Bloemendal IIb_Toelichting_Bijlage 2 Archeologisch onderzoek Barneveld-Noord (2018)
Tekst van het document
Archeologisch onderzoek in plangebied Barneveld-Noord Verkennend en karterend veldonderzoek door middel van boringen
Archol
E. Heunks L. Meurkens
433 Archol
Colofon Archol Rapport 433 Archeologisch onderzoek in plangebied Barneveld-Noord Verkennend en karterend veldonderzoek door middel van boringen Projectleiding:
drs. L. Meurkens
drs. E. Heunks
Uitvoering veldwerk:
P. van de Geer MA
L. Meurkens
S. Baas MA
R. Nieuwenkamp MA
E. Heunks dhr. J. Sprangers dhr. J. Top Auteurs:
E. Heunks & L. Meurkens
Tekstredactie
L. Meurkens
Beeldmateriaal:
P. van de Geer
S. Shek Opmaak:
A.J. Allen
Druk:
Archol bv, Leiden
Autorisatie:
drs. A.J. Tol
ISSN 1569-2396 © Archol, Leiden 2018 Einsteinweg 2 2333 CC Leiden info@archol.nl Tel. 071 527 33 13
Inhoudsopgave
Samenvatting 1
2
3
4
5
5
Inleiding
7
1.1 Aanleiding en doelstelling
7
1.2 Ligging van het onderzoeksgebied
8
1.3 Onderzoeksopzet en organisatie
9
Bureauonderzoek
11
2.1 Landschap
11
2.2 Archeologie en cultuurhistorie
18
Resultaten verkennend booronderzoek
27
3.1 Methodiek
27
3.2 Resultaten
27
Resultaten karterend booronderzoek
37
4.1 Methodiek
37
4.2 Resultaten
37
Conclusie en aanbevelingen
41
5.1 Verkennend booronderzoek
41
5.2 Karterend booronderzoek
45
Literatuur
48
Figuren
49
Tabellen
50
Bijlage 1 Samenvatting van boorresultaten en toekenning van bodemtypen.
51
Bijlage 2 Boorbeschrijvingen
55
Barneveld-Noord 5
Samenvatting Deze rapportage vormt de verslaglegging van een verkennend en karterend veldonderzoek dat in het plangebied Barneveld-Noord in opdracht van de gemeente Barneveld in de periode augustus-september 2016 is uitgevoerd. Het verkennend booronderzoek was gericht op een nadere analyse van de paleolandschappelijke en bodemkundige opbouw van het plangebied om op basis daarvan een gedetailleerder en beter onderbouwd beeld te krijgen van de archeologische verwachtingen. De veldbevindingen waren tevens bedoeld als pilot om de bruikbaarheid van de archeologische beleidskaart (concept 2015) van de gemeente Barneveld te toetsen en zo nodig bij te stellen. Het karterend booronderzoek betrof een methodische pilot naar de geschiktheid van deze onderzoeksmethode bij het vaststellen en begrenzen van ijzertijd-vindplaatsen in plangebied Barneveld-Noord. De pilot is uitgevoerd ter hoogte van een reeds voorafgaand aan het veldonderzoek bekende vindplaats in deelgebied 3. Aan de hand van het verkennend veldonderzoek is veel meer grip gekregen op de paleogeografische en bodemkundige gesteldheid van het plangebied. Er blijkt sprake van een sterke relatie tussen de voorkomende natuurlijke bodemtypen en het paleoreliëf. De hoogste gronden worden gekenmerkt door (restanten van) veldpodzolen.
In de lagere gebieden kon geen podzolering plaatsvinden en worden bodems gekenmerkt door vlakvaaggronden of restanten van beekeerdgronden. De veldwaarnemingen zijn in combinatie met het AHN en hier en daar ondersteunt door historisch kaartmateriaal, vertaald naar een paleogeografische kaart waarop het natuurlijke reliëf inzichtelijk wordt gemaakt. De kaart toont op hoofdlijnen veel overeenkomsten met de geomorfogenetische kaart van Barneveld, maar tegelijk zijn er markante verschillen te constateren. Met name binnen het grote oppervlak met lage dekzandwelvingen blijkt dat hier een veel duidelijker onderscheid te maken is in kleine oppervlakken met relatief hoog gelegen gronden en grote oppervlakken met laag gelegen natte gronden. De ligging van de ijzertijdvindplaats in deelgebied 3 is met de paleoreliëfkaart nu goed te verklaren. Daarnaast blijken traditionele plaggendekken zoals weergegeven op de geomorfogenetische kaart binnen het plangebied te ontbreken. Wel zijn de oorspronkelijke hogere delen lokaal verder opgehoogd ten behoeve van een betere (grond)waterhuishouding. Ook zijn plaatselijk laagten opgehoogd. In het algemeen toont de geomorfogenetische kaart enorme veel detail dat echter vooral lijkt samen te hangen met (sub)recente menselijke activiteiten dan met de natuurlijke variatie van de ondergrond.
Bij eliminatie van deze effecten blijft een veel rustiger maar realistischer kaartbeeld van het paleoreliëf over. Het karterend booronderzoek op de ijzertijdvindplaats in deelgebied 3 heeft aangetoond dat het met deze methode in principe mogelijk is om archeologische vindplaatsen vast te stellen. Het aantal vondsten is echter zeer beperkt en de spreiding ervan vrij willekeurig. Wel volgt deze spreiding de hogere delen van het natuurlijke landschap zoals vastgesteld aan de hand van het verkennend booronderzoek. In het algemeen is het de vraag of een karterend booronderzoek een geschikte methode is voor het opsporen en in kaart brengen van vindplaatsen op pleistocene zandgronden. Het belangrijkste struikelblok is dat bij het ontbreken van vondsten niet met zekerheid gezegd kan worden dat er dan ook geen archeologische resten van betekenis op de gekarteerde locatie meer te verwachten zijn. De opsporingskans op het aanboren van sporen en/of vondsten kan namelijk dermate klein zijn dat deze gemist worden terwijl er toch sprake is van behoudenswaardige archeologische resten.
6
Barneveld-Noord
Op basis van deze bevindingen worden in hoofdstuk 5 diverse aanbevelingen gedaan ten behoeve van een adequate archeologische monumentenzorg in de gemeente Barneveld. Deze aanbevelingen hebben met name betrekking op een effectievere opzet van het archeologisch vooronderzoek (verkenning/kartering/waardering), uitgaand van de specifieke landschappelijke kenmerken van de gemeente Barneveld en hierin te verwachten archeologische resten.
Barneveld-Noord 7
1
Inleiding 1.1 Aanleiding en doelstelling In opdracht van de gemeente Barneveld heeft Archol in samenwerking met Eckhart Heunks | landschapsarcheologie in augustus 2016 een verkennend en karterend booronderzoek uitgevoerd in het plangebied Barneveld-Noord (figuur 1). Aanleiding voor het onderzoek is de geplande ontwikkeling van dit gebied, onder andere voor nieuwbouw. De exacte ruimtelijke invulling van het plangebied is nog niet bekend. Wel is duidelijk dat realisatie van woningen, infrastructuur en dergelijke kan leiden tot verstoring van mogelijk aanwezige archeologische waarden in het gebied. Conform het archeologiebeleid van de gemeente dienen deze waarden voorafgaand aan de feitelijke ingrepen nader te worden onderzocht en zo mogelijk te worden veiliggesteld (in- dan wel ex-situ) middels archeologisch onderzoek. Het uitgevoerde onderzoek vormt de eerste stap van het archeologisch onderzoekstraject en is met name gericht geweest op een beter begrip van de paleolandschappelijke kenmerken van het gebied en op grond daarvan het detailleren van de bestaande archeologische verwachtingen. Het onderzoek bestond uit drie deelonderzoeken met de volgende doel- en vraagstellingen:
Verkennend booronderzoek Doel: ·
Een nadere analyse van de paleolandschappelijke en bodemkundige opbouw van het plangebied om op basis daarvan een gedetailleerder en beter onderbouwd beeld te krijgen van de archeologische verwachtingen;
·
vertaling van de veldbevindingen naar de archeologische beleidskaart (concept 2015) van de gemeente Barneveld (pilotstudie).
Onderzoeksvragen (uit Schut 2016): ·
Hoe is het landschap tot stand gekomen in geomorfogenetische zin en hoe heeft het zich bodemkundig ontwikkeld?
·
Beschrijf van elke eenheid waarom het een dekzandwelving, verspoeld dekzand of beekafzetting of een andere genese is.
·
Is er sprake van bodemverstoringen en zo ja tot welke diepte? Wat is de verklaring voor deze verstoringen? Hoe verhouden zich deze tot de vergravingen die op de bodemkaart staan vermeld?
·
Wat is de bouwvoor- en verstoringsdiepte?
·
Welke uitspraak kan gedaan worden over de relatie en kwaliteit van het veldonderzoek versus geomorfogenetische kaart?
·
Zijn de begrenzingen op de geomorfogenetische kaart in hoofdlijnen juist? Verklaar eventuele discrepanties.
·
Is de interpretatie van de afzonderlijke eenheden op de geomorfogenetische kaart juist? Verklaar eventuele discrepanties.
· ·
Zijn de begrenzingen van de dekzandruggen en plaggendekken juist? Welke aanpassingen van de geomorfogenetische kaart zijn nodig op basis van het verkennende booronderzoek in combinatie met het AHN?
·
Wat is de specifieke landschappelijke situatie rondom de ijzertijdvindplaats?
·
Welke archeologische verwachtingen kunnen aan welke onderscheiden eenheden worden gekoppeld?
8
Barneveld-Noord
Karterend booronderzoek Doel: Het karterend booronderzoek betreft een methodische pilot naar de geschiktheid van een karterend booronderzoek als onderzoeksinstrument bij het vaststellen en begrenzen van erven uit de ijzertijd in plangebied Barneveld-Noord. De pilot is uitgevoerd ter hoogte van de bekende ijzertijd in deelgebied 3. De resultaten zijn van belang voor het vaststellen van de meest efficiënte onderzoeksmethodiek bij toekomstige onderzoeken in een vergelijkbare archeologische en landschappelijke context binnen de gemeente Barneveld.
1.2 Ligging van het onderzoeksgebied Het plangebied ligt pal ten noorden en noordwesten van de bebouwde kom van Barneveld en heeft een oppervlakte van 80 ha (figuur 1.1). Het gebied heeft thans een agrarisch karakter met aan de oostzijde een meer landgoed-achtige uitstraling (bomenlanen, bosschages, landhuizen). In april 2016 heeft Peter Schut (regio-archeoloog) voor dit gebied een bureauonderzoek uitgevoerd.1 Hieruit blijkt dat in het plangebied archeologische resten zijn te verwachten. Op de geomorfogenetische kaart (schaal 1:10.000) van de gemeente Barneveld bestaat het plangebied uit een vlak dekzandgebied met lokale welvingen (figuur 2.4).2 Aan deze welvingen zijn de volgende verwachtingen toegekend: “hoog”, “middelhoog” en “onder voorbehoud middelhoog”. Op basis van deze kaartbeelden en in combinatie met historische gegevens (erven) en het AHN zijn zes deelgebieden geselecteerd voor nader onderzoek. Daarbij is specifiek ingezet op de zones met een hogere archeologische verwachting. Deelgebied 3 is daarnaast mede
168000
169000
170000
171000
464000 463000
463000
464000
465000
167000
465000
166000
462000
462000
N
1000m 461000
461000
0
bron:kadaster 166000
1 Schut 2016. 2 Willemse 2015.
167000
168000
169000
170000
171000
Figuur 1.1
Ligging van het plangebied Barneveld-Noord met daarbinnen de ligging van de zes deelgebieden.
Barneveld-Noord 9
geselecteerd vanwege een hier reeds eerder vastgestelde vindplaats uit de ijzertijd. Het karterend booronderzoek en het proefsleuvenonderzoek heeft zich beperkt tot deze locatie. Het verkennend booronderzoek heeft zich geconcentreerd op de zes deelgebieden maar besloeg ook de zones daarbuiten binnen de grenzen van het plangebied.
1.3 Onderzoeksopzet en organisatie In april 2016 heeft de regio-archeoloog Peter Schut een vrij omvangrijke bureaustudie uitgevoerd naar de paleolandschappelijke, archeologische en cultuurhistorische kenmerken van het plangebied (Schut, 2016). Deze studie sloot af met een onderzoeksvoorstel voor een verkennend booronderzoek, aangevuld met een beperkt karterend booronderzoek en proefsleuvenonderzoek op een bekende ijzertijdvindplaats deelgebied 3 (pilotstudie). Archol heeft als hoofdopdrachtnemer in samenwerking met Eckhart Heunks | landschapsarcheologie dit voorstel nader uitgewerkt en vastgelegd in een Plan van Aanpak.3 Na goedkeuring door de regio-archeoloog vormde dit Plan van Aanpak de basis voor het veldwerk dat in de periode 22 tot en met 29 augustus is uitgevoerd. Tijdens het karterend veldonderzoek is samengewerkt met twee leden van de AWN-afdeling de heren J. Sprangers en J. Top. Beide onderzoeken zijn uitgevoerd conform de Specificatie Inventariserend Veldonderzoek VS03 van de KNA 3.3 en dit PvA. Onderhavige onderzoeksopdracht beperkte zich tot het veldonderzoek en de verwerking en rapportage van de resultaten daarvan. Voor de volledigheid zijn in het hier gepresenteerde rapport ook de belangrijkste bevindingen van de bureaustudie van Peter Schut integraal opgenomen (H 2).
Daarbij zijn deze, gelet op de specifieke onderzoeksvraagstellingen, op enkele punten aangevuld en genuanceerd ten aanzien van de paleogeografische en pedogenetische gesteldheid van het gebied en met aanvullende gegevens omtrent de gestelde archeologische verwachtingen.
Tabel 1.1
Administratieve gegevens.
Soort onderzoek:
Verkennend en karterend booronderzoek (IVO-o)
Projectnaam:
Barneveld-Noord
Archolprojectcode:
BNO1629
Uitvoerder:
Archeologisch Onderzoek Leiden bv Eckhart Heunks | Landschapsarcheologie
Periode van uitvoering veldwerk:
15 t/m 22 augustus 2016
Rapport gereed:
2018
Versie:
1.1
Provincie:
Gelderland
Gemeente:
Barneveld
Plaats:
Barneveld
Toponiem:
Barneveld-Noord
Centrumcoördinaat gebied:
168.500/463.000
Opdrachtgever:
Gemeente Barneveld
Bevoegd gezag:
Gemeente Barneveld
Adviseur bevoegd gezag:
P. Schut (Regio-archeoloog Gelderse Vallei).
ARCHIS-zaaknummer:
4010296100
Beheer en plaats van documentatie en vondsten:
Provinciaal depot voor Bodemvondsten Gelderland, Nijmegen
3 Tol & Heunks, 2016
10
Barneveld-Noord
Barneveld-Noord 11
2
Bureauonderzoek4 2.1 Landschap Laat-pleistocene periglaciale processen aan de basis van het huidige reliëf Het plangebied ligt in de Gelderse Vallei waarvan de landschappelijke hoofdlijnen in de één na laatste ijstijd (het Saalien) zijn vastgelegd. Een honderden meters dikke gletsjer stuwde de bodem naar weerszijden op waardoor de bekende stuwwallen van de Heuvelrug en de Veluwe ontstonden. Nadat het ijs zich terugtrok bleef een circa 100 meter diep dal over dat vervolgens werd opgevuld met smeltwaterafzettingen, zee-afzettingen, dekzand en veen. De dekzanden worden gerekend tot de Formatie van Boxtel en bestaan uit siltrijke en fijnzandige afzettingen die tijdens de laatste ijstijd (het Weichselien) zowel door de wind als door lokale beken werden afgezet. Brongebieden vormden de omliggende glaciale landschappen van de Veluwe en de Utrechtse Heuvelrug maar ook vanuit verder weg gelegen brongebieden als het Noordzeebekken kunnen de fijnste fijne sedimenten met de wind zijn aangevoerd. De dikte van het gehele dekzandpakket bedraagt in de Gelderse Vallei op veel plaatsen circa 10 tot meer dan 20 meter.5 Als gevolg van fluviatiele erosie door oppervlaktewater en lokale beekjes is het eolisch gesedimenteerde dekzand op de meeste plaatsen omgezet en heeft vervlakking van het duinreliëf maar ook insnijding plaatsgevonden.
De lagere delen van de Gelderse Vallei waren in relatief warme perioden waarschijnlijk vooral natte gebieden waar water zowel ondergronds (kwel) als bovengronds accumuleerde. Zo blijkt uit een palynologisch- en dateringsonderzoek aan een dekzandafzetting in het iets zuidelijker gelegen Wageningen (universiteitsterrein) dat hier zo’n 50.000 jaar geleden gedurende een interstadiaal sprake moet zijn geweest van een groot ondiep meer met veenvorming.6 Afwisseling van eolische en fluvioglaciale afzettingen heeft geleid tot een sterk gelaagd pakket met een vaak sterke afwisseling van meer lemige en meer zandige afzettingen (Oude Dekzanden). Hierin kunnen ook veenlagen voorkomen en humeuze fossiele bodems die gevormd moeten zijn gedurende (relatief) warme perioden. Werkelijk eolische dekzandruggen zijn vooral overgebleven uit de laatste koudegolven gedurende het Laat-Weichselien (Vroege- Late Dryas). Deze duinen (Jong Dekzand) hebben zich met name ontwikkeld en gehandhaafd op de al hogere delen van het versneden dekzandlandschap, hoewel er plaatselijk ook beekdalen door verstopt zijn geraakt. Anders dan de Oude Dekzanden worden de Jonge Dekzanden over het algemeen gekenmerkt door vrij homogene siltarme (leemarme) fijne zanden.
Voor het plangebied is het de vraag in hoeverre het huidige dekzandreliëf gevormd is door fluviatiele insnijding van het Oude Dekzandlandschap dan wel het resultaat van uit- en opwaaiing van Jonge Dekzanden.
Holoceen: klimaatverbetering, bodemvorming en vernatting, ontbossingen en cultivering Vanaf het holoceen (ca. 11.700 jaar geleden) trad een definitieve klimaatsverbetering op. Door het mildere klimaat ontstond al snel een gesloten vegetatiedek, waardoor dekzand en fluvioperiglaciale afzettingen werden vastgelegd en bodemvorming kon optreden. Op de hogere delen van het dekzandlandschap konden juist in de eerste fase van het Holoceen in relatief korte tijd dikke humuspodzolen tot ontwikkeling komen. Onder invloed van een lage grondwaterstand en een zuur milieu (naaldbos) waren de 4 Naar Schut 2016, met aanvullingen 5 Schokker 2003 6 Van Geel e.a. 2010
12
Barneveld-Noord
omstandigheden ideaal voor een sterke uitspoeling van humus, ijzer en aluminium. Ook in de iets lagere delen kon het podzoleringsproces optreden, maar in minder mate. In de laagste delen met een permanent hoge natuurlijke grondwaterstand, en dan vooral in zones met lemige fluvioperiglaciale afzettingen, kon geen uitspoeling optreden en beperkte de bodemvorming zich tot opeenhoping van organisch materiaal en humus (beek- en gooreerdgronden). In de lagere delen van het dekzandlandschap kon met een geleidelijke stijging van het grondwater als gevolg van de zeespiegelstijging gedurende het holoceen veenvorming optreden. De veenvorming leidde met name vanaf het Atlanticum (7300 – 3700 voor Chr.) tot een verdere stagnatie van het grondwater en vernatting van het landschap. De thans in het veld waarneembare podzolprofielen zijn dus ontstaan voor deze veenvorming in een periode met een ongestoorde bodem en een dichte bosbegroeiing. De eerste vernatting gedurende het Atlanticum zal hebben geleid tot een omzetting van relatief droge (xero)podzolen naar natte (hydro)veldpodzolen met de vorming van een dikke B-inspoelingshorizont.7 Met name in zones met een fluctuerende grondwaterstand, zoals op flanken van dekzandruggen, kon een dikke B-inspoelingshorizont ontstaan.
Percentages boompollen in pollenspectra uit het Atlanticum zijn zonder uitzondering zeer hoog (> 90%) en wijzen op vrijwel gesloten bosvegetaties.8 Dit atlantische ‘oerwoud’ was een gevarieerd loofbos met veel eik, linde, iep en hazelaar. Alle dekzandruggen waren zeer waarschijnlijk met dit type bos bedekt. Eiken vormden meestal het belangrijkste bestanddeel (gemengd eikenbos). Afhankelijk van de voedselrijkdom van de bodem varieerde het aandeel van andere boomsoorten. Op de droogste zandgronden kwamen ook dennen in de vegetatie voor. Op lager gelegen standplaatsen kwam het linde-eikenbos of elzen-eikenbos voor. Elzenbroekbos ontwikkelde zich op plaatsen waar ’s winters het grondwater boven het maaiveld stond, op de natste plekken en in de beekdalen. ’s Zomers droogde de bodems in deze natte bossen slechts oppervlakkig uit waardoor deze drassig en daardoor (voor mensen) moeilijk begaanbaar bleven. In het midden- en laat-Atlanticum zorgde de verdergaande vernatting in de noordelijke en centrale Vallei voor de ontwikkeling van moerasbos- en rietvegetaties. In dit berkenmoerasbos vestigde zich uiteindelijk veenmos. Rond deze tijd waren de dekzandruggen langs de Eem in Zuidelijk Flevoland al verdwenen onder de almaar stijgende zeespiegel en volledig overgroeid met veen, waarop zich inmiddels ook klei had afgezet.
De veenvorming an sich leidde weer tot verdere stagnatie van de oppervlakkige en ondergrondse waterafvoer en een verdere uitbreiding van het areaal venige gronden. Deze ontwikkeling moet een belangrijke metamorfose in het landschap teweeg hebben gebracht, met mogelijk verstrekkende gevolgen voor de bewoningsmogelijkheden van het gebied. De oppervlakkige afvoer van de beken zelf zal sterk zijn afgenomen, en voor de zijbeken en bovenlopen is het waarschijnlijk dat deze afvoer geheel stagneerde. Vanuit de lager gelegen vlakke benedenlopen van de beekdalen ontwikkelde zich een veenpakket waarmee de beekdalen geleidelijk aan ook steeds verder stroomopwaarts verstopt raakten. Vermoedelijk bereikte het veenpakket haar grootste omvang in de IJzertijd. Als gevolg van menselijke activiteiten en cultivering van gronden ontstond vanaf toen op de hogere delen een meer open vegetatie. Verdergaande ontbossing en cultivatie leidde geleidelijk tot een versnelde afvoer van het regenwater, waardoor beken een grotere afvoer kregen. In de hogere delen van de Gelderse Vallei daalde daarmee de gemiddelde grondwaterstand, terwijl in de laagste delen (en ook lokale laagten) de grondwaterstand juist zal zijn gestegen.9 7 Pape 1962. 8 Willemse, in Scholte Lubberink et al 2015, pag 25-26. 9 Willemse, in Scholte lubberink et al 2015, pag 27-29.
Barneveld-Noord 13
Figuur 2.1
Reconstructie van de maximale uitbreiding van veengebieden in de Gelderse Vallei op basis van de huidige bodemgesteldheid, gekarteerde veenresten en archeologische waarnemingen. Binnen het stroomgebied van de Eem zijn ook de restanten van broekgebieden en lokale hoogveenkoeltjes aangegeven zoals die op negentiende-eeuwse kaarten staan aangegeven (Uit Scholte Lubberink e.a. 2015, fig 2.17).
Het algemene beeld is dat het gebied rond Barneveld vanaf de eerste vernatting in het Neolithicum tot in de Late Bronstijd vooral bestond uit natte gebieden met lokale ‘eilanden’ van dekzandruggen en –plateaus met relatief droge bodemtypen. Toch moeten de hoogste delen van het landschap hier, anders dan in andere delen van de Gelderse Vallei, vanaf de Late Bronstijd relatief goed bewoonbaar zijn geweest getuige de diverse vindplaatsen uit deze periode. De aanwezigheid van het stelsel van oost-west georiënteerde beekdalen rondom Barneveld en de behoorlijke oppervlaktegradiënt zal hierbij zeker van betekenis zijn geweest. Hierdoor was sprake van een redelijke drainage van het gebied en kon overtollig water makkelijk worden afgevoerd naar westelijk gelegen lagere delen van de Vallei (figuur 2.1).
14
Barneveld-Noord
Het huidige maaiveld van het plangebied ligt tussen circa 8 (west) en 10 (oost) meter +NAP en ligt daarmee relatief hoog ten opzichte van de laagste delen van de Vallei
rond de Eem circa 13 km westelijker (ca. 1-2 meter +NAP). Tegelijk stijgt het dekzandlandschap vanaf het plangebied gestaag in oostelijke richting tot circa 30 meter +NAP ter hoogte van de Harskamp. Hier gaat het dekzandlandschap over in het gestuwde en deels verspoelde glaciale landschap van de Veluwe. Met een oost-west oriëntatie van het afwateringsstelsel ontvangt het plangebied veel kwel- en oppervlaktewater van deze stroomopwaarts gelegen gebieden, maar wordt tegelijkertijd het meeste water doorgevoerd naar de laagten rond de Eem. De vorming van veen zal zich beperkt hebben tot lokale laagten, mede bepaald door de aan- of afwezigheid van ondoorlatende leemlagen in de ondergrond. Vanaf de Late Middeleeuwen kreeg de mens steeds meer invloed op de ontwikkeling van het landschap. Bevolkingsdruk en technologische ontwikkelingen maakten dat een steeds groter oppervlak van het totale landschap deel ging uitmaken van het cultuurlandschap. Beekdalen en andere lagere terreindelen gingen allengs meer een rol spelen in het agrarische systeem. Er werden grote inspanningen gedaan om deze marginale gronden in te richten voor het gebruik als hooiland en weidegebied. Tevens werden de lagere gronden en overige, in landbouwkundig opzicht, marginale gronden benut voor het steken van plaggen ten behoeve van de potstal.
Al in de Late Middeleeuwen zijn er aanwijzingen voor een geleidelijke uitbreiding van het areaal heidegrond, samengaand met een intensivering van de landbouw en het gebruik van stalmest voor een hogere bodemvruchtbaarheid. Met de introductie van het potstalsysteem werd het landbouwsysteem geleidelijk verder genuanceerd, waarbij zowel werd geïnvesteerd in verbetering en uitbreiding van het landbouwareaal, als in de exploitatie van de minder geschikte gronden (de woeste gronden). Zo werden vanaf de 16e eeuw op grote schaal waterlopen gegraven om de lagere gronden beter en het jaar rond toegankelijk te maken. Ook werden beken steeds beter onderhouden en ingericht voor een versnelde afvoer van het water. De uitbreiding en intensivering van de landbouw vanaf de Late Middeleeuwen heeft ook op een andere manier haar stempel gedrukt op het landschap door de vorming van dikke enkeerdgronden (esdekken). Het ontstaan van deze antropogeen opgehoogde gronden wordt in de literatuur nauw gerelateerd aan de eeuwenlange bemesting van akkers met potstalmest . Deze mest bestond in eerste instantie uit een mengsel van mest en bosstrooisel. Met een toenemende toepassing van het plaggensysteem en met name door het gebruik van diepe potstallen, werden naast bosstrooisel op steeds grotere schaal plaggen gebruikt om de mest mee te mengen.
Omdat een plag (= humeuze top van bodem) veel meer anorganisch materiaal bevat, leidde dit tot de vorming van een humeus zanddek: het esdek. De esdekvorming moet dus vooral in de nieuwe tijd geplaatst worden met het accent op de 18e -19e eeuw, wanneer als gevolg van bevolkingsgroei en beperkte technologische ontwikkelingen het potstalsysteem tot in de finesses werd uitgewerkt en vrijwel iedere vierkante meter grond tot aan de heidevelden toe in functie stond van het agrarische systeem . De dikke enkeerdgronden zijn te vinden op de van oorsprong hoogste en in landbouwkundig opzicht meest gunstige gronden. Het zijn de zones waar men al in de prehistorie, Romeinse tijd en Vroege Middeleeuwen bij voorkeur akkerde. Het is dan ook niet toevallig dat juist onder de oudste enken goed geconserveerde bewoningssporen uit deze vroegere perioden tevoorschijn komen. De vorming van grote oppervlakken met plaggendekken moet vooral in de Nieuwe Tijd geplaatst worden, met een geleidelijke uitbreiding naar de minder geschikte gronden.
Barneveld-Noord 15
Figuur 2.2
Uitsnede geomorfologische kaart schaal 1:50.000 met grens plangebied (blauw). Bron: Schut 2016.
Op basis van grondwatertrap wordt op de bodemkaart onderscheid gemaakt in hoge en lage enkeerdgronden. De hoge enkeerdgronden komen globaal overeen met de oudste akkergronden op de hoogste delen, en de lage enkeerdgronden liggen in de lagere delen van het landschap die later in gebruik zijn genomen. Daarop gelden echter de nodige uitzonderingen. In de omgeving van Barneveld worden de hoogste dekzandruggen gekenmerkt door enkeerdgronden. Het zijn alle gronden waarvan de zwarte bovengrond een dikte heeft van meer dan 50 centimeter. Daarmee is niets gezegd over de genese ervan. Hoewel ze vooral worden geassocieerd met de ‘eeuwenlange ‘ plaggencultuur, kan het evengoed om het resultaat zijn van relatief recente (19e en 20e eeuwse) diepe grondbewerkingen en aanvoer van zwarte grond. Verbetering van de grondstructuur en van de waterhuishouding vormen de achterliggende redenen van deze ingrepen.
Kaartbeelden Barneveld Noord wordt op de geomorfologische kaart (figuur 2.2) weergegeven als een dekzandvlakte met dalvormige laagten waarin zich enkele dekzandruggen bevinden. Bodemkundig (figuur 2.3) bestaat het grotendeels uit oost-west gerichte vlakken met vlakvaaggronden (Zn en ABv) en tussenliggende iets hoger gelegen veldpodzolen (Hn). Bovendien is op sommige plaatsen sprake van venige beekdalbodems (ABv). Het gebied draagt een duidelijk nat karakter met hoofdzakelijk grondwatertrappen III, V en plaatselijk VI. Het betreft een voormalige nat gebied dat gerekend kan worden tot de broekontginningen. Overigens geeft de bodemkaart aan dat in de vlakvaaggronden deels sprake is van vergravingen van het bodemprofiel. Dit is echter veelal gebaseerd op een beperkt aantal boringen.
16
Barneveld-Noord
Figuur 2.3 Op de nieuwe geomorfogenetische kaart, schaal 1:10.000 (figuur 2.4) bestaat een groot deel van het plangebied uit dekzandvlakten en –laagten die deels verspoeld zijn.10 De kaart geeft een gedetailleerd beeld van de oppervlaktevormen en hierop voorkomende bodemeenheden. De kaart is gebaseerd op een gedetailleerde bureau-analyse van hoogtegegevens ontleend aan het Actueel Hoogtebestand Nederland, in combinatie met nauwkeurig gegeorefereerde historische topografische kaarten. Geomorfologische en bodemkundige gegevens vormden het uitgangspunt, maar deze zijn voor het gebied weinig gedetailleerd (kleinschalig) en niet overal even betrouwbaar ten aanzien van de interpretatie naar het paleolandschap. Op de kaart wordt het plangebied gekenmerkt door een afwisseling van dekzandlaagten en -vlakten en beekdalbodems met venige beekdalbodems of lemige vlakvaaggronden (FPtl, Edv of Edls), lage dekzandwelvingen (10-25 cm) met hydropodzolen (Edw) en lokaal hogere dekzand (25-50 cm) of een dekzandrug (50 – 100 cm) eveneens met hydropodzolen (Edw en Edr). Plaatselijk zijn deze welvingen of ruggen afgedekt door een plaggendek (dikker dan 50 cm: EdrP). De kaart vormt dé basis voor de nieuwe archeologische verwachtingskaart van de gemeente Barneveld (zie ook § 2.2) en de kwaliteit ervan is om die reden van grote betekenis.
Onderhavig onderzoek is tevens opgezet als veldtoetsing van deze kaart. Het kaartbeeld van het Actueel Hoogtebestand Nederland (figuur 2.5) laat zien dat het gebied vooral gekenmerkt wordt door lage en vlakke delen met kleine lichte opduikingen/welvingen. Deels gaat het om antropogene ophoging waarmee hogere delen zijn geaccentueerd en/of geheel nieuwe ontstaan (zie ook § 2.1). Juist buiten het plangebied liggen met name aan de noord- en oostzijde veel hogere gelegen opduikingen. Aan de zuidzijde is het beeld minder duidelijk als gevolg van de hier gelegen sportvelden en de bebouwde kom van Barneveld. Samenhangend met het grote oppervlakte-verhang van oost naar west (circa 2 tot 3 meter) komen de relatieve hoogteverschillen op perceelsniveau niet goed uit de verf. AHN-kaartjes van deelgebieden geven een beter beeld (deze zijn opgenomen in de bureaustudie, Schut 2016).
10 Willemse 2015
Uitsnede bodemkaart schaal 1:50.000 met grens plangebied (blauw). Bron: Schut 2016.
Barneveld-Noord 17
Figuur 2.4
Uitsnede geomorfogenetische kaart schaal 1:10.000 met grens plangebied (blauw). Bron: Willemse, 2015. Bron: Schut 2016.
Figuur 2.5
Het huidige maaiveldreliëf van het plangebied en omgeving. Bron: Actueel Hoogtebestand Nederland. 168000
168500
169000
169500
170000
168000
168500
169000
169500
170000
463000 462500
N
462000
0
500m
167000
167500
462000
462500
463000
463500
167500
463500
167000
18
Barneveld-Noord
2.2 Archeologie en cultuurhistorie Archeologische verwachtingen plangebied/regio Op de archeologische beleidskaart uit 2008 (figuur 2.6) heeft het gebied een lage of middelhoge archeologische verwachting. Op basis van de geomorfogenetische kaart uit 2015 wordt momenteel gewerkt aan een nieuwe beleidskaart (Figuur 2.7). De dekzandwelvingen en de dekzandruggen krijgen op deze concept beleidskaart een (voorwaardelijk) middelhoge, middelhoge of hoge archeologische verwachting. De overige kaarteenheden betreft lage landschapsdelen met een lage archeologische verwachting (tabel 2.1). Binnen de laag gelegen dekzandvlakte (incl. beekdalgronden) zijn volgens Archis buiten het plangebied enkele tientallen vindplaatsen aanwezig. Nadere studie heeft echter uitgewezen dat het hier grotendeels administratief geplaatste vondsten betreft waaraan op deze schaal geen waarde gehecht kan worden. Een klein aantal vindplaatsen heeft wel nauwkeurige coördinaten. Het betreft daarbij echter oude vondsten (ruim voor 1970) waaraan voor wat betreft de nauwkeurigheid niet al teveel waarde gehecht kan worden. In een enkel geval is het centrale coördinaat van een verkennend onderzoek binnen deze eenheid geplaatst, terwijl het onderzoek gericht was op de hogere gronden ernaast. Wel liggen enkele erven van voor 1832 in deze zone.
Dit is conform het algehele beeld dat de erven uit de late middeleeuwen en nieuwe tijd zich niet houden aan de hoger gelegen gronden. Binnen het plangebied wordt rekening gehouden met sporen van voorgangers van de erven Vaarst en Esveld. Beide liggen op de noordelijke rand van het plangebied in het oostelijke deel. Van de op de kaart weergegeven vlakken met hoge verwachting (esdek op dekzandwelving) valt één vlak af. Het betreft een klein terrein langs de noordwestgrens. De ophoging hier hangt samen met de aanleg van het erf in het midden van de twintigste eeuw. Ook over de juiste interpretatie van een plaggendek op een perceel in het oostelijke deel van het plangebied bestaat nog onduidelijkheid. eenheid
geomorfologie
bodemtype
landschapstype
Eda
Lage dekzandrug 50-100 cm
(rest van) plaggenbodem
Droge dekzandlandschap hoog
Edr
Lage dekzandrug 50-100 cm
h - hydropodzolen of x - xeropodzolen
Droge dekzandlandschap hoog
EdrP
Lage dekzandrug 50-100 cm
P - enkeerdgronden (plaggendek > 50cm)
Natte dekzandlandschap
EdrP
Lage dekzandrug 50-100 cm
P - enkeerdgronden (plaggendek > 50cm)
Droge dekzandlandschap hoog
Edw
Dekzandwelving 25-50 cm
h - hydropodzolen
Natte dekzandlandschap
middelhoog
Eda
Lage dekzandwelving 10-25 cm
p - laarpodzol (plaggendek 30-50cm)
Natte dekzandlandschap
laag tot middelhoog
Edw
Lage dekzandwelving 10-25 cm
h - hydropodzolen
Natte dekzandlandschap
laag tot middelhoog
Edlp
Dekzandvlakten en -laagten, ten dele verspoeld
p - dun plaggendek (30-50cm)
Natte dekzandlandschap
laag
Edls
Dekzandvlakten en -laagten, ten dele verspoeld
e - natuurlijke eerdgronden of g - (zand)vaaggronden Natte dekzandlandschap
laag
Edlv
Dekzandvlakten en -laagten, ten dele verspoeld
v - venige beekdalgronden
Natte dekzandlandschap
laag
Edv
Dekzandvlakte
h - hydropodzolen
Natte dekzandlandschap
laag
FPtl
Beekoverstromingsvlakte/Laatglaciale dalvlakte
e - natuurlijke eerdgronden of g - (zand)vaaggronden Natte dekzandlandschap
laag
In het plangebied zelf zijn in het verleden twee archeologische veldonderzoeken uitgevoerd: ·
In het uiterste oosten van het plangebied heeft een verkennend en karterend booronderzoek plaats gevonden. Hierbij is vastgesteld dat er sprake is van verspoeld dekzand en beekeerdgronden. Dit is in overeenstemming met de beleidskaart (2008) en de geomorfogenetische kaart. Er werden geen archeologische indicatoren aangetroffen.11
11 Hendrikx & Huizer 2009
Tabel 2.1
verwachting (concept)
hoog
Binnen het plangebied Barneveld-Noord voorkomende geomorfogenetische kaarteenheden en (voorlopig) toegekende archeologische verwachtingen.
Barneveld-Noord 19
Figuur 2.6
Uitsnede van de archeologische beleidskaart gemeente Barneveld uit 2008 met grens plangebied. Bron: Schut 2016.
Figuur 2.7
Uitsnede uit de concept beleidskaart (wit = lage verwachting; groen = middelhoge verwachting; gestippeld groen = voorwaardelijke middelhoge verwachting; rood = hoge verwachting). Bron: Schut 2016.
20
Barneveld-Noord
Figuur 2.8 ·
In het centrale gebied, 250 m ten zuiden van boerderij de Vaarst, zijn in 2007 bij een archeologische begeleiding van de aanleg van een riool diverse sporen uit de ijzertijd gedocumenteerd (RAAP rapport 1548 vindplaats 10, figuur 2.8).12 Dit is opmerkelijk aangezien deze sporen volgens de geomorfogenetische kaart op de rand van een lage dekzandwelving (10-25 cm) en beekoverstromingsvlakte liggen. Tot voor kort werd aangenomen dat dergelijke lage welvingen te nat waren voor bewoning. Deze situatie is vergelijkbaar met de locatie van de ijzertijd boerderij en cultusplaats(?) die gevonden is in Harselaar West-West. De vraag is of deze vindplaatsen wijzen op vaste bewoning of op special activity areas behorend bij nederzettingen op de hogere ruggen. Een en ander is van belang voor de visie op de bewoningsdynamiek in het gebied door de tijd en uiteindelijk voor de archeologische beleidskaart.
Buiten het plangebied zijn diverse veldonderzoeken uitgevoerd. In de meeste gevallen is er sprake van verspoelde dekzandvlakten of beekafzettingen waarbij geen archeologische indicatoren werden aangetroffen. Direct aan het plangebied grenzend zijn de volgende booronderzoeken uitgevoerd: ·
ARC rapport 2009-166: tijdens dit karterend booronderzoek werden grotendeels verstoorde veldpodzolen aangetroffen naast beekeerdgronden. Er werden enkele stukjes houtskool en een enkele mogelijk laat middeleeuwse scherf gevonden. De laatste houdt mogelijk verband met het ernaast gelegen erf dat in ieder geval ouder is dan 1697.13
12 De Groot 2007 13 Thijs. & Hebinck 2009
Sporenkaart vindplaats 10 (RAAP rapport 1548). IJzertijdsporen vastgesteld tijdens de begeleiding van een rioolaanleg in deelgebied 3. Bron: Schut 2016.
Barneveld-Noord 21
·
BAAC rapport V-09.0125 (verkennend booronderzoek): Nagenoeg het gehele terrein bleek verstoord te zijn. Er werden geen archeologische indicatoren aangetroffen. 14
·
BAAC rapport V-11.0392 (verkennend booronderzoek): De bodem is tot diep in de C-horizont verstoord. Er werden geen archeologische indicatoren aangetroffen.15
·
BAAC-rapport V-13.0059 (karterend booronderzoek): grootschalig booronderzoek op dekzandopduiking tegen beekdal van de Esvelderbeek juist ten noordoosten van het plangebied. De bodem was hier deels intact met restanten van veldpodzolen. Er werden geen relevante archeologische indicatoren aangetroffen.16
·
RAAP-notitie 4998 (verkennend booronderzoek): verspoeld dekzand met lage verwachting. Bodemprofiel is zwaar verstoord. Er werden geen archeologische indicatoren aangetroffen.17
·
RAAP-rapport 2195 (bureaustudie): vervaardiging van een gedetailleerde archeologische verwachtingskaart van het gebied direct ten noordoosten grenzend aan het plangebied, mede aan de hand van een verkennend veldonderzoek en een cultuurhistorische analyse.18
14 Krekelbergh. 2010: 15 Pepers 2011 16 Kalisvaart 2013 17 Goossens 2015: 18 Goossens & van der Veen
22
Barneveld-Noord Figuur 2.9
Uitsnede van de kaart van Passavant uit 1697 met boerderij De Vaarst (het noorden is links). Bron: Schut 2016.
Deze onderzoeken bevestigen het beeld dat ook grote delen van het plangebied een lage archeologische verwachting hebben. Daar komt bij dat ook delen die weliswaar een hoge verwachting hebben vanwege de aanwezigheid van een plaggendek diep verstoord kunnen zijn. Een kilometer naar het noordwesten werden tijdens een opgraving door BAAC in 2009-2012 mesolithische ‘haard’kuilen en vuursteen gevonden, evenals een ijzertijd nederzetting en erven uit de late middeleeuwen / nieuwe tijd.19 De locatie lag grotendeels op een lage dekzandrug terwijl op een dekzandwelving (<25 cm) een ijzertijd erf, een mogelijke cultusplaats en een middeleeuws erf werden aangetroffen. Op 500 m ten noordwesten van Barneveld Noord ligt AMK terrein met vergelijkbare kenmerken waar vuursteen en ijzertijd resten zijn gevonden. Een kilometer naar het oosten zijn in Harselaar-Zuid diverse ijzertijd erven en middeleeuwse erven opgegraven (RCE, RAAP en ARCHOL). Hier is ook sprake van een grafveld uit de late ijzertijd. Rondom het plangebied liggen op basis van historische informatie enkele erven die deels terug gaan tot in de late middeleeuwen (figuur 2.9 en 2.10). Aan de westzijde is dit het erf Surksum. Aan de noordzijde is dit op enige afstand de Meint/Meent die op de kaart van G. Passavant uit 1697 voor het eerst wordt vermeld. De Vaarst wordt het eerst in 1378 en Esveld in 1325 vermeld.
Bij Esveld en Surksum is niet bekend of het de naamgever is of een latere afsplitsing. Esveld is een streeknaam waarbij verschillende boerderijen deze naam dragen. De verkaveling laat in ieder geval een duidelijk verschil zien tussen Vaarst en Esveld. In een zone van 100 meter rondom De Vaarst en Esveld dient rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van voorgangers.
19 Brouwer. 2012:
Barneveld-Noord 23 Figuur 2.10
De ontwikkeling van Barneveld Noord in de afgelopen 200 jaar aan de hand van historische kaarten. Bron: Schut 2016.
24
Barneveld-Noord
Figuur 2.11
Uitsnede van de cultuurhistorische waardenkaart Bron: Schut 2016.
Figuur 2.12
Cultuurhistorische landschapselementen uit 1832 (geel= perceelgrens; groen= houtwal; rood= weg; zwart sterretje= schaapskooi). Bron: Schut 2016.
Barneveld-Noord 25
Cultuurhistorische ontwikkelingen De westelijke helft (ten westen van Vaarst) van het plangebied bestond tot in het begin van de twintigste eeuw grotendeels uit (natte) heide (jonge vochtige landbouwontginning) (figuur 2.10). Alleen in de noordwesthoek en in een zone tussen Vaarst en Esveld komen vochtige kampontginningen voor. In het zuidwesten wordt nog een negentiende eeuwse keutervestiging onderscheiden (Histland Barneveld 2014). Opmerkelijk is dat ook op de heide, mogelijk als voorbereiding voor de ontginning en samenhangend met de bezitsverhoudingen, al een aantal houtwallen waren aangelegd (zie figuur 2.10). De heide was onlosmakelijk verbonden met de akkerbouw. De schapen die werden geweid op de heide zorgden voor mest die gemengd met heideplaggen op de akkers werd uitgereden. Hierdoor werd de vruchtbaarheid verbeterd en ontstonden de soms dikke plaggendekken. De schaapskooien die op de kaart van 1898 (figuur 2.10/ figuur 2.12) staan, illustreren dit belang. Aan de schaapteelt kwam een einde door de introductie van kunstmest en import van wol waardoor de heidevelden niet meer belangrijk waren voor het agrarische bedrijf. De heide werd om deze reden vanaf het einde van de negentiende eeuw in snel tempo ontgonnen. Niet alle ‘plaggendekken’ in Barneveld zijn op deze wijze ontstaan.
Als gevolg van het natte karakter van de Vallei werd het maaiveld soms opgehoogd om een akker te kunnen aanleggen. Dit lijkt vooral in de achttiende en negentiende eeuw te hebben plaats gevonden. De oostelijke helft van het plangebied was al eerder ontgonnen en bestond ten zuiden van De Vaarst uit een aantal akkers die werden begrensd door houtwallen, ten oosten daarvan weer weiland met singels en ter hoogte van Esveld weer enkele akkers met houtwallen (figuur 2.10 en 2.12). Deze houtwallen speelden een belangrijke rol voor de (hak)houtvoorziening van de boerderij, maar in eerste instantie werden deze aangelegd om wild van de percelen af te houden en het vee binnen.
26
Barneveld-Noord
Barneveld-Noord 27
3
Resultaten verkennend booronderzoek 3.1 Methodiek Het onderzoek betreft een booronderzoek verkennende fase. Het onderzoek is uitgevoerd conform Protocol 4003: Specificatie Inventariserend Veldonderzoek VS03 van de KNA 3.3. tevens voldoet het onderzoek aan de werkwijze en andere voorwaarden zoals gesteld in het Plan van Aanpak (Heunks & Tol, 2016). Het verkennend booronderzoek heeft zich in eerste instantie geconcentreerd binnen de zes deelgebieden (98 boringen). Aansluitend zijn echter 55 aanvullende boringen met name buiten deze deelgebieden geplaatst, om een beter beeld te krijgen van hier voorkomende paleolandschappelijke en bodemkundige eenheden. Uiteindelijk is vrijwel het gehele plangebied met een vergelijkbare dichtheid aan boringen onderzocht (ca. 2 boringen /hectare). De boringen zijn gezet in noord-zuid raaien, haaks op de verwachte oriëntatie van de geologische eenheden, met een onderlinge afstand variërend tussen 25 en 50 m. De boringen zijn uitgevoerd met een Edelmanboor met een diameter van 7 cm. Vanaf circa 1,0 m –Mv is gebruik gemaakt van een guts met een diameter van 3 cm. De reguliere boordiepte bedroeg 150 cm. In vier raaien verspreid over het plangebied en representatief voor de landschappelijke variatie daarbinnen, zijn om de 50 meter de boringen doorgevoerd tot een diepte tussen 3 en 3,5 meter beneden maaiveld.
Dieper boren bleek vrijwel onmogelijk in verband met dichtvallen van het boorgat en/of ondoordringbaar zeer compact (waterverzadigd) zand. De boringen zijn in het veld beschreven volgens de Archeologische Standaard Boorbeschrijving (ASB) welke voldoet aan de NEN5104 norm. Alle grond is door het snijden en verkruimelen van de boorkern met het blote oog onderzocht op archeologische indicatoren. De boorpunten zijn ingemeten met een GPS. Tegelijkertijd is de maaiveldhoogte met deze apparatuur bepaald. De geschatte meetfout bedraagt maximaal 2,5 cm. De boorprofielen zijn als bijlage opgenomen achter in het rapport (bijlage 2). Van alle percelen waarop boringen zijn geplaatst zijn de eigenaren/grondgebruikers in het veld bezocht, op de hoogte gebracht van het onderzoek en gevraagd om medewerking. Met uitzondering van een eigenaar met een klein weideperceel aan de oostzijde kon het hele gebied zonder problemen worden onderzocht. Grote oppervlakken bestaan uit mais en wei-/hooiland, zonder of met een matige vondstzichtbaarheid.
3.2 Resultaten Paleogeografische opbouw De drie gevisualiseerde diepe bodemprofielen geven een aardig beeld van de ruimtelijke lithologische en bodemkundige variatie binnen het plangebied (figuren 3.2, 3.3 en 3.4). Tot een diepte van 3,5 m –Mv wordt het bodemprofiel binnen het gehele plangebied gekenmerkt door een sterk heterogene lithologische opbouw. De bovenste meter is op de meeste plaatsen zandig, maar ook dagzomen plaatselijk lemige afzettingen. Het bovenste zanddek is veelal matig fijn tot matig grof (150-400 mhu, matig gesorteerd) en toont grover dan de klassieke fijnzandige dekzanden (150-210
Barneveld-Noord
168000
168300
B
462900
D
27 28 29 39 40 41 42 43 44 45 46 47
Q
C
1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20
48 49 50
462600
K
A
21 22 23 24 25 26
30 31 32 33 34 35 36 37
116
114 113
138 139
142 143
N
144
87 86 78 156 79 80 81 82 83 84 85
F
151 152 J 96 97 98 99
51 52 53 54 55 56 57
132
108 107 106 105 104 103 102 101 100
137
127
H
88 89 90 91 92 93 94
149
150
131
109
136
58 59 60 61 62 63 64
O
153
154 155
169200
128 130
110
135
140 141
129
111
M
G
L
112
38
A
119 120 122 121 126 123
P 95
71 70 69 68 67 66 65 73 74 75 76 77
117
168900
I
E
118
115
168600
463200
167700
462900
463200
167400
133
462600
28
134
148
146
N
462300
462300
147
145
0
250m
167400
167700
168000
168300
168600
168900
169200
Figuur 3.1
Boorpuntenkaart met de locaties van de boorraaien en boringen.
Figuur 3.2
Geologisch profiel A-A’. B1629 boorraai A-A'
A
Hoogte t.o.v. NAP in cm
900 800
Periglaciale geulinsnijding
5 2
1
3
4
6
7
8
A'
9
10
11
12
200
225
250
275
13
14
15
16
325
350
375
17
18
19
400
425
450
20
700 600 500 0
25
50
75
100
125
150
175
Afstand tot nulpunt in meters Textuur: lemige afzettignen (Lz3) venige afzettingen siltrijke fijnzandige afzettingen (Zs3-4) siltarme zandige afzettingen (Zs1-2)
Overig: (restant van) veldpodzol (B/BC) humeuze afzettingen verstoord (incl. bouwvoor) boorkolom
300
475
Barneveld-Noord 29
B1629 boorraai E-E' Periglaciale geulinsnijding
E 1000 70
71
69
68
67
66
E'
vindplaats 10 73
74
75
Hoogte t.o.v. NAP in cm
77
76
65 900
800
700
600
0
25,27
50,31
74,48
99,09
123,55
148,56
166,95
192,83
217,34
243,59
269,06
Afstand tot nulpunt in meters
Textuur:
Overig:
lemige afzettignen (Lz3) venige afzettingen siltrijke fijnzandige afzettingen (Zs3-4) siltarme zandige afzettingen (Zs1-2)
(restant van) veldpodzol (B/BC) humeuze afzettingen verstoord (incl. bouwvoor) boorkolom
Figuur 3.3
Geologisch profiel E-E’.
mhu). Ook komen plaatselijk grindconcentraties of snoertjes voor. Deze kunnen zowel het resultaat zijn van selectieve uitwaaiing, maar ook kunnen deze zijn ontstaan onder invloed van fluviatiele processen. De heterogeniteit van het bovenste zanddek doet eerder denken aan oude verspoelde fluvioglaciale dekzanden dan aan jonge (Vroege- , Late Dryas) eolische dekzanden. Wel voelt het zand hier en daar zeer zacht en toont dan ook homogeen, dat weer pleit voor een primair eolische afzettingen. Dergelijke zanden zijn zowel in hoge als in lage delen aangetroffen. Vanaf ca. 1,0 m –Mv en dieper is het zandige bodemprofiel op de meeste plaatsen erg nat met humeuze leemafzettingen en plaatselijk ook venige banden en lagen. In het algemeen is sprake van een hoog reductieniveau rond 1,0 m –Mv. In de laagste delen van het gebied ligt dit niveau soms al rond 50 cm -Mv. Het hoge reductieniveau correspondeert met het tijdens het veldwerk vastgestelde hoge grondwaterpeil dat vaak al binnen 1,0 m –Mv aanving. Onder het reductieniveau zijn ook zandige afzettingen humushoudend en soms erg rijk aan plantaardig materiaal (hout/wortels). Zowel onder hoge als lage delen van het landschap komen deze ‘natte’ afzettingen voor. De aanwezigheid van ondiepe humeuze leembanden, veenlagen, plantenresten en humusrijke zanden wijst op zeer natte omstandigheden ten tijde van afzetting.
Vermoedelijk ligt het plangebied in een zone waar smelt- en regenwater vanuit oostelijk aangrenzende hogere delen (spoelzandwaaiers en stuwwallen van de Veluwe) zowel bovengronds via beekjes als ondergronds (kwelwater) accumuleerde en zorgde voor natte omstandigheden gedurende het Pleni- en Laat Glaciaal en het Holoceen. De beekjes met een oost-west oriëntatie zullen hebben geleid tot een geleidelijke insnijding van het landschap met uitsparing van hoger gelegen aangrenzende delen gedurende het Weichselien. Deze insnijding verklaart in dit deel van de Gelderse Vallei vermoedelijk veel eerder de huidige hoogteverschillen dan een mogelijke laatste verstuivingsfase (uitstuiving/opstuiving) gedurende het Laat Glaciaal. De voor die periode kenmerkende paraboolduinen ontbreken dan ook. Daarnaast is de
30
Barneveld-Noord
B1629 boorraai F-F'
F
Hoogte t.o.v. NAP in cm
1100 51
52
0
25
F'
55
54
53
56 57
1050 1000 950 900 850 800 75
50
100
125
Afstand tot nulpunt in meters Textuur: lemige afzettignen (Lz3) venige afzettingen siltrijke fijnzandige afzettingen (Zs3-4) siltarme zandige afzettingen (Zs1-2)
Overig: (restant van) veldpodzol (B/BC) humeuze afzettingen verstoord (incl. bouwvoor) boorkolom
Figuur 3.4
Geologisch profiel F-F’.
aanwezigheid van humeuze en venige lagen onder huidige opduikingen er ook beter mee te verklaren alsook de plaatselijk dagzomende lemen. Wel kan verstuiving geleid hebben tot versterking van dit ‘terrassenlandschap’, waarbij ruggen/plateaus verder zijn opgestoven en laagten uitgewaaid. In enkele boringen tegen de noordwestelijke grens van het plangebied is mogelijk een beekdalbodem aangetroffen met een gelaagde profielopbouw en veel verspoeld plantaardig materiaal. Oostelijker in deze laagte ontbreken aanwijzingen daarvoor.
Bodemopbouw De aangetroffen natuurlijke bodemtypen (onder bouwvoor en/of antropogeen geroerde toplaag) zijn grofweg onder te verdelen in natte en relatief droge bodems. Ook als bodems tot in het C-materiaal verstoord zijn is het oorspronkelijke bodemtype aan de hand van de kenmerken van deze C indirect vaak nog wel te herleiden. Met het oog op een reconstructie van het paleolandschap (en –reliëf) is bij het toekennen van het bodemtype de volgende indeling is gehanteerd (zie ook bijlage1): Relatief droge bodems: bodems waar veldpodzolen konden ontstaan (hydropodzolen) Type 1 (hoogst gelegen) ·
A-C profielen zonder dikke geroerde laag en met een geoxideerde C-horizont (licht geelbruin/licht bruin) naar beneden overgaand in een Cgley.
·
A-(E)-(B)-BC-Cdroog (veldpodzol) profielen.
Type 2 (relatief hoog gelegen) · ·
A-(E)-(B)-BC-Cgley (veldpodzol) profielen met veel roestvlekken/concreties in B/BC A-Cgley profielen met lemige/siltrijke top en relatief goed geoxideerd (geen podzolering mogelijk) =type 2a (zou ook type 1 kunnen zijn)
Relatief natte bodems: bodems waar geen podzolisatie is opgetreden als gevolg van de hoge natuurlijke grondwaterstand: vlakvaaggronden en (beek)eerdgronden.
148
Barneveld-Noord 31
Type 3 (relatief laag gelegen) ·
A-Cgley profielen zonder humeuze/venige insluitingen binnen 100 cm –Mv en het reductieniveau > 80 cm –Mv.
Type 4 (laagst gelegen) ·
A-Cgley profielen met het reductieniveau < 80 cm –Mv en/of venige/humeuze lagen < 100 cm –Mv.
Diep verstoorde profielen (type 5): bodems met diepe bodemverstoringen waardoor het oorspronkelijke bodemprofiel niet meer te achterhalen is. Opvallend is dat de hoogste delen van het plangebied gekenmerkt worden door veldpodzolen (figuur 3.2). Dat wijst op relatief natte omstandigheden ten tijde van de podzolvorming (vermoedelijk het Atlanticum, zie §2.1). De profielen worden gekenmerkt door (restanten van) een donkerbruine, vaak sterk verkitte B-inspoelingshorizont of alleen nog de BC-overgangshorizont daarvan. De onderliggende C-horizont toont daarbij vaak homogeen lichtbruingeel of licht geelbruin en is dan als droge, hoogst gelegen veldpodzol geclassificeerd (type 1). In een enkel geval is sprake van een A-C-profiel met een uitgesproken droge, goed geoxideerde top van de C-horizont. Hier is ervan uitgegaan dat het podzolprofiel geheel is opgenomen in de bouwvoor en/of afgeschoven, maar is het profiel wel als droog bodemtype geclassificeerd. Toont de C-horizont onder de veldpodzol sterke gley-verschijnselen zoals roestvorming en vlekkerigheid, dan is deze niet als hoog maar als relatief hoog gelegen podzol
Figuur 3.5
getypeerd. In een aantal boorprofielen is een restant van een E-uitspoelingshorizont
Hoogtekaart (bron AHN) met bodemprofieltypen en dikte antropogene, geroerde toplaag per boorlocatie. 167500
168000
168500
169000
55
50 100
80
0
50
15
130
50
50
35
90
35
60
45
85
30
35
40
30
50
50
40
55
35
50 55
30
40
40
15
30
50 30
75
30 25
50
60
100
45
65
95
60
60 60
70 55
70
95
90
25
70 70
50
25
40
3580 30 0
40
40
462500
45
40
45
50 90
60
45
50
35
55
25
100
35 50 40
80 80
40
40 35
35
40 35
462500
85
30
70
40
50 40
35
35
40
25
50
35
60
50 100
45
35
100
45
35 70
40
30
30 50 55 45
50
45
40
45
65
150
45
70
55
125
40
70 80
35 35
45 60
60
0
115
463000
70
85
50
55
60
50
35
35
40
35
40
55
40 50 75
Profieltype
65
droge veldpodzol (hoogst gelegen) veldpodzol (relatief hoog gelegen) vlakvaaggrond (vlak en laag gelegen) vlakvaaggrond en beekeerdgrond (laagst gelegen) diep verstoord
N
50 0
dikte (cm) geroerde toplaag
250m
167500
463000
35 40
50
35
168000
168500
169000
32
Barneveld-Noord
herkend, al dan niet verrommeld met A-materiaal. In diverse boringen wordt de basis van de geroerde toplaag gekenmerkt door een bijmenging met gebleekte zandkorrels die vermoedelijk kunnen worden toegeschreven aan de oorspronkelijke, hier omgewerkte E-horizont. Op één locatie aan de oostzijde van het plangebied wordt het bodemprofiel direct onder de bouwvoor gekenmerkt door uiterst siltige zanden en lemige afzettingen (boringen 53, 54, 55, figuur 3.3). Ondanks de relatief hoge ligging heeft hier het proces van uit- en inspoeling niet kunnen plaatsvinden en ontbreekt een podzolprofiel. De podzolen beperken zich dus tot de hogere delen van het landschap. Het is echter niet zo dat dit duidelijk in het veld waarneembare markante koppen hoeven te zijn. Ook flauwe verheffingen tonen soms (restanten van) een podzodprofiel, zoals bijvoorbeeld ter hoogte van de nader uitgekarteerde ijzertijdvindplaats deelgebied 3 (zie H 4). Daar komt bij dat het oorspronkelijke reliëf deels gemaskeerd wordt door egalisaties en ophogingen. Grote delen van het gebied zijn vlak en hebben een lage ligging. Aanwijzingen voor podzolen ontbreken hier geheel.
In deze gebieden lijkt het proces van podzolering niet mogelijk geweest als gevolg van het hoge natuurlijke grondwaterpeil.20 De natte bodems bestaan uit A-C profielen, waarbij de C-horizont direct onder de bouwvoor sterke gley-verschijnselen vertoont (Fe-vlekken, grijskleuring) of deels zelfs al gereduceerd is. De natste profielen corresponderen in de meeste gevallen met de laagste delen van het landschap. Een uitzondering vormen enkele locaties waar laagten zijn opgehoogd. De kenmerken van het onderliggende natuurlijke profiel verraadde in alle gevallen echter de oorspronkelijke lage natte ligging (gereduceerde C-horizont met humeus materiaal en/of plantenresten). Op een aantal plaatsen is sprake van een intensieve/diepe bodemverstoring. Dit hangt vermoedelijk in alle gevallen samen met lokaal grondverzet waarbij lage delen zijn omgezet en opgehoogd en hoge delen zijn afgegraven. Daarnaast zijn ten behoeve van een betere grondwaterhuishouding diverse lokale opduikingen verder opgehoogd. Wat thans als hoogten met een plaggendek op de kaart staat zijn veel eerder oorspronkelijke relatieve hoogten die vermoedelijk in één slag zijn opgehoogd. De bodemopbouw toont hier namelijk erg grillig met bijvoorbeeld C-materiaal in de geroerde toplaag, vaak ook met roestverkleuringen en of leembrokken. Geen resultaat van een ‘eeuwenlange’ plaggenophoging.
Ook de deels intacte veldpodzolen onder dit dek wijzen op een relatief recent verschijnsel.21 In het algemeen is het opvallend te noemen dat ondanks egalisaties en opgebrachte lagen op de meeste opduikingen, restanten van natuurlijke podzolen zijn aangetroffen (zie tabel 1, kolom bodemtype). Uitgaand van een hier te verwachten oorspronkelijke dikte van circa 50 cm van een complete podzol (van Ah- tot C-horizont), lijkt de mate van bodemverstoring beperkt. Op veel plaatsen heeft de geroerde bovengrond een reguliere bouwvoordikte tussen de 30 en 40 cm. Daar deze dikker is, is sprake van ophoging dan wel diep grondverzet (zie ook bijlage 1). 20 De natte omstandigheden worden geïllustreerd door een anekdote van een grondeigenaar die aangaf dat er tot in de jaren zestig in de winter kon worden geschaatst op de weilanden in de laagste delen in het westelijke deel van het plangebied. 21 Echte plaggendekken /enkeerden ontwikkelden zich op de hoogste delen met gunstige bodemkundige en hydrologische kenmerken voor akkerbouw. Het natuurlijke bodemprofiel bestaat hier doorgaans niet uit veldpodzolen maar eerder uit bruine bosbodems en/ of moderpodzolen, die veelal zijn opgenomen in een oude akkerlaag aan de basis van het plaggendek.
Barneveld-Noord 33
167500
168000
168500
169000
55
50 100 0
50
0
115
70
15 50
130
70
45
50
90
35
55
50
150
35
100 50
25
40
45
30
85
30
35
40
85
50 40
35
45
50
40
30
40
40
15
30
30 25
50
60
65 60 70 55
70
95
90
25
70 70
50
25
40
40
80 80
40
40 35
35
40 35 35
35
462500
75
25
95 60 60
462500
55
30
45
35
50
55
35
40
100
30 0
40
40
50
100
3580
40
50
60
45
70
40
45
50 90
30
35
50
35
50
45
100
45
35 70
55 30
30 50 55 45
50
45
40
45
65
35
60
60
35
125
40
35 35
45 60
60
80
463000
70
85
50 80
55
60
50
463000
35 40
50
35
40
35
40
55
40 50 75 65
Profieltype droge veldpodzol (hoogst gelegen) veldpodzol (relatief hoog gelegen) vlakvaaggrond (vlak en laag gelegen) vlakvaaggrond en beekeerdgrond (laagst gelegen) diep verstoord
N
50 0
dikte (cm) geroerde toplaag
250m
167500
168000
168500
169000
Figuur 3.6
Historische kaart circa 1900 met vastgestelde bodemtypen per boorlocatie.
Relatie tussen bodemopbouw (paleoreliëf) en de historische kaart (1900) Combineren we de onderscheiden bodemtypen en gerelateerde natuurlijke hoogteligging met het landgebruik rond 1900 dan valt op dat er maar een matige relatie tussen beiden bestaat (figuur 3.3). Akkerland is, uitgaand van de natte omstandigheden en beperkte mogelijkheden voor drainage rond 1900, vooral te verwachten op de hogere gronden met (restanten van) podzolen. Akkers zijn weliswaar vooral op hogere delen te vinden maar opvallend genoeg ook in laagten. Daar komt bij dat enkele hoger gelegen delen juist gekenmerkt worden door heideveldjes/woeste grond en wei-/hooiland met omheiningen van houtwallen/heggen. Bij de akkers in natuurlijke laagten is er maar in één geval mogelijk sprake van een reeds opgehoogd terreindeel (zuid van Esveld). In andere gevallen hangt de keuze voor een lage ligging van de akker mogelijk samen met het specifieke gewas dat er op geteeld werd. Heidevelden/woeste grond komen zowel op hoge als lage terreindelen rond 1900 nog volop voor. Het lijkt er al met al op dat er rond 1900 nog weinig druk op het gebied lag, waardoor relatief veel potentiële akkergrond (de hogere delen) nog niet als zodanig werd benut.
Vertaling naar een paleoreliëf Op basis van de in het veld vastgestelde bodemprofielen kan het oppervlaktereliëf (AHN) beter worden geduid en vertaald naar een meest betrouwbaar beeld van het oorspronkelijke / natuurlijke reliëf: het paleoreliëf (figuur 3.4). Historisch landgebruik blijkt dus in dit geval maar een matige relatie te hebben met het paleolandschap en is slechts incidenteel doorslaggevend geweest in de toekenning van de kaarteenheid.
34
Barneveld-Noord
167500
168000
EdrP Edw
FPtl
168500
Edrp
Edw
EdrP
Edn
Edw
Edw
463000
Edw
463000
FPtl
EdrP
Edlp
169000
Edw
EdrP
Edn
Eda Edls
Edls
FPtl
Eda Edw FPtl A2
Edw FPtl
Edw
Edw
Edv
Edls
FPtlN
0
167500
168000
Edn
EdrP
168500
Edr
250m
169000
Legenda: Paleogeografische eenheid:
Bodemtype:
dekzandrug / -plateau
A-C droog (onthoofde veldpodzol) en A-B-C droog (veldpodzol)
flank van dekzandrug / -plateaus en dekzandwelving
A-(E)-(B)-BC-Cgley (veldpodzol) met veel roestvlekken/concreties in B/BC A-C profielen met lemige/siltrijke top en relatief goed geoxideerd
dekzandvlakte
A-Cgley (vlakvaaggronden)
dekzandlaagte
A-Cgley profielen met reductie < 80 cm -Mv en/of venige/humeuze lagen < 100 cm -Mv (vlakvaaggronden en beekeerdgronden).
grens plangebied globale ligging vermoedelijk laat-glaciaal / vroeg-holoceen beekdal
Figuur 3.7
Paleogeografische detailkaart BarneveldNoord.
Ten aanzien van het paleoreliëf worden slechts vier kaarteenheden onderscheiden: 1. Paleogeografische eenheid: dekzandrug / –plateau Bodemtype: A-C droog (onthoofde veldpodzol) en A-B-C droog (veldpodzol) 2. Paleogeografische eenheid: flank van dekzandrug / -plateaus en dekzandwelving Bodemtype: - A-(E)-(B)-BC-Cgley (veldpodzol) met veel roestvlekken/concreties in B/BC - A-C profielen met lemige/siltrijke top en relatief goed geoxideerd (geen podzol mogelijk) =type 2a 3. Paleogeografische eenheid: laag gelegen dekzandvlakte Bodemtype: A-Cgley (vlakvaaggronden)