CConstaterende datBarneveld
Koppel je AI →
Document · PDF

Buurtweg II_Toelichting_Bijlage 6 Quickscan natuurwaardenonderzoek.pdf

Gemeenteraad 14 december 2022, gemeente BarneveldBij agendapunt: Bestemmingsplan Buurtweg II (in Voorthuizen)8.867 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Natuurwaardenonderzoek Buurtweg (ongenummerd) te Voorthuizen 2022

In het kader van de Wet natuurbescherming

Colofon Quickscan natuurwaardenonderzoek Buurtweg (ongenummerd) te Voorthuizen 2022

In het kader van de Wet natuurbescherming

Uitgevoerd door: Natuurbank Overijssel Correspondentieadres: Aladnaweg 18 7122 RR Aalten BTW-ID: NL001388212B56 E: info@natuurbankoverijssel.nl Tel: 0543-451142 / 0614-435700

Opdrachtgever:

BJZ.NU

Abonnementhouder van de Nationale Databank Flora en Fauna

Projectnummer en versie: 3964 versie 1.2 Veldmedewerker(s): Ing. P.Leemreise Buurtweg (ongenummerd) te Voorthuizen

Status: definitief Auteur: Ing.P.Leemreise Rapportdatum: 8-3-2022, tekstregie en verduidelijkingen toegevoegd op 27-9-2022 1

Inhoudsopgave Samenvatting ..................................................................................................................................................... 3 Hoofstuk 1 Inleiding ........................................................................................................................................... 5 Hoofstuk 2 Het plangebied................................................................................................................................. 6 2.1 Situering ................................................................................................................................................... 6 2.2 Beschrijving van het plangebied............................................................................................................... 6 Hoofstuk 3 Voorgenomen activiteiten ............................................................................................................... 7 3.1 Algemeen ................................................................................................................................................. 7 3.2 Mogelijk effect van de voorgenomen activiteiten op beschermde soorten en/of –gebieden ................ 7 3.3 Vaststellen van de invloedsfeer ...............................................................................................................

8 3.4 Vaststellen van het onderzoeksgebied .................................................................................................... 8 Hoofdstuk 4

Toetsingskaders ........................................................................................................................ 9

4.1 Algemeen ................................................................................................................................................. 9 4.2 Wet natuurbescherming; Natura 2000 .................................................................................................... 9 4.3 Wet natuurbescherming; Soortenbescherming ....................................................................................... 9 4.4

Beleid ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland ................................................................... 10

Hoofdstuk 5

Gebiedsbescherming .............................................................................................................. 11

5.1 Algemeen ............................................................................................................................................... 11 5.2 Gelders Natuurnetwerk.......................................................................................................................... 11 5.3 Natura 2000............................................................................................................................................ 12 5.4 Slotconclusie........................................................................................................................................... 14 Hoofdstuk 6

Soortenbescherming .............................................................................................................. 15

6.1 Verwachting en bureauonderzoek ......................................................................................................... 15 6.2 Methode ................................................................................................................................................. 15 6.3 Resultaten .............................................................................................................................................. 16 6.4 Wettelijke consequenties van de beoogde ingreep............................................................................... 21 6.6 Historische gegevens en overige bronnen ............................................................................................ 24 6.7 Volledigheid van het onderzoek............................................................................................................. 25 Hoofstuk 7

Conclusies ............................................................................................................................... 26

2

SAMENVATTING Er zijn concrete plannen voor de bouw van woningen aan de Buurtweg te Voorthuizen. Het voornemen is de woningen te bouwen op onbebouwde grond, nu nog in gebruik als ponyweide en volkstuin en in een perceel dat gedeeltelijk uit opgaande beplanting bestaat. Als gevolg van deze voorgenomen activiteiten kan overtreding van de Wet natuurbescherming op voorhand niet uitgesloten worden. Daarom is Natuurbank Overijssel gevraagd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming in beeld te brengen. In voorliggend rapport worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresenteerd. Naast een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek, worden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten weergegeven. Het plangebied is in het verleden vaker onderzocht op het voorkomen van beschermde soorten en -waarden in het kader van de Flora- en faunawet/Wet natuurbescherming. Deze historische bronnen zijn niet benut in dit onderzoek, maar geven inzicht in het voorkomen van beschermde waarden in het recente verleden. In 2020 is een groot deel van het plangebied onderzocht in het kader van een quickscan natuurwaardenderzoek en is de functie van een groot deel van het plangebied voor vleermuizen onderzocht1.

Het noordoostelijke deel is in 2007 en in juli 2018 onderzocht op natuurwaarden2 en dat deel is in 2018 en 2019 onderzocht op het voorkomen van vleermuizen3. De uitkomsten van voorgenoemde onderzoeken zijn niet meegenomen in dit onderzoek. Voorliggen rapport rapporteert de bevindingen van veldbiologisch onderzoek dat uitgevoerd is in de periode december 2021 - 28 februari 2022. Naast een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek, worden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten weergegeven. Resultaten toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde gebieden Het plangebied behoort niet tot het Gelders Natuurnetwerk, Groene ontwikkelingszone of Natura 2000gebied. Vanwege de ligging buiten het Gelders Natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone, zijn de voorgenomen activiteiten niet strijdig met de beleidsregels voor bescherming van de Gelders Natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone, omdat de bescherming van het Gelders Natuurnetwerk geen externe werking kent. Met uitzondering van het aspect stikstof, kan een negatief effect op Natura 2000-gebied uitgesloten worden. Om vast te kunnen stellen of sprake is van toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebied, dient een stikstofberekening uitgevoerd te worden.

Resultaten toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde soorten De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Mogelijk benutten vleermuizen, amfibieën, vogels en grondgebonden zoogdiersoorten het plangebied als foerageergebied en bezetten sommige grondgebonden zoogdiersoorten er een vaste rust en voortplantingsplaats, nestelen er vogels en bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats. Vleermuizen bezetten geen vaste rust- of voortplantingsplaats in het plangebied en amfibieën bezetten geen voortplantingsplaats in het plangebied. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. De functie van het plangebied als foerageergebied voor vogels, wordt niet aangetast. 1

Rapport 2761 van Natuurbank Overijssel. Eigen uitgave Natuurbank, 2020.

2 Rapport P8968 van Eelerwoude. Eigen uitgave Eelerwoude, 2018 3 Rapport P8968 van Eelerwoud. Eigen uitgave Eelerwoude, 2018

3

Voor de beschermde grondbonden zoogdieren en amfibieën, die een (winter)rust- en/of voortplantingslocatie in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘vangen’ en het ‘beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties’. Grondgebonden zoogdieren en amfibieën mogen niet gedood worden als gevolg van het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten. Wel geldt een vrijstelling voor het beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties. Deze vrijstelling is van toepassing omdat er sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling. Door het bebouwen en verharden van een deel van het plangebied, wordt de functie van het plangebied als foerageergebied, voor de in het plangebied foeragerende grondgebonden zoogdieren, vleermuizen en amfibieën niet aangetast. Resultaten van toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde soorten en gebieden samengevat: • Geen beschermde dieren opzettelijk doden, maar deze verjagen of wegvangen; • Beplanting en bebouwing verwijderen buiten de voortplantingsperiode; • Stikstofberekening uitvoeren voor de gebruiksfase;

4

HOOFSTUK 1 INLEIDING Er zijn concrete plannen voor de bouw van woningen aan de Buurtweg te Voorthuizen. Het voornemen is de woningen te bouwen op onbebouwde grond, nu nog in gebruik als ponyweide en volkstuin en in een perceel dat gedeeltelijk uit opgaande beplanting bestaat. Als gevolg van deze voorgenomen activiteiten kan overtreding van de Wet natuurbescherming op voorhand niet uitgesloten worden. Daarom is Natuurbank Overijssel gevraagd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming in beeld te brengen. In voorliggend rapport worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresenteerd. Naast een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek, worden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten weergegeven. Het plangebied is in het verleden vaker onderzocht op het voorkomen van beschermde soorten en -waarden in het kader van de Flora- en faunawet/Wet natuurbescherming. Deze historische bronnen zijn niet benut in dit onderzoek, maar geven inzicht in het voorkomen van beschermde waarden in het recente verleden. In 2020 is een groot deel van het plangebied onderzocht in het kader van een quickscan natuurwaardenderzoek en is de functie van een groot deel van het plangebied voor vleermuizen onderzocht4.

Het noordoostelijke deel is in 2007 en in juli 2018 onderzocht op natuurwaarden5 en dat deel is in 2018 en 2019 onderzocht op het voorkomen van vleermuizen6. Voorliggen rapport rapporteert de bevindingen van veldbiologisch onderzoek dat uitgevoerd is in de periode december 2021 - 28 februari 2022. Op basis van de onderzoeksresultaten worden de wettelijke consequenties bepaald van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming en de Omgevingsverordening Gelderland. Leeswijzer In voorliggend rapport wordt enkele malen melding gemaakt van ecologisch onderzoek dat in het verleden is uitgevoerd in het plangebied, of een deel van het plangebied. Deze gegevens bieden inzicht in het voorkomen van bepaalde beschermde waarden, maar zijn niet relevant voor het beoordelen van de onderzoeksvraag. Daar komt bij dat de conclusies niet meer bruikbaar zijn omdat de onderzoeksgegevens verouderd zijn (>5 jaar). Is het voorgenomen initiatief uitvoerbaar in het kader van soort- en gebiedsbescherming? Deze vraag is relevant in het kader van de beantwoording van de vraag; Is het plan uitvoerbaar (oftewel; is er sprake van een goede ruimtelijke ordening?).

4

Rapport 2761 van Natuurbank Overijssel. Eigen uitgave Natuurbank, 2020.

5 Rapport P8968 van Eelerwoude. Eigen uitgave Eelerwoude, 2018 6 Rapport P8968 van Eelerwoud. Eigen uitgave Eelerwoude, 2018

5

HOOFSTUK 2 HET PLANGEBIED 2.1 Situering Het plangebied is gesitueerd aan weerszijden van de Buurtweg te Voorthuizen, net ten westem van de woonkern Burthuizen. Op onderstaande afbeelding wordt de globale ligging van het plangebied weergegeven op een topografische kaart.

Globale ligging van het plangebied. De ligging van het plangebied wordt met de cirkel aangeduid (bron: pdok.nl).

2.2 Beschrijving van het plangebied Het plangebied bestaat uit grasland, moestuin en opgaande beplanting in de vorm van enkele solitaire bomen en een bosperceel dat aan de zuidzijde overgaat in een strook ruigte met natuurlijke opslag van bomen en struiken. Het grasland in het plangebied heeft een soortenarme vegetatie van beemdgras en wordt vrij intensief gebruikt als ponyweide of achtertuin. Het noordwestelijke deel van het plangebied is in gebruik als moestuin (volkstuin). In het perceel staan verschillende kleine bouwwerken als kassen, schuurtjes, overkappingen en hekwerken. Tussen het oostelijke deelgebied en de Buurtweg staan enkele struiken en elzenhakhout. In het deelgebied tegenover Buurtweg 8-10 staan ook enkele kleine (houten) bouwwerken. Op onderstaande afbeelding wordt de begrenzing van het plangebied weergegeven.

Begrenzing van het plangebied; deze wordt met de gele lijn aangeduid (bron luchtfoto: pdok). 6

HOOFSTUK 3 VOORGENOMEN ACTIVITEITEN 3.1 Algemeen Het voornemen is het plangebied te ontwikkelen als woningbouwlocatie voor de bouw van grondgebonden woningen. Ten behoeve van de ontsluiting van de woningen ten noorden van de Buurtweg, wordt een weg aangelegd. Een deel van het plangebied wordt ingericht als ‘groen’ met gazon en laanbomen. Om het gebied in te kunnen richten dient alle bebouwing en bouwwerken gesloopt te worden. Op onderstaande afbeelding wordt een verbeelding van het wenselijke eindbeeld weergegeven.

Verbeelding van de wenselijke verkaveling van het plangebied (bron: BJZ).

De volgende activiteiten worden getoetst op relevantie t.a.v. de Wet natuurbescherming: • Rooien beplanting; • Slopen bebouwing en bouwwerken; • Bouwrijp maken bouwplaatsen; • Bouwen woningen en aanleggen weg; • Aanleggen openbaar groen;

3.2 Mogelijk effect van de voorgenomen activiteiten op beschermde soorten en/of –gebieden De voorgenomen activiteiten hebben mogelijk een negatieve invloed op beschermde soorten en beschermd (natuur)gebied. We onderscheiden de volgende negatieve invloeden: Mogelijke tijdelijke invloeden: • Verstoren rust- en voortplantingsplaatsen als gevolg van geluid, stof en trillingen tijdens de werkzaamheden Mogelijke permanente invloeden: • Mogelijk afname/verdwijnen van beschermde vaste rust- of verblijfplaatsen en/of jaar rond beschermde nesten; • Vernielen/verdwijnen van beschermde soorten; • Aantasting van de kwaliteit van het leefgebied van beschermde soorten;

7

3.3 Vaststellen van de invloedsfeer Naast een tijdelijk effect in het onderzoeksgebied, kan het voorkomen dat een voorgenomen activiteit een negatief effect heeft op beschermde soorten of beschermd natuurgebied buiten het onderzoeksgebied. Dit noemen we de invloedsfeer. De omvang van de invloedsfeer wordt bepaald door de duur, aard en omvang van de tijdelijke en/of permanente nieuwe situatie. Het effect van de voorgenomen activiteit op een beschermde soort verschilt per soort en/of soortgroep. In deze studie wordt gekeken naar de uitvoering van de fysieke werkzaamheden, sloop- en bouwwerkzaamheden en naar het effect van het bewonen van de woningen op beschermde soorten en gebieden. Beoordeling van de invloedsfeer van de voorgenomen activiteit: De invloedsfeer van de voorgenomen fysieke activiteiten is lokaal. Mogelijk zijn tijdens de werkzaamheden geluid, stof en trillingen waarneembaar in een gebied rondom het plangebied, maar deze effecten zijn echter incidenteel en kortstondig en hebben geen wezenlijke schadelijke invloed op beschermde soorten, rust- of voortplantingsplaatsen buiten het plangebied.

3.4 Vaststellen van het onderzoeksgebied Het onderzoeksgebied wordt gelijk gesteld aan het plangebied.

8

HOOFDSTUK 4

TOETSINGSKADERS

4.1 Algemeen In dit Hoofdstuk worden de diverse toetsingskaders toegelicht waaraan het initiatief getoetst wordt. 4.2 Wet natuurbescherming; Natura 2000 Het gebiedsbeschermingsdeel van de Wet natuurbescherming heeft als doel het beschermen van Natura 2000-gebieden (Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden) in Nederland. Projecten die significante gevolgen voor deze gebieden kunnen hebben, zijn in beginsel – zonder vergunning – niet toegestaan. Ook het vaststellen van plannen zoals een bestemmingsplan of een inpassingsplan is niet toegestaan, indien het betreffende plan significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Naast directe effecten (bijv. ruimtebeslag), dient ook gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe werking (bijv. door geluid, licht en stikstofdepositie). De eerste stap in de toetsing is vaak een voortoets. Als significante gevolgen in de voortoets niet op voorhand met zekerheid kunnen worden uitgesloten, dan is een passende beoordeling noodzakelijk. In dat geval is voor een project een vergunning noodzakelijk op grond van artikel 2.7 Wet natuurbescherming. 4.3 Wet natuurbescherming; Soortenbescherming In de Wet natuurbescherming is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de wet zijn lijsten opgenomen met beschermde soorten.

In de Wet natuurbescherming worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld: Soorten Vogelrichtlijn (artikel 3.1 e.v.): • lid 1) Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen; • lid 2) Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen; • lid 3) Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben; • lid 4) Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen; • lid 5) Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.

Soorten Habitatrichtlijn (artikel 3.5 e.v.); • lid 1) Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen; • lid 2) Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren; • lid 3) Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen; • lid 4) Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen; • lid 5) Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Andere Soorten (artikel 3.10 e.v.) lid 1) Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: • onderdeel a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; • onderdeel b.

de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of

9

•

onderdeel c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Ten aanzien van de andere beschermde soorten geldt dat het bevoegd gezag (provincies c.q. ministerie van LNV) de vrijheid hebben om soorten binnen deze categorie vrij te stellen van de verbodsbepalingen uit ontheffingsplicht artikel 3.10 uit de Wet natuurbescherming. Voor beschermde soorten die niet zijn vrijgesteld dient bij overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wn een ontheffing te worden aangevraagd. Voor vogels geldt in afwijking hierop dat voor verstoring geen ontheffing nodig is, indien de gunstige staat van instandhouding niet in het geding is. Het is ook mogelijk om voor beide categorie soorten te werken volgens een goedgekeurde gedragscode die is afgestemd op de Wet natuurbescherming. Er is dan geen ontheffing nodig.

4.4 Beleid ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is het ruimtelijk beleid op rijks-, provinciaal, en gemeentelijk niveau vastgesteld, waarin onder andere de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN)/Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is verankerd. De EHS werd officieel geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan en is daarna opgenomen in de Nota Ruimte, welke inmiddels vervangen is door de Nationale omgevingsvisie (NOVI). Kaderstellende regels ten aanzien van o.a. NNN/EHS zijn opgenomen in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Bij geplande ingrepen die binnen het NNN/EHS vallen moet het belang van de natuurbescherming worden afgewogen tegen andere belangen, indien de voorgenomen ingreep negatief uitwerkt op de aanwezige natuurwaarden. De kern van de afweging vormt het 'nee, tenzij'-principe. Dit wil zeggen dat schadelijke ingrepen niet zijn toegestaan, tenzij er andere belangen zijn die de ingreep rechtvaardigen. In dat geval zijn compenserende maatregelen voorgeschreven. Concrete beleidsregels ten aanzien van de NNN in Gelderland zijn opgenomen in de vigerende provinciale ruimtelijke verordening van de provincie Gelderland.

10

HOOFDSTUK 5

GEBIEDSBESCHERMING

5.1 Algemeen In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het mogelijke effect van de voorgenomen activiteit op beschermd natuurgebied (Natura 2000) en het Gelders Natuurnetwerk.

5.2 Gelders Natuurnetwerk Om de biodiversiteit nu en voor toekomstige generaties Gelderlanders veilig te stellen, beschermt de provincie het Gelders Natuurnetwerk. Het Gelders Natuurnetwerk is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuur van internationaal, nationaal en provinciaal belang. Dit Gelders Natuurnetwerk bestaat uit alle terreinen met een natuurbestemming binnen de voormalige EHS en bevat tevens een Zoekgebied nieuwe natuur van 7.300 hectare, voor 5.300 hectare nog te realiseren nieuwe natuur. Een groot deel van de Gelderse natuurgebieden is internationaal beschermd: de Natura 2000-gebieden. Juist in deze gebieden moet de biodiversiteit worden behouden of verbeterd. De provincie geeft in het natuurbeleid prioriteit aan het behalen van de Natura 2000-doelen in de Natura 2000-gebieden. Het Gelders Natuurnetwerk vervult daarnaast een belangrijke rol bij het behoud van de biodiversiteit. De Ecologische verbindingszones maken voor een klein deel uit van het Gelders Natuurnetwerk. De provincie wil de natuur van het Gelders Natuurnetwerk beschermen tegen aantasting en heeft daarom regels opgenomen in de Omgevingsverordening. Centraal staat de bescherming van de kernkwaliteiten. De kernkwaliteiten bestaan uit bestaande natuurwaarden, uit nog te ontwikkelen potentiële waarden en de omgevingscondities zoals stilte.

De (nog te ontwikkelen) natuurwaarden zijn beschreven en als bijlage bij de Omgevingsverordening opgenomen. De omgevingscondities zijn in de bijlage bij de Omgevingsverordening wel benoemd, maar er heeft geen provincie dekkende inventarisatie plaatsgevonden. Bij projecten kan op maat een effectbeschrijving worden gemaakt voor de relevante omgevingscondities. Ligging t.o.v. het Gelders Natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone Het plangebied ligt buiten het Gelders Natuurnetwerk. Gronden die tot het Gelders Natuurnetwerk behoren liggen op minimaal 1,28 kilometer afstand. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van het Gelders Natuurnetwerk in de omgeving van het plangebied weergegeven.

1,28 kilometer afstand tussen plangebied en gronden die tot het Gelders Natuurnetwerk behoren.

Ligging van Gelders Natuurnetwerk (GNN) in de omgeving van het plangebied. De ligging van het plangebied wordt met de rode cirkel aangeduid. Gronden die tot het Gelders Natuurnetwerk behoren worden aangeduid met de donkergroene kleuren. Gronden die tot de Groene Ontwikkelingszone (GO) behoren, worden met de lichtgroene kleur aangeduid (bron: Ruimtelijke plannen). 11

Beschermingsregime De bescherming van het Gelders Natuurnetwerk kent geen externe werking. Toetsing aan provinciaal beleid Omdat het plangebied buiten het Gelders Natuurnetwerk ligt, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan provinciaal beleid t.a.v. het Gelders Natuurnetwerk.

5.3 Natura 2000 De biodiversiteit (soortenrijkdom) in Europa gaat al jaren achteruit. Duurzame bescherming van flora en fauna is hard nodig. Planten en dieren trekken zich weinig aan van landsgrenzen en het is daarom belangrijk om natuurbescherming in Europees verband aan te pakken. Zo voorkomen we dat de natuur in Europa en in Nederland steeds eenvormiger wordt. Daartoe is in 1979 de Vogelrichtlijn opgesteld en in 1992 de Habitatrichtlijn. Deze richtlijnen hebben twee componenten: soortenbescherming en gebiedsbescherming. Alle EU-lidstaten wijzen beschermde gebieden aan voor specifieke (leefgebieden van) (vogel-)soorten. De onder beide richtlijnen aangewezen beschermde gebieden vormen het Natura 2000-netwerk. De Nederlandse bijdrage aan dit Europese netwerk van beschermde natuurgebieden bestaat uit ruim 160 gebieden. Beschermingsregime De Wet natuurbescherming regelt in hoofdstuk 2 de bescherming van Natura 2000-gebieden. Dit zijn speciale beschermingszones op grond van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De minister wijst deze gebieden aan. Voor de Natura 2000-gebieden stelt de minister instandhoudingsdoelstellingen op voor: • de leefgebieden van vogels; • de natuurlijke habitats of habitats van soorten (art. 2.1 Wet natuurbescherming); De provincies stellen voor de Natura 2000-gebieden een beheerplan op (art. 2.3 Wet natuurbescherming).

In het beheerplan staan maatregelen die ervoor moeten zorgen dat de instandhoudingsdoelstellingen worden bereikt. Nederland past een vergunningenstelsel toe. Hierdoor is in ons land een zorgvuldige afweging gewaarborgd rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Vergunningen worden verleend door provincies of door de Minister van EZ. Natura 2000-gebieden mogen geen significante schade ondervinden. Dit houdt in dat bepaalde plannen en projecten, op zichzelf óf in combinatie met andere plannen en projecten, de natuurwaarden waarvoor de gebieden zijn aangewezen niet significant negatief mogen beïnvloeden. Elke ontwikkeling in of nabij een Natura 2000-gebied dient te worden onderworpen aan een ‘voortoets’. Uit de voortoets moet blijken of kan worden uitgesloten dat de gewenste werkzaamheden/ontwikkelingen een (significant) negatief effect hebben (op zichzelf of in combinatie met andere plannen of projecten). Voor alle Natura 2000-gebieden dient een beheerplan te zijn opgesteld waaruit duidelijk wordt welke activiteiten wel en niet zonder vergunning mogelijk zijn in en nabij die gebieden. Als gevolg van het opschorten van de PAS-systematiek, mogen plannen die leiden tot een verhoogde depositie van NOx/NH3 op Natura2000-gebied, niet in uitvoering gebracht worden zonder Wet natuurbeschermingsvergunning. Per 1-1-2020 is de Spoedwet stikstof van kracht.

Het doel van deze tijdelijke wet is om projecten op het gebied van woningbouw, infrastructuur en landbouw door te laten gaan. Wanneer de Regeling spoedaanpak stikstof bouw en infrastructuur van kracht is, kan er gewerkt worden met de Spoedwet. Ligging van het plangebied t.o.v. Natura 2000 Het plangebied ligt op minimaal 4,52 kilometer afstand van het Natura 2000-gebied Veluwe. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van Natura 2000-gebied in de omgeving van het plangebied weergegeven.

12

4,52 kilometer afstand tussen het plangebied en de gronden die tot Natura 2000 behoren

Ligging van Natura 2000-gebied in de omgeving van het plangebied. De ligging van het plangebied wordt met de marker aangeduid. Gronden die tot Natura 2000 behoren worden met de groene aangeduid (bron: Ruimtelijke plannen).

Stikstofgevoelige Habitattypen Niet alle habitattypen in Natura 2000-gebied zijn even gevoelig voor verzuring, als gevolg van stikstofdepositie, maar Natura 2000-gebied Veluwe bestaat voor een aanzienlijk deel uit stikstofgevoelige habitattypen. Effectbeoordeling Het plangebied is niet zichtbaar vanuit Natura 2000-gebied. Van verstoringseffecten, zoals geluid, licht, trillingen en optische verstoring is daarom geen sprake. Met uitzondering van het aspect stikstof, kan een negatief effect op instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebied uitgesloten worden. Beoordeling stikstof (ontwikkelfase) Per 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering van kracht. Dat houdt in dat stikstofemissie welke ontstaat tijdens de ontwikkelfase, niet beoordeeld hoeft te worden op mogelijk negatieve effecten op Natura 2000-gebied. Wel dient de gebruiksfase beoordeeld te worden. Beoordeling stikstof (gebruiksfase) Er is sprake van het bouwen en bewonen van woningen. Deze woningen krijgen geen aardgasaansluiting. Als gevolg van het bewonen van de woningen, neemt het aantal verkeersbewegingen van en naar het plangebied toe en als gevolg daarvan zal de emissie van NOx en NH3 toenemen. Deze toegenomen emissie kan leiden tot een verhoogde depositie in Natura 2000-gebied.

Om vast te kunnen stellen of sprake is van toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebied, dient een stikstofberekening uitgevoerd te worden. Wettelijke consequenties Omdat een negatief effect op Natura 2000-gebied op voorhand niet uitgesloten kan worden, kunnen de wettelijke consequenties niet vastgesteld worden. Om de wettelijke consequenties vast te stellen dient een stikstofberekening uitgevoerd te worden. Geadviseerd wordt een stikstofberekening uit te voeren m.b.v. het programma Aerius Calculator omdat de uitkomst van dit programma houdbaar is in een juridische procedure.

13

5.4 Slotconclusie Het plangebied behoort niet tot het Gelders Natuurnetwerk, Groene ontwikkelingszone of Natura 2000gebied. Vanwege de ligging buiten het Gelders Natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone, zijn de voorgenomen activiteiten niet strijdig met de beleidsregels voor bescherming van de Gelders Natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone, omdat de bescherming van het Gelders Natuurnetwerk geen externe werking kent. Met uitzondering van het aspect stikstof, kan een negatief effect op Natura 2000-gebied uitgesloten worden. Om vast te kunnen stellen of sprake is van toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebied, dient een stikstofberekening uitgevoerd te worden.

14

HOOFDSTUK 6

SOORTENBESCHERMING

6.1 Verwachting en bureauonderzoek Uit de bureaustudie (bronnenonderzoek & NDFF) zijn geen veldbiologische gegevens naar voren gekomen die bruikbaar zijn voor deze studie. Het plangebied bestaat uit grasland, moestuin, houtige beplanting, bebouwing en bouwwerken zoals hekken en ligt op de overgang van stedelijk, naar landelijk gebied. De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot een potentieel geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde diersoorten. Gelet op de inrichting en het gevoerde beheer, behoort het plangebied mogelijk tot functioneel leefgebied van sommige algemene en weinig kritische diersoorten uit onderstaande soortgroepen: • vogels; • vleermuizen; • grondgebonden zoogdieren; • amfibieën; Overige soorten Het onderzoeksgebied is niet onderzocht op het voorkomen van beschermde faunasoorten als reptielen, libellen, vissen, dag- en nachtvlinders, bladmossen, sporenplanten, haften en kreeftachtigen omdat het onderzoeksgebied geen geschikte habitat vormt voor deze soorten of omdat het plangebied buiten het normale verspreidingsgebied van deze soortgroepen ligt. Het is niet aannemelijk dat soorten, of soortgroepen, die moeilijk nieuwe leefgebieden koloniseren, zich spontaan buiten het normale verspreidingsgebied vestigen.

Dit geldt bijvoorbeeld voor sommige kleine grondgebonden zoogdieren, reptielen en voor planten.

6.2 Methode In het kader van het natuurwaardenonderzoek is het plangebied vijf maal bezocht tijdens de daglichtperiode. Te weten 10 december 2021, 5 januari 2022, 26 januari 2022, 12 februari 2022 en 28 februari 2022. Op 10 december is gebied volledig onderzocht op alle beschermde soorten en waarden in het kader van het natuurwaardenonderzoek. De volgende bezoeken zijn uitgevoerd in het kader van onderzoek naar de functie van (potentieel geschikte) delen van het plangebied als leefgebied voor bunzing en wezel te onderzoeken. De vervolgbezoeken zijn uitgevoerd om camerabeelden te verzamelen en batterijen van camera’s te vervangen. Het gebied is visueel en auditief onderzocht. Tijdens het veldbezoek is gebruik gemaakt van een verrekijker (Swarovski 12x50) en cameravallen (2x Dórr Bolyguard 5.0 IR 2x & 2xMaginon 5.0b) met infraroodfunctie. Er is geen formeel protocol voor het werken met fotovallen. De inzet van vier cameravallen op 0,33 hectare vormt een hoge dichtheid aan camera’s. Bij het bepalen van de mogelijke aantasting van beschermde soorten is gebruik gemaakt van de volgende bronnen: • veldbezoek door ervaren ecoloog; • aanvullend bronnenonderzoek (o.a. internet); Specifieke relevante literatuurbronnen zijn o.a. • Atlas van de amfibieën en reptielen van Nederland; • Atlas van de zoogdieren van Nederland; • Nieuwe atlas van de Nederlandse flora;

Vogels Het gebied is visueel en auditief onderzocht op het voorkomen van (broed)vogels. De onderzoeksperiode is matig geschikt voor onderzoek naar (broed)vogels. Sommige vogels vertonen in deze tijd van het jaar 15

territorium-indicerend gedrag (zingen/balts), maar slechts enkele vogelsoorten kunnen een bezet nest hebben in deze tijd van het jaar (o.a. nijlgans, kerkuil, bosuil, Turkse tortel). Zomergasten houden zich in deze tijd van het jaar nog op in de overwinteringsgebieden. Standvogels, zoals steenuil en huismus bevinden zich meestal nog wel in de directe omgeving van de nestplaats. In het plangebied is gekeken naar vogels, oude nesten en sporen die op de aanwezigheid van nesten in het plangebied duiden, zoals prooiresten (roofvogels), schijtsporen, braakballen, ruiveren (roofvogels), eierdoppen en zichtbaar nestmateriaal. Op basis van een beoordeling van de landschappelijke kenmerken kan een goede inschatting gemaakt worden van de functie van het onderzoeksgebied voor vogels en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde eisen voor onderzoek naar vogels. Grondgebonden zoogdieren Het plangebied is visueel onderzocht op het voorkomen van beschermde grondgebonden zoogdieren. De onderzoeksperiode is geschikt voor verspreidingsonderzoek, maar matig geschikt voor onderzoek naar voortplantingslocaties. Grondgebonden diersoorten hebben geen zogende jongen in deze tijd van het jaar. Wel benutten veel grondgebonden zoogdieren de voortplantingsplaats als vaste rustplaats buiten de voortplantingsperiode.

Er is in het plangebied gezocht naar grondgebonden zoogdieren, verblijfplaatsen en sporen die op de aanwezigheid van grondgebonden zoogdieren in het plangebied duiden zoals holen, nesten, graaf-, krab- en bijtsporen, haren, prooiresten, pootafdrukken en uitwerpselen. De beplanting is specifiek beoordeeld als potentiële verblijfplaats voor egel en steenmarter. Vleermuizen De onderzoeksperiode is beperkt geschikt voor onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen omdat vleermuizen in deze tijd van het jaar de winterverblijfplaats bezetten. Sommige vleermuissoorten bezetten de winterverblijfplaats op enige afstand (>100km) van de zomerverblijfplaats, terwijl de gewone dwergvleermuis soms de zomerverblijfplaats blijft bezetten in de wintermaanden, totdat de koude intreed en dan soms alsnog een winterverblijfplaats in de regio gaat opzoeken. Sommige vleermuizen in winterrust zitten diep weggekropen in gebouwen of bomen, maar er zijn ook vleermuizen die open en bloot aan de binnenzijde van gebouwen hangen, zoals op tochtvrije zolders. Er is in het plangebied gezocht naar vleermuizen en naar potentiële rust- verblijfplaatsen van vleermuizen. Het plangebied is bezocht op een moment op de dag dat vleermuizen niet foerageren en geen lijnvormige landschapselementen benutten als vliegroute.

De mogelijke betekenis van het plangebied als foerageergebied en vliegroute voor vleermuizen is bepaald op basis van een visuele beoordeling van de landschappelijke karakteristieken van het plangebied. Amfibieën De onderzoeksperiode is ongeschikt voor verspreidingsonderzoek naar amfibieën en ongeschikt voor onderzoek naar voortplantingswateren. Amfibieën bezetten de winterrustplaats in deze tijd van het jaar en zitten dan weggekropen in de sliblaag van open water of diep weggekropen in holen en gaten in de grond, of onder strooisel, bladeren, takken, rommel of opgeslagen goederen. Op basis van een beoordeling van landschappelijke kenmerken kan een goede inschatting gemaakt worden van de functie van het plangebied voor amfibieën en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde eisen voor onderzoek naar deze soorten. Daarbij is tevens rekening gehouden met de ligging van het plangebied ten opzichte van het (normale) verspreidingsgebied van verschillende amfibieënsoorten.

6.3 Resultaten In deze paragraaf worden de resultaten van het veldbezoek gepresenteerd. Alleen soorten die in het onderzoeksgebied vastgesteld zijn, zeer waarschijnlijk in het onderzoeksgebied voorkomen of soorten

16

waarvan het onderzoeksgebied een (essentieel) onderdeel van het functionele leefgebied vormt, worden in deze paragraaf besproken.

Vogels Het plangebied wordt als functioneel leefgebied voor verschillende vogelsoorten beschouwd. Vogels benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels in de bebouwing, bomen, struiken en dichte vegetatie op de grond. Vogelsoorten die mogelijk in het gebied nestelen zijn merel, zanglijster, winterkoning, heggenmus, roodborst, appelvink, koolmees, pimpelmees, grote bonte specht, boomkruiper, tjiftjaf, zwartkop en witte kwikstaart. Er zijn in het plangebied geen nesten van roofvogels of ransuil aangetroffen en potentiële nestplaatsen van de huismus ontbreken. Ook zijn geen foeragerende huismussen in het plangebied waargenomen. Tijdens het veldbezoek in december is een steenuilenkast aangetroffen in het planbied. De kast is gecontroleerd op de aanwezigheid van steenuilen en mogelijk gebruik door steenuilen in het verleden. De kast was leeg en er zijn geen sporen waargenomen die er op wijzen dat steenuilen de kast hebben benut. Een gebruikte kast is herkenbaar aan krassen in de verf rond de invliegopening. Deze ontstaan zodra steenuilen met hun nagels langs de verf krassen. Door rooien van beplanting en slopen van bebouwing tijdens de voortplantingsperiode, wordt mogelijk een vogel gedood en een bezet vogelnest beschadigd en/of vernield.

Als gevolg van het vernielen van een bezet vogelnest worden mogelijk eieren beschadigd of vernield of worden (jonge) vogels gedood. De functie van het plangebied als foerageergebied voor vogels, wordt niet aangetast. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Beplanting rooien tijdens de voortplantingsperiode; - Bebouwing slopen tijdens de voortplantingsperiode; Grondgebonden zoogdieren Er zijn tijdens het veldonderzoek geen beschermde grondgebonden zoogdieren waargenomen. Om de aanwezigheid van kleine marterachtigen als wezel en hermelijn in het plangebied vast te stellen, zijn vier cameravallen geplaatst in het deel van het plangebied met ruigte, bomen en struiken. Het overige deel van het plangebied wordt mogelijk benut als foerageergebied, maar potentiële vaste rust- en voortplantingsplaatsen ontbreken er. De camera’s zijn op plekken geplaatst, waar de kans op kleine marterachtigen het grootst is. Dat zijn ‘looppaden’ of lijnvormige structuren, zoals de rand van het bosje welke uit een laag wallichaam bestaat. De camera’s hebben opnamen gemaakt van 5 januari tot 28 februari (7 weken). Alle vier camera’s konden zowel overdag als ’s nachts opnamen maken. Er zijn uitsluitend filmpjes gemaakt met de camera’s. De camera’s hebben 24/7 gefunctioneerd. Er zijn vooral opnamen gemaakt van katten en foeragerende vogels (merels, koolmezen, heggenmus en appelvinken).

Er zijn geen marterachtigen waargenomen, wel is twee maal een glimp opgevangen van een muis, vermoedelijk bosmuis.

17

4

1 2 3

Posities van de cameravallen met de nummering van de camera’s.

Camera 3

Camera 1 Camera 3

Camera 4 Camera 3

Camera 2 Camera 3

Opname van de camera’s in het onderzoeksgebied.

18

Er konden in totaal zes verschillende katten geïdentificeerd worden. Dat geeft aan dat de dichtheid aan katten in een dergelijk klein gebiedje gigantisch groot is en dat een dergelijke dichtheid, een serieuze bedreiging is voor de inheemse dieren. Het is niet ondenkbaar dat veel inheemse grondgebonden zoogdieren, maar ook vogels, niet meer aanwezig zijn in het plangebied als gevolg van de aanwezige katten.

Afbeeldingen van waargenomen katten in het onderzoeksgebied.

Beschermde grondgebonden zoogdiersoorten, die mogelijk een vaste rust- en voortplantingsplaats in het plangebied bezetten zijn bosmuis, huisspitsmuis en mogelijk gewone bosspitsmuis. Deze soorten bezetten doorgaans een vaste rust- en voortplantingsplaats in holen en gaten in de grond of onder strooisel. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Vergraven grond; - Bebouwen en verharden plangebied; Vleermuizen Verblijfplaatsen Er zijn tijdens het veldbezoek geen vleermuizen waargenomen en er zijn geen aanwijzingen gevonden dat vleermuizen een verblijfplaats in het plangebied bezetten. De in het plangebied aanwezige bebouwing wordt niet als potentiële verblijfplaats voor vleermuizen beschouwd en holenbomen of bomen met losse schors zijn 19

niet waargenomen in het plangebied. In/aan de bouwwerken zijn geen potentiële verblijfplaatsen voor vleermuizen, zoals een holle ruimte achter een boeiboord, gevelbetimmering, loodslab of vensterluik aangetroffen. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt geen vleermuis verstoord of gedood en wordt geen vaste rust- of voortplantingsplaats beschadigd of vernield. Het volledige plangebied is in 2018-2020 onderzocht op de aanwezigheid van een verblijfplaats van vleermuizen. De conclusie van de reeds uitgevoerde onderzoeken is nog steeds actueel. Vleermuizen bezetten geen verblijfplaats in het plangebied. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen; Foerageergebied Reeds eerder uitgevoerd vleermuisonderzoek heeft aangetoond dat verschillende vleermuissoorten het plangebied (kortstondig) benutten als foerageergebied. Het plangebied vormt geen essentieel foerageergebied. Als gevolg van de voorgenomen activiteiten hoeft de betekenis van het plangebied als foerageergebied niet af te nemen, dat hangt onder andere af van de nieuwe beplanting en mate van verlichting die aangebracht wordt in het plangebied.

Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen; Vliegroute Sommige vleermuissoorten benutten lijnvormige elementen ter geleiding tijdens het foerageren en om van verblijfplaats naar foerageergebied te vliegen (en van foerageergebied naar verblijfplaats). Lijnvormige elementen die benut worden als vliegroute kunnen bestaan uit houtopstanden en wateren, maar ook een rij lantarenpalen en gevels van woningen. Er zijn tijdens het eerder uitgevoerde vleermuisonderzoek geen aanwijzingen gevonden die erop duiden dat het plangebied benut wordt als vliegroute, of dat een vliegroute van vleermuizen net naast het plangebied ligt. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten heeft geen negatief effect op een vliegroute van vleermuizen. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen; Amfibieën Er zijn tijdens het veldbezoek geen amfibieën waargenomen, maar gelet op de inrichting en het gevoerde beheer, wordt het plangebied als functioneel leefgebied voor sommige algemene en weinig kritische amfibieënsoorten beschouwd. Amfibieën als bastaardkikker, gewone pad, bruine kikker en kleine watersalamander, benutten het plangebied mogelijk als foerageergebied en mogelijk bezetten ze er een (winter)rustplaats. Geschikt voortplantingsbiotoop ontbreekt in het plangebied.

Amfibieën kunnen een (winter)rustplaats bezetten in holen en gaten in de grond, onder strooisel, opgeslagen spullen en in toegankelijke gebouwen en bouwwerken. Het plangebied wordt niet als functioneel leefgebied van zeldzame amfibieënsoorten als kamsalamander, rugstreeppad of poelkikker beschouwd. Door het verwijderen van opgeslagen spullen en strooisel en het vergraven van grond wordt mogelijk een amfibie gedood en wordt mogelijk een (winter)rust plaats beschadigd en vernield. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Verwijderen opgeslagen spullen en strooisel; - Vergraven grond; 20

Overige soorten Er zijn geen andere beschermde soorten aangetroffen. Het gevoerde beheer en de inrichting maken het onderzoeksgebied tot een ongeschikt functioneel leefgebied voor deze soorten.

6.4 Wettelijke consequenties van de beoogde ingreep Vogels Door het rooien van de beplanting en het slopen van bebouwing en bouwwerken tijdens de voortplantingsperiode, wordt mogelijk een bezet vogelnest beschadigd en vernield met als gevolg dat mogelijk een vogel gedood wordt of eieren beschadigd of vernield worden. Van de in het plangebied nestelende soorten is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Voor het beschadigen/vernielen van een bezet nest (eieren) of het doden van een vogel kan geen ontheffing van de verbodsbepalingen verkregen worden omdat de voorgenomen activiteit niet als een in de wet genoemd belang wordt beschouwd. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten wordt de functionaliteit van geen enkel jaarrond beschermde nestplaats van een vogel aangetast. Het aantasten van de functie van het plangebied, als foerageergebied, leidt daarom niet tot wettelijke consequenties. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren/vernielen van vogelnesten dienen buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is augustus-februari. Voorgenomen werkzaamheden mogen juridische beschouwd wel plaats vinden tijdens het broedseizoen van vogels, mits geen bezette vogelnesten beschadigd/vernield worden.

Indien de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode, dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te kunnen sluiten. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Beplanting rooien buiten de voortplantingsperiode (of broedvogelscan uitvoeren); - Bebouwing en bouwwerken slopen buiten de voortplantingsperiode (of broedvogelscan uitvoeren);

Vleermuizen • Verblijfplaatsen Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt geen vleermuis verstoord of gedood en wordt geen vaste rust- of voortplantingsplaats beschadigd of vernield. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen; • Essentieel foerageergebied Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt geen essentieel foerageergebied van vleermuizen aangetast. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen;

21

• Vliegroute Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt geen essentiële vliegroute van vleermuizen aangetast. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb.

Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen; Grondgebonden zoogdieren Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten wordt mogelijk een beschermd grondgebonden zoogdier gedood en wordt mogelijk een vaste verblijf- en voortplantingsplaats beschadigd en vernield. De in het plangebied voorkomende grondgebonden zoogdiersoorten mogen wel verstoord, verjaagd of weggevangen worden, maar mogen niet gedood worden. Voor het beschadigen/vernielen van de rust- en voortplantingsplaats geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen. Om te voorkomen dat deze dieren (opzettelijk) gedood worden, dienen ze weggejaagd of weggevangen te worden en elders weer losgelaten te worden (zie tabel onder voor toepasbare vangmiddelen).

Toepasbare vangmiddelen om beschermde grondgebonden zoogdieren weg te vangen uit het plangebied (bron: Omgevingsverordening Gelderland, februari 2022).

De functie van het plangebied als foerageergebied, is niet beschermd voor de in het plangebied foeragerende beschermde grondgebonden zoogdieren. Mits geen grondgebonden zoogdieren (opzettelijk) gedood worden, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties. Indien niet voorkomen kan worden dat beschermde dieren gedood worden, dient een ontheffing van de verbodsbepalingen (doden) aangevraagd te worden of dient gewerkt te worden volgens een Gedragscode. Indien gekozen wordt om te werken volgens een gedragscode, dient voldaan te worden aan de gestelde eisen en voorwaarden. Eén van de voorwaarden is, dat gewerkt moet worden buiten de kwetsbare periode. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van 22

de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen, mits er geen beschermde dieren gedood worden;

Amfibieën Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten wordt mogelijk een amfibie gedood en wordt mogelijk een (winter)rustplaats beschadigd of vernield. De in het plangebied voorkomende grondgebonden zoogdiersoorten mogen wel verstoord, verjaagd of weggevangen worden, maar mogen niet gedood worden. Om te voorkomen dat deze dieren (opzettelijk) gedood worden, dienen ze weggejaagd of weggevangen te worden en elders weer losgelaten te worden (zie tabel boven voor toepasbare vangmiddelen). De functie van het plangebied als foerageergebied, is niet beschermd voor de in het plangebied foeragerende beschermde amfibieën. Mits amfibieën niet (opzettelijk) gedood worden, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties. Indien niet voorkomen kan worden dat beschermde dieren gedood worden, dient een ontheffing van de verbodsbepalingen (doden) aangevraagd te worden of dient gewerkt te worden volgens een Gedragscode. Indien gekozen wordt om te werken volgens een gedragscode, dient voldaan te worden aan de gestelde eisen en voorwaarden. Eén van de voorwaarden is, dat gewerkt moet worden buiten de kwetsbare periode. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb.

Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen, mits er geen beschermde dieren gedood worden; Overige soorten Het onderzoeksgebied behoort niet tot functioneel leefgebied van andere beschermde flora- of faunasoorten. Vanwege de lokale invloedsfeer heeft de voorgenomen activiteit geen negatief effect op andere beschermde soorten. Nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is niet noodzakelijk.

23

In onderstaande tabel worden de wettelijke consequenties samengevat weergegeven. Soortgroep

Functie

Beschermde soorten planlocatie

Verbodsbepalingen (Wet natuurbescherming)

Aandachtspunt

Grondgebonden zoogdieren Grondgebonden zoogdieren Grondgebonden zoogdieren Vogels

Foerageergebied

Diverse soorten

Geen

Vaste verblijf- en voortplantingsplaats Doden van dieren

Diverse soorten

Niet van toepassing; vrijstelling i.v.m. ruimtelijke ontwikkeling Niet van toepassing; vrijstelling i.v.m. ruimtelijke ontwikkeling Art. 3.10 lid 1a

Foerageergebied

Diverse soorten

Geen

Vogels

Diverse soorten Niet aanwezig

Niet van toepassing

Vogels Vleermuizen Vleermuizen

Bezette nesten (niet jaarrond beschermd) Jaarrond beschermde nest- en rustplaats Doden van dieren Verblijfplaats Foerageergebied

Niet van toepassing; er wordt geen jaarrond beschermde nestplaats negatief beïnvloed Art. 3.1 lid 2

Diverse soorten Niet aanwezig Diverse soorten

Geen vogel doden Geen Geen

Vleermuizen Vleermuizen

Vliegroute Doden van dieren

Amfibieën

Foerageergebied

Niet aanwezig Niet van toepassing Diverse soorten

Art. 3.1 lid 1 Niet van toepassing Niet van toepassing; functie wordt niet aangepast Niet van toepassing Niet van toepassing

Geen

Amfibieën

Vaste verblijfplaats

Diverse soorten

Amfibieën Amfibieën Overige soorten

Voortplantingsplaats Doden van dieren Dieren en overige functies

Niet aanwezig Diverse soorten Niet aanwezig

Niet van toepassing; vrijstelling i.v.m. ruimtelijke ontwikkeling Niet van toepassing; vrijstelling i.v.m. ruimtelijke ontwikkeling Niet van toepassing Art. 3.10 lid 1a Niet van toepassing

Vogels

Diverse soorten

Geen Geen dieren doden

Geen bezette nesten negatief beïnvloeden Geen

Geen Geen

Geen Geen Geen dieren doden Geen

Samenvatting van de wettelijke consequenties.

Soortgroep

Rust- en Voortplanverblijfplaats tingsplaats

Vliegroute Essentieel (vleermuizen) foerageergebied

Wettelijke consequenties

Nader onderzoek vereist

Ontheffing vereist

Grondgebonden zoogdieren Vogels

ja

ja

n.v.t.

nee

ja

nee

Nee

nee

ja

n.v.t.

nee

ja

nee

Vleermuizen Amfibieën

nee ja

nee nee

nee n.v.t.

nee nee

nee ja

nee nee

Nee, tenzij bezette nesten negatief beïnvloed worden of vogels gedood worden nee Nee

Vereenvoudigde samenvatting van de wettelijke consequenties per diergroep.

6.6 Historische gegevens en overige bronnen Het plangebied is in het verleden meermaals onderzocht op de aanwezigheid van beschermde waarden, waaronder specifiek onderzoek naar de betekenis van het plangebied voor vleermuizen. De volgende onderzoeksrapporten hebben betrekking op het plangebied; • •

Rapport 2761 van Natuurbank Overijssel. Eigen uitgave Natuurbank, 2020 Rapport P8968 van Eelerwoude. Eigen uitgave Eelerwoude, 2018

• • •

Rapport 2761 van Natuurbank Overijssel. Eigen uitgave Natuurbank, 2020. Eelerwoude; rapport Toetsing Wet natuurbescherming. Eigen uitgave Eelerwoude, 2018 Eelerwoude; Nader onderzoek vleermuizen Buurtweg 10 Voorthuizen. Eigen uitgave Eelerwoude, 2019 24

6.7 Volledigheid van het onderzoek Het onderzoek is volledig uitgevoerd met geschikte weersomstandigheden.

25

HOOFSTUK 7

CONCLUSIES De voorgenomen activiteiten worden gezien als ‘ruimtelijke ontwikkeling’. Voor een aantal algemeen voorkomende en talrijke faunasoorten geldt in Gelderland een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘vangen’ en het ‘opzettelijk beschadigen en vernielen van de rust- en voortplantingsplaats’, als gevolg van werkzaamheden die in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling worden uitgevoerd. Beschermde soorten mogen niet opzettelijk gedood worden in Gelderland als gevolg van een ruimtelijke ontwikkeling. Voor beschermde soorten, waarvoor die vrijstelling niet geldt, is een ontheffing vereist om ze te mogen doden. Wel geldt een vrijstelling om opzettelijk rust- en voortplantingslocaties te beschadigen en te vernielen. In het kader van de zorgplicht moet rekening worden gehouden met alle in het plangebied aanwezige planten en dieren en moet er gekozen worden voor een werkmethode en/of planning in de tijd, waardoor planten en dieren zo min mogelijk schade ondervinden als gevolg van de voorgenomen activiteiten. Het plangebied behoort niet tot het Gelders Natuurnetwerk, Groene ontwikkelingszone of Natura 2000gebied.

Vanwege de ligging buiten het Gelders Natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone, zijn de voorgenomen activiteiten niet strijdig met de beleidsregels voor bescherming van de Gelders Natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone, omdat de bescherming van het Gelders Natuurnetwerk geen externe werking kent. Met uitzondering van het aspect stikstof, kan een negatief effect op Natura 2000-gebied uitgesloten worden. Om vast te kunnen stellen of sprake is van toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebied, dient een stikstofberekening uitgevoerd te worden. De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Mogelijk benutten vleermuizen, amfibieën, vogels en grondgebonden zoogdiersoorten het plangebied als foerageergebied en bezetten verschillende grondgebonden zoogdiersoorten er een vaste rust en voortplantingsplaats, nestelen er vogels en bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats. Vleermuizen bezetten geen vaste rust- of voortplantingsplaats in het plangebied en amfibieën bezetten geen voortplantingsplaats in het plangebied. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats.

Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. De functie van het plangebied als foerageergebied voor vogels, wordt niet aangetast. Voor de beschermde grondbonden zoogdieren en amfibieën, die een (winter)rust- en/of voortplantingslocatie in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘vangen’ en het ‘beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties. Grondgebonden zoogdieren en amfibieën mogen niet gedood worden als gevolg van het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten. Wel geldt een vrijstelling voor het beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties. Deze vrijstelling is van toepassing omdat er sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling. Door het bebouwen en verharden van een deel van het plangebied, wordt de functie van het plangebied als foerageergebied voor de in het plangebied foeragerende grondgebonden zoogdieren en amfibieën niet aangetast.

26

Bijlagen Bijlage 1. De natuurkalender (indicatie voor het uitvoeren van werkzaamheden het kader van de zorgplicht) Bijlage 2. Toelichting Wet natuurbescherming Bijlage 3. Geraadpleegde bronnen Bijlage 4: Fotobijlage

27

Bijlage 2 Toelichting Wet Natuurbescherming Drie beschermingsregimes De Wet natuurbescherming kent een apart beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn, een apart beschermingsregime voor soorten van de Habitatrichtlijn (het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn) en een apart beschermingsregime voor andere soorten, die vanuit nationaal oogpunt beschermd worden. Elk van deze beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. Alle vogels (ruim 700 soorten), zijn beschermd. Daarnaast worden ongeveer 230 overige Europese en nationale soorten beschermd. Om af te mogen wijken van de verbodsbepalingen via een ontheffing of vrijstelling moet aan drie criteria zijn voldaan: -

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Barneveld&id=6124bca9-e90d-400e-9883-095f04fddaa8