CConstaterende datBarneveld
Koppel je AI →
Document · PDF

Bp Puurveenseweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012.pdf

Gemeenteraad 31 mei 2023, gemeente BarneveldBij agendapunt: Bestemmingsplan ‘Puurveenseweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012’ (in Kootwijkerbroek).31.421 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

"Puurveenseweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)

27

Puurveenseweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012

5.10

Milieueffectrapportage

Niet voor alle nieuwe activiteiten hoeft een m.e.r.-procedure gevolgd te worden. Uitgangspunt van de m.e.r.-beoordeling is het 'nee, tenzij' -principe. Dat wil zeggen dat alleen een milieueffectrapport (MER) hoeft te worden opgesteld, wanneer er omstandigheden zijn die (waarschijnlijk) leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen. De Wet milieubeheer maakt onderscheid in een m.e.r.-procedure voor plannen (planMER) en voor besluiten (besluitMER of projectMER). Voor een bestemmingsplan kan zowel de plan-m.e.r.-plicht als de besluit-m.e.r.-plicht gelden. Er zijn drie sporen waarlangs de m.e.r.-plicht kan ontstaan: 1. Plan- en/of besluit-m.e.r.-plicht: als de voorgenomen activiteit vermeld is in het Besluit milieueffectrapportage; 2. Plan-m.e.r.-plicht: als voor het plan een zogeheten passende beoordeling op grond van de Wet natuurbescherming gemaakt moet worden. Dat is het geval als het plan significante negatieve gevolgen kan hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000 gebied; 3. Toetsing aan de provinciale milieuverordening. Besluit milieueffectrapportage De lijst van activiteiten in de onderdelen C en D van het Besluit bestaat uit vier kolommen. De eerste kolom bevat een omschrijving van de m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteiten. De tweede kolom vermeldt eventuele drempelwaarden.

Wettelijk kader Voor de vraag of een bestemmingplan besluit-m.e.r.-plichtig is, geldt dat het Besluit milieueffectrapportage onderscheid maakt naar m.e.r.-plichtige activiteiten en m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten. Onderdeel C van de bijlage bij dit Besluit vermeldt voor welke activiteiten altijd verplicht een MER moet worden opgesteld, voordat een (m.e.r.-plichtig) besluit mag worden genomen. In onderdeel D is vermeld welke activiteiten beoordelingsplichtig zijn. Voor dergelijke activiteiten moet het bevoegd gezag beoordelen of op basis van 'belangrijke nadelige gevolgen die de voorgenomen activiteit voor het milieu kan hebben', een m.e.r.-procedure noodzakelijk is. Daarbij geldt dat een bestemmingsplan alleen besluit-m.e.r.-plichtig is, als het bestemmingsplan in kolom 4 wordt genoemd. Voor de vraag of een bestemmingsplan plan-m.e.r.-plichtig is, geldt dat dit het geval is als het plan genoemd is in kolom 3 en activiteiten mogelijk maakt die in onderdeel C en D, kolom 1 vermeld zijn en voldoen aan de in kolom 2 genoemde drempelwaarden. Als een bestemmingsplan een activiteit mogelijk maakt die Besluit-m.e.r.-plichtig is op grond van de uitkomst van een toets van een activiteit die onder de drempelwaarden blijft, dan is dat bestemmingsplan alsnog plan-m.e.r.-plichtig. Het maakt dan immers een (besluit) m.e.r.-plichtige activiteit mogelijk.

Voor zowel de plan-m.e.r.- als besluit-m.e.r.-plicht geldt dat als de activiteit onder de drempelwaarden uit kolom 2 van bijlage D blijft, met een vormvrije m.e.r. beoordeeld moet worden of alsnog een MER moet worden opgesteld. De centrale vraag die daarbij beantwoord moet worden is of er omstandigheden zijn die (waarschijnlijk) leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen. Daarbij moet in ieder geval worden getoetst aan de criteria die opgenomen zijn in bijlage III van de Europese m.e.r.-richtlijn. Als dergelijke milieugevolgen kunnen optreden, geldt alsnog de betreffende plan- en/of besluit-m.e.r.-plicht. Toetsing In dit geval is het bestemmingsplan niet via dit spoor m.e.r.-plichtig want de activiteit komt niet voor op de lijst in onderdeel C of D van het Besluit milieueffectrapportage. Daarnaast heeft toetsing aan de in bijlage III van de Europese m.e.r.-richtlijn opgenomen criteria uitgewezen dat er geen sprake zal zijn van belangrijke milieugevolgen, zodat een m.e.r. achterwege kan blijven. Besluit m.e.r. 28

"Puurveenseweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)

Puurveenseweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012 Per 16 mei 2017 is de regelgeving voor de MER en m.e.r.-beoordeling gewijzigd met daarin een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor de ontwerp-bestemmingsplanfase moet een m.e.r-beoordelingsbeslissing worden genomen, waarin wordt aangegeven of wel of geen MER nodig is, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen. Deze beslissing wordt als bijlage bij het bestemmingsplan opgenomen. Voor elke aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde komt moet de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie opstellen, waarbij ook mitigerende maatregelen mogen worden meegenomen. Het bevoegd gezag dient binnen zes weken na indienen een m.e.r.-beoordelingsbesluit af te geven. Een vormvrije m.e.r.-beoordelingsbeslissing hoeft echter niet gepubliceerd te worden. Onderzoek Uit jurisprudentie is gebleken dat niet iedere ontwikkeling van woningen valt onder het begrip stedelijke ontwikkeling als bedoeld in Bijlage D11.2 van het Besluit milieueffectrapportage. Kleinschalige woningbouwprojecten vallen niet onder dit begrip. Dat geldt ook voor het omzetten van een voormalige bedrijfswoning en het legaliseren van een andere woning.

De conclusie is dat het plan om twee woningen te legaliseren niet m.e.r.-beoordelingsplichtig is. Passende beoordeling via de Wet natuurbescherming Voor het vaststellen van plannen die significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied kunnen hebben, dient een passende beoordeling gemaakt te worden (artikel 7.2a Wet milieubeheer juncto artikel 2.8, eerste lid Wet natuurbescherming). Uit de beoordeling van het aspect ecologie (zie paragraaf 5.3) blijkt dat er voor dit plan geen passende beoordeling nodig is. De plan-m.e.r-plicht op grond van de noodzaak van een passende beoordeling voor de Wet natuurbescherming is hier niet aanwezig. Er is voor dit plan geen passende beoordeling nodig. Provinciale milieuverordening Provinciale Staten kunnen in de provinciale milieuverordening extra activiteiten met gevallen, plannen en besluiten aanwijzen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben en dus m.e.r.-plichtig zijn (artikel 7.6 Wet milieubeheer). Dit is dus aanvullend op de m.e.r.-plicht op basis van onderdeel C van de bijlage Besluit m.e.r. (en dus ook aanvullend op de verplichting vanuit de Europese richtlijnen) én conform dezelfde systematiek. Provinciale staten van Gelderland hebben geen extra activiteiten met gevallen, plannen en besluiten aangewezen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (en zo m.e.r.-plichtig zijn).

Conclusie Er is geen m.e.r. noodzakelijk vanwege de kleinschaligheid van het plan, er geen significante milieugevolgent te verwachten zijn en er geen passende beoordeling nodig is. Het aspect m.e.r. staat de ontwikkeling van dit plan niet in de weg.

5.11

Milieuzonering

Ten aanzien van bedrijvigheid geldt als uitgangspunt dat toekomstige woningen geen onevenredige milieuhinder (geur, geluid etc.) mogen ondervinden van nabijgelegen bedrijvigheid. In de publicatie ´Bedrijven en milieuzonering´ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, editie 2009, worden in verband met de aanwezigheid van milieubelastende functies indicatieve afstandsnormen voorgeschreven tot milieugevoelige functies, vooral wonen. In dit kader zijn voor dit plan de volgende bedrijven en aspecten van belang: Puurveenseweg 1a zit Wesselhoek Exclusieve Houtbouw, bestemd als ' Bedrijf - Niet-agrarisch' (sb-4), specifieke vorm van bedrijf - bouwbedrijf: b.o. > 2.000m2 met milieucategorie 3.2. Richtafstand voor milieuzonering 100m. Werkelijke afstand 226m. Conclusie: Dit bedrijf werkt niet belemmerend. Valkseweg 247, perceel bestemd als 'Bedrijf - Niet agrarisch' met milieucategorie 1 en 2. Richtafstand voor milieuzonering 30m. Werkelijke afstand 142 m. Conclusie: Dit bedrijf werkt niet belemmerend.

"Puurveenseweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)

29

Puurveenseweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012

Veiligheidszone - Activiteitenbesluit Binnen de grenzen van het bestemmingsplan is geen gasdrukmeet- en regelstation aanwezig. In het Activiteitenbesluit zijn veiligheidsafstanden opgenomen die moeten worden aangehouden tussen kwetsbare respectievelijk beperkt kwetsbare objecten en (onder andere) een gasdrukmeet- en regelstation (4-6 meter). Kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten volgens het Activiteitenbesluit zijn dezelfde objecten als die genoemd zijn in het Besluit externe veiligheid inrichtingen. Het gaat dan om onder andere woningen, ziekenhuizen en bedrijven. Tussen een woning en een gasdrukmeet- en regelstation moet een veiligheidsafstand van 6 meter worden aangehouden. Het plan voldoet aan de voorgeschreven afstand. Liander heeft op 19 december 2022 aangegeven geen belangen in het gebied te hebben, daarom hoeven er in dit bestemmingsplan geen veiligheidsafstanden opgenomen te worden. Conclusie Vanuit milieuzonering zijn er geen belemmeringen voor het plan.

5.12

Natuur en landschap

Op het erf zijn diverse waardevolle groene elementen aanwezig (hagen en diverse (fruit)bomen. Deze elementen bevinden zich met name op het voorerf. De fruitbomen bevinden zich ten zuiden van de te slopen schuren. Tijdens de sloop dienen de bestaande bomen voldoende beschermd te worden en dienen de richtlijnen over werken rondom bomen in acht genomen te worden. Er wordt in het kader van de landschappelijke inpassing een beukenhaag aangeplant met daarin zes veldesdoorns aan de oostzijde van het perceel.

Afbeelding 5.3 Erfinrichting en beplantingsplan Ten behoeve van de landschappelijke inpassing van de beide woningen is een erfinrichting- en beplatingsplan aangeleverd welke als Bijlage 2 bij de planregels van dit bestemmingsplan is opgenomen, deze is tevens opgenomen in de regels als 6.1.1 Conclusie Het aspect 'natuur en landschap' vormt geen belemmering voor dit plan.

30

"Puurveenseweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)

Puurveenseweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012

5.13

Veiligheid

Om een veilige omgeving te creëren of te behouden is er op het gebied van fysieke veiligheid een aantal aspecten waarmee rekening gehouden moet worden. Zo worden er eisen gesteld aan de bereikbaarheid van de openbare wegen voor de hulpverleningsdiensten. Dit leidt tot het stellen van minimale afmetingen en bochtstralen zodat hulpverleningsvoertuigen een object of calamiteit goed kunnen bereiken en adequate hulp kunnen verlenen. Met betrekking tot voldoende bluswater in het openbare wegennet zijn er ook eisen gesteld. Deze eisen hebben betrekking op de afstanden vanaf de bluswatervoorziening tot aan een gebouw en de capaciteit ervan. In de “Handreiking Bluswatervoorziening en bereikbaarheid” een uitgave van Brandweer Nederland worden deze eisen gesteld. Voor wat betreft de bereikbaarheid zijn er binnen de gemeente Barneveld hoofd- en subaanrijdroutes vastgesteld. Tevens worden er eisen gesteld aan de opkomsttijden voor brandweervoertuigen. Deze zijn afhankelijk van de bestemming. Voor gebouwen waarin geslapen wordt en verminderd zelfredzame mensen verblijven worden strengere eisen gesteld dan gebouwen waar dit niet zo is. De opkomsttijden zijn gesteld in de Wet veiligheidsregio’s (1 oktober 2010) met het daarbij behorende Besluit veiligheidsregio’s. In het Besluit zijn de tijdnormen voor de opkomsttijden vastgelegd.

Situatie Nieuwe ontwikkelingen zullen worden getoetst aan de Handreiking Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid, het Besluit veiligheidregio’s en aan de eisen van de aangewezen hoofd- en subaanrijdroutes. Dit zal gebeuren bij de bouwplannen en inrichtingsplannen. Conclusie Er zijn voor wat betreft de eisen voor de veiligheid geen belemmeringen voor dit bestemmingsplan.

5.14

Verkeer

De verwachting is dat het aantal verkeersbewegingen licht af zal nemen door het verdwijnen van de agrarische functie op het perceel. Verder verandert er niet zoveel aangezien de twee aanwezigen woningen omgezet worden naar reguliere woningen. Qua verkeersaanbod, inrichting van het terrein en de uitritten verandert er vrijwel niets vanuit verkeerskundig oogpunt. Conclusie Er zijn geen verkeerskundige belemmeringen voor dit plan.

5.15

Water

Waterparagraaf Deze waterparagraaf vormt het resultaat van het procesinstrument watertoets. De watertoets betreft het vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten bij de totstandkoming van ruimtelijke plannen. Het is verplicht de watertoets toe te passen. Hiermee wordt beoogd om het belang van water een evenwichtige plaats te geven in het ruimtelijk planproces. De watertoets heeft betrekking op het grond-, oppervlakte-, afval- en hemelwater. Het behandelt alle relevante waterhuishoudkundige aspecten zoals ontwatering, wateroverlast en waterkwaliteit. De waterparagraaf beschrijft het relevante waterbeleid, de betrokkenheid en het advies van de waterbeheerder en de waterhuishoudkundige uitwerking van het plan. Huidige situatie De Puurveenseweg 4 en 4-01 bestaat uit twee bedrijfswoningen en meerdere bijgebouwen, schuren en overkappingen ten behoeve van veehouderij. Het perceel is aangesloten op een vrijverval rioolt dat het afvalwater van de nummers 2, 4 en 4-01 verzameld en afvoert naar het drukriool in de Puurveenseweg. Om het perceel liggen ook enkele c-watergangen.

"Puurveenseweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)

31

Puurveenseweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012

Toekomstige situatie Op het perceel wordt bebouwing gesloopt en wordt de functie van de woningen omgezet naar wonen. De bebouwing die behouden blijft behoudt ook zijn huidige vormgeving. Verder wordt er voornamelijk groen aangebracht op het perceel. Bij werkzaamheden aan de watergangen moeten, indien noodzakelijk, meldingen gedaan of vergunningen aangevraagd worden bij het waterschap. Bij de realisatie van de woning en de bijgebouwen uit duurzaamheidsoogpunt bij voorkeur geen uitlogende bouwmaterialen gebruiken. De ontwikkeling sluit aan bij de waterhuishoudkundige doelen van de gemeente en het waterschap.

32

"Puurveenseweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)

Puurveenseweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012

Hoofdstuk 6 6.1

JURIDISCHE ASPECT EN

Inleiding

Deze partiële herziening is gebaseerd op het moederplan "Buitengebied 2012" (met identificatienummer NL.IMRO.0203.1056-0004), vastgesteld op 28 mei 2013 en zoals nadien door het college gewijzigd en in werking getreden, door de raad herzien en in werking getreden en zoals gewijzigd door een intrekkingsbesluit van de raad. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: Hoofdstuk 1 bevat de algemene voor het plangebied geldende bepalingen, de inleidende regels. Hoofdstuk 2 regelt de bestemmingen en het daarop toegestane gebruik. Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels, zoals de anti-dubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene afwijking- en algemene wijzigingsregels en tot slot de algemene procedureregels. Hoofdstuk 4 betreft het overgangsrecht en de slotbepaling. Bevoegdheid Het bevoegd gezag is het bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning. Over het algemeen zijn burgemeester en wethouders het bevoegd gezag. Het kan incidenteel voorkomen dat bijvoorbeeld het Rijk of de provincie het bevoegd gezag is. Burgemeester en wethouders zijn altijd bevoegd gezag bij het wijzigen van een plan en het stellen van nadere eisen.

6.2

Inleidende regels

Begrippen In artikel 1 van de partiële herziening zijn de begrippen plan en bestemmingsplan "Buitengebied 2012" gedefinieerd. Het kan bij een partiële herziening voorkomen dat er een begrip wordt toegevoegd. Er wordt uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Voor zover er geen begrippen zijn gedefinieerd wordt aangesloten bij het normale spraakgebruik.

6.3

Bestemmingsregels

In hoofdstuk 2 van de partiële herziening zijn de bestemmingsregels opgenomen. Op de in dit hoofdstuk en de daarin opgenomen bepalingen na, worden de regels van het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" niet herzien. Zo is de verbeelding van het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" op de locatie gewijzigd in die zin dat het gehele agrarische bouwvlak en de functieaanduiding 'intensieve veehouderij' verdwijnen. Twee bestemmingsvlakken 'Wonen' met twee bouwvlakken worden toegevoegd waar ter plaatse de bestemming 'Agrarisch' vervalt. Bij het bouwvlak van het noordelijke bestemmingsvlak 'Wonen' wordt de maatvoeringsaanduiding 'maximum volume (m³)' toegevoegd. Tot slot worden twee gebiedsaanduidingen toegevoegd voor het gehele perceel, namelijk 'overige zone - voorwaardelijke verplichting 1' en 'overige zone - voorwaardelijke verplichting 2'. Zie verder de toelichting bij het bestemmingsplan "Buitengebied 2012". Hieronder volgt een nadere uiteenzetting van enkele specifieke onderdelen van de partiële herziening.

6.4

Algemene regels

In hoofdstuk 3 is aangegeven dat de algemene regels zoals opgenomen in het bestemmingsplan "Buitengebied 2012", en zoals nadien door het college gewijzigd en in werking getreden, door de raad herzien en in werking getreden en zoals gewijzigd door een intrekkingsbesluit van de raad, niet zijn gewijzigd. Overeenkomstig het bepaalde in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de voorgeschreven Anti-dubbeltelregeling opgenomen.

"Puurveenseweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)

33

Puurveenseweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012

6.4.1

Schakelbepaling

Er is in de regels een schakelbepaling opgenomen. Door middel van deze schakelbepaling opgenomen in Artikel 4 van de planregels bij deze partiële herziening is nader aangegeven wat er op de verbeelding en/of in de regels verandert. Dit is in paragraaf 6.3 van de toelichting van deze partiële herziening ook toegelicht. 6.4.2

Algemene aanduidingsregels

De algemene aanduidingsregels bevatten specificaties van de (dubbel-)bestemmingen met betrekking tot het gebruik of het bouwen. Een gebiedsaanduiding is een aanduiding die verwijst naar een gebied waarvoor bijzondere regels, extra regels of nadere afwegingen gelden. Bij gebiedsaanduidingen gaat het veelal om zones en gebieden die aan sectorale regelgeving zijn ontleend. De volgende soorten gebiedsaanduidingen zijn toegepast: 'overige zone - voorwaardelijke verplichting' 6.4.2.1

Voorwaardelijke verplichting

Bij wijzigingen van het bestemmingsplan is het veelal noodzakelijk afspraken met betrekking tot de bodemsanering of het realiseren van inrichtingsmaatregelen dan wel andere voorwaarden vast te leggen. Om dit te waarborgen wordt in het bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Hierbij worden aan het bestemmingsplan specifieke regels toegevoegd die de verzoeker verplichten om bij gebruikmaking van de toegestane ontwikkeling ook de inrichtingsmaatregelen te realiseren of bodemsanering toe te passen. In deze partiële herziening zijn twee voorwaardelijke verplichtingen opgenomen. Eén die verband houdt met het inrichtings- en beplantingsplan en de ander die verband houdt met bodemsanering.

6.5

Overgangs- en slotregels

In het laatste hoofdstuk zijn de regels ten aanzien van het overgangsrecht opgenomen. Het laatste artikel van de regels betreft de citeertitel van voorliggende partiële herziening.

6.6

Handhaving

De gemeente acht handhaving van haar beleid van groot belang om de gewenste ruimtelijke kwaliteit te garanderen. Belangrijke redenen voor handhaven zijn: De regels zijn door de gemeente vastgesteld en de inwoners van de gemeente mogen verwachten dat de gemeente die regels handhaaft: waarom zijn er anders regels opgesteld? Inwoners van de gemeente hebben als het ware recht op handhaving. Handhaving gaat oneigenlijk gebruik van en daarmee de achteruitgang van de kwaliteit van het gemeentelijk grondgebied tegen. Een actueel bestemmingsplan beoogt de ruimtelijke kwaliteit van een gebied in stand te houden en te verbeteren. Niet daadkrachtig optreden tegen overtredingen van wettelijke regels werkt een toename van het aantal overtredingen in de hand en tast de geloofwaardigheid van daadkrachtig optreden aan. Het in het bestemmingsplan vastgelegde beleid wordt ondermijnd en het bestuur verliest de greep op de gebouwde omgeving. Onderscheid kan gemaakt worden tussen preventieve en repressieve handhavingsinstrumenten. Onder preventieve instrumenten kunnen onder andere goede regelgeving (zoals in bestemmingsplan), voorlichting, subsidieverlening, afwijking van bouwregels en gebruiksregels en de omgevingsvergunning worden begrepen. Repressieve instrumenten zijn onder meer controle en toezicht, opsporing en het hanteren van sancties als bestuursdwang en dwangsom.

In 2016 heeft de gemeente de Nota Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving, VTH-beleid vastgesteld. In dit VTH-beleid staat beschreven hoe het college van burgemeester en wethouders op hoofdlijnen omgaat met de uitvoering van VTH-taken en welke prioriteiten hieraan zijn toegekend. Het college is verantwoordelijk voor de uitvoering van de VTH-taken en heeft de uitvoering van deze taken met ingang van 1 april 2013 grotendeels belegd bij de Omgevingsdienst de Vallei. Bij de handhaafbaarheid van een bestemmingsplan spelen aspecten als communicatie, de planvorm, de normstelling, het daadwerkelijk kunnen handhaven en de controleerbaarheid van normen ook een 34

"Puurveenseweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)

Puurveenseweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012 belangrijke rol. Randvoorwaarde voor handhaving is dat er voldoende basis/grondslag is om te kunnen handhaven. Deze basis wordt gevormd door: De regeling in het bestemmingsplan zelf: de handhaafbaarheid van de planregels. Het beleid voor afwijkingen. In het moederplan (bestemmingsplan "Buitengebied 2012"), en daarmee ook in deze partiële herziening, is gestreefd naar heldere, eenduidige planregels met zo min mogelijk interpretatiemogelijkheden. Verder zijn aan de in het moederplan (bestemmingsplan "Buitengebied 2012") opgenomen afwijkingsmogelijkheden duidelijke voorwaarden verbonden, die voldoende objectief bepaalbaar zijn.

"Puurveenseweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)

35

Puurveenseweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012

Hoofdstuk 7

ECONOM ISCHE UIT VOERBAARHEID

Op grond van artikel 6.12, eerste lid van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) stelt de gemeenteraad een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bouwplan voorkomt dat in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is aangewezen. Nu deze partiële herziening niet de bouw van een hoofdgebouw (of een ander bouwplan zoals dat in artikel 6.2.1 Bro is opgenomen) mogelijk maakt, is dit niet aan de orde. Doordat er geen verhaalbare kosten zijn als bedoeld in artikel 6.2.4, onderdelen b tot en met f Bro, behoeft er op grond van artikel 6.2.1a, onder b Bro in dit geval geen exploitatieplan vastgesteld te worden. De kosten voor het opstellen van het plan worden gedekt door het heffen van leges. Voor de kosten van tegemoetkoming in schade, bedoeld in artikel 6.1 van de Wro (planschade) is een afzonderlijke overeenkomst gesloten. De inhoud voldoet aan die van een anterieure overeenkomst in de zin van artikel 6.24 Wro. Er zijn bij dit plan geen andere kosten die in een exploitatieplan of exploitatieovereenkomst opgenomen moeten worden.

36

"Puurveenseweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)

Puurveenseweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012

Hoofdstuk 8 OVERLEG EN M AAT SCHAPPELIJKE UIT VOERBAARHEID De procedure voor het gedeeltelijk herzien van een bestemmingsplan is door de wetgever geregeld. Conform artikel 1.3.1. Besluit ruimtelijke ordening (Bro) heeft het college op 9 februari 2023 in de Barneveldse Krant en Barneveld Huis-aan-Huis en langs elektronische weg kennis gegeven van het voornemen om de voorliggende partiële herziening van het geldende bestemmingsplan voor te bereiden. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Daarnaast is er de gelegenheid om in het voortraject belanghebbenden te laten inspreken conform de gemeentelijke verordening. Pas daarna wordt de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van de partiële herziening opgestart.

8.1

Participatie

Participatie gaat over het goede gesprek tussen initiatiefnemers, de samenleving en de beslissers. Het is de bedoeling om elkaar zo vroeg mogelijk te betrekken in het proces ter voorbereiding van een besluit en gezamenlijk te zoeken naar de beste oplossingen. Dit is verankerd in beleid dat moet leiden tot plannen met een hogere kwaliteit en een breder draagvlak. Op 20 april 2022 heeft de raad het "Participatiebeleid Gemeente Barneveld" vastgesteld. Het beleid onderscheidt drie sporen: 1. Participatie bij ruimtelijke initiatieven; 2. Participatie bij initiatieven van de overheid; 3. Participatie bij initiatieven vanuit de gemeenschap. Het beleid is in werking getreden op 1 juli 2022, met uitzondering van de participatieverplichting uit spoor 1 want die is gekoppeld aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet. In het beleid is de participatieladder opgenomen. Die ladder gaat over verschillende gradaties van meedoen en is er om de rol van de deelnemers duidelijk te communiceren. Er zijn vier treden op de ladder: 1. 2. 3. 4.

Meebepalen | co-creatie Meewerken | adviseren Meedenken | raadplegen Meeweten | informeren

In dit geval is spoor 1 van het beleid relevant en trede 4 van de participatieladder. De initiatiefnemer heeft overleg gevoerd met buren en belanghebbenden. Hierbij zijn en omwonende(n) geïnformeerd over de plannen. Zo is het plan mondeling toegelicht aan de buren op Puurveenseweg 3 en 6. Daarnaast gaat de initiatiefnemer nog langs bij de bewoners van Puurveenseweg 2.

8.2

Overleg ex artikel 3.1.1 Bro

Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg voeren met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Er is in het gebied van de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van bijzondere waarden of andere situaties waardoor deze ontwikkeling zou raken aan enig nationaal belang. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. Dit plan is gebaseerd op het Functieveranderingsbeleid Regio Food Valley 2016 en voldoet daar ook aan. Geconcludeerd kan worden dat er hier geen provinciale belangen in het geding zijn die om vooroverleg vragen. Verder is er geen sprake van provinciale belangen, zodat ook is afgezien van vooroverleg met de provincie Gelderland. Op grond van artikel 3.1.1 lid 2 Bro kan derhalve worden afgezien van overleg in door de "Puurveenseweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)

37

Puurveenseweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012 provincie en het Rijk aangegeven gevallen. Het Waterschap Vallei & Veluwe heeft aangegeven dat geen vooroverleg nodig is indien de toename van de verharding kleiner is dan 4.000 m² en de waterhuishoudkundige doelen van het waterschap niet in het geding komen door een bestemmingsplan. Hier is sprake van zo een geval. Om die reden heeft geen vooroverleg met het waterschap plaatsgevonden. Ook belangen van omliggende gemeenten zijn bij dit plan niet in het geding.

8.3

Inspraak

De Wro bevat geen procedurevoorschriften met betrekking tot de inspraak, en is in Wro zelf niet verplicht gesteld. Dat neemt niet weg dat het de gemeente vrij staat toch inspraak te verlenen bijvoorbeeld op grond van de gemeentelijke inspraakverordening. In relatie daarmee bepaalt artikel 150 van de Gemeentewet onder meer dat in een gemeentelijke inspraakverordening moet worden geregeld op welke wijze bovenbedoelde personen en rechtspersonen hun mening kenbaar kunnen maken. Op 15 december 2009 heeft het college besloten dat bij bestemmingsplannen alleen inspraak wordt gevoerd bij plannen waarbij maatschappelijke belangen een rol spelen, die politiek gevoelig liggen of waarbij inspraak een bijdrage kan leveren aan de kwaliteit en/of snellere doorlooptijd van het plan.

8.4

Zienswijzen

Het ontwerp voor de partiële herziening heeft van10 februari tot en met 12 maart 2023 ter inzage gelegen. Gedurende deze periode heeft een ieder de mogelijkheid gehad om een zienswijze naar voren te brengen. Tijdens deze zes weken zijn geen reacties ingediend. Deze reacties hebben niet geleid tot aanpassing van het plan. In de bijlage bij deze partiële herziening is de Nota Zienswijzen bijgevoegd.

38

"Puurveenseweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)

Puurveenseweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012

Bijlagen bij de toelichting

"Puurveenseweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)

39

Puurveenseweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012

Bijlage 1 Lijst intrekkingsbesluit, wijzigingen en herzieningen Het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" (IMRO-idn. NL.IMRO.0203.1056-0004), welk bestemmingsplan is vastgesteld op 28 mei 2013 (en onherroepelijk geworden op 16 september 2015), is inmiddels gewijzigd door het college, herzien door de raad en gewijzigd door een intrekkingsbesluit van de raad. In eerste instantie is een tweetal uitspraken verwerkt: de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, ABRvS 29 april 2015, zaaknummer 201307247/1/R2, 201305071/1/R2, 201305215/1/R2 en 201402967/1/R2; de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, ABRvS 16 september 2015, zaaknummer 201307247/5/R2. Daarnaast is het intrekkingsbesluit "Wijziging van het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" door het intrekken van enkele onderdelen" (IMRO-idn. NL.IMRO.0203.IB1056-0001), vastgesteld op 11 november 2014, verwerkt, waardoor enkele onderdelen (diverse locaties) van het moederplan "Buitengebied 2012" zijn ingetrokken. Daarnaast is het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" inmiddels vervangen door een aantal bestemmingsplannen (met op zichzelf staande bestemmingsplanregelingen, de zogenaamde postzegelplannen) en tevens een provinciaal inpassingsplan "Rondweg Voorthuizen N303" (met IMRO-idn. NL.IMRO.9925.IPN303Voorthuizen-VST1).

Deze plannen zijn niet relevant, in die zin dat ze geen planologische gevolgen hebben, voor onderhavig plan. Verder is een aantal uiteenlopende wijzigingsplannen door het college - met toepassing van de binnen het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" opgenomen wijzigingsbevoegdheden - en partiële herzieningen door de raad vastgesteld en verwerkt. De wijzigingsplannen en een deel van de partiële herzieningen zijn op perceelsniveau doorgevoerd en hebben geen directe invloed op (op het gehele grondgebied van) onderhavig plan. De volgende partiele herzieningen zijn doorgevoerd, waarbij ook de regels van het moederplan c.q. het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" zijn gewijzigd en daarmee wel van invloed zijn op onderhavig plan: Naam partiële herziening

IMRO-identificatienummer

Datum vastgesteld

4e partiële herziening Buitengebied 2012

NL.IMRO.0203.1268-0002

13-4-2016

Achterveldseweg IV, partiële herziening Buitengebied 2012

NL.IMRO.0203.1637-0002

20-4-2022

Apeldoornsestraat-Kieftveen, partiële herziening Buitengebied 2012

NL.IMRO.0203.1368-0002

14-12-2016

Bosbergerweg I, partiële herziening Buitengebied 2012

NL.IMRO.0203.1580-0002

3-2-2021

Dronkelaarseweg III, partiële herziening Buitengebied 2012

NL.IMRO.0203.1611-0002

26-5-2021

Elzenkamperweg I, partiële herziening Buitengebied 2012

NL.IMRO.0203.1467-0002

4-7-2018

Esvelderweg IV, partiële herziening Buitengebied 2012

NL.IMRO.0203.1397-0002

30-1-2019

Esvelderweg-Vinkekampweg, partiële herziening Buitengebied 2012

NL.IMRO.0203.1484-0002

22-5-2019

Garderbroekerweg-Harskamperweg, partiële herziening Buitengebied 2012

NL.IMRO.0203.1371-0002

24-5-2017

Grote Muntweg I, partiële herziening Buitengebied 2012

NL.IMRO.0203.1414-0002

31-1-2018

Harremaatweg I, partiële herziening Buitengebied 2012

NL.IMRO.0203.1366-0002

1-2-2017

Kapweg II, partiële herziening Buitengebied 2012

NL.IMRO.0203.1623-0002

6-10-2021

Kerkendelweg IV, partiële herziening Buitengebied 2012

NL.IMRO.0203.1440-0002

25-4-2018

Kerkweg III, partiële herziening Buitengebied 2012

NL.IMRO.0203.1510-0002

9-10-2019

Lange Zuiderweg V, partiële herziening Buitengebied 2012

NL.IMRO.0203.1475-0002

14-11-2018

Meentweg-Valkseweg, partiële herziening Buitengebied 2012

NL.IMRO.0203.1439-0002

7-3-2018

40

"Puurveenseweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)

Puurveenseweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012

Overhorsterweg II, partiële herziening Buitengebied 2012

NL.IMRO.0203.1485-0002

10-7-2019

Parapluherziening De Puurveense Molen

NL.IMRO.0203.1248-0002

30-9-2014

Parapluherziening Molenbiotopen

NL.IMRO.0203.1598-0002

21-4-2021

Parapluherziening functieveranderingsbeleid 2016 en woninginhoud

NL.IMRO.0203.1391-0002

5-7-2017

partiële herziening bestemmingsplan Buitengebied 2012

NL.IMRO.0203.1241-0001

25-2-2014

Plaggenweg I, partiële herziening Buitengebied 2012

NL.IMRO.0203.1370-0002

1-2-2017

Sleedoornweg II, partiële herziening Buitengebied 2012

NL.IMRO.0203.1626-0002

6-10-2021

Tolnegenweg I, partiële herziening Buitengebied 2012

NL.IMRO.0203.1596-0002

18-3-2021

Tweede partiele herziening Buitengebied 2012

NL.IMRO.0203.1253-0003

8-7-2014

Vergroten inhoud woningen, partiële herziening Buitengebied 2012

NL.IMRO.0203.1376-0002

1-2-2017

Verzamelherziening Buitengebied 2012

NL.IMRO.0203.1349-0002

8-11-2017

Vinkelaar II, partiële herziening Buitengebied 2012

NL.IMRO.0203.1421-0002

7-3-2018

Vrouwenweg I, partiële herziening Buitengebied 2012

NL.IMRO.0203.1501-0002

10-7-2019

Welgelegenweg III, partiële herziening Buitengebied 2012

NL.IMRO.0203.1503-0002

10-7-2019

Zeumerseweg I, partiële herziening Buitengebied 2012

NL.IMRO.0203.1529-0002

11-12-2019

"Puurveenseweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)

41

Puurveenseweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012

42

"Puurveenseweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)

Puurveenseweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012

Regels

"Puurveenseweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)

43

Puurveenseweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012

Hoofdstuk 1

Inleidende regels

De regels van Hoofdstuk 1 van de regels van het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" worden niet herzien.

Artikel 1

Begrippen

In dit plan wordt verstaan onder: 1.1

plan

het bestemmingsplan ''Puurveenseweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012'' met identificatienummer NL.IMRO.0203.1708-0002 van de gemeente Barneveld; 1.2

bestemmingsplan "Buitengebied 2012"

het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" met identificatienummer NL.IMRO.0203.1056-0004, vastgesteld door de gemeenteraad van Barneveld d.d. 28 mei 2013, en zoals nadien door het college gewijzigd en in werking getreden, door de raad herzien en in werking getreden en zoals gewijzigd door een intrekkingsbesluit van de raad;

44

"Puurveenseweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)

Puurveenseweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012

Hoofdstuk 2

Bestemmingsregels

De regels van Hoofdstuk 2 van de regels van het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" worden niet herzien.

Artikel 2

Agrarisch

De regels van artikel 3 van de regels van het bestemmingsplan Buitengebied 2012 worden niet herzien.

Artikel 3

Wonen

De regels van artikel 20 van de regels van het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" worden niet herzien.

"Puurveenseweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)

45

Puurveenseweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012

Hoofdstuk 3

Algemene regels

De regels van Hoofdstuk 3 van de regels van het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" worden niet herzien. In dit plan wordt verstaan onder:

Artikel 4 4.1

Schakelbepaling partiële herziening

van toepassing verklaring

Op deze partiële herziening zijn van toepassing de regels en verbeelding welke deel uitmaken van het bestemmingsplan "Buitengebied 2012", met dien verstande dat de verbeelding en regels worden herzien op de wijze zoals aangegeven in de artikelen 4.2 en 4.3. 4.2

herziening verbeelding

De verbeelding van het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" wordt herzien ter plaatse van het plangebied, zoals weergegeven in de verbeelding van deze partiële herziening, in die zin dat: het gehele agrarische bouwvlak en de functieaanduiding 'intensieve veehouderij' vervallen; e. twee bestemmingsvlakken 'Wonen' worden toegevoegd, waar ter plaatse de bestemming 'Agrarisch' vervalt; f. de aanduiding 'bouwvlak' wordt aan beiden bestemmingsvlakken 'Wonen' toegevoegd; g. de maatvoeringsaanduiding 'maximum volume (m³)' wordt aan het noorderlijke bestemmingsvlak 'Wonen' toegevoegd; h. twee gebiedsaanduidingen 'overige zone - voorwaardelijke verplichting 1' en 'overige zone voorwaardelijke verplichting 2' worden toegevoegd op het hele plangebied; De verbeelding van het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" wordt voor het overige niet herzien. 4.3

herziening regels

De regels van het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" worden herzien in die zin dat de regels worden aangepast op de wijze zoals opgenomen in artikel 6.1 van de regels van deze partiële herziening. De regels van het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" wordt voor het overige niet herzien.

Artikel 5

Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 6

Algemene aanduidingsregels

Aan de regels van het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" wordt in het artikel Algemene aanduidingsregels het volgende toegevoegd: 6.1

voorwaardelijke verplichting

6.1.1

overige zone - voorwaardelijke verplichting 1

Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - voorwaardelijke verplichting 1' geldt - in afwijking van de daar geldende bestemming(en) - dat het gebruik volgens de bestemming(en) alleen is toegestaan op voorwaarde dat binnen één jaar na het inwerkingtreden van dit bestemmingsplan de gronden binnen deze bestemming zijn ingericht en vervolgens ingericht blijven overeenkomstig het inrichtingsplan en beheersplan, zoals opgenomen in Bijlage 2; Indien niet aan deze verplichting wordt voldaan is het als zodanig gebruiken van de gronden waarvoor een verplichte inrichting is voorgeschreven in strijd met deze bestemming.

46

"Puurveenseweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)

Puurveenseweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012

6.1.2

overige zone - voorwaardelijke verplichting 2

Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - voorwaardelijke verplichting 2' geldt dat gebruik volgens de bestemming toegestaan is als de “voormalige drupzone” (zoals beschreven is in Bijlage 1) onder milieukundige begeleiding is gesaneerd.

"Puurveenseweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)

47

Puurveenseweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012

Hoofdstuk 4

Overgangs- en slotregels

De regels van Hoofdstuk 4 van de regels van het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" worden niet herzien. In dit plan wordt verstaan onder:

Artikel 7 7.1

Overgangsrecht

Overgangsrecht bouwwerken

1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot: a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. 2. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan. 7.2

Overgangsrecht gebruik

1. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. 2. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. 3. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. 4. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Artikel 8

Slotregel

Deze regels worden aangehaald als: Regels van het plan "Puurveenseweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012" van de gemeente Barneveld.

Behoort bij het besluit van de raad van de gemeente Barneveld

48

"Puurveenseweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)

Puurveenseweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012

Bijlagen

"Puurveenseweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)

49

Puurveenseweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012

Bijlage 1 Verkennend bodem- en asbestonderzoek

50

"Puurveenseweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)

De heer G. van Geresteijn Verkennend bodem- en asbestonderzoek op de locatie aan de Puurveenseweg 4-01 te Kootwijkerbroek Projectnummer: 220397/dh/sh Datum: 8 juni 2022

Opdrachtgever De heer G. van Geresteijn Puurveenseweg 4-01 3774 PJ KOOTWIJKERBROEK Hunneman Milieu-Advies Raalte BV Postbus 253 8100 AG RAALTE Tel: 0572-360998 E-mail: info@hunneman-milieu.nl

BRL-SIKB 2000

INHOUDSOPGAVE 1

INLEIDING............................................................................................................................. 1

2

VOORONDERZOEK ............................................................................................................ 2

2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 3

VELD- EN LABORATORIUM ONDERZOEK .................................................................. 7

3.1 3.2 3.3 3.4 4

ONDERZOEKSAANLEIDING ................................................................................... 2 ACHTERGRONDINFORMATIE................................................................................. 2 HISTORISCHE INFORMATIE ................................................................................... 3 BODEMOPBOUW EN GEOHYDROLOGIE ................................................................. 4 HYPOTHESE EN ONDERZOEKSSTRATEGIE ............................................................. 5 BETROUWBAARHEID ONDERZOEK ........................................................................ 6 VELDONDERZOEK ................................................................................................. 7 LABORATORIUM ONDERZOEK .............................................................................. 8 TOETSINGSCRITERIA EN ANALYSERESULTATEN NEN-PARAMETERS................... 8 TOETSINGSCRITERIA EN ANALYSERESULTATEN ASBEST ................................... 11

INTERPRETATIE ONDERZOEKSRESULTATEN ....................................................... 12

4.1 4.2 4.3

ASBESTONDERZOEK ........................................................................................... 12 VASTE BODEM EN GRONDWATER ....................................................................... 12 CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN ...................................................................... 13

BIJLAGEN: 1 2 3 4 5

Kadastraal overzicht Boorbeschrijvingen Toetsingstabellen en analyserapporten vaste bodem, grondwater en asbest Monsternemingsplan en -formulier asbest Historische informatie

TEKENING 1-1 Situatie met monsterpunten, peilbuis en contourlijn asbest

_______________________________________ Hunneman Milieu-Advies ______________

1

INLEIDING

In opdracht van der heer G. van Geresteijn is in mei 2022, door Hunneman Milieu-Advies Raalte BV, een verkennend bodemonderzoek, in combinatie met een verkennend asbestonderzoek uitgevoerd op de locatie aan Puurveenseweg 4-01 te Kootwijkerbroek. Voor een kadastraal overzicht van de onderzoekslocatie en omgeving verwijzen wij naar bijlage 1. Het onderzoek is uitgevoerd naar aanleiding van de voorgenomen bestemmingswijzing van de locatie. Het onderzoek heeft tot doel een actueel en betrouwbaar inzicht te geven in de milieuhygiënische bodemkwaliteit. Het veldwerk, de grond- en/of grondwaterbemonstering en het laboratoriumonderzoek zijn uitgevoerd conform de geldende beoordelingsrichtlijn “Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek” BRL-SIKB 2000. Voor deze richtlijn is Hunneman Milieu-Advies Raalte BV in het bezit van een procescertificaat, welke is afgegeven door KIWA.

De van toepassing zijnde protocollen in dit onderzoek zijn: ☒ 2001: Plaatsen van handboringen en peilbuizen, maken van boorbeschrijvingen, nemen van grondmonsters en waterpassen ☒ 2002: Het nemen van grondwatermonsters ☐ 2003: Veldwerk bij milieuhygiënisch waterbodemonderzoek ☒ 2018: Maaiveldinspectie en monsterneming van asbest in bodem Het procescertificaat van Hunneman Milieu-Advies Raalte BV (certificaatnummer K26828) en het hierbij behorende keurmerk zijn uitsluitend van toepassing op de activiteiten inzake “Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek”. Hunneman MilieuAdvies Raalte BV is geen eigenaar van de te onderzoeken percelen en is onafhankelijk van de opdrachtgever en/of terreineigenaar. Het rapport is als volgt ingedeeld: • Vooronderzoek • Veld- en laboratorium onderzoek • Interpretatie onderzoeksresultaten

Verkennend bodem- en asbestonderzoek, Puurveenseweg 4-01 te Kootwijkerbroek

(hoofdstuk 2); (hoofdstuk 3); (hoofdstuk 4).

1

_______________________________________ Hunneman Milieu-Advies ______________

2

VOORONDERZOEK

In de NEN-5725 zijn 7 aanleidingen tot vooronderzoek naar landbodems geformuleerd. Voor elke afzonderlijke aanleiding tot vooronderzoek dienen verschillende onderzoeksvragen te worden beantwoord. De verplicht te onderzoeken aspecten zijn per aanleiding omschreven in tabel 1. Tabel 1:

verschillende onderzoeksaspecten ONDERZOEKSASPECTEN

1. locatiegegevens

eigendomssituatie hoogteligging 2.bodemopbouw en bodemopbouw geohydrologie antropogene lagen in de bodem geohydrologie 3. verwachting t.a.v. de geval van ernstige bodemverontreiniging bodemkwaliteit kwaliteit o.b.v. BKK o.b.v. uitgevoerde bodemonderzoeken 4. gebruik/beïnvloeding van voormalig de locatie, verdachte huidig situatie, activiteiten, toekomst ongewoon voorval asbestverdacht 5. terreinverkenning voorafgaand aan de uitvoering

Aanleidingen tot vooronderzoek A

B

O

O

       

  

 

O  O   

C

D

E

F

 

  

  

   

    

 

 

     O  

G

          

A. bodemonderzoek, par. 6.2.1; E. opstellen/ actualiseren bodemkwaliteitskaart (Bbk), par. 6.2.5; F. gebruik bodemkwaliteitskaart (Bbk), par. 6.2.6; B. nul‐ en eindsituatieonderzoek, par. 6.2.2; G. inschatten van arbeidshygiënische risico’s, par. 6.2.7. C. bodemkwaliteitsklasse (Bbk), par. 6.2.3; D. partijkeuring, par. 6.2.4; Verplicht onderzoeksaspect. Indien niet van toepassing, wordt dit vermeld en gemotiveerd O Optioneel

2.1

Onderzoeksaanleiding

Het vooronderzoek is uitgevoerd conform de paragraaf 6.2.1 “opstellen hypothese bodemkwaliteit ten behoeve van een bodemonderzoek” uit de NEN-5725. Voor het vooronderzoek zijn de volgende bronnen geraadpleegd:  informatie verstrekt door de opdrachtgever;  terreininspectie voorafgaand aan de veldwerkzaamheden;  informatie Omgevingsdienst de Vallei;  informatie gemeente Barneveld;  asbestdakenkaart Provincie Gelderland;  omgevingsrapportage Provincie Gelderland;  www.bodemloket.nl;  www.topotijdreis;  Bagviewer;  Kadaster;  grondwaterkaart van Nederland. De onderzoeksvragen voor het opstellen van de onderzoekshypothese en de gekozen onderzoeksstrategie zijn, voor zover relevant, in de onderstaande paragrafen nader toegelicht. De relevante gegevens zijn opgenomen in bijlage 5. 2.2

Achtergrondinformatie

De onderzoekslocatie is gesitueerd aan de Puurveenseweg 4-01 in Kootwijkerbroek en staat kadastraal bekend als: gemeente Barneveld, sectie C, nummers 5829, 9946 (ged.) en 9947. De oppervlakte van de onderzoekslocatie bedraagt circa 3.950 m2. Op de locatie zijn twee woonhuizen met diverse opstallen aanwezig. De eerste opstallen dateren uit 1963 en de laatste uit 1975. Het maaiveld is deels voorzien van klinkers en deels braakliggend. Het voornemen bestaat om de opstallen C en E (gedeeltelijk) te slopen. Voor de inrichting van het terrein verwijzen wij naar figuur 1 en tekening 1-1.

Verkennend bodem- en asbestonderzoek, Puurveenseweg 4-01 te Kootwijkerbroek

2

_______________________________________ Hunneman Milieu-Advies ______________

Figuur 1: huidige en nieuwe situatie

2.3

Historische informatie

Voor zover bekend hebben op de locaties geen activiteiten/calamiteiten plaatsgevonden die de milieuhygiënische bodemkwaliteit negatief kunnen hebben beïnvloed. De locatie is voor zover bekend niet eerder onderzocht. Uit informatie van Topotijdreis blijkt dat de locatie in de jaren 50 deels in gebruik was als boomgaard (zie figuur 3). Figuur 2 en 3: situatie 1950 en 1980

Figuur 4 en 5: situatie 1995 en 2021

Op basis van de asbestdakenkaart zijn binnen de onderzoekslocatie diverse asbestdaken aanwezig of aanwezig geweest (zie figuur 6).

Verkennend bodem- en asbestonderzoek, Puurveenseweg 4-01 te Kootwijkerbroek

3

_______________________________________ Hunneman Milieu-Advies ______________

Figuur 6: asbestdakenkaart Provincie Gelderland

2.4

Bodemopbouw en geohydrologie

Regionale bodemopbouw Voor de bodemgegevens en geohydrologische informatie is gebruik gemaakt van de grondwaterkaart van Nederland (rapport 32 oost, TNO-DGV, 1985). De regionale bodemopbouw is weergegeven in tabel 2. Tabel 2:

schematische voorstelling van de regionale bodemopbouw

pakket

diepte (m-mv)

samenstelling

1e, 2e en 3e WVP Form. van Twente, Drente, Urk, Sterksel en Enschede

0 – 125

uiterst fijn tot uiterst grof zand, soms slib- of leemhoudend

Scheidende laag Form. van Harderwijk en Tegelen

125 – 130

klei

130 - 190

fijne zanden, dunne kleilagen en schelpenbanken

4e WVP Form. van Oosterhout, Maassluis, Tegelen en Harderwijk Hydrologische basis Form. van Oosterhout

>190

klei

Toelichting: WVP= watervoerend pakket

Grondwaterstroming In het eerste watervoerend pakket stroomt het grondwater in westelijke richting.

Verkennend bodem- en asbestonderzoek, Puurveenseweg 4-01 te Kootwijkerbroek

4

_______________________________________ Hunneman Milieu-Advies ______________

2.5

Hypothese en onderzoeksstrategie

Op basis van de geïnventariseerde gegevens is de locatie grotendeels onverdacht voor bodemverontreiniging, met uitzondering van de mogelijke aanwezigheid van asbest in de actuele contactzone/drupzones. Het bodemonderzoek is uitgevoerd conform de onderzoeksstrategie bij een verkennend bodemonderzoek op niet verdachte locaties (strategie “ONV” uit de NEN 5740). De grond(water)monsters zijn aanvullend geanalyseerd op de parameters arseen en chroom. De bovengrond is aanvullend geanalyseerd op OCB’s. Vanwege variatie in bodemopbouw zijn extra NEN pakketten ingezet. Naar aanleiding van de analyseresultaten is aanvullend chemisch onderzoek uitgevoerd. Op basis van de historische informatie is in aanvulling op het verkennend bodemonderzoek een verkennend asbestonderzoek uitgevoerd, conform de onderzoeksstrategie op een verdachte locatie strategie 6.4.5 uit de NEN-5707. Het onderzoek is gecombineerd met het onderzoek ter plaatse van de “drupzones” van de asbestdaken. Het uitgevoerde veld- en laboratoriumonderzoek is samengevat in tabel 3. Tabel 3:

veld- en laboratoriumonderzoek

sublocatie/onderdeel

verkennend NEN-5740 opp. < 4.000 m2 deels boomgaard uitsplitsing MM-02 asbestonderzoek erf asbestonderzoek drupzone gebouw C, E, F en G

veldonderzoek boringen tot waarvan tot met 0,5 m-mv > 2 m-mv peilbuis

laboratoriumonderzoek vaste bodem

grondwater

14

3

1

5 x NEN-grond

1 x NEN-water

@ 14@

@ 3@

-

3 x OCB 6 x zink 3 x asbest grond

-

16 + 4@

2

-

6 x asbest grond

-

#: putjes 30 x 30 cm i.c.m. verkennend onderzoek

@: gecombineerd met onverdacht

*: inclusief arseen en chroom

De samenstelling van de in tabel 3 genoemde “NEN-pakketten” is samengevat in tabel 4. Tabel 4:

samenstelling NEN Pakketten

Parameters zware metalen barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink PCB’s PAK polycyclische aromatische koolwaterstoffen minerale olie vluchtige aromaten (incl. naftaleen en styreen) VCK (vluchtige chloorkoolwaterstoffen) bromoform

NEN-grond

NEN-grondwater

X

X

X X X -

X X X X

Verkennend bodem- en asbestonderzoek, Puurveenseweg 4-01 te Kootwijkerbroek

5

_______________________________________ Hunneman Milieu-Advies ______________

2.6

Betrouwbaarheid onderzoek

Onderhavig onderzoek beschrijft de actuele bodemkwaliteit en heeft alleen betrekking op de bodem van de terreindelen, welke zijn beschreven in het vooronderzoek van deze rapportage. De in het vooronderzoek geraadpleegde bronnen kunnen mogelijk onvolledig zijn. Het kan voorkomen dat niet alle bronnen zijn geraadpleegd, doordat ze niet voorhanden waren. Hierdoor kan informatie ontbreken. Dit onderzoek is op een zorgvuldige wijze uitgevoerd, conform de huidige richtlijnen en methoden op het gebied van bodemonderzoek. Het onderzoek is gebaseerd op het nemen van een, conform de geldende richtlijnen, representatief geacht aantal monsters. Bij het interpreteren van de onderzoeksresultaten moet rekening worden gehouden met het feit dat analyses mogelijk zijn uitgevoerd op basis van mengmonsters, waardoor lokaal hogere concentraties van de onderzochte stoffen niet zijn uit te sluiten. Tevens kan geen uitspraak worden gedaan omtrent de bodemkwaliteit van niet onderzochte (verdachte) deellocaties en blijft het mogelijk dat lokaal voorkomende verontreinigingen niet zijn ontdekt. Een bodemonderzoek betreft een momentopname. De resultaten van het onderzoek kunnen minder representatief worden naarmate de tijd verstrijkt. Eventuele toekomstige activiteiten, calamiteiten, sloopwerkzaamheden, bouwrijp maken en/of aanvoer van grond van elders, kunnen de bodemkwaliteit (sterk) beïnvloeden.

Tijdens werkzaamheden in de bodem dient men alert te blijven op waarneembare bijzonderheden, die kunnen duiden op eventuele verontreinigingen. Het onderzoek moet worden beoordeeld als één geheel, en betreft een inschatting van de bodemkwaliteit, op een bepaald moment. Het onderzoek is gebaseerd op informatie van derden en het verrichten van een beperkt aantal boringen en analyses, conform de geldende richtlijnen. Hierdoor is het mogelijk dat niet alle informatie is verkregen, dan wel dat niet alle afwijkingen in de bodem zijn geconstateerd. Voor eventueel hieruit voortvloeiende schade en/of gevolgen aanvaardt Hunneman Milieu-Advies Raalte BV op geen enkele wijze aansprakelijkheid.

Verkennend bodem- en asbestonderzoek, Puurveenseweg 4-01 te Kootwijkerbroek

6

_______________________________________ Hunneman Milieu-Advies ______________

3

VELD- EN LABORATORIUM ONDERZOEK

3.1

Veldonderzoek

Het veldonderzoek is uitgevoerd op 16 en 25 mei 2022 door de gecertificeerde medewerker dhr. R. Roelofs van Hunneman Milieu-Advies Raalte BV. Voor het verkennend bodemonderzoek zijn 30 handboringen uitgevoerd (1 t/m 30), waarvan 1 boring is afgewerkt als peilbuis. De maximale boordiepte bedraagt 3,4 m-mv. Voorafgaand aan het verkennend asbestonderzoek is een maaiveldinspectie uitgevoerd. Tijdens de maaiveldinspectie is op het maaiveld geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. Voor het verkennend asbestonderzoek zijn de monsterpunten uit het verkennend bodemonderzoek handmatig gegraven tot maximaal 0,5 m-mv, met een minimale oppervlakte van 0,09 m2 (30 x 30 cm). De monsterpunten zijn met behulp van een grondboor (diameter 12 cm) doorgezet tot de onderliggende/ongeroerde bodemlaag. De opgegraven grond is uitgespreid over een zeef, met een maaswijdte van 20 mm. Het achterblijvende residu op de zeef is geïnspecteerd op de aanwezigheid van asbestverdacht materiaal en afval- en puinrestanten. Van de uitgezeefde grond zijn mengmonsters samengesteld van de drupzone (0,0-0,2 m-mv) en/of actuele contactzone (0,0-0,5 m-mv), voor de analytische bepaling van asbest in grond. In bijlage 4 zijn de monsternameformulieren asbest opgenomen. Voor de situatie van de monsterpunten en peilbuis verwijzen wij naar tekening 1-1.

Bodemopbouw In het veld zijn de fysische bodemeigenschappen per monsterpunt en bodemlaag beschreven. De beschrijvingen van de bodemprofielen zijn opgenomen in bijlage 2, en samengevat in tabel 5. Tabel 5: traject (m-mv) 0,0 ~ 0,07

samenvatting van het lokaal aangetroffen bodemprofiel hoofdnaam

toevoeging

klinkergras

0,07 ~ 1,0

zand, matig fijn

zwak siltig, zwak tot matig humeus, lokaal grindig

1,0 ~ 3,4

zand, matig fijn

zwak siltig grondwaterstand: circa 1,2 m-mv

Zintuiglijke waarnemingen Tijdens het veldonderzoek is de opgeboorde grond beoordeeld op zintuiglijk waarneembare verontreinigingsindicaties. Hierbij is gebruik gemaakt van de olie/watertest (O/W-test) en is gelet op afwijkende kleur of geur van de bodem. Zintuiglijk zijn in de bovengrond sporen puin waargenomen. In de bodem is zintuiglijk geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. Eventuele bijzonderheden zijn weergegeven in de boorbeschrijvingen (bijlage 2). Monstername Voor het chemisch onderzoek zijn uit de boringen, van iedere 0,5 m (0,2 m bij monstername met steekbus) of onderscheiden bodemlaag, monsters genomen. Op de deellocaties, waar de vluchtige verbindingen de kritische parameters zijn, is de monstername, voor zover technisch mogelijk, verricht met een steekbus. Het grondwater uit de geplaatste peilbuis is na een standtijd van minimaal een week bemonsterd. De zuurgraad (pH), de elektrische geleidbaarheid (EC) en de troebelheid (NTU) van het grondwater zijn in het veld gemeten. De meetresultaten zijn weergegeven in tabel 7.

Verkennend bodem- en asbestonderzoek, Puurveenseweg 4-01 te Kootwijkerbroek

7

_______________________________________ Hunneman Milieu-Advies ______________

3.2

Laboratorium onderzoek

Op basis van de gehanteerde onderzoeksstrategie en waarnemingen uit het veld zijn (meng)monsters samengesteld voor analyse. De samenstelling van de (meng)monsters is weergegeven in tabel 6 en 8. De analyses zijn uitgevoerd door een door de RvA geaccrediteerd laboratorium, welke door het Ministerie van Infrastructuur en Milieu is erkend om, in het kader van de Wet Bodembescherming (Wbb) en het Besluit bodemkwaliteit (Bbk), analyses uit te voeren conform AS-3000 en AP-04. De analyserapporten van het laboratorium zijn opgenomen in bijlage 3. De resultaten van de analyses zijn weergegeven in tabel 6 t/m 8. 3.3

Toetsingscriteria en analyseresultaten NEN-parameters

Het toetsingskader voor de vaste bodem en het grondwater is afkomstig uit de “Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013” (Staatscourant 27 juni 2013, nr. 16675). De toetsing van de analyseresultaten vindt plaats conform de door het Rijk beschikbaar gestelde Bodem Toets- en Validatieservice (BoToVa). De vaste bodem wordt getoetst aan de achtergrond- en interventiewaarden. Het grondwater wordt getoetst aan de streef- en interventiewaarden. De meetwaarden voor de vaste bodem zijn afhankelijk gesteld van de gemeten organische stof- en/of lutumgehalten van de bodem, die meestal afwijken van de gehalten van de Standaardbodem. De volgende toetsingswaarden worden onderscheiden: AW/S(•)1:De achtergrond- en/of streefwaarden geven het niveau aan waar beneden sprake is van een duurzame bodemkwaliteit. De waarden hebben betrekking op de in de natuur voorkomende achtergrondgehalten of detectiegrenzen bij stoffen die niet in natuurlijke milieus voorkomen. T (••)1:

De tussenwaarde betreft het gemiddelde van de interventiewaarde + achtergrondwaarde of streefwaarde waarboven, in beginsel, een nader onderzoek noodzakelijk is.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Barneveld&id=a0c21093-8b32-400a-9484-1ef12206f208