Bloemendal IIA_Toelichting_Bijlage 5 Archeologisch onderzoek proefsleuven (2018)
Tekst van het document
Op het spoor van de ijzertijd in plangebied Bloemendal te Barneveld Karterend en waarderend veldonderzoek door middel van proefsleuven
Archol
J. van der Leije A.J. Tol
434 Archol
Op het spoor van de ijzertijd in plangebied Bloemendal te Barneveld Karterend en waarderend veldonderzoek door middel van proefsleuven
J. van der Leije A.J. Tol
Colofon Archol Rapport 434 Op het spoor van de ijzertijd in plangebied Bloemendal te Barneveld Karterend en waarderend veldonderzoek door middel van proefsleuven Projectleiding:
drs. A.J. Tol
Auteur(s):
J. van der Leije MA & drs. A.J. Tol
Met bijdragen van:
drs. E. Heunks & drs. L. Meurkens
Tekstredactie
drs. L. Meurkens
Beeldmateriaal:
S. Shek
Opmaak:
A.J. Allen
Druk: Haveka, Alblasserdam Datum: 2018 Versie: 1.1 Status: definitief Autorisatie:
Handtekening
ISSN 1569-2396
© Archol, Leiden 2017 Einsteinweg 2 2333 CC Leiden info@archol.nl Tel. 071 527 33 13
drs. A.J. Tol
Inhoudsopgave
Samenvatting
5
1
2
3
4
Inleiding
7
1.1 Aanleiding en doelstelling
7
1.2 Ligging van het plangebied en de te onderzoeken deelgebieden
8
1.3 Onderzoeksopzet en organisatie
9
1.4 Opzet rapportage
9
Methodiek
11
2.1 Doelstelling en onderzoeksvragen
11
2.2 Strategie veldwerk
11
2.3 Werkwijze
14
Resultaten landschappelijk onderzoek
15
3.1 Inleiding
15
3.2 Deelgebied 1
15
3.3 Deelgebied 4 en 5
15
3.4 Deelgebied 6
18
3.5 Conclusie
18
Archeologische resultaten
19
4.1 Sporen en structuren
19
4.1.1 Deelgebied 1
19
4.1.2 Deelgebied 4 en 5
19
4.1.3 Deelgebied 6
24
4.2 Handgevormd aardewerk
25
4.3 Vuursteen
25
4.4 Waardering van twee grondmonsters op geschiktheid voor 14C-analyse
25
4.4.1 Inleiding
4.4.2 Methoden
25
4.4.3 Resultaten
26
5
25
4.5 Datering van greppelspoor 73 van structuur 4
26
Conclusie en waardering
27
5.1 Inleiding
27
5.1.1 Vindplaats Bloemendal-1
27
5.1.2 Waardering
28
5.2 Advies
30
5.3 Beantwoording onderzoeksvragen
30
Literatuur
34
Lijst van figuren
35
Lijst van tabellen
35
Bijlage 1 Sporenlijst
37
Bijlage 2 Vondstenlijst
39
Bijlage 3 Profielopnamen
41
Bijlage 4 Determinatielijst handgemaakt aardewerk
57
Bloemendal 5
Samenvatting Archol BV heeft van 8 tot en met 10 mei 2017 een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd in plangebied Bloemendal te Barneveld. Het plangebied ligt pal ten noorden en noordwesten van de bebouwde kom van Barneveld en heeft een oppervlakte van 80 ha. Hierbinnen dienden zes deelgebieden onderzocht te worden: de locatie van de schaapskooi en de deelgebieden 1 en 3 t/m 6. Omdat deelgebied 3 en de locatie van de schaapskooi niet toegankelijk waren is het proefsleuvenonderzoek uiteindelijk beperkt gebleven tot deelgebieden 1 en 4 t/m 6. Het doel van het proefsleuvenonderzoek is vast te stellen of zich in de deelgebieden behoudenswaardige archeologische resten bevinden en zo ja, wat de aard, omvang, kwaliteit en datering van deze resten zijn. Met het proefsleuvenonderzoek dient informatie te worden verzameld om tot een waardestelling van het terrein te komen, met bijbehorend selectieadvies. In deelgebieden 1, 5 en 6 zijn buiten enkele sloten uit de Nieuwe tijd, geen archeologische resten aangetroffen. Voor deelgebieden 1 en 6 geldt dat het ontbreken van archeologische resten het gevolg kan zijn van diepe bodemverstoringen die hier zijn vastgesteld. Deelgebied 5, waar de bodemopbouw wel relatief intact was, lijkt in het verleden daadwerkelijk onbewoond te zijn geweest. In deelgebied 4 is de aanwezigheid van een vindplaats vastgesteld.
Vindplaats Bloemendal-1 bestaat vermoedelijk uit verspreid gelegen erven uit de late bronstijd of ijzertijd. De exacte omvang van de nederzetting is niet vastgesteld. In ieder geval zijn binnen een areaal van 100 bij 140 m nederzettingsresten aangetroffen. Waarschijnlijk loopt de nederzetting echter in noordelijke richting (ten noorden van werkputten 12-14), westelijke richting (deelgebied 3, ten westen van werkput 9) en zuidelijke richting (ten zuiden van werkputten 5-9) verder door. In oostelijke richting lijkt de vindplaats niet veel verder te hebben doorgelopen. Opvallend is de greppelstructuur in het noorden van de vindplaats. Hoewel een middeleeuwse ouderdom niet is uitgesloten, is het goed mogelijk dat deze structuur gelijktijdig is met de nederzettingsresten. Een 14C-datering van de basis van de greppel komt uit in grofweg het begin van de midden-ijzertijd. De functie van de greppel is onduidelijk omdat de omvang en vorm ervan niet volledig in beeld zijn gekomen. Wellicht is sprake van een rechthoekige greppel die een special activity area zoals een cultusplaats afbakent. Vindplaats Bloemendal-1 is zowel op fysieke kwaliteit (score 5 punten) als inhoudelijke kwaliteit (score 8-9 punten) behoudenswaardig.
Op basis van de resultaten van het proefsleuvenonderzoek geven wij de volgende adviezen: In deelgebieden 1, 5 en 6 zijn geen behoudenswaardige vindplaatsen vastgesteld. Er wordt geen aanvullend archeologisch onderzoek geadviseerd. Voor wat de archeologie betreft is er geen belemmering voor verdere ontwikkeling van het plangebied. Wel dient te allen tijde bij het afgeven van een omgevingsvergunning de wettelijke meldingsplicht (ex artikel 53 Monumentenwet 1988) kenbaar te worden gemaakt teneinde het documenteren van toevalsvondsten te garanderen. Vindplaats Bloemendal-1 is een behoudenswaardige vindplaats uit de periode late bronstijd – ijzertijd. Geadviseerd wordt de vindplaats in-situ te behouden. Indien dit
6
Bloemendal
niet mogelijk is wordt geadviseerd om de vindplaats ex-situ te behouden (opgraving). In het laatste geval wordt geadviseerd er rekening met te houden dat de vindplaats in zuidelijke, noordelijke, noordoostelijke en westelijke richting tot buiten de tijdens het proefsleuvenonderzoek vastgestelde sporenverspreiding doorloopt.
Bloemendal 7
1
Inleiding 1.1 Aanleiding en doelstelling In plangebied Bloemendal te Barneveld (Figuur 1.1) wordt in de komende jaren een woningbouwproject met bijbehorende voorzieningen gerealiseerd. De met de bouw gepaard gaande graafwerkzaamheden kunnen eventueel in het gebied aanwezige archeologische resten vernielen. Over de kans op het aantreffen van archeologische resten in het plangebied bestond tot voor kort echter weinig inzicht. Met uitzondering van een in 2007 centraal in het plangebied ontdekte vindplaats met sporen uit de ijzertijd (RAAP-vindplaats 10)1, was over de rest ervan geen archeologische informatie beschikbaar. Om die reden is in augustus-september 2016 een verkennend booronderzoek uitgevoerd met als doel het opstellen van een gedetailleerde paleoreliëfkaart van het plangebied. Het verkennend onderzoek heeft een gedetailleerd beeld van de ligging van dekzandruggen, -vlaktes en – laagtes opgeleverd.2 Het blijkt dat RAAP-vindplaats 10 op de noordelijke flank van een dekzandrug en de overgang naar een dekzandlaagte ligt. Een karterend booronderzoek ter plaatse van de vindplaats, waarbij verschillende scherven ijzertijdaardewerk zijn aangetroffen, bevestigde de aanwezigheid van de vindplaats.
Op grond van de ligging van vindplaats 10 kan met betrekking tot plangebied Barneveld-Bloemendal in zijn algemeenheid gesteld worden dat de hogere delen en flanken van dekzandruggen een middelhoge tot hoge kans op het aantreffen van archeologische resten hebben. Om hierbinnen toch enige differentiatie aan te brengen, is in december 2016 in de meest kansrijke gebieden op enkele akkerpercelen
Figuur 1.1
166000
167000
168000
169000
170000
171000
168000
169000
170000
171000
465000 464000 463000
463000
464000
465000
Ligging plangebied Bloemendal te Barneveld.
462000
462000
N
1000m 461000
461000
0
bron:kadaster 166000
167000
1 De Groot 2007. 2 Heunks & Meurkens in voorbereiding.
8
Bloemendal
167500
168000
168500
169000
6
463000
463000
S
3
5 4
462500
N
0
167500
168000
168500
zijn vijf deelgebieden onderscheiden met een hoge potentie voor het daadwerkelijk aantreffen van archeologische resten (Figuur 1.2: deelgebieden 1, 3-6). Daarnaast heeft de bestudering van historische kaarten duidelijk gemaakt dat in het noordwesten van het plangebied in historische tijden een schaapskooi heeft gelegen (Figuur 1.2: S). De ontwikkeling van het plangebied zal zorgen voor grootschalige verstoring van de bodem en vormt daarmee een serieuze bedreiging voor het aanwezige archeologische bodemarchief. Om goed in beeld te krijgen waar archeologische vindplaatsen ligging en of deze vindplaatsen behoudenswaardig zijn, dient proefsleuvenonderzoek te worden uitgevoerd in de gebieden met een hoge potentie voor het aantreffen van archeologische resten. De gemeente Barneveld heeft Archol opdracht gegeven dit onderzoek uit te voeren. Doel van het proefsleuvenonderzoek is het opsporen en waarderen van archeologische resten in deelgebieden 1 en 3-6 en ter plaatse van de schaapskooi.
1.2 Ligging van het plangebied en de te onderzoeken deelgebieden Het plangebied ligt pal ten noorden en noordwesten van de bebouwde kom van Barneveld en heeft een oppervlakte van 80 ha. Het gebied heeft thans een agrarisch karakter met aan de oostzijde een meer landgoed-achtige uitstraling (bomenlanen, bosschages, landhuizen). Hierbinnen dienden zes deelgebieden onderzocht te worden: de locatie van de schaapskooi en de deelgebieden 1 en 3 t/m 6 (Figuur 1.2).
250m
169000
Figuur 1.2 een oppervlaktekartering uitgevoerd. Op basis van de hierbij aangetroffen vondsten
462500
1
Overzicht van de deelgebieden in plangebied Bloemendal en het puttenplan uit het PvE.
Bloemendal 9
Omdat deelgebied 3 en de locatie van de schaapskooi niet toegankelijk waren is het proefsleuvenonderzoek uiteindelijk beperkt gebleven tot deelgebieden 1 en 4 t/m 6.
1.3 Onderzoeksopzet en organisatie Al sinds 1961 kent Nederland een monumentenwet. In 1988 werd deze wet vervangen door de Monumentenwet 1988, die op zijn beurt per 1 juli 2016 is komen te vervallen en deels is overgegaan naar de Erfgoedwet. Deze wet regelt de omgang met het archeologisch erfgoed. Iedere initiatiefnemer van projecten waarbij de bodem wordt verstoord kan door de overheid verplicht worden een rapport te overleggen waaruit de archeologische waarde van het te verstoren terrein (het plangebied) blijkt. Voor een dergelijk rapport is archeologisch onderzoek vereist: het archeologisch vooronderzoek. Dit onderzoek heeft tot doel vast te stellen of in het plangebied waardevolle vindplaatsen voorkomen. Het vooronderzoek is opgebouwd uit twee onderdelen: het bureauonderzoek (BO) en een eventueel inventariserend veldonderzoek (IVO), elk met bijbehorende stan daardrapportages. Het doel van een bureauonderzoek is het vaststellen of, en zo ja, welke typen archeologische vindplaatsen precies in het plangebied worden verwacht (“gespecificeerde archeologische verwachting”). Het IVO dient ertoe deze vindplaatsen daadwerkelijk op te sporen (karterende fase) en de omvang en waarde in kaart te brengen (waarderende fase). Het hier gepresenteerde onderzoek betreft de karterende en waarderende fase van een IVO, in de vorm van een proefsleuvenonderzoek.
Na afronding van dit onderzoek dient de overheid, op basis van het advies van Archol bv, een besluit te nemen over het vervolgtraject. Als geen archeologische waarden zijn aangetroffen kan het besluit inhouden dat het archeologisch onderzoek is afgerond. Als echter blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden tot een aanpassing van de plannen (de vindplaats blijft in de grond behouden), of tot een archeologische opgraving. Het veldwerk (8 - 10 mei 2017) en de uitwerking (11 mei – 15 november 2017) is uitgevoerd door een team van archeologen, aangevuld met enkele specialisten (Tabel 1.2).
1.4 Opzet rapportage De resultaten van het proefsleuvenonderzoek zullen uiteindelijk samen met de resultaten van het booronderzoek en de oppervlaktekartering in één rapport worden geïntegreerd. Voor het landschappelijke en archeologische kader wordt verwezen naar de rapportage van het booronderzoek.
10
Bloemendal
Soort onderzoek:
Waarderend proefsleuvenonderzoek (IVO-p)
Projectnaam:
Proefsleuven Barneveld-Bloemendal
Archolprojectcode:
BNI1670
Archis-zaaknummer:
4024260100
Opdrachtgever:
Gemeente Barneeld, G. Rekker
Bevoegd gezag:
Gemeente Barneveld
Adviseur bevoegd gezag:
Peter Schut (Regioarcheoloog De Vallei)
Uitvoerder:
Archeologisch Onderzoek Leiden bv
Periode van uitvoering veldwerk:
8-10 mei 2017
Rapport gereed:
9 oktober 2018
Versie
1.1 (definitief )
Goedkeuring bevoegd gezag
Nog niet beoordeeld
Provincie:
Gelderland
Gemeente:
Barneveld
Plaats:
Barneveld
Toponiem:
Bloemendal
Coördinaten gebied:
168.280/ 426.940 (centrum-coördinaten)
Oppervlakte plan- of onderzoeksgebied:
Deelgebied 1: 0,7 ha Deelgebied 4: 1 ha Deelgebied 5: 0,7 ha Deelgebied 6: 2,7 ha
Huidig grondgebruik:
Bouwland
Beheer en plaats van documentatie en vondsten:
Provinciaal Depot voor Bodemvondsten Provincie Gelderland
Naam
Functie
Bedrijf
drs. A.J. Tol
projectleider/ veldwerkleider
Archol bv
S. Hagendoorn MA
veldarcheoloog
Archol bv
J. van der Leije MA
veldarcheoloog
Archol bv
dhr. H. Bolink
graafmachinist
Unicom
drs. E. Heunks
fysisch geograaf
Heunks Landschaparcheologie
drs. L. Meurkens
specialist handgevormd aardewerk
Archol bv
dr. S. Knippenberg
specialist vuursteen
Archol bv
E. van Hees BA
specialist archeobotanie
Universiteit Leiden/st. Lab
Tabel 1.1
Administratieve gegevens.
Tabel 1.2
Samenstelling onderzoeksteam.
Bloemendal 11
2
Methodiek 2.1 Doelstelling en onderzoeksvragen Het doel van het proefsleuvenonderzoek is vast te stellen of zich in de deelgebieden 1, 3 tot en met 6 , en Schaapskooi behoudenswaardige archeologische resten bevinden en zo ja, wat de aard, omvang, kwaliteit en datering van deze resten zijn. Met het proefsleuvenonderzoek dient informatie te worden verzameld om tot een waardestelling van het terrein te komen, met bijbehorend selectieadvies. Conform het PvE3 dient het proefsleuvenonderzoek antwoord te geven op onderstaande onderzoeksvragen: 1. In welke mate is het terrein verstoord en tot hoe diep reiken de verstoringen? 2. Hoe ziet de geologische/ bodemkundige opbouw van het gebied eruit? Is er een plaggendek en/of fossiele akkerlaag aangetroffen? 3. Wat is het paleo-ecologische potentieel van het onderzoeksgebied? Zijn monsterlocaties aanwezig die geschikt zijn voor pollenanalyse in het kader van een vegetatiereconstructie (bv. met veen opgevulde depressies, waterputten)? 4. Zijn er archeologische resten (vondsten, sporen, structuren) in de bodem aanwezig? Indien er geen archeologische resten worden aangetroffen: 5. Wat is de reden voor het ontbreken van archeologische resten? Indien er wel archeologische resten worden aangetroffen: 6. Wat is de aard, datering en omvang van deze resten? 7.
Bij resten uit de ijzertijd: hebben we te maken met een ‘regulier’ erf of met een special activity area? 8. Wat is de conservering en gaafheid van de vindplaats(en)? 9. Is/ zijn de vindplaats(en) behoudenswaardig?
2.2 Strategie veldwerk In de deelgebieden 1, 4, 5 en 6 zijn in totaal 15 proefsleuven aangelegd (Figuren 2.1, 2.2 & 2.3): ·
Deelgebied 1: Er zijn twee sleuven van 50 m lengte aangelegd om de context van enkele middeleeuwse vondsten vast te stellen. Sleuf 1 heeft een breedte van 5 m. Omdat de ondergrond sterk verstoord bleek, is sleuf 2 smaller aangelegd (2 m breed). In totaal is 325 m2 proefsleuf aangelegd.
·
Deelgebied 4 en 5: Om zicht te krijgen op de behoudenswaardigheid van RAAP-vindplaats 10 zijn zeven proefsleuven haaks op de dekzandrug aangelegd (sleuven 3-9, 12-15). De afstand tussen de sleuven bedraagt 21 tot 60 m, de sleuven hebben een breedte van 4 m. Doordat door het plangebied een rioolpersleiding loopt, zijn de sleuven aan de noordzijde onderbroken of ingekort (sleuven 12-15). De zuidelijke uiteinden van de sleuven konden niet worden aangelegd omdat het zuidelijke perceel niet beschikbaar was voor onderzoek. In totaal is er 2.144 m2 aan proefsleuven aangelegd.
3 Tol 2017a.
12
Bloemendal
167500
168000
EdrP
FPtl
Edw
168500
Edrp
Edw
Edlp
EdrP
Edw
Edw
FPtl
169000
Edw
EdrP
Edn Edw
6
463000
463000
S
1
EdrP
3
5
4
Edn
Eda
Edls
Edls
FPtl
Eda Edw FPtl
A2
Edw FPtl
Edw
Edw
Edv
Edls
FPtlN
0
167500
168000
Edn
EdrP
168500
462500
Edr 462500
A2
Edr
250m
169000
Legenda: Paleogeografische eenheid:
Bodemtype:
dekzandrug / -plateau
A-C droog (onthoofde veldpodzol) en A-B-C droog (veldpodzol)
flank van dekzandrug / -plateaus en dekzandwelving
A-(E)-(B)-BC-Cgley (veldpodzol) met veel roestvlekken/concreties in B/BC A-C profielen met lemige/siltrijke top en relatief goed geoxideerd
dekzandvlakte
A-Cgley (vlakvaaggronden)
dekzandlaagte
A-Cgley profielen met reductie < 80 cm -Mv en/of venige/humeuze lagen < 100 cm -Mv (vlakvaaggronden en beekeerdgronden).
grens plangebied globale ligging vermoedelijk laat-glaciaal / vroeg-holoceen beekdal
Figuur 2.1
Overzicht van de ligging van de proefsleuven in deelgebieden 1 en 4 t/m 6, geprojecteerd op de paleogeografische kaart.
·
Deelgebied 6: Er zijn twee 4 m brede proefsleuven aangelegd dwars over de hier aanwezige dekzandkop (sleuven 10 en 11). Het totale oppervlak van de proefsleuven bedraagt 765 m2.
Bloemendal 13 Figuur 2.2
167600
167700
167800
463000
463000
Overzicht van de ligging van de proefsleuven en de gedocumenteerde profielkolommen in deelgebied 1.
P1
P1
P2
P2
1
2
1
P3
462900
462900
P3
N
0
Figuur 2.3
Overzicht van de ligging van de proefsleuven en de gedocumenteerde profielkolommen in deelgebieden 4 tot en met 6.
50m
167600
167700
168200
167800
168300
168400
6
463100
P2
463100
P1
P3 P4
P1
P5
14
P2
P6
10
P2
15
14
P1
P3 P2
462900
P1
P3
9 P2 8 P1
P3 P2 P1
P1
P1
P3
7
P2
13
P2 P1
P7
P2
P3
P2
P2
P1 P1
6
P2 P3
P4 N
12
P1
P3
5
P4
P1
P2
4
3 P3 P4
4 0
50m
168200
168300
168400
5
462900
463000
P4
463000
11
14
Bloemendal
2.3 Werkwijze Het onderzoek is uitgevoerd conform de procesbeschrijvingen in de KNA 4.0 en de eisen uit het PvE en het Plan van Aanpak.4 Bij het ontgraven zijn de bouwvoor, de eventueel aanwezige overgangslaag en het gele zand van de C-horizont apart door de machinist naast de sleuf neergelegd en vervolgens bij het dichtdraaien in de juiste volgorde weer teruggezet. Het vlak is aangelegd onder begeleiding van een archeoloog, met gebruikmaking van een metaaldetector. Alle sporen zijn aangekrast, gefotografeerd en vervolgens digitaal ingetekend met een dGPS. Een selectie van de sporen is gecoupeerd en bemonsterd. De coupes van deze sporen zijn gefotografeerd en getekend. Vondsten uit sporen zijn verzameld per context; aanlegvondsten zijn verzameld in vakken van 5 bij 4 meter. De fysische geografische opbouw van het plangebied is in kaart gebracht door middel van 50 profielkolommen (Figuur 2.1). Deze zijn gefotografeerd en ingevoerd in het boorbeschrijvingsprogramma Deborah (bijlage 3). Tijdens het onderzoek zijn in totaal 37 vondsten verzameld (tabel 2.1). Alle vondsten zijn verwerkt: naar categorie gesplitst, geteld en gewogen. In totaal zijn twee monsters genomen voor 14C-onderzoek en/of archeobotanisch onderzoek (Tabel ). Uit sporen
Uit lagen
Materiaal
Vondstcategorie
Keramiek
Aardewerk middeleeuwen
Keramiek
Aardewerk prehistorisch
32
279,4
Keramiek
Baksteen
2
181,1
Steen
Steen vuursteen
Totaal
Omschrijving
34
Aantal vondstnr put
460,5
Tabel 2.1
Totaal
aantal gewicht (g) aantal gewicht (g) aantal
gewicht (g)
1
10,2
1
10,2
1
5,8
33
285,2
2
181,1
1
21,9
1
21,9
3
37,9
37
498,4
vlak spoor vulling
Monster C-14
1 119
14
1
73
1
Monster ecologie
1 107
5
1
4
3
Conform het evaluatierapport is de inhoudelijke uitwerking als volgt uitgevoerd: ·
de fysische geografie is per deelgebied beschreven en in kaart gebracht, waarbij een terugkoppeling plaats vindt naar het eerder uitgevoerde booronderzoek. Basis van het fysisch geografisch onderzoek zijn de gedocumenteerde profielkolommen.
·
De aangetroffen sporen en structuren zijn beschreven en op kaart afgebeeld, waarbij ook het eerder uitgevoerd onderzoek van RAAP betrokken is (i.e. in de sporenkaart opgenomen).5
·
Het prehistorisch aardewerk en het vuursteen is door een specialist geanalyseerd. Het jongere materiaal (middeleeuws aardewerk en baksteen) is niet verder onderzocht.
·
De beide monsters zijn gewaardeerd op geschiktheid voor 14C-onderzoek. Monster 119 bleek geschikt en is door Poznań Radiocarbon Laboratory gedateerd.
·
De beide monsters zijn niet voor archeobotanische doeleinden gewaardeerd.
4 Tol 2017a; Tol 2017b. 5 De Groot 2007.
Totaal vondsten.
Tabel 2.2
Totaal monsters.
Bloemendal 15
3
Resultaten landschappelijk onderzoek E. Heunks
3.1 Inleiding De paleogeografische en bodemkundige kenmerken van de verschillende deelgebieden zijn nader bestudeerd aan de hand van profielkolommen van ca. 1 m breed. De resultaten worden hieronder per deelgebied beschreven. In de conclusie worden de resultaten vervolgens afgezet tegen de verwachting die voor het gebied gold op basis van het bureau- en booronderzoek.
3.2 Deelgebied 1 Uit de twee proefsleuven is gebleken dat de bodem tot ca. 1 a 1,5 m door diepploegen verstoord is (Figuur 3.1). In eerste instantie leek de bodem tussen de ploegvoren intact, maar bij het verdiepen van de put ter hoogte van de profielkolommen bleek dat de hele bodem verplaatst of omgekeerd was. Het bodemprofiel bestaat uit een 30-40 cm dikke, donkerbruingrijze bouwvoor, met daaronder de diepgeploegde laag van hoofdzakelijk matig fijn zand. De overgang naar de onverstoorde C-horizont verloopt abrupt. Deze ondergrond bestaat uit fluvioperiglaciale afzettingen van zwak siltig, matig fijn zand.
3.3 Deelgebied 4 en 5 In het grootste deel van deelgebied 4 en 5 bestond de basis van het profiel uit fluvioperiglaciale afzettingen. Deze worden gekenmerkt door zwak siltige, lichtbruingeel, matig fijn tot matig grof zand met daarin leemlaagjes, grindsnoertjes en gley-verschijnselen in de vorm van roestvlekken en -concreties. Alleen lokaal is op deze afzettingen een dun eolisch dek van fijne homogene zanden aangetroffen dat vermoedelijk in de laatste koude fase van het Late Dryas is afgezet. Het betreft
Figuur 3.1
Westelijke profielwand van werkput 1 in deelgebied 1. Duidelijke zichtbaar is dat het dekzandprofiel tot ruim 1 m –Mv is omgeploegd.
16
Bloemendal
168250
168300
168350
168400
vlakhoogte m +NAP
463100
463100
9,50 9,14 8,79 8,43 8,07
463050
463050
11
14
462950
15
9
8
5
7
463000
13
14
12
462950
463000
10
6 3
4
168250
167650
168300
167700
168350
N
167750
Vlakhoogtekaart van de deelgebieden 4,5 en 6.
462950
462950
25m
2
6
1
167650
168400
Figuur 3.2
0
1
5 462900
462900
4
167700
167750
3
5 4
Bloemendal 17 Figuur 3.3
Spoor 52 in het oostelijke profiel van put 14.
Figuur 3.4
Profiel 502, waarin een podzolbodem is aangetroffen.
twee zones in het noordelijk deel van put 5 en het zuidelijk deel van put 12. Ook in dit dekzand zijn veel roestvlekken aanwezig. De top van de fluvioperiglaciale- en dekzandafzettingen bevindt zich tussen 8,6 en 9,4 m + NAP (Figuur 3.2). In de proefsleuven ten noorden van het riool (werkputten 12-15) zijn deze afzettingen wat lager gelegen dan in de putten ten zuiden ervan. Net ten noorden van het riool bevindt zich een oost-west lopende laagte, die waarschijnlijk als laat-glaciale beekdalinsnijding geïnterpreteerd kan worden (zie Figuur 3.1). Sporen die erop wijzen dat de beek tot in het holoceen actief is geweest (humeuze en/of gelaagde afzettingen of veenpakketten) zijn niet aangetroffen.
18
Bloemendal
De fluvioperiglaciale- en dekzandafzettingen zijn afgedekt door een circa 40 cm dikke bouwvoor. In het zuiden van putten 5 t/m 9 is lokaal een oude akkerlaag aangetroffen. Dit betekent dat het terrein waarschijnlijk enige vorm van ophoging heeft gekend. Ter hoogte van het dal is verder een “vuile laag” waargenomen tussen de C-horizont en de bouwvoor (spoor 52; Figuur 3.3 ). De grijze, licht humeuze laag betreft mogelijk het restant een vertrapte laag van een historische weg of pad. Dit pad heeft langs een perceelsscheiding gelopen, die al op historische kaarten uit de 19e eeuw zichtbaar is. Op de hogere delen in het zuiden van het deelgebied zijn lokaal in de top van de fluvioperiglaciale afzettingen nog resten van een veldpodzolbodem waargenomen, waarbij het om restanten van een bruingrijze, zwak humeuze B- of BC horizont gaat. Centraal in put 5 bevindt zich een kleine, relatief lager gelegen zone waarin de resten van een A-, E- en B-horizont zijn waargenomen (Figuur 3.4). Door de wat lagere ligging is de podzol hier plaatselijk goed geconserveerd onder een antropogeen opgebrachte laag. Ook het zuiden van put 7 toont een afwijkende profielopbouw met een wat vuile humeuze laag tussen de bouwvoor en de gebleekte en gereduceerde C-horizont.
Het lijkt te gaan om een beekeerdachtig bodemprofiel, waarbij de ‘vuile laag’ een overgangslaag tussen de humeuze top van de bodem (Ah-horizont) en de C-horizont vormt.
3.4 Deelgebied 6 Ook in dit deelgebied is er sprake van diepe verstoring door verploeging. In het noorden van het deelgebied bestaat de bovengrond tot meer dan een meter beneden maaiveld uit een donkerbruingrijze, actuele bouwvoor met daaronder een gediepploegde laag. Richting het zuiden neemt de diepte van de verstoring af en is er nog slechts sprake van een bouwvoor van gemiddeld een halve meter dik met direct daaronder de C-horizont die bestaat uit sterk siltig, lichtgrijsgeel, zeer fijn tot matig fijn zand met gley-verschijnselen. De C-horizont bestaat uit fluvioperiglaciale afzettingen. De top van de afzettingen bevindt zich tussen 9,0 en 9,4 m + NAP.
3.5 Conclusie Op basis van de paleogeografische detailkaart werd voorafgaand aan het proefsleuvenonderzoek een dekzandwelving verwacht ter hoogte van het zuidelijk deel van de proefsleuven in deelgebied 4 en 5. Richting het noorden zou deze overgaan richting een dekzandvlakte en dekzandlaagte. De aangetroffen A-C profielen met gley-verschijnselen in de C-horizont bevestigen deze ligging. Alleen op het hoogste deel van de dekzandwelving, ter hoogte van put 5, zijn restanten van een podzolprofiel aanwezig. In het op de paleogeografische kaart weergegeven laat-glaciale beekdal in de deelgebieden 4 en 5 zijn tijdens het proefsleuvenonderzoek geen aanwijzingen gedaan die erop wijzen dat in het holoceen hier sprake was van een actieve beek. Volgens de resultaten van het vooronderzoek zou zich ter hoogte van deelgebied 6 een dekzandrug- of plateau in de ondergrond bevinden. Op basis van de proefsleuven lijkt de omvang van dit dekzandplateau echter wat kleiner, waarbij de oostelijke en zuidelijke delen eerder als dekzandwelving kunnen worden aangemerkt. Deze discrepantie wordt veroorzaakt door het beperkt aantal boringen op deze locatie en de vaststelling tijdens het proefsleuvenonderzoek dat delen van het plateau worden gekenmerkt door een dikke geroerde bovengrond. Ook de aangetroffen sterke roestvorming wijst op relatief natte omstandigheden en een relatief lage ligging.
Bloemendal 19
4
Archeologische resultaten 4.1
Sporen en structuren
4.1.1 Deelgebied 1 Deelgebied 1 is tot een diepte van 1 tot 1,5 m diepgeploegd. Er zijn dan ook geen archeologische resten aangetroffen.
Tabel 4.1
Overzicht van sporentypen in deelgebied 4.
Spoortype
Aantal
Greppel
5
Kuil
7
Paalkuil
60
Sloot (Nieuwe tijd)
1
Karrespoor (Nieuwe tijd)
1
Pad (Nieuwe tijd)
1
Recente verstoring
8
Natuurlijke vlek
2
4.1.2 Deelgebied 4 en 5 In deelgebied 5 (werkputten 3 en 4) zijn geen sporen vastgesteld. In het grootste deel van deelgebied 4 zijn grondsporen en vondsten aangetroffen (Figuur 4.1). Naast een tweetal natuurlijke vlekken (sporen 20 en 27), drie sporen uit de Nieuwe tijd (sporen 1, 3 en 41) en acht recente verstoringen (sporen 2 en 999), zijn 72 grondsporen aangetroffen die waarschijnlijk in de late bronstijd of ijzertijd thuishoren (Tabel 4.1). Deze laatprehistorische sporen bestaan uit kuilen, paalsporen en greppels. De sporen hebben over het algemeen een donkergrijs, vaak gevlekte of heterogene opvulling. In sommige delen van het terrein zijn de sporen licht humeus en in enkele zijn houtskoolspikkels waargenomen.6 Een selectie van de grondsporen is gecoupeerd. De diepte van de gecoupeerde paalsporen varieert van 18-33 cm. De gecoupeerde kuil was 21 diep (spoor 26) en de gecoupeerde greppel 45 cm (spoor 73). De paalsporen en kuilen komen verspreid in deelgebied 4 voor. Een smalle greppel (spoor 24) ligt in het zuiden van put 7; vier greppeldelen liggen in het noorden van deelgebied 4 (sporen 64 en 73). Binnen de verspreiding van sporen zijn vijf structuren herkend: vier gebouwen en een greppelstructuur. Hieronder worden de structuren afzonderlijk besproken:
Structuur 1 Structuur 1 bevindt zich in het noordelijk deel van put 8 (structuur 1;Figuur 4.4). De constructie betreft een spieker die oost-west ligt en bestaat uit drie paar staanders, waarbij de staanders van een paar ca. 1,8 m uit elkaar liggen. Het bijgebouw heeft een lengte van tenminste 3,9 m, maar loopt mogelijk door buiten de grenzen van de proefsleuf. Op basis van de vorm van de paalsporen in het vlak lijkt tenminste een deel van de paalsporen eenmaal vervangen te zijn. Tijdens de vlakaanleg is uit één van de sporen een aantal scherven aardewerk gevonden die uit de late bronstijd of ijzertijd dateren.
6 Zie bijlage 1 voor beschrijving per spoor.
20
Bloemendal
Structuur 2 Structuur 2 bevindt zich in het zuidelijke deel van put 12 en heeft een noordoost – zuidwest oriëntatie. Het betreft een zespalige spieker met een omvang van 4 x 2,2 m, waarbij de noordoostelijke hoekpaal zich buiten de proefsleuf bevindt. Eén van de paalsporen (spoor 57) is gecoupeerd. De doorsnede van het spoor was ovaal, met een diepte van 10 cm (Figuur 4.5). Het couperen van het spoor heeft twee scherven opgeleverd die uit de late bronstijd of ijzertijd dateren.
Structuur 3 De derde gebouwstructuur ligt centraal in put 5. Het betreft mogelijk een noordoostzuidwest georiënteerde zespalige spieker waarvan de noordwestelijke palenrij door een kuil (spoor 6) deels is vergraven. Een andere mogelijkheid is dat het om de zuidoostelijke hoek van een hoofdgebouw (boerderij) gaat. Paalspoor 4 is gecoupeerd en had een diepte van 18 cm. Paalsporen 4 en 5 leverden zeven scherven uit de late bronstijd of ijzertijd op.
Structuur 4 In werkputten 12 tot en met 14 zijn delen van greppels aangetroffen die op grond van een overeenkomstig uiterlijk tot één greppelsysteem zijn gerekend (sporen 64, 72 en 73). De greppelstructuur bestaat in ieder geval uit een oost-west georiënteerd deel van minimaal 50 m lang en een min of meer haaks hierop staand deel met een lengte van minimaal 40 m. De greppel heeft een breedte in het vlak van circa 1,3 m. Uit een coupe in put 14 blijkt dat de greppel een komvormige doorsnede heeft, opgevuld is met lemig zand en vanaf het vlak een diepte heeft van 0,4 m. De vulling van de greppel was humeuzer dan van de ijzertijd-sporen en leek om die reden een jongere (middeleeuwse?) ouderdom te hebben. Een fragment baksteen dat tijdens de aanleg bovenuit de vulling kwam bevestigt op het eerste gezicht deze veld-datering. De vulling leverde echter ook een scherf uit de late bronstijd of ijzertijd op. Vanwege deze tegenstrijdige chronologische aanwijzingen is een 14C datering van verkoold materiaal onderuit de greppelvulling uitgevoerd. Deze kwam uit op het eind van de vroege ijzertijd en het begin van de midden-ijzertijd (zie paragraaf 4.5). We dienen er daarom rekening mee te houden dat de greppelstructuur uit de eerste helft van de ijzertijd stamt. De omvang van het greppelsysteem kon niet volledig worden onderzocht.
In ieder geval staat vast dat de greppel zowel in noordelijke als oostelijke richting doorloopt. Hoe ver de greppels doorlopen en of mogelijk sprake is van een rechthoekige structuur, kon niet worden vastgesteld.
Structuur 5 Structuur 5 betreft waarschijnlijk een zes-palige spieker (omvang 2,1 x 2,4 m) waarvan nog vijf palen resteren. De oriëntatie van het bijgebouw is oost-west. Geen van de paalsporen zijn gecoupeerd. Er zijn dan ook geen vondsten aangetroffen, maar gezien de overeenkomst met de sporen van de andere spiekers is een datering in de late bronstijd of ijzertijd aannemelijk.
Figuur 4.1
Sporenkaart van de deelgebieden 4 en, 5 en 6.
463000
462950
168200
462900
N
0
S5040
S42
S45 S44
S47 S46
S41
Putnr 9
S43
1
S38
S52
S5040
Putnr 15
25m
S27 S26
168250
Putnr 8
S5040
S33 S36 S32 S39 S35 S40 S29 S30 S28 S31 S37 S34
greppel paalspoor kuil karrespoor recent pad natuurlijke verstoring
Legenda
168250
S24
S25
S24
Putnr 7
S5030
S52
Putnr 14
S5040
S73
S72
3
S12 S10
168300
S5 S4 S3 S15 S13
S17 S16
S18
S21 S20
S52
S64
S5040
Putnr 6
2
168350
168350
Putnr 4
S999
Putnr 12
S62 S61 S60 S59 S57 S58 S54 S53
S5040
4 S5040 S63 S62 S55 S56
S14 5 S11
S19
S22 S23
Putnr 13
S69 S71 S67 S68 S64
Putnr 5
S5040
4
S70 S65 S66
S999
S72
S9 S8 S7 S6
4
Putnr 14
168300
168400
S5040
Putnr 3
S2
S999 S5040 S1
S999
S9
S48 S5040
Putnr 10
168400
463000 462950 462900
168200
Bloemendal 21
22
Bloemendal Figuur 4.2
Greppelspoor 64 in het vlak van put 12.
Figuur 4.3
Greppelspoor 73 in het profiel van put 14. Op het fotobord staat foutief spoor 74 vermeld.
Figuur 4.4
Eenbeukig bijgebouw (structuur 1) in put 8.
Bloemendal 23 Figuur 4.5
Doorsnede van één van de paalsporen van structuur 2 (spoor 57).
Figuur 4.6
Overzicht van de structuren in deelgebieden 4, 5 en 6. Voor de betekenis van de geomorfogenetische ondergrond, zie legenda figuur 2.1. 168200
168300
168400
463000
463000
463100
168100
463100
168000
4 2
1
3
462900
462900
5
N
0
168000
50m
168100
168200
168300
168400
24
Bloemendal
4.1.3 Deelgebied 6 Deelgebied 6 heeft nauwelijks sporen opgeleverd. Er zijn twee perceelssloten uit de Nieuwe tijd aangetroffen (sporen 48 en 49).
Figuur 4.7
Sporenkaart van de deelgebied 6. Legenda greppel recent natuurlijke verstoring
Putnr 11
S49
S50 S51
Putnr 10
S48
Bloemendal 25
4.2 Handgevormd aardewerk L. Meurkens Bij het onderzoek zijn 33 scherven handgevormd aardewerk gevonden, alle afkomstig uit de werkputten van deelgebied 4. Alle scherven zijn bekeken op daterende kenmerken zoals potvorm, versiering en technologie. Het aardewerk is hoofdzakelijk afkomstig uit grondsporen, en in één geval uit de afdekkende lagen. Deze groep is beduidend minder gefragmenteerd dan het materiaal uit de oppervlaktekartering (zie hoofdstuk #). Van de 33 scherven zijn er 6 geclassificeerd als gruis.7 Desondanks zijn ook in deze groep maar weinig diagnostische kenmerken aanwezig. In drie gevallen kon de potvorm globaal gereconstrueerd worden. In alle gevallen ging het om gesloten drieledige vormen met hals (vnrs. 101, 105, 108). Daarnaast is op één wandscherf versiering waargenomen in de vorm van twee vingertopindrukken (vnr. 116). Vijf scherven hebben een besmeten oppervlak. Als magering is bijna uitsluitend potgruis gebruikt. Eén scherf heeft een magering van zand en (fijn) gebroken kwarts (vnr. 103). Deze scherven zijn over het algemeen niet nauwkeuriger te dateren dan de periode late bronstijd – ijzertijd.
Mogelijk is de scherf met kwartsmagering wat ouder te dateren in de late bronstijd of vroege ijzertijd omdat gebroken kwarts als magering na de vroege ijzertijd alleen nog incidenteel voorkomt.8 Samenvattend zijn er dus weinig aanknopingspunten voor een datering van het complex. Vooralsnog kan het alleen vrij breed gedateerd worden in de periode late bronstijd – ijzertijd.
4.3 Vuursteen S. Knippenberg Bij de aanleg van werkput 5 is in de top van het dekzand een afslagkern op terrasvuursteen aangetroffen (V104). De datering van de afslag is onbekend.
4.4 Waardering van twee grondmonsters op geschiktheid voor 14C-analyse E. van Hees
4.4.1 Inleiding Twee monsters zijn onderzocht op de aanwezigheid van macrobotanische resten die geschikt zijn voor datering op basis van 14C/AMS. Het gaat om monster 119 uit greppelspoor 73 (structuur 4) en monster 107 uit paalspoor 4 (structuur 3).
4.4.2 Methoden De monsters zijn in het archeobotanisch laboratorium van de Faculteit der Archeologie in Leiden, onder zacht stromend, lauw water gezeefd over een set zeven met als kleinste maaswijdte 250µ. Van elk monster is één liter gezeefd en één liter is eerst 7 Gruis betreft scherven kleiner dan 1 cm2 of scherven waarvan één of beide oorspronkelijke oppervlakken verdwenen zijn. 8 Van den Broeke 2012.
26
Bloemendal
geflotteerd waarna het achtergebleven residu is gezeefd. Voor de determinatie van de resten is gebruik gemaakt van de vergelijkingscollectie van het archeobotanisch laboratorium, waarbij voor de naamgeving de Heukels’Flora is aangehouden.9
4.4.3 Resultaten In monster 107 zijn geen archeobotanische resten aangetroffen. Monster 119 (Put 14, Spoor 73) bevatte geen zaden die geschikt zijn voor 14C datering. Het sediment uit de flotatie leverde tientallen zaden op van rus (Juncus sp.), terwijl in het gezeefde sediment hiervan slechts één zaadje werd aangetroffen. De soort is om twee redenen niet geschikt. In de eerste plaats is het een plant die gedijt op een vochtig tot natte ondergrond, waardoor de datering beïnvloed kan worden door het reservoir- of ‘hard water-effect. Daarnaast is in dit monster het volume te laag, de zaden van rus zijn klein en licht. In het monster bevonden zich verkoolde stengels aangetroffen die wel geschikt zijn voor 14C-datering. Verder zijn er resten van houtskool, hout, vezels, kiezels, slak of verhitte klei, rhizolieten, insecten en schimmelsporen aangetroffen.
4.5 Datering van greppelspoor 73 van structuur 4 Spoor 73 maakt deel uit van de greppelstructuur 4. Om meer duidelijkheid over de ouderdom van de greppelstructuur te krijgen, zijn verkoolde stengels ter analyse opgestuurd naar Poznań Radiocarbon Laboratory. In tabel 4.1 staat het resultaat van de 14C-analyse weergegeven. Labcode
V_nr Spoor
Poz-95715 119
73
9 van der Meijden 2005.
Str_nr Context ¹⁴C-jaren BP
Kalenderjaren (1σ)* Kalenderjaren (2σ)
4
516 – 408 BC
Greppel
2410 ± 30 BP
Tabel 4.2
Overzicht 14C-datering Barneveld-Noord. * Calibratie: OxCal v4.2.3 Bronk Ramsey (2013); r:5; IntCal13 atmospheric curve (Reimer et al 2013).
739 – 688, 664-647, 549-401 BC
Bloemendal 27
5
Conclusie en waardering 5.1 Inleiding Het proefsleuvenonderzoek heeft in deelgebied 4 de aanwezigheid van een vindplaats uit de late bronstijd of ijzertijd bevestigt (vindplaats Bloemendal-1). De vindplaats was reeds bekend door een archeologische begeleiding van de aanleg van een riolering ter plaatse (RAAP-vindplaats 10). In deelgebieden 1, 5 en 6 zijn buiten enkele sloten uit de Nieuwe tijd, geen archeologische resten aangetroffen. Voor deelgebieden 1 en 6 geldt dat het ontbreken van archeologische resten het gevolg kan zijn van diepe bodemverstoringen die hier zijn vastgesteld. Deelgebied 5, waar de bodemopbouw wel relatief intact was, lijkt in het verleden daadwerkelijk onbewoond te zijn geweest.
5.1.1 Vindplaats Bloemendal-1 Aard en ouderdom Figuren 4.1 en 4.6 laten zien dat vindplaats Bloemendal-1 bestaat uit verspreid gelegen clusters met paalsporen, kuilen, bijgebouwen en mogelijk ook een hoofdgebouw. Dit beeld past goed bij een nederzettingssysteem van verspreide, zwervende erven, het klassieke bewoningsmodel van de Nederlandse zandgronden in de late prehistorie. De nederzettingsresten zijn op basis van het vondstmateriaal niet scherper te dateren dan late bronstijd of ijzertijd. De exacte omvang van de nederzetting is niet vastgesteld. In ieder geval zijn binnen een areaal van 100 bij 140 m nederzettingsresten aangetroffen. Waarschijnlijk loopt de nederzetting echter in noordelijke richting (ten noorden van werkputten 12-14), westelijke richting (deelgebied 3, ten westen van werkput 9) en zuidelijke richting (ten zuiden van werkputten 5-9) verder door. In oostelijke richting lijkt de vindplaats niet veel verder te hebben doorgelopen. Opvallend is de greppelstructuur in het noorden van de vindplaats. Hoewel een middeleeuwse ouderdom niet is uitgesloten, is het goed mogelijk dat deze structuur gelijktijdig is met de nederzettingsresten. Een 14C-datering van de basis van de greppel komt uit in grofweg het begin van de midden-ijzertijd. De functie van de greppel is onduidelijk omdat de omvang en vorm ervan niet volledig in beeld zijn gekomen.
Wellicht is sprake van een rechthoekige greppel die een special activity area zoals een cultusplaats afbakent .
Gaafheid en conservering Voor het bepalen van de gaafheid van bodem en sporen staan ons drie criteria ter beschikking. Allereerst heeft proefsleuvenonderzoek uitgewezen dat ter plaatse van de vindplaats sprake is van een circa 40 cm dikke akkerlaag, die vermoedelijk deels door ophoging (plaggenbemesting) tot stand is gekomen. Deze dikke akkerlaag heeft als een beschermende deken over de “natuurlijke”afzettingen en de daarin aanwezige sporen gelegen. Ten tweede zijn onder de bouwvoor op een aantal plaatsen nog zones met resten van een E- en B-horizont aangetroffen. Dit betekent dat van de top van de natuurlijke ondergrond (dekzand en perifluvioglaciale afzettingen) over het algemeen hooguit 20 cm door verploeging is opgenomen in de bouwvoor. Deze geringe verstoringsgraad van de bodem blijkt ook uit de diepte van de gecoupeerde paalsporen die nog aanzienlijk is (18-33 cm). Op basis van de geo(morf)ologische context (lage pH in dekzand en lage grondwaterstand) zijn de conserveringsomstandigheden voor onverkoolde organische artefacten, botmateriaal en archeobotanische resten over het algemeen slecht. Alleen
28
Bloemendal
sporen waarin permanent zuurstofarme (waterverzadigde) omstandigheden hebben geheerst, bijvoorbeeld diepe grondsporen en waterputten, kunnen onverkoolde organische artefacten, botmateriaal en archeobotanische resten bevatten. Daarmee is de conserveringstoestand zoals gebruikelijk bij vindplaatsen in het dekzandgebied van Nederland.
5.1.2 Waardering Archeologische vindplaatsen worden gewaardeerd aan de hand van richtlijnen van de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie (KNA). Daarbij wordt aan de hand van verschillende parameters een waardeoordeel gegeven of vindplaatsen behoudenswaardig zijn. In de eerste plaats wordt nagegaan of vindplaatsen vanwege belevingswaarde en op basis van de criteria schoonheid of herinnering (met een score van 1 tot 3 per criterium) als behoudenswaardig getypeerd kunnen worden. De vindplaatsen worden vervolgens op hun fysieke kwaliteit beoordeeld: in principe wordt een vindplaats als behoudenswaardig aangemerkt, indien de criteria gaafheid en conservering samen bovengemiddeld (vijf of zes punten) scoren. Bij een middelmatige tot lage score (vier punten of minder) wordt naar de inhoudelijke kwaliteitscriteria gekeken om te bepalen of het terrein toch behoudenswaardig is. Indien te verwachten is dat op een van de inhoudelijke criteria ‘hoog’ wordt gescoord, wordt het monument in principe ook behoudenswaardig geacht. Dit ‘vangnet’ heeft tot doel er voor te zorgen dat terreinen die van beperkte fysieke kwaliteit zijn, maar desondanks inhoudelijk van groot belang, niet beschermd of onderzocht worden.
Vindplaatsen die op grond van een bovengemiddelde fysieke kwaliteit of (bij een middelmatige tot lage fysieke kwaliteit) vanwege een naar verwachting “hoge” score van één van de inhoudelijke criteria als in principe behoudenswaardig zijn aangemerkt, worden vervolgens gewaardeerd op hun inhoudelijke kwaliteit. Daarbij vindt een afweging plaats op de eerste drie inhoudelijke kwaliteitscriteria: zeldzaamheid, informatiewaarde en ensemblewaarde. Bij een bovengemiddelde score van zevenpunten of meer wordt het monument als behoudenswaardig aangemerkt.
Deelgebied 1, 5 en 6 In deelgebieden 1, 5 en 6 zijn geen archeologische resten aangetroffen. Deze deelgebieden worden daarom niet gewaardeerd en zijn niet behoudenswaardig.
Vindplaats Bloemendal-1 Beleving Deze waardering heeft voornamelijk betrekking op zichtbare monumenten. Het criterium schoonheid, de esthetisch-landschappelijk waarde, is niet van toepassing op het te beoordelen plangebied. Er is ook geen sprake van een herinnering die verbonden is aan het verleden. Er heeft geen noemenswaardige historische gebeurtenis plaatsgevonden en evenmin bestaan er volksverhalen of andere verbondenheid met het onderzochte gebied. Het plangebied blijkt niet op ‘beleving’ te waarderen. De waarde zal daarom moeten blijken uit de fysieke en inhoudelijke kwaliteit. Fysieke kwaliteit Hiermee wordt de mate bepaald waarin de archeologische resten nog intact zijn en in situ liggen. De criteria hiervoor zijn gaafheid en conservering.
Bloemendal 29
De gaafheid van de aangetroffen sporen kan als goed worden gescoord (score 3). De sporen en de “natuurlijke” bodem zijn in geringe mate afgetopt en worden afgedekt door een beschermende dikke akkerlaag. Verder zijn geen grote verstoringen aangetroffen. De conservering van de vindplaats is middelhoog (score 2). Het vondstmateriaal is goed geconserveerd en kan bovendien voor het grootste deel gekoppeld worden aan de aangetroffen sporen. De conserveringstoestand van organische artefacten, botmateriaal en archeobotanische resten zal over het algemeen slecht zijn, behalve indien deze resten zich in diepe sporen bevinden. Daarmee is de conserveringstoestand zoals gebruikelijk bij vindplaatsen in het dekzandgebied van Nederland. Op fysieke gronden is de vindplaats in principe behoudenswaardig (totale score 5 punten). Vervolgens wordt naar de inhoudelijke kwaliteitscriteria gekeken om te bepalen of het terrein daadwerkelijk behoudenswaardig is. Inhoudelijke kwaliteit Binnen de inhoudelijke kwaliteit staan vier criteria centraal: zeldzaamheid, informatiewaarde, ensemblewaarde en representativiteit. De zeldzaamheid van vindplaats Bloemendal-1 is gemiddeld tot hoog. Scherper is dit criterium niet te scoren, vanwege slechts globale ouderdomsbepaling van de nederzetting en de onduidelijkheid over de datering van de greppelstructuur 3.
Indien de nederzetting uit de midden- of late ijzertijd dateert, is de zeldzaamheid gemiddeld, omdat uit de directe omgeving verscheidene vindplaatsen met nederzettingsresten uit deze periode bekend zijn (Harselaar-West-West10, Harselaar-Zuid11, Barneveld-De Driehoek12). Indien de nederzetting uit de late bronstijd of vroege ijzertijd dateert, dan is de zeldzaamheid hoog. Tot voor kort werd er vanuit gegaan dat de omgeving van Barneveld in deze perioden onbewoond was. Pas kortgeleden zijn in Harselaar-Zuid, en wellicht ook in Barneveld-De Driehoek de eerste aanwijzingen voor bewoning in de vroege ijzertijd tevoorschijn gekomen. Indien de greppelstructuur uit de late bronstijd of ijzertijd stamt, dan geldt hiervoor een zeer hoge zeldzaamheid. Tot nu toe zijn in het Central-Nederlandse zandgebied zelden greppelstructuren uit deze perioden opgegraven. De informatiewaarde scoort hoog. Over de bewoning van Barneveld in late bronstijd en ijzertijd bestaat in zijn algemeenheid nog maar een beperkt inzicht. Onduidelijk is waarom het gebied in de loop van de ijzertijd gekoloniseerd werd, en waarom het in de vroeg-Romeinse tijd weer werd verlaten.13 Mogelijk levert vindplaats Bloemendal-1 bouwstenen voor dit onderzoeksthema.
Specifiek voor vindplaats Bloemendal-1 geldt daarnaast dat deze volgens de geomorfogenetische kaart uit 2015 op de rand van een lage dekzandwelving (10-25 cm) en beekoverstromingsvlakte liggen. Deze landschappelijke situatie is vergelijkbaar met de locatie van de ijzertijd boerderij (en cultusplaats?) die gevonden is in Harselaar West-West. Tot voor kort werd aangenomen dat lage welvingen te nat waren voor bewoning. Het onderzoek van vindplaats Bloemendal-1 kan licht werpen op de vraag waarom deze ogenschijnlijk natte locaties in de late prehistorie bewoond of benut werden. De ensemblewaarde van de vindplaats wordt hoog gescoord. De vindplaats maakt deel uit van een groter plangebied, dat gezien kan worden als een grote aaneengesloten
10 Brouwer 2012. 11 Oude Rengerink 2004; Meurkens, in prep. 12 Van Zon, in prep. 13 Scholte Lubberink, Keunen & Willemse 2016.
30
Bloemendal
landschappelijke eenheid met hogere en lagere delen en waarbinnen meer bewoningsresten uit de late bronstijd en ijzertijd verwacht kunnen worden. Voor het inhoudelijke waardeoordeel is het criterium representativiteit alleen relevant indien het vermoeden bestaat dat duurzaam behoud van de vindplaats gerealiseerd kan worden. Dit is niet het geval. Op basis van de inhoudelijke kwaliteit blijkt de vindplaats Bloemendal-1 behoudenswaardig (score 8-9 punten). Waarden
Criteria
Score
Beleving
Schoonheid
n.v.t.
Herinnering
n.v.t.
Fysieke kwaliteit
Inhoudelijke kwaliteit
Gaafheid
3
Conservering
2
Zeldzaamheid
2-3
Informatiewaarde
3
Ensemblewaarde
3
Representativiteit
n.v.t.
5.2 Advies Deelgebieden 1, 5 en 6 Er zijn geen behoudenswaardige vindplaatsen vastgesteld. Er wordt geen aanvullend archeologisch onderzoek geadviseerd. Voor wat de archeologie betreft is er geen belemmering voor verdere ontwikkeling van het plangebied. Wel dient te allen tijde bij het afgeven van een omgevingsvergunning de wettelijke meldingsplicht (ex artikel 53 Monumentenwet 1988) kenbaar te worden gemaakt teneinde het documenteren van toevalsvondsten te garanderen.
Vindplaats Bloemendal-1 Er is een behoudenswaardige vindplaats uit de periode late bronstijd – ijzertijd aangetroffen. Geadviseerd wordt de vindplaats in-situ te behouden. Indien dit niet mogelijk is wordt geadviseerd om de vindplaats ex-situ te behouden (opgraving). In het laatste geval wordt geadviseerd er rekening met te houden dat de vindplaats in zuidelijke, noordelijke, noordoostelijke en westelijke richting tot buiten de tijdens het proefsleuvenonderzoek vastgestelde sporen-verspreiding doorloopt.
5.3 Beantwoording onderzoeksvragen 1. In welke mate is het terrein verstoord en tot hoe diep reiken de verstoringen? In deelgebieden 1 en 6 zijn diepe bodemverstoringen vastgesteld (tot maximaal 1,5 m –Mv). In deelgebieden 3-5 zijn de sporen en de “natuurlijke” bodem in geringe mate afgetopt (ca. 20 cm). Verder zijn hier geen grote verstoringen aangetroffen. Sporen en “natuurlijke” bodem worden afgedekt door een beschermende dikke akkerlaag (ca. 40 cm dik). 2. Hoe ziet de geologische/ bodemkundige opbouw van het gebied eruit? Is er een plaggendek en/of fossiele akkerlaag aangetroffen? Deelgebied 1. Het bodemprofiel bestaat uit een 30-40 cm dikke, donkerbruingrijze bouwvoor, met daaronder de diepgeploegde laag van hoofdzakelijk matig fijn zand. De
Tabel 5.1
Waardering vindplaats Bloemendal-1.
Bloemendal 31
overgang naar de onverstoorde C-horizont verloopt abrupt. Deze ondergrond bestaat uit fluvioperiglaciale afzettingen van zwak siltig, matig fijn zand. Deelgebieden 4 en 5. De deelgebieden 4 en 5 bestaan in het zuiden uit een dekzandwelving. Richting het noorden (in deelgebied 4) gaat de welving over in achtereenvolgens een dekzandlaagte en een dekzandvlakte. In het grootste deel van deelgebieden 4 en 5 bestond de basis van het profiel uit fluvioperiglaciale afzettingen. Deze worden gekenmerkt door zwak siltige, lichtbruingeel, matig fijn tot matig grof zand met daarin leemlaagjes, grindsnoertjes en gley-verschijnselen in de vorm van roestvlekken en -concreties. Alleen lokaal (noordelijk deel van put 5 en het zuidelijk deel van put 12) is op deze afzettingen een dun eolisch dek van fijne homogene zanden met veel roestvlekken aangetroffen dat vermoedelijk in de laatste koude fase van het Late Dryas is afgezet. De fluvioperiglaciale- en dekzandafzettingen zijn afgedekt door een circa 40 cm dikke bouwvoor. De oost-west lopende dekzandlaagte betreft waarschijnlijk een laat-glaciale beekdalinsnijding. Sporen die erop wijzen dat de beek tot in het holoceen actief is geweest (humeuze en/of gelaagde afzettingen of veenpakketten) zijn niet aangetroffen. In het zuiden van putten 5 t/m 9 is lokaal een oude akkerlaag aangetroffen.
Dit betekent dat het terrein waarschijnlijk enige vorm van ophoging heeft gekend. Op de hogere delen in het zuiden van deelgebied 4 zijn in de top van de fluvioperiglaciale afzettingen nog resten van een veldpodzolbodem waargenomen (meestal B- en B/C-horizonten, in put 5 lokaal A-, E- en B-horizonten) Het zuiden van put 7 toont een afwijkende profielopbouw met een wat vuile humeuze laag tussen de bouwvoor en de gebleekte en gereduceerde C-horizont. Het lijkt te gaan om een beekeerdachtig bodemprofiel, waarbij de ‘vuile laag’ een overgangslaag tussen de humeuze top van de bodem (Ah-horizont) en de C-horizont vormt. Deelgebied 6. Onder de ruim 1 tot 0,5 m dikke geroerde bovengrond bevindt zich een C-horizont die bestaat uit sterk siltig, lichtgrijsgeel, zeer fijn tot matig fijn zand met gley-verschijnselen. De C-horizont bestaat uit fluvioperiglaciale afzettingen. Volgens de resultaten van het vooronderzoek zou zich ter hoogte van deelgebied 6 een dekzandrug- of plateau in de ondergrond bevinden. Op basis van de proefsleuven lijkt de omvang van dit dekzandplateau echter wat kleiner, waarbij de oostelijke en zuidelijke delen eerder als dekzandwelving kunnen worden aangemerkt. 3. Wat is het paleo-ecologische potentieel van het onderzoeksgebied? Zijn monsterlocaties aanwezig die geschikt zijn voor pollenanalyse in het kader van een vegetatiereconstructie (bv.
met veen opgevulde depressies, waterputten)? Er zijn geen locaties aangetroffen die geschikt zijn voor vegetatiereconstructies. Op basis van de geo(morf)ologische context (lage pH in dekzand en lage grondwaterstand) zijn de conserveringsomstandigheden voor onverkoolde archeobotanische resten over het algemeen slecht. Alleen sporen waarin permanent zuurstofarme (waterverzadigde) omstandigheden hebben geheerst, bijvoorbeeld diepe grondsporen en waterputten, kunnen onverkoolde archeobotanische resten bevatten. In de ondiepere grondsporen zullen alleen verkoolde archeobotanische resten bevatten. De paleo-ecologische potentie van het onderzoeksgebied is daarmee laag. 4. Zijn er archeologische resten (vondsten, sporen, structuren) in de bodem aanwezig? Archeologische resten zijn aangetroffen in deelgebied 4 en deelgebied 6. In deelgebied 6 zijn resten van twee sloten uit de Nieuwe tijd aangetroffen. Bij deelgebied 4 gaat het naast drie sporen uit de Nieuwe tijd (sloot, pad en karrenspoor) om 72 grondsporen die waarschijnlijk in de late bronstijd of ijzertijd thuishoren (kuilen, paalsporen
32
Bloemendal
en greppels). Binnen de verspreiding van sporen zijn vijf structuren herkend: vier gebouwen en een greppelstructuur. Drie gebouwen betreffen spiekers (structuren 1, 2 en 5), gebouwstructuur 5 die door een kuil is verstoord, kan zowel het restant van een bijgebouw als hoofdgebouw vertegenwoordigen. Structuur 4 is een (rechthoekige?) greppelsysteem. Onduidelijk is of deze structuur uit de ijzertijd of de middeleeuwen dateert. Indien er geen archeologische resten worden aangetroffen: 5. Wat is de reden voor het ontbreken van archeologische resten? In deelgebieden 1, 5 en 6 zijn buiten enkele sloten uit de Nieuwe tijd, geen archeologische resten aangetroffen. Voor deelgebieden 1 en 6 geldt dat het ontbreken van archeologische resten het gevolg kan zijn van diepe bodemverstoringen die hier zijn vastgesteld. Deelgebied 5, waar de bodemopbouw wel relatief intact was, lijkt in het verleden daadwerkelijk onbewoond te zijn geweest. Indien er wel archeologische resten worden aangetroffen: 6. Wat is de aard, datering en omvang van deze resten? In deelgebieden 4 en 6 zijn resten van sloten uit de Nieuwe tijd aangetroffen. Deze greppels houden verband met de verkaveling van het gebied. In deelgebied 4 is de aanwezigheid van een vindplaats vastgesteld. Vindplaats Bloemendal-1 bestaat vermoedelijk uit verspreid gelegen erven uit de late bronstijd of ijzertijd.
De exacte omvang van de nederzetting is niet vastgesteld. In ieder geval zijn binnen een areaal van 100 bij 140 m nederzettingsresten aangetroffen. Waarschijnlijk loopt de nederzetting echter in noordelijke richting (ten noorden van werkputten 12-14), westelijke richting (deelgebied 3, ten westen van werkput 9) en zuidelijke richting (ten zuiden van werkputten 5-9) verder door. In oostelijke richting lijkt de vindplaats niet veel verder te hebben doorgelopen. Opvallend is de greppelstructuur in het noorden van de vindplaats. Hoewel een middeleeuwse ouderdom niet is uitgesloten, is het goed mogelijk dat deze structuur gelijktijdig is met de nederzettingsresten. Een 14C-datering van de basis van de greppel komt uit in grofweg het begin van de midden-ijzertijd. De functie van de greppel is onduidelijk omdat de omvang en vorm ervan niet volledig in beeld zijn gekomen. Wellicht is sprake van een rechthoekige greppel die een special activity area zoals een cultusplaats afbakent. 7. Bij resten uit de ijzertijd: hebben we te maken met een ‘regulier’ erf of met een special activity area? Zie vraag 6. 8. Wat is de conservering en gaafheid van de vindplaats(en)? Voor het bepalen van de gaafheid van bodem en sporen staan ons drie criteria ter beschikking.
Allereerst heeft proefsleuvenonderzoek uitgewezen dat ter plaatse van de vindplaats sprake is van een circa 40 cm dikke akkerlaag, die vermoedelijk deels door ophoging (plaggenbemesting) tot stand is gekomen. Deze dikke akkerlaag heeft als een beschermende deken over de “natuurlijke”afzettingen en de daarin aanwezige sporen gelegen. Ten tweede zijn onder de bouwvoor op een aantal plaatsen nog zones met resten van een E- en B-horizont aangetroffen. Dit betekent dat van de top van de natuurlijke ondergrond (dekzand en perifluvioglaciale afzettingen) over het algemeen hooguit 20 cm door verploeging is opgenomen in de bouwvoor. Deze geringe versto-
Bloemendal 33
ringsgraad van de bodem blijkt ook uit de diepte van de gecoupeerde paalsporen die nog aanzienlijk is (18-33 cm). Op basis van de geo(morf)ologische context (lage pH in dekzand en lage grondwaterstand) zijn de conserveringsomstandigheden voor onverkoolde organische artefacten, botmateriaal en archeobotanische resten over het algemeen slecht. Alleen sporen waarin permanent zuurstofarme (waterverzadigde) omstandigheden hebben geheerst, bijvoorbeeld diepe grondsporen en waterputten, kunnen onverkoolde organische artefacten, botmateriaal en archeobotanische resten bevatten. Daarmee is de conserveringstoestand zoals gebruikelijk bij vindplaatsen in het dekzandgebied van Nederland. 9. Is/ zijn de vindplaats(en) behoudenswaardig? Vindplaats Bloemendal-1 is zowel op fysieke kwaliteit (score 5 punten) als inhoudelijke kwaliteit (score 8-9 punten) behoudenswaardig.
34
Bloemendal
Literatuur Broeke, P.W. van den, 2012: Het handgevormde aardewerk uit de ijzertijd en Romeinse tijd van Oss-Ussen. Studies naar typochronologie, technologie en herkomst, Leiden Brouwer, M.C. 2012: Barneveld, Harselaar West-West; archeologisch onderzoek. BAAC rapport A-09.0252 Groot, R.W. de 2007, Aanleg riolering Hoornweg en Bloemendaallaan. Gemeente Barneveld. Een archeologische begeleiding, RAAP-rapport 1548, Weesp. Heunks, E. & L. Meurkens in voorbereiding, Archeologisch onderzoek in plangebied Barneveld-Noord. Verkennend en karterend veldonderzoek door middel van boringen en proefsleuven, Archol rapport, Leiden. Meijden, R. van der, 2005: Heukels’ Flora, Leiden. Meurkens, L. in voorbereiding, Archeologisch onderzoek in plangebied Harselaar-zuid. Een opgraving, Archol rapport, Leiden. Oude Rengerink, J.A.M. 2004: Ontgronding Wencopperweg, Harselaar, gemeente Barneveld; een archeologische begeleiding van de ontgronding, Amsterdam (RAAP-rapport 1035) Scholte Lubberink, H.B.G., L.J. Keunen & N.W. Willemse 2016: Op het kruispunt van de vier windstreken. Synthese Oogst voor Malta onderzoek de Gelderse Vallei (UtrechtsGelders zandgebied). Amersfoort (NAR 48). Tol, A.J. 2017a, Programma van Eisen IVO-p Barneveld-Bloemendal versie 2.1 17-3-2017, Archol PvE 85, Leiden. Tol, A.J. 2017b, Plan van Aanpak, Proefsleuvenonderzoek Barneveld – Bloemendal, Leiden. Zon, M.
van, in voorbereiding, Archeologisch onderzoek in plangebied BarneveldDriehoek. Een opgraving, Archol rapport, Leiden.
Bloemendal 35
Lijst van figuren
Figuur 1.1 Ligging plangebied Bloemendal te Barneveld. Figuur 1.2 Overzicht van de deelgebieden in plangebied Bloemendal en het puttenplan uit het PvE. Figuur 2.1 Overzicht van de ligging van de proefsleuven in deelgebieden 1 en 4 t/m 6, geprojecteerd op de paleogeografische kaart. Figuur 2.2 Overzicht van de ligging van de proefsleuven en de gedocumenteerde profielkolommen in deelgebied 1. Figuur 2.3 Overzicht van de ligging van de proefsleuven en de gedocumenteerde profielkolommen in deelgebieden 4 tot en met 6. Figuur 3.1 Westelijke profielwand van werkput 1 in deelgebied 1. Duidelijke zichtbaar is dat het dekzandprofiel tot ruim 1 m –Mv is omgeploegd. Figuur 3.2 Vlakhoogtekaart van de deelgebieden 4,5 en 6. Figuur 3.3 Spoor 52 in het oostelijke profiel van put 14. Figuur 3.4 Profiel 502, waarin een podzolbodem is aangetroffen. Figuur 4.1 Sporenkaart van de deelgebieden 4 en, 5 en 6. Figuur 4.2 Greppelspoor 64 in het vlak van put 12. Figuur 4.3 Greppelspoor 73 in het profiel van put 14. Op het fotobord staat foutief spoor 74 vermeld. Figuur 4.4 Eenbeukig bijgebouw (structuur 1) in put 8. Figuur 4.5 Doorsnede van één van de paalsporen van structuur 2 (spoor 57). Figuur 4.6 Overzicht van de structuren in deelgebieden 4, 5 en 6. Voor de betekenis van de geomorfogenetische ondergrond, zie legenda figuur 2.1. Figuur 4.7 Sporenkaart van de deelgebied 6.