Damweg V, partiële herziening Buitengebied 2012_Toelichting
Tekst van het document
5.5
Geluid
De basis voor de ruimtelijke afweging van geluid is de Wet geluidhinder (Wgh). Bij het vaststellen van een bestemmingsplan komen in de volgende gevallen de regels van deze wet aan de orde: het bestemmen van gronden voor nieuwe geluidgevoelige objecten (bijvoorbeeld woningen en onderwijsgebouwen) binnen zones langs (spoor-)wegen en zones rondom industrieterreinen; het bestemmen van gronden voor de aanleg van nieuwe, dan wel reconstructie van gezoneerde (spoor-)wegen; het bestemmen van gronden voor (nieuwe) industrieterreinen waar zich grote lawaaimakers kunnen vestigen en herziening van zonegrenzen van industrieterreinen. De Wet geluidhinder gaat uit van zones langs (spoor-)wegen en zones bij industrieterreinen. Het gebied binnen deze zone geldt als akoestisch aandachtsgebied waar, voor bouwplannen en bestemmingsplannen, een akoestische toetsing uitgevoerd dient te worden. De geluidbelasting op de gevels van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen mag in principe niet meer bedragen dan de voorkeursgrenswaarde. Indien de geluidbelasting op de gevel hoger is dan de voorkeursgrenswaarde kan onder bepaalde voorwaarden een verzoek worden gedaan tot vaststelling van een hogere waarde. Hierbij mag de geluidbelasting de uiterste grenswaarde niet overschrijden. De voorkeursgrenswaarde en uiterste grenswaarde voor nieuwe of bestaande geluidgevoelige bestemmingen verschillen per geluidsbron.
In geval van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen binnen zones langs wegen of spoorwegen, of binnen de zone van een industrieterrein, is akoestisch onderzoek vereist. In dit geval is een onderzoek niet noodzakelijk. Aangezien er geen overschrijdingen van de voorkeursgrenswaarden worden verwacht er aan de VNG richtafstanden wordt voldaan bij de omliggende bedrijven. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor dit plan.
5.6
Geur
Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan toetst het bevoegde gezag enerzijds of in het plangebied een qua geur acceptabel woon- en leefklimaat gegarandeerd is. Anderzijds is het uitgangspunt dat met het plan de omliggende bedrijven niet vergaand in hun ontwikkelingsmogelijkheden mogen worden beperkt. Uitgangspunt voor de toetsing zijn de normen zoals die in of op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) zijn vastgelegd. De Wgv maakt het mogelijk om bij verordening af te wijken van de wettelijke geurnormen. De gemeente Barneveld heeft van die mogelijkheid gebruik gemaakt (bij besluit van 7 oktober 2008). Op 18 oktober 2008 is de Verordening geurhinder en veehouderij in werking getreden, waarbij voor een aantal aangegeven delen van het grondgebied van Barneveld andere normen dan de wettelijke zijn vastgesteld. Op 15 december 2021 is er een nieuwe Verordening door de raad vastgesteld en is de Verordening geur en veehouderij (vastgesteld op 7 oktober 2008) ingetrokken. Deze nieuwe Verordening geurhinder en veehouderij is in werking getreden op 24 december 2021, waarbij opnieuw voor een aantal aangegeven delen van het grondgebied van Barneveld andere normen dan de wettelijke zijn vastgesteld. Het plan is getoetst aan de normen die zijn vastgesteld in deze verordening, voor zover deze normen van toepassing zijn in of rond het plangebied.
Veel bedrijven hebben geen omgevingsvergunning milieu meer nodig, maar vallen onder algemene milieuregels zoals vastgelegd in het Activiteitenbesluit milieubeheer. Aangezien de geurnormen uit de Wgv vrijwel één op één zijn overgenomen in het Activiteitenbesluit, kunnen bedrijven die onder dit besluit vallen ook gewoon worden meegenomen in de Wgv-toets.
"Damweg V, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
27
Damweg V, partiële herziening Buitengebied 2012
Onder een 'geurgevoelig object' wordt verstaan: een gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt. De dichtsbijzijnde veehouderij ligt op meer dan 150 meter afstand en deze wordt niet belemmerd door de realisatie van deze woning. Het woon- en leefklimaat ter plaatse zal gezien de grote afstand tot omliggende veehouderijen aanvaardbaar zijn. Doorwerk ing in plangebied Het aspect geur vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.
5.7
Ladder voor duurzame verstedelijking
In het Besluit ruimtelijke ordening is de verplichting opgenomen om in het geval van nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. Artikel 3.1.6, tweede lid Bro luidt per 1 juli 2017 als volgt: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwik keling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen (artikel 1.1.1, eerste lid, onder i van het Bro). De ontwikkeling van één woning valt niet onder 'stedelijke ontwikkeling'. Daarom is geen verdere toelichting vereist. Doorwerk ing in plangebied Het aspect ladder voor duurzame verstedelijking vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.
5.8
Leidingen en laagvliegroutes
Binnen of in de directe nabijheid van het plangebied komen geen leidingen of beschermingszones van leidingen voor die in het kader van dit bestemmingsplan bescherming behoeven. Eveneens zijn er geen laagvliegroutes die beperkingen stellen aan de bouwhoogten. Doorwerk ing in plangebied Het aspect leidingen en laagvliegroutes vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.
5.9
Luchtkwaliteit
In de Wet milieubeheer zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen. Hierin is opgenomen dat bij een ruimtelijk besluit de gevolgen voor de luchtkwaliteit getoetst moet worden. Om te bepalen of de kwaliteit van de lucht ter plaatse voldoet aan de eisen uit de Wet milieubeheer en de daarop gebaseerde regelgeving, dient bij nieuwe ontwikkelingen onderzoek gedaan te worden naar de luchtkwaliteit. Projecten waarvan aannemelijk is dat deze niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging hoeven niet getoetst te worden aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. De ontwikkelingen in het plangebied zijn dermate kleinschalig, dat ze vallen binnen de randvoorwaarden van het Besluit Niet in Betekenende Mate Bijdragen. De invloed van deze kleinschalige ontwikkelingen hoeven niet in beeld te worden gebracht. Verder wijzen de heersende achtergrondconcentraties uit dat er sprake is van een goed woon- en 28
"Damweg V, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Damweg V, partiële herziening Buitengebied 2012 leefklimaat aangezien de concentraties ruim onder de grenswaarden liggen. Doorwerk ing in plangebied Op basis van het voorgaande vormt luchtkwaliteit geen belemmering voor uitvoering van dit plan.
5.10
Milieueffectrapportage
Niet voor alle nieuwe activiteiten hoeft een m.e.r.-procedure gevolgd te worden. Uitgangspunt van de m.e.r.-beoordeling is het 'nee, tenzij' -principe. Dat wil zeggen dat alleen een milieueffectrapport (MER) hoeft te worden opgesteld, wanneer er omstandigheden zijn die (waarschijnlijk) leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen. De Wet milieubeheer maakt onderscheid in een m.e.r.-procedure voor plannen (planMER) en voor besluiten (besluitMER of projectMER). Voor een bestemmingsplan kan zowel de plan-m.e.r.-plicht als de besluit-m.e.r.-plicht gelden. Er zijn drie sporen waarlangs de m.e.r.-plicht kan ontstaan: 1. Plan- en/of besluit-m.e.r.-plicht: als de voorgenomen activiteit vermeld is in het Besluit milieueffectrapportage; 2. Plan-m.e.r.-plicht: als voor het plan een zogeheten passende beoordeling op grond van de Wet natuurbescherming gemaakt moet worden. Dat is het geval als het plan significante negatieve gevolgen kan hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000 gebied; 3. Toetsing aan de provinciale milieuverordening. Besluit milieueffectrapportage De lijst van activiteiten in de onderdelen C en D van het Besluit bestaat uit vier kolommen. De eerste kolom bevat een omschrijving van de m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteiten. De tweede kolom vermeldt eventuele drempelwaarden.
Wettelijk kader Voor de vraag of een bestemmingplan besluit-m.e.r.-plichtig is, geldt dat het Besluit milieueffectrapportage onderscheid maakt naar m.e.r.-plichtige activiteiten en m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten. Onderdeel C van de bijlage bij dit Besluit vermeldt voor welke activiteiten altijd verplicht een MER moet worden opgesteld, voordat een (m.e.r.-plichtig) besluit mag worden genomen. In onderdeel D is vermeld welke activiteiten beoordelingsplichtig zijn. Voor dergelijke activiteiten moet het bevoegd gezag beoordelen of op basis van 'belangrijke nadelige gevolgen die de voorgenomen activiteit voor het milieu kan hebben', een m.e.r.-procedure noodzakelijk is. Daarbij geldt dat een bestemmingsplan alleen besluit-m.e.r.-plichtig is, als het bestemmingsplan in kolom 4 wordt genoemd. Voor de vraag of een bestemmingsplan plan-m.e.r.-plichtig is, geldt dat dit het geval is als het plan genoemd is in kolom 3 en activiteiten mogelijk maakt die in onderdeel C en D, kolom 1 vermeld zijn en voldoen aan de in kolom 2 genoemde drempelwaarden. Als een bestemmingsplan een activiteit mogelijk maakt die Besluit-m.e.r.-plichtig is op grond van de uitkomst van een toets van een activiteit die onder de drempelwaarden blijft, dan is dat bestemmingsplan alsnog plan-m.e.r.-plichtig. Het maakt dan immers een (besluit) m.e.r.-plichtige activiteit mogelijk.
Voor zowel de plan-m.e.r.- als besluit-m.e.r.-plicht geldt dat als de activiteit onder de drempelwaarden uit kolom 2 van bijlage D blijft, met een vormvrije m.e.r. beoordeeld moet worden of alsnog een MER moet worden opgesteld. De centrale vraag die daarbij beantwoord moet worden is of er omstandigheden zijn die (waarschijnlijk) leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen. Daarbij moet in ieder geval worden getoetst aan de criteria die opgenomen zijn in bijlage III van de Europese m.e.r.-richtlijn. Als dergelijke milieugevolgen kunnen optreden, geldt alsnog de betreffende plan- en/of besluit-m.e.r.-plicht. Toetsing In dit geval is het bestemmingsplan/ de activiteit niet via dit spoor m.e.r.-plichtig want de activiteit komt niet voor op de lijst in onderdeel C of D van het Besluit milieueffectrapportage. Daarnaast heeft toetsing aan de in bijlage III van de Europese m.e.r.-richtlijn opgenomen criteria uitgewezen dat er geen sprake zal zijn van belangrijke milieugevolgen, zodat een m.e.r. achterwege kan blijven. "Damweg V, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
29
Damweg V, partiële herziening Buitengebied 2012
Besluit m.e.r. Per 16 mei 2017 is de regelgeving voor de MER en m.e.r.-beoordeling gewijzigd met daarin een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor de ontwerp-bestemmingsplanfase moet een m.e.r-beoordelingsbeslissing worden genomen, waarin wordt aangegeven of wel of geen MER nodig is, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen. Deze beslissing wordt als bijlage bij het bestemmingsplan opgenomen. Voor elke aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde komt moet de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie opstellen, waarbij ook mitigerende maatregelen mogen worden meegenomen. Het bevoegd gezag dient binnen zes weken na indienen een m.e.r.-beoordelingsbesluit af te geven. Een vormvrije m.e.r.-beoordelingsbeslissing hoeft echter niet gepubliceerd te worden. Onderzoek De bouw van één woning valt niet onder het begrip stedelijke ontwikkeling als bedoeld in Bijlage D11.2 van het Besluit milieueffectrapportage. Uit jurisprudentie is gebleken dat niet iedere ontwikkeling van woningen valt onder het begrip stedelijke ontwikkeling. Kleinschalige woningbouwprojecten vallen niet onder dit begrip. Dat geldt ook voor de bouw van één woning. De conclusie is dat het plan om één woning te bouwen niet m.e.r.-beoordelingsplichtig is.
Passende beoordeling via de Wet natuurbescherming Voor het vaststellen van plannen die significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied kunnen hebben, dient een passende beoordeling gemaakt te worden (artikel 7.2a Wet milieubeheer juncto artikel 2.8, eerste lid Wet natuurbescherming). Uit de beoordeling van het aspect ecologie (zie paragraaf 5.3) blijkt dat er voor dit plan geen passende beoordeling nodig is. De plan-m.e.r-plicht op grond van de noodzaak van een passende beoordeling voor de Wet natuurbescherming is hier niet aanwezig. Er is voor dit plan geen passende beoordeling nodig.
Provinciale milieuverordening Provinciale Staten kunnen in de provinciale milieuverordening extra activiteiten met gevallen, plannen en besluiten aanwijzen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben en dus m.e.r.-plichtig zijn (artikel 7.6 Wet milieubeheer). Dit is dus aanvullend op de m.e.r.-plicht op basis van onderdeel C van de bijlage Besluit m.e.r. (en dus ook aanvullend op de verplichting vanuit de Europese richtlijnen) én conform dezelfde systematiek. Provinciale staten van Gelderland hebben geen extra activiteiten met gevallen, plannen en besluiten aangewezen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (en zo m.e.r.-plichtig zijn). Doorwerk ing in plangebied Het aspect m.e.r. vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.
5.11
Milieuzonering
Ten aanzien van bedrijvigheid geldt als uitgangspunt dat toekomstige woningen geen onevenredige milieuhinder (geur, geluid etc.) mogen ondervinden van nabijgelegen bedrijvigheid. In de publicatie ´Bedrijven en milieuzonering´ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, editie 2009, worden in verband met de aanwezigheid van milieubelastende functies indicatieve afstandsnormen voorgeschreven tot milieugevoelige functies, vooral wonen. In dit kader zijn voor het onderhavige plan de volgende bedrijven en aspect van belang: Op de Veenburgerhof 13 zit een bedrijf met milieucategorie 1 en 2. Daarvoor geldt een richtafstand van 30 meter in het kader van milieuzonering. Dit bedrijf ligt op 55 meter afstand van de nieuwe woning. Daarmee wordt voldaan aan de aan te houden richtafstand.
30
"Damweg V, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Damweg V, partiële herziening Buitengebied 2012
Veiligheidszone - Activiteitenbesluit Binnen de grenzen van het bestemmingsplan is geen gasdrukmeet- en regelstation aanwezig. In het Activiteitenbesluit zijn veiligheidsafstanden opgenomen die moeten worden aangehouden tussen kwetsbare respectievelijk beperkt kwetsbare objecten en (onder andere) een gasdrukmeet- en regelstation (4-6 meter). Kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten volgens het Activiteitenbesluit zijn dezelfde objecten als die genoemd zijn in het Besluit externe veiligheid inrichtingen. Het gaat dan om onder andere woningen, ziekenhuizen en bedrijven. Liander heeft op 15 november 2023 aangegeven geen belangen in het gebied te hebben, daarom hoeven er in dit bestemmingsplan geen veiligheidsafstanden opgenomen te worden. Doorwerk ing in plangebied Vanuit milieuzonering zijn er geen belemmeringen voor het plan.
5.11.1 Spuitzonering Er is in Nederland geen wettelijke regeling die ziet op minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen worden geteeld met daarbij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en in de buurt gelegen gevoelige functies zoals woningen of bedrijven. Gevoelige functies zijn plaatsen waar regelmatig en voor een groot gedeelte van de dag, mensen verblijven of samenkomen waardoor de kans op blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen aanwezig is. Bij ruimtelijke plannen moet rekening worden gehouden met het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in verband met een goed woon- en leefklimaat. Per 1 januari 2018 is het Activiteitenbesluit milieubeheer gewijzigd. Op grond van dat artikel is het verplicht om bij open teelten te spuiten met een driftreductie van 75%, óók als het perceel niet is gelegen aan een watergang. Vanaf de inwerkingtreding kan en dient bij de beoordeling van ruimtelijke ontwikkelingen hiermee rekening te worden gehouden. Een driftreductie van 75% is immers relevant voor de in beginsel aan te houden afstand tot gevoelige objecten. Over het algemeen wordt aangenomen dat de spuitzones vanwege de voorgeschreven driftreductie van 75% kleiner zijn dan de gangbare 50 m die in beginsel werd gehanteerd voor de beschreven wijziging van het Activiteitenbesluit.
Doowerking in plangebied Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.
5.12
Natuur en landschap
Het plan is landschappelijk ingepast. Daarvoor worden 5 knotbomen, met onderdoorzicht, aangeplant aan de noordwestzijde van het perceel. Daarnaast wordt een halfstam boomgaard aangeplant en worden aan weerszijden van het perceel beukenhagen aangeplant. Zie de afbeelding hieronder.
"Damweg V, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
31
Damweg V, partiële herziening Buitengebied 2012
Afbeelding 5.2 Erfinrichting- en beplantingsplan Ten behoeve van de landschappelijke inpassing is een erfinrichting- en beplantingsplan aangeleverd, welke als Bijlage 1 is bijgevoegd bij dit bestemmingsplan. Dit is tevens als voorwaardelijk verplichting in artikel 6.1 in de regels opgenomen. Doorwerk ing in plangebied Het aspect natuur en landschap vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.
5.13
Ontplofbare oorlogsresten
Gemeente Barneveld heeft voor haar gehele grondgebied een historisch vooronderzoek uit laten voeren naar de aanwezigheid van Ontplofbare Oorlogsresten uit de Tweede Wereldoorlog. Volgens dit vooronderzoek van Expload met kenmerk RN-14037-2.0 van 27 oktober 2015 blijkt dat de Damweg 80 in Zwartebroek niet verdacht is van Ontplofbare Oorlogsresten, zijnde afwerpmunitie. De onderstaande afbeelding is een kaartuitsnede van de OO-belastingkaart van gemeente Barneveld, waarop de Damweg 80 in Zwartebroek te zien is.
32
"Damweg V, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Damweg V, partiële herziening Buitengebied 2012
Afbeelding 5.3 Uitsnede OO-belastingkaart
De locatie is onverdacht voor Ontplofbare Oorlogsresten uit de Tweede Wereldoorlog. Verder onderzoek naar explosieven is niet nodig. Doorwerk ing in plangebied Het aspect Ontplofbare Oorlogsresten vormt geen belemmering voor het plan.
5.14
Veiligheid en gezondheid
Veiligheid Om een veilige omgeving te creëren of te behouden is er op het gebied van fysieke veiligheid een aantal aspecten waarmee rekening gehouden moet worden. Zo worden er eisen gesteld aan de bereikbaarheid van de openbare wegen voor de hulpverleningsdiensten. Dit leidt tot het stellen van minimale afmetingen en bochtstralen zodat hulpverleningsvoertuigen een object of calamiteit goed kunnen bereiken en adequate hulp kunnen verlenen. Met betrekking tot voldoende bluswater in het openbare wegennet zijn er ook eisen gesteld. Deze eisen hebben betrekking op de afstanden vanaf de bluswatervoorziening tot aan een gebouw en de capaciteit ervan. In de 'Handreiking Bluswatervoorziening en bereikbaarheid' een uitgave van Brandweer Nederland worden deze eisen gesteld. Voor wat betreft de bereikbaarheid zijn er binnen de gemeente Barneveld hoofd- en subaanrijdroutes vastgesteld. Tevens worden er eisen gesteld aan de opkomsttijden voor brandweervoertuigen. Deze zijn afhankelijk van de bestemming. Voor gebouwen waarin geslapen wordt en verminderd zelfredzame mensen verblijven worden strengere eisen gesteld dan gebouwen waar dit niet zo is. De opkomsttijden zijn gesteld in de Wet veiligheidsregio’s (1 oktober 2010) met het daarbij behorende Besluit veiligheidsregio’s. In het Besluit zijn de tijdnormen voor de opkomsttijden vastgelegd.
Situatie Nieuwe ontwikkelingen zullen worden getoetst aan de Handreiking Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid, het Besluit veiligheidregio’s en aan de eisen van de aangewezen hoofd- en subaanrijdroutes. Dit zal gebeuren bij de bouwplannen en inrichtingsplannen. Doorwerk ing in plangebied Er zijn voor wat betreft de eisen voor de veiligheid geen belemmeringen voor dit bestemmingsplan. Gezondheid "Damweg V, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
33
Damweg V, partiële herziening Buitengebied 2012 De aanwezigheid van een intensieve veehouderij kan invloed hebben op de gezondheid van omwonenden. Uit het onderzoek Veehouderij Gezondheid Omwonenden (VGO) van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu is gebleken dat longontsteking vaker voorkomt bij mensen die in veedicht gebied wonen. Een deel van de longontstekingen is geassocieerd met het wonen in de buurt van een geitenhouderij. De oorzaak is niet duidelijk. Met andere woorden: het wonen in de buurt van een geitenhouderij verhoogt de kans op een longontsteking, maar we tasten nog in het duister wat deze verhoogde kans veroorzaakt. Eind oktober 2020 kwam de GGD met de richtlijn 'Veehouderij en gezondheid'. De richtlijn gebruikt de GGD bij de advisering over ruimtelijke plannen. De GGD heeft twee uitgangspunten bij zijn adviezen. De eerste is voorzorg: wees terughoudend met het plaatsen van gevoelige bestemmingen (bijvoorbeeld woningen, scholen, en ziekenhuizen) en veehouderijen binnen 250 meter van elkaar (bij geitenhouderijen binnen 2 kilometer). Het tweede uitgangspunt is het streven om de uitstoot van geur, stof, endotoxinen (kleine stukjes bacteriën) en ammoniak van veehouderijen te verminderen. De GGD-richtlijn betreft een niet-bindende aanbeveling en deze bevat geen harde normen. De richtlijn heeft geen bindende status.
De GGD heeft niet willen uitsluiten dat er nieuwe woningen komen in de omgeving van geitenhouderijen. De GGD adviseert doorgaans aan gemeenten om in hun besluitvorming het risico van longontsteking zorgvuldig mee te wegen. Volgens de GGD is het risico op longontsteking het hoogst binnen een straal van 500 meter. Buiten die straal loopt het verhoogde risico af. Omdat we niet weten waardoor de longontstekingen rondom geitenhouderijen wordt veroorzaakt, ontbreekt het inzicht in effectieve bronmaatregelen om gezondheidsrisico's te voorkomen. Conclusie Het plangebied bevindt zich in de invloedssfeer van de geitenhouderij(en) aan de Platanenstraat 88 in Zwartebroek. De afstand bedraagt 850 meter. De nieuwe woningen (of andere hindergevoelige functie) komen dus niet in het hoogste risicogebied binnen 500 meter. Wel ligt het plangebied in het gebied waarvoor een licht verhoogde risico op longontsteking geldt. Desondanks is een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gewaarborgd in het plangebied. Uit jurisprudentie blijkt dat het gemeentebestuur in de afweging van belangen het zwaarwegende, maatschappelijke belang van de urgente woonbehoefte mag laten prevaleren.
Het is zeer belangrijk dat er voldoende woningen worden gebouwd (hier dan nog iets noemen over het aantrekkelijk houden van het buitengebied als er sprake is van functieverandering/verloedering voorkomen/sloop voormalige agrarische bedrijfsbebouwing bevorderen). In gemeente Barneveld is de agrarische sector groot. Het is nu eenmaal een veedicht gebied. Het is dan ook onmogelijk om bij woningbouw overal de strengste voorzorgsrichtlijnen in acht te nemen. Anders zou de woningbouwproductie sterk afnemen. Naar ons oordeel is het verantwoord en aanvaardbaar om de bouw van één woning mogelijk te maken nu de geitenhouderij zich bevindt op een grotere afstand dan 500 meter. Doorwerk ing in plangebied Het aspect veiligheid en gezondheid vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.
5.15
Verkeer
Het plan wordt ontsloten via de bestaande vergunde inrit aan de westzijde van het perceel. De andere inrit aan de oostzijde van het perceel komt te vervallen. In het plan worden drie, goed en onafhankelijk van elkaar te bereiken, parkeerplaatsen gerealiseerd op eigen terrein. Daarmee is het plan verkeerskundig akkoord. Doorwerk ing in plangebied Het aspect verkeer vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.
34
"Damweg V, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Damweg V, partiële herziening Buitengebied 2012
5.16
Water
Waterparagraaf Deze waterparagraaf vormt het resultaat van het procesinstrument watertoets. De watertoets betreft het vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten bij de totstandkoming van ruimtelijke plannen. Het is verplicht de watertoets toe te passen. Hiermee wordt beoogd om het belang van water een evenwichtige plaats te geven in het ruimtelijk planproces. De watertoets heeft betrekking op het grond-, oppervlakte-, afval- en hemelwater. Het behandelt alle relevante waterhuishoudkundige aspecten zoals ontwatering, wateroverlast en waterkwaliteit. De waterparagraaf beschrijft het relevante waterbeleid, de betrokkenheid en het advies van de waterbeheerder en de waterhuishoudkundige uitwerking van het plan. Waterbeleid Het relevante waterbeleid staat beschreven in 4.5 en 4.6.3. Huidige situatie Het perceel Damweg 80 betreft een perceel te Zwartebroek. Op het perceel staat een schuur met enkele bijgebouwen. Het perceel is aangesloten aan persriolering. Rondom het perceel zijn ook enkele C-watergangen gelegen. Toekomstige situatie In de toekomstige situatie wordt de bebouwing gesloopt, en wordt er een woning met garage gerealiseerd. Voor de toename in verharding komt compenserende waterberging met een capaciteit van 30mm per vierkante meter verharding. Deze berging zal een overloopvoorziening krijgen naar de sloot.
Het vuilwater kan worden aangesloten op de persriolering. Wanneer er werkzaamheden aan de watergang worden uitgevoerd dient dit te worden kortgesloten met het waterschap. Doorwerk ing in plangebied Het aspect water vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.
"Damweg V, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
35
Damweg V, partiële herziening Buitengebied 2012
Hoofdstuk 6 6.1
JURIDISCHE ASPECT EN
Inleiding
Deze partiële herziening is gebaseerd op het moederplan "Buitengebied 2012" (met identificatienummer NL.IMRO.0203.1056-0004), vastgesteld op 28 mei 2013 en zoals nadien door het college gewijzigd en in werking getreden, door de raad herzien en in werking getreden en zoals gewijzigd door een intrekkingsbesluit van de raad. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: Hoofdstuk 1 bevat de algemene voor het plangebied geldende bepalingen, de inleidende regels. Hoofdstuk 2 regelt de bestemmingen en het daarop toegestane gebruik. Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels, zoals de anti-dubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene afwijking- en algemene wijzigingsregels en tot slot de algemene procedureregels. Hoofdstuk 4 betreft het overgangsrecht en de slotbepaling. Bevoegdheid Het bevoegd gezag is het bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning. Over het algemeen zijn burgemeester en wethouders het bevoegd gezag. Het kan incidenteel voorkomen dat bijvoorbeeld het Rijk of de provincie het bevoegd gezag is. Burgemeester en wethouders zijn altijd bevoegd gezag bij het wijzigen van een plan en het stellen van nadere eisen.
6.2
Inleidende regels
Begrippen In artikel 1 van de partiële herziening zijn de begrippen plan en bestemmingsplan "Buitengebied 2012" gedefinieerd. Het kan bij een partiële herziening voorkomen dat er een begrip wordt toegevoegd. Er wordt uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Voor zover er geen begrippen zijn gedefinieerd wordt aangesloten bij het normale spraakgebruik.
6.3
Bestemmingsregels
In hoofdstuk 2 van de partiële herziening zijn de bestemmingsregels opgenomen. Deze worden niet gewijzigd. Wel wordt de verbeelding van het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" op de locatie gewijzigd in die zin dat het bestemmingsvlak 'Wonen' is vergroot, er een bouwvlak met maatvoeringsaanduiding is toegevoegd en een gebiedsaanduiding met betrekking tot een voorwaardelijke verplichting is toegevoegd. Verder verdwijnt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1' Zie verder de toelichting bij het bestemmingsplan "Buitengebied 2012". Hieronder volgt een nadere uiteenzetting van enkele specifieke onderdelen van de partiële herziening.
6.4
Algemene regels
In hoofdstuk 3 is aangegeven dat de algemene regels zoals opgenomen in het bestemmingsplan "Buitengebied 2012", en zoals nadien door het college gewijzigd en in werking getreden, door de raad herzien en in werking getreden en zoals gewijzigd door een intrekkingsbesluit van de raad, niet zijn gewijzigd. Overeenkomstig het bepaalde in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de voorgeschreven Anti-dubbeltelregeling opgenomen. 6.4.1
Schakelbepaling
In Artikel 4 van de regels bij deze partiële herziening is een schakelbepaling opgenomen, waarin nader is aangegeven wat er op de verbeelding verandert. Dit is ook in paragraaf 6.3 van de toelichting van dit plan toegelicht.
36
"Damweg V, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Damweg V, partiële herziening Buitengebied 2012
6.4.2
Algemene aanduidingsregels
De algemene aanduidingsregels bevatten specificaties van de (dubbel-)bestemmingen met betrekking tot het gebruik of het bouwen. Een gebiedsaanduiding is een aanduiding die verwijst naar een gebied waarvoor bijzondere regels, extra regels of nadere afwegingen gelden. Bij gebiedsaanduidingen gaat het veelal om zones en gebieden die aan sectorale regelgeving zijn ontleend. De volgende soorten gebiedsaanduidingen zijn toegepast: 'overige zone - voorwaardelijke verplichting' 6.4.2.1
Voorwaardelijke verplichting
Bij wijzigingen van het bestemmingsplan is het veelal noodzakelijk afspraken met betrekking tot het slopen van gebouwen of het realiseren van inrichtingsmaatregelen dan wel andere voorwaarden vast te leggen. Om dit te waarborgen wordt in het bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Hierbij worden aan het bestemmingsplan specifieke regels toegevoegd die de verzoeker verplichten om bij gebruikmaking van de toegestane ontwikkeling ook de inrichtingsmaatregelen te realiseren of bebouwing te slopen. In deze partiële herziening is een voorwaardelijke verplichting opgenomen die verband houdt met de erfinrichting en het beplantingsplan.
6.5
Overgangs- en slotregels
In het laatste hoofdstuk zijn de regels ten aanzien van het overgangsrecht opgenomen. Het laatste artikel van de regels betreft de citeertitel van voorliggende partiële herziening.
6.6
Handhaving
De gemeente acht handhaving van haar beleid van groot belang om de gewenste ruimtelijke kwaliteit te garanderen. Belangrijke redenen voor handhaven zijn: De regels zijn door de gemeente vastgesteld en de inwoners van de gemeente mogen verwachten dat de gemeente die regels handhaaft: waarom zijn er anders regels opgesteld? Inwoners van de gemeente hebben als het ware recht op handhaving. Handhaving gaat oneigenlijk gebruik van en daarmee de achteruitgang van de kwaliteit van het gemeentelijk grondgebied tegen. Een actueel bestemmingsplan beoogt de ruimtelijke kwaliteit van een gebied in stand te houden en te verbeteren. Niet daadkrachtig optreden tegen overtredingen van wettelijke regels werkt een toename van het aantal overtredingen in de hand en tast de geloofwaardigheid van daadkrachtig optreden aan. Het in het bestemmingsplan vastgelegde beleid wordt ondermijnd en het bestuur verliest de greep op de gebouwde omgeving. Onderscheid kan gemaakt worden tussen preventieve en repressieve handhavingsinstrumenten. Onder preventieve instrumenten kunnen onder andere goede regelgeving (zoals in bestemmingsplan), voorlichting, subsidieverlening, afwijking van bouwregels en gebruiksregels en de omgevingsvergunning worden begrepen. Repressieve instrumenten zijn onder meer controle en toezicht, opsporing en het hanteren van sancties als bestuursdwang en dwangsom.
In 2016 heeft de gemeente de Nota Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving, VTH-beleid vastgesteld. In dit VTH-beleid staat beschreven hoe het college van burgemeester en wethouders op hoofdlijnen omgaat met de uitvoering van VTH-taken en welke prioriteiten hieraan zijn toegekend. Het college is verantwoordelijk voor de uitvoering van de VTH-taken en heeft de uitvoering van deze taken met ingang van 1 april 2013 grotendeels belegd bij de Omgevingsdienst de Vallei. Bij de handhaafbaarheid van een bestemmingsplan spelen aspecten als communicatie, de planvorm, de normstelling, het daadwerkelijk kunnen handhaven en de controleerbaarheid van normen ook een belangrijke rol. Randvoorwaarde voor handhaving is dat er voldoende basis/grondslag is om te kunnen handhaven. Deze basis wordt gevormd door: De regeling in het bestemmingsplan zelf: de handhaafbaarheid van de planregels. Het beleid voor afwijkingen.
"Damweg V, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
37
Damweg V, partiële herziening Buitengebied 2012
In het moederplan (bestemmingsplan "Buitengebied 2012"), en daarmee ook in deze partiële herziening, is gestreefd naar heldere, eenduidige planregels met zo min mogelijk interpretatiemogelijkheden. Verder zijn aan de in het moederplan (bestemmingsplan "Buitengebied 2012") opgenomen afwijkingsmogelijkheden duidelijke voorwaarden verbonden, die voldoende objectief bepaalbaar zijn.
38
"Damweg V, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Damweg V, partiële herziening Buitengebied 2012
Hoofdstuk 7
ECONOM ISCHE UIT VOERBAARHEID
Op grond van artikel 6.12, eerste lid van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) stelt de gemeenteraad een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bouwplan voorkomt dat in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is aangewezen. De kosten voor het opstellen van het plan worden gedekt door het heffen van leges. Voor de kosten van tegemoetkoming in schade, bedoeld in artikel 6.1 van de Wro (planschade) is een afzonderlijke overeenkomst gesloten. De inhoud voldoet aan die van een anterieure overeenkomst in de zin van artikel 6.24 Wro. Er zijn bij dit plan geen andere kosten die in een exploitatieplan of exploitatieovereenkomst opgenomen moeten worden.
"Damweg V, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
39
Damweg V, partiële herziening Buitengebied 2012
Hoofdstuk 8 OVERLEG EN M AAT SCHAPPELIJKE UIT VOERBAARHEID De procedure voor het gedeeltelijk herzien van een bestemmingsplan is door de wetgever geregeld. Conform artikel 1.3.1. Besluit ruimtelijke ordening (Bro) heeft het college op 12 oktober 2023 in de Barneveldse Krant en Barneveld Huis-aan-Huis en langs elektronische weg kennis gegeven van het voornemen om de voorliggende partiële herziening van het geldende bestemmingsplan voor te bereiden. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Daarnaast is er de gelegenheid om in het voortraject belanghebbenden te laten inspreken conform de gemeentelijke verordening. Pas daarna wordt de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van de partiële herziening opgestart.
8.1
Participatie
Participatie gaat over het goede gesprek tussen initiatiefnemers, de samenleving en de beslissers. Het is de bedoeling om elkaar zo vroeg mogelijk te betrekken in het proces ter voorbereiding van een besluit en gezamenlijk te zoeken naar de beste oplossingen. Dit is verankerd in beleid dat moet leiden tot plannen met een hogere kwaliteit en een breder draagvlak. Op 20 april 2022 heeft de raad het "Participatiebeleid Gemeente Barneveld" vastgesteld. Het beleid onderscheidt drie sporen: 1. Participatie bij ruimtelijke initiatieven; 2. Participatie bij initiatieven van de overheid; 3. Participatie bij initiatieven vanuit de gemeenschap. Het beleid is in werking getreden op 1 januari 2023, met uitzondering van de participatieverplichting uit spoor 1 want die is gekoppeld aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet (op 1 januari 2024). In het beleid is de participatieladder opgenomen. Die ladder gaat over verschillende gradaties van meedoen en is er om de rol van de deelnemers duidelijk te communiceren. Er zijn vier treden op de ladder: 1. 2. 3. 4.
Meeweten | informeren Meedenken | raadplegen Meewerken | adviseren Meebepalen | co-creatie
In dit geval is spoor 1 Participatie bij ruimtelijk initiatieven van het beleid relevant en trede 1 Meeweten/informeren van de participatieladder. Bij spoor 1 is de initiatiefnemer verantwoordelijk voor de participatie. Zolang spoor 1 niet in werking is getreden, stimuleren we als gemeente participatie en veel initiatiefnemers passen participatie ook toe. Dat is in dit geval niet van toepassing. In dit geval is trede 1 gebruikt en de initiatiefnemer heeft aangegeven dat er overleg is geweest met de buren op de Damweg 74 en 84. Zij hebben beiden geen bezwaren tegen het voorgenomen plan.
8.2
Overleg ex artikel 3.1.1 Bro
Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg voeren met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Er is in het gebied van de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van bijzondere waarden of andere situaties waardoor deze ontwikkeling zou raken aan enig nationaal belang. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. Dit plan is gebaseerd op het Functieveranderingsbeleid Regio Food Valley 2016 en voldoet daar ook aan. Geconcludeerd kan worden dat er hier geen provinciale belangen in het geding zijn die om vooroverleg vragen. Verder is er geen sprake van provinciale belangen, zodat ook is afgezien van vooroverleg met de provincie Gelderland. Op grond van artikel 3.1.1 lid 2 Bro kan derhalve worden afgezien van overleg in door de 40
"Damweg V, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Damweg V, partiële herziening Buitengebied 2012 provincie en het Rijk aangegeven gevallen. Het Waterschap Vallei & Veluwe heeft aangegeven dat geen vooroverleg nodig is indien de toename van de verharding kleiner is dan 4.000 m² en de waterhuishoudkundige doelen van het waterschap niet in het geding komen door een bestemmingsplan. Hier is sprake van zo een geval. Om die reden heeft geen vooroverleg met het waterschap plaatsgevonden. Ook belangen van omliggende gemeenten zijn bij dit plan niet in het geding.
8.3
Inspraak
De Wro bevat geen procedurevoorschriften met betrekking tot de inspraak, en is in Wro zelf niet verplicht gesteld. Dat neemt niet weg dat het de gemeente vrij staat toch inspraak te verlenen bijvoorbeeld op grond van de gemeentelijke inspraakverordening. In relatie daarmee bepaalt artikel 150 van de Gemeentewet onder meer dat in een gemeentelijke inspraakverordening moet worden geregeld op welke wijze bovenbedoelde personen en rechtspersonen hun mening kenbaar kunnen maken. Op 15 december 2009 heeft het college besloten dat bij bestemmingsplannen alleen inspraak wordt gevoerd bij plannen waarbij maatschappelijke belangen een rol spelen, die politiek gevoelig liggen of waarbij inspraak een bijdrage kan leveren aan de kwaliteit en/of snellere doorlooptijd van het plan.
8.4
Zienswijzen
Het ontwerp voor de partiële herziening heeft van 15 december 2023 tot en met 25 januari 2023 ter inzage gelegen. Gedurende deze periode heeft een ieder de mogelijkheid gehad om een zienswijze naar voren te brengen. Tijdens deze zes weken zijn geen reacties ingediend.
"Damweg V, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
41
Damweg V, partiële herziening Buitengebied 2012
42
"Damweg V, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Damweg V, partiële herziening Buitengebied 2012
Bijlagen bij de toelichting
"Damweg V, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
43
Damweg V, partiële herziening Buitengebied 2012
Bijlage 1 Erfinrichting- en beplantingsplan
44
"Damweg V, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Infiltratieboxen met een noodoverloop naar de zaksloot voorzien van uitstroomvoorziening met taludbescherming. bergingseis 30mm/m2 (bebouwing+overige verhard oppervlak) = 281 x 0,03 = 8,4m3
bestaande els (Fraxinus excelsior)
400
220
800
hobby 80m2 bestaand
pp 500
aanplant beukenhaag (Fagus sylvatica) maat 80-100cm afstand 4/m1
pp
275
600
500
pp
infiltratie boxen
vuilwater naar rioolput
74-74/bis
aanplant halfstam boomgaard, maat 120-130cm 3x perenboom (Pyrus communis conference) 4x kersenboom (Prunus Kordiax) 3x appelboom (Malus domestica Elstar)
bestaande knotbomen
r
r
r
r
bestaande inrit
r
Damweg
51
Veenburgerweg
r
bestaand gaashekje h=900
woning 80
1200
700
garage
570
84
aanplant 5 stuks knotbomen: zwarte els (Alnus glutinosa) maat 16-18
63
noord
55 1A
53
57
situatie kadastraal gemeente Voorthuizen sectie A nummer 3551
woning Damweg 80, 3785 LL in Zwartebroek
A3 schaal 1:500
12 juli 2023
nieuwe inrichting
HOFLAND ARCHITECTEN
Damweg V, partiële herziening Buitengebied 2012
Bijlage 2 Historisch vooronderzoek bodem
46
"Damweg V, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Damweg V, partiële herziening Buitengebied 2012
Bijlage 3 Asbestinventarisatie rapport
"Damweg V, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
47
Rapportage asbestinventarisatie conform certificatieschema asbestinventarisatie en asbestverwijdering Projectnummer: AS23044
Twee schuren aan de Damweg 80 te Zwartebroek
Opdrachtgever
:
t.a.v
:
Hofland Architecten Oostlaan 9 3771 XK Barneveld Dhr. A. Hofland
Versie Datum onderzoek Datum rapportage Rapportage geldig tot
: : : :
1 13 maart 2023 15 maart 2023 15 maart 2026
Paraaf technisch manager
RAPPORTNUMMER: RAS23044_Asbest_V1
I.
TITELBLAD
Projectgegevens Adres Postcode en plaats Projectnummer
: : :
Damweg 80 3785LL Zwartebroek AS23044 Versie (1)
Opdrachtgever Naam Adres Postcode en plaats Contactpersoon
: : : :
Hofland Architecten Oostlaan 9 3771 XK Barneveld Dhr. A. Hofland
Uitvoerend inventarisatiebureau Naam Certificaatnummer Ascert
: :
Grondvitaal B.V. 07-D070121
Adres Postcode en plaats Telefoonnummer Website Email
: : : : :
Voorthuizerstraat 256 3881 SN te Putten 0341-491323 www.grondvitaal.nl info@grondvitaal.nl
Uitvoerend inventariseerder (DIA) Naam DIA (SCA-code)
: :
Dhr. H. Hofsink 51E-281122-411988
Technisch verantwoordelijke (DIA) Naam DIA (SCA-code)
: :
Dhr. J.W. Mertens 51E-120321-411799
Omschrijving van de onderzochte bouwkundige eenheid - twee schuren Doel van het onderzoek - sloop Destructief onderzoek uitgevoerd - nee Reikwijdte uitgevoerd onderzoek Gehele bouwwerk of gehele object Gedeelte van bouwwerk of gedeelte van object Bouwwerk of object en het gebied rondom het bouwwerk of object Uitsluitend het gebied rondom het bouwwerk of het object
Geschiktheid uitgevoerd onderzoek Geschikt voor de verwijdering van het in dit rapport genoemde asbesthoudende materiaal Geschikt voor renovatie zonder de bouwkundige integriteit aan te tasten Geschikt voor volledige renovatie of totaalsloop Niet geschikt voor asbestverwijdering, risicobeoordeling noodzakelijk
Projectnummer: (AS23044)
Pagina
2
RAPPORTNUMMER: RAS23044_Asbest_V1
Inhoudsopgave 1
Samenvatting ......................................................................................................................................... 4
2
Omschrijving van de opdracht ............................................................................................................. 5 2.1 Aanleiding onderzoek ................................................................................................................... 5 2.1.1 Algemene beperking ......................................................................................................... 5 2.1.2 Beperkingen specifiek geldend voor dit project ................................................................. 6 2.1.3 Niet onderzochte ruimten .................................................................................................. 6 2.2 Uitvoering, autorisatie en eerder opgestelde revisies ................................................................... 6
3
Methoden................................................................................................................................................ 7
4
Resultaten .............................................................................................................................................. 8 4.1 Bevindingen vooronderzoek ......................................................................................................... 8 4.2 Bevindingen visuele inspectie ...................................................................................................... 9 4.3 Indeling in risicoklassen.............................................................................................................. 19
5
Bijlagen................................................................................................................................................. 20 5.1 Beknopt verslag vooronderzoek ................................................................................................. 21 5.2 Integrale opname analysecertificaten ......................................................................................... 22 5.3 De oorspronkelijke toepassingrelateerde output van de SMA-rt risicoklassebepaling................ 24 5.4 Overige projectfoto's................................................................................................................... 29 5.5 Procescertificaat asbestinventarisatie ........................................................................................ 34 5.6 Bouwtekeningen, plattegronden en/of schetsen ......................................................................... 35
Projectnummer: (AS23044)
Pagina
3
RAPPORTNUMMER: RAS23044_Asbest_V1
1
Samenvatting
In opdracht van Dhr. A. Hofland van Hofland Architecten is door de medewerkers van Grondvitaal B.V. een asbestinventarisatie uitgevoerd van twee schuren aan de Damweg 80 te Zwartebroek. Het onderzoek is uitgevoerd op 13 maart 2023 conform de eisen zoals is vastgelegd in het werkveldspecifieke certificatieschema voor de Procescertificaten Asbestinventarisatie en Asbestverwijdering. Het bouwwerk of het object en het gebied rondom het bouwwerk of het object: er zijn geen ruimtes of constructiedelen uitgesloten en tevens is het omliggende gebied geïnventariseerd. Geschikt voor volledige renovatie of totaalsloop: geen beperkingen m.b.t. uit te voeren werkzaamheden. Aanleiding tot asbestinventarisatie is het voornemen tot sloop van de schuren. De twee schuren waren tijdens het onderzoek in gebruik. Tijdens de inventarisatie zijn de volgende asbesthoudende en asbestverdachte toepassingen waargenomen: Tabel 1: samenvatting asbesthoudende en asbestverdachte toepassingen.
Nummer
Omschrijving
Ruimte
Risico-klasse
Afmeting
Aanbeveling
2
AC buis (los)
Maaiveld
1 buitensanering
2 m1
-
4
Raamkit (betonramen)
Gebouw A
1 buitensanering
8 stuks
-
5
AC golfplaat (dak)
Gebouw A
2A buitensanering
120 m2
-
2
7
AC golfplaat (dak)
Gebouw B
2A buitensanering
28 m
-
9
AC golfplaat (dak)
Aanbouw gebouw B van de buren
2A buitensanering
12 m2
-
Bestaat er een redelijk vermoeden tot verborgen asbesthoudende materialen welke alleen middels het uitvoeren van destructieve onderzoekshandelingen in kaart gebracht kunnen worden. Nee, er bestaat geen vermoeden tot verborgen asbesthoudende materialen in de constructie van het onderzochte object Ja, aanvullend onderzoek voorafgaand aan sloop of renovatie is noodzakelijk (zie uitsluitingen 2.1.2, tabel 2).
Projectnummer: (AS23044)
Pagina
4
RAPPORTNUMMER: RAS23044_Asbest_V1
2
Omschrijving van de opdracht
2.1
Aanleiding onderzoek
De aanleiding van het onderzoek is sloop van twee schuren aan de Damweg 80 te Zwartebroek. In opdracht van Dhr. A. Hofland van Hofland Architecten ontvingen wij op 23 februari 2023 opdracht tot het uitvoeren van een asbestinventarisatie conform de eisen zoals vastgelegd in het certificatieschema voor de Procescertificaten Asbestinventarisatie. Het opstellen van een asbestinventarisatie rapport is een verplichting op grond van het Asbestverwijderingsbesluit. 2.1.1 Algemene beperking Deze inventarisatie is met de grootst mogelijke zorg en nauwkeurigheid uitgevoerd door deskundige en gekwalificeerde medewerkers welke minimaal in bezit zijn van de wettelijk vereiste opleidingen en certificaten. Met de uitvoering van de asbestinventarisatie is, op basis van de verstrekte opdracht, door Grondvitaal B.V. een inspanningsverplichting geleverd op basis van kennis en ervaring om de in het onderzoeksgebied aanwezige asbesthoudende en asbestverdachte materialen te detecteren en in kaart te brengen. Ondanks een zorgvuldige werkwijze en de inzet van gekwalificeerd personeel kan niet volledig worden uitgesloten dat bij onderhouds-, verbouwings-, en/of sloopwerkzaamheden asbesthoudende materialen worden aangetroffen welke tijdens het onderzoek niet zijn opgemerkt. Achter asbesthoudende en/of asbestverdachte toepassingen wordt op voorhand geen onderzoek verricht.
Daarnaast betreft het in deze rapportage omschreven onderzoek een momentopname van de situatie zoals deze tijdens de inventarisatie is aangetroffen. Grondvitaal B.V. is op geen enkele wijze verantwoordelijk voor wijzigingen van de bevindingen en de onderzoekslocatie die aangebracht zijn na de datum van het uitgevoerde onderzoek. Indien tijdens sloop of verwijderingswerkzaamheden aanvullende, asbestverdachte materialen worden aangetroffen draagt Grondvitaal B.V. hiervoor geen verantwoordelijkheid met betrekking tot de verwijderingskosten. De verdachte toepassing dient gemeld te worden bij het bevoegd gezag, certificerende instelling en bij Grondvitaal B.V.. De toepassing zal aanvullend in kaart worden gebracht en middels een aanvullende wettelijke procedure afgehandeld worden. De belanghebbende worden over de uitkomst van deze procedure geïnformeerd.
Projectnummer: (AS23044)
Pagina
5
RAPPORTNUMMER: RAS23044_Asbest_V1
2.1.2 Beperkingen specifiek geldend voor dit project De uitgevoerde inventarisatie heeft betrekking op twee schuren. Tijdens dit onderzoek zijn de onderstaande beperkingen vastgesteld. Tabel 2: redelijk vermoeden tot verborgen asbesthoudende materialen en niet onderzochte onderdelen
Constructiedeel
Toepassing
Asbest vermoeden
Reden vermoeden
Aanvullend onderzoek
n.v.t
Dit onderzoek is uitgevoerd naar aanleiding van de sloop van twee schuren. Deze rapportage wordt zodanig als geschikt aangemerkt voor het voorgenomen doel. 2.1.3 Niet onderzochte ruimten Tijdens dit onderzoek zijn de volgende de ruimten niet onderzocht. Tabel 3: niet onderzochte ruimten
Niet onderzochte ruimte(n)
Opmerkingen
n.v.t
2.2
Uitvoering, autorisatie en eerder opgestelde revisies
De werkzaamheden zijn conform de eisen zoals gesteld in het Procescertificaat Asbestinventarisatie uitgevoerd. Grondvitaal B.V. is in het bezit van het vereiste procescertificaat uitgegeven door Normec Certification. Grondvitaal B.V. en haar medewerkers hebben geen enkel belang bij de resultaten van dit onderzoek. Deze rapportage wordt niet openbaar gemaakt zonder vooraf verkregen schriftelijke toestemming van de opdrachtgever. Dit rapport mag, zonder toestemming van de auteur, niet anders dan in zijn geheel en in kleur worden gereproduceerd. De asbestinventarisatie is op 13 maart 2023 uitgevoerd door Dhr. H. Hofsink (51E-281122-411988). De rapportage is intern geautoriseerd op 15 maart 2023 door Dhr. J.W. Mertens (51E-120321-411799). Tabel 4: rapport revisie tabel
Versie V1
Omschrijving
Datum 15 maart 2023
De laaste versie is de geldende versie, voor vragen omtrent de geldigheid van dit rapport kunt u zich wenden tot Grondvitaal B.V.. Uw vraag kunt u per e-mail stellen via info@grondvitaal.nl onder vermelding van ons projectnummer en uw specifieke vraag.
Projectnummer: (AS23044)
Pagina
6
RAPPORTNUMMER: RAS23044_Asbest_V1
3
Methoden
Aan de hand van de verkregen informatie over de te onderzoeken locatie is een projectspecifiek inventarisatieplan opgesteld. Een gecertificeerd medewerker van Grondvitaal B.V., welke minimaal in het bezit is van het certificaat Deskundig Inventariseerder Asbest (DIA), zal twee schuren op locatie inventariseren op asbestverdachte materialen. Hierbij wordt gebruik gemaakt van handgereedschap. Van alle materialen welke mogelijk asbest zouden kunnen bevatten worden materiaalmonsters genomen. Eventuele monsternamepunten zullen fotografisch worden vastgelegd. Van de aangetroffen asbestverdachte materialen zullen de exacte locatie, het soort materiaal, de bevestiging en de afmetingen bepaald worden. Alle asbestverdachte materialen worden bemonsterd met gebruik van daarvoor geschikte persoonlijke beschermingsmiddelen en toepassing maatregelen zodat vezelemissie wordt voorkomen. Na de monstername wordt de locatie van monstername gereinigd. De monsters worden afzonderlijk gecodeerd. Materiaalmonsters worden voorzien van de code MM, kleefmonsters van de code KM en luchtmonsters van de code LM. Van technische installaties zoals verwarmingsapparatuur en electra-gerelateerde componenten en dergelijke worden doorgaans geen materiaalmonsters genomen. Van eventueel aangetroffen verwarmingsapparatuur en componenten worden indien aanwezig het merk, typenummer en bouwjaar vastgelegd.
Aan de hand van diverse literatuur kan van een groot aantal installaties, apparatuur en componenten worden achterhaald of deze oorspronkelijk asbesthoudende materialen bevatten. Indien adequate productinformatie ontbreekt kunnen deze installaties, apparatuur en componenten op basis van kennis en ervaring van de inspecteur als asbestverdacht worden aangemerkt. Indien tijdens de inventarisatie een ernstige verontreiniging van asbesthoudende materialen wordt aangetroffen, welke een direct risico oplevert voor bewoners/gebruikers van het gebouw of constructie, wordt de opdrachtgever hierover direct ingelicht. Afhankelijk van de situatie wordt het onderzoek uitgebreid met kleefmonsters, indien de kleefmonsters asbest bevatten dan zal er een aanbeveling tot een NEN 2991 onderzoek worden gegeven. Dit is een risicobeoordeling in en rondom gebouwen of constructies waarin asbesthoudende materialen zijn verwerkt. Alle bemonsterde asbestverdachte materialen zullen worden geanalyseerd door een laboratorium in het bezit van het vereiste accreditatie voor testlaboratoria, vastgelegd in NEN-EN-ISO/EC 17025:2005. De monsters worden door het laboratorium geanalyseerd op aanwezigheid van de zes voorkomende asbestsoorten (crocidoliet, amosiet, chrysotiel, tremoliet, anthophyliet en actinoliet). Het laboratorium beoordeelt de binding van het materiaal, de hechtgebondenheid.
De door het laboratorium vastgestelde binding kan, ten gevolge van monstername, afwijken van de in de rapportage aangegeven binding van de asbesthoudende toepassing. De door de onderzoeker aangegeven mate van hechtgebondenheid is derhalve bepalend. Indien het materiaal als niet hechtgebonden wordt aangemerkt houdt dit in dat er onder normale toepassings- en gebruiksomstandigheden asbestvezels vrij (kunnen) komen. Bij hechtgebonden materiaal is de kans op vezelemissie onder normale toepassings- en gebruiksomstandigheden miniem. De hechtgebondenheid van het materiaal bepaalt mede de wijze van saneren in een later stadium, de zogenaamde risicoklasse-indeling (SMA-rt).
Projectnummer: (AS23044)
Pagina
7
RAPPORTNUMMER: RAS23044_Asbest_V1
4
Resultaten
4.1
Bevindingen vooronderzoek
Voorafgaand aan de inventarisatie is vooronderzoek uitgevoerd. Het vooronderzoek bestaat uit het raadplegen van informatie verstrekt door de opdrachtgever en het opvragen van (oorspronkelijke) bouwtekeningen, verbouwtekeningen en documenten van eerder uitgevoerde asbestsaneringen. Indien mogelijk worden (ex-)gebruikers van het te onderzoeken object geïnterviewd teneinde informatie te verkrijgen over het gebruik van asbesthoudende materialen in het object. De bevindingen van het vooronderzoek zijn opgenomen in het projectspecifiek inventarisatieplan. De bevindingen uit het vooronderzoek zijn tijdens het onderzoek gecontroleerd. In onderstaande tabel zijn de resultaten samengevat weergegeven. In bijlage 5.1 is een uitgebreid verslag opgenomen van alle inspanningen die verricht zijn aangaande het vooronderzoek. Tabel 4: bevindingen vooronderzoek asbestinventarisatie
Informatie eventuele asbesthoudende materialen en toepassingen verkregen uit beschikbare tekeningen, interview met de opdrachtgever, eigenaar, gebruikers of eventuele ex-gebruikers of overig verkregen informatie van het te onderzoeken object Aangetroffen tijdens onderzoek
Toepassing
in ieder geval een van de schuren is voorzien van eternit golfplaten dakbedekking.
Bouwtekening 18-06-1965.
Toepassing Nr. 5
Meerdere gebouwen op de locatie zijn voorzien van asbestverdachte dakbedekking.
Asbestdakenkaart Gelderland
Toepassing Nr. 7
Mogelijke toepassing
Projectnummer: (AS23044)
Pagina
8
RAPPORTNUMMER: RAS23044_Asbest_V1
4.2
Bevindingen visuele inspectie
Zoals eerder beschreven zijn de tijdens de inventarisatie waarneembare asbestverdachte materialen waar mogelijk bemonsterd en in kaart gebracht (bijlage 5.6). Van eventueel aangetroffen verwarmingsapparatuur en electra-gerelateerde componenten wordt indien mogelijk, op basis van documentatie en literatuur, vastgesteld of deze asbesthoudende onderdelen bevatten. Indien er tijdens het onderzoek asbesthoudende, asbestverdachte of asbestgelijkende toepassingen zijn aangetroffen worden deze in de navolgende bronbladen gedetailleerd beschreven. De bronbladen omschrijven alle aangetroffen asbestverdachte en asbesthoudende materialen, toepassingen apparatuur en componenten. De bemonsterde materialen welke na analyse geen asbest blijken te bevatten zijn eveneens in de bronbladen opgenomen. Het betreft asbestvrije materialen welke grote visuele overeenkomsten tonen met asbesthoudende materialen en toepassingen waarvan bekend is dat deze asbest kunnen bevatten. De bronnummers komen overeen met de bronnummers in bijlage 5.6. Alle asbesthoudende toepassingen worden met rood gemarkeerd en asbestvrije toepassingen worden met blauw gemarkeerd.
Projectnummer: (AS23044)
Pagina
9
RAPPORTNUMMER: RAS23044_Asbest_V1
Toepassing 1: Tegellijm (wand- en vloertegels) Locatie
Gebouw A.
Verdieping
begane grond .
Monstercode
MM1, MM2.
Soort materiaal
Tegellijm .
Asbesthoudend
nee.
Asbestsoort
N.a; N.a..
Analysecertificaat
1510509.
Percentage
<0,1%; < 0,1%.
Hechtgebondenheid
n.v.t..
Beschadiging
licht.
Graad van verwering
niet.
Omgevingskenmerken
binnensituatie .
Hoeveelheid
n.v.t. .
Bevestiging
gelijmd.
Bereikbaarheid
goed.
Risicoklasse
n.v.t..
Tegellijm (wand- en vloertegels)
Tegellijm (wand- en vloertegels)
Tegellijm (wand- en vloertegels)
Aanbevelingen
.
Opmerkingen
Betreft tegellijm achter de wand- en vloertegels in een ruimte in gebouw A. De wandtegels in het kantoor in gebouw A zijn van recente datum en niet asbesthoudend. Van materialen waarin het asbest niet homogeen aanwezig is, zoals dit aangetroffen materiaal, dienen conform de norm meerdere materiaalmonsters op verschillende toepassingslocaties te worden genomen. Naar aanleiding hiervan zijn op twee verschillende locaties een materiaalmonster genomen. Na analyse blijken beide monsters (MM1/MM2) asbestvrij te zijn..
Projectnummer: (AS23044)
Pagina
10
RAPPORTNUMMER: RAS23044_Asbest_V1
Toepassing 2: AC buis (los) Locatie
Maaiveld .
Verdieping
begane grond .
Monstercode
MM7.
Soort materiaal
buis.
Asbesthoudend
ja.
Asbestsoort
Chrysotiel.
Analysecertificaat
1510509.
Percentage
15-30%.
Hechtgebondenheid
hechtgebonden.
Beschadiging
licht.
Graad van verwering
licht.
Omgevingskenmerken
buitensituatie .
Hoeveelheid
1
2m.
Bevestiging
los.
Bereikbaarheid
slecht.
Risicoklasse
1 buitensanering.
AC buis (los)
AC buis (los)
Aanbevelingen
.
Opmerkingen
Betreft een AC buis losliggend op het maaiveld achter gebouw A..
Projectnummer: (AS23044)
Pagina