CConstaterende datBarneveld
Koppel je AI →
Document · PDF

Drieënhuizerweg VII, partiële herziening Buitengebied 2012.pdf

Gemeenteraad 14 december 2022, gemeente BarneveldBij agendapunt: Bestemmingsplan Drieenhuizerweg VII partiele herziening Buitengebied 2012 in Kootwijkerbroek29.046 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Veel bedrijven hebben geen omgevingsvergunning milieu meer nodig, maar vallen onder algemene milieuregels zoals vastgelegd in het Activiteitenbesluit milieubeheer. Aangezien de geurnormen uit de Wgv vrijwel één op één zijn overgenomen in het Activiteitenbesluit, kunnen bedrijven die onder dit besluit vallen ook gewoon worden meegenomen in de Wgv-toets. Onder een 'geurgevoelig object' wordt verstaan: een gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt. Milieuvergunning(en) Er is een kleinschalige veehouderij aanwezig op het perceel. In 1992 is een melding Melkrundveehouderijen ingediend (bekend onder 2195) voor het houden van 9 melkkoeien en 6 stuks jongvee. Aanvrager is akkoord met het intrekken/ laten vervallen van de vergunning zodra dit bestemmingsplan onherroepelijk is. "Drieënhuizerweg VII, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)

25

Drieënhuizerweg VII, partiële herziening Buitengebied 2012

Veehouderijen in de omgeving In de omgeving van het plangebied zijn de volgende veehouderijen gelegen: Drieënhuizerweg 17, ten noorden van het plangebied. Andere veehouderijen liggen op grotere afstand (>200 m) van het plangebied.

Beoordeling geur Kader Uitgangspunt voor de toetsing zijn de normen zoals die in of op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) zijn vastgelegd. De Wgv maakt het mogelijk om bij verordening af te wijken van de wettelijke geurnormen. De gemeente Barneveld heeft van die mogelijkheid gebruik gemaakt. De Verordening geurhinder en veehouderij is in werking getreden op 18 oktober 2008, waarbij voor een aantal aangegeven delen van het grondgebied van Barneveld andere normen dan de wettelijke zijn vastgesteld. Het plan is getoetst aan de normen die zijn vastgesteld in deze verordening, voor zover deze normen van toepassing zijn in of rond het plangebied. Om te beoordelen of bedrijven in de omgeving niet onevenredig is hun belangen worden geschaad moet rekening worden gehouden met eventuele uitbreidingsmogelijkheden. Dit betekent dat voor geur getoetst moet worden vanaf de rand van het bouwvlak. Vaste afstanden Volgens artikel 14 van de Wet geurhinder en veehouderij dient bij voormalige agrarische bedrijfswoningen in het buitengebied een afstand van 50 meter te worden aangehouden ten opzichte van agrarische bedrijven. Om rekening te houden met eventuele ontwikkelingsmogelijkheden moet daarom 50 meter afstand aangehouden worden tussen de rand van het bouwvlak van het geurgevoelige object en de veehouderij.

Daarnaast dient altijd 25 meter afstand aangehouden te worden tussen de gevel van de dichtstbijzijnde stal en de gevel van de woning. De dichtstbijzijnde veehouderij, aan de Drieënhuizerweg 17, ligt op 110 meter afstand van het plangebied. Conclusie Het bouwvlak voor de woningen ligt op voldoende afstand van de rand van het bouwvlak van de dichtstbijzijnde veehouderij. Geurbelasting (voorgrondbelasting) De te realiseren woningen betreffen voormalige agrarische bedrijfswoningen. Daarvoor gelden volgens de Wgv alleen vaste afstanden tot aan stallen van veehouderijen. Daarom hoeft niet getoetst te worden aan de voorgrondbelasting van geur. Als aan de vereiste afstanden wordt voldaan worden de ontwikkelingsmogelijkheden van de dichtbij zijnde veehouderij niet beperkt door het voorgenomen plan. Conclusie De ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven worden gezien de ruime afstand niet beperkt door het voorgenomen plan. Het aspect geurhinder vormt geen belemmering voor de realisatie van het plan.

Luchtkwaliteit Kader In de Wet milieubeheer zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen. Hierin is opgenomen dat bij een ruimtelijk besluit de gevolgen voor de luchtkwaliteit getoetst moet worden. Om te bepalen of de kwaliteit van de lucht ter plaatse voldoet aan de eisen uit de Wet milieubeheer en de daarop gebaseerde regelgeving, dient bij nieuwe ontwikkelingen onderzoek gedaan te worden naar de luchtkwaliteit. De volgende grenswaarden gelden voor fijn stof: •

40 µg/m³ als jaargemiddelde concentratie; • 50 µg/m³ als vierentwintig-uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal 35 etmalen per kalenderjaar mag worden overschreden.

26

"Drieënhuizerweg VII, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)

Drieënhuizerweg VII, partiële herziening Buitengebied 2012

Er is beoordeeld of de luchtkwaliteit ter plaatse aanvaardbaar is. Hierbij is gekeken naar de invloed van de fijn stof uitstoot van de omliggende agrarische bedrijven. Resultaten & beoordeling In de omgeving (<200 m afstand van het plangebied) liggen geen bedrijven met een relevante fijn stof emissie (>500 kg per jaar). Er is daarom geen berekening gemaakt van de luchtkwaliteit. De verwachting is dat aan de grenswaarden wordt voldaan.

Beoordeling woon- en leefklimaat Kader In het kader van een goede ruimtelijke ordening is beoordeeld of sprake is van een goed woon-en leefklimaat. Voor het woon- en leefklimaat nabij een veehouderij de geurbelasting veelal bepalend. Zowel de voorgrondbelasting (vanwege een nabijgelegen bedrijf) als de achtergrondbelasting (vanwege alle bedrijven in de omgeving samen) kan een rol spelen. Als vuistregel wordt aangehouden; de voorgrondbelasting is bepalend voor de hinder als de voorgrondbelasting tenminste de helft bedraagt van de achtergrondbelasting. Toetsing In dit gebied is volgens een kaart van de achtergrondbelasting binnen de gemeente Barneveld sprake van een achtergrondbelasting tussen de 10-14 OuE/m³. Beoordeling In 2002 heeft de GGD een richtlijn Geurhinder opgesteld waarin een tabel is opgenomen met een beoordeling welke milieukwaliteit hoort bij een bepaald percentage geurgehinderden. Eerder al was in een ruim opgezet onderzoek door PRA Odournet onder 2000 respondenten bepaald welke percentage geurgehinderden te verwachten is bij een bepaalde geurbelasting. Deze twee gegevens samen leveren de volgende tabel op.

Achtergrondbelasting geur

Mogelijke kans op geurhinder

Beoordeling leefklimaat

OuE/m³

%

1–3

<5

Zeer goed

4–8

5 – 10

Goed

9 – 13

10 - 15

Redelijk goed

14 - 20

15 – 20

Matig

21 – 28

20 – 25

Tamelijk slecht

29 – 38

25 – 30

Slecht

39 – 50

30 – 35

Zeer slecht

51 – 65

35 - 40

Extreem slecht

relatie geurbelasting – geurhinder - leef klimaat

Uit de tabel hierboven volgt dat in het plangebied sprake kan zijn van een leefklimaat dat is te typeren als Redelijk goed. De gemeente Barneveld heeft een geurbeleid opgesteld. Het gebied waarin de woningen komen te liggen betreft het landbouwontwikkelingsgebied. Hiervoor geldt een specifieke streefwaarde voor de achtergrondbelasting van 32,0 ouE/m3. De achtergrondbelasting voldoet aan deze streefwaarde. Conclusie Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van het beoogde bouwvlak. De achtergrondbelasting van geur vormt geen belemmering voor dit plan.

"Drieënhuizerweg VII, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)

27

Drieënhuizerweg VII, partiële herziening Buitengebied 2012

Conclusie Het aspect geur is geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.

5.7

Ladder voor duurzame verstedelijking

In het Besluit ruimtelijke ordening is de verplichting opgenomen om in het geval van nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. Artikel 3.1.6, tweede lid Bro luidt per 1 juli 2017 als volgt: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwik keling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen (artikel 1.1.1, eerste lid, onder i van het Bro). Een kleinschalige ontwikkeling met twee woningen valt niet onder 'stedelijke ontwikkeling'. Daarom is geen verdere toelichting vereist. Conclusie Het aspect van de ladder voor duurzame verstedelijking is geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.

5.8

Leidingen en laagvliegroutes

Binnen of in de directe nabijheid van het plangebied komen geen leidingen of beschermingszones van leidingen voor die in het kader van onderhavig bestemmingsplan bescherming behoeven. Eveneens zijn er geen laagvliegroutes die beperkingen stellen aan de bouwhoogten. Conclusie Leidingen en laagvliegroutes zijn geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.

5.9

Luchtkwaliteit

In de Wet milieubeheer zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen. Hierin is opgenomen dat bij een ruimtelijk besluit de gevolgen voor de luchtkwaliteit getoetst moet worden. Om te bepalen of de kwaliteit van de lucht ter plaatse voldoet aan de eisen uit de Wet milieubeheer en de daarop gebaseerde regelgeving, dient bij nieuwe ontwikkelingen onderzoek gedaan te worden naar de luchtkwaliteit. Projecten waarvan aannemelijk is dat deze niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging hoeven niet getoetst te worden aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. De ontwikkelingen in het plangebied zijn dermate kleinschalig, dat ze vallen binnen de randvoorwaarden van het Besluit Niet in Betekenende Mate Bijdragen. De invloed van deze kleinschalige ontwikkelingen hoeven niet in beeld te worden gebracht. Conclusie Op basis van het voorgaande vormt luchtkwaliteit geen belemmering voor uitvoering van onderhavige plan.

28

"Drieënhuizerweg VII, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)

Drieënhuizerweg VII, partiële herziening Buitengebied 2012

5.10

Milieueffectrapportage

Niet voor alle nieuwe activiteiten hoeft een m.e.r.-procedure gevolgd te worden. Uitgangspunt van de m.e.r.-beoordeling is het 'nee, tenzij' -principe. Dat wil zeggen dat alleen een milieueffectrapport (MER) hoeft te worden opgesteld, wanneer er omstandigheden zijn die (waarschijnlijk) leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen. De Wet milieubeheer maakt onderscheid in een m.e.r.-procedure voor plannen (planMER) en voor besluiten (besluitMER of projectMER). Voor een bestemmingsplan kan zowel de plan-m.e.r.-plicht als de besluit-m.e.r.-plicht gelden. Er zijn drie sporen waarlangs de m.e.r.-plicht kan ontstaan: 1. Plan- en/of besluit-m.e.r.-plicht: als de voorgenomen activiteit vermeld is in het Besluit milieueffectrapportage; 2. Plan-m.e.r.-plicht: als voor het plan een zogeheten passende beoordeling op grond van de Wet natuurbescherming gemaakt moet worden. Dat is het geval als het plan significante negatieve gevolgen kan hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000 gebied; 3. Toetsing aan de provinciale milieuverordening. Besluit milieueffectrapportage De lijst van activiteiten in de onderdelen C en D van het Besluit bestaat uit vier kolommen. De eerste kolom bevat een omschrijving van de m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteiten. De tweede kolom vermeldt eventuele drempelwaarden.

Toetsing De bouw van twee woningen valt niet onder het begrip stedelijke ontwikkeling als bedoeld in Bijlage D11.2 van het Besluit milieueffectrapportage. Uit jurisprudentie is gebleken dat niet iedere ontwikkeling van woningen valt onder het begrip stedelijke ontwikkeling. Kleinschalige woningbouwprojecten vallen niet onder dit begrip. Dat geldt ook voor de bouw van deze twee woningen. De conclusie is dat het plan om twee woningen te bouwen niet m.e.r.-beoordelingsplichtig is. Passende beoordeling via de Wet natuurbescherming Voor het vaststellen van plannen die significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied kunnen hebben, dient een passende beoordeling gemaakt te worden (artikel 7.2a Wet milieubeheer juncto artikel 2.8, eerste lid Wet natuurbescherming). Uit de beoordeling van het aspect ecologie (zie paragraaf 5.3) blijkt dat er voor dit plan geen passende beoordeling nodig is. De plan-m.e.r-plicht op grond van de noodzaak van een passende beoordeling voor de Wet natuurbescherming is hier niet aanwezig. Er is voor dit plan geen passende beoordeling nodig. Provinciale milieuverordening Provinciale Staten kunnen in de provinciale milieuverordening extra activiteiten met gevallen, plannen en besluiten aanwijzen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben en dus m.e.r.-plichtig zijn (artikel 7.6 Wet milieubeheer).

Dit is dus aanvullend op de m.e.r.-plicht op basis van onderdeel C van de bijlage Besluit m.e.r. (en dus ook aanvullend op de verplichting vanuit de Europese richtlijnen) én conform dezelfde systematiek. Provinciale staten van Gelderland hebben geen extra activiteiten met gevallen, plannen en besluiten aangewezen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (en zo m.e.r.-plichtig zijn). Conclusie Milieueffectrapportage is geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.

"Drieënhuizerweg VII, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)

29

Drieënhuizerweg VII, partiële herziening Buitengebied 2012

5.11

Milieuzonering

Ten aanzien van bedrijvigheid geldt als uitgangspunt dat toekomstige woningen geen onevenredige milieuhinder (geur, geluid etc.) mogen ondervinden van nabijgelegen bedrijvigheid. In de publicatie ´Bedrijven en milieuzonering´ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, editie 2009, worden in verband met de aanwezigheid van milieubelastende functies indicatieve afstandsnormen voorgeschreven tot milieugevoelige functies, vooral wonen. In voorliggend plan zijn geen bedrijven aanwezig in de naaste omgeving die een belemmering kunnen vormen voor het plan. Conclusie Vanuit milieuzonering zijn er geen belemmeringen voor het plan.

5.12

Natuur en landschap

Voor het terrein is een inrichtingstekening gemaakt welke zorgt voor een landschappelijke inpassing van de bebouwing en versterken en verbeteren van de landschappelijke identiteit van het gebied. Deze is toegevoegd als Bijlage 1 bij de regels van het plan. Door een voorwaardelijke verplichting wordt tevens geborgd dat het groen geplant en behouden blijft. Een plantlijst is ook in Bijlage 1 bijlage te vinden.

Inrichting perceel met beplanting

30

"Drieënhuizerweg VII, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)

Drieënhuizerweg VII, partiële herziening Buitengebied 2012

5.13

Veiligheid

Om een veilige omgeving te creëren of te behouden is er op het gebied van fysieke veiligheid een aantal aspecten waarmee rekening gehouden moet worden. Zo worden er eisen gesteld aan de bereikbaarheid van de openbare wegen voor de hulpverleningsdiensten. Dit leidt tot het stellen van minimale afmetingen en bochtstralen zodat hulpverleningsvoertuigen een object of calamiteit goed kunnen bereiken en adequate hulp kunnen verlenen. Met betrekking tot voldoende bluswater in het openbare wegennet zijn er ook eisen gesteld. Deze eisen hebben betrekking op de afstanden vanaf de bluswatervoorziening tot aan een gebouw en de capaciteit ervan. In de “Handreiking Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid” een uitgave van Brandweer Nederland worden deze eisen gesteld. Voor wat betreft de bereikbaarheid zijn er binnen de gemeente Barneveld hoofd- en subaanrijdroutes vastgesteld. Tevens worden er eisen gesteld aan de opkomsttijden voor brandweervoertuigen. Deze zijn afhankelijk van de bestemming. Voor gebouwen waarin geslapen wordt en verminderd zelfredzame mensen verblijven worden strengere eisen gesteld dan gebouwen waar dit niet zo is. De opkomsttijden zijn gesteld in de Wet veiligheidsregio’s (1 oktober 2010) met het daarbij behorende Besluit veiligheidsregio’s. In het Besluit zijn de tijdnormen voor de opkomsttijden vastgelegd.

Situatie Nieuwe ontwikkelingen zullen worden getoetst aan de Handreiking Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid, het Besluit veiligheidregio’s en aan de eisen van de aangewezen hoofd- en subaanrijdroutes. Dit zal gebeuren bij de bouwplannen en inrichtingsplannen.

Conclusie Er zijn voor wat betreft de eisen voor de veiligheid geen belemmeringen voor dit bestemmingsplan.

5.14

Verkeer

Parkeren Beide woningen zijn voorzien van drie parkeerplaatsen, dit is conform nota parkeernormen. De plekken voldoen aan de juiste afmetingen. Ontsluiting Op dit moment zijn er twee uitritten, in de nieuwe situatie is dit ook het geval. Mocht de uitrit wijzigen zal de breedte van de oprit beperkt blijven tot 4 meter.

5.15

Water

Waterparagraaf Deze waterparagraaf vormt het resultaat van het procesinstrument watertoets. De watertoets betreft het vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten bij de totstandkoming van ruimtelijke plannen. Het is verplicht de watertoets toe te passen. Hiermee wordt beoogd om het belang van water een evenwichtige plaats te geven in het ruimtelijk planproces. De watertoets heeft betrekking op het grond-, oppervlakte-, afval- en hemelwater. Het behandelt alle relevante waterhuishoudkundige aspecten zoals ontwatering, wateroverlast en waterkwaliteit. De waterparagraaf beschrijft het relevante waterbeleid, de betrokkenheid en het advies van de waterbeheerder en de waterhuishoudkundige uitwerking van het plan. BOP 2022-2027 Waterschap Vallei en Veluwe Zie paragraaf 4.5.2. Waterplan Barneveld 2005 - 2025 en Hemelwaterplan 2017 - 2020

"Drieënhuizerweg VII, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)

31

Drieënhuizerweg VII, partiële herziening Buitengebied 2012

Het Waterplan is beschreven in paragraaf 4.6.3. Huidige situatie De planlocatie gelegen aan de Drieënhuizerweg betreft een perceel met enkele woningen en bijhorende schuren. Het perceel is aangesloten op de drukriolering die gelegen is in de Drieënhuizerweg. Langs de Drieënhuizerweg liggen enkele c-watergangen. Aan de westzijde van het perceel ligt een b-watergang. Toekomstige situatie Bestaande bebouwing wordt gesloopt. Op de locatie komen twee afzonderlijke woonbestemmingen. Op deze bestemmingen worden elk een woning en een bijgebouw geplaatst. Het bouwen van deze gebouwen betekend dat er een toename is in verhard oppervlak. Hiervoor moet waterberging gerealiseerd worden met een minimale capaciteit van 30 millimeter per vierkante meter. Ieder gebouw moet eerst zijn water bergen en infiltreren zodat de druppel wordt gehouden waar deze valt. De overstort van de voorziening kan worden gerealiseerd richting de sloten aan de oost- of westzijde van het perceel met in achtneming de regels van het waterschap Vallei en Veluwe. De woningen kunnen worden aangesloten op de naastliggende drukriolering. Hier mag geen hemelwater op worden aangesloten. Bij de realisatie van de woning en de bijgebouwen worden uit duurzaamheidsoogpunt geen uitlogende bouwmaterialen gebruikt. De ontwikkeling sluit aan bij de waterhuishoudkundige doelen van de gemeente en het waterschap.

32

"Drieënhuizerweg VII, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)

Drieënhuizerweg VII, partiële herziening Buitengebied 2012

Hoofdstuk 6 6.1

JURIDISCHE ASPECT EN

Inleiding

Deze partiële herziening is gebaseerd op het moederplan "Buitengebied 2012" (met identificatienummer NL.IMRO.0203.1056-0004), vastgesteld op 28 mei 2013 en zoals nadien door het college gewijzigd en in werking getreden, door de raad herzien en in werking getreden en zoals gewijzigd door een intrekkingsbesluit van de raad. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: Hoofdstuk 1 bevat de algemene voor het plangebied geldende bepalingen, de inleidende regels. Hoofdstuk 2 regelt de bestemmingen en het daarop toegestane gebruik. Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels, zoals de anti-dubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene afwijking- en algemene wijzigingsregels en tot slot de algemene procedureregels. Hoofdstuk 4 betreft het overgangsrecht en de slotbepaling. Bevoegdheid Het bevoegd gezag is het bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning. Over het algemeen zijn burgemeester en wethouders het bevoegd gezag. Het kan incidenteel voorkomen dat bijvoorbeeld het Rijk of de provincie het bevoegd gezag is. Burgemeester en wethouders zijn altijd bevoegd gezag bij het wijzigen van een plan en het stellen van nadere eisen.

6.2

Inleidende regels

Begrippen In artikel 1 van de partiële herziening zijn de begrippen plan en bestemmingsplan "Buitengebied 2012" gedefinieerd. Het kan bij een partiële herziening voorkomen dat er een begrip wordt toegevoegd. Er wordt uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Voor zover er geen begrippen zijn gedefinieerd wordt aangesloten bij het normale spraakgebruik.

6.3

Bestemmingsregels

In hoofdstuk 2 van de partiële herziening zijn de bestemmingsregels opgenomen. Op de in dit hoofdstuk en de daarin opgenomen bepalingen over de bestemmingen 'Agrarisch', 'Wonen' en de dubbelbestemming 'Archeologie 1' na, worden de regels van het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" niet herzien. Tevens is de verbeelding van het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" op de locatie gewijzigd in die zin dat het bouwvlak is aangepast en een gebiedsaanduiding met betrekking tot een voorwaardelijke verplichting toe te voegen. Zie verder de toelichting bij het bestemmingsplan "Buitengebied 2012".

6.4

Algemene regels

In hoofdstuk 3 is aangegeven dat de algemene regels zoals opgenomen in het bestemmingsplan "Buitengebied 2012", en zoals nadien door het college gewijzigd en in werking getreden, door de raad herzien en in werking getreden en zoals gewijzigd door een intrekkingsbesluit van de raad, niet zijn gewijzigd. Overeenkomstig het bepaalde in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de voorgeschreven Anti-dubbeltelregeling opgenomen. 6.4.1

Schakelbepaling

Er is in de regels een schakelbepaling opgenomen. Door middel van deze schakelbepaling opgenomen in Artikel 4 van de planregels bij deze partiële herziening is nader aangegeven wat er op de verbeelding en/of in de regels verandert.

"Drieënhuizerweg VII, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)

33

Drieënhuizerweg VII, partiële herziening Buitengebied 2012

Dit is in paragraaf 6.3 van de toelichting van deze partiële herziening ook toegelicht. 6.4.2

Algemene aanduidingsregels

De algemene aanduidingsregels bevatten specificaties van de (dubbel-)bestemmingen met betrekking tot het gebruik of het bouwen. Een gebiedsaanduiding is een aanduiding die verwijst naar een gebied waarvoor bijzondere regels, extra regels of nadere afwegingen gelden. Bij gebiedsaanduidingen gaat het veelal om zones en gebieden die aan sectorale regelgeving zijn ontleend. De volgende soorten gebiedsaanduiding is toegepast: 'overige zone - voorwaardelijke verplichting' 6.4.2.1

Voorwaardelijke verplichting

Bij wijzigingen van het bestemmingsplan is het veelal noodzakelijk afspraken met betrekking tot het slopen van gebouwen of het realiseren van inrichtingsmaatregelen dan wel andere voorwaarden vast te leggen. Om dit te waarborgen wordt in het bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Hierbij worden aan het bestemmingsplan specifieke regels toegevoegd die de verzoeker verplichten om bij gebruikmaking van de toegestane ontwikkeling ook de inrichtingsmaatregelen te realiseren of bebouwing te slopen. In deze partiële herziening is een voorwaardelijke verplichting opgenomen die verband houdt met de groene inpassing van het perceel en de sloop van de bebouwing.

6.5

Overgangs- en slotregels

In het laatste hoofdstuk zijn de regels ten aanzien van het overgangsrecht opgenomen. Het laatste artikel van de regels betreft de citeertitel van voorliggende partiële herziening.

6.6

Handhaving

De gemeente acht handhaving van haar beleid van groot belang om de gewenste ruimtelijke kwaliteit te garanderen. Belangrijke redenen voor handhaven zijn: De regels zijn door de gemeente vastgesteld en de inwoners van de gemeente mogen verwachten dat de gemeente die regels handhaaft: waarom zijn er anders regels opgesteld? Inwoners van de gemeente hebben als het ware recht op handhaving. Handhaving gaat oneigenlijk gebruik van en daarmee de achteruitgang van de kwaliteit van het gemeentelijk grondgebied tegen. Een actueel bestemmingsplan beoogt de ruimtelijke kwaliteit van een gebied in stand te houden en te verbeteren. Niet daadkrachtig optreden tegen overtredingen van wettelijke regels werkt een toename van het aantal overtredingen in de hand en tast de geloofwaardigheid van daadkrachtig optreden aan. Het in het bestemmingsplan vastgelegde beleid wordt ondermijnd en het bestuur verliest de greep op de gebouwde omgeving. Onderscheid kan gemaakt worden tussen preventieve en repressieve handhavingsinstrumenten. Onder preventieve instrumenten kunnen onder andere goede regelgeving (zoals in bestemmingsplan), voorlichting, subsidieverlening, afwijking van bouwregels en gebruiksregels en de omgevingsvergunning worden begrepen. Repressieve instrumenten zijn onder meer controle en toezicht, opsporing en het hanteren van sancties als bestuursdwang en dwangsom.

In 2016 heeft de gemeente de Nota Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving, VTH-beleid vastgesteld. In dit VTH-beleid staat beschreven hoe het college van burgemeester en wethouders op hoofdlijnen omgaat met de uitvoering van VTH-taken en welke prioriteiten hieraan zijn toegekend. Het college is verantwoordelijk voor de uitvoering van de VTH-taken en heeft de uitvoering van deze taken met ingang van 1 april 2013 grotendeels belegd bij de Omgevingsdienst de Vallei. Bij de handhaafbaarheid van een bestemmingsplan spelen aspecten als communicatie, de planvorm, de normstelling, het daadwerkelijk kunnen handhaven en de controleerbaarheid van normen ook een belangrijke rol. Randvoorwaarde voor handhaving is dat er voldoende basis/grondslag is om te kunnen handhaven. Deze basis wordt gevormd door: De regeling in het bestemmingsplan zelf: de handhaafbaarheid van de planregels. 34

"Drieënhuizerweg VII, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)

Drieënhuizerweg VII, partiële herziening Buitengebied 2012 Het beleid voor afwijkingen. In het moederplan (bestemmingsplan "Buitengebied 2012"), en daarmee ook in deze partiële herziening, is gestreefd naar heldere, eenduidige planregels met zo min mogelijk interpretatiemogelijkheden. Verder zijn aan de in het moederplan (bestemmingsplan "Buitengebied 2012") opgenomen afwijkingsmogelijkheden duidelijke voorwaarden verbonden, die voldoende objectief bepaalbaar zijn.

"Drieënhuizerweg VII, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)

35

Drieënhuizerweg VII, partiële herziening Buitengebied 2012

Hoofdstuk 7

ECONOM ISCHE UIT VOERBAARHEID

Op grond van schade, bedoeld in artikel 6.12, eerste lid van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) stelt de gemeenteraad een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bouwplan voorkomt dat in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is aangewezen. Nu het oplan de bouw van twee woningen (bouwplan zoals dat in artikel 6.2.1 Bro is opgenomen) mogelijk maakt, is dit aan de orde. Doordat er geen verhaalbare kosten zijn als bedoeld in artikel 6.2.4, onderdelen b tot en met f Bro, behoeft er op grond van artikel 6.2.1a, onder b Bro in dit geval geen exploitatieplan vastgesteld te worden. De kosten voor het opstellen van het plan worden gedekt door het heffen van leges. Voor de kosten van tegemoetkoming in schade, bedoeld in artikel 6.1 van de Wro (planschade) is een afzonderlijke overeenkomst gesloten. De inhoud voldoet aan die van een anterieure overeenkomst in de zin van artikel 6.24 Wro. Er zijn bij dit plan geen andere kosten die in een exploitatieplan of exploitatieovereenkomst opgenomen moeten worden.

36

"Drieënhuizerweg VII, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)

Drieënhuizerweg VII, partiële herziening Buitengebied 2012

Hoofdstuk 8 OVERLEG EN M AAT SCHAPPELIJKE UIT VOERBAARHEID De procedure voor het gedeeltelijk herzien van een bestemmingsplan is door de wetgever geregeld. Conform artikel 1.3.1. Besluit ruimtelijke ordening (Bro) heeft het college op 31 maart 2022 in de Barneveldse Krant en Barneveld Huis-aan-Huis en langs elektronische weg kennisgegeven van het voornemen om de voorliggende partiële herziening van het geldende bestemmingsplan voor te bereiden.

8.1

Participatie

Het perceel is gelegen in het buitengebied zonder directe buurpercelen. Aan de overzijde van de weg is het dichtstbijzijnde woonadres aan de Drieënhuizerweg 12. De initiatiefnemer heeft overleg gevoerd met deze buren. Tevens zijn met de bewoners van iets verder gelegen percelen (huisnummers 7 en 15/17) gesprekken gevoerd over de plannen. De omwonenden zijn positief over de plannen en zien het als verbetering door de mooie ruimtelijke opzet enmits er geen beperkingen zijn voor het nabijgelegen agrarische bedrijf (deze beperkingen zijn ook niet aanwezig).

8.2

Overleg ex artikel 3.1.1 Bro

Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg voeren met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Er is in het gebied van de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van bijzondere waarden of andere situaties waardoor deze ontwikkeling zou raken aan enig nationaal belang. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. Verder is er geen sprake van provinciale belangen, zodat ook is afgezien van vooroverleg met de provincie Gelderland. Op grond van artikel 3.1.1 lid 2 Bro kan derhalve worden afgezien van overleg in door de provincie en het Rijk aangegeven gevallen. Het Waterschap Vallei & Veluwe heeft aangegeven dat geen vooroverleg nodig is indien de toename van de verharding kleiner is dan 4.000 m² en de waterhuishoudkundige doelen van het waterschap niet in het geding komen door een bestemmingsplan. Hier is sprake van zo een geval. Om die reden heeft geen vooroverleg met het waterschap plaatsgevonden. Ook belangen van omliggende gemeenten zijn bij dit plan niet in het geding.

8.3

Inspraak

De Wro bevat geen procedurevoorschriften met betrekking tot de inspraak, en is in Wro zelf niet verplicht gesteld. Dat neemt niet weg dat het de gemeente vrij staat toch inspraak te verlenen bijvoorbeeld op grond van de gemeentelijke inspraakverordening. In relatie daarmee bepaalt artikel 150 van de Gemeentewet onder meer dat in een gemeentelijke inspraakverordening moet worden geregeld op welke wijze bovenbedoelde personen en rechtspersonen hun mening kenbaar kunnen maken. Op 15 december 2009 heeft het college besloten dat bij bestemmingsplannen alleen inspraak wordt gevoerd bij plannen waarbij maatschappelijke belangen een rol spelen, die politiek gevoelig liggen of waarbij inspraak een bijdrage kan leveren aan de kwaliteit en/of snellere doorlooptijd van het plan. Bij dit plan is het voorgaande niet aan de orde en is er geen inspraak gevoerd.

8.4

Zienswijzen

Het ontwerp voor de partiële herziening heeft van 26 augustus tot en met 6 oktober 2022 ter inzage gelegen. Gedurende deze periode heeft een ieder de mogelijkheid gehad om een zienswijze naar voren te brengen. Tijdens deze zes weken zijn geen reacties ingediend.

"Drieënhuizerweg VII, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)

37

Drieënhuizerweg VII, partiële herziening Buitengebied 2012

38

"Drieënhuizerweg VII, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)

Drieënhuizerweg VII, partiële herziening Buitengebied 2012

Bijlagen bij de toelichting

"Drieënhuizerweg VII, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)

39

Drieënhuizerweg VII, partiële herziening Buitengebied 2012

Bijlage 1 Verkennend bodem- en asbestonderzoek, M ontferland M ilieu, januari 2022

40

"Drieënhuizerweg VII, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)

2022 Verkennend bodem- en asbestonderzoek Drieënhuizerweg 11-11a te Kootwijkerbroek

MM21196 Montferland Milieu B.V. 10-1-2022

Montferland Milieu B.V. Zeddamseweg 77 7041 CN ‘s-Heerenberg Tel: 0314-640414 info@montferlandmilieu.nl www.montferlandmilieu.nl

TITELBLAD

Projectnaam Projectnummer

Drieënhuizerweg 11-11a te Kootwijkerbroek MM21196

Adres

Drieënhuizerweg 11-11a

Postcode en plaats

3774 RE Kootwijkerbroek

Gemeente

Barneveld

Aanleiding

Omgevingsvergunning

Versienummer

1

Status

Definitief

Datum

10 januari 2022

Plaats

‘s-Heerenberg

Opsteller

Montferland Milieu B.V.

INHOUDSOPGAVE 1.

2.

3.

4.

5.

INLEIDING ....................................................................................................................................... 3 1.1

Achtergrond ............................................................................................................................ 3

1.2

Kwaliteit .................................................................................................................................. 3

1.3

Betrouwbaarheid .................................................................................................................... 3

1.4

Onafhankelijkheid................................................................................................................... 3

1.5

Leeswijzer ............................................................................................................................... 3

VOORONDERZOEK .......................................................................................................................... 4 2.1

Geraadpleegde bronnen......................................................................................................... 4

2.2

Huidige situatie ....................................................................................................................... 4

2.3

Historie ................................................................................................................................... 5

2.4

Informatie lokale of regionale achtergrondgehalten ............................................................. 5

2.5

Asbest ..................................................................................................................................... 6

2.6

PFAS ........................................................................................................................................ 6

2.7

Voorgaande onderzoeken ...................................................................................................... 6

2.8

Geohydrologie ........................................................................................................................ 6

2.9

Locatie inspectie ..................................................................................................................... 7

2.10

Conclusie vooronderzoek ....................................................................................................... 7

HYPOTHESE EN ONDERZOEKSOPZET .............................................................................................. 8 3.1

Hypothese............................................................................................................................... 8

3.2

Onderzoeksopzet .................................................................................................................... 8

3.3

Verkennend asbestonderzoek (druppelzones) ...................................................................... 8

RESULTATEN ................................................................................................................................... 9 4.1

Visuele inspectie maaiveld ..................................................................................................... 9

4.2

Uitvoering veldwerk ............................................................................................................... 9

4.3

Samenstelling (meng)monsters en chemische analyses ...................................................... 10

4.4

Interpretatie analyseresultaten verkennend bodemonderzoek .......................................... 10

4.5

Interpretatie analyseresultaten verkennend asbestonderzoek ........................................... 11

CONCLUSIE.................................................................................................................................... 12 5.1

Algemeen .............................................................................................................................. 12

5.2

Conclusie en aanbevelingen ................................................................................................. 12

BIJLAGEN BIJLAGE 1 BIJLAGE 2 BIJLAGE 3 BIJLAGE 4 BIJLAGE 5 BIJLAGE 6 BIJLAGE 7 BIJLAGE 8 BIJLAGE 9 BIJLAGE 10 BIJLAGE 11 BIJLAGE 12 BIJLAGE 13 BIJLAGE 14

Topografische kaart Kadastrale kaart met gegevens Situatietekening met monsternamepunten Boorbeschrijvingen Analysecertificaten grond Analysecertificaten asbest Analysecertificaten grondwater Toetsingstabellen Projectfoto's Informatie vooronderzoek Onafhankelijkheidsverklaring Toegepaste normen Toelichting toetsingskader Verklarende woordenlijst

1.

INLEIDING

1.1 Achtergrond In opdracht van de initiatiefnemer heeft Montferland Milieu B.V. een verkennend bodem- en asbestonderzoek verricht aan de Drieënhuizerweg 11-11a te Kootwijkerbroek (gemeente Barneveld). Het bodem- en asbestonderzoek is uitgevoerd in het kader van een omgevingsvergunning. Het onderzoek heeft tot doel vaststellen of er een grond- of grondwaterverontreiniging aanwezig is, welke mogelijk een belemmering kan vormen. 1.2 Kwaliteit De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd door Montferland Milieu B.V. conform de beoordelingsrichtlijn BRL-SIKB 2000. Montferland Milieu B.V. is gecertificeerd en erkend voor het uitvoeren van milieuhygiënisch bodemonderzoek conform deze beoordelingsrichtlijn. Het toepassingsgebied van dit certificaat betreft de BRLSIKB protocollen 2001 (plaatsen handboringen en peilbuizen, nemen grondmonsters), 2002 (nemen van grondwatermonsters) en 2018 (maaiveldinspectie en monsterneming asbest in bodem). De grond- en grondwatermonsters zijn (voor)behandeld door middel van de AS3000-methode in het door de Raad voor Accreditatie erkende laboratorium Eurofins Analytico B.V. te Barneveld. Montferland Milieu B.V. werkt volgens een kwaliteitssysteem, zoals beschreven in het kwaliteitshandboek. Ons kwaliteitssysteem is gecertificeerd volgens de kwaliteitsborgingsnormen van de NEN-EN-ISO 9001:2015.

1.3 Betrouwbaarheid Het bodemonderzoek is uitgevoerd conform de Nederlandse Norm NEN5740 (NEN5740:2009+A1:2016 nl ‘Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond’). Het asbestonderzoek is uitgevoerd conform de Nederlandse Norm NEN5707 (NEN5707+C1:2016 nl ‘Bodem – Inspectie en monsterneming van asbest in bodem en partijen grond). Het vooronderzoek, dat parallel loopt aan deze norm, is uitgevoerd conform de Nederlandse Norm NEN5725 (NEN 5725:2017 nl 'Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van vooronderzoek bij verkennend en nader onderzoek'). Ondanks de zorgvuldigheid waarmee het onderzoek is uitgevoerd, is het altijd mogelijk dat eventueel lokaal voorkomende verontreinigingen niet zijn ontdekt. 1.4 Onafhankelijkheid Tussen Montferland Milieu B.V. en de opdrachtgever is geen sprake van een relatie, die de onafhankelijkheid en de integriteit zouden beïnvloeden en/of haar werkzaamheden zou kunnen belemmeren. De onafhankelijkheidsverklaring van het uitgevoerde veldwerk is opgenomen in bijlage 11. De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd door erkende medewerker van Montferland Milieu B.V. 1.5 Leeswijzer In hoofdstuk 2 is de voorinformatie beschreven. Aan de hand van deze gegevens is in hoofdstuk 3 de hypothese gedefinieerd en is de onderzoeksopzet vastgesteld.

Hoofdstuk 4 behandelt de resultaten van het onderzoek. Ten slotte zijn in hoofdstuk 5 de conclusies en aanbevelingen gedefinieerd.

MM21196

3

2.

VOORONDERZOEK

2.1 Geraadpleegde bronnen Voor aanvang van het bodemonderzoek zijn de (historische) gegevens, die relevant zijn voor het onderzoek, verzameld. In bijlage 10 is de informatie van het vooronderzoek opgenomen. Bij het vooronderzoek zijn de volgende bronnen geraadpleegd: informatie van de opdrachtgever informatie van de gemeente informatie uit het provinciaal informatiesysteem informatie van de website topotijdreis.nl informatie van de website bodemloket.nl informatie van de website ruimtelijkeplannen.nl informatie van de website Dinoloket.nl locatie inspectie 2.2 Huidige situatie De onderzoekslocatie is gelegen aan de Drieënhuizerweg 11-11a te Kootwijkerbroek (gemeente Barneveld). De locatie is kadastraal bekend als gemeente GDR03, sectie G, nummer 4728, 4729 en 4730. De onderzoekslocatie heeft een oppervlakte van circa 1.635 m2. In bijlage 1 is de topografische kaart weergegeven. Bijlage 2 bevat de kadastrale kaart met kadastrale gegevens en in bijlage 3 is de situatietekening met monsternamepunten weergegeven. De onderzoekslocatie is gelegen in het buitengebied van Kootwijkerbroek. De initiatiefnemer is voornemens de bestaande bebouwing te slopen en nieuwbouw op het perceel te realiseren.

Figuur 1: Weergave ruimtelijkeplannen.nl

MM21196

Figuur 2: Beoogde situatie

4

2.3 Historie Informatie van de gemeente Er zijn geen relevante gegevens van de historie van het terrein bekend welke van invloed zouden kunnen zijn op de onderzoeksstrategie. Op de locatie hebben zich in het verleden, voor zover bekend, geen calamiteiten voorgedaan. Informatie van de website topotijdreis.nl Uit historisch kaartmateriaal is gebleken dat het perceel omstreeks 1930 bebouwd is geraakt. De historische kaarten zijn enigszins verschoven en geven geen geheel goed beeld van de locatie.

Figuur 3: Historische kaart (1920)

Figuur 4: Historische kaart (1955)

Figuur 5: Historische kaart (1995)

Figuur 6: Historische kaart (2015)

Informatie van de website bodemloket.nl Uit informatie van het bodemloket blijkt dat er geen historische activiteiten bekend zijn die van invloed kunnen zijn op de onderzoeksstrategie.

Figuur 7: Weergave bodemloket.nl 2.4 Informatie lokale of regionale achtergrondgehalten De gemeente Barneveld beschikt over een (regionale) bodemkwaliteitskaart. De uitkomsten van het onderzoek kunnen met de in deze kaart genoemde achtergrondgehalten worden vergeleken. Over het algemeen vindt dit echter alleen plaats als in de grondmonsters matig of sterk verhoogde gehalten zijn aangetoond. De onderzoekslocatie ligt binnen de bodemfunctie "Overig".

MM21196

5

2.5 Asbest Volgens de asbestdakenkaart van de provincie Gelderland is de locatie verdacht (paars) op het voorkomen van asbesthoudende dakplaten.

Figuur 8: Weergave asbestdakenkaart 2.6 PFAS Er zijn geen specifieke aanwijzingen voor de aanwezigheid van PFAS ter plaatse van de onderzoekslocatie. Atmosferische depositie kan de enige (beperkte) bron van PFAS-verontreiniging op het de locatie zijn. Van atmosferische depositie is bekend dat dit beperkt tot verhoogde PFAS-gehaltes voornamelijk in de bovengrond. 2.7 Voorgaande onderzoeken Op e onderzoekslocatie hebben voor zover bekend geen voorgaand bodemonderzoek plaatsgevonden. Ten oosten van de onderzoekslocatie is in 2006 door Midden Nederland Milieu B.V. een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Dit is gerapporteerd onder projectnummer: vo/vdb/2006/014. Destijds werden er in de bovengrond licht verhoogde gehalten aan PAK aangetoond. In de ondergrond en in het grondwater werden geen verhoogde gehalten aangetoond. In de directe omgeving van de projectlocatie zijn geen relevante bodemverontreiniging aanwezig die eventueel invloed hebben op de onderzoeksstrategie.

Figuur 9: Weergave bodemonderzoeken

Figuur 10: Weergave verontreinigingcontouren

2.8 Geohydrologie Op basis van de geologische overzichtskaarten en grondwaterkaart van Nederland kan het volgende beeld van de bodemopbouw worden geschetst. Het maaiveld bevindt zich volgens het Actueel Hoogtebestand Nederland op een hoogte van circa 15,3 m +NAP. De gemiddelde stand van het freatisch grondwater bedraagt ± 15,0 m +NAP, waardoor het grondwater zich op ± 0,3 m -mv zou bevinden. Uit de grondwaterkaarten van TNO blijkt dat de regionale grondwaterstromingsrichting westelijk is gericht. De lokale grondwaterstromingsrichting kan plaatselijk worden beïnvloed door sloten, beken, rivieren, rioleringen, onttrekkingen e.d.

MM21196

6

2.9 Locatie inspectie Een aantal van de aanwezige opstallen zijn voorzien van asbestverdachte golfplaten. De platen zijn voor zover waarneembaar niet ernstig beschadigd. Het regenwater word niet overal opgevangen door dakgoten. Hierdoor was de besmetting ter plaatse van de onverharde afwateringszone zeer groot. Zie de hieronder weergegeven foto´s van de aanwezige bebouwing.

Figuur 11: Aanwezige druppelzone

Figuur 12: Aanwezige druppelzone

2.10 Conclusie vooronderzoek De onderzoekslocatie is op basis van het vooronderzoek onverdacht op het voorkomen van bodemverontreinigingen. De onverharde afwateringszones zijn verdacht op het voorkomen van asbest in de bodem.

MM21196

7

3.

HYPOTHESE EN ONDERZOEKSOPZET

3.1 Hypothese Op basis van de beschikbare informatie omtrent het historisch en huidig gebruik van de locatie, kan de gehele onderzoekslocatie als niet verdacht worden beschouwd. De gehele locatie wordt conform de strategie 'Onderzoeksstrategie voor een onverdachte locatie (ONV)' onderzocht. Deze hypothese gaat ervan uit dat op een locatie geen of slechts licht verhoogde gehalten worden gemeten. De resultaten uit het vooronderzoek geven geen aanleiding het standaard NEN-analysepakket voor grond en grondwater uit te breiden. Gezien de aanleiding en doelstelling van het onderzoek wordt geen onderzoek naar PFAS uitgevoerd. 3.2 Onderzoeksopzet In de onderstaande tabel is de onderzoeksopzet weergegeven. Locatie A Gehele locatie

Aantal boringen (excl. peilbuizen) Aantal peilbuizen 8 tot ± 0,5 m -mv 1 2 tot ± 2,0 m -mv Standaard NEN-pakket grond: • Lutum en organische stof • Zware metalen (Ba, Cd, Co, Cu, Hg, Pb, Mo, Ni, Zn) • PCB's • Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen • Minerale olie (C10-40)

Analyses grond 3 * standaard NEN-pakket

Analyses water 1 * standaard NEN-pakket

Standaard NEN-pakket grondwater: • Zware metalen (Ba, Cd, Co, Cu, Hg, Pb, Mo, Ni, Zn) • Vluchtige aromaten (benzeen, tolueen, ethylbenzeen, xylenen, styreen, naftaleen) • Vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen (vinylchloride, chloorethenen, chloormethaan, chloroform, chloorethanen, chloorpropanen en bromoform) • Minerale olie (C10-40)

Opgemerkt wordt dat de gehanteerde onderzoeksstrategie (NEN 5740) niet geschikt is om de eventuele aanwezigheid van asbest in de bodem aan te tonen. Onderzoek naar asbest in de grond dient plaats te vinden conform de NEN 5707. Uit het vooronderzoek is gebleken dat de locatie onverdacht is met betrekking tot asbest. Opgemerkt wordt dat bij de uitvoering van het veldwerk aandacht is besteed aan het eventueel zintuiglijk voorkomen van asbest op en in de bodem. 3.3 Verkennend asbestonderzoek (druppelzones) Voor het verkennend asbestonderzoek ter plaatse van de afwateringszones (vanaf gevel tot 0,5 meter vanaf het uiteinde van het dak) is de strategie voor een verdachte locatie met plaatselijke bodembelasting met duidelijke verontreinigingskern (VEP) aangehouden. Hierbij is per schuur minimaal 1 asbestgat gegraven tot 0,2 m -mv., waarbij één mengmonster van de toplaag is samengesteld voor analyse op asbest. Bij het aantreffen van asbestverdacht plaatmateriaal op het maaiveld of in de bodem, worden deze verzameld voor analyse op asbest. Voorafgaand aan de werkzaamheden zal een visuele inspectie van het maaiveld worden uitgevoerd. Het maaiveld wordt hierbij steekproefsgewijs geïnspecteerd. De locatie wordt opgedeeld in inspectiestroken van 1,5 m en deze worden geïnspecteerd. In de onderstaande tabel is de onderzoeksopzet weergegeven.

Deellocatie Schuur B Schuur C Schuur D Asbest in grond: • Droge stof • Fijne fractie asbest

MM21196

Aantal gaten in de verdachte laag (l*b*d) 3 (0,3 m*0,3 m*0,2 m -mv) 3 (0,3 m*0,3 m*0,2 m -mv) 4 (0,3 m*0,3 m*0,2 m -mv)

Aantal gaten tot onderzijde verdachte laag -

Analyses 1 * asbest in grond 1 * asbest in grond 1 * asbest in grond

8

4.

RESULTATEN

4.1 Visuele inspectie maaiveld In de onderstaande tabel zijn de resultaten van de visuele inspectie van de toplaag opgenomen. De inspectie betreft het onverharde deel van de locatie. Inspectiepunten Weersomstandigheden Type grond Conditie maaiveld Inspectie-efficiëntie Beperkingen van de inspectie Asbestverdacht materiaal op het maaiveld aangetroffen? Ondefinieerbaar puin aangetroffen?

Resultaat Wisselvallig Zand Los Gras - braak - klinkers 70% - 90% Ja, vegetatie en klinkers Nee Nee

4.2 Uitvoering veldwerk De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd op 01-12-2021 en op 15-12-2021 is de peilbuis bemonsterd.. Op de tekening in bijlage 3 staan de diverse boringen weergegeven. Tijdens het opstellen van het boorplan is rekening gehouden met de doelstellingen en de richtlijnen, welke geformuleerd zijn in de inleiding. Daarnaast is rekening gehouden met de onderzoeksprotocollen en de ligging van kabels en leidingen. Van het opgeboorde materiaal is een boorbeschrijving conform de NEN 5104 gemaakt en zijn er grondmonsters genomen over trajecten van ten hoogste 0,5 m, waarbij bodemlagen met verontreinigingskenmerken of een afwijkende textuur separaat bemonsterd zijn. Hierbij is gebruik gemaakt van de olie/watertest (O/W-test) en is gelet op afwijkende kleur of geur van de bodem. In de vaste bodem is geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. Per proefgat wordt het uitkomende materiaal uitgespreid in lagen van circa 2 cm dik en visueel geïnspecteerd op de aanwezigheid van asbestverdachte materialen. Vervolgens wordt al het uitkomende materiaal gezeefd (zeeffractie 20 mm) en worden de mengmonsters samengesteld. De complete omschrijvingen van de boorprofielen staan vermeld in bijlage 4. Voor de geplaatste peilbuis geldt dat het onderste gedeelte van de peilbuis (het peilfilter) is geperforeerd.

Boven het filter is een laag zwelklei aangebracht, zodat er géén verontreinigingen van bovenaf in de peilbuis kunnen migreren. De filterstelling is bepaald op basis van de grondwaterstand en/of storende laag, zoals deze tijdens de veldwerkzaamheden is ingeschat. In de onderstaande tabel staan de meetresultaten van het grondwater weergegeven: Peilbuis A01

Filterstelling (m -mv) 1,50 - 2,50

Grondwaterstand (m -mv) 0,43

Zuurgraad (pH) 6,95

Geleidbaarheid EGV (µS/cm) 480

Troebelheid (NTU) 3

Toelichting: Geen van de gemeten waarden wijkt duidelijk af van de waarde, welke gezien de natuurlijke omstandigheden verwacht kan worden.

MM21196

9

4.3 Samenstelling (meng)monsters en chemische analyses Op basis van de zintuiglijke waarnemingen zijn (meng)monsters samengesteld van de grond. In onderstaande tabel staan de mengmonsters weergegeven. De resultaten uit zintuigelijke waarnemingen geven aanleiding het standaard NEN-analysepakket voor de roesthoudende grond uit te breiden met arseen. Verkennend bodemonderzoek (NEN 5740) Grond(meng)monster(s) Samenstelling A-MM01 A02: 0.15 - 0.50, A04: 0.00 - 0.50, A05: 0.00 - 0.50, A06: 0.00 - 0.50, A07: 0.00 0.50 A-MM02 A08: 0.00 - 0.50, A09: 0.00 - 0.50, A10: 0.05 - 0.50, A11: 0.00 - 0.40, A12: 0.00 0.50 A-MM03 A01: 0.70 - 1.20, A04: 0.80 - 1.30, A11: 0.40 - 0.90 Grondwatermonster(s) A01 A01-1-1 Verkennend asbestonderzoek (NEN 5707) Grond(meng)monster(s) Samenstelling B-ASMM01 B01: 0.00 - 0.20, B02: 0.00 - 0.20, B03: 0.00 - 0.20 C-ASMM02 C01: 0.00 - 0.20, C02: 0.00 - 0.20, C03: 0.00 - 0.20 D-ASMM03 D01: 0.00 - 0.20, D02: 0.00 - 0.20, D03: 0.00 - 0.20, D04: 0.00 - 0.20

Traject (m -mv) 0,00 - 0,50

Analyse Standaard NEN-pakket grond

0,00 - 0,50

Standaard NEN-pakket grond

0,40 - 1,30

Standaard NEN-pakket grond

1,50 - 2,50

Standaard NEN-pakket grondwater

Traject (m -mv) 0,00 - 0,20

Analyse Asbest in grond

0,00 - 0,20

Asbest in grond

0,00 - 0,20

Asbest in grond

Motivatie: MM01 en MM02 zijn samengesteld uit de individuele grondmonsters van de humeuze bovengrond. MM03 is samengesteld uit de individuele grondmonsters van de ongeroerde ondergrond. B-ASMM01, C-ASMM02 en D-ASMM03 zijn samengesteld uit de individuele grondmonsters van de verdachte bovengrond ter plaatse van de druppelzone. 4.4 Interpretatie analyseresultaten verkennend bodemonderzoek In bijlage 5 zijn de analyserapporten van de grond opgenomen en in bijlage 6 van het grondwater. De toetsingstabellen zijn weergegeven in bijlage 7. De gemeten gehalten zijn met behulp van het organisch stof- en lutumgehalte, omgerekend naar gehalten in een standaardbodem en vervolgens getoetst. In algemene zin wordt opgemerkt dat bij analyse van mengmonsters het gehalte in de individuele deelmonsters zowel hoger als lager kunnen zijn dan het aangetoonde gehalte in het betreffende mengmonster. In de onderstaande tabel worden de concentraties aangegeven die de geldende toetsingskaders overschrijden, daarnaast is een indicatie van de te verwachten bodemkwaliteitsklasse volgens het Besluit Bodemkwaliteit weergegeven. Grond (meng)monster(s)

Traject (m -mv)

MM01 0,00 - 0,50 MM02 0,00 - 0,50 MM03 0,40 - 1,30 Grondwatermonster(s) A01-1-1 1,50 - 2,50 Betekenis van de tekens en afkortingen WBB: S = streefwaarde >AW = >achtergrondwaarde (licht verontreinigd) T = tussenwaarde (matig verontreinigd) I = interventieaarde (sterk verontreinigd) - = onder achtergrondwaarde of detectiegrens

Gehalte > AW/S

Gehalte > T

Gehalte > I

Indicatie BBK

-

-

-

AW AW AW

Minerale olie (52)

N.v.t. Betekenis van de afkortingen BBK: AW= toepasbaar voldoet aan Achtergrondwaarde Wonen= toepasbaar (functieklasse Wonen) Industrie= toepasbaar (functieklasse industrie) NT= niet toepasbaar

Toelichting: In de grond(meng)monsters is geen van de onderzochte stoffen aangetroffen in een concentratie boven de achtergrondwaarde of de detectiegrens van de desbetreffende stof. Voorzover bekend is op de onderzoekslocatie geen bronlocatie aanwezig of aanwezig geweest, die een dergelijke verontreiniging met minerale olie in het grondwater veroorzaakt kan hebben. De oorzaak is niet eenduidig aan te wijzen.

MM21196

10

4.5 Interpretatie analyseresultaten verkennend asbestonderzoek In bijlage 6 zijn de analyserapporten van het asbest opgenomen. In de onderstaande tabel zijn resultaten opgenomen van de berekeningen van de asbestconcentratie van de op locatie verzamelde asbestverdachte materialen in de fractie > 20 mm. Tevens is in de tabel de totale asbestconcentratie opgenomen. Deze concentratie bevat de asbestconcentratie in de fractie > 20 mm (bepaald in het veld) met de asbestconcentratie in de fractie < 20 mm (bepaald in het laboratorium). Grond(meng) monster(s)

Traject (m -mv)

Berekende asbestconcentratie (fractie > 20 mm) mg/kg d.s.

Asbestconcentratie (fractie < 20 mm) mg/kg d.s.

B-ASMM01 0,00 - 0,20 0 <0,8* C-ASMM02 0,00 - 0,20 0 <0,5* D-ASMM03 0,00 - 0,20 0 <1,1* *Verklaring kwalitatief onderzoek zeeffractie <0,5 mm: geen asbest waargenomen.

MM21196

Totale asbestconcentratie mg/kg d.s. <0,8 <0,5 <1,1

11

5.

CONCLUSIE

5.1 Algemeen In opdracht van de initiatiefnemer heeft Montferland Milieu B.V. een verkennend bodem- en asbestonderzoek verricht aan de Drieënhuizerweg 11-11a te Kootwijkerbroek (gemeente Barneveld). Het bodem- en asbestonderzoek is uitgevoerd in het kader van een omgevingsvergunning. 5.2 Conclusie en aanbevelingen Uit het uitgevoerde bodemonderzoek kan het volgende worden geconcludeerd: • Tijdens het veldwerk is de opgeboorde grond zintuiglijk beoordeeld op de mogelijke aanwezigheid van bodemverontreiniging. Hierbij zijn geen indicaties waargenomen die hierop duiden. • In de grond(meng)monsters is geen van de onderzochte stoffen aangetroffen in een concentratie boven de achtergrondwaarde of de detectiegrens van de desbetreffende stof. • De aangetroffen licht verhoogde gehalten in het grondwater vormen geen belemmering voor het toekomstige gebruik. • In geen van de geanalyseerde parameters in zowel grond als grondwater is de waarde voor nader onderzoek (tussenwaarde) en/of de interventiewaarde overschreden. • Uit de onderzoeksresultaten kan geconcludeerd worden dat er op de locatie geen ernstige bodem- of grondwaterverontreinigingen aanwezig zijn. De vastgestelde waarden overschrijdt enkel de streefwaarde, wat duidt op enkel lichte verontreiniging.

• De tevoren gestelde hypothese ‘De gehele onderzoekslocatie kan op basis van het vooronderzoek als niet-verdacht worden beschouwd’ dient formeel gezien te worden verworpen. De verhoging in het grondwater is echter gering en kan als niet significant beschouwd worden. • Het verkennend asbestonderzoek (druppelzone) zijn geen asbestverdachte materialen aangetroffen. In de grove fractie van de bodem is geen asbest aangetroffen. In het mengmonster D-ASMM03 van de fijne fractie is een gehalte van <1,1 mg/kg d.s. aangetoond. Het mengmonster bevindt zich onder het criterium voor nader onderzoek (50 mg/kg d.s.) en een nader onderzoek is derhalve niet noodzakelijk. • De tevoren gestelde hypothese “verdacht” op basis van het vooronderzoek voor de onverharde afwateringszones wordt verworpen. ▪ Uit milieukundig oogpunt is er naar onze mening geen bezwaar tegen de voorgenomen nieuwbouwplannen, aangezien de vastgestelde verontreinigingen geen risico's voor de volksgezondheid opleveren. De bodem wordt geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik (wonen met tuin). Standaard slotopmerking: Het volgende dient opgemerkt te worden: gezien het verkennende karakter van dit onderzoek is het, ondanks de zorgvuldigheid waarmee het is uitgevoerd, altijd mogelijk dat eventueel lokaal voorkomende verontreinigingen niet zijn ontdekt.

Hoewel voldaan wordt aan de geldende wetten en regelgeving, wordt tijdens een verkennend of nader bodemonderzoek een beperkt aantal boringen, inspectiegaten of inspectiesleuven verricht. Vermeld dient tevens te worden dat op basis van voorliggend onderzoek geen conclusies kunnen worden getrokken omtrent de bodemkwaliteit van andere terreindelen of aangrenzende percelen. Opgemerkt wordt dat wij slechts een adviserende taak hebben en dat het bevoegd gezag de noodzaak tot de uitvoering van nader of aanvullend onderzoek vaststelt. Tenslotte dient in acht genomen te worden dat elk bodemonderzoek een momentopname is. Eventuele toekomstige calamiteiten (bijvoorbeeld brand of morsing van bodemvreemde vloeistoffen), sloopwerkzaamheden of bouwrijp maken en aanvoer van grond van elders kunnen de bodemkwaliteit (sterk) beïnvloeden. Eventueel vrijkomende grond kan niet zondermeer in het grondverkeer worden opgenomen. Mocht de grond naar elders worden getransporteerd, dient te worden nagegaan in hoeverre de kwaliteit van de af te voeren grond overeenstemt met de verwerkingsmogelijkheden die voor de betreffende stort- c.q. hergebruikslocatie gelden. Deze zijn geformuleerd in het Besluit bodemkwaliteit. Aanbevolen wordt dan ook de eindverwerkingslocatie in overleg met het bevoegd gezag vast te stellen. Mocht grondwater onttrokken worden t.b.v.

bemaling, dient bekeken te worden in hoeverre de grondwaterkwaliteit de lozingsnormen overschrijdt.

MM21196

12

BIJLAGE 1: Topografische kaart

Topografische kaart

A4

Bodemonderzoek: Drieënhuizerweg 11-11a te Kootwijkerbroek SCHAAL: PROJECTNUMMER: MM21196

GETEKEND: AEL DATUM: 10-1-2022

BIJLAGE: 1

BIJLAGE 2: Kadastrale kaart met gegevens

Kadastrale kaart

Kadastraal object Kadastrale gemeente:

GDR03

Sectie:

G

Perceel:

4728 - 4729 - 4730

A4

Bodemonderzoek: Drieënhuizerweg 11-11a te Kootwijkerbroek

SCHAAL:

PROJECTNUMMER: MM21196

GETEKEND: AEL DATUM: 10-1-2022

BIJLAGE: 2

BIJLAGE 3: Situatietekening met monsternamepunten

Legenda Bebouwing Locatiegrens Toekomstige bebouwing Te slopen bebouwing Druppelzone Boring tot 0,5 m -mv Boring tot 1,0 m -mv Boring tot 1,5 m -mv Boring tot 2,0 m -mv Peilbuis Asbestgat druppelzone

Situatietekening met monsternamepunten

A4

Bodemonderzoek: Drieënhuizerweg 11-11a te Kootwijkerbroek

SCHAAL:

PROJECTNUMMER: MM21196

GETEKEND: AEL DATUM: 10-1-2022

BIJLAGE: 3

BIJLAGE 4: Boorprofielen

A0 1

1

klinker / cm t ov m aaiveld

0 1 50

A0 4 0

braak / cm t ov m aaiveld

0

-8

zand, zeer fijn, m at ig silt ig, neut raal bruin, beige, ow: geen, edelm an

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Barneveld&id=ed529672-b9c6-4c36-b5e0-9f7610610905