend gebied. De beoogde ontwikkelingen hebben geen significante negatieve effecten op de das. De rode eekhoorn leeft in loofbos, naaldbos of gemengd bos, maar ook in tuinen, parken en houtwallen in de buurt van bos (Zoogdiervereniging eekhoorn, 2019). Eekhoorns bouwen op minstens 5 m hoogte slaapnesten in bomen. Er moet voldoende voedsel te vinden zijn in de omgeving in de vorm van noten en zaden. Het is niet onmogelijk dat de rode eekhoorn voorkomt op de planlocatie, gezien de aanwezigheid van vrij veel loofbomen. Echter, deze blijven behouden en de gebouwen die worden gesaneerd zullen plaats maken voor meer groen.

Daarnaast is er in de directe omgeving rondom de planlocatie veel open veld en zijn er relatief weinig bomen(rijen) die migratie naar andere delen met veel bomen mogelijk maken. Derhalve is het een vrij klein, geïsoleerd gebied. De beoogde ontwikkeling leidt naar verwachting niet tot een afname van essentieel geschikt leefgebied of aantasting van nestlocaties van de rode eekhoorn. Gelet op het gebruik van de locatie en de afwezigheid van gunstige migratieroutes in de directe omgeving van de locatie is het aannemelijk dat soorten van de Habitatrichtlijn en niet vrijgestelde Andere soorten niet op de locatie voorkomen. De planlocatie heeft naar verwachting een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name egel, konijn, mol en veldmuis. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden.

7

Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Op en rondom de planlocatie zijn geen holen, nesten of sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten die buiten de Verordening uitvoering Wet natuurbescherming van de provincie vallen (zie Wnb art 3.10). Effecten op beschermde zoogdieren zijn uitgesloten. Vleermuizen In de omgeving, binnen een straal van circa 2 km, is het voorkomen bekend van onder andere: gewone dwergvleermuis, laatvlieger en rosse vleermuis (NDFF 2010-2020). Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als Habitatrichtlijnsoorten beschermd. Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat (BIJ12 kennisdocument Gewone dwergvleermuis, 2017; Limpens et al., 1997; Dietz et al., 2011). Alle bomen blijven behouden, waardoor negatieve effecten op rust- en/of verblijfplaatsen voor boom bewonende vleermuizen als de rosse vleermuis uitgesloten kunnen worden. De te slopen bebouwing is nauwkeurig geïnspecteerd op de aan- dan wel afwezigheid van geschikte invliegopeningen.

Alle gevels en daken van de betreffende bebouwing zijn gecontroleerd op eventuele openingen als open stootvoegen, kierende daklijsten, ontbrekende/scheefliggende pannen, ontbrekende specie en overige gevelafwerkingen die vleermuizen toegang kunnen verlenen tot een open dakruimte en/of spouwmuur waar ze een verblijfplaats zouden kunnen vinden. Zo’n verblijfplaats moet voldoen aan een geschikt microklimaat, met een constante (lage) temperatuur, een hoge luchtvochtigheid en weinig invloed van weersomstandigheden. De bebouwing die wordt gesaneerd hebben allen geen spouwmuren waar vleermuizen een geschikte rust- of verblijfplaats in zouden kunnen vinden. Gebouw F en G hebben een dak met dakbeschot. Echter, de bedekking met golfplaten maakt dat de daken niet erg geschikt zijn als verblijfplaats voor vleermuizen. De potdeksels en houten panelen op de muren van diverse gebouwen hebben geen openingen of kieren die leiden naar ruimtes die een potentiële geschikte verblijfplaats voor vleermuizen zouden kunnen vormen. Het wordt derhalve niet verwacht dat de bebouwing op de planlocatie gebruikt wordt door vleermuizen die in bebouwing leven, zoals gewone dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis.

Hoewel het niet aannemelijk is dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als vaste rust- en/of verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute. In de luwte van opgaande vegetatie of bebouwing kunnen vliegbewegingen en foerageeractiviteiten van vleermuizen plaatsvinden. Vleermuizen jagen op insecten waarbij ze opportunistisch gebruik maken van een groot netwerk aan jachtgebieden. Gedurende het foerageren verspreiden vleermuizen zich diffuus over het landschap waarbij veelal gebruik wordt gemaakt van bosranden, bomenlanen, oeverzones of andere structuurrijke zones. Ten gevolge van de beoogde ontwikkeling worden geen essentiële foerageergebieden of vliegroutes aangetast. Er kan sprake zijn van tijdelijke verstoring van vleermuizen ten gevolge van werkzaamheden of lichtgebruik. Vleermuizen kunnen verblind en daardoor gedesoriënteerd raken als gevolg van felle verlichting. Sterk verlichte locaties worden gemeden door vleermuizen. Tijdens en na de beoogde ontwikkeling dient bij voorkeur geen verlichting te worden toegepast. Bij voorkeur de werkzaamheden uitvoeren tussen zonsopkomst en zonsondergang. Mocht verlichting noodzakelijk zijn wordt vleermuisvriendelijke verlichting geadviseerd.

Amfibieën In de omgeving, binnen een straal van circa 2 km, is de aanwezigheid bekend van de bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, heikikker, kleine watersalamander en poelkikker (NDFF 2010-2020). Voor de heikikker en de poelkikker geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Alle waarnemingen van de heikikker en de poelkikker zijn gedaan in een natuurgebied ten westen van de planlocatie. Amfibieën leven in zowel een aquatisch (m.n. lente/zomer) als een terrestrisch (m.n. herfst/winter) habitat. Beide habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen. De

8

heikikker wordt vaak waargenomen in kleinschalige afwisselende landschappen welke worden gekenmerkt door schrale, ruige en vochtige omstandigheden. De soort maakt gebruik van drie habitattypen die op korte afstand van elkaar aanwezig dienen te zijn. Dit betreffen ondiep, relatief zuur, zon-beschenen en voedselarm voortplantingswater; vochtige plekken in schraal, ruig gebied zoals heide, hoogveen, laagveen en natuurlijk grasland voor in de actieve periode; en vochtvrije overwinteringsplaatsen. De heikikker wordt niet vaak aangetroffen in te intensief gebruikt agrarisch landschap, en rond infrastructuur en bebouwing (Creemers & Van Delft, 2009; BIJ12 kennisdocument Heikikker, 2017). De poelkikker leeft vooral in kleinschalige, stilstaande wateren met schoon, zwak zuur en voedselarm water. Het is een pionierssoort die nieuw ontstane poelen zonder vegetatie kunnen koloniseren, maar zich kan blijven handhaven als vegetatie zich sterker heeft ontwikkeld. De soort geeft de voorkeur aan wateren met een goed begroeide oeverzone (BIJ12 kennisdocument Poelkikker, 2017). De planlocatie is deels verhard en er vindt verstoring plaats. Op de planlocatie is geen geschikt oppervlaktewater aanwezig voor de heikikker en de poelkikker. Om de planlocatie heen ligt een sloot, waarvan het water te voedselrijk zal zijn. Negatieve effecten op de soorten worden niet verwacht.

Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad, gedurende de terrestrische (herfst/winter) periode voorkomen binnen de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen (zie Wet natuurbescherming). Negatieve effecten op beschermde amfibieën zijn derhalve uitgesloten. Reptielen In de omgeving, binnen een straal van circa 2 km, is de aanwezigheid bekend van de hazelworm, levendbarende hagedis, muurhagedis en zandhagedis (NDFF 2010-2020). Voor de hazelworm, de levendbarende hagedis en de muurhagedis geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Hazelwormen leven over het algemeen in open bossen, bosranden, heidegebieden, houtwallen en struwelen, steenachtige biotopen en tuinen (Ravon hazelworm, 2019). Hazelwormen zijn actief in de periode maart – oktober, waarna er overwinterd wordt in droge holten, al dan niet zelf gegraven, of spleten in rotsen (Creemers & Van Delft, 2009). De soort wordt op de planlocatie niet verwacht gezien het ontbreken van een rijke strooissellaag in combinatie met open gebieden. Negatieve effecten zijn uitgesloten. De levendbarende hagedis komt voor in open bossen, ruige graslanden, in bermen van (spoor)wegen en in duinen.

Het habitattype heide en hoogveen genieten echter de voorkeur. De levendbarende hagedis is een vochtminnende soort. De soort is afhankelijk van structuurrijk habitat met daarbinnen open zon beschenen, snel opwarmende plekken in de nabijheid van dekkingsmogelijkheden om zich te beschermen tegen uitdroging en predatie. Voldoende ei afzetmogelijkheden en een ruim aanbod van wateren in nabijheid van hoge gronden zijn belangrijke randvoorwaarden (BIJ12 kennisdocument levendbarende hagedis, 2017; Ravon levendbarende hagedis, 2019). De planlocatie voldoet niet aan de habitat eisen van de levendbarende hagedis. Negatieve effecten op de soort zijn uitgesloten. De muurhagedis is een warmte minnende soort, die in Nederland van nature alleen in Maastricht voorkomt. De waarnemingen van de soort betreft derhalve een uitgezette populatie (Creemers & van Delft, 2009). Belangrijk is dat er voldoende spleten en holen aanwezig zijn binnen het leefgebied voor thermoregulatie, overwintering en bescherming tegen predatoren. Door het ontbreken van vorengenoemde binnen de planlocatie, kan de aanwezigheid van de soort uitgesloten worden. Negatieve effecten op de soort kunnen op de planlocatie worden uitgesloten. Vissen Op de planlocatie en binnen de invloedssfeer van de beoogde ontwikkeling bevindt zich geen geschikt oppervlaktewater. Negatieve effecten op (beschermde) vissen zijn uitgesloten.

Insecten en andere ongewervelden In de omgeving is de aanwezigheid van beschermde soorten ongewervelden niet bekend (NDFF 2010-2020). Op de planlocatie zijn gedurende het veldbezoek geen (sporen en/of delen van) beschermde vlinders, libellen of andere ongewervelden aangetroffen. Op de planlocatie zijn geen plantensoorten aangetroffen die specifiek voor een beschermde ongewervelde een waardplant vormen. Ook is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden

9

die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Negatieve effecten op de soortgroep zijn uitgesloten. Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: ekster, koolmees, merel, torenvalk (inclusief nestkast op paal), vink en zwarte kraai. Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) Gedurende het veldbezoek zijn geen nesten en/of sporen als braakballen, plukplaatsen, horsten, holen of uitwerpselen aangetroffen van soorten met een jaarrond beschermd leefgebied en/of nestlocatie. Er zijn geen nesten aangetroffen in de bomen op en rondom de planlocatie. De aanwezigheid van in bomen broedende soorten als buizerd, sperwer en ransuil kan uitgesloten worden. In de bebouwing zijn geen sporen van uilen met jaarrond beschermde nesten (kerkuil en steenuil) aangetroffen. Op de planlocatie is geen sprake van essentieel functioneel leefgebied van uilen en roofvogelsoorten. De grasweide ten zuiden waar nieuwbouw op zal worden gerealiseerd betreft geen essentieel leefgebied, mede gezien er voldoende vergelijkbaar habitat in de omgeving aanwezig is. Grote gele kwikstaart broedt langs stromende watergangen in dichte vegetatie langs natuurlijke oevers of in kunstwerken als bruggen of stuwen. Voor deze soort is binnen de planlocatie geen functioneel leefgebied aanwezig.

De huismus leeft in de directe omgeving van mensen en maakt in de regel nesten in of tegen allerlei menselijke bebouwing; onder dakpannen tegen het isolerende dakbeschot, in neststenen en in kieren en gaten in muren. Ook zijn nesten te vinden achter regenpijpen bij al dan niet met klimop begroeide muren en in nestkasten (BIJ12 kennisdocument Huismus, 2017). De dichtstbijzijnde waarneming van een huismus is gedaan op ongeveer 850 meter in 2018. Er zijn geen huismussen waargenomen op de planlocatie. In deze periode van het jaar zijn de huismussen bezig met nestenbouw en zijn ze veelal binnen enkele meters van hun nesten te vinden. Enkel het pannendak van gebouw B zou mogelijk geschikt kunnen zijn, echter deze is ontoegankelijk voor huismussen. Het voorkomen van nestlocaties van huismus op de planlocatie kan derhalve uitgesloten worden. Doordat er geen sprake is van huismusnesten, is essentieel leefgebied van de soort tevens uitgesloten. De gierzwaluw leeft evenals de huismus in de directe omgeving van mensen en broedt tevens als koloniebroeder in gevels en onder (pannen)daken (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017). De soort is vaak te vinden in woonwijken en is vrij zeldzaam in landelijk gebied. In de bebouwing zijn geen geschikte verblijfplaatsen en invliegopeningen aangetroffen voor gierzwaluwen. Daarnaast bevindt de planlocatie zich in landelijk gebied.

Hierdoor kan de aanwezigheid van gierzwaluw op de planlocatie uitgesloten worden. Van overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van jaarrond beschermde nestlocaties en essentiële habitatonderdelen is geen sprake. Vogels - Algemene broedvogels en categorie 5 (beschermde nestlocatie gedurende broedperiode en bij ecologisch zwaarwegende redenen) Er is ten noorden van de planlocatie een nestkast van een torenvalk aangetroffen. Daarnaast zijn er kunstmatige huiszwaluwnesten aangetroffen aan gebouw B. Beide blijven behouden. In schuur G is een boerenzwaluwnest aangetroffen. Dit is een categorie 5 soort en het nest is enkel jaarrond beschermd bij ecologisch zwaarwegende redenen. Hier is geen sprake van gezien de soort een gunstige staat van instandhouding heeft (Sovon, 2020) en het weghalen van slechts één nest dit niet doet afnemen. Verder is er een nest aangetroffen in een boom, vermoedelijk van een kraai. Deze boom blijft behouden. De planlocatie voorziet verder in voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De struiken, bomen en bebouwing vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd.

Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de werkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde

10

werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige. Beoordeling (b) gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000 en het Gelders Natuurnetwerk. Op een afstand van circa 8 km ligt het Natura 2000-gebied ‘Veluwe’ (figuur 4). Op een afstand van circa 430 m ligt de Groene Ontwikkelingszone en op circa 460 m ligt het Gelders Natuurnetwerk (figuur 5).

8 km

Figuur 4

De planlocatie ligt op een afstand van circa 8 km tot het Natura 2000-gebied ‘Veluwe’ (bron: nationaal Georegister PDOK).

430 m

460 m

Figuur 5

De planlocatie ligt op een afstand van circa 430 m tot de Groene Ontwikkelingszone en circa 460 km tot het Gelders Natuurnetwerk (bron: gelderland.maps.arcgis.com).

Ondanks dat de beoogde ontwikkeling buiten een beschermd gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring

11

etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Ten aanzien van het Gelders Natuurnetwerk geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. Blom Ecologie B.V. adviseert om projecten die kunnen leiden tot een toename van stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden te beoordelen middels de AERIUS Calculator. Doel daarvan is vast te stellen of significante effecten kunnen worden uitgesloten. In sommige gevallen kan op voorhand negatieve effecten ten aanzien van stikstofdepositie worden uitgesloten, wegens de grote afstand tot stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden, een afname in stikstofemissie of een beperkte ingreep. De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van een nieuwe woning. Ten opzichte de huidige situatie leidt de beoogde ingreep tot een beperkte toename in het aantal verkeersbewegingen. De nieuwbouw zal zonder gasaansluiting in de gebruiksfase geen stikstofuitstoot hebben. Gedurende de aanlegfase kan er een beperkte en tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en transportbewegingen (het ‘projecteffect’).

In de handreiking ‘woningbouw en AERIUS’ (Rijksoverheid januari 2020) wordt uitgegaan van de volgende kengetallen: • • •

Emissie woning tijdens gebruiksfase: geen; Emissie uit verkeer tijdens gebruiksfase: 0,27 kg NOx per woning; Emissie uit de aanlegfase (mobiele werktuigen en transport): 3 kg NOx per woning.

Gezien er sprake is van een grote afstand (8 km) tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied en in de gebruiksfase geen sprake is van een toename in stikstofemissie wordt op voorhand uitgesloten dat er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden. Een berekening middels de AERIUS Calculator kan derhalve achterwege blijven.

Beoordeling (c) houtopstanden In de beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien.

12

Conclusies Samenvatting (a) Soortenbescherming De planlocatie heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. (b) Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of het Gelders Natuurnetwerk. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een Voortoets en/of ‘nee, tenzij’-toets is niet noodzakelijk. Een Aerius calculatie met betrekking to stikstofdepositie is niet vereist. (c) Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming.

-

-

-

-

-

-

-

-

n

n

n

n

+

-

n

n

Geschikt habitat Habitatrichtlijnsoort

-

-

Geschikt habitat Andere soort

-

+/-

Soortspecifiek onderzoek noodzakelijk

n

n

Gebiedsbescherming

afstand

effecten

nader onderzoek

Natura 2000

8 km

geen

n.v.t.

Gelders Natuurnetwerk

460 m

geen

n.v.t.

Groene Ontwikkelingszone

430 m

geen

n.v.t.

Houtopstanden

aanwezig

kap

melding

Struiken

ja

nee

n.v.t.

Bomen

ja

nee

n.v.t.

n

-

broedvogels (j)

Geschikt habitat Vogelrichtlijnsoort

broedvogels (a)

vissen

reptielen

amfibieën

insecten en ongewervelden

Soortenbescherming - = ongeschikt + = geschikt n (nee)/ j (ja)/ m (maatregelen)

vaatplanten

Legenda

vleermuizen

Overzicht van de functie van het plangebied voor beschermde flora en fauna en ook de verwachtte effecten naar aanleiding van de beoogde ingrepen en de eventueel daarop te nemen vervolgstap. (a) algemene broedvogel en cat. 5 soorten, (j) jaarrond beschermde nesten, cat. 1 t/m 4 soorten.

grondgebonden zoogdieren

Tabel 2

Uitvoerbaarheid De beoogde ontwikkeling leidt niet tot aantasting van beschermde natuurwaarden en/of beschermde gebieden. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen.

13

Conclusie De beoogde ontwikkeling leidt, mits enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van de Algemene zorgplicht en algemene broedvogels, niet tot overtreding van de Wet natuurbescherming. De conclusie is dan ook dat de ontwikkeling aan de Dronkelaarseweg 4 te Barneveld uitvoerbaar is zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro).

Vervolgstappen Er zijn geen vervolgestappen vereist in het kader van de Wet Natuurbescherming Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te bieden in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (medio maart t/m medio juli).

Als de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden.

14

Literatuur BIJ12, 2017. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gierzwaluw Apus apus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Huismus Passer domesticus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Rugstreeppad Epidalea calamita, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (redactie) 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. – Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Creemers, R.C.M & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (redactie), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. -Nederlandse fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Diepenbeek, A., 1999. Veldgids Diersporen. KNNV Uitgeverij 5e druk 2015, Zeist. Dietz, C., O. von Helversen, D. Nill & P.H.C. Lina, 2011. Vleermuizen: alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika: biologie, kenmerken en bedreigingen. Tirion Natuur, Utrecht. Limpens, H., K. Mostert & W. Bongers, 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen. Onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV Uitgeverij, Utrecht.

Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.gelderland.maps.arcgis.com www.nationaalgeoregister.nl www.ndff.nl www.ravon.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.synbiosys.alterra.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuisprotocol.nl www.wilde-planten.nl www.zoogdiervereniging.nl

15

We hopen u met deze rapportage voldoende te hebben geïnformeerd. Mochten er desondanks vragen zijn kunt u vrijblijvend contact opnemen. Met vriendelijke groet,

Blom Ecologie B.V., ir. M. Poelman Auteur

Blom Ecologie B.V., ir. ing. K.J. Rebergen Collegiale toets

Bijlage 1 Fotografische impressie

© BLOM ECOLOGIE B.V. ZANDWEG 46A - 4181 PM WAARDENBURG Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld. Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V.

16

Bijlage 1 Fotografische impressie

17

Figuur 1

De planlocatie is gelegen aan de Dronkelaarseweg 4 te Barneveld.

Figuur 2

De grasweide waar de nieuwe woning wordt gerealiseerd

18

Figuur 3

Torenvalk nestkast.

Figuur 4

Sloot naast de planlocatie.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Barneveld&id=f241f1d9-2ce0-47d2-a529-296cff2eed83