CConstaterende datBarneveld
Koppel je AI →
Document · PDF

De Lanen-Oost_Toelichting_Bijlage 18 Bodemonderzoek Nederwoudseweg (2018) (1)

Gemeenteraad 27 september 2023, gemeente BarneveldBij agendapunt: Bestemmingsplan De Lanen-Oost, Barneveld26.439 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Indien bepaling van de dikte van de drijflaag gewenst is wordt een tweede filter ter hoogte van de grondwaterspiegel geplaatst.

Het nemen van grondmonsters Van de bij de boringen vrijkomende grond worden in beginsel van specifieke bodemlagen of verontreinigingen representatieve monsters samengesteld. Bij het ontbreken van onderscheidende lagen wordt iedere laag van 50 cm dikte apart bemonsterd. In het veld worden glazen monsterpotten geheel gevuld met het monstermateriaal. De monsterpotten worden opgeslagen in een koele ruimte (ca. 5 oC) en circa 1 maand bewaard voor eventuele aanvullende analyses. Bij de uitvoering van het veldwerk wordt gebruik gemaakt van een olie-indicatie test, de zogenaamde “olie op waterproef”. Bij deze proef wordt een grondmonster in het water gedompeld. Een met olie verontreinigd grondmonster in het water geeft een zichtbare oliefilm op dit water. De omvang van de oliefilm en de gevormde kleuringen geven een indicatie betreffende van de aard en mate van de aanwezige olieverontreinigingen. Het nemen van grondwatermonsters Voordat de watermonsters worden genomen, worden de waarnemingsfilters doorgepompt. Bij het doorpompen wordt gebruik gemaakt van een slangenpomp of een centrifugaalpomp. De monstername gebeurt met een slangenpomp. Bij de bemonstering wordt bij ieder waarnemingsfilter een nieuwe polyetheen slang gebruikt om het overbrengen van verontreinigingen naar andere monsterpunten te voorkomen.

De flessen worden direct na bemonstering gekoeld (5 oC) en op de dag van monstername vervoerd naar het laboratorium. 3 Analysemethoden Analyse van grond-, slib- en grondwatermonsters op verschillende elementen en verbindingen wordt in principe uitgevoerd volgens de Nederlandse Normen (NEN) en de Nederlandse Praktijk Richtlijnen (NPR) of daarvan afgeleide methoden in een RvA-geaccrediteerde laboratorium. Tevens vindt een voorbehandeling van de analysemonsters plaats conform de SIKB Accreditatie Schema 3000 (AS3000). De specificatie van de analysemethoden is bij PJ Milieu BV bekend. Meer dan 98% van alle analysemethoden valt onder de RvA accreditatie van het laboratorium. Tevens participeert het laboratorium in nationale en internationale ringonderzoeken. Elk element of verbinding kan tot een bepaalde grens worden aangetoond. Deze aantoonbaarheidsgrens (of detectiegrens) wordt gedefinieerd als de laagste concentratie van een component in een monster waarvan de aanwezigheid (kwalitatief) met de desbetreffende verrichting nog betrouwbaarheid kan worden vastgesteld. 4 Betrouwbaarheid Bodemonderzoeken worden op zorgvuldige wijze verricht volgens de algemeen gebruikelijke inzichten en methoden. Het gehele proces van offerte tot en met rapportage is geborgd in een door KIWA gecertificeerd ISO 9001 (2000) systeem.

PJ Milieu BV streeft bij elk bodem- en/of grondwateronderzoek naar een optimale representativiteit. Echter, een dergelijk onderzoek is gebaseerd op het verrichten van een beperkt aantal boringen en het nemen van een beperkt aantal monsters. Hierdoor blijft het mogelijk, dat plaatselijke afwijkingen in de samenstelling van grond en/of grondwater aanwezig zijn, welke tijdens het onderzoek niet naar voren zijn gekomen. PJ Milieu BV is niet aansprakelijk voor hieruit voortvloeiende schade of gevolgen van welke aard ook. Hierbij wordt er tevens op gewezen, dat het uitgevoerde bodemonderzoek een momentopname is. Beïnvloeding van grond- en grondwaterkwaliteit zal ook plaats kunnen vinden na uitvoering van dit onderzoek, bijvoorbeeld door bouwrijp maken of aanvoer van grond van elders. Naarmate een langere tijd is verlopen na uitvoering van het onderzoek, dient men meer voorzichtigheid te betrachten en voorbehoud te maken bij het gebruik van de onderzoeksresultaten.

Bijlage | 5 Toetsingskader

Op de volgende pagina zijn in een tabel de toelaatbare gehalten (maximale normwaarden) van verschillende stoffen in de grond schematisch weergegeven. De normwaarden zijn overgenomen uit de Regeling bodemkwaliteit (bijlage B, d.d. 13 december 2007) zoals gepubliceerd in de Staatscourant 20 december 2007 en de Circulaire bodemsanering 2013 zoals gewijzigd op 1 juli 2013 afkomstig van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM). Het aangeven van normen wordt bemoeilijkt door het feit, dat de natuurlijke gehalten van verschillende stoffen in de grond en het grondwater nogal sterk variëren en afhankelijk zijn van plaatselijke omstandigheden (onder andere van de bodemsamenstelling). Bovendien hangt het eventuele risico, dat een bodemverontreiniging met zich meebrengt voor de volksgezondheid en/of milieu, niet alleen af van de aard en concentratie van de verontreinigde stoffen, maar ook van de lokale verontreinigingssituatie en de functie c.q. het gebruik van de bodem (woonbebouwing, waterwinning, industrieterrein). Het inschatten van de risico’s voor de volksgezondheid en voor de aantasting van het milieu moet gebaseerd zijn op een integrale beoordeling van de bovengenoemde aspecten. In de navolgende tabel zijn normwaarden opgenomen welke zijn overgenomen uit de genoemde Regeling bodemkwaliteit.

In de tabel staat een toetsingskader voor een aantal verontreinigende stoffen vermeld, waarbij men onderscheid maakt in twee toetsingswaarden, namelijk achtergrondwaarden en interventiewaarden.  De streef-/achtergrondwaarde geldt als referentiewaarde en komt overeen met de gemiddelde achtergrondconcentratie of met de detectiegrens (bij milieuvreemde stoffen);  de interventiewaarde is te beschouwen als de toetsingswaarde, waarboven, afhankelijk van de situatie, veelal een sanering (-sonderzoek) wordt uitgevoerd, nadat een eventueel (nader) onderzoek is afgerond. Nader onderzoek kan worden geadviseerd, wanneer het rekenkundig gemiddelde van de achtergronden interventiewaarde ((achtergrond- + interventiewaarde)/2) wordt overschreden.

Tabel 1

Normwaarden voor microverontreinigingen in de vaste bodem en het grondwater

Stof1

Grond/sediment (mg/kg droge stof)

Grondwater (µg/l)

AW

Ondiep (<10 m-mv)

IW

SB

L en H gecorrigeerdd

SB

L en H gecorrigeerdd

Arseen (As)

20

Barium (Ba)

1903

Cadmium (Cd)

0,6

Kobalt (Co)

15

SW2

IW

10,3 + 0,28(L+H)

76

39,3 + 1,05(L+H)

10

60

36,8 + 6,13L

9203

178,1 + 29,68L

50

625

0,31+0,005(L+3H)

13

6,62 + 0,116(L+3H)

0,4

6

3,3 + 0,467L

190

42,2 + 5,91L

20

100

Metalen

Koper (Cu)

40

16,7 + 0,67(L+H)

190

79,2 + 3,17(L+H)

15

75

Kwik (Hg)

0,15

0,1 + 0,0008(2L+H)

36

23,84 + 0,203(2L+H)

0,05

0,3

Nikkel (Ni)

35

10 + L

100

28,6 + 2,86L

15

75

Molybdeen (Mo)

1,54

1,5

190

190

5

300

Lood (Pb)

50

29,4 + 0,59(L+H)

530

311,8 + 6,24(L+H)

15

75

Zink (Zn)

140

50 + 1,5(2L+H)

720

257 + 7,7(2L+H)

65

800

Minerale olie (GC)5 6

190

19H

5.000

500H

50

600

PCB (som 7)

0,02

0,002H

1

0,1H

0,014

0,01

PAK (10 VROM)7 8

1,5

0,15H9

40

4H9

-

-

Benzeen

0,24

0,02H

1,1

0,11H

0,2

30

Ethylbenzeen

0,24

0,02H

110

11H

4

150

Vluchtige aromaten

Tolueen

0,24

0,02H

32

3,2H

7

1.000

Xylenen

0,454

0,045H

17

1,7H

0,2

70

Styreen (vinylbenzeen)

0,25

4

0,025H

86

8,6H

6

300

Fenol

0,25

0,025H

14

1,4H

0,2

2.000

Cresolen (som)

0,34

0,03H

13

1,3H

0,2

200

Dodecylbenzeen

0,354

0,035H

-

-

-

-

Aromatische oplosmiddelen (som) 10

2,54

0,25H

-

-

-

-

-

-

-

-

0,01

70

Naftaleen Gechloreerde koolwaterstoffen Vinylchloride11

0,14

0,01H

0,1

0,01H

0,01

5

Dichloormethaan

0,1

0,01H

3,9

0,39H

0,01

1.000

Trichloormethaan

0,254

0,025H

5,6

0,56H

6

400

Tetrachloormethaan (Tetra)

0,34

0,03H

0,7

0,07H

0,01

10

Trichlooretheen (Tri)

0,254

0,025H

2,5

0,25H

24

500

Tetrachlooretheen (Per)

0,15

0,015H

8,8

0,88H

0,01

40

1,1-Dichloorethaan

0,24

0,02H

15

1,5H

7

900

1,2-Dichloorethaan

0,24

0,02H

6,4

0,64H

7

400

1,1,1-Trichloorethaan

0,25

4

0,025H

15

1,5H

0,01

300

1,1,2-Trichloorethaan

0,34

0,03H

10

1,0H

0,01

130

Monochlooretheen (Vinylchloride)

0,14

0,01H

0,1

0,01H

0,01

5

1,1-Dichlooretheen

0,3

4

0,03H

0,3

0,03H

0,01

10

1,2-Dichloorethenen (som)

0,34

0,03H

1

0,1H

0,01

20

Dichloorpropanen (som, factor 0,7)

0,84

0,08H

2

0,2H

0,8

80

cis 1,2-Dichlooretheen trans 1,2-Dichlooretheen CKW (som) Tribroommethaan

630 11

SB AW IW

= = = =

2

=

3

=

4

= =

1

5

6

=

7

=

8

=

9

=

10

=

11

=

standaardbodem (L = lutumgehalte (25%), H = humusgehalte (10%)) achtergrondwaardenormen interventiewaarden voor de definitie van somparameters wordt verwezen naar bijlage N van deze regeling. De definitie van sommige somparameters is verschillend voor de landbodem en de waterbodem. Achter de somparameter wordt vermeld welke van de twee definities gehanteerd moet worden de streefwaarden grondwater voor een aantal stoffen zijn lager dan de vereiste rapportagegrens in AS3000. Dit betekent dat deze Streefwaarden strenger zijn dan het niveau waarop betrouwbaar (routinematig) kan worden gemeten. De laboratoria moeten minimaal voldoen aan de vereiste rapportagegrens in AS3000. Het hanteren van een strengere rapportagegrens mag ook, mits de gehanteerde analysemethode voldoet aan AS3000. Bij het beoordelen van het meetresultaat ‘< rapportagegrens AS3000’ mag de beoordelaar ervan uitgaan dat de kwaliteit van het grondwater voldoet aan de Streefwaarde. Indien het laboratorium een waarde ‘< dan een verhoogde rapportagegrens’ aangeeft (hoger dan de rapportagegrens AS3000), dan dient de betreffende verhoogde rapportagegrens te worden vermenigvuldigd met 0,7. De zo verkregen waarde wordt getoetst aan de Streefwaarde grondwater.

Een dergelijke verhoogde rapportagegrens kan optreden bij de analyse van een zeer sterk verontreinigd monster of een monster met afwijkende samenstelling toetsing aan de normen voor barium in grond is sinds, april 2009, alleen noodzakelijk bij situaties waar sprake is van een menselijk handelen veroorzaakte bariumverontreiniging. In alle andere gevallen kan toetsing, tot de voorgenomen herziene regelgeving, achterwege blijven getalswaarde beneden de detectielimiet/bepalingsondergrens of meetmethode ontbreekt minerale olie heeft betrekking op de som van de (al dan niet) vertakte alkanen. Indien er enigerlei vorm van verontreiniging met minerale olie wordt aangetoond in grond/baggerspecie, dan dient naast het gehalte aan minerale olie ook het gehalte aan aromatische en/of polycyclische aromatische koolwaterstoffen bepaald te worden voor het toepassen van baggerspecie in grootschalige toepassingen geldt voor minerale olie een maximale waarde van 2.000 mg/kg d.s. voor grondwater zijn effecten van PAK, chloorbenzenen en chloorfenolen indirect, als fractie van de individuele, optelbaar (dat wil zeggen 0,5 x interventiewaarde stof A heeft evenveel effect als 0,5 x interventiewaarde stof B). Dit betekent dat een somformule gebruikt moet worden om te beoordelen of van overschrijding van de interventiewaarde sprake is.

Er is sprake van overschrijding van de interventiewaarde voor de som van een groep stoffen indien Σ (C i /l i ) >1, waarbij C i = gemeten concentratie van een stof uit een betreffende groep en I i = interventiewaarde voor de betreffende stof uit de betreffende groep De interventiewaarde voor grond voor deze stoffen is gelijk of kleiner dan de bepalingsgrens (intralaboratorium reproduceerbaarheid). Indien de stof wordt aangetoond moeten de risico’s nader worden onderzocht. Bij het aantreffen van vinylchloride of 1,1-dichlooretheen in grond moet tevens het grondwater worden onderzocht voor interventiewaarde PAK wordt geen bodemtypecorrectie voor bodems met een organisch stofgehalte tot 10% en bodems met een organisch stofgehalte boven de 30% toegepast. Voor bodems met een organisch stofgehalte tot 10% wordt een interventiewaarde van 40 mg/kg d.s. en voor bodems met een organisch stofgehalte vanaf 30% een interventiewaarde van 120 mg/kg d.s. gehanteerd. Tussen de 10% en 30% organisch stofgehalte kan gebruik gemaakt worden van de volgende bodemtypecorrectie formule: (IW)b = 40 x (% organische stof / 10)((IW)b = interventiewaarde voor de te beoordelen bodem) De achtergrondwaarde van deze somparameter gaat uit van de aanwezigheid van meerdere van de 15 componenten, die tot deze somparameter worden gerekend (zie bijlage N).

De hoogte van de achtergrondwaarde is gebaseerd op de soms van de bepalingsgrenzen vermenigvuldigd met 0,7. Sommige componenten zijn tevens individueel genormeerd. Binnen de somparameter mag de achtergrondwaarde van de individueel genormeerde componenten niet worden overschreden. Voor de componenten, die niet individueel zijn genormeerd, geldt per component een maximaal gehalte van 0,45 mg/kg d.s. De interventiewaarde voor grond voor deze stoffen is gelijk of kleiner dan de bepalingsgrens (intralaboratorium reproduceerbaarheid). Indien de stof wordt aangetoond, moeten de risico’s nader worden onderzocht. Bij het aantreffen van vinylchloride of 1,1-dichlooretheen in grond, moet tevens het grondwater worden onderzocht

Aanvullende opmerkingen a. Interventiewaarden voor niet genoemde stoffen Voor de beoordeling van niet met name genoemde stoffen verdient het aanbeveling een vergelijking te maken met in de tabel vermelde chemisch en toxicologisch verwante stoffen. Voor een aantal niet genoemde stoffen zijn indicatieve niveaus voor ernstige bodemverontreiniging vastgesteld. Tevens kan door tussenkomst van de provincie een verzoek worden gericht aan de regionale inspectie milieuhygiëne om het RIVM in te schakelen voor de afleiding van ad-hoc interventiewaarden. b.

Omvang verontreiniging De interventiewaarden gelden als gemiddelde voor een volume van 25 m3 grond/sediment en 100 m3 grondwater. Indien het bij puntbronnen van verontreiniging waarschijnlijk is dat bij het uitblijven van maatregelen op korte termijn (ten hoogste enkele maanden) bodemverontreiniging op genoemde schaal kan optreden, is eveneens sprake van ernstige verontreiniging. Van ernstige bodemverontreiniging kan ook worden gesproken indien de verontreiniging zich zodanig autonoom verspreidt in andere milieucompartimenten of -objecten dat schadelijke effecten voor volksgezondheid of het milieu kunnen optreden zonder dat zich overschrijding van de interventiewaarden voordoet.

c.

Criterium voor nader onderzoek In de protocollen voor oriënterend en nader onderzoek komt het criterium 0,5 * (interventiewaarde + streefwaarde) voor om aan te geven dat nader onderzoek noodzakelijk is.

d.

Differentiatie naar grondsoort De streef- en interventiewaarden voor zware metalen (incl. arseen) in grond/sediment zijn afhankelijk van het lutumgehalte en/of het organische stofgehalte. Bij meetproblemen met lage gehalten organische stof (H) of lutum (L) kan van percentages van 2% H en L uitgegaan worden. De streef- en interventiewaarden voor organische verbindingen in grond/sediment zijn gerelateerd aan het organische stofgehalte. Voor bodems met H > 30% respectievelijk < 2 worden gehalten van respectievelijk 30% en 2% aangehouden. N.B. voor berekening van de streef- en interventiewaarden voor PAK (10 VROM) geldt dat in afwijking op het vooraanstaande voor bodems met H > 30% en H < 10% gerekend wordt met organische stofgehalten van respectievelijk 30% en 10%.

Bijlage | 6

Kadastrale kaart, topografisch overzicht en tekening

Ned erwoudseweg

Uw referentie: 18030901A

Wil lem ar slaa n

28

26

Uittreksel Kadastrale Kaart

3494

3414 3415

0m

Deze kaart is noordgericht Perceelnummer 25 Huisnummer Vastgestelde kadastrale grens Voorlopige kadastrale grens Administratieve kadastrale grens Bebouwing Overige topografie Voor een eensluidend uittreksel, Apeldoorn, 12 april 2018 De bewaarder van het kadaster en de openbare registers

12345

10 m

50 m

Schaal 1:1000 Kadastrale gemeente Sectie Perceel

BARNEVELD E 3494

Aan dit uittreksel kunnen geen betrouwbare maten worden ontleend. De Dienst voor het kadaster en de openbare registers behoudt zich de intellectuele eigendomsrechten voor, waaronder het auteursrecht en het databankenrecht.

Omgevingskaart

Klantreferentie: 18030901A

0m

125 m

625 m

Deze kaart is noordgericht. Hier bevindt zich Kadastraal object BARNEVELD E 3494 NEDERWOUDSEWG , BARNEVELD CC-BY Kadaster.

Schaal 1: 12500

Uittreksel Kadastrale Kaart

N

w er ed

ou

d

Uw referentie: 18030901A

g we se

99 22

5105

5104

0m

Deze kaart is noordgericht Perceelnummer 25 Huisnummer Vastgestelde kadastrale grens Voorlopige kadastrale grens Administratieve kadastrale grens Bebouwing Overige topografie Voor een eensluidend uittreksel, Apeldoorn, 12 april 2018 De bewaarder van het kadaster en de openbare registers

12345

5m

25 m

Schaal 1:500 Kadastrale gemeente Sectie Perceel

BARNEVELD E 5105

Aan dit uittreksel kunnen geen betrouwbare maten worden ontleend. De Dienst voor het kadaster en de openbare registers behoudt zich de intellectuele eigendomsrechten voor, waaronder het auteursrecht en het databankenrecht.

Omgevingskaart

Klantreferentie: 18030901A

0m

125 m

625 m

Deze kaart is noordgericht. Hier bevindt zich Kadastraal object BARNEVELD E 5105 NEDERWOUDSEWG , BARNEVELD CC-BY Kadaster.

Schaal 1: 12500

Nederwoudseweg

17

Bur

gem

grondwater

4887

ees

ter

Lab

ree laan

28

Willemar s

laan

26

LEGENDA

6

Boring

5 4

Peilbuis

3 2 4224

25

13

1 30

1234

12

3494

11

Huisnummer Perceelsnummer Onderzoekslocatie

10 Bebouwing (buitenmuur)

9 8

Perceelsgrens (Kadaster)

7

19

Gras

18 17 16 15 14

Locatie:

Nederwoudseweg, Barneveld Type:

Verkennend bodemonderzoek, onverdacht Omschrijving:

Situatietekening perceel 3494 Projectnr:

3415

18030901A

Formaat:

Getekend:

A3 Schaal:

0

HvH 7,5m

1:750

PJ Milieu BV Adres:

4499 Aan de maten kunnen geen rechten worden ontleend.

Bestandsnaam:

18030901A

Burg emee ster

Asch o

fflaa n

3414

Telefoon: E-mail: Internet:

Nijverheidsstraat 21 3861 RJ Nijkerk 033 - 245 85 11 info@pjmilieu.nl www.pjmilieu.nl

Datum:

04-05-2018

Tekeningnr:

1 37,5m

2299 grondwater

eg

ew

s ud wo

r

de

Ne

112

108

111

104

107 110

LEGENDA

5105

Boring Peilbuis

103 106

25 1234

109

Huisnummer Perceelsnummer Onderzoekslocatie Bebouwing (buitenmuur)

102

Perceelsgrens (Kadaster)

105

Gras

101

5104

68 Locatie:

Nederwoudseweg, Barneveld Type:

Verkennend bodemonderzoek, onverdacht Omschrijving:

Situatietekening perceel 5105 Projectnr:

Bestandsnaam:

18030901A

66

18030901A

Formaat:

Getekend:

A3 Schaal:

0

HvH 5m

1:500

PJ Milieu BV Adres: Telefoon: E-mail: Internet: Aan de maten kunnen geen rechten worden ontleend.

Nijverheidsstraat 21 3861 RJ Nijkerk 033 - 245 85 11 info@pjmilieu.nl www.pjmilieu.nl

Datum:

04-05-2018

Tekeningnr:

2 25m

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Barneveld&id=3b8870eb-13db-4789-8d83-a69734ad8c36