Buurtweg II_Toelichting.pdf
Tekst van het document
Buurtweg II
(december 2022) bestemmingsplan Plannr. 1609
Buurtweg II
Inhoudsopgave
Toelichting Hoofdstuk 1
5 INLEIDING
5
Hoofdstuk 2 BESTAANDE SITUATIE 2.1 Begrenzing plangebied 2.2 Geldende bestemmingen 2.3 Ontstaansgeschiedenis
6 6 6 8
Hoofdstuk 3
10
PLANBESCHRIJVING
Hoofdstuk 4 BELEIDSKADER 4.1 Rijk 4.2 Provincie 4.3 Regio 4.4 Waterschap 4.5 Gemeente
11 11 12 13 14 15
Hoofdstuk 5 RANDVOORWAARDEN 5.1 Bodem 5.2 Cultuurhistorie 5.3 Ecologie 5.4 Externe veiligheid 5.5 Geluid 5.6 Geur 5.7 Ladder voor duurzame verstedelijking 5.8 Leidingen en laagvliegroutes 5.9 Luchtkwaliteit 5.10 Milieueffectrapportage 5.11 Milieuzonering 5.12 Natuur en landschap 5.13 Veiligheid 5.14 Verkeer 5.15 Water
22 22 23 26 28 29 30 31 34 34 34 35 36 36 37 38
Hoofdstuk 6 JURIDISCHE ASPECTEN 6.1 Juridische aspecten 6.2 Handhaving
41 41 45
Hoofdstuk 7 ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID 7.1 Grondexploitatie
47 47
Hoofdstuk 8 OVERLEG EN MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID 8.1 Participatie 8.2 Overleg ex artikel 3.1.1 Bro 8.3 Inspraak 8.4 Zienswijzen
48 48 49 49 49
Bijlagen bij de toelichting Bijlage 1
Beeldkwaliteitsplan Buurtweg II
Bijlage 2
Verkennend bodemonderzoek westzijde
Bijlage 3
Verkennend bodemonderzoek oostzijde
Bijlage 4
Archeologisch onderzoek
2
"Buurtweg II" (vastgesteld)
Buurtweg II
Bijlage 5
AERIUS-berekeningen
Bijlage 6
Quickscan natuurwaardenonderzoek
Bijlage 7
Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai
Bijlage 8
Besluit vormvrije m.e.r.
Bijlage 9
Vormvrije m.e.r.
Bijlage 10
Boom Effect Analyse
Bijlage 11
Beplantingsplan
Bijlage 12
Beplantingslijst
Bijlage 13
Verkeersonderzoek
Bijlage 14
Waterhuishoudkundig plan
Bijlage 15
Nota inspraak en overleg
Bijlage 16
Nota zienswijzen
"Buurtweg II" (vastgesteld)
3
Buurtweg II
4
"Buurtweg II" (vastgesteld)
Buurtweg II
Toelichting Hoofdstuk 1
INLEIDING
Voor diverse percelen aan de Buurtweg in Voorthuizen is een verzoek ingediend om 25 woningen te realiseren. De percelen zijn kadastraal bekend als gemeente Voorthuizen, sectie D, nummers 525, 754, 756, 2803, 3009, 3082, 3083 en 3099. Op de onderstaande afbeelding is met een rode cirkel de globale ligging van het plangebied aangeduid.
Afbeelding globale ligging locatie (www.topokaartnederland.nl)
De uitvoering van dit plan is niet mogelijk binnen de geldende bestemmingsplannen. Daarom is een herziening van de bestemmingsplannen opgesteld. Voorliggend plan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De toelichting is opgebouwd uit acht hoofdstukken. Na dit hoofdstuk beschrijft hoofdstuk 2 de bestaande situatie. Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 een beschrijving van het plan gegeven. Hoofdstuk 4 gaat vervolgens in op het beleidskader. Het vijfde hoofdstuk gaat in op de randvoorwaarden, waarna in het zesde hoofdstuk de juridische aspecten worden besproken. In hoofdstuk 7 is aandacht voor de economische uitvoerbaarheid. Hoofdstuk 8 gaat in op de resultaten van de procedure ten behoeve van dit bestemmingsplan.
"Buurtweg II" (vastgesteld)
5
Buurtweg II
Hoofdstuk 2 2.1
BESTAANDE SITUATIE
Begrenzing plangebied
Het plangebied ligt aan de Buurtweg in de kern Voorthuizen. Het plangebied wordt aan de noordzijde deels begrensd door woonbebouwing en deels door agrarisch gebied. Aan de west- en zuidzijde vormt woonbebouwing eveneens de grens van het plangebied. De grens aan de oostzijde wordt gevormd door volkstuinen. Onderstaande afbeelding geeft de begrenzing van het plangebied weer.
Afbeelding begrenzing plangebied (luchtfoto 2021)
2.2
Geldende bestemmingen
Het plangebied valt binnen de grenzen van de bestemmingsplannen "Buitengebied 2000", "Buitengebied 2012" en "Voorthuizen-West". De gronden hebben de volgende bestemmingen: Bestemmingsplan "Buitengebied 2000", bestemming 'Agrarisch gebied I';
6
"Buurtweg II" (vastgesteld)
Buurtweg II
Afbeelding uitsnede bestemmingsplan "Buitengebied 2000" Bestemmingsplan "Buitengebied 2012", bestemming 'Agrarisch', dubbelbestemming 'Waarde Archeologie 1', gebiedsaanduiding 'overige zone - kernrandzone' en 'reconstructiewetzone verwevingsgebied GV', functieaanduiding 'specifieke vorm van waarde - archeologie 1 - hoge verwachtingswaarde'; Bestemmingsplan "Voorthuizen West", bestemmingen 'Agrarisch', 'Groen', Verkeer', 'Water', dubbelbestemming 'Waarde - archeologie 1' en bestemming 'Wonen - 1'.
"Buurtweg II" (vastgesteld)
7
Buurtweg II
Afbeelding uitsnede bestemmingsplannen "Buitengebied 2012" en "Voorthuizen-West" Realisatie van woningen is binnen deze bestemmingen niet toegestaan. Tevens is voor een deel van deze gronden het bestemmingsplan "Parapluherziening Parkeernormen" van toepassing. In deze bestemmingsplannen zijn geen mogelijkheden opgenomen die uitvoering van voorliggend plan mogelijk maken, bijvoorbeeld door wijziging of afwijken met een omgevingsvergunning. Daarom is een herziening van de bestemmingsplannen noodzakelijk. 2.2.1
Voorbereidingsbesluit
Er geldt overigens ook een voorbereidingsbesluit van de Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening met betrekking tot hyperscale datacenters op deze locatie. Nu het plan geen hyperscale datacenter mogelijk maakt, is dit voorbereidingsbesluit niet relevant voor onderhavig plan.
2.3
Ontstaansgeschiedenis
Op 19 mei 2009 is een 1e fase bouwvergunning verleend voor 12 duurdere woningen, waaronder seniorenwoningen, met toepassing van een vrijstelling ex artikel 19 lid 2 van de Wet op de ruimtelijke ordening (Wro) voor het gebied ten noorden van de Buurtweg (Vredehof). Er waren, vanwege de aanwezigheid van vleermuizen, mitigerende maatregelen nodig. Deze zijn op dat moment al grotendeels uitgevoerd in de vorm van beplanting op twee nabijgelegen locaties. Ook is er, naar aanleiding van de verleende vrijstelling ex artikel 19 lid 2 Wro, planschade uitgekeerd aan een aantal eigenaren van omliggende woningen. Er is destijds ook een kapvergunning afgegeven voor het kappen van bomen op dit perceel.
8
"Buurtweg II" (vastgesteld)
Buurtweg II
Afbeelding situatie verleende vergunning 2009 Na een beroepsprocedure heeft de ontwikkelaar de woningen geprobeerd te verkopen. Mede vanwege de economische crisis is dit plan niet goed in de markt ontvangen. De 1e fase bouwvergunning is niet binnen 2 jaar opgevolgd met een 2e fase bouwvergunning. De verleende bouwvergunning is daardoor van rechtswege vervallen. Omdat de uitvoering van de bomenkap verbonden was aan de start bouw, is ook de kapvergunning vervallen. Sindsdien zijn er geen ontwikkelingen op dit perceel geweest. Er zijn tussentijds ook geen nieuwe initiatieven ingediend. Het perceel is nu dan ook flink begroeid/verwilderd met bomen en struiken. De eigenaar van deze grond heeft in 2018 een plan ingediend voor het realiseren 14 woningen. Ongeveer gelijktijdig werd een verzoek behandeld voor het realiseren van woningen aan de zuidzijde van Buurtweg (ten westen van Buurtweg 1). Ook was een verzoek in behandeling voor het realiseren van woningen aan de zuidzijde van de Buurtweg (ten oosten van Buurtweg 1). Er is voor gekozen om de verzoeken samen te voegen en het plangebied uit te breiden met een deel van de volkstuinen aan de noordzijde van de Buurtweg om zo tot een stedenbouwkundig beter plan te komen. Verder is er rekening gehouden met de huidige aangescherpte eisen met betrekking tot waterberging, parkeren etc.
De geplande ontsluiting op de Vredehof is komen te vervallen.
"Buurtweg II" (vastgesteld)
9
Buurtweg II
Hoofdstuk 3
PLANBESCHRIJVING
Het betreft een gebied aan de noord- en zuidzijde van de Buurtweg met een oppervlakte van bijna 14.000 m2, waarop 25 grondgebonden woningen worden gerealiseerd. Aan de noordzijde van de Buurtweg betreft het 21 woningen en aan de zuidzijde 4 woningen. Het plan voorziet in 14 rijwoningen verdeeld over drie blokken, een tweekapper en 9 vrijstaande woningen. In het nieuwe plan zitten goedkope, middeldure en dure woningen, in zowel de huur- als koopsector. Het plan voorziet daarnaast in het aanleggen van openbaar gebied in de vorm van een toegangsweg die aansluit op de Buurtweg, het verbreden van de Buurtweg, realiseren van parkeerplaatsen, wadi's, groen en speelgelegenheden. Stedenbouw Deze ontwikkeling betreft een uitbreiding van het bebouwde gebied richting het buitengebied van Voorthuizen. In de gemeentelijke structuurvisie wordt dit gebied aangeduid als overgangsgebied Stad-Land (Voorthuizen West). Dit gebied wordt in het westen begrensd door het tracé van de rondweg om Voorthuizen. De voorgelegde verkaveling is in overleg tussen de gemeente en ontwikkelaar tot stand gekomen. Het plan voegt zich naar de landschappelijke dragers in het gebied. Zo wordt de bomenrij centraal in het gebied aangevuld met nieuwe bomen. De greppel die hier aan grenst wordt verbreed tot een wadi waar het regenwater in wordt verzameld en waar een speelplek voor de kinderen wordt gemaakt.
De woningen worden zoveel mogelijk rond de wadi geplaatst. De woningen zijn bereikbaar via een weg die op twee plekken aansluit op de verbrede Buurtweg. Een drempel in de Buurtweg voorkomt dat er te hard wordt gereden. Aan de zuidzijde van het plan wordt de berm van de Ganzenbeek verbreed en worden er nieuwe bomen geplant. De vier vrijstaande woningen zijn vanaf de Buurtweg bereikbaar. Met de nu voorgestelde verkaveling ligt er een integraal plan, waarbij de verdeling van woningen, groen en ontsluitingen goed op elkaar zijn afgestemd. Er is een beeldkwaliteitsplan opgesteld (zie Bijlage 1). Het beeldkwaliteitsplan is een compact, overzichtelijk en goed toetsbaar document. De hoofdlijn van de architectuur - heldere hoofdvorm, herkenbaarheid van de individuele woning, eenvoudige detaillering en gedekte kleuren - worden ondersteund door de dorpsbouwmeester. Ook de richtlijnen voor de erfscheidingen zijn zeer welkom.
10
"Buurtweg II" (vastgesteld)
Buurtweg II
Hoofdstuk 4
BELEIDSKADER
4.1
Rijk
4.1.1
Nationale Omgevingsvisie
Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) 'Duurzaam perspectief voor onze leefomgeving' in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven, zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw, zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI bevat een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.
ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio's; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond. Doorwerking Voorliggend plan is in lijn met de prioriteiten. De NOVI vormt daarom geen belemmering voor dit plan. 4.1.2
Nationaal Waterplan 2016-2021
Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is de opvolger van het Nationaal Waterplan 2009-2015. Het bevat de hoofdlijnen van het nationaal waterbeleid en de aspecten van het ruimtelijk beleid die daartoe behoren. Het Nationaal Waterplan verankert het nieuwe beleid voor de komende 6 jaar met een vooruitblik richting 2050: Nederland, een veilige en leefbare delta, nu en in de toekomst. In het Nationaal Waterplan staan 5 ambities centraal. Nederland moet de veiligste delta in de wereld blijven. Deze ambitie wordt vooral ingevuld door onze veiligheidsnormen tegen overstroming te vernieuwen. Daarnaast wordt ingezet op een verbetering van de waterkwaliteit (meststoffen, bestrijdingsmiddelen, medicijnresten, microplastics). Dit zorgt ervoor dat de Nederlandse wateren schoon en gezond zijn en er genoeg zoet water is. Verder beschrijft het Nationaal Waterplan dat Nederland klimaatbestendig en waterrobuust wordt ingericht en dat Nederland een gidsland is en blijft voor watermanagement en -innovaties. Dat is gunstig voor onze economie en ons verdienvermogen. De vijfde ambitie bestaat eruit dat Nederlanders waterbewust leven. Deze ambities moeten gezamenlijk ingevuld worden door iedereen die werkt aan de ruimtelijke inrichting van Nederland: alle overheden, bedrijven, maatschappelijke organisaties en kennisinstellingen.
Doorwerking in plangebied De bevindingen en resultaten van de watertoets zijn beschreven in de waterparagraaf (§ 5.15). 4.1.3
Crisis- en herstelwet
Op 1 januari 2010 is de Crisis- en herstelwet (Chw) in werking getreden. Deze wet geeft regels met betrekking tot versnelde ontwikkeling en verwezenlijking van ruimtelijke en infrastructurele projecten. Op 25 april 2013 is de Crisis- en herstelwet via een wijzigingswet permanent gemaakt en zijn verbeteringen op het terrein van het omgevingsrecht doorgevoerd (zie kamerstukken 33.135). De Chw omvat twee categorieën maatregelen: tijdelijke maatregelen voor afgebakende lijsten met projecten en bevoegdheden; wijzigingen van bijzondere wetten. In Bijlage I van de Chw worden onder meer de volgende ruimtelijke en infrastructurele projecten genoemd, "Buurtweg II" (vastgesteld)
11
Buurtweg II waarop de wet van toepassing is: zeer diverse projecten op het gebied van duurzame energie; gebiedsontwikkeling en werken van lokaal of regionaal belang, onderverdeeld in: 1. een bestemmingsplan voor de bouw van meer dan 11 woningen in een aaneengesloten gebied, of de herstructurering van woon- en werkgebieden; 2. een bestemmingsplan voor de aanleg of wijziging van wegen; 3. projecten ten behoeve van de inpassing in het landschap, natuurontwikkeling of recreatiedoeleinden, waar deze samenhangen met projecten ten aanzien van de in bijlage I bedoelde projecten ten aanzien van wegen. Doorwerking in plangebied In dit geval is de Crisis- en herstelwet van toepassing, want het bestemmingsplan voorziet in de bouw van meer dan 11 woningen.
4.2
Provincie
4.2.1
Omgevingsvisie en Omgevingsverordening
Algemeen De provincie Gelderland heeft een Omgevingsvisie en -verordening. Deze plannen gaan over verkeer, water, natuur, milieu en ruimtelijke ordening. De Omgevingsvisie beschrijft de lange termijn ambities en beleidsdoelen voor de fysiek leefomgeving. In de Omgevingsverordening zijn regels en bepalingen over de inrichting en beheer van de ruimtelijke omgeving vastgelegd. Met de Omgevingsvisie en -verordening loopt de provincie vooruit op de aankomende Omgevingswet, die naar verwachting 1 oktober 2022 of 1 januari 2023 van kracht wordt. Deze wet biedt meer ruimte voor initiatieven en ontwikkelingen in het fysieke domein, in gesprek met de omgeving. Wanneer het nodig is, actualiseert de provincie onderdelen van de Omgevingsvisie en -verordening. Vanaf 2019 actualiseert de provincie de Omgevingsverordening opnieuw, zodat deze verder in lijn wordt gebracht met de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland en anticipeert op de eisen van de Omgevingswet.
4.2.1.1
Omgevingsvisie
Provinciale staten van Gelderland hebben op 19 december 2018 de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland vastgesteld. De Omgevingsvisie Gaaf Gelderland 2018 gaat in de breedte over het beleid van de provincie voor de fysieke leefomgeving. Anders dan de Omgevingsvisie Gelderland 2014-2018, geeft de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland 2018 richting op de strategische hoofdlijnen van het beleid. Beide visies integreren een vijftal wettelijk verplichte planfiguren voor het provinciaal beleid voor de leefomgeving; te weten ruimte, natuur, water, milieu en verkeer en vervoer. Gelderland werkt samen met partners aan een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland. Dit doen ze door zich bij het uitvoeren van onze taken te richten op een duurzaam, verbonden en economisch krachtig Gelderland. Met hulp van zeven onderwerpen geven ze hier richting aan: energietransitie klimaatadaptatie circulaire economie biodiversiteit bereikbaarheid economisch vestigingsklimaat woon- en leefklimaat Doorwerking in plangebied De provincie streeft naar een duurzaam en divers woon- en leefklimaat, dat steeds weet te anticiperen op ontwikkelingen. Alle nieuwbouw moet aardgasloos worden aangelegd en zoveel mogelijk circulair worden gebouwd. Een duurzaam, dynamisch en toegankelijk economisch vestigingsklimaat, waar voor ondernemers en inwoners een sterke aantrekkingskracht vanuit gaat; dat is wat wij willen.
Voorliggend plan past binnen de ambitie van de provincie om een duurzaam en divers woon- en leefklimaat te realiseren, met een aanbod aan woningtypen passend bij de diversiteit aan woningvraag.
12
"Buurtweg II" (vastgesteld)
Buurtweg II
4.2.1.2
Omgevingsverordening
De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de provincie Gelderland. Dit betekent dat alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. De Omgevingsverordening Gelderland heeft de status van ruimtelijke verordening, milieuverordening, waterverordening en verkeersverordening. De 'Ruimtelijke Verordening Gelderland' en de 'Ruimtelijke Verordening Gelderland, eerste herziening', zijn ingetrokken. De Omgevingsverordening is met ingang van 17 oktober 2014 in werking getreden. De provincie actualiseert regelmatig de Omgevingsverordening. In de Omgevingsverordening is het plangebied opgenomen op de kaarten: Kaart 2: Regels Glastuinbouw Kaart 9: Regels Water en Milieu Eerst wat betreft glastuinbouw. Het bestemmingsplan voorziet niet in glastuinbouw. Dan wat betreft water en milieu: het plangebied maakt deel uit van 'intrekgebied'. In Omgevingsverordening is bepaald dat de winning van fossiele energie niet mogelijk wordt gemaakt. In het voorliggende bestemmingsplan is dit niet aan de orde. Vanuit deze kaarten behorend bij de Omgevingsverordening volgen geen specifieke aanduidingen die relevant zijn voor het plan. In de verordening is een instructieregel opgenomen over de doorwerking regionale woonagenda.
Op grond van het bepaalde in artikel 2.2 van de Omgevingsverordening maakt een bestemmingsplan alleen nieuwe woningen mogelijk als die ontwikkeling past binnen een door gedeputeerde staten vastgestelde woonagenda. Onderhavig plan past hierbinnen. In paragraaf 5.7 is dit bij de toets aan de zogeheten 'ladder van duurzame verstedelijking' nader uiteengezet. Doorwerking in plangebied De regels inzake Glastuinbouw en Water en Milieu vormen geen belemmering voor het onderhavige plan. Ook wordt voldaan aan de instructieregels. Het plan is in overeenstemming met de verordening.
4.3
Regio
4.3.1
Regionaal Adaptatie Plan Vallei en Veluwe
Op 4 december 2020 is het Regionaal Adaptatie Plan Vallei en Veluwe (RAP) ondertekend door de Manifestregio. In de regio werken 28 gemeenten, waterschap Vallei en Veluwe, provincies Utrecht en Gelderland, Vitens, Veiligheidsregio's en Rijkswaterstaat samen op het gebied van klimaatadaptatie. Met het RAP geeft de regio invulling aan de landelijke opgave voor overheden om vanaf eind 2020 klimaatadaptief te werken om in 2050 klimaatbestendig te zijn. Deze opgave komt voort uit het Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie. Het klimaat verandert namelijk snel en merkbaar. Klimaatadaptatie is omgaan met het nieuwe klimaat met extremer weer: heftige buien of juist lange periodes van hitte en droogte. De omgeving waarin we leven, werken en ontspannen, maar ook de manier van leven moeten we daarop aanpassen. In het RAP zijn de regionale aandachtsgebieden voor de komende jaren bepaald, aanvullend op wat elke partij zelf moet of kan doen. Vooraf zijn voor het hele gebied de kwetsbaarheden van wateroverlast, droogte en hitte in kaart gebracht in een klimaateffectatlas. Tevens zijn risicodialogen met elkaar gevoerd over de gevolgen van klimaatverandering en de opgaven voor de regio.
Het RAP is een strategische agenda rondom 4 thema's: Prettig wonen en werken, Aangenaam recreëren, Basisfuncties (elektriciteit, hoofdwegennet, verpleeghuizen, etc.) veilig stellen en Natuurlijk bodem- en watersysteem. Per thema zijn (hoofd)ambities, speerpunten en maatregelen geformuleerd. Het thema prettig wonen ambieert een klimaatbestendige, veilige en gezond ingerichte stedelijke omgeving. Speerpunten zijn Ketenafspraken klimaatbestendig bouwen, Ontwikkelafspraken met woningcoöperaties, Instrumentenmix voor bestaand stedelijk gebied, Stimuleringsregeling klimaatbestendige maatregelen en Hitteplan. Het thema Aangenaam recreëren ambieert een klimaatbestendige, veilige en gezond ingericht recreatief buitengebied. Het speerpunt is Groen-blauwe recreatie. "Buurtweg II" (vastgesteld)
13
Buurtweg II Het thema Basisfuncties ambieert een veilig en robuust ontworpen nutsvoorzieningen en infrastructuur. Speerpunten zijn Natuurbranden preventieplan, Overstromingsbestendige gebieden en gebouwen, (Hoofd)verdeelstations beoordelen en Doorgaande wegen klimaatrobuust. Het thema Natuurlijk bodem- en watersysteem ambieert een klimaatbestendig, robuust en veerkrachtig natuurlijk bodem- en watersysteembeheer. Speerpunten zijn Loofbomen advies, Waterbeschikbaarheidsstrategie, Duurzaam grondwatersysteem en Verkenning regio Vallei en Veluwe – 2120. In Werkplannen wordt concreet aangegeven hoe de ambities in het RAP voor telkens een periode van 2 jaar worden uitgewerkt. De opgaven worden regionaal verdeeld en er worden verbindingen gelegd. Van belang is dat ook inwoners, bedrijven en maatschappelijke organisaties worden betrokken. Doorwerking in plangebied In de waterparagraaf (§ 5.15) staat beschreven hoe invulling wordt gegeven aan de thema's die in dit plan van toepassing zijn.
4.4
Waterschap
4.4.1
Blauwe Omgevingsvisie 2050
De driedimensionale Blauwe Omgevingsvisie 2050 (BOVI) is de langetermijnvisie van Waterschap Vallei en Veluwe. Met deze BOVI zet Waterschap Vallei en Veluwe op een geheel nieuwe wijze koers naar een duurzame en waterinclusieve leefomgeving. Daarbij kijkt Waterschap Vallei en Veluwe integraal, grensontkennend, over de grenzen van taken en gebieden heen en werkt vanuit de drie zogenoemde waterprincipes: 1. Water is een ordenend principe in de ruimtelijke ordening. 2. Maximaal vasthouden en schoonhouden van water. 3. Partnerschap als watermerk. Deze principes leiden tot één samenhangende weergave van water in het landschap van Vallei en Veluwe: één kringloop van bron tot monding, door stedelijk en landelijk gebied en van boven- en ondergrond. Doorwerking in plangebied De bevindingen en resultaten van de BOVI 2050 zijn beschreven in de waterparagraaf (§ 5.15). 4.4.2
BOP 2022-2027Waterschap Vallei en Veluwe
Het Blauw Omgevingsprogramma (BOP) is het waterbeheerprogramma van Waterschap Vallei en Veluwe voor de planperiode 2022-2027. Het gebied, de maatschappelijke thema's en samenwerking met partners zijn meer centraal gezet dan in voorgaande waterbeheerprogramma's. Het waterbeheerprogramma is een kerninstrument onder de Omgevingswet en bevat naast de verplichte onderdelen van het programma (zoals Kader Richtlijn Water (KRW), Richtlijn Overstromings Risico's (ROR), zwemwaterrichtlijn) ook een niet verplicht deel. Het BOP is daarmee het wettelijk instrument van het waterschap om de doelen voor de middellange termijn vast te leggen. In het BOP worden doelen uit de Blauwe Omgevingsvisie 2050 (BOVI2050) doorvertaald naar gebiedsgerichte doelen. De hoofddoelen van het BOP zijn hieronder kort beschreven. Waterveiligheid Een zo goed mogelijke bescherming tegen overstromingen volgens de wettelijke normen. Watersysteem Een toekomstbestendig en klimaatrobuust grond- en oppervlaktewatersysteem, dat passend is ingericht naar de veranderende gebiedswensen. Wonen en zuiveren Een robuust proces voor het verwerken van extreme neerslag en inzameling van stedelijk en industrieel afvalwater in bebouwd gebied, tot aan het lozen van effluent in het watersysteem.
Circulaire economie Volledig circulair opereren in 2050 door anders om te gaan met grondstoffen en goed samen te werken met partners en de omgeving. Energietransitie Het eerste energieneutrale waterschap van Nederland worden om een voorbeeld te zijn op het gebied van 14
"Buurtweg II" (vastgesteld)
Buurtweg II de energietransitie.
Doorwerking in plangebied De bevindingen en resultaten van de watertoets zijn beschreven in de waterparagraaf (§ 5.15).
4.5
Gemeente
4.5.1
Structuurvisie Buitengebied Barneveld
De structuurvisie Buitengebied Barneveld is op 21 september 2011 door de gemeenteraad vastgesteld.(De vastgestelde versie is gepubliceerd op 29 december 2011 (Staatscourant, nr. 23938). De gemeente Barneveld heeft op 28 september 2016 de Strategische Visie Barneveld 2030 vastgesteld. De Strategische Visie geeft aan welke doelen het gemeentebestuur nastreeft voor de periode tot 2030. Daaraan voorafgaand heeft de raad in januari 2009 de Structuurvisie 2009 vastgesteld waarin de stedelijke ontwikkelingen voor de komende 10 jaar zijn weergegeven. Mede op basis van de Strategische Visie is de Structuurvisie 2009 geactualiseerd door de vaststelling van de Structuurvisie Kernen 2022. De Structuurvisie Buitengebied is het derde en laatste onderdeel van deze beleidstrilogie. In de op 21 september 2011 vastgestelde Structuurvisie Buitengebied wordt specifiek ingegaan op onderwerpen als landbouw, recreatie en landschap in de periode tot 2020. De twee structuurvisies vullen elkaar hierbij inhoudelijk aan. De strategische visie geeft aan wat de overkoepelende doelen zijn. Met deze Structuurvisie Buitengebied biedt de gemeente Barneveld ruimte voor economische ontwikkeling in samenhang met behoud en ontwikkeling van de omgevingskwaliteiten landschap, natuur, woon - en leefmilieu.
Ontwikkelingen in de landbouw en bij recreatieve bedrijven zijn van grote invloed op de omgevingskwaliteiten natuur, landschap en woon- en leefomgeving. Deze omgevingskwaliteiten zijn ook de belangrijkste vestigingsfactoren voor het buitengebied. Initiatieven beoordeelt de gemeente daarom mede op de mate waarin ze bijdragen aan behoud en ontwikkeling van de omgevingskwaliteit, bijvoorbeeld effecten op landschap (beeldkwaliteit), woon en leefmilieu, verkeer en natuur. Dit moet leiden tot een landschappelijk fraai buitengebied met goed ingepaste ontwikkelingen. Een buitengebied dat op die manier wordt ingericht is een aangename plek om te werken en te recreëren. De structuurvisie beoogt daarbij ontwikkelingsruimte te bieden aan goede initiatieven en wil een basis zijn voor samenwerking om die te realiseren. Bovenstaande aanpak geldt voor het hele buitengebied. Daarnaast worden deelgebieden onderscheiden met beleidsaccenten op grond van landschappelijke kenmerken en zones op grond van een specifieke functie (zie bijlage 8 Structuurvisie). Onderstaand is per deelgebied en zone een ontwikkelingsrichting met kwaliteitsbeeld beschreven. Het kwaliteitsbeeld vormt het ruimtelijk toetsingskader. Het stelt eisen die richtinggevend zijn voor ruimtelijke ontwikkeling. Deze (minimum) eisen zijn kaderstellend voor het bestemmingsplan.
"Buurtweg II" (vastgesteld)
15
Buurtweg II
Afbeelding Structuurvisie Buitengebied Barneveld Agrarisch bekenlandschap De functie landbouw in het gebied is richtinggevend naast het versterken van dagrecreatief medegebruik, ingepast in het behoud en de versterking van de structuurbepalende natuur- en landschapselementen. In de natuurkerngebieden van de EHS is landbouw niet richtinggevend, maar volgend: duurzaam ingepast. Stedelijke zone Het concentratiebeleid voor woningbouw, ontwikkeling van bedrijventerreinen en voorzieningen in het gebied Barneveld Harselaar Voorthuizen blijft onverkort uitgangspunt. Ontwikkelingsfonds Platteland De structuurvisie beschrijft het type projecten die tot doel hebben de beschreven ruimtelijke kwaliteiten te realiseren. Investeringen voor die projecten kunnen, al dan niet gedeeltelijk, worden gefinancierd uit het Ontwikkelingsfonds. Dit fonds wordt gevuld door bijdragen uit ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied, namelijk functieverandering, nieuwe landgoederen en stedelijke uitbreidingen. De werking van dit fonds beoogt hiermee samenhangende ruimtelijke ontwikkeling van het buitengebied met ruimtelijke en maatschappelijke winst.
Doorwerking in plangebied Nu het plangebied binnen de Stedelijke zone is gelegen, wordt geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling in is overeenstemming met de structuurvisie.
4.5.2
Structuurvisie Kernen Barneveld 2022
De gemeenteraad heeft op 22 november 2011 de "Structuurvisie Kernen Barneveld 2022" vastgesteld. De structuurvisie legt de gemeentelijke visie op de toekomstige ruimtelijke ontwikkeling van het eigen grondgebied vast. Het bestemmingsplan zal hierbinnen moeten passen. De structuurvisie bevat een uitvoeringsprogramma. Hierin laat de gemeente zien hoe het voorgenomen beleid gerealiseerd zal worden. In de structuurvisie is een groot aantal ruimtelijke projecten opgenomen, waarvoor investeringen in de openbare ruimte noodzakelijk zijn. Ook is er een groot aantal lopende en potentiële bouwmogelijkheden. Uit de kaart behorende bij de structuurvisie blijkt dat de planlocatie deels in bestaand bebouwd gebied ligt. Het plan ligt voorts in een gebied dat is aangeduid als overgangsgebied stad - land (Voorthuizen west en noord). Dit gebied wordt in het westen begrensd door het tracé van de rondweg om Voorthuizen.
16
"Buurtweg II" (vastgesteld)
Buurtweg II
Afbeelding Structuurvisie Kernen 2022
Doorwerking in plangebied Het ingekomen verzoek vormt geen inbreuk op de bestaande kwaliteiten en is in overeenstemming met deze structuurvisie.
"Buurtweg II" (vastgesteld)
17
Buurtweg II
4.5.3
Dorpsplannen en -visies
In alle dorpen in Barneveld zetten verenigingen plaatselijk belang zich actief in voor de leefbaarheid en toekomst van de dorpen en buurtschappen. Verschillende dorpen hebben in dit kader hun visie op de toekomst vastgelegd in een dorpsplan of –visie of zijn daar mee bezig. De dorpsplannen bevatten zowel een visie op de toekomst als een overzicht van concrete ideeën en wensen om de leefbaarheid van het dorp te versterken en zijn in samenspraak met veel inwoners en de gemeente tot stand gekomen. Vanuit de visie op burgerkracht ('Zelf-samen-gemeente') en netwerksamenleving is in de Strategische Visie 2030 (september 2016) ten aanzien van de dorpsplannen een voorstel opgenomen om een andere werkwijze te gaan volgen die de plannen een sterkere positie geeft. Op die manier kan recht worden gedaan aan de geleverde inspanningen en de lokaal gemaakte keuzes. Dorpsplannen hebben - waar mogelijk - een positie bij de ontwikkeling en uitvoering van gemeentelijk beleid. Dit geldt in ieder geval voor de recente dorpsplannen (die opgesteld zijn na 2016) die in samenspraak met de gemeente tot stand gekomen zijn. Deze dorpsplannen bevatten een goede weergave van de ideeën en behoeften die er leven in de kernen. De gemeente houdt daarom bij ruimtelijke plannen en –initiatieven rekening met de inhoud van het dorpsplan en kan – indien nodig – hierover in overleg gaan met Plaatselijk Belang.
Doorwerking in plangebied Via een uitgebreid traject is de Dorpsvisie Voorthuizen tot stand gekomen en bestaat uit een manifest met 9 punten. Van belang is het punt dat er over 'meer dan de al geplande groei (uitbreiding en inbreiding)' overleg gepleegd moet worden met de inwoners. Het voorliggende project valt deels onder de noemer 'al geplande groei'. Ook groen is van belang. Verwezen wordt naar § 5.12 Natuur en landschap en § 8.1 Participatie. Het plan past binnen de Dorpsvisie Voorthuizen. 4.5.4
Bestemmingsplannen globaal en flexibel
Op 6 mei 2014 heeft de raad de kaderstellende notitie 'Bestemmingsplannen globaal en flexibel' vastgesteld. Met deze notitie geeft de raad voor met name grote(re) uitleggebieden kaders aan om bestemmingsplannen globaal en flexibel te maken, om adequaat te kunnen inspelen op maatschappelijke en marktontwikkelingen. Daarmee ontstaat enige ruimte om een plan te kunnen wijzigen, maar zonder significant verlies van kwaliteit in de openbare ruimte, beeldkwaliteit en rechtszekerheid. Globaal en flexibel zijn twee naast elkaar staande begrippen. Een globaal bestemmingsplan is een bestemmingsplan waarbij de belangrijkste uitgangspunten voor een gebied zijn vastgelegd. In een globaal bestemmingsplan zijn de bouw- en gebruiksmogelijkheden niet vastgelegd of gebonden aan een concreet perceel. Het tegenovergestelde van globaal bestemmen is gedetailleerd bestemmen, want een gedetailleerd bestemmingsplan legt juist wel een eindbeeld vast. Naast het begrip globaal, kennen we ook nog de begrippen star en flexibel. We spreken van een star bestemmingsplan als het niet of nauwelijks mogelijk is om van een bestemmingsplan af te wijken. Flexibel bestemmen is het tegenovergestelde. Flexibel bestemmen laat meer ruimte om in te spelen op initiatieven die niet direct zijn geregeld.
Flexibiliteit is in het bestemmingsplan in te bouwen door te werken met afwijkingsregels, wijzigingsbevoegdheden en uitwerkingsplichten. De notitie richt zich op toekomstige ontwikkelingen in de kernen, waarbij met name is gekeken naar de bestemmingen voor wonen en bedrijven. Doorwerking in plangebied In voorliggend bestemmingsplan zijn de gebruikelijke binnenplanse afwijkingsbevoegdheden, wijzigingsbevoegdheden en uitwerkingsplichten opgenomen. Voor het overige is geen toepassing gegeven aan de kaders uit de notitie, omdat het bestemmingsplan een postzegelplan betreft.
18
"Buurtweg II" (vastgesteld)
Buurtweg II
4.5.5
Energiebeleid gemeente Barneveld 2015-2020
De raad heeft in 2015 de Energievisie gemeente Barneveld 2015-2020 ('investeren in Barneveldse bronnen') vastgesteld. Het energievraagstuk staat de laatste jaren landelijk stevig op de (politieke) agenda. Naast het milieumotief en betaalbaarheid zijn ook maatschappelijke verantwoordelijkheid en energie-onafhankelijkheid steeds meer een argument om actie te ondernemen. De gemeente Barneveld voelt de urgentie om een bijdrage te leveren aan een schone, betrouwbare en betaalbare energievoorziening en heeft een doelstelling vastgesteld die hoger ligt dan de landelijke energiedoelstellingen. Woningen en bedrijfspanden moeten de komende jaren fors energiezuiniger worden. Ook moet de gemeentelijke overheid in opdracht van de rijksoverheid uiterlijk in 2021 een warmteplan opstellen, dat de basis gaat vormen voor het uitfaseren van het gebruik van aardgas. Vooruitlopend op de nieuwe energiewetgeving in 2020 en energieneutraliteit in 2050, ziet de gemeente graag dat de woningen en bedrijven aardgasloos en energieneutraal worden gebouwd. De gemeente is medio 2018 een verkenning gestart naar hoe een aardgasvrije gemeente vorm zou kunnen krijgen. Naar aanleiding van de uitkomsten hiervan kunnen keuzes voor de energievoorziening voor nieuw te bouwen woningen en/of bedrijven in de toekomst beïnvloed worden.
Bijvoorbeeld waar het gaat om mogelijkheden om aan te sluiten bij een collectieve warmtevoorziening of een wijkgerichte aanpak voor het verduurzamen van woningen (Wijk van de Toekomst). Wettelijke eisen Bijna Energie Neutrale Gebouwen (BENG) Voor alle nieuwbouw, zowel woningbouw als utiliteitsbouw, geldt dat aanvragen om een omgevingsvergunning vanaf 1 juli 2021 moeten voldoen aan de eisen voor bijna energieneutrale gebouwen (BENG). Het beleid voor zeer energiezuinige bestaande gebouwen is nog in ontwikkeling. Warmtepompen Er zijn voorbeelden van geluidsoverlast veroorzaakt door warmtepompen, omdat er bij de plaatsing geen rekening gehouden is met het geluidsaspect of de warmtepomp verouderd is. Een zorgvuldige ruimtelijke inpassing van de warmtepomp is noodzakelijk en er moet voldaan worden aan een acceptabel geluidsniveau. Als het geluidniveau op 5 meter van warmtepomp hoger is dan 30 dB(A) of als dit het geval is bij een kortere afstand tot de buurwoning dan is het toepassen van een geluiddempende omkasting nodig. Hiervoor komen steeds meer innovaties op de markt (bijvoorbeeld in een dummy schoorsteen). Per 1 april 2021 worden nieuwe geluidseisen gesteld aan (nieuw te plaatsen) buiten opgestelde installaties voor warmte- of koude opwekking. Het gaat hierbij om warmtepompen en airco's die worden toegepast bij woningen en woongebouwen.
Deze installaties mogen niet meer dan 40 dB geluid veroorzaken bij de buren. Er zullen zogenaamde lucht/water warmtepompen worden toegepast welke voldoen aan de wettelijk gestelde eisen omtrent overlast en geluid. Bij de nadere uitwerking zal aantoonbaar worden aangeleverd dat deze voldoen. Dit is onderdeel van de omgevingsvergunning. Voor de bouwkavels kan dit getoetst worden bij indiening van de vergunning Zonnepanelen Gebruik van zonne-energie kan significant bijdragen aan de benodigde duurzame energieopwekking. In dit plan zijn zonnepanelen opgenomen, die direct bij de bouw worden meegenomen. Er worden zonnepanelen toegepast van het type opdaksysteem in de kleur zwart. Deze kleur wordt voorgeschreven in het Beeldkwaliteitsplan. Duurzaamheid in het openbaar gebied of op eigen terrein Er moet aandacht zijn voor energiezuinige openbare verlichting. Daarbij denken we aan een verlichtingsplan, waarbij zo weinig mogelijk lantaarnpalen worden toegepast, uitgevoerd met (dimbare) LED-lampen. Daarnaast is het vanuit duurzaamheidsoogpunt van belang om de hoeveelheid materiaalgebruik voor wegen en de verharde oppervlakte in het plangebied zo laag mogelijk te houden. Dat kan worden bereikt door de weglengte en -breedte zoveel mogelijk te beperken en doorlatende verharding toe te passen.
Bij de keuze voor het materiaalgebruik heeft de gemeente ook hier de voorkeur voor het gebruik van duurzame materialen, bij zowel productie en gebruik en die bij sloop hergebruikt kunnen worden. "Buurtweg II" (vastgesteld)
19
Buurtweg II
Klimaat Het klimaat verandert met extremer weer als gevolg. We zullen vaker te maken krijgen met hoosbuien / wateroverlast, langere perioden van droogte en hitte. Het veranderende klimaat vraagt om maatregelen op alle schaalniveaus om de gevolgen voor gezondheid, veiligheid, productiviteit en natuur te beperken. Klimaatbestendig handelen en waterrobuust inrichten wordt vanzelfsprekend in het gemeentebrede beleid en handelen vóór 2020. Zodat in 2050 de fysieke ruimte in 2050 waterrobuust en klimaatbestendig is. Eén van de maatregelen is het anders omgaan met het inzamelen van en verwerken van hemelwater dat op verhard oppervlak valt, bijvoorbeeld door het aanleggen van groene daken. Zie voor een verdere beschrijving de waterparagraaf (§ 5.15). Door op een slimme manier om te gaan met (robuust) groen in de openbare ruimte in relatie tot de positionering van de woningen en de productie van zonne-energie op daken van woningen kan het microklimaat in de woningen en in een gebied op een positieve manier beïnvloed worden. 4.5.6
Groenstructuurplan Barneveld (2011)
De doelstelling van het Groenstructuurplan Barneveld (2011) is het beschrijven van de lange termijn visie ten aanzien van de inrichting van het openbaar groen van de gemeente Barneveld om de groenstructuren in en de herkenbaarheid van de kernen te behouden, ontwikkelen en versterken. Om de gewenste groenstructuur te realiseren worden in het groenstructuurplan een aantal verbetervoorstellen gedaan. Doorwerking in plangebied Het Groenstructuurplan geeft voor het voorliggende gebied geen specifieke voorwaarden. 4.5.7
Waterplan Barneveld (2005) en Hemelwaterplan 2017-2020'Klimaatactief!'
Het Waterplan geeft een integrale watervisie op het verhogen van de gebruikswaarde en belevingswaarde van water. Door een verantwoord gebruik en duurzame ontwikkeling van het water kan ook in de toekomst gebruik worden gemaakt van een gezond watersysteem. De volgende ambities worden genoemd: Vasthouden en/of vertraagd afvoeren van hemelwater. Het scheiden van vuil en schoon water. Bij nieuwbouw het hemelwater van schone oppervlakken niet op de riolering lozen en bij voorkeur lokaal gebruiken, infiltreren of lozen op oppervlaktewater. In bestaand gebied hemelwater afkoppelen van het gemengd riool indien technisch en financieel haalbaar. De afvoer van schoon hemelwater vindt bovengronds plaats. Rioolwateroverstorten beperken om de doelstellingen voor waterkwaliteit te bereiken. In het plan is een concrete doelstelling opgenomen: in 2025 is 10% van het verharde oppervlak afgekoppeld van de gemengde riolering (referentiejaar 2005). Dit betreft 18 ha. afkoppelen. In het Hemelwaterbeleidsplan is deze doelstelling uitgewerkt in concrete maatregelen. Het Hemelwaterplan 2017-2020 'Klimaatactief!' richt zich op een duurzame omgang met hemelwater. Het geeft aan wat het gemeentelijk beleid is ten aanzien van afstromend hemelwater in bestaande situaties en bij nieuwe ontwikkelingen. Het plan zet in op een integrale benadering en meervoudige inrichting van totale openbare ruimte.
Barneveld gaat aan de slag met het waterbestendig inrichten van de openbare ruimte om bestand te zijn tegen klimaatverandering. Doorwerking in plangebied De bevindingen en resultaten van de watertoets zijn beschreven in de waterparagraaf (§ 5.15). 4.5.8 Woonvisie Barneveld 2021-2025en regionale bouwafspraken, Faseren en doseren woningmarkt en Verordening doelgroepen sociale woningbouw en middenhuur gemeente Barneveld In maart 2021 heeft de raad de Woonvisie Barneveld 2021-2025 'Wonen voor jong en oud' met doorkijk tot 2030/2040, vastgesteld. In de woonvisie is een streefprogramma woningbouw opgenomen om te voorzien in de woningbehoefte van de hier woonachtige en werkzame bevolking. Er is een nieuwbouwprogramma van gemiddeld 500 woningen per jaar (als uitbreiding) opgenomen, waarvan gemiddeld 40% ten behoeve van sociale huur- en koopwoningen (sociale huur 20%, sociale koop laag tot € 230.000 en sociale koop hoog van € 230.000 tot € 280.000), 20% middeldure woningen (middendure huur tot € 1.000,- en koop van € 280.000 tot € 350.000) en 30% duurdere woningen vanaf € 350.000,- en 10% vrij in te delen. 20
"Buurtweg II" (vastgesteld)
Buurtweg II
In regio FoodValley zijn onderlinge woningbouwafspraken gemaakt, waarbij Barneveld voor de periode 2017-2027 maximaal zo'n 3.800 woningen mag groeien, mede vanwege een zekere overloop vanuit regio Amersfoort. Er loopt verder een Verstedelijkingsstrategie Arnhem, Nijmegen, Foodvalley, waarbij er in de periode 2020-2040 in Foodvalley zo'n 40.000 woningen aan de voorraad moeten worden toegevoegd. Voor gemeente Barneveld zou dit een opgave van tenminste 6.000 woningen beteken. Provincie Gelderland streeft in het Aktieplan Wonen naar versnelling van woningbouwontwikkelingen, gezien de woningtekorten op de woningmarkt. Daarbij wordt ook naar gemeente Barneveld gekeken. In regio Amersfoort loopt een soortgelijke studie, namelijk het 'Ontwikkelbeeld regio Amersfoort' en wordt een woninguitbreiding met 36.000 in 2020-2040 als opgave gezien. De woningbouw in Barneveld is hier mede input voor. Door middel van het project 'Faseren en doseren woningmarkt Barneveld' wordt jaarlijks een actueel beeld van het planaanbod voor de komende vier jaar gegeven, waarbij ook een beeld wordt geschetst van de aantallen op te leveren woningen per kern, alsmede de differentiatie van deze nieuwbouw in termen van prijsklassen, eigendomsverhouding en bouwvorm (gestapeld of grondgebonden).
Ook wordt een beeld geschetst van de mate waarin voor bepaalde doelgroepen wordt gebouwd (zoals starters, ouderen of mensen met een beperking) om zo vraag en aanbod meer met elkaar in overeenstemming te brengen. Voor de periode 2021 t/m 2024 is een programma van ruim 2.600 woningen voorzien. De ervaring leert dat hiervan circa 75-80% daadwerkelijk in de genoemde periode wordt gerealiseerd, dit betekent zo'n 500 woningen per jaar. Dit is geheel in lijn met de vastgestelde woonvisie en gemaakte woningbouwafspraken. Sinds 1 januari 2018 is de Verordening doelgroepen sociale woningbouw en middenhuur gemeente Barneveld van kracht. Deze verordening is in 2021 geactualiseerd, met als werktitel Doelgroepenverordening gemeente Barneveld 2021. Deze verordening ziet toe op sturing van de totale woningvoorraad en het bereikbaar houden van een deel van de woningvoorraad voor lage en midden inkomensgroepen. Het gaat daarbij om drie categorieën: sociale huurwoningen, sociale koopwoningen (opgesplitst in sociale koop laag tot € 230.000 en sociale koop hoog € 230.000 - € 280.000) en middendure huurwoningen (prijsgrens van € 1.000,- in 2021).
In bestemmingsplannen en overeenkomsten met marktpartijen kan voor een bepaalde minimale tijdsduur de ingebruikname van sociale huurwoningen (10 jaar), goedkope koop (1 jaar met boetebeding tot 10 jaar) en middendure huurwoningen (10 jaar) worden vastgelegd evenals de maximale hoogte van de huur- en koopprijs. Verder is een zekere prijs-/kwaliteitsverhouding geformuleerd om in relatie tot de hoogte van de huur- of koopprijs toch een minimale woninggrootte te garanderen. Daarbij is ook aangegeven dat deze drie woningcategorieën met voorrang aan bepaalde lage en middeninkomensgroepen moeten worden aangeboden om zo tot een rechtvaardige verdeling van de woningvoorraad te komen. Voor middendure huurwoningen en sociale koop hoog ligt deze inkomensgrens voor huishoudens op € 65.000, voor sociale koop laag op € 55.000 en voor sociale huurwoningen is de grens vanuit de Woningwet van belang. Prijsen inkomensgrenzen worden geïndexeerd conform de bepalingen in de verordening. Doorwerking in plangebied Volkshuisvestelijk wijkt het programma af van het streefprogramma. In de vastgestelde Woonvisie is opgenomen dat op specifieke locaties van dit streefprogramma gemotiveerd mag worden afgeweken. Dit heeft ook te maken met de historie van dit plan (een eerder vastgesteld plan met uitsluitend duurdere woningen) en met de specifieke locatiekenmerken.
Het plan bestaat voor 40% uit goedkope en middeldure woningen en voor 60% uit dure koopwoningen. Het programma, kan gezien de vraag vanuit de markt en de gewenste toevoeging, op voldoende belangstelling rekenen.
"Buurtweg II" (vastgesteld)
21
Buurtweg II
Hoofdstuk 5
RANDVOORWAARDEN
5.1
Bodem
5.1.1
Bodemkwaliteit
In het kader van de bestemmingsplanprocedure is beoordeeld of de milieuhygiënische bodemkwaliteit ter plaatse van het plangebied voldoet aan de eis van financiële uitvoerbaarheid en uit oogpunt van volksgezondheid en milieu aanvaardbaar mag worden geacht voor het beoogde gebruik. Beoordeling van de milieuhygiënische bodemkwaliteit vindt (o.a.) plaats op basis van de vastgestelde bodemkwaliteitskaart (PFAS) regio De Vallei en de nota bodembeheer regio De Vallei. Met dit instrumentarium kan de bodemkwaliteit binnen het plangebied met een bepaalde statistische zekerheid worden bepaald voor zover blijkens historisch onderzoek geen sprake is van verdachte locaties. In dit geval is er sprake van een verdachte locatie. Er zijn twee verkennende bodemonderzoeken uitgevoerd (zie Bijlage 2 en Bijlage 3). Het uitgevoerde verkennend bodem- en asbestonderzoek westzijde is correct uitgevoerd en geeft voldoende beeld van de bodemkwaliteit (grond en grondwater) ter plaatse van de onderzoekslocatie. Het plangebied valt binnen de contour van de onderzoekslocatie. Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat in de zintuiglijk schone bovengrond een licht verhoogd gehalte aan PAK is aangetoond. Gezien het huidige gebruik als moestuincomplex is de bovengrond aanvullende geanalyseerd op bestrijdingsmiddelen (OCB).
Er is geen informatie voorhanden waaruit blijkt dat er bestrijdingsmiddelen zijn gebruikt binnen het moestuincomplex. In verband met het particulier gebruik van het moestuincomplex is niet uitgesloten dat kleinschalig gebruik is gemaakt van (verboden) bestrijdingsmiddelen. Uit de analyseresultaten blijkt dat in de zintuiglijk schone bovengrond eveneens licht verhoogde gehalten aan DDD en/of DDT zijn gemeten. In de zintuiglijk schone ondergrond zijn geen verhoogde gehalten aan de onderzochte parameters aangetoond. Het grondwater bevat een matig verhoogde concentratie aan nikkel en licht verhoogde concentraties aan barium, cadmium en zink. Formeel dient aanvullend grondwateronderzoek te worden uitgevoerd naar de omvang van de aangetoonde matige verhoogde concentratie met nikkel in het grondwater. Naar alle waarschijnlijkheid is sprake van een natuurlijk verhoogde achtergrondwaarde en wordt aanvullend grondwateronderzoek gekoppeld aan de voorgenomen bouwrijpwerkzaamheden (bemaling etc.) in het gebied en dient er mogelijk een gebruiksbeperking voor het oppompen van grondwater ten behoeve van de beregening van (moes)tuinen te worden opgenomen. Zintuiglijk is op het maaiveld van de onderzoekslocatie geen asbestverdacht (plaat)materiaal aangetroffen. In de samengestelde mengmonsters van de bovengrond voor analyse op asbest is analytisch geen asbest aangetoond.
Wel dient te worden opgemerkt dat het verkennend asbestonderzoek niet conform de NEN 5707 is uitgevoerd. Dit omdat twee inspectiegaten minder zijn uitgevoerd dan voorgeschreven. Het gevolg van deze afwijking op de analyseresultaten wordt nihil ingeschat. Wij delen deze conclusie. De onderzoeksresultaten geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodem-/asbestonderzoek of -sanering. De milieuhygiënische kwaliteit van de bodem vormt ons inziens geen belemmering voor de voorgenomen bestemmingsplan-/functiewijziging. Gezien het gebruik van de onderzoekslocatie dient tijdens de bouwrijpwerkzaamheden echter wel rekening te worden gehouden met het plaatselijk aantreffen van onvoorziene bodemverontreiniging (o.a. asbesthoudende plaatmateriaal, stortgaten etc.). Dit omdat gezien het particulier gebruik van het moestuincomplex toch kleinschalig asbesthoudendmateriaal is toegepast en omdat vanwege dan aanwezigheid van gras, planten etc. het maaiveld niet (goed) geïnspecteerd kon worden. Ondanks dat het verkennend bodem- en asbestonderzoek is uitgevoerd conform de geldende protocollen/richtlijnen betreft het een steekproefsgewijze benadering van de bodemkwaliteit. Voor de sloop van aanwezige schuren etc. dient ook een asbestinventarisatie uitgevoerd te worden.
Het uitgevoerde verkennend bodemonderzoek oostzijde is correct uitgevoerd en geeft voldoende beeld van de bodemkwaliteit (grond en grondwater) ter plaatse van de onderzoekslocatie. Wel dient te worden opgemerkt dat tijdens de uitvoering van het veldonderzoek de medewerking van de bewoners van Hoofdstraat 55 is ingetrokken. Hierdoor zijn de boringen 5, 6 en 7 ter plaatse van perceel sectie D nummer 03008 niet verricht en is er één minder analyse van de bovengrond uitgevoerd. Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat in de zintuiglijk schone bovengrond licht verhoogde gehalten aan lood en PAK zijn gemeten. In de zintuiglijk schone ondergrond zijn verhoogde gehalten aan de onderzochte parameters aangetoond. Het 22
"Buurtweg II" (vastgesteld)
Buurtweg II grondwater bevat licht verhoogde concentraties aan barium, cadmium, zink en naftaleen. Zintuiglijk is op het maaiveld en in de opgeboorde grond van de locatie geen asbestverdacht (plaat)materiaal aangetroffen. De onderzoeksresultaten geven geen aanleiding voor het uitvoeren van een nader bodemonderzoek of -sanering. De milieuhygiënische kwaliteit van de bodem vormt ons inziens geen belemmering voor de voorgenomen bestemmingsplan-/functiewijziging. Ondanks dat het verkennend bodemonderzoek is uitgevoerd conform de geldende protocollen/richtlijnen betreft het een steekproefsgewijze benadering van de bodemkwaliteit. Conclusie Op basis van het bodemonderzoek bestaan er geen bezwaren tegen de voorgenomen bestemmingsplanherziening en nieuwbouw op de locatie. 5.1.2
Ontplofbare oorlogsresten
Op de gemeentebrede Conventionele Explosieven (CE) kaart is de planlocatie niet als risicogebied aangegeven. De locatie is onverdacht voor niet-gesprongen explosieven uit de Tweede Wereldoorlog. Verder onderzoek naar explosieven is niet nodig.
5.2
Cultuurhistorie
Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moet bij het opstellen van bestemmingsplannen rekening worden gehouden met cultuurhistorische waarden. Daar waar het voor de archeologie al gemeengoed is, geldt het dus ook voor andere aspecten van de cultuurhistorie. Rekening houden met cultuurhistorie impliceert dat bekend moet zijn wat er voor waarden aanwezig zijn. De gemeente heeft daarom een proces opgestart om bestaande kennisdocumenten te actualiseren en waar nodig nieuwe kennis op te bouwen. De gemeente beschikt over de volgende vastgestelde kaarten: Archeologische waarden- en verwachtingenkaart; Cultuurlandschappelijke waardenkaart; Historische stedenbouwkundige waardenkaarten. Door cultuurhistorie een plek te geven in procedures op het gebied van ruimtelijke ordening wordt ook bereikt dat de aandacht niet uitsluitend uitgaat naar individuele objecten (de aangewezen monumenten), maar juist de samenhang tussen gebouwen en hun omgeving. 5.2.1 5.2.1.1
Archeologie Archeologie lage en middelhoge verwachting
Bij een planontwikkeling moet rekening worden gehouden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten. De gemeenteraad heeft op 25 april 2018 ingestemd met de 'Archeologische waarden- en verwachtingenkaart' als archeologisch toetsingskader bij ruimtelijke ontwikkelingen. Uit deze kaart blijkt dat binnen het plangebied deels middelhoge archeologische verwachting en deels een lage archeologische verwachting geldt. Zie afbeelding uitsnede beleidskaart gemeente Barneveld. De gemeenteraad heeft op 25 april 2018 besloten dat voor de zone middelhoog archeologisch onderzoek noodzakelijk is bij een oppervlakte van 2.000 m² of groter voor grondverstorende werkzaamheden dieper dan 30 cm. Bij de zone laag is archeologisch onderzoek noodzakelijk bij een oppervlakte van 10.000 m² of groter voor grondverstorende werkzaamheden dieper dan 30 cm.
"Buurtweg II" (vastgesteld)
23
Buurtweg II
Afbeelding uitsnede beleidskaart gemeente Barneveld Groen: lage dekzandvlakte of laatglaciaal terras met een lage verwachting; Geel: dekzandwelving 25-50 cm met een middelhoge verwachting; Geelgroen: lage dekzandwelving 10-25 cm met een middelhoge verwachting. Archeologisch onderzoek In 2007 is in het noordoosten van het plangebied een archeologisch onderzoek uitgevoerd in de vorm van een bureau- en booronderzoek (zie blauw kader R131 op bovenstaande afbeelding uitsnede beleidskaart gemeente Barneveld). Op basis van het bureauonderzoek was een hoge archeologische verwachting aan het plangebied toegeschreven. Uit de boringen bleek dat de bodem in het plangebied verstoord was en dat er sprake was van natte omstandigheden. Er werd op grond van het ontbreken van aanwijzingen voor de aanwezigheid van archeologische resten geen archeologisch vervolgonderzoek aanbevolen. De resultaten van het onderzoek uit 2007 zijn nog steeds van toepassing. In 2020 is er een aanvullend archeologisch onderzoek uitgevoerd door het archeologisch onderzoeksbureau Laagland archeologie (zie Bijlage 4). Het onderzoek betrof een bureau- en verkennend booronderzoek. Op basis van de resultaten van dit onderzoek is het overgrote deel van het plangebied daarna vrijgegeven. Voor twee deellocaties is vervolgonderzoek aangeraden in de vorm van een karterend booronderzoek.
Binnen deze twee deellocaties zijn vervolgens twee vindplaatsen aangetoond, waarvoor vervolgonderzoek in de vorm van een proefsleuvenonderzoek noodzakelijk is geacht voorafgaand aan toekomstige bodemverstoringen.
24
"Buurtweg II" (vastgesteld)
Buurtweg II
Afbeelding advieskaart vervolgonderzoek (afbeelding 11 uit archeologisch onderzoek) Beide locaties hebben een dubbelbestemming in het onderhavige bestemmingsplan. Het overige deel van het plangebied wordt vrijgegeven. Ter plaatse van het deelgebied waar historische bebouwing is aangetroffen, wordt een wadi aangelegd. De archeologische waarden worden hier in situ behouden. Hiervoor wordt niet dieper gegraven dan de diepte waarop archeologie verwacht kan worden. Dit betekent dat uitgaande van de minst diep gelegen archeologisch waardevolle laag (50 cm-mv) en een buffer van 20 cm daarboven niet dieper dan 0,30 cm - mv gegraven mag worden. De ontwikkelaar levert hier een plan van aanpak voor aan. Op de tweede locatie waar een vuursteenvindplaats verwacht wordt, wordt een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd. Behoud in situ is hier niet mogelijk. Deze locatie behoudt de dubbelbestemming zolang dit onderzoek niet is uitgevoerd. Voor beide locaties zijn regels opgenomen in het bestemmingsplan. Indien bij de uitvoering van de werkzaamheden onverwacht toch archeologische resten worden aangetroffen, dan is conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet melding van de desbetreffende vondsten bij de minister (namens deze de RCE) verplicht. 5.2.2
Historischestedenbouwkundige waarden
De gemeenteraad heeft op 25 april 2018 ingestemd met de 'stedebouwkundige waardevolle gebieden' als weergegeven in de 'Historische stedebouwkundige waardenkaart' en de aangegeven 'vast te leggen kenmerken' in de bijbehorende Tabel, en deze te hanteren als toetsingskader bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het plangebied heeft volgens deze kaart geen bijzondere waarde(n). Bij de bouwkundige monumenten is sprake van rijks- en gemeentelijke monumenten. Binnen het plangebied en in de omgeving zijn geen monumenten aanwezig. Het aspect historische stedenbouwkundige waarden/monumenten vormt geen belemmering voor de ontwikkeling van het bestemmingsplan.
"Buurtweg II" (vastgesteld)
25
Buurtweg II
5.2.3
Cultuurlandschappelijke waarden
De gemeenteraad heeft op 25 april 2018 ingestemd met de 'Cultuurlandschappelijke waardenkaart' als toetsingskader bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het plan ligt in een gebied dat wordt aangeduid als bebouwd of sterk veranderd gebied zonder waarde. De voorgenomen plannen zijn niet strijdig met deze waardering.
5.3
Ecologie
De belangrijkste wet voor natuurbescherming in Nederland is de Wet natuurbescherming. Deze wet is op 1 januari 2017 in werking getreden. De Europese Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn zijn vertaald in deze wet. De Wet natuurbescherming vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. Daarnaast is qua ecologie ook het Gelders Natuurnetwerk en de Gelderse Ontwikkelingszone van belang. 5.3.1 5.3.1.1
Wet natuurbescherming Gebiedsbescherming
Hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van speciale beschermingszones ter uitvoering van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Zo'n speciale beschermingszone wordt aangeduid als “Natura 2000-gebied”. De Wet natuurbescherming bepaalt vervolgens wat er wél en niet mag in zo'n Natura 2000-gebied. Ook zijn er bijzondere nationale natuurgebieden. Op 27 juni 2014 is de aanwijzing van het gebied Veluwe als speciale beschermingszone onder de Habitatrichtlijn in werking getreden. Tevens is met dit besluit het besluit tot de aanwijzing van Veluwe als speciale beschermingszone onder de Vogelrichtlijn, inclusief de daarbij behorende Nota van toelichting, gewijzigd. Deze twee genoemde speciale beschermingszones vormen samen het Natura 2000-gebied Veluwe, waarbij instandhoudingsdoelstellingen zijn toegevoegd. Het plangebied ligt in de nabijheid van een Natura 2000-gebied.
Afbeelding kaart 5 Natuur- en landschapsbeleid Omgevingsvisie Gelet hierop is een stikstofberekening uitgevoerd (zie Bijlage 5). Uit de AERIUS-berekeningen blijkt dat zowel in de aanlegfase als in de gebruiksfase géén sprake is van een depositie > 0,00 mol/ha/jr. 5.3.1.2
Soortenbescherming
Hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van bepaalde plant- en diersoorten in Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden én daarbuiten. Er gelden drie beschermingsregimes, te weten voor vogels (Vogelrichtlijn), soorten onder de Habitatrichtlijn (bijlage IV, onderdeel a Habitatrichtlijn, dan wel bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn) en andere (nationale) soorten. Om te beoordelen of de beschermde soorten in het plangebied aanwezig zijn, is een Quickscan natuurwaarden uitgevoerd (zie Bijlage 6). 26
"Buurtweg II" (vastgesteld)
Buurtweg II
Het plangebied bestaat uit grasland, moestuin, houtige beplanting, bebouwing en bouwwerken, op de overgang van landelijk naar agrarisch gebied. De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot functioneel leefgebied van verschillende beschermde diersoorten. Verschillende beschermde dieren benutten het plangebied als foerageergebied en bezetten er een vaste rust- en/of voortplantingsplaats. Afhankelijk van de periode in het jaar, waarin de activiteiten uitgevoerd worden, kunnen beschermde dieren gedood worden en vaste rust- en voortplantingsplaatsen verstoord, beschadigd en vernield worden. Mits geen beschermde dieren gedood worden en geen bezette vogelnesten beschadigd of vernield worden, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties in het kader van soortbescherming. Om te voorkomen dat beschermde dieren gedood worden, mogen ze weggevangen of verjaagd worden (zie tabel voor toepasbare vangmiddelen). Indien niet voorkomen kan worden dat beschermde dieren gedood worden, dient een ontheffing verkregen te worden of dient gewerkt te worden volgens een Gedragscode. Algemene zorgplicht Voor de uitvoering van werkzaamheden geldt de algemene zorgplicht.