CConstaterende datBarneveld
Koppel je AI →
Document · PDF

Concept Ontwerp Hanzeweg-Zuid I_Toelichting

Commissie Samenleving 13 september 2023, gemeente BarneveldBij agendapunt: Raadsagenda: Herzien kaders ivm voortgang verplaatsing Flying Bikes17.297 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Wettelijk kader Op nationaal niveau zijn verschillende wetten en regels ten aanzien van externe veiligheid. Voor bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI; oktober 2004). Voor transport is het Besluit externe veiligheid transportroutes van toepassing (Bevt: april 2015). Voor buisleidingen moet worden getoetst aan het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb; januari 2015). Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt tussen Plaatsgebonden risico en Groepsrisico.

Plaatsgebonden Risico (PR) Dit is een maat voor de kans dat iemand dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met een gevaarlijke stof. De gestelde norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde (PR 10-6/jaar) die niet mag worden overschreden ten aanzien van 'kwetsbare objecten', alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10-6/jaar) ten aanzien van 'beperkt kwetsbare objecten'.

Groepsrisico (GR) Dit is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht.

Plasbrandaandachtsgebied (PAG) Binnen het werkveld externe veiligheid wordt sinds jaren gewerkt met twee risiconormen, het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Bij de ontwikkeling van het Basisnet is hieraan een derde voorwaarde toegevoegd: het plasbrandaandachtsgebied (PAG). Hiermee wordt het effectgebied weergegeven van het scenario met de grootste kans van voorkomen: de plasbrand. In deze gebieden moet er in samenhang met mogelijkheden van plasbrandbestrijding en bouwtechnische maatregelen beargumenteerd worden waarom er gebouwd wordt.

Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen Op 1 april 2015 is het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen van kracht geworden. Dit Basisnet geeft aan over welke routes (spoor, water en weg) gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Het Basisnet spoor heeft betrekking op het vervoer van gevaarlijke stoffen over het hoofdspoorwegennet. Op basis van de wet- en regelgeving omtrent het Basisnet worden, rekening houdend met te verwachten groei van vervoer van gevaarlijke stoffen door Nederland en verdichting van de ruimte naast het spoor (binnen een afstand van 200 m van het spoor) in met name stedelijke kernen, afspraken gemaakt over de risicoruimte. 30

"Hanzeweg-Zuid I" (ontwerp)

Hanzeweg-Zuid I

Beleidsvisie externe veiligheid In 2009 heeft de gemeente Barneveld de 'Beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld. In deze visie is onder meer vastgelegd hoe in Barneveld nabij risicobronnen zal worden omgegaan met het veiligstellen van een acceptabel niveau van risico's externe veiligheid en beheersbaarheid.

Beoordeling risicobronnen Het plangebied heeft geen effect op de Externe veiligheid. Het plan brengt zelf geen risico met zich mee als wel dat het plangebied niet in een PR-contour ligt dan wel dat er een groepsrisico verantwoording noodzakelijk is.

Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavig plan.

5.5

Geluid

De basis voor de ruimtelijke afweging van geluid is de Wet geluidhinder (Wgh). Bij verlening van de omgevingsvergunning of het vaststellen van een bestemmingsplan komen in de volgende gevallen de regels van deze wet aan de orde: het bestemmen van gronden voor nieuwe geluidgevoelige objecten (bijvoorbeeld woningen en onderwijsgebouwen) binnen zones langs (spoor-)wegen en zones rondom industrieterreinen; het bestemmen van gronden voor de aanleg van nieuwe, dan wel reconstructie van gezoneerde (spoor-)wegen; het bestemmen van gronden voor (nieuwe) industrieterreinen waar zich grote lawaaimakers kunnen vestigen en herziening van zonegrenzen van industrieterreinen. De Wet geluidhinder gaat uit van zones langs (spoor-)wegen en zones bij industrieterreinen. Het gebied binnen deze zone geldt als akoestisch aandachtsgebied waar, voor bouwplannen en bestemmingsplannen, een akoestische toetsing uitgevoerd dient te worden. De geluidbelasting op de gevels van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen mag in principe niet meer bedragen dan de voorkeursgrenswaarde. Indien de geluidbelasting op de gevel hoger is dan de voorkeursgrenswaarde kan onder bepaalde voorwaarden een verzoek worden gedaan tot vaststelling van een hogere waarde. Hierbij mag de geluidbelasting de uiterste grenswaarde niet overschrijden.

De voorkeursgrenswaarde en uiterste grenswaarde voor nieuwe of bestaande geluidgevoelige bestemmingen verschillen per geluidsbron. In geval van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen binnen zones langs wegen of spoorwegen, of binnen de zone van een industrieterrein, is akoestisch onderzoek vereist. De nieuwe sportfunctie is op grond van de Wet geluidhinder niet aangewezen als geluidgevoelige bestemming.

Conclusie Aangezien er geen geluidgevoelige objecten worden toegevoegd is het aspect geluid geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.

5.6

Geur

Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan toetst het bevoegde gezag enerzijds of in het plangebied een qua geur acceptabel woon- en leefklimaat gegarandeerd is. Anderzijds is het uitgangspunt dat met het plan de omliggende bedrijven niet vergaand in hun ontwikkelingsmogelijkheden mogen worden beperkt. Uitgangspunt voor de toetsing zijn de normen zoals die in of op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) zijn vastgelegd. De Wgv maakt het mogelijk om bij verordening af te wijken van de wettelijke geurnormen. De gemeente Barneveld heeft van die mogelijkheid gebruik gemaakt (bij besluit van 7 oktober 2008). Op 18 oktober 2008 is de Verordening geurhinder en veehouderij in werking getreden, "Hanzeweg-Zuid I" (ontwerp)

31

Hanzeweg-Zuid I waarbij voor een aantal aangegeven delen van het grondgebied van Barneveld andere normen dan de wettelijke zijn vastgesteld. Op 15 december 2021 is er een nieuwe Verordening door de raad vastgesteld en is de Verordening geur en veehouderij (vastgesteld op 7 oktober 2008) ingetrokken. Deze nieuwe Verordening geurhinder en veehouderij is in werking getreden op 24 december 2021, waarbij opnieuw voor een aantal aangegeven delen van het grondgebied van Barneveld andere normen dan de wettelijke zijn vastgesteld. Het plan is getoetst aan de normen die zijn vastgesteld in deze verordening, voor zover deze normen van toepassing zijn in of rond het plangebied. Veel bedrijven hebben geen omgevingsvergunning milieu meer nodig, maar vallen onder algemene milieuregels zoals vastgelegd in het Activiteitenbesluit milieubeheer. Aangezien de geurnormen uit de Wgv vrijwel één op één zijn overgenomen in het Activiteitenbesluit, kunnen bedrijven die onder dit besluit vallen ook gewoon worden meegenomen in de Wgv-toets. Onder een 'geurgevoelig object' wordt verstaan: een gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt. Het clubgebouw kan gezien worden als geurgevoelig object.

De dichtstbijzijnde veehouderijen liggen op meer dan 450 meter afstand van dit clubgebouw. Gezien de afstand levert dit plan geen belemmeringen op voor de ontwikkelingsmogelijkheden van veehouderijen, er zal ter plaatse van het clubgebouw worden voldaan aan de eisen vanuit de geurwetgeving. Daarnaast zal de achtergrondbelasting van geur ter plaatse, gezien de afstand, beperkt zijn. Volgens een kaart met de achtergrondbelasting in de gemeente Barneveld uit 2012 is in het gehele plangebied sprake van een achtergrondbelasting van geur tussen de 14-20 ouE/m3. Het gebied ligt in het landbouwontwikkelingsgebied waar op basis van de gemeentelijke geurverordening een hoge geurbelasting is toegestaan. Daarmee is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse. Conclusie Agrarische geurhinder niet belemmerend is voor dit plan. Er is geen nader onderzoek nodig

5.7

Ladder voor duurzame verstedelijking

In het Besluit ruimtelijke ordening is de verplichting opgenomen om in het geval van nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. Artikel 3.1.6, tweede lid Bro luidt per 1 juli 2017 als volgt: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwik keling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen (artikel 1.1.1, eerste lid, onder i van het Bro). De realisatie van een sportvoorziening valt onder 'stedelijke ontwikkeling'. Daarom volgt hieronder een toelichting. De bestaande fietscrossclub is gelegen binnen de bestaande kern Kootwijkerbroek. De locatie voldoet niet meer gezien het groeiende aantal leden en de overlast die een dergelijke voorziening geeft binnen de bebouwde kom voor wat betreft stof en geluid.

Behoefte De Behoefte aan een dergelijke voorziening is groot. De vereniging telt circa 200 leden. De verwachting is dat dit aantal binnen 2 tot 4 jaar groeit tot circa 400 leden. Op lange termijn zal dit ledenaantal stabiliseren en wordt geen explosieve groei verwacht. Met het groeiende aantal leden en de verwachting dat dit aantal de komende jaren zal blijven groeien is de behoefte aan een passende sportaccommodatie groot. Een 32

"Hanzeweg-Zuid I" (ontwerp)

Hanzeweg-Zuid I dergelijke voorziening is in de omgeving niet aanwezig. De behoefte is hiermee aangetoond. Waarom niet binnen bestaand stedelijk gebied? Een fietscrossbaan past niet op locaties waar zich tevens woningen in de directe omgeving bevinden. De huidige locatie aan de Essenerweg heeft dat wel aangetoond. Geschikte locaties binnen stedelijk gebied waar geen overlast zal ontstaan zijn in de omgeving niet beschikbaar. Om deze reden is gekozen voor een locatie die bereikbaar is voor de leden van de vereniging(en), die beschikbaar is en geschikt is. De locatie aan de verlengde Hanzeweg voldoet hieraan. Conclusie Geconcludeerd wordt dat in deze situatie sprake is van een duurzame stedelijke ontwikkeling. Het 'ladder' aspect is geen belemmering voor de uitvoering van het plan.

5.8

Leidingen en laagvliegroutes

Binnen of in de directe nabijheid van het plangebied komen geen leidingen of beschermingszones van leidingen voor die in het kader van onderhavig bestemmingsplan bescherming behoeven. Eveneens zijn er geen laagvliegroutes die beperkingen stellen aan de bouwhoogten. Conclusie Leidingen en laagvliegroutes zijn geen belemmering voor de uitvoering van het plan

5.9

Luchtkwaliteit

In de Wet milieubeheer zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen. Hierin is opgenomen dat bij een ruimtelijk besluit de gevolgen voor de luchtkwaliteit getoetst moet worden. Om te bepalen of de kwaliteit van de lucht ter plaatse voldoet aan de eisen uit de Wet milieubeheer en de daarop gebaseerde regelgeving, dient bij nieuwe ontwikkelingen onderzoek gedaan te worden naar de luchtkwaliteit. Projecten waarvan aannemelijk is dat deze niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging hoeven niet getoetst te worden aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen, die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Voor de realisatie van een BMX- en MTB-terrein geldt dat dit niet onder een in de regeling opgenomen categorie valt. Om deze reden is onderzoek uitgevoerd (zie Bijlage 13). in dit onderzoek is het worstcase aantal motorvoertuigen per dag gebruikt voor een berekening met behulp van de zogenaamde NIBM-tool. Met de NIBM-tool (versie 2021) is berekend wat de bijdrage is van het verkeer.

Uit de NIBM-tool blijkt dat het plan op basis van een worstcase scenario, niet of nauwelijks bijdraagt aan de luchtverontreiniging en in dat opzicht niet in betekenende mate is. Daarom is een onderzoek naar de luchtkwaliteit en/of toetsing aan de grenswaarden in dit verband niet nodig. Conclusie Op basis van het voorgaande vormt luchtkwaliteit geen belemmering voor uitvoering van onderhavige plan.

5.10

Milieueffectrapportage

Niet voor alle nieuwe activiteiten hoeft een m.e.r.-procedure gevolgd te worden. Uitgangspunt van de m.e.r.-beoordeling is het 'nee, tenzij' -principe. Dat wil zeggen dat alleen een milieueffectrapport (MER) hoeft te worden opgesteld, wanneer er omstandigheden zijn die (waarschijnlijk) leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen. De Wet milieubeheer maakt onderscheid in een m.e.r.-procedure voor plannen (planMER) en voor besluiten (besluitMER of projectMER). Voor een bestemmingsplan kan zowel de plan-m.e.r.-plicht als de besluit-m.e.r.-plicht gelden. Er zijn drie sporen waarlangs de m.e.r.-plicht kan ontstaan: "Hanzeweg-Zuid I" (ontwerp)

33

Hanzeweg-Zuid I 1. Plan- en/of besluit-m.e.r.-plicht: als de voorgenomen activiteit vermeld is in het Besluit milieueffectrapportage; 2. Plan-m.e.r.-plicht: als voor het plan een zogeheten passende beoordeling op grond van de Wet natuurbescherming gemaakt moet worden. Dat is het geval als het plan significante negatieve gevolgen kan hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000 gebied; 3. Toetsing aan de provinciale milieuverordening. Besluit milieueffectrapportage De lijst van activiteiten in de onderdelen C en D van het Besluit bestaat uit vier kolommen. De eerste kolom bevat een omschrijving van de m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteiten. De tweede kolom vermeldt eventuele drempelwaarden. Wettelijk kader Voor de vraag of een bestemmingplan besluit-m.e.r.-plichtig is, geldt dat het Besluit milieueffectrapportage onderscheid maakt naar m.e.r.-plichtige activiteiten en m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten. Onderdeel C van de bijlage bij dit Besluit vermeldt voor welke activiteiten altijd verplicht een MER moet worden opgesteld, voordat een (m.e.r.-plichtig) besluit mag worden genomen. In onderdeel D is vermeld welke activiteiten beoordelingsplichtig zijn.

Voor dergelijke activiteiten moet het bevoegd gezag beoordelen of op basis van 'belangrijke nadelige gevolgen die de voorgenomen activiteit voor het milieu kan hebben', een m.e.r.-procedure noodzakelijk is. Daarbij geldt dat een bestemmingsplan alleen besluit-m.e.r.-plichtig is, als het bestemmingsplan in kolom 4 wordt genoemd. Voor de vraag of een bestemmingsplan plan-m.e.r.-plichtig is, geldt dat dit het geval is als het plan genoemd is in kolom 3 en activiteiten mogelijk maakt die in onderdeel C en D, kolom 1 vermeld zijn en voldoen aan de in kolom 2 genoemde drempelwaarden. Als een bestemmingsplan een activiteit mogelijk maakt die Besluit-m.e.r.-plichtig is op grond van de uitkomst van een toets van een activiteit die onder de drempelwaarden blijft, dan is dat bestemmingsplan alsnog plan-m.e.r.-plichtig. Het maakt dan immers een (besluit) m.e.r.-plichtige activiteit mogelijk. Voor zowel de plan-m.e.r.- als besluit-m.e.r.-plicht geldt dat als de activiteit onder de drempelwaarden uit kolom 2 van bijlage D blijft, met een vormvrije m.e.r. beoordeeld moet worden of alsnog een MER moet worden opgesteld. De centrale vraag die daarbij beantwoord moet worden is of er omstandigheden zijn die (waarschijnlijk) leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen. Daarbij moet in ieder geval worden getoetst aan de criteria die opgenomen zijn in bijlage III van de Europese m.e.r.-richtlijn.

Als dergelijke milieugevolgen kunnen optreden, geldt alsnog de betreffende plan- en/of besluit-m.e.r.-plicht. Toetsing In dit geval is de activiteit niet m.e.r.-plichtig want de activiteit komt weliswaar voor op de lijst in onderdeel D 11.2 (kolom 1) van het Besluit milieueffectrapportage, maar de omvang van de activiteit ligt onder de drempelwaarden zoals genoemd in kolom 2 en het onderhavige plan is geen project dat vanwege aard, omvang of ligging een aanzienlijk milieueffect zal hebben. Dat blijkt ook uit de toetsing van het plan aan de in bijlage III van de Europese m.e.r.-richtlijn opgenomen criteria. Zo heeft die toetsing aan de in bijlage III van de Europese m.e.r.-richtlijn opgenomen criteria uitgewezen dat er geen sprake zal zijn van belangrijke milieugevolgen zodat een m.e.r. achterwege kan blijven. Besluit m.e.r. Per 16 mei 2017 is de regelgeving voor de MER en m.e.r.-beoordeling gewijzigd met daarin een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor de ontwerp-bestemmingsplanfase moet een m.e.r-beoordelingsbeslissing worden genomen, waarin wordt aangegeven of wel of geen MER nodig is, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen. Deze beslissing wordt als bijlage bij het bestemmingsplan opgenomen.

Voor elke aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde komt moet de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie opstellen, waarbij ook mitigerende maatregelen mogen worden meegenomen. Het bevoegd gezag dient binnen zes weken na indienen een m.e.r.-beoordelingsbesluit af te geven. Een vormvrije m.e.r.-beoordelingsbeslissing hoeft echter niet gepubliceerd te worden.

34

"Hanzeweg-Zuid I" (ontwerp)

Hanzeweg-Zuid I

Onderzoek In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de wijziging van een stedelijk ontwikkelingsproject m.e.r.-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer of een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat (Besluit milieueffectrapportage, Bijlage onderdeel D11.2). De beoogde ontwikkeling bestaat uit de realisatie van een sportvoorziening vab minder dan 5ha. De beoogde ontwikkeling blijft daarmee ruim onder de drempelwaarde. Dit betekent wel dat een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' noodzakelijk is.

Op 21 oktober 2022 is bij besluit van college van burgemeester en wethouders van de gemeente Barneveld vastgesteld dat geen MER nodig is. Het besluit is als Bijlage 14 opgenomen. De aanmeldingsnotitie voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling is opgenomen als Bijlage 15. Daaruit blijkt dat, gelet op alle kenmerken van het project ten opzichte van de huidige situatie en de uitkomsten van de daarbij verrichte onderzoeken, kan worden gesteld dat het verschil tussen de milieueffecten van de aangevraagd situatie en de milieueffecten van de huidige situatie geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu hebben. Er zijn geen essentiële milieueffecten die door middel van een milieueffectrapport nader onderzocht moeten worden. Er is derhalve geen m.e.r.-procedure noodzakelijk. Passende beoordeling via de Wet natuurbescherming Voor het vaststellen van plannen die significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied kunnen hebben, dient een passende beoordeling gemaakt te worden (artikel 7.2a Wet milieubeheer juncto artikel 2.8, eerste lid Wet natuurbescherming). Uit de beoordeling van het aspect ecologie (zie paragraaf 5.3) blijkt dat er voor dit plan geen passende beoordeling nodig is. De plan-m.e.r-plicht op grond van de noodzaak van een passende beoordeling voor de Wet natuurbescherming is hier niet aanwezig. Er is voor dit plan geen passende beoordeling nodig.

Provinciale milieuverordening Provinciale Staten kunnen in de provinciale milieuverordening extra activiteiten met gevallen, plannen en besluiten aanwijzen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben en dus m.e.r.-plichtig zijn (artikel 7.6 Wet milieubeheer). Dit is dus aanvullend op de m.e.r.-plicht op basis van onderdeel C van de bijlage Besluit m.e.r. (en dus ook aanvullend op de verplichting vanuit de Europese richtlijnen) én conform dezelfde systematiek. Provinciale staten van Gelderland hebben geen extra activiteiten met gevallen, plannen en besluiten aangewezen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (en zo m.e.r.-plichtig zijn). Conclusie Op basis van het voorgaande wordt geconcludeerd dat een MER niet noodzakelijk is en vormt dit aspect geen belemmering voor de uitvoering van onderhavige plan.

5.11

Milieuzonering

Ten aanzien van bedrijvigheid geldt als uitgangspunt dat toekomstige woningen geen onevenredige milieuhinder (geur, geluid etc.) mogen ondervinden van nabijgelegen bedrijvigheid. In de publicatie ´Bedrijven en milieuzonering´ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, editie 2009, worden in verband met de aanwezigheid van milieubelastende functies indicatieve afstandsnormen voorgeschreven tot milieugevoelige functies, vooral wonen. In dit kader is van belang te onderzoeken welke geluidbronnen op het terrein aanwezig zijn en welk effect dit heeft op de woningen in de omgeving. Hiertoe is een onderzoek uitgevoerd welke als Bijlage 12 is toegevoegd. Het normale gebruik betreft gebruik in de dagperiode. Hier ontstaat geen hinder voor de omgeving. Gezien de optredende geluidniveaus en het feit dat de clubwedstrijden in totaal maximaal 7 keer per jaar in de avondperiode en de kleine regionale en nationale wedstrijden maximaal 5 keer per jaar in de dagperiode plaatsvinden (in totaal maximaal 12 keer per jaar) kan gesteld worden dat naar verwachting bij de "Hanzeweg-Zuid I" (ontwerp)

35

Hanzeweg-Zuid I omliggende woningen geen sprake zijn van (ernstige) hinder vanwege de activiteiten gedurende de wedstrijden. Het is mogelijk om op het terrein van de Flying Bikes maximaal 12 keer per jaar de maatgevende activiteiten in de dagperiode (nationale en regionale wedstrijddag) en avondperiode (clubwedstrijddag) te kunnen toestaan. Hiervoor zal de gemeente voor de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus in deze maatgevende dag- en avondperioden maatwerkvoorschriften opstellen tot 53 dB(A)respectievelijk 50 dB(A). De activiteiten met geluidsoverschrijding zullen met een maximum van 12 keer per jaar worden vastgelegd in de regels van het bestemmingsplan.

Veiligheidszone - Activiteitenbesluit Binnen de grenzen van het bestemmingsplan is geen gasdrukmeet- en regelstation aanwezig. In het Activiteitenbesluit zijn veiligheidsafstanden opgenomen die moeten worden aangehouden tussen kwetsbare respectievelijk beperkt kwetsbare objecten en (onder andere) een gasdrukmeet- en regelstation (4-6 meter). Kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten volgens het Activiteitenbesluit zijn dezelfde objecten als die genoemd zijn in het Besluit externe veiligheid inrichtingen. Het gaat dan om onder andere woningen, ziekenhuizen en bedrijven. Conclusie Vanuit milieuzonering zijn er geen belemmeringen voor het plan.

5.12

Natuur en landschap

De sportvoorziening wordt ingepast in een bestaande landschappelijke kavel. Er zal groen worden aangeplant waarbij tevens de mountainbike paden door het gebied zullen lopen. Er zal een versterking van natuur plaatsvinden aansluitend aan de Esvelderbeek. Zie hieronder (en in Bijlage 2) voor het beplantingsplan.

36

"Hanzeweg-Zuid I" (ontwerp)

Hanzeweg-Zuid I Beplantingsplan

5.13

Veiligheid

Om een veilige omgeving te creëren of te behouden is er op het gebied van fysieke veiligheid een aantal aspecten waarmee rekening gehouden moet worden. Zo worden er eisen gesteld aan de bereikbaarheid van de openbare wegen voor de hulpverleningsdiensten. Dit leidt tot het stellen van minimale afmetingen en bochtstralen zodat hulpverleningsvoertuigen een object of calamiteit goed kunnen bereiken en adequate hulp kunnen verlenen. Met betrekking tot voldoende bluswater in het openbare wegennet zijn er ook eisen gesteld. Deze eisen hebben betrekking op de afstanden vanaf de bluswatervoorziening tot aan een gebouw en de capaciteit ervan. In de “Handreiking Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid” een uitgave van Brandweer Nederland worden deze eisen gesteld. Voor wat betreft de bereikbaarheid zijn er binnen de gemeente Barneveld hoofd- en subaanrijdroutes vastgesteld. Tevens worden er eisen gesteld aan de opkomsttijden voor brandweervoertuigen. Deze zijn afhankelijk van de bestemming. Voor gebouwen waarin geslapen wordt en verminderd zelfredzame mensen verblijven worden strengere eisen gesteld dan gebouwen waar dit niet zo is. De opkomsttijden zijn gesteld in de Wet veiligheidsregio’s (1 oktober 2010) met het daarbij behorende Besluit veiligheidsregio’s. In het Besluit zijn de tijdnormen voor de opkomsttijden vastgelegd.

Situatie Nieuwe ontwikkelingen zullen worden getoetst aan de Handreiking Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid, het Besluit veiligheidregio’s en aan de eisen van de aangewezen hoofd- en subaanrijdroutes. Dit zal gebeuren bij de bouwplannen en inrichtingsplannen. Vooruitlopend heeft de VGGM aangegeven dat de opkomstnorm voldoende is en bereikbaarheid van de gebouwen voldoende geborgd wordt. Conclusie Er zijn voor wat betreft de eisen voor de veiligheid geen belemmeringen voor dit bestemmingsplan.

5.14

Verkeer

Ontsluiting De locatie is gelegen langs de Hanzeweg-Zuid, een 80 km/uur gebiedsontsluitingsweg. Op gebiedsontsluitingswegen worden vanuit de doorstroomfunctie en verkeersveiligheid geen uitritten toegestaan. Om het perceel veilig te kunnen bereiken wordt daarom een nieuw aan te leggen rotonde gerealiseerd, waar verkeer veilig en met een lage snelheid kan uitwisselen. Fietsers maken geen gebruik van de rijbaan, voor fietsers is al een vrij liggend tweerichtingenfietspad langs de Hanzeweg-Zuid aanwezig en richting de entree van het plangebied wordt voor fietsers tussen de rotonde en het terrein een vrij liggend tweerichtingenfietspad gerealiseerd. Fietsers kunnen bij de rotonde veilig in 2 fasen oversteken (waarbij fietsers voorrang moeten verlenen aan het gemotoriseerd verkeer). Voetgangers maken gebruik van het fietspad, maar kunnen bij de rotonde gescheiden van het fietsverkeer ook in twee fasen oversteken. Hiermee wordt ook voor voetgangers een veilige oversteekmogelijkheid van de Hanzeweg-Zuid geborgd. De interne verkeersstructuur is zo ontworpen dat zowel vrachtverkeer als (pendel) bussen intern kunnen rondrijden. Daarmee kan bestemmingsvrachtverkeer of (pendel) bussen veilig de Hanzeweg-Zuid op -en afrijden, zonder te moeten keren. Het clubhuis is bereikbaar via een hellingbaan, zodat rolstoelgebruikers deze zelfstandig kunnen bereiken.

Het terrein zelf is autoluw en krijgt een maximum toegestane snelheid van 30 km/uur. Parkeren Op het terrein worden 92 openbare parkeerplaatsen gerealiseerd. Hiervan worden minimaal 2 parkeerplaatsen ingericht als gehandicaptenparkeerplaats. Voor de reguliere activiteiten van de verschillende functies (zoals trainingen) is dit voldoende; er vinden namelijk meerdere trainingen per "Hanzeweg-Zuid I" (ontwerp)

37

Hanzeweg-Zuid I dagdeel -of avond plaats waardoor niet alle leden tegelijk komen trainen. Daarnaast is een aandeel gebruikers op de fiets te verwachten. Openbaar vervoer is niet aanwezig. De parkeerplaatsen zijn qua maatvoering en bereikbaarheid op een goede manier in het plan gesitueerd, conform de Nota Parkeernormen 2020. Er zijn voor het parkeren verschillende typen wedstrijden voor de verenigingen voorzien. Zo zijn er clubwedstrijden, regionale wedstrijden en er zijn landelijke wedstrijden. In de Nota Parkeernormen 2020 zijn geen parkeernormen opgenomen voor fietscross/ MTB sportverenigingen. Daarom is voor het inrichten van het plangebied uitgegaan van de huidige behoefte van de fietscrossbaan op de oude locatie met een groeipercentage. Op basis daarvan komt de parkeerbehoefte voor clubwedstrijden uit op ongeveer 80 parkeerplaatsen. Voor regionale wedstrijden op ongeveer 250 parkeerplaatsen en voor nationale wedstrijden op ongeveer 600 parkeerplaatsen. Voor de regionale en nationale wedstrijden is op het eigen terrein onvoldoende parkeerruimte. Om deze reden zal gebruik worden gemaakt van een bestaande parkeervoorziening bij het recreatieterrein Zeumeren. Hierover is afgestemd met de eigenaar. Het recreatieterrein beschikt over 1440 vaste parkeerplaatsen en een reserveterrein van 350 plekken. Dit is daarmee meer dan voldoende.

De bezoekers zullen dan met pendelvervoer naar het sportterrein komen. De wielervereniging zal zorgen voor pendelvervoer van- en naar de sportvoorziening aan de Hanzeweg-Zuid, want de loopafstand is te groot. Het entreegebied van het terrein is dusdanig vormgegeven zodat een touringcar (pendelbus) hier rond kan rijden en na de stop bij de opstelplaats terug kan keren richting de Hanzeweg (zie rijcurvetoets met touringcar). De verenigingen onderling stemmen af dat er geen gelijktijdige evenementen zullen plaatsvinden. Dit wordt geborgd in de Specifieke gebruiksregels van dit plan. Gelet op de capaciteit van 92 interne parkeerplaatsen en de parkeerplaatsen bij Zeumeren is er daarmee voldoende parkeergelegenheid geborgd.

Rijcurv e touringcar 14.86m zonder achterwaarts rijden

Voorafgaand aan grote evenementen zal een vrachtwagen (trekker met oplegger) materialen komen afleveren (of vrachtverkeer met bestemming Harselaar-Zuid, welke zich een rotonde vergist). Ook dit verkeer kan intern rondrijden en het terrein voorwaarts weer verlaten.

38

"Hanzeweg-Zuid I" (ontwerp)

Hanzeweg-Zuid I

Rijcurv e trekker+oplegger zonder achterwaarts rijden

Een vrachtwagen die spullen komt brengen kan bij het betreden van het entreegebied vooruit richting het parkeerterrein rijden en vervolgens achteruit het terrein insteken. Bij vertrek kan de vrachtwagen vooruit wegrijden richting de Hanzeweg.

Rijcurv e trekker+oplegger met achterwaarts rijden richting het sportterrein

De weg rond het sportterrein en het parkeerterrein zijn dusdanig vormgegeven zodat overal deze geschikt zijn voor een calamiteitenvoertuig. (Zie rode rijcurvetest met brandweerwagen)

"Hanzeweg-Zuid I" (ontwerp)

39

Hanzeweg-Zuid I

Rijcurv es brandweer

Fietspark eren Het parkeren van de fietsen gebeurt nabij het clubhuis. Deze stalling voor 50 fietsen is te bereiken via de interne wegenstructuur op het terrein.

Conclusie Zowel de ontsluiting als het parkeren is op een goede manier binnen het plan geregeld. Het aspect verkeer is geen belemmering voor de uitvoering van het plan.

5.15

Water

Deze waterparagraaf vormt het resultaat van het procesinstrument watertoets. De watertoets betreft het vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten bij de totstandkoming van ruimtelijke plannen. Het is verplicht de watertoets toe te passen. Hiermee wordt beoogd om het belang van water een evenwichtige plaats te geven in het ruimtelijk planproces. De watertoets heeft betrekking op het grond-, oppervlakte-, afval- en hemelwater. Het behandelt alle relevante waterhuishoudkundige aspecten zoals ontwatering, wateroverlast en waterkwaliteit. De waterparagraaf beschrijft het relevante waterbeleid, de betrokkenheid en het advies van de waterbeheerder en de waterhuishoudkundige uitwerking van het plan. Waterbeleid Voor het waterbeleid wordt verwezen naar Hoofdstuk 4 waarin het waterbeleid beschreven is. Huidige situatie Het projectplan ligt in het Veluwse bekenlandschap en wordt aan de noord en oostzijde omsloten door enkele A-watergangen de Esverlderbeek, Grote beek en de Garderbroeksebeek. De hoge gelegen dekzandrug is duidelijk te onderscheiden in de lager gelegen bekenlandschap. Deze bestaat voornamelijk uit leemarm fijn zand met rondom lemig fijn zand. Aan de westzijde van de Hanzeweg ligt het projectgebied. Centraal in het gebied ligt de bestaande bike Pumptrack.

Huidige bestemming is agrarische- en groenbestemmingen deze bestemming wordt aangepast naar een sportbestemming.

Toekomstige situatie Binnen het projectplan wordt een bikepark gerealiseerd, deze krijgt een nieuwe aansluiting op de Hanzeweg middels een nieuw te realiseren rotonde. Via deze toegangsweg kunnen auto's en fietsers maar ook pedelbussen het bikepark bereiken. Naast parkeerplaatsen voor auto's en fietsers wordt er een groot 40

"Hanzeweg-Zuid I" (ontwerp)

Hanzeweg-Zuid I bikepark met bebouwing gerealiseerd. Hemelwater BMX baan De BMX baan heeft totaal oppervlak van 5600m2 doordat de baan met waterdoorlatende verharding inclusief drainage onder het zandpakket van de baan. Doordat het deels waterdoorlatende verharding is wordt er gerekend met 50 % infiltratiecapaciteit. Verhard oppervlak bedraagt dan 2800 m2. De bebouwing (clubgebouw, jurygebouw enz.) bedraagt totaal 564 m2 verhard oppervlak. Het ontwerp is erop gericht dat de maatgevende bui van het Waterschap Vallei en Veluwe (statische bui 60 mm) wordt vastgehouden. Er dient in totaal 60 mm berging gerealiseerd te worden, gerekend over het verhard oppervlak. De afwatering gaat middels grindstroken en drainage naar de twee wadi's. De exacte maatvoering wordt nog nader bepaald. Elke gebouw word voorzien van grindkoffer strook waardoor het eerste hemelwater terplekken kan infiltreren. Totaal wordt er 202 m3 berging gerealiseerd doormiddel van het toepassen van twee wadi's. Beide wadi's hebben een berging van 101 m3, overstort van deze wadi's gaat via de C-watergang welke voorzien worden van taludbescherming. De rijbaan/ trottoirs wateren af op de naastgelegen bermen.

Hemelwater toegangsweg/parkeren De nieuwe verkeersontsluiting toegangsweg naar de parkplaatsen is voorzien van een asfalt rijbaan, deze rijbaan watert af op de naastgelegen bermpassage. Dit geldt ook voor de nieuwe te realiseren rotonde, fietspad en de rijbaan van de Hanzeweg. De rijloper keerlus en het voetbad voor de pendelbusplaats loopt af op een oor. Naar de middelste groenstrook, het verhard oppervlak bedraagt 620m2. Deze wordt doormiddel van een uitstroombak in de groenstrook verbonden met pvc rond 250 buis die uitkomt op de wadi. De wadi heeft een berging capaciteit van 50,7 m3. De rijloper van de parkeerterrein heeft een verhard oppervlak van 1011m2 deze watert af naar de grasbetontegels/ SoliDrain S2 met een oppervlak van 953 m2. Die een SolidGreen tussensubstraat laag fijn BRL 300 mm heeft. Hierbij wordt ruim voldaan aan de waterbergingseis. De waterbergende grasbeton parkeervakken worden niet toegerekend aan de benodigde waterberging. Watergangen Rondom de bikepark zijn diverse sloten die afwateren richting de aangrenzende beken. De huidige watergang structuur blijft zoveel mogelijk behouden. De bestaande watergang gaat doormiddel van een nieuwe duiker onder de entreeweg door voor zowel de rijbaan als het fietspad. Deze duiker wordt een rond 400 duiker van beton met inkruipbeveiliging. Langs de Esverlderbeek komt een 5 meter brede schouwstrook.

De toegangsweg voor de schouwstrook wordt ook met rond 400 duiker van beton met inkruipbeveiliging gerealiseerd. Deze is toegankelijk voor het Waterschap. Huishoudelijk afvalwater Voor het toekomstige DWA-stelsel voor het clubgebouw en juryruimte wordt een mini-gemaal met persleiding gerealiseerd. Deze persleiding zal aangesloten worden op de Koningsbergeweg. Dit is namelijk het dichtstbijzijnde vuilwaterstelsel. De exacte tracé locatie pompkeuze en benodigde leiding diameter wordt nog nader bepaald. Duurzaamheid In het kader van duurzaam bouwen en vanwege de beoogde grond- en oppervlaktewaterkwaliteit mogen in "Hanzeweg-Zuid I" (ontwerp)

41

Hanzeweg-Zuid I principe geen uitlogende bouwmaterialen (zoals zink, koper, lood en PAK-houdende materialen) worden toegepast. Er zijn voldoende milieuvriendelijke alternatieven die vergelijkbaar zijn wat betreft uitstraling, gebruiksgemak, levensduur en onderhoud. Indien vanwege zwaarwegende argumenten toch uitlogende materialen worden voorgesteld, is de voorwaarde dat ze jaarlijks gecoat worden om diffuse waterverontreinigingen te voorkomen. Watervergunning Voor de realisatie van Flying Bikes terrein zal een watervergunning van het Waterschap Vallei en Veluwe nodig zijn. De watervergunning is minimaal noodzakelijk voor de te realiseren duikers en het herinrichten van watergangen en voorzieningen voor de waterberging.

42

"Hanzeweg-Zuid I" (ontwerp)

Hanzeweg-Zuid I

Hoofdstuk 6 6.1

JURIDISCHE ASPECT EN

Inleiding

De Wet ruimtelijke ordening (Wro) geeft gemeenten de plicht tot het opstellen van een bestemmingsplan. In de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is nader uitgewerkt uit welke onderdelen een bestemmingsplan in ieder geval moet bestaan. Dit zijn een verbeelding met planregels en een toelichting daarop. Daarnaast bieden zowel de Wro als het Bro opties voor een nadere juridische inrichting van een bestemmingsplan. Hierbij moet onder meer worden gedacht aan de toepassing van afwijkingsmogelijkheden en wijzigingsbevoegdheden en het toepassen van nadere eisen. De bruikbaarheid van deze instrumenten is geheel afhankelijk van het doel van het bestemmingsplan en de gewenste bestemmingsmethodiek van de gemeente Barneveld. Het uitgangspunt is dat het bestemmingsplan moet voorzien in een passende regeling voor de komende tien jaar, dit is de geldigheidsduur van een bestemmingsplan. Het juridische deel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en gebouwen en bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor de toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding vormt samen met de regels het juridische bindende onderdeel van het bestemmingsplan.

De planregels bestaan uit vier hoofdstukken: Hoofdstuk 1 bevat de algemene voor het plangebied geldende bepalingen, de inleidende regels. Hoofdstuk 2 regelt de bestemmingen en het daarop toegestane gebruik. Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels, zoals de anti-dubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene afwijking- en algemene wijzigingsregels en tot slot de algemene procedureregels. Hoofdstuk 4 betreft het overgangsrecht en de slotbepaling. Deze regels zijn opgesteld op basis van de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP). Dit is een landelijke norm die onderdeel uitmaakt van de 'Regeling standaarden ruimtelijke ordening'. Bevoegdheid Het bevoegd gezag is het bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning. Over het algemeen zijn burgemeester en wethouders het bevoegd gezag. Het kan incidenteel voorkomen dat bijvoorbeeld het Rijk of de provincie het bevoegd gezag is. Burgemeester en wethouders zijn altijd bevoegd gezag bij het wijzigen van een plan en het stellen van nadere eisen.

6.2

Inleidende regels

Begrippen In artikel 1 zijn de begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd. Bij de toetsing van het bestemmingsplan wordt uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Voor zover er geen begrippen zijn gedefinieerd wordt aangesloten bij het normale spraakgebruik.

Wijze van meten In artikel 2 is de wijze van meten opgenomen. Dit artikel geeft aan hoe hoogte- en andere maten (die bij het bouwen in acht dienen te worden genomen) moeten worden gemeten.

"Hanzeweg-Zuid I" (ontwerp)

43

Hanzeweg-Zuid I

6.3

Bestemmingsregels

6.3.1

Bestemming 'Groen'

Verspreid over de gemeente komen groensingels voor. Een deel hiervan is waardevol (oude houtwallen) of is op basis van postzegelplannen aangelegd. De bestemming 'Groen' is opgenomen ten behoeve van de instandhouding van de groensingels en nieuwe groensingels. Nieuwe groensingels zijn ter versterking van de landschappelijke waarde en hebben een afschermende functie. Groensingels zijn vaak waardevol voor de natuur omdat ze leefgebied en schuilgelegenheid bieden voor vogels en andere dieren. Binnen de bestemming 'Groen' zijn toegestaan opgaande beplanting met de daarbij behorende bouwwerken (geen gebouwen en overkappingen zijnde), werken, paden en watervoorzieningen. Om werken of werkzaamheden uit te kunnen voeren, kan een vergunning vereist zijn. Het gaat dan bijvoorbeeld om ingrepen als het vergraven van terreinen, het verbreden of verharden van paden of ingrepen die leiden tot een wijziging in de waterhuishouding of waterstand. Normaal onderhoud en de aanleg van nieuw groen valt niet onder de vergunningplicht.

6.3.2

Bestemming 'Sport'

Sportvoorzieningen zijn bestemd als 'Sport'. Binnen deze gronden is het gebruik voor sport met de daarbij behorende voorzieningen toegestaan. Het fietscrossterrein is opgenomen met een specifieke aanduiding. Een bedrijfswoning is niet toegestaan. Op de verbeelding is dit aangeduid met de aanduiding 'bedrijfswoning uitgesloten'. Om geluidsoverlast te voorkomen zijn specifieke gebruiksregels opgesteld ten aanzien van het aantal wedstrijden dat naast het reguliere gebruik mag worden gehouden. Ook het gelijktijdig houden van fietscrosswedstrijden wordt uitgesloten.

6.3.3

Bestemming 'Natuur'

Er is bij dit bestemmingsplan gekozen voor een systematiek waarin alle natuur- en bosgebieden in één bestemming komen. Hieronder vallen alle bos, heide, en overige natuurterreinen evenals vennetjes en stuifzanden. Houtproductie maakt ook onderdeel uit van deze bestemming. Houtproductie vormt namelijk een onderdeel van het beheer van bosgebieden. Voordeel van een dergelijke regeling is dat het flexibiliteit biedt voor de beheerder van het natuurgebied. Een eventuele herinrichting (bijvoorbeeld van bos naar heide) is hiermee mogelijk zonder een wijziging van het bestemmingsplan. Omdat in deze gebieden in de praktijk niet veel verandert, is deze regeling prima te gebruiken. Bovendien worden de natuurwaarden ook al beschermd door wet- en regelgeving voor natuur. Natuurgebiedsplannen geven een belangrijk kader voor de gewenste soorten natuur. Ingezet wordt op behoud, herstel en/of ontwikkeling van de natuur(wetenschappelijke)waarde en de landschappelijke waarde. De bebouwingsmogelijkheden binnen deze bestemming zijn daarom minimaal. Om werken of werkzaamheden in de natuurgebieden uit te kunnen voeren, kan een vergunning vereist zijn. Het gaat dan bijvoorbeeld om ingrepen als het vergraven van terreinen, het aanleggen van nieuwe paden en geluidswallen of ingrepen die leiden tot een wijziging in de waterhuishouding of waterstand.

Normaal onderhoud van natuurterreinen valt niet onder de vergunningplicht. Vergunningen zullen in ieder geval worden getoetst aan de natuurwaarden omdat een groot deel van de natuurgebieden in het Natura 2000-gebied 'Veluwe' of de voormalige Ecologische Hoofdstructuur ligt. Een ecologisch onderzoek zal onderdeel uit moeten maken van de aanvraag om vergunning.

44

"Hanzeweg-Zuid I" (ontwerp)

Hanzeweg-Zuid I

6.3.4

Bestemming 'Verkeer'

De bestemming 'Verkeer' betreft de aanwezige interregionale, interlokale en lokale verharde en onverharde wegen. Voor de rijkswegen is op de verbeelding het maximaal aantal stroken aangegeven. Daarnaast is de aanduiding 'spoorweg' opgenomen voor de spoorwegen. Voet- en fietspaden, bermen, faunapassages, ongelijkvloerse kruisingen en waterhuishoudkundige voorzieningen maken ook onderdeel uit van de bestemming. De bestemming is toegekend voor het gebied tussen de bermsloten. Binnen de bestemming zijn parkeer- en groenvoorzieningen mogelijk. Door middel van de gebruiksregels worden onverharde wegen beschermd. Het is namelijk strijdig gebruik om onverharde wegen te verharden. Langs de wegen zijn bij de verkeersfunctie behorende gebouwen en bouwwerken meebestemd of aangeduid. Het gaat dan om bushokjes, palen, masten, matrixborden boven de snelweg en geluidschermen.

6.3.5

6.3.5.1

Dubbelbestemmingen en dubbelbestemmingen gebiedswaarden

Bestemming 'Waarde - Archeologie 1 tot en met 3'

In alle gebieden die (nog) niet zijn vrijgegeven na archeologisch onderzoek of waar is besloten tot behoud in situ is een dubbelbestemming voor archeologie toegepast. De dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' is toegepast bij een ondergrondse bouwdiepte van 0,3 m, in gebieden met een middelhoge verwachtingswaarde (bij een oppervlakte van meer dan 2.000 m2). De dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' is toegepast bij een ondergrondse bouwdiepte van 0,3 m, in gebieden met een hoge verwachtingswaarde (bij een oppervlakte van meer dan 250 m2).

6.4

Algemene regels

6.4.1

Anti-dubbeltelregel

Het doel van de anti-dubbeltelregel is te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. 6.4.2

Algemene bouwregels

In dit artikel zijn onder andere een bepaling over bouwen ten dienste van de bestemming opgenomen evenals regels voor ondergronds bouwen. 6.4.3

Algemene gebruiksregels

In artikel 3.1, eerste lid van de Wro is vastgelegd dat de gemeenteraad de bestemming van de in het bestemmingsplan begrepen grond aanwijst en met het oog op de bestemming regels geeft. Er wordt ter verduidelijking van het plan aangegeven dat bijvoorbeeld het gebruiken van gronden ten behoeve van een seksinrichting in ieder geval strijdig is met de bestemming. Daarnaast is opgenomen wat als gebruik overeenkomstig de bestemming wordt gezien. Ten behoeve van nieuwe ontwikkelingen wordt in deze regels aangegeven dat er voldoende parkeerplaatsen aanwezig moeten zijn conform de nota parkeernormen. Hierbij wordt het vergroten van een woning uitgesloten. 6.4.4

Algemene aanduidingsregels

De algemene aanduidingsregels bevatten specificaties van de (dubbel-)bestemmingen met betrekking tot het gebruik of het bouwen. Een gebiedsaanduiding is een aanduiding die verwijst naar een gebied waarvoor bijzondere regels, extra regels of nadere afwegingen gelden. Bij gebiedsaanduidingen gaat het veelal om zones en gebieden die aan sectorale regelgeving zijn ontleend. De gebiedsaanduiding 'overige zone voorwaardelijke verplichting' is toegepast.

"Hanzeweg-Zuid I" (ontwerp)

45

Hanzeweg-Zuid I

6.4.4.1

Voorwaardelijke verplichting

Bij wijzigingen en herzieningen van het bestemmingsplan is het veelal noodzakelijk afspraken met betrekking tot het slopen van gebouwen of het realiseren van inrichtingsmaatregelen vast te leggen. Om dit te waarborgen wordt in het bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Hierbij worden aan het bestemmingsplan specifieke regels toegevoegd die de verzoeker verplichten om bij gebruikmaking van de toegestane ontwikkeling ook de inrichtingsmaatregelen te realiseren. In dit geval betreft het een verplichting om het inrichtings- en beheersplan uit te voeren. Dit ter borging van de groen- en natuurwaarden en de borging van de versterking van de natuurontwikkeling in GO zoals beschreven in het Inrichtingsplan. 6.4.5

Algemene afwijkingsregels

Er zijn algemene afwijkingsregels opgenomen wanneer dit voor een betere technische realisering van bouwwerken dan wel in verband met de werkelijke toestand van het terrein noodzakelijk is. Deze afwijkingsregel dient bij uitzondering te worden toegepast. De noodzaak om van de bestemmingsregeling af te wijken, dient te worden aangetoond. De mogelijkheid om 10% af te wijken van de maatvoering van bebouwing geldt overigens niet voor de oppervlakte- en inhoudsmaten. Voor het toestaan van grotere oppervlaktes en inhoudsmaten zijn specifieke flexibiliteitsbepalingen opgenomen. Het is niet de bedoeling dat de algemene bevoegdheid wordt toegepast in combinatie met het afwijken zoals dat bij een specifieke bestemming is genoemd. Met andere woorden: cumulatie van deze bevoegdheden is uitgesloten. Een voorbeeld: de maximale goothoogte voor een woning is 3,5 meter. Bij de bestemming 'Wonen' is de bevoegdheid opgenomen om met een omgevingsvergunning af te wijken van de bouwregels en de goothoogte te vergroten tot 6 meter. Het is dan niet de bedoeling dat nog eens toepassing wordt gegeven aan de algemene afwijkingsbevoegdheid met een vergroting van nog eens 10% tot gevolg. Het is toegestaan om af te wijken van de goot- en bouwhoogte, inhoud en buiten het bouwvlak te bouwen wanneer de bestaande en eventueel bij te bouwen nieuwe bebouwing op het bouwperceel wordt geïsoleerd.

De uitbreiding is uitsluitend bedoeld wanneer de isolatiemaatregelen een grotere omvang van de bebouwing vragen om eenzelfde oppervlakte te verkrijgen als wanneer er geen of beperkter isolatiepakket zou worden gehanteerd dat alleen aan de eisen uit het Bouwbesluit voldoet. Het gaat hier dus bijvoorbeeld om dikkere muren en/of een hoger dak. 6.4.6

Algemene wijzigingsregels

In deze bepaling wordt aan het bevoegd gezag de bevoegdheid gegeven om bestemmingen te wijzigen ten behoeve van kleine overschrijdingen van bestemmingsgrenzen. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn daarbij aangegeven. De bevoegdheid is bedoeld voor aanpassing aan de bij uitmeting blijkende werkelijke toestand van het terrein. 6.4.7

Algemene procedureregels

Op de voorbereiding van het besluit tot wijziging is afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht en artikel 3.9a van de Wet ruimtelijke ordening van toepassing, met dien verstande dat burgemeester en wethouders binnen acht weken na afloop van de termijn van terinzagelegging een besluit nemen omtrent de wijziging. Voor het stellen van nadere eisen is geen procedure opgenomen in de wet. De procedure staat beschreven in hoofdstuk 3 "Algemene regels" van dit bestemmingsplan.

6.5

Overgangs- en slotregels

Voor de overgangsregels is onderscheid gemaakt tussen de overgangsbepalingen ten aanzien van bouwwerken en de overgangsbepalingen ten aanzien van gebruik. Zowel de overgangsbepalingen ten aanzien van bouwwerken als de overgangsbepalingen ten aanzien van gebruik gelden vanaf inwerkingtreding van het bestemmingsplan. Uitgangspunt is dat zo weinig mogelijk gebruik wordt gemaakt van het overgangsrecht. Vooraf dient een afweging te worden gemaakt tussen legaliseren (positief bestemmen) dan wel handhaving van illegale situaties. De overgangsbepalingen voor bouwwerken en gebruik zijn overgenomen uit artikelen 3.2.1 en 3.2.2 Besluit ruimtelijke ordening (Bro). De slotregel is het laatste artikel van de regels en betreft de citeertitel van het voorliggende bestemmingsplan. 46

"Hanzeweg-Zuid I" (ontwerp)

Hanzeweg-Zuid I

6.6

Handhaving

De gemeente acht handhaving van haar beleid van groot belang om de gewenste ruimtelijke kwaliteit te garanderen. Belangrijke redenen voor handhaven zijn: De regels zijn door de gemeente vastgesteld en de inwoners van de gemeente mogen verwachten dat de gemeente die regels handhaaft: waarom zijn er anders regels opgesteld? Inwoners van de gemeente hebben als het ware recht op handhaving. Handhaving gaat oneigenlijk gebruik van en daarmee de achteruitgang van de kwaliteit van het gemeentelijk grondgebied tegen. Een actueel bestemmingsplan beoogt de ruimtelijke kwaliteit van een gebied in stand te houden en te verbeteren. Niet daadkrachtig optreden tegen overtredingen van wettelijke regels werkt een toename van het aantal overtredingen in de hand en tast de geloofwaardigheid van daadkrachtig optreden aan. Het in het bestemmingsplan vastgelegde beleid wordt ondermijnd en het bestuur verliest de greep op de gebouwde omgeving. Onderscheid kan gemaakt worden tussen preventieve en repressieve handhavingsinstrumenten. Onder preventieve instrumenten kunnen onder andere goede regelgeving (zoals in bestemmingsplan), voorlichting, subsidieverlening, afwijking van bouwregels en gebruiksregels en de omgevingsvergunning worden begrepen. Repressieve instrumenten zijn onder meer controle en toezicht, opsporing en het hanteren van sancties als bestuursdwang en dwangsom.

In 2016 heeft de gemeente de Nota Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving, VTH-beleid vastgesteld. In dit VTH-beleid staat beschreven hoe het college van burgemeester en wethouders op hoofdlijnen omgaat met de uitvoering van VTH-taken en welke prioriteiten hieraan zijn toegekend. Het college is verantwoordelijk voor de uitvoering van de VTH-taken en heeft de uitvoering van deze taken met ingang van 1 april 2013 grotendeels belegd bij de Omgevingsdienst de Vallei. Bij de handhaafbaarheid van een bestemmingsplan spelen aspecten als communicatie, de planvorm, de normstelling, het daadwerkelijk kunnen handhaven en de controleerbaarheid van normen ook een belangrijke rol. Randvoorwaarde voor handhaving is dat er voldoende basis/grondslag is om te kunnen handhaven. Deze basis wordt gevormd door: De regeling in het bestemmingsplan zelf: de handhaafbaarheid van de planregels. Het beleid voor afwijkingen. In onderhavig bestemmingsplan is gestreefd naar heldere, eenduidige planregels met zo min mogelijk interpretatiemogelijkheden. Verder zijn aan de in het plan opgenomen afwijkingsmogelijkheden duidelijke voorwaarden verbonden, die voldoende objectief bepaalbaar zijn.

"Hanzeweg-Zuid I" (ontwerp)

47

Hanzeweg-Zuid I

Hoofdstuk 7 7.1

ECONOM ISCHE UIT VOERBAARHEID

Kostenverhaal en zekerstelling

Op grond van artikel 6.12, eerste lid van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) stelt de gemeenteraad een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bouwplan voorkomt dat in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is aangewezen. Nu het onderhavige plan de bouw van een sportaccommodatie mogelijk maakt, is dit aan de orde. Alle te ontwikkelen gronden binnen het plangebied zijn in eigendom van de gemeente. De kosten worden gedekt uit de door de gemeenteraad vastgestelde krediet plus eigen bijdrage verenigingen door middel van sponsoring. Afspraken rondom uitvoering, gebruik en beheer worden geborgd in een vaststellingsbrief, gebruikers,- en beheerplan. Deze volgt gelijktijdig met het ter inzage legging van het ontwerpbestemmingsplan. Doordat het verhaal van de kosten van de grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden hiermee anderszins verzekerd is, het bepalen van een tijdvak of fasering niet noodzakelijk is en het stellen van eisen, regels of een uitwerking van regels niet noodzakelijk is, behoeft de raad op grond van artikel 6.12, tweede lid Wro in dit geval geen exploitatieplan vast te stellen.

48

"Hanzeweg-Zuid I" (ontwerp)

Hanzeweg-Zuid I

Hoofdstuk 8 OVERLEG EN M AAT SCHAPPELIJKE UIT VOERBAARHEID De procedures voor vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Conform artikel 1.3.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) heeft het college op 6 oktober 2022 in de Barneveldse Krant en Barneveld Huis-aan-Huis en langs elektronische weg kennis gegeven van het voornemen om het voorliggende bestemmingsplan voor te bereiden. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Pas daarna wordt de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het bestemmingsplan opgestart (artikel 3.8 Wro).

8.1

Participatie

Participatie gaat over het goede gesprek tussen initiatiefnemers, de samenleving en de beslissers. Het is de bedoeling om elkaar zo vroeg mogelijk te betrekken in het proces ter voorbereiding van een besluit en gezamenlijk te zoeken naar de beste oplossingen. Dit is verankerd in beleid dat moet leiden tot plannen met een hogere kwaliteit en een breder draagvlak. Op 20 april 2022 heeft de raad het "Participatiebeleid Gemeente Barneveld" vastgesteld. Het beleid onderscheidt drie sporen: 1. Participatie bij ruimtelijke initiatieven; 2. Participatie bij initiatieven van de overheid; 3. Participatie bij initiatieven vanuit de gemeenschap. Het beleid is in werking getreden op 1 januari 2023, met uitzondering van de participatieverplichting uit spoor 1 want die is gekoppeld aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet. In het beleid is de participatieladder opgenomen. Die ladder gaat over verschillende gradaties van meedoen en is er om de rol van de deelnemers duidelijk te communiceren. Er zijn vier treden op de ladder: 1. 2. 3. 4.

Meeweten | informeren Meedenken | raadplegen Meewerken | adviseren Meebepalen | co-creatie

Het plan betreft een samenwerking tussen zowel de wielersport verenigingen als de gemeente. In dit geval is dan dus spoor 1 en 2 van het beleid relevant en trede 1 van de participatieladder met betrekking tot de omgeving van toepassing. Dit is ingegeven door de ligging van het perceel zonder directe buurpercelen waardoor er feitelijk geen directe belanghebbenden zijn. De initiatiefnemer heeft vanwege het ontbreken van directe buren geen overleg gevoerd.

8.2

Overleg ex artikel 3.1.1 Bro

Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg voeren met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In het kader hiervan wordt het bestemmingsplan voor overleg aan onderstaande instanties toegezonden: -

Waterschap Vallei en Veluwe;

-

Provincie Gelderland

Er is in het gebied van de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van bijzondere waarden of andere situaties waardoor deze ontwikkeling zou raken aan enig nationaal belang.

"Hanzeweg-Zuid I" (ontwerp)

49

Hanzeweg-Zuid I

Dit plan is gelegen in de Groene Ontwikkelingszone (GO) Dit is een provinciaal belang. Naast het reguliere overleg dat hierover reeds gevoerd is zal in her kader van vooroverleg om een provinciale reactie gevraagd worden. Ook belangen van omliggende gemeenten zijn bij dit plan niet in het geding. Op grond van artikel 3.1.1 lid 2 Bro kan worden afgezien van overleg in door de provincie en het Rijk aangegeven gevallen. Gelet op de brief van het ministerie van Infrastructuur en Milieu heeft geen vooroverleg plaatsgevonden, aangezien de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) geen adviserende en coördinerende rol meer heeft met betrekking tot de advisering over een voorontwerp betreffende gemeentelijke ruimtelijke plannen. Nu er sprake is van een gemeentelijk ruimtelijk plan, waarbij er geen nationale rijksbelangen aan de orde zijn en de betrokken rijksdiensten niet als direct belanghebbende zijn aan te merken, behoeft het onderhavige plan niet voor vooroverleg naar de ILT opgestuurd te worden.

8.3

Inspraak

De Wro bevat geen procedurevoorschriften met betrekking tot de inspraak, en is in Wro zelf niet verplicht gesteld. Dat neemt niet weg dat het de gemeente vrij staat toch inspraak te verlenen bijvoorbeeld op grond van de gemeentelijke inspraakverordening. In relatie daarmee bepaalt artikel 150 van de Gemeentewet onder meer dat in een gemeentelijke inspraakverordening moet worden geregeld op welke wijze bovenbedoelde personen en rechtspersonen hun mening kenbaar kunnen maken. Op 15 december 2009 heeft het college besloten dat bij bestemmingsplannen alleen inspraak wordt gevoerd bij plannen waarbij maatschappelijke belangen een rol spelen, die politiek gevoelig liggen of waarbij inspraak een bijdrage kan leveren aan de kwaliteit en/of snellere doorlooptijd van het plan. Bij dit plan is daar geen sprake van. Inspraak is achterwege gelaten.

8.4

Zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan heeft van … tot en met … ter inzage gelegen. Gedurende deze periode heeft eenieder de mogelijkheid gehad om een zienswijze naar voren te brengen. Tijdens deze zes weken zijn PM reacties ingediend. Deze reacties hebben PM geleid tot aanpassing van het plan.

50

"Hanzeweg-Zuid I" (ontwerp)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Barneveld&id=6ce2909b-ce35-437b-82e9-d55ac78cb18a