Bloemendal IIb_Toelichting_Bijlage 20 Ecologie, quickscan flora en fauna (2020)
Tekst van het document
QUICKSCAN FLORA EN FAUNA BLOEMENDAL FASE 2A & 2B Gemeente Barneveld 29 SEPTEMBER 2020
QUICKSCAN FLORA EN FAUNA BLOEMENDAL FASE 2A & 2B
Contactpersoon FOLKERT VOLBEDA
Arcadis Nederland B.V. Postbus 264 6800 AG Arnhem Nederland
Onze referentie: D10011754:67 - Datum: 29 september 2020
2 van 25
QUICKSCAN FLORA EN FAUNA BLOEMENDAL FASE 2A & 2B
INHOUDSOPGAVE 1
2
3
4
INLEIDING
4
1.1
Aanleiding
4
1.2
Leeswijzer
4
PLANGEBIED EN INGREEP
5
2.1
Huidige situatie
5
2.2
Voorgenomen ingreep
6
VOORKOMEN BESCHERMDE SOORTEN
7
3.1
Methode
7
3.2
Aanwezigheid beschermde soorten
8
3.3
Effectbeschrijving
12
3.4
Toetsing
13
3.4.1
Beschermingscategorieën relevante soorten
13
3.4.2
Overtreding verbodsbepalingen
13
Vogelrichtlijnsoorten
13
Habitatrichtlijnsoorten
14
Andere soorten
14
3.5
Vervolg
14
3.5.1
Soortgericht onderzoek
14
3.5.2
Mitigerende maatregelen
15
CONCLUSIE
16
Soortbescherming
18
COLOFON
25
Onze referentie: D10011754:67 - Datum: 29 september 2020
3 van 25
QUICKSCAN FLORA EN FAUNA BLOEMENDAL FASE 2A & 2B
1
INLEIDING
1.1
Aanleiding
De gemeente Barneveld heeft het voornemen om te starten met de realisatie (fase 2a en fase 2b) van de nieuwbouwwijk Bloemendal in Barneveld. Als gevolg van het voornemen is mogelijk sprake van negatieve effecten op beschermde soorten in het kader van de soortbescherming van de Wet natuurbescherming (verder Wnb), met mogelijk overtreding van verbodsbepalingen tot gevolg. Gemeente Barneveld heeft Arcadis gevraagd om een quickscan flora en fauna uit te voeren om te beoordelen of beschermde soorten mogelijk voorkomen en de mogelijke effecten hierop in beeld te brengen.
1.2
Leeswijzer
In het volgende hoofdstuk is een beschrijving van het plangebied bestaande uit twee deelgebieden in de huidige situatie opgenomen, evenals een beschrijving van de voorgenomen ingreep. Hoofdstuk 3 betreft de aanwezigheid van onder Wnb beschermde soorten met effectbeschrijving en toetsing. Bijlage A beschrijft het wettelijk kader van soortbescherming onder Wnb. Bijlage B toont een sfeerimpressie van het plangebied.
Onze referentie: D10011754:67 - Datum: 29 september 2020
4 van 25
QUICKSCAN FLORA EN FAUNA BLOEMENDAL FASE 2A & 2B
2
PLANGEBIED EN INGREEP
2.1
Huidige situatie
De bouw van de nieuwbouwwijk is gepland ten noorden van “Mixed hockeyclub Barneveld” op percelen gelegen tussen de Bloemendaallaan (oostelijk gelegen) en de Nijkerkerweg (westelijk gelegen) (zie Figuur 1). Deze percelen bestaan nu deels uit akkers, weide en een braakliggend terrein. De percelen worden omsloten door zwak stromende en soms drooggevallen watergangen. Hier en daar zijn boomsingels aanwezig langs randen van percelen en om de aanwezige bebouwing heen. Belangrijkste aanwezige soorten zijn els, berk, wilg en eik. De bebouwing op de percelen bestaat uit vrijstaande huizen of boerderijen (zowel nieuw als oud) met pannendaken en stallen of schuren (zie Bijlage B voor een sfeerimpressie).
Figuur 1. Het plangebied, bestaande uit twee deelgebieden geel en rood omkaderd, gelegen in het noordwesten van Barneveld.
Noordelijk deelgebied Het noordelijk gelegen deelgebied (geel omkaderd in Figuur 3) bestaat uit drie vrijstaande woningen met stallen of schuren en omliggende percelen. Van deze woningen zijn twee gerenoveerd/nieuwbouw (Nijkerkerweg 126 en 126-1) en één oude boerderij (Nijkerkerweg 128). De percelen bestaan uit akkers (mais) en weide (raaigras). Ten oosten en noordoosten worden de percelen afgescheiden door een boomsingel bestaande uit voornamelijk elzen, met enkele berken en wilgen. Zuidelijk deelgebied Het zuidelijk gelegen deelgebied (rood omkaderd in Figuur 3) bestaat uit drie vrijstaande woningen (Bloemendaallaan 77 t/m 81) waarvan één boerderij (nr. 77) met voormalige koeienstal. Het bedrijf heeft geen agrarische functie meer. Naast de Bloemendaallaan aan de oostzijde staan eiken met in de Onze referentie: D10011754:67 - Datum: 29 september 2020
5 van 25
QUICKSCAN FLORA EN FAUNA BLOEMENDAL FASE 2A & 2B
noordoostelijke hoek een kleine gemengde opstand, bestaande uit eik, berk en cipres. De omliggende percelen bestaan uit weide, (raaigras) akkerland, (mais) en braakliggend land aangrenzend aan de sportvelden.
2.2
Voorgenomen ingreep
Voornemen Het voornemen is om de huidige deelgebieden volledig her in te richten voor de realisatie van een nieuwbouwwijk. Uitgangspunt voor deze quickscan is dat alle huidige vegetatie en bomen zullen verdwijnen en dat mogelijk aanwezige watergangen gedempt of verlegd zullen worden. Binnen het noordelijk deelgebied, aan de Nijkerkerweg 126 en 128, geld dat twee schuren en mogelijk een deel van een schuur zullen verdwijnen (zie Figuur 2 links). Binnen het zuidelijk deelgebied, aan de Bloemendaallaan 83, geld dat één schuur zal verdwijnen (zie Figuur 2 rechts).
Figuur 2. De te slopen schuren, met links: gelegen aan de Nijkerkerweg 126 en 128 twee schuren en mogelijk een deel van een schuur. En rechts: gelegen aan de Bloemendaallaan 83 één schuur.
Planning Start werkzaamheden: • •
fase 2a na de zomer van 2021 fase 3b BRM beginnen aan het einde van 2021
Doorlooptijd en @maand/jaar@ van oplevering zijn reeds nog niet bekend <PM>
Onze referentie: D10011754:67 - Datum: 29 september 2020
6 van 25
QUICKSCAN FLORA EN FAUNA BLOEMENDAL FASE 2A & 2B
3
VOORKOMEN BESCHERMDE SOORTEN
De bescherming van soorten valt onder de Wet natuurbescherming (hoofdstuk 3 Wnb). Het wettelijk kader is opgenomen in Bijlage A. Om het voorkomen van beschermde soorten aan te tonen of mogelijk uit te sluiten is een quickscan uitgevoerd. Op basis van de uitkomsten van deze quickscan worden de effecten van het voornemen getoetst op mogelijk aanwezige beschermde soorten.
3.1
Methode
De quickscan is uitgevoerd door middel van een bureauonderzoek en een veldbezoek. Voor het bureauonderzoek is gebruik gemaakt van vrij beschikbare informatie, zoals verspreidingsgegevens van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) van de afgelopen vijf jaar (01-01-2015 t/m 22-06-2020) voor mobiele soorten en van de afgelopen tien jaar (01-01-2010 t/m 22-06-2020) voor flora. Daarnaast is gebruik gemaakt van de volgende bronnen: • • • • •
www.verspreidingsatlas.nl www.zoogdiervereniging.nl www.ravon.nl www.vlinderstichting.nl www.sovon.nl
Het veldbezoek is uitgevoerd op 23 juni 2020 in de ochtend tussen 9:00 en 13:00 door Stefan van den Akker en Bas van den Dries, beide ecologen van Arcadis. De omstandigheden tijdens het veldbezoek waren zonnig met deels bewolking, 25°C bij windkracht van 2 Bft. Het onderzoek bestond uit het uitvoeren van een habitatgeschiktheidsbeoordeling. Dit is een veldonderzoek waarbij op basis van de uitkomsten van het bureauonderzoek en de fysieke kenmerken van beide deelgebieden een indicatie wordt gegeven van het mogelijk voorkomen van beschermde plant- en diersoorten. Tijdens het veldbezoek is globaal geïnventariseerd of en welke soorten (mogelijk) in en om het gebied aanwezig zijn. Hierbij is aandacht besteed aan alle relevante soortgroepen en beoordeeld of mogelijke standplaatsen, verblijfplaatsen, voortplantingsplaatsen of leefgebieden binnen of in de directe omgeving van het ingreepgebied (kunnen) worden aangetast bij ontwikkelingen. Op 18 augustus 2020 is een aanvullend veldbezoek uitgevoerd om te controleren op boomholten voor potentiële vleermuisverblijven (zie Figuur 3).
Figuur 3. Aanvullend veldbezoek (blauw omcirkeld) naar boomholten voor potentiële vleermuisverblijven .
Onze referentie: D10011754:67 - Datum: 29 september 2020
7 van 25
QUICKSCAN FLORA EN FAUNA BLOEMENDAL FASE 2A & 2B
3.2
Aanwezigheid beschermde soorten
In Tabel 1 is per soortgroep weergegeven of en zo ja, welke beschermde soorten mogelijk voorkomen binnen één of beide deelgebieden (noord en zuid), op basis van zowel het bureauonderzoek als veldbezoek. Alle soorten vallen onder de zorgplicht en zijn daaronder beschermd. Hieronder wordt onder de conclusie aangegeven of streng of algemeen beschermde soorten mogelijk aanwezig zijn ja of nee. Tabel 1: Voorkomen en functie leefgebied van beschermde soorten binnen het projectgebied per relevante soortgroep. Soortgroep Aanwezigheid beschermde soorten / geschiktheid habitat Conclusie Flora Bureauonderzoek Beide deelgebieden Op basis van verspreidingsgebied en aanwezig biotoop, bestaande uit zijn ongeschikt voor agrarisch gebied met weilanden en akkers en sloten, komen mogelijk de het voorkomen van volgende beschermde plantensoorten voor: dreps, grote leeuwenklauw, beschermde flora. naakte lathyrus (verspreidingsatlas.nl). Deze zijn dan ook uitgesloten. • Dreps komt voor op winterrogge, -tarwe- en -gerstakkers op vochtige löss, leem en zandige klei. • De grote leeuwenklauw komt voornamelijk voor op graanakkers op löss, leem en zandige of zware klei. • De naakte lathyrus komt voor op graanakkers op krijt en in bermen. (verspreidingsatlas.nl)
Broedvogels zonder jaarrond beschermd nest
Veldbezoek Tijdens het veldbezoek is geen beschermde flora aangetroffen of geschikt habitat of standplaatsen voor beschermde flora. Het plangebied is te omschrijven als zeer voedselrijk door intensieve bemesting en een grote pluimveehouderij direct aangrenzend aan de oostzijde die voor stikstofdepositie zorgt. Aanwezigheid van beschermde flora is dan ook uitgesloten binnen beide deelgebieden. Bureauonderzoek Op basis van de NDFF zijn waarnemingen bekend van broedvogels zonder jaarrond beschermd nest binnen en in de directe omgeving van beide deelgebieden. Dit zijn soorten zoals de ringmus, zanglijster, bosrietzanger en zwartkop. Daarnaast zijn er waarnemingen bekend van de bosuil in de directe omgeving (park Oosterbosch) en huiszwaluw binnen beide deelgebieden (NDFF, SOVON). Veldbezoek Tijdens het veldbezoek zijn verschillende algemene broedvogels aangetroffen binnen beide deelgebieden zoals de kauw, ekster, kraai, koolmees, houtduif, Turkse tortel, kokmeeuw, witte kwikstaart, spreeuw, scholekster, boerenzwaluw en huiszwaluw. •
•
•
•
Algemeen beschermde broedvogels zijn aanwezig binnen beide deelgebieden. Het betreft geen essentieel leefgebied. Functie: broedgebied en foerageergebied.
De waargenomen algemene soorten komen veelal in de nabijheid van parken, tuinen en randen van steden of dorpen voor. De soorten zijn afhankelijk van bessen, zaden en/of insecten en wormen. Beide deelgebieden vormen geen essentieel leefgebied voor deze soorten gezien er voldoende alternatief in de directe omgeving aanwezig is. Voor de bosuil en scholekster is de aanwezigheid van bos en industrieterrein (grinddaken) van belang. Deze zijn aanwezig, aangrenzend aan het zuidelijk deelgebied. Beide soorten kunnen gebruik maken van beide deelgebieden om te foerageren, maar niet om te broeden. De boerenzwaluw broedt in open schuren en onder brede dakoverstekken en incidenteel ook op andere beschutte plaatsen (vogelbescherming.nl). Geschikte bebouwing is aanwezig binnen beide deelgebieden, met name aan de Nijkerkerweg 128 en de Bloemendaallaan 77. De soort broed onder de carport van Bloemendallaan 79. De huiszwaluw nestelt tegen gevels van allerlei gebouwen, liefst in open gebied. In beide deelgebieden komt deze soort voor in de
Onze referentie: D10011754:67 - Datum: 29 september 2020
8 van 25
QUICKSCAN FLORA EN FAUNA BLOEMENDAL FASE 2A & 2B
Soortgroep
Aanwezigheid beschermde soorten / geschiktheid habitat bebouwing, namelijk aan de Nijkerkerweg 126-1 en 128 en aan de woningen van de Bloemendaallaan 77.
Conclusie
De boerenzwaluw, huiszwaluw, scholekster en bosuil zijn categorie 5 soorten die landelijk een negatieve trend vertonen. Deze soorten verdienen extra aandacht, met name bij grootschalige ingrepen. Broedvogels met jaarrond beschermd nest
Bureauonderzoek Op basis van de NDFF zijn geen waarnemingen bekend van broedvogels met jaarrond beschermd nest binnen en in de directe omgeving van beide deelgebieden. Op basis van habitat komen soorten zoals de boomvalk, buizerd, huismus, ooievaar, roek, sperwer en steenuil mogelijk voor (NDFF, SOVON). Veldbezoek Tijdens het veldbezoek zijn huismussen en een buizerd (overvliegend) waargenomen in het noordelijk deelgebied. De bewoner van de boerderij aan de Nijkerkerweg 126 gaf aan dat een boomvalk in de directe omgeving (buiten beide deelgebieden) gebroed heeft tot 2018. In de boerderij aan de Nijkerkerweg 128 (noordelijk deelgebied) zijn huismusnesten aanwezig in de woning en opstallen. De bewoner van de boerderij aan de Bloemendaallaan 77 (zuidelijk deelgebied) gaf aan dat de steenuil er broedt in de nok van de voormalige koeienstal, hier zijn mestsporen gevonden. •
•
•
• •
Grondgebonden zoogdieren
Voor de boomvalk, buizerd en sperwer die jagen in open en halfopen landschap is in beide gebieden geschikt habitat aanwezig. Deze soorten verblijven en maken de nesten vaak hoog in de kruin van bomen, of kraken nesten van andere vogels zoals eksters en kraaien. Aanwezige (oude) nesten van buizerd zijn waargenomen tijdens het veldbezoek (zie Bijlage C). Beide deelgebieden zijn tevens geschikt als foerageergebied. Voor foerageergebied zijn alternatieven aanwezig in de directe omgeving. De huismus is, zoals beschreven, waargenomen binnen het noordelijk deelgebied (Nijkerkerweg 128) en net buiten het plangebied Nijkerkerweg 130. De nesten zijn aanwezig onder dakpannen. De soort is afhankelijk van de directe omgeving voor het vinden van voedsel, dit is aanwezig in de vorm van weiland direct naast de boerderij van 128 en de aanwezige tuinen in de omgeving. Hier zijn tijdens het veldbezoek foeragerende huismussen waargenomen. Tijdens het veldbezoek zijn geen nesten of kunstmatige nestgelegenheden aangetroffen van de ooievaar. Beide deelgebieden dienen mogelijk als foerageergebied. Er zijn voldoende alternatieven in de directe omgeving aanwezig. Binnen beide deelgebieden zijn geen nesten van roeken aangetroffen, wel is er geschikt foerageergebied aanwezig in beide deelgebieden.
De steenuil komt veelal voor in kleinschalige cultuurlandschappen met een variatie aan houtwallen, heggen, weides en knoestige bomen. De steenuil vindt zijn schuilplaatsen en broedholen met name in oude bomen, schuren en gebouwen. De voormalige koeienstal in het zuidelijk deelgebied (Bloemendaallaan 77) is geschikt voor deze soort. Hier zijn poepsporen van steenuil aangetroffen. De soort is tevens bij de bewoners bekend. De boerderij en opstallen in het noordelijk deelgebied aan de Nijkerkerweg 128 zijn ook geschikt.
Bureauonderzoek Op basis van de NDFF zijn geen waarnemingen bekend van grondgebonden zoogdieren binnen en in de directe omgeving van beide deelgebieden (NDFF, zoogdiervereniging.nl).
Onze referentie: D10011754:67 - Datum: 29 september 2020
Broedvogels met jaarrond beschermd nest zijn aanwezig binnen beide deelgebieden. De huismus is aanwezig in het noordelijk deelgebied (Nijkerkerweg 128) en broedt en foerageert hier. De buizerd inclusief nesten hiervan zijn waargenomen in het noordelijk deelgebied, kan in beide deelgebieden broeden en foerageren. Nesten kunnen gebruikt worden door boomvalk en sperwer. De steenuil is aanwezig in het zuidelijk deelgebied en broedt hier (Bloemendaallaan 77). Het noordelijk deelgebied (Nijkerkerweg 128) is ook geschikt als broedplek voor de steenuil. De soort kan in beide deelgebieden foerageren. Functie: broedgebied en foerageergebied.
Algemene soorten zijn niet uit te sluiten binnen beide deelgebieden.
9 van 25
QUICKSCAN FLORA EN FAUNA BLOEMENDAL FASE 2A & 2B
Soortgroep
Aanwezigheid beschermde soorten / geschiktheid habitat Op basis van habitat en verspreidingsgegevens zijn algemeen voorkomende soorten zoals de ree, egel, haas, konijn en veldmuis te verwachten. Naast algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren kunnen marterachtigen zoals de steenmarter, wezel, hermelijn en bunzing voorkomen. Veldbezoek Tijdens het veldbezoek zijn geen grondgebonden zoogdieren aangetroffen. Beide deelgebieden zijn geschikt voor algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren zoals ree, konijn, egel, haas veld- en woelmuis. Daarnaast zijn de drooggevallen sloten, oude schuren en het braakliggend terrein geschikt voor marterachtigen zoals de steenmarter, wezel, hermelijn en bunzing en zijn geschikte verblijfplaatsen aanwezigheid in de vorm van oude schuurtjes en rommelhoekjes in en om de boerderijen. In de directe omgeving van deze boerderijen zijn holen aanwezig van woel- of veldmuizen die als voedsel dienen voor marterachtigen.
Vleermuizen
Bureauonderzoek Op basis van de NDFF zijn geen waarnemingen bekend van vleermuizen binnen of in de directe omgeving van beide deelgebieden. Op basis van verspreidingsgebied kunnen soorten zoals de gewone- en ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, gewone grootoorvleermuis en laatvlieger voorkomen (NDFF, zoogdiervereniging.nl). Veldbezoek Tijdens het veldbezoek zijn enkele holten en spleten in bomen aangetroffen die mogelijk geschikt voor vleermuizen als verblijfplaats (zie bijlage C). De aanwezige woningen zijn potentieel geschikt voor gebouwbewonende soorten zoals de gewone dwergvleermuis en mogelijk ook de laatvlieger in zolderruimten. De schuur die zal verdwijnen aan de Nijkerkerweg 128 is mogelijk geschikt voor vleermuizen (zie Figuur 2).
Conclusie Marterachtigen zijn niet uit te sluiten binnen beide deelgebieden. Functie: leefgebied en foerageergebied.
Verblijfplaatsen van vleermuizen zijn niet uit te sluiten binnen beide deelgebieden. Functie: leefgebied, foerageergebied en mogelijke vliegroutes.
De singels zijn, naast potentiële verblijfplaatsen in de vorm van spleten en gaten in bomen of achter schors, geschikt als foerageergebied en maken mogelijk deel uit van een vliegroute van en naar foerageergebieden. De weilanden zelf, met name die met vee (koeien en schapen) zijn geschikt als foerageergebied vanwege de aanwezige insecten. Vleermuissoorten zijn niet uit te sluiten binnen beide deelgebieden. Op basis van het aanvullend veldbezoek zijn enkele bomen specifiek gecontroleerd op holten en daarmee potentiële verblijfplaatsen voor boombewonende soorten (zie Figuur 3). Tijdens dit bezoek zijn geen holten aangetroffen. Reptielen
Bureauonderzoek Er zijn geen waarnemingen bekend van reptielen (NDFF). Op basis van verspreidingsgebied en aanwezig habitat zijn geen reptielen te verwachten (verspreidingsatlas.nl). Reptielenpopulaties zijn niet bekend in het plangebied of de directe omgeving.
Het voorkomen van reptielen is uitgesloten.
Veldbezoek Het voorkomen van reptielen binnen beide deelgebieden is uitgesloten. Geschikt habitat ontbreekt binnen het plangebied. Amfibieën
Bureauonderzoek Op basis van de NDFF zijn geen waarnemingen bekend van amfibieën binnen en in de directe omgeving van beide deelgebieden. Op basis van
Onze referentie: D10011754:67 - Datum: 29 september 2020
Het voorkomen van algemene amfibieën is niet uitgesloten. 10 van 25
QUICKSCAN FLORA EN FAUNA BLOEMENDAL FASE 2A & 2B
Soortgroep
Aanwezigheid beschermde soorten / geschiktheid habitat verspreidingsgebied en aanwezig habitat zijn algemene soorten te verwachten zoals de bastaardkikker, gewone pad en kleine watersalamander. Daarnaast kunnen de alpenwatersalamander en rugstreeppad voorkomen (NDFF, RAVON). Veldbezoek Binnen beide deelgebieden zijn watergangen aanwezig in de vorm van sloten (eutroof), deze variëren qua breedte en diepte, met enkele droogstaande delen. De sloten met water zijn tamelijk diep, met steile oevers en beperkte onderwater- en oevervegetatie. Dit maakt ze enkel geschikt voor algemene soorten. Voor padden geldt dat ze niet gebonden zijn aan waterhoudend habitat en kunnen voorkomen binnen het gehele plangebied. Beide deelgebieden vormen geen essentieel leefgebied voor algemeen voorkomende amfibieën.
Conclusie Functie: leefgebied en foerageergebied. Het voorkomen van de alpenwatersalamande r en de rugstreeppad is uitgesloten
Voor de alpenwatersalamander zijn beschaduwde sloten en poelen geschikt zonder veel concurrentie van andere soorten. Op basis van het ontbreken van aanwezige populaties in de omgeving en geschikte watergangen inclusief de bijbehorende oever- en watervegetatie is het voorkomen van deze soort uitgesloten. Er zijn geen geschikte plekken aanwezig voor de rugstreeppad binnen beide deelgebieden. Deze soort is afhankelijk van ondiepe poelen of plassen met vergraafbare grond. De sloten zijn te diep en steil voor deze soort om hier gebruik van te maken. Op het land kunnen geen tijdelijke poelen ontstaan vanwege ontwatering. Het geschikte pioniersstadia voor deze soort ontbreekt ter plaatse. Vissen
Bureauonderzoek Er zijn geen waarnemingen bekend van vissoorten binnen en in de directe omgeving van beide deelgebieden (NDFF). Op basis van verspreidingsgegevens zijn geen soorten te verwachten. Veldbezoek Het voorkomen van beschermde vissoorten binnen beide plangebieden is uitgesloten, vanwege gebrek aan geschikt habitat en afwezigheid van populaties in de nabije omgeving.
Vlinders, libellen en andere ongewerveld en
Bureauonderzoek Er zijn geen waarnemingen bekend van beschermde ongewervelden binnen en in de directe omgeving van beide deelgebieden (NDFF, verspreidingsatlas.nl). Veldbezoek Binnen beide deelgebieden is sprake van een voedselrijke algemeen voorkomende vegetatie die geen geschikt habitat vormen voor beschermde vlinders of libellen of overige ongewervelden. Deze soorten stellen kritischere eisen aan hun habitat wat in beide deelgebieden ontbreekt.
Onze referentie: D10011754:67 - Datum: 29 september 2020
Het voorkomen van beschermde vissoorten is uitgesloten binnen beide deelgebieden. Functie: leefgebied en foerageergebied.
Het voorkomen van beschermde vlinderen libellensoorten en andere ongewervelden zijn uitgesloten binnen beide deelgebieden.
11 van 25
QUICKSCAN FLORA EN FAUNA BLOEMENDAL FASE 2A & 2B
3.3
Effectbeschrijving
Op basis van de resultaten uit paragraaf 3.2, is in Tabel 2 per soort(groep) een beschrijving gegeven van mogelijke effecten als gevolg van het voornemen. Daarbij is nog geen rekening gehouden met eventueel mogelijke mitigerende maatregelen. Op basis van de uitkomst van deze beoordeling is bepaald of en zo ja, welke mitigerende maatregelen nodig zijn. Deze zijn beschreven in paragraaf 3.5. Tabel 2: Effecten per soortgroep als gevolg van werkzaamheden. Soortgroep Mogelijke effecten Broedvogels zonder jaarrond beschermd nest
Werkzaamheden gedurende het broedseizoen, leiden mogelijk tot het doden van vogels, jongen en/of vernietigen van eieren en/of een nestplek.
Toetsing vereist? Ja
Voor categorie vijf soorten zoals de boerenzwaluw en huiszwaluw verdwijnen nestplekken indien bebouwing wordt gesloopt. Broedvogels met jaarrond beschermde nesten
De werkzaamheden leiden mogelijk tot het verstoren of doden van individuen en/of vernietigen van verblijfplaatsen van boomvalk, buizerd, sperwer, huismus, steenuil. Voor de boomvalk, buizerd en sperwer geldt dat mogelijke nestplekken verdwijnen bij bomenkap. Voor huismus en steenuil geldt dit bij het slopen van bebouwing.
Ja
Algemene grondgebonden zoogdieren Marterachtigen
De werkzaamheden leiden mogelijk tot het vernietigen van verblijfplaatsen en het doden of verwonden van dieren.
Ja
De werkzaamheden leiden mogelijk tot verstoring, verwonden en doden van marterachtigen zoals de bunzing, steenmarter, wezel en/of hermelijn inclusief de verblijfplaatsen hiervan.
Ja
Vleermuizen
De werkzaamheden leiden mogelijk tot verstoring/doden van individuen en vernietigen van verblijfplaatsen.
Ja
Amfibieën
De werkzaamheden leiden mogelijk tot verstoring, verwonden en doden van algemene voorkomende amfibieën.
Ja
Onze referentie: D10011754:67 - Datum: 29 september 2020
12 van 25
QUICKSCAN FLORA EN FAUNA BLOEMENDAL FASE 2A & 2B
3.4
Toetsing
3.4.1
Beschermingscategorieën relevante soorten
Er geldt binnen de provincie Gelderland een vrijstelling voor diverse algemeen voorkomende soorten, zie Bijlage A. Deze zijn hieronder daarom niet meegenomen. Voor deze soorten geldt de zorgplicht, zie verder in Paragraaf 3.5.2. In onderstaande tabel is per soort/soortgroep opgenomen tot welke beschermingscategorie deze behoort: Tabel 3: Beschermingscategorie van de relevante soorten.
Beschermingscategorie Vogelrichtlijn Habitatrichtlijn Andere soorten zonder vrijstelling
3.4.2
Soort/ soortgroep Broedvogels met en zonder jaarrond beschermd nest Vleermuizen Marterachtigen
Overtreding verbodsbepalingen
In de onderstaande tabellen is per soort(groep) op basis van de effectbeschrijving in de vorige paragraaf aangegeven welke verbodsbepalingen van de Wnb kunnen worden overtreden als gevolg van de werkzaamheden. Daarbij is geen rekening gehouden met eventueel mogelijke mitigerende maatregelen. Op basis van de uitkomst van deze toetsing is bepaald of en zo ja, welke mitigerende maatregelen nodig zijn. Deze zijn beschreven in de volgende paragraaf.
Vogelrichtlijnsoorten Tabel 4: Mogelijke overtreding van de verbodsbepalingen van artikel 3.1 ten aanzien van soorten van de Vogelrichtlijn.
Soort Broedvogels zonder jaarrond beschermd nest
Lid 1 X
Lid 2 X
Broedvogels met jaarrond beschermd nest
X
X
Lid 3
Lid 4
X
Als gevolg van Kappen van bomen, verwijderen van struweel, aanpassingen van de watergangen en het slopen van bebouwing. Kappen van bomen, verwijderen van struweel, aanpassingen van de watergangen en het slopen van bebouwing
Het is verboden om: Lid 1: te doden of te vangen; Lid 2: opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen; Lid 3: eieren te rapen en deze onder zich te hebben; Lid 4: opzettelijk te verstoren; Lid 5: Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.
Voor broedvogels zonder jaarrond beschermd nest zijn de werkzaamheden zoals het kappen van bomen en slopen van bebouwing niet van invloed op de staat van instandhouding indien buiten het broedseizoen gewerkt wordt, zie Paragraaf 3.5.2. In de omgeving zijn voldoende vergelijkbare en vervangende locaties om tijdens de werkzaamheden naar uit te wijken. Voor broedvogels met jaarrond beschermd nest is het kappen van bomen en het slopen van bebouwing mogelijk van invloed op de staat van instandhouding. Hierbij gaat het namelijk om soorten met specifieke nestplaatsen die niet zonder meer vervangbaar zijn. Derhalve zijn effecten op de staat van instandhouding niet zonder meer uitgesloten.
Onze referentie: D10011754:67 - Datum: 29 september 2020
13 van 25
QUICKSCAN FLORA EN FAUNA BLOEMENDAL FASE 2A & 2B
Habitatrichtlijnsoorten Tabel 5: Mogelijke overtreding van de verbodsbepalingen van artikel 3.5 ten aanzien van soorten van de Habitatrichtlijn.
Soort
Lid 1
Vleermuizen
Lid 2 X
X
Lid 3
Lid 4 X
Lid 5
Als gevolg van Kappen van bomen, slopen van bebouwing, nachtelijke belichting van werkplekken
Het is verboden om: Lid 1: opzettelijk te doden of te vangen; Lid 2: opzettelijk te verstoren; Lid 3: eieren van dieren opzettelijk te vernielen of te rapen; Lid 4: voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen; Lid 5: opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Andere soorten Tabel 6: Mogelijke overtreding van de verbodsbepalingen van artikel 3.10 lid 1 ten aanzien van de marterachtigen (bunzing, hermelijn, wezel en steenmarter).
Soort Marterachtigen, bunzing, hermelijn, wezel en steenmarter
a X
b X
c
Als gevolg van Kappen van bomen, verwijderen van struweel, slopen van bebouwing, aanpassen watergangen (oevers).
Het is verboden om: a: opzettelijk te doden of te vangen; b: vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te beschadigen of te vernielen c: opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen
3.5
Vervolg
In deze paragraaf is een aantal vervolgstappen beschreven. Het gaat hierbij om soortgericht onderzoek waar mogelijk maatregelen uit volgen, mitigerende maatregelen waarvan al bekend is dat deze genomen moeten worden en zorgplichtmaatregelen.
3.5.1
Soortgericht onderzoek
Op basis van de quickscan kan de aanwezigheid van een aantal beschermde soorten/soortgroepen niet worden uitgesloten. Omdat bij uitvoering van de werkzaamheden sprake kan zijn van overtreding van verbodsbepalingen van de Wnb, dient nader onderzoek te worden uitgevoerd voordat beoordeeld kan worden of negatieve effecten uitgesloten kunnen worden en welke maatregelen noodzakelijk zijn. Er dient vervolgonderzoek plaats te vinden naar de volgende soorten: • • •
Broedvogels met jaarrond beschermd nest (huismus, buizerd, sperwer, boomvalk en steenuil) Marterachtigen (steenmarter, bunzing, hermelijn en wezel) Vleermuizen
Onze referentie: D10011754:67 - Datum: 29 september 2020
14 van 25
QUICKSCAN FLORA EN FAUNA BLOEMENDAL FASE 2A & 2B
3.5.2
Mitigerende maatregelen
Op basis van de quickscan is de aanwezigheid van een aantal beschermde soorten niet uit te sluiten. Omdat bij uitvoering van de werkzaamheden sprake kan zijn van overtreding van verbodsbepalingen van de Wnb, moeten maatregelen genomen worden. De te nemen maatregelen per soort of soortgroep worden hier behandeld. Algemene maatregelen (zorgplicht) De Wnb kent een algemene zorgplicht (Artikel 1.11 Wnb). Dit betekent dat zorgvuldig met aanwezige beschermde en niet-beschermde soorten planten en dieren moet worden omgegaan. Hiervoor moeten de volgende maatregelen worden genomen: • Maai en/of snoei voorafgaand aan de werkzaamheden de nog aanwezige vegetatie in het werkgebied kort en houd deze kort totdat de werkzaamheden zijn afgerond. Hierdoor wordt het voor grondgebonden zoogdieren minder aantrekkelijk om te verblijven in deze zone tijdens de werkzaamheden. Houd hierbij rekening met het broedseizoen van vogels (indicatief 15 maart – 15 juli). • Voer de werkzaamheden rustig uit en op een dusdanige manier dat dieren niet ingesloten raken. Op deze manier zijn dieren in de gelegenheid om te vluchten naar andere leefgebieden. • Bij werkzaamheden aan watergangen: Voer de werkzaamheden in het natte profiel niet uit bij kritische temperaturen, dus niet als ijs op het water ligt en ook niet bij zeer warme dagen waarbij de watertemperatuur boven de 25°C ligt.
Werk verder bij het dempen of aanpassen van watergangen naar een open einde toe zodat eventueel aanwezige dieren de werkzaamheden kunnen ontvluchten. Broedvogels (zonder jaarrond beschermd nest) • •
•
Voer werkzaamheden bij voorkeur buiten het broedseizoen uit. Het broedseizoen loopt indicatief van 15 maart tot 15 juli, maar kan afhankelijk van het weer en andere factoren verschuiven. Indien het niet mogelijk is om buiten het broedseizoen te werken, dienen geschikte broedlocaties voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt te worden gemaakt en gehouden. Dit kan door deze voorafgaande aan de werkzaamheden en buiten het broedseizoen al te verwijderen, of deze ongeschikt maken door de kroon en eventuele zijtakken te verwijderen van bomen, of bij struiken deze af te dekken met zeil. Indien werkzaamheden starten binnen het broedseizoen, dient door een deskundig ecoloog onderzocht te worden of broedende vogels ter plaatse aanwezig zijn.
Broedvogels met jaarrond beschermd nest (boombroeders) • Bij het kappen van bomen is het noodzakelijk om vervolgonderzoek naar de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten uit te voeren. Geadviseerd wordt om bij bomen waarbij de kroon niet goed zichtbaar is deze controle uit te voeren wanneer er geen blad aan de bomen zit in het najaar, winter of vroege voorjaar (november tot eind maart). Vleermuizen • Om negatieve effecten anders dan effecten op verblijfplaatsen te voorkomen: werk tussen zonsopkomst en zonsondergang. Mogelijke verlichting en bouwlampen dienen naar beneden te worden gericht.
Onze referentie: D10011754:67 - Datum: 29 september 2020
15 van 25
QUICKSCAN FLORA EN FAUNA BLOEMENDAL FASE 2A & 2B
4
CONCLUSIE
Op basis van deze quickscan is vastgesteld dat binnen het plangebied bestaande uit twee deelgebieden en de directe omgeving beschermde soorten van de Wet natuurbescherming voorkomen. Het gaat om algemene broedvogels, broedvogels met een jaarrond beschermd nest, vleermuizen, mogelijk marterachtigen, algemeen grondgebonden zoogdieren en amfibieën. Door toepassen van mitigerende maatregelen en rekening te houden met de zorgplicht (zie vorige paragraaf) kan het grootste deel van de negatieve gevolgen voor beschermde soorten voorkomen of beperkt worden. Het toepassen van deze maatregelen tijdens de uitvoering van de werkzaamheden is niet vrijblijvend. Voor broedvogels met jaarrond beschermd nest, vleermuizen en marterachtigen is aanwezigheid in dit stadium niet uit te sluiten. Voor deze soorten dient soortgericht onderzoek plaats te vinden en bij aanwezigheid een ontheffing aangevraagd te worden voordat met de werkzaamheden gestart kan worden. Het soortgericht onderzoek dient dan plaats te vinden in de perioden zoals opgenomen in de onderstaande Tabel 7. Voor de vleermuis is inmiddels bekend dat de schuur die zal verdwijnen aan de Nijkerkerweg 128 gecontroleerd moet worden op eventuele verblijven/functies. Daarnaast dienen de groenstructuren in beide deelgebieden gecontroleerd te worden op eventuele vliegroutes en verblijfplaatsen.
Aan het soortgericht onderzoek en mogelijke ontheffingsaanvraag zijn risico’s verbonden omtrent de planning, deze kan aangepast dienen te worden op basis van de uitkomsten. Tabel 7 Periode van soortgericht onderzoek voor beschermde soorten Soort
Periode
Steenuil
Drie gerichte veldbezoeken in de periode van 1 februari tot en met 30 april -waarbij er minimaal 1 maand zit tussen het eerste en het laatste bezoek.
Huismus
Twee gerichte veldbezoeken plaatsvinden in de periode 1 april tot en met 15 mei of vier gerichte veldbezoeken in de periode 10 maart tot en met 20 juni.
Buizerd, boomvalk, sperwer
Twee tot vier gerichte veldbezoeken overdag, na zonsopkomst, plaats te vinden in de periode maart tot en met half mei, met een tussenperiode van minimaal 10 dagen.
Marterachtigen
Vervolgonderzoek moet plaatsvinden in de meest actieve periode van marters in mei tot en met september.
Vleermuizen
Drie veldbezoeken (een in de ochtend en een in de avond) in de periode half mei tot half juli en daarnaast twee veldbezoeken (beide in de avond) in de periode half augustus tot half september/oktober.
Alternatief soortgericht onderzoek marterachtigen Marterachtigen Als alternatief op soortgericht onderzoek kan, in verband met de planning, ook een worst case-scenario toegepast kan worden (zoals in Bloemendal fase 11). Hierbij wordt er vanuit gegaan dat na akkoord van het bevoegd gezag uitgangspunten toegepast moeten worden: •
Er moet een weergave worden gegeven van de hoeveelheid potentieel geschikt leefgebied;
1 Arcadis 2020. Concept memo compensatie kleine marterachtigen Bloemendal fase 1. Referentie D10011751:39.
Onze referentie: D10011754:67 - Datum: 29 september 2020
16 van 25
QUICKSCAN FLORA EN FAUNA BLOEMENDAL FASE 2A & 2B
•
•
In de maatregelen zou er ten opzichte van de bestaande situatie sprake moeten zijn van een ecologische plus. Hiervoor kunnen verbeteringsmaatregelen voor worden toegepast zoals het aanleggen van ruige graslanden, struweel, brede heggen, houtwallen, houtstapels en takkenhopen, kruidenrijke randen, rietzomen en terreinreliëf, zoals dijken, walletjes en greppels. Daarnaast kunnen geschikte maatregelen die worden toegepast voor andere soorten, ook worden gebruikt voor kleine marterachtigen. Het is van belang is om leefgebieden met elkaar te verbinden of dit te behouden om versnippering tegen te gaan.
Onze referentie: D10011754:67 - Datum: 29 september 2020
17 van 25
QUICKSCAN FLORA EN FAUNA BLOEMENDAL FASE 2A & 2B
BIJLAGE A WETTELIJK KADER WET NATUURBESCHERMING Soortbescherming Algemeen De Wet natuurbescherming (Wnb) is op 1 januari 2017 in werking getreden. De wet is in de plaats gekomen van de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De wet is ingedeeld in hoofdstukken en kent een algemeen deel (hoofdstuk 1), delen over Natura 2000-gebieden (hoofdstuk 2), soorten (hoofdstuk 3), houtopstanden, hout en houtproducten (hoofdstuk 4), verder delen die gaan over vrijstellingen, beschikkingen en verplichtingen (hoofdstuk 5), financiële bepalingen (hoofdstuk 6), handhaving (hoofdstuk 7), overige bepalingen (hoofdstuk 8) en tot slot een beschrijving van het overgangsrecht (hoofdstuk 9) en een beschrijving van de wijziging van overige wetten (hoofdstuk 10). In navolgende paragrafen is een samenvattende beschrijving van de voor dit rapport relevante delen van de wet gegeven. De Wnb kent een algemene zorgplicht. Deze houdt in dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen om schade aan soorten te voorkomen, ook voor soorten die niet beschermd zijn (art 1.11, lid 1). Dit houdt in ieder geval in dat handelen of nalaten van handelen dat schadelijk kan zijn zo veel mogelijk achterwege gelaten dient te worden (art 1.11, lid 2).
Deze algemene zorgplicht geldt altijd en overal, met slechts als uitzondering handelingen die op grond van de Visserijwet worden uitgevoerd (art 1.11, lid 3).
Categorieën De wet maakt onderscheid in drie categorieën van beschermde soorten, namelijk: 1. Soorten Vogelrichtlijn (Wnb paragraaf 3.1) 2. Soorten Habitatrichtlijn (Wnb paragraaf 3.2) 3. Andere soorten (Wnb paragraaf 3.3) Soorten Vogelrichtlijn Alle van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn zijn in Nederland beschermd. De soorten van artikel 1 van Vogelrichtlijn zijn alle vogelsoorten die op het Europese grondgebied van de lidstaten van de EU voorkomen. Het deel daarvan dat van nature in Nederland voorkomt, is dus beschermd (art. 3.1 lid 1). Soorten Habitatrichtlijn In deze categorie vallen alle in het wild levende dieren zoals genoemd in: a. bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, b. bijlage II bij het Verdrag van Bern of; c. bijlage I bij het Verdrag van Bonn; (art. 3.5 lid 1) en (in hun natuurlijke verspreidingsgebied) planten van soorten, genoemd in: d. bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of; e. bijlage I bij het Verdrag van Bern; (art. 3.5, lid 5) Het gaat hierbij dus om meer dan alleen de soorten van de Habitatrichtlijn (namelijk ook soorten van de conventies van Bern en Bonn). Omdat echter in de Wnb paragraaf 3.2 “soorten Habitatrichtlijn” als titel heeft, wordt dit ook hier zo gebruikt om deze groep van beschermde soorten aan te duiden.
Andere soorten Naast de soorten waarvan de bescherming op Europees niveau verplicht is gesteld, is er ook een aantal soorten op nationaal niveau beschermd. Dit is dus een “nationale kop” op de Europese bescherming. Het gaat hierbij om soorten die zeer zeldzaam en/of bedreigd zijn, en waarvan het duurzaam voortbestaan niet is verzekerd als geen beschermingsmaatregelen worden getroffen. De soorten waar het om gaat zijn opgenomen op de bijlage bij de wet (art. 3.10, lid 1 onder a en c).
Onze referentie: D10011754:67 - Datum: 29 september 2020
18 van 25
QUICKSCAN FLORA EN FAUNA BLOEMENDAL FASE 2A & 2B
Verbodsbepalingen Ten aanzien van soorten van de Vogelrichtlijn verbiedt de wet het opzettelijk doden of vangen (art. 3.1 lid 1), het opzettelijk vernielen van nesten, rustplaatsen en eieren (art. 3.1 lid 2), het rapen of onder zich hebben van eieren (art. 3.1 lid 3) en het opzettelijk storen van vogels (art. 3.1lid 4). Het verbod tot opzettelijk storen geldt niet in het geval de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort (art. 3.1 lid 5). Ten aanzien van de soorten van de Habitatrichtlijn beschermde diersoorten verbiedt de wet het opzettelijk doden of vangen (art 3.5 lid 1), het opzettelijk verstoren (art 3.5 lid 2), het opzettelijk vernielen of rapen van eieren (art 3.5 lid 3) en het beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen (art 3.5 lid 4). Ten aanzien van de Europees beschermde plantensoorten verbiedt de wet het opzettelijk te plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen en vernielen (art 3.5 lid 5). Ten aanzien van de andere beschermde diersoorten geldt slechts een verbod tot het opzettelijk doden of vangen (art 3.10 lid 1 onder a) en het opzettelijk beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen (art 3.10 lid 1 onder b).
Ten aanzien van de andere beschermde plantensoorten geldt een verbod tot opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen (art 3.10 lid 1 onder c).
Gedragscodes, vrijstellingen en ontheffingen Gedragscode De in het voorgaande beschreven verbodsbepalingen zijn niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd volgens een door de minister van LNV vastgestelde gedragscode (art. 3.31 lid 1). Het moet dan gaan om handelingen die plaatsvinden in het kader van: een bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; een bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of de bosbouw; een bestendig gebruik; ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. Vrijstelling Provinciale staten en de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) kunnen vrijstelling verlenen van de verbodsbepalingen (art 3.3 lid 2-4; 3.8 lid 2-5, 3.10 lid 2). Voor zover het gaat om de hiervoor beschreven verbodsbepalingen, kan in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting een ontheffing worden verleend van de verbodsbepalingen van artikel 3.1, 3.5 en 3.10, dus ten aanzien van alle beschermde soorten. Een vrijstelling mag alleen worden verleend wanneer aan bepaalde voorwaarden is voldaan. Deze zijn gelijk aan de voorwaarden waaronder een ontheffing verleend kan worden (zie hier onder).
Voor welke soorten een vrijstelling geldt, verschilt per bevoegd gezag (ministerie van LNV en de afzonderlijke provincies). De lijst met vrijgestelde soorten van het ministerie is alleen van toepassing op handelingen waarvoor de minister van LNV het gevoegd gezag is. Voor handelingen waarvoor gedeputeerde staten het bevoegd gezag zijn, geldt de vrijstellingslijst van de betreffende provincie. De provincie Gelderland heeft in 2020 een algemene vrijstelling verleend voor onderstaande soorten; Zoogdieren
Amfibieën
•
Aardmuis
•
Huisspitsmuis
•
Bruine kikker
•
Bosmuis
•
Ondergrondse woelmuis
•
Gewone pad
•
Dwergmuis
•
Ree
•
Meerkikker
•
Dwergspitsmuis
•
Rosse woelmuis
•
Kleine watersalamander
•
Egel
•
Tweekleurige bosspitsmuis
•
Middelste groene kikker
•
Gewone bosspitsmuis
•
Veldmuis
•
Konijn
•
Vos
•
Haas
•
Woelrat
Onze referentie: D10011754:67 - Datum: 29 september 2020
19 van 25
QUICKSCAN FLORA EN FAUNA BLOEMENDAL FASE 2A & 2B
Ontheffing Voor soorten waarvoor (in de betreffende provincie) geen vrijstelling geldt, moet wanneer niet volgens een gedragscode wordt gewerkt een ontheffing worden aangevraagd wanneer er een handeling wordt uitgevoerd waardoor een verbodsbepalingen van artikel 3.1, 3.5 of 3.10 van de Wnb wordt overtreden (art 3.3 lid 1,3; 3.8 lid 1,3, 3.10 lid 2). Of deze ontheffing kan worden verleend, hangt af of voldaan wordt aan de voorwaarden. De voorwaarden waaraan moet worden voldaan, verschillen per categorie. De eerste eis die wordt gesteld, is dat er geen andere bevredigende oplossing mag zijn. Dat betekent -ook in combinatie met de in artikel 1.11 beschreven zorgplicht- dat wanneer een overtreding redelijkerwijs te voorkomen is, en ontheffing niet mogelijk is. De werkzaamheden moeten dan op zodanige wijze worden uitgevoerd dat er geen overtreding van de wet plaatsvindt. Te denken valt aan het kappen van bomen buiten het broedseizoen, of het afzetten van en het wegvangen van soorten in het werkgebied. Verder kan een ontheffing alleen worden verleend wanneer is aangetoond dat er geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de betreffende soort. Daarnaast gelden er per categorie verschillende aanvullende voorwaarden. Voor soorten van de Vogelrichtlijn kan alleen een ontheffing worden verleend in het geval van: (art 3.3 lid 4): 1.
in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; 2. in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; 3. ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren; 4. ter bescherming van flora of fauna; 5. voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt, of 6. om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan. Voor soorten van de Habitatrichtlijn kan alleen een ontheffing worden verleend in het geval van: (art 3.8 lid 5): 1. in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; 2. ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; 3. in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; 4. voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten, of 5.
om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben. Voor de andere beschermde soorten, gelden de voorwaarden die gelden voor de overige Europees beschermde soorten aangevuld met: (art 3.10 lid 2): 1. in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; 2. ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes of begraafplaatsen; 3. ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden; 4. ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren; 5. in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; 6.
in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; 7. in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied, of in het algemeen belang. Onze referentie: D10011754:67 - Datum: 29 september 2020
20 van 25
QUICKSCAN FLORA EN FAUNA BLOEMENDAL FASE 2A & 2B
BIJLAGE B SFEERIMPRESSIE PLANGEBIED
Figuur 4. Beide deelgebieden en omgeving, met daarin een indictaie van de looproutes en gemaakte foto’s tijdens het veldbezoek.
Onze referentie: D10011754:67 - Datum: 29 september 2020
21 van 25
QUICKSCAN FLORA EN FAUNA BLOEMENDAL FASE 2A & 2B
Onze referentie: D10011754:67 - Datum: 29 september 2020
22 van 25
QUICKSCAN FLORA EN FAUNA BLOEMENDAL FASE 2A & 2B
Onze referentie: D10011754:67 - Datum: 29 september 2020
23 van 25
QUICKSCAN FLORA EN FAUNA BLOEMENDAL FASE 2A & 2B
BIJLAGE C AANWEZIGE/POTIENTIËLE VERBLIJFPLEKKEN
Figuur 5. Aanwezigheid boerenzwaluw, huiszwaluw, huismus, steenuil en bomen met horst of holtes als potentiële verblijfplek voor vleermuizen.
Onze referentie: D10011754:67 - Datum: 29 september 2020
24 van 25
QUICKSCAN FLORA EN FAUNA BLOEMENDAL FASE 2A & 2B
COLOFON QUICKSCAN FLORA EN FAUNA BLOEMENDAL FASE 2A & 2B
KLANT Gemeente Barneveld AUTEUR Stefan van den Akker PROJECTNUMMER C05062.000753 ONZE REFERENTIE D10011754:67 DATUM 29 september 2020 STATUS Definitief GECONTROLEERD DOOR
VRIJGEGEVEN DOOR
Bas van den Dries Adviseur Ecologie
Folkert Volbeda Projectleider en consultant ecologie
Arcadis Nederland B.V. Postbus 264 6800 AG Arnhem Nederland +31 (0)88 4261 261 www.arcadis.com
Onze referentie: D10011754:67 - Datum: 29 september 2020
25 van 25