CConstaterende datBarneveld
Koppel je AI →
Document · PDF

Bloemendal IIA_Toelichting_Bijlage 4 Archeologisch onderzoek (2018)

Gemeenteraad 8 oktober 2025, gemeente BarneveldBij agendapunt: Bestemmingsplan Bloemendal IIA en het Beeldkwaliteitsplan Bloemendal fase IIA38.539 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

462500

Edr 462500

A2

Barneveld-Noord 35

4. Paleogeografische eenheid: dekzandlaagte Bodemtype: A-Cgley profielen met reductie < 80 cm –Mv en/of venige/humeuze lagen < 100 cm –Mv (vlakvaaggronden en beekeerdgronden). De nieuwe gedetailleerde paleogeografische kaart maakt geen onderscheidingen op basis van genese. Zo is er geen onderscheid gemaakt in beekoverstromingsvlakte en dekzandvlakte of een onderscheid in jonge en oude dekzanden. In het veld is dit onderscheid niet eenduidig vastgesteld of alleen op incidentele boorpuntlocaties waargenomen en niet herleidbaar tot kaartvlakken. Ook is geen onderscheid gemaakt in dikte van de geroerde toplaag. Op de meeste plaatsen is deze minder dan 50 cm. Waar deze dikker is betreft het relatief recente antropogene ophogingen dan wel diepere verstoringen. Er zijn geen aanwijzingen gedaan voor de aanwezigheid van een traditioneel opgeworpen plaggendek. In kaartbijlage 1 wordt een overzicht gegeven met dikte van de geroerde laag per boorpunt. Deze kan als indicatief worden beschouwd voor het hele plangebied.

Relatie met de geomorfogenetische kaart (concept) Het verkennend veldonderzoek had als hoofddoel de concept archeologische beleidskaart (figuur 2.4) van Barneveld voor het plangebied te toetsen en bij te stellen. De basis van die beleidskaart wordt gevormd door de geomorfogenetische kaart (figuur 2.6). De vraag voor het veldonderzoek was dan ook met name of vastgestelde kaarteenheden op die kaart in het veld/bodemprofiel herkenbaar waren als paleolandschappelijke of pedogenetische eenheid. Op basis van de veldresultaten kunnen de volgende zaken hierover worden opgemerkt (zie ook figuur 3.5): ·

Op hoofdlijnen komt de nieuwe paleoreliëfkaart redelijk goed overeen met het kaartbeeld van de geomorfogenetische kaart. Op beide kaarten is verspreid over het plangebied een vergelijkbare verdeling van hoge, middelhoge en lage delen te herkennen. Tegelijk zijn er op detailniveau opvallende verschillen te constateren die geheel bepaald worden door de bodemprofielwaarnemingen in het veld.

·

Binnen het plangebied worden relatief grote oppervlakken van de geomorfogenetische kaart ingenomen door lage dekzandwelvingen (Edw). Aan deze kaarteenheid wordt een middelhoge archeologische verwachting toegekend. Grote oppervlakken van deze eenheid blijken in het veld echter te bestaan uit dekzandvlakten en laagten met uitgesproken natte bodemtypen (type 3 en 4). Het waren en zijn nog steeds vooral natte gebieden en de kans op nederzettings-gerelateerde archeologische resten is hier klein te noemen. De beleidskaart zou hier kunnen worden bijgesteld naar een lage verwachting

·

Daar staat tegenover dat binnen dezelfde eenheid met lage dekzandwelvingen zones zijn te vinden met relatief droge podzolbodems. Deze blijken met alleen de beschikbare kaartbeelden niet goed karteerbaar. De archeologische betekenis van deze lage ruggen wordt met de bekende ijzertijdvindplaats in deelgebied 3 meteen duidelijk, want die ligt op een dergelijke welving. Het beeld van de paleoreliëfkaart is met name voor deze eenheid onderscheidend van de geomorfogenetische kaart.

·

Traditionele plaggendekken zoals weergegeven op de geomorfogenetische kaart ontbreken binnen het plangebied. Wel zijn de oorspronkelijke hogere delen lokaal verder opgehoogd ten behoeve van een betere (grond)waterhuishouding. Daarnaast zijn er in het oostelijke deel twee percelen vastgesteld die oorspronkelijk een lage ligging hadden (natte bodems) en in recente tijden flink zijn opgehoogd.

·

De geomorfogenetische kaart toont enorme veel detail waarbij deze op veel plaatsen direct is te herleiden uit het kaartbeeld van het AHN. Veel detail lijkt

36

Barneveld-Noord

167500

Edw

168500

168000

Edls

Fs1

EdrP

Eda

Edlp Edw

Edw

Edn

80

0

FPtl 15

0

115

Edls

40

70

130

70 90

EdrP

60 35

100 50 60 Edw

EdrP

40

45

30

85

30

35

40

Edls

Edls

50 90

60

35

55

15

30

Edls

35

30

FPtl

50

30 25

Eda

100

Edls

80 80

100

45

95 60 60

75 60

EdrP Edw

50

FPtl

40

EdrP

55

Edn

Edls

80

Eda

0

Edw

Edw

FPtl

40

35

Edw

35

40

A2

Edw

35

Edls

Edw

40 40

Edn

EdrP

Edw

Edv

35

A2

40

40

Edw

Edw

65

FPtl

70 70

Eda

25 60

25

90

25

100

70

70

95

35

50

Edlv

Edw Edls

55

30

40 40

30

40

40

45

70

Edw

50

35

50

35

30

35

45

35 70

50

FPtl

40

45

50

40

55

FPtl

35

45 40

Edr

45

Edls

Edls

35

50

30 50 55 45

EdrP

40

50 40

85 35

Edls

25

30

50

45

40

55

55

60

35 35

Eda

45

Edw

65

35

45 60

50

35

Edw

50

70

Edw

85

60

125 150

45 35

50

55

Edr

50

80 50

EdrP

Edw

Edw 100

35

462500

40 50 50 50

55

EdrP

Edw

FPtl

EdrP

Edlp

EdrP

Edrp

463000

Edw

EdrP

463000

Edw

Edw

Eda

462500

169000

EdrP

FPtl

FPtl

40

Edw 50 75

Profieltype

65 N

50 0

droge veldpodzol (hoogst gelegen) veldpodzol (relatief hoog gelegen) vlakvaaggrond (vlak en laag gelegen) vlakvaaggrond en beekeerdgrond (laagst gelegen) FPtl diep verstoord dikte (cm) geroerde toplaag

250m

167500

168000

168500

169000

Figuur 3.8 echter eerder samen te hangen met menselijke activiteiten dan met de natuurlijke variatie van de ondergrond. Voorbeelden: laagten langs gegraven sloten, afgegraven perceeldelen, op akker gezette percelen (bol zetten van percelen t.b.v. betere drainage), opgehoogde terreinen rond moderne boerderijen (grond uit nieuw gegraven mestkelders). Bij eliminatie van deze effecten blijft een veel rustiger maar realistischer kaartbeeld van het paleoreliëf over.

Uitsnede geomorfogenetische kaart schaal 1:10.000 gemeente Barneveld met vastgestelde bodemtypen per boorlocatie.

Barneveld-Noord 37

4

Resultaten karterend booronderzoek L. Meurkens

4.1 Methodiek Het onderzoek betreft een booronderzoek karterende fase van het IVO-Overig. Het onderzoek is uitgevoerd volgens methode C2 uit de Leidraad karterend booronderzoek van de KNA 3.3. Tevens voldoet het onderzoek aan de werkwijze en andere voorwaarden zoals gesteld in het Plan van Aanpak (Heunks & Tol, 2016). Het karterend booronderzoek heeft zich beperkt tot deelgebied 3 en de hierbinnen bekende ijzertijdvindplaats. Deze vindplaats is vastgesteld bij de archeologische begeleiding van de aanleg van een riool (figuur 2.8).22 Het booronderzoek is opgezet als testcase om te bepalen in hoeverre het een geschikte methode is voor het opsporen van archeologische vindplaatsen binnen het planbied (in het bijzonder in gebieden met een vergelijkbare bodemopbouw). De boringen zijn gezet in een grid van 20x25 m met behulp van een Edelmanboor met een diameter van 15 cm. In het veld bleek het op sommige locaties nodig om de boringen iets buiten het grid te plaatsen (door bijvoorbeeld obstakels of een verstoord bodemprofiel). Desalniettemin is een relatief regelmatig grid van boringen over het gebied verkregen. De boorinhoud is gezeefd over een zeef met een maaswijdte van 5 mm. De bovenste 20-30 cm van het bodemprofiel (bouwvoor) is niet gezeefd maar door middel van snijden en fijn verkruimelen geïnspecteerd op vondstmateriaal.

Dit in verband met de moeilijke zeefbaarheid van dit humeuze materiaal. De boringen zijn doorgevoerd tot circa 30 cm in de ongestoorde ondergrond (C-horizont). In totaal zijn 45 boringen gezet, verdeeld over 7 boorraaien (figuur 4.1). De raaien zijn zo geplaatst dat zowel de dekzandwelving met daarop de vindplaats als een zone van de omliggende lagere delen ten noorden en zuiden daarvan zijn onderzocht. De twee meest noordelijke raaien liggen ten noorden van de rioolsleuf met de daarin vastgestelde ijzertijdsporen. De overige raaien liggen ten zuiden hiervan. Naast karterende boringen is ook gekeken of er zich vondstmateriaal aan het oppervlak bevond. Vanwege beplanting van een groot deel van de percelen met mais was de zichtbaarheid echter slecht. Er is dus geen sprake geweest van een systematische oppervlaktekartering.

4.2 Resultaten In vijf van 45 karterende boringen zijn archeologische relevante vondsten aangetroffen: Boring 202: een brokje verbrande leem (of baksteen?) uit laag tussen bouwvoor en BC-horizont. Boring 205: een vuurstenen afslag uit de BC-horizont (diepte 40-60 cm). Boring 215: in totaal drie scherven handgevormd prehistorisch aardewerk (vermoedelijk ijzertijd) uit de BC- en C-horizont (diepte 30-70 cm). Boring 227: een scherf handgevormd prehistorisch aardewerk (vermoedelijk ijzertijd) uit een verstoring of opgebrachte laag (diepte ca. 90 cm). Boring 231: een fragment van een slijpsteen van natuursteen uit de BC-horizont (diepte 60 cm).

22 De Groot 2007.

Barneveld-Noord

168300

463000

235

201

236

202

207

212

213

462900

225

231

238

204

209

214 219

224

230

203

208

218

223

237

226

232

239 206

205

210

215 220

168400

211 216

228

233

240 241

242

217 222

221

227

463000

168200

243

229

234

462900

38

244

245

N

50m

168200

168300

168400

Figuur 4.1 Op twee punten is verder een scherf handgevormd prehistorisch aardewerk op het maaiveld gevonden. De locatie van deze vondsten (tussen boringen 207 / 211 en 240 / 241) is aangegeven op figuur 4.1.

Discussie Bij het karterend booronderzoek is in verschillende boringen archeologisch vondstmateriaal aangetroffen. Slechts een deel van die vondsten (vooral het handgevormde prehistorisch aardewerk) is echter met zekerheid met de ijzertijdvindplaats in verband te brengen. Bij de overige vondsten is dit minder duidelijk. De context van de vondsten (hoofdzakelijk in de BC-horizont) duidt erop dat de vondsten in situ liggen. Het ontbreken van plaggendekken is verder ook een argument om te zeggen dat de vondsten niet van elders aangevoerd zijn en dat ook de aan het oppervlak gevonden scherven aan deze locatie toe te schrijven zijn. Als we naar de resultaten van het karterend booronderzoek kijken dan valt op dat er geen duidelijke concentratie van boringen met vondsten aan te wijzen is (figuur 4.1). Daarnaast beperken de boringen met vondsten zich niet alleen tot de dekzandwelving. Ook in de lagere delen ten noorden en zuiden van de welving zijn in boringen 202, 205 en 231 vondsten gedaan, hoewel de associatie van deze vondsten met de ijzertijdvindplaats niet zeker is . Desalniettemin lijken twee boringen met ijzertijd aardewerk, waaronder boring 215 met drie verschillende scherven indicatief te zijn voor een vindplaats ter

462800

462800

0

Overzicht van karterende boringen ter hoogte van de ijzertijdvindplaats, geprojecteerd op de nieuwe paleogeografische detailkaart Barneveld-Noord.

Barneveld-Noord 39

plaatse. Het beeld wordt enigszins aangevuld door de losse scherven van handgevormd aardewerk die op twee locaties aan het oppervlak gevonden zijn Concluderend kunnen we zeggen dat deze vindplaats een dermate hoge vondstdichtheid heeft, dat dat hij met behulp van een booronderzoek opgespoord kan worden. De aanwezigheid van handgevormd prehistorisch aardewerk in verschillende boringen en twee handgevormde scherven die tussen de boorpunten aan het maaiveld gevonden werden lijken duidelijk op een vindplaats te wijzen. De resultaten zeggen alleen vrij weinig over de omvang, aard en conservering van de vindplaats. Zaken die wel belangrijk zijn voor een waardering. In hoofdstuk 5 zal verder worden ingegaan op de voor- en nadelen van het onderzoek en worden aanbevelingen voor het vervolg gedaan.

40

Barneveld-Noord

Barneveld-Noord 41

5

Conclusie en aanbevelingen 5.1 Verkennend booronderzoek Aan de hand van het verkennend veldonderzoek is veel meer grip gekregen op de paleogeografische en bodemkundige gesteldheid van het plangebied. Er blijkt sprake van een sterke relatie tussen de voorkomende natuurlijke bodemtypen en het paleoreliëf. De hoogste gronden worden hier gekenmerkt door (restanten van) veldpodzolen. In de lagere gebieden kon geen podzolering plaatsvinden en worden bodems gekenmerkt door vlakvaaggronden of restanten van beekeerdgronden. Hiervan uitgaand is, in combinatie met het AHN en hier en daar ondersteunt door historisch kaartmateriaal, een meest optimaal gedetailleerd beeld verkregen van de oorspronkelijke natuurlijke reliëfverschillen binnen het plangebied. Deze paleogeografische kaart toont op hoofdlijnen veel overeenkomsten met de geomorfogenetische kaart, maar tegelijk zijn er markante verschillen te constateren die in hoge mate bepaald worden door de bodemprofielwaarnemingen in het veld. Met name binnen het grote oppervlak met lage dekzandwelvingen blijkt dat hier op basis van de bodemprofielopbouw een veel duidelijker onderscheid te maken is in kleine oppervlakken met relatief hoog gelegen gronden en grote oppervlakken met laag gelegen natte gronden. De ligging van de reeds bekende ijzertijdvindplaats in deelgebied 3 is met de paleoreliëfkaart nu goed te verklaren.

Traditionele plaggendekken zoals weergegeven op de geomorfogenetische kaart lijken binnen het plangebied te ontbreken. Wel zijn de oorspronkelijke hogere delen lokaal verder opgehoogd ten behoeve van een betere (grond)waterhuishouding. Daarnaast zijn er in het oostelijke deel twee percelen vastgesteld die oorspronkelijk een lage ligging hadden (natte bodems) en in recente tijden flink zijn opgehoogd. In het algemeen toont de geomorfogenetische kaart enorme veel detail dat echter vooral lijkt samen te hangen met menselijke activiteiten dan met de natuurlijke variatie van de ondergrond. Voorbeelden: laagten langs gegraven sloten, afgegraven perceeldelen, op akker gezette percelen, opgehoogde terreinen rond moderne boerderijen. Bij eliminatie van deze effecten aan de hand van veldwaarnemingen blijft een veel rustiger maar realistischer kaartbeeld van het paleoreliëf over. Specifieker geeft het verkennend booronderzoek antwoord op de volgende onderzoeksvragen. -

Hoe is het landschap tot stand gekomen in geomorfogenetische zin en hoe heeft het zich bodemkundig ontwikkeld?

Het plangebied maakt deel uit van het dekzandlandschap in het centrale deel van de Gelderse Vallei. Reliëfverschillen lijken vooral veroorzaakt door Pleni- en Laat Glaciale insnijding van oost-west verlopende beekdalen en in mindere mate door opstuiving. Oude leemrijke dekzanden dagzomen namelijk plaatselijk op hoge delen, paraboolduinen ontbreken en in algemene zin is er geen eenduidige jong dekzanddek te onderscheiden. Je zou kunnen spreken van een fluvioperioglaciaal erosielandschap met dekzandplateaus en lager gelegen dekzandvlakten. Lokale laat-glaciale verstuiving zal plaatselijk wel geleid hebben tot versterking van dit reliëf door uitwaaiing van laagten en opstuiving van hogere delen.

42

-

Barneveld-Noord

Beschrijf van elke eenheid waarom het een dekzandwelving, verspoeld dekzand of beekafzetting of een andere genese is.

Op basis van de boorresultaten worden binnen het plangebied ‘slechts’ vier paleogeografische eenheden met onderscheiden: ·

dekzandruggen – plateaus

·

dekzandwelvingen en flanken van dekzandruggen/-plateaus

·

dekzandvlakten (laag)

·

dekzandlaagten

Meer onderscheidingen worden op basis van de boorresultaten niet zinvol geacht. Het onderscheid tussen lage dekzandwelvingen, dekzandwelvingen en dekzandruggen en varianten daarop op basis van dikte geroerde toplaag is dus vereenvoudigd naar twee mogelijkheden. Dit omdat de veelheid aan kaarteenheden in de geomorfogenetische kaart niet herkenbaar en daarmee karteerbaar is gebleken in de bodemprofielen en andere veldwaarnemingen. Ook bleek het lastig binnen laag gelegen terreindelen onderscheid te maken in dekzandvlakten en holocene en/of laat-glaciale beekdalafzettingen. Incidentele bodemprofielen zouden als holocene beekvulling kunnen doorgaan maar deze zijn niet door te vertalen naar kaartvlakken. -

Is er sprake van bodemverstoringen en zo ja tot welke diepte? Wat is de verklaring voor deze verstoringen? Hoe verhouden zich deze tot de vergravingen die op de bodemkaart staan vermeld?

Op een aantal plaatsen is sprake van een intensieve/diepe bodemverstoring. Dit hangt vermoedelijk in de meeste gevallen samen met lokaal grondverzet waarbij lage delen zijn omgezet en opgehoogd en hoge delen zijn afgegraven. Daarnaast zijn ten behoeve van een betere grondwaterhuishouding diverse lokale opduikingen verder opgehoogd. Wat thans als dekrug met een plaggendek op de geomorfogenetische kaart is weergegeven zijn veel eerder oorspronkelijke relatieve hoogten die vermoedelijk in één slag zijn opgehoogd. De opbouw van de geroerde toplaag toont hier namelijk erg grillig met bijvoorbeeld brokken C-materiaal, vaak ook met roestverkleuringen en of leembrokken. Geen resultaat van een ‘eeuwenlange’ plaggenophoging. Tegelijk kan worden opgemerkt dat ondanks egalisaties en opgebrachte lagen op de meeste opduikingen, restanten van natuurlijke podzolen zijn aangetroffen (zie tabel 1, kolom ‘bodemtype’). Uitgaand van een te verwachten oorspronkelijke dikte van circa 50 cm van een complete podzol (van Ah- tot C-horizont), lijkt de diepte van bodemverstoring beperkt. Ook de grote oppervlakken op de bodemkaart met vergraven vlakvaakgronden lijken niet diep omgezet. A-C menglagen ontbreken en de bouwvoor heeft hier op de meeste plaatsen een reguliere dikte van 40-50 cm. -

Wat is de bouwvoor- en verstoringsdiepte?

Zie antwoord op vorige vraag, bijlage 1 en kaartbijlage 1. -

Welke uitspraak kan gedaan worden over de relatie en kwaliteit van het veldonderzoek versus geomorfogenetische kaart?

Lastig te zeggen, mede vanwege de verschillende schaalniveaus waarop gewerkt is en de verschillende gehanteerde werkwijzen. De geomorfogenetische kaart is gemaakt voor de gehele gemeente Barneveld en kent mede daarom veel meer kaarteenheden. Op hoofdlijnen tonen de geomorfogenetische kaart en de gedetailleerde paleogeografische kaart een vergelijkbaar beeld. De geomorfogenetische kaart lijkt iets te veel geënt op het AHN-beeld, waardoor het reliëf in een aantal gevallen verkeerd is geïnterpreteerd. Dat zijn echter controleerbare incidenten. Lastiger is dat de geomorfogenetische kaart enorme veel detail toont dat echter vooral lijkt samen te

Barneveld-Noord 43

hangen met menselijke activiteiten dan met de natuurlijke variatie van de ondergrond. Voorbeelden: laagten langs gegraven sloten, afgegraven perceeldelen, op akker gezette percelen, opgehoogde terreinen rond moderne boerderijen. Bij eliminatie van deze effecten aan de hand van veldwaarnemingen blijft een veel rustiger maar realistischer kaartbeeld van het paleoreliëf over. -

Zijn de begrenzingen op de geomorfogenetische kaart in hoofdlijnen juist? Verklaar eventuele discrepanties.

Zie ook antwoord op vorige vraag. Daarnaast kan gesteld worden dat met name de op de geomorfogenetische kaart weergegeven lage dekzandwelvingen slecht uit de verf komen. Grote oppervlakken blijken in het veld vooral te bestaan uit dekzandvlakten en -laagten met uitgesproken natte bodemtypen (type 3 en 4). Binnen het plangebied waren en zijn de dekzandwelvingen nog steeds vooral natte gebieden en de kans op nederzettings-gerelateerde archeologische resten is hier klein te noemen. Daar staat tegenover dat binnen dezelfde eenheid met lage dekzandwelvingen zones zijn te vinden met relatief droge podzolbodems. Deze blijken met alleen de beschikbare kaartbeelden niet goed karteerbaar. De archeologische betekenis van deze lage ruggen wordt met de ijzertijdvindplaats in deelgebied 3 meteen duidelijk, want die ligt op een dergelijke welving. Het beeld van de paleoreliëfkaart is met name voor deze eenheid onderscheidend van de geomorfogenetische kaart en van betekenis voor de toe te kennen archeologische verwachtingen. -

Is de interpretatie van de afzonderlijke eenheden op de geomorfogenetische kaart juist? Verklaar eventuele discrepanties.

Zie ook antwoord op eerdere vragen: op hoofdlijnen geeft de kaart wel een redelijk beeld van de geomorfogenetische opbouw van het landschap. De veelheid aan kaarteenheden is in het veld niet goed terug te herleiden. Met name de te gedetailleerde en letterlijke vertaling van AHN-beeld naar paleolandschappelijke eenheden speelt hierbij een rol. Specifiek is het onderscheid tussen dekzandvlakte(Edl) en beekdaloverstromingsvlakte/laat glaciale dalvlkate (FPtl) in het veld niet waarneembaar en lijkt deze nogal arbitrair. Hetzelfde geldt voor de onderscheiden dekzandvlakten met zandige bodems (Edls) en de dekzandvlakten met venige bodems (Edlv). Diverse eenheden zouden kunnen worden samengevoegd zonder afbreuk te doen aan de inhoudelijke (archeologie-gerelateerde) betekenis van het kaartbeeld. Daarnaast zijn aanzienlijke oppervlakken met lage dekzandwelvingen eerder als dekzandlaagte op te vatten, maar zijn tegelijk binnen de vlakken met dekzandwelvingen relatief hoge delen te herkennen die vanuit archeologisch oogpunt van betekenis zijn. -

Zijn de begrenzingen van de dekzandruggen en plaggendekken juist?

De grote dekzandopduikingen aan de westzijde zijn op de geomorfogenetische kaart wel weergegeven. De vorm daarvan komt redelijk goed overeen met de veldwaarnemingen. Een dekzandrug ter hoogte van een nieuwe boerderij waarover voorafgaand aan het veldonderzoek al twijfels bestonden, bleek inderdaad vooral een antropogene ophoging. Hier gaat echter wel een kleiner uiteinde van een nog onbekende dekzandrug/-welving onder schuil. Deze heeft een langgerekte oostwest vorm waarop oostelijker ook de ijzertijdvindplaats (deelgebied 3) is gesitueerd. De paleoreliëfkaart geeft nog meer nieuwe kleine dekzandruggen / -plateaus zowel zuidelijker als oostelijker die op de geomorfogenetische kaart niet als zodanig zijn weergegeven (opgenomen in de dekzandwelvingen).

44

Barneveld-Noord

Traditionele plaggendekken zoals weergegeven op de geomorfogenetische kaart ontbreken binnen het plangebied. Wel zijn de oorspronkelijk hogere delen lokaal verder opgehoogd ten behoeve van een betere (grond)waterhuishouding. Daarnaast zijn er in het oostelijke deel twee percelen vastgesteld die oorspronkelijk een lage ligging hadden (natte bodems) en in recente tijden flink zijn opgehoogd. Een van deze percelen staat als plaggendek op de geomorfogenetische kaart. -

Welke aanpassingen van de geomorfogenetische kaart zijn nodig op basis van het verkennende booronderzoek in combinatie met het AHN?

Vergelijk beide kaartbeelden: de nieuwe paleoreliëfkaart dient geheel opgenomen te worden in de geomorfogenetische kaart. Met name is er een verbeterslag nodig ten aanzien van het grote oppervlak met lage dekzandwelvingen. Hier blijken lage delen en vlakten en relatief hoge delen in schuil te gaan die er thans niet uitkomen en die wel van grote betekenis zijn voor het toekennen van archeologische verwachtingen. Daarnaast is het onderscheid tussen dekzandvlakte en beekoverstromingsvlakte niet duidelijk en lijkt het beter om het oppervlak met beekoverstromingsvlakte zoveel mogelijk te beperken. Tot slot is het te overwegen de eenheden met plaggendekken uit het kaartbeeld te halen. Dit zijn geen plaggendekken in de letterlijke zin van het woord, maar (recente) systematische ophogingen van hoogten dan wel opvullingen van laagten. -

Wat is de specifieke landschappelijke situatie rondom de ijzertijdvindplaats?

Sprake is van een langgerekte circa 50-75 meter brede dekzandwelving met restanten van een podzolbodem. Zowel noordelijk als zuidelijk wordt de dekzandwelving geflankeerd door lagere gronden, met direct aan de noordzijde een mogelijk laat-glaciale dalinsnijding. Die was al in het vroeg-holoceen opgevuld en zal ten tijde van bewoning in de ijzertijd niet meer als zodanig herkenbaar geweest. In westelijke richting lijkt deze welvingen zich meer te verheffen tot een rug. De kans dat ook hier sporen uit de ijzertijd zijn aan te treffen lijkt derhalve groot. -

Welke archeologische verwachtingen kunnen aan welke onderscheiden eenheden worden gekoppeld?

Uitgaand van de nieuwe gedetailleerde paleogeografische kaart van het plangebied: Dekzandruggen en –plateaus: hoge archeologische verwachting voor alle perioden. Dekzandwelvingen en flanken van dekzandruggen / -plateaus: middelhoge archeologische verwachting voor alle perioden. Dekzandvlakte: lage archeologische verwachting Dekzandlaagte: lage archeologische verwachting

Enkele aanbevelingen in het kader van de AMZ. Op basis van deze pilotstudie ‘verkennend booronderzoek’ kunnen voor het archeologiebeleid van de gemeente Barneveld de volgende aanbevelingen worden gedaan: ·

De geomorfogenetische kaart geeft een aardige indruk van de natuurlijke gesteldheid op hoofdlijnen, maar behoeft bij concrete planvorming een detailleringsslag aan de hand van een eerste veldverkenning. Een dergelijke veldverkenning dient vooral gericht te zijn op een analyse van de paleogeografi-

Barneveld-Noord 45

sche en pedogenetische kenmerken, met een doorvertaling naar een reconstructie van het paleoreliëf. ·

Bij handhaving van de huidige beleidskaart (concept) kunnen de oppervlakken met ‘plaggendekken’ beter breder gedefinieerd worden als ‘zones met een dikke antropogene toplaag’. In de meeste gevallen gaat het waarschijnlijk namelijk niet om een plaggendek maar betreft het een vrij recent verschijnsel van bodemverbetering.

·

De archeologische beleidskaart van de gemeente Barneveld dient in de eerste plaats gebaseerd te zijn op het meest gedetailleerder beeld van het paleoreliëf. Het zijn namelijk in eerste plaats de relatieve natuurlijke hoogteverschillen die in hoge mate de spreiding van vindplaatsen bepalen. De spreiding van natuurlijke bodemtypen blijkt een goed hulpmiddel om dit paleoreliëf te reconstrueren. Historisch landgebruik lijkt veel minder gerelateerd aan het paleoreliëf. Het AHN vormt de meest gedetailleerde en informatieve onderlegger voor een reconstructie van het paleoreliëf, maar wel moet hierbij goed rekening worden gehouden met antropogene invloeden op het oppervlaktereliëf.

·

Bekende archeologische vindplaatsen vormen belangrijke aanknopingspunten bij het analyseren en toekennen van archeologische verwachtingen. Een oppervlaktekartering kan een snelle methode zijn om vindplaatsen in beeld te krijgen. Met name op zandgronden met een beperkte dikte van de geroerde toplaag en met een redelijke tot goede vondstzichtbaarheid kan dit instrument worden ingezet om snel inzage te krijgen in het archeologisch potentieel van een gebied. Een combinatie met een verkennende boorfase van het veldonderzoek ligt voor de hand.

5.2 Karterend booronderzoek Dit onderzoek was bedoeld om te kijken of booronderzoek geschikt is voor het opsporen van (ijzertijd) vindplaatsen in vergelijkbare landschappelijke context. Het karterend booronderzoek in deelgebied 3 heeft aangetoond dat het met deze methode in principe mogelijk is om archeologische vindplaatsen op te sporen. Er zijn scherven ijzertijd aardewerk gevonden, die gezien de context (BC-horizont) wijzen op een vindplaats op deze locatie. Het blijft de vraag of dit onderzoek geschikt is om het gehele plangebied Barneveld-Noord te karteren op vindplaatsen. Het belangrijkste struikelblok is dat bij het ontbreken van vondsten niet met zekerheid gezegd kan worden dat er dan ook geen archeologische resten van betekenis op de gekarteerde locatie meer te verwachten zijn. De kans dat in een boring namelijk sporen en/of vondsten worden aangetroffen kan namelijk dermate klein zijn dat deze gemist worden terwijl er toch sprake is van behoudenswaardige archeologische resten. Voorbeelden van vondstarme/ trefkansarme vindplaatsen zijn kleine jachtkampjes, grafvelden en infrastructurele resten, maar ook van nederzettingsterreinen op zandgronden is bekend dat het aantal vondsten zeer beperkt kan zijn. Anders dan in afgedekte (holocene) landschappen ontbreekt in het dagzomende pleistocene zandlandschap van Barneveld, in de meeste gevallen een intacte cultuurlaag.

Het karteren van vindplaatsen is hier daarmee vooral aangewezen op het vaststellen van concrete vondsten, waar in een afgedekte context ook bodemverkleuringen, houtskool en andere subtiele indicatoren gebruikt kunnen worden bij het opsporen en in kaart brengen van vindplaatsen.

Aanbeveling Omdat er op basis van karterend booronderzoek in dagzomende pleistocene landschappen een grote mate van onzekerheid blijft bestaan over het al dan niet

46

Barneveld-Noord

voorkomen van archeologische resten is deze methode alleen in bepaalde gevallen aan te bevelen. Te denken valt aan situaties waar andere (gravende) onderzoeksmethoden geen optie zijn in verband met schade en of technische beperkingen. Daarbij moet dan wel bedacht worden dat alleen vondstrijke vindplaatsen zoals intensief en/of lang bewoonde nederzettingsterreinen met enige mate van betrouwbaarheid gekarteerd kunnen worden. Een combinatie met een verkennend geo-archeologisch booronderzoek, gericht op het begrenzen van landschappelijke eenheden ligt daarbij voor de hand, omdat daarmee ook zonder vondsten de grenzen rond vindplaatsen mede kunnen worden bepaald. Verder is het zinvol om in situaties waar sprake is van een dunne bouwvoor zonder plaggendek het karterend booronderzoek te combineren met een oppervlaktekartering. In de standaard AMZ-cyclus wordt aanbevolen het archeologische onderzoekstraject op te starten met een verkennende fase, die gericht is op het detailleren van de landschappelijke en archeologische kenmerken van een (plan)gebied. Deze verkennende fase kan alleen bestaan uit een bureaustudie, maar uit onderhavig onderzoek blijkt dat een verkennende veldfase veel kenniswinst kan opleveren.

Indien de hieruit af te leiden kansrijke archeologische zones (zones met een hoge of specifieke verwachting) niet ingepast kunnen worden in het planontwerp en geplande ingrepen een bedreiging vormen voor het bodemarchief, wordt voor het plangebied Barneveld-Noord een karterend proefsleuvenonderzoek aanbevolen binnen de landschappelijk eenheden die op basis van het verkennend booronderzoek een hoge verwachting gekregen hebben (profieltypes 1 en 2). De kosten daarvan liggen weliswaar hoger dan van een karterend booronderzoek, maar belangrijke voordelen zijn dat: ·

een veel breder spectrum aan archeologische resten gekarteerd kan worden, inclusief vondstarme sporen. Dat levert waarschijnlijk meer en nieuwe type vindplaatsen op, maar hoeft niet veel duurder te worden, als hierin duidelijke keuzes worden gemaakt.

·

het proefsleuvenonderzoek meteen als een waarderende fase kan worden opgezet (of uitgebreid) waarbij snel duidelijk wordt wat de werkelijke aard, omvang en conservering van een vindplaats is. Dat scheelt veel tijd in het onderzoeksproces want de karterende boorfase wordt overgeslagen en er kunnen sneller selectiekeuzes worden gemaakt op basis van gedetailleerde veldgegevens.

In dit traject zou eventueel nog een extra stap ingepast kunnen worden, in de vorm van een (intensieve) oppervlaktekartering van potentieel bewoonbare locaties (zones met bodemtype 1 of 2) met een reguliere bouwvoordikte. Dit kan eventueel worden gecombineerd met enkele boringen om de intactheid van het bodemprofiel en dikte van de A-horizont ter plaatse te controleren. Daarmee zouden een aantal gebieden geselecteerd kunnen worden die sowieso verdere waardering behoeven door middel van proefsleuven. Wat betreft de strategie van de proefsleuven biedt de KNA leidraad proefsleuvenonderzoek enig houvast. Bij de in Barneveld te karteren vindplaatsen gaat het waarschijnlijk grotendeels om vindplaatsen met grondsporen en een relatief lage vondstdichtheid (vindplaats type 2). Uitgaande van middelgrote vindplaatsen (2000-8000 m2) en van een lage of gemiddelde sporendichtheid kunnen deze vindplaatsen het beste gewaardeerd worden door middel van proefsleuven in een stippellijn patroon met een tussenliggende afstand van 20 of 30 meter (dekkingsgraad respectievelijk 10% en 6%). De keuze welke tussenafstand gehanteerd moet worden kan afgehangen worden van de resultaten van de oppervlaktekartering,

Barneveld-Noord 47

waarbij gebieden met aanwijzingen voor vindplaatsen intensief onderzocht worden (sleufafstand 20 meter, dekkingsgraad 10%), en bij gebieden zonder aanwijzingen voor vindplaatsen de minder intensieve methode gehanteerd wordt.

48

Barneveld-Noord

Literatuur Bakker, H. de & J. Schelling, 1966. Systeem van bodemclassificatie voor Nederland. Pudoc, Wageningen. Brouwer, M.C. 2012: Barneveld Harselaar West-West. Archeologisch onderzoek. BAAC rapport A-09.0252. Brouwer, M.C. 2013: Op die saelwhr staende een huijs. Sporen van erf Klein Harselaar met middeleeuwse voorgangers en een nederzetting uit de ijzertijd te Barneveld, Harselaar West-West. BAAC rapport A-11.0390. Geel, B. van, J.A.A. Bos, J. van Huissteden, J.P. Pals, H. Schatz, J.M. van Mourik, G.B.A. van Reenen, J. Wallinga & J. van der Plicht, 2010. Palaeoecological study of a Weichselian wetland site in the Netherlands suggests a link with Dansgaard-Oeschger climate oscillation. Netherlands Journal of Geosciences — Geologie en Mijnbouw | 89 – 3/4 | 187 - 201 | 2010. Goossens, E., 2015. Plangebied Nijkerkerweg-Tolboom, gemeente Barneveld. Archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (verkennende fase) (RAAP notitie 4998), Weesp. Goossens, E & S. van der Veen, 2010. Plangebied Esvelderbeek Gemeente Barneveld Archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek: verkennende fase. RAAP-rapport 2195. RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V., Weesp. Groot, R.W. de, 2007: Aanleg riolering Hoornweg en Bloemendaallaan, Gemeente Barneveld. Een archeologische begeleiding (RAAP-rapport 1548), Weesp. Hendrikx, B.A.T.M. & J.

Huizer 2009: Barneveld Esweg: Een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend en karterend booronderzoek. ADC rapport 1987. Kalisvaart, C.C., 2013. Barneveld Plangebied Esvelderbeek Inventariserend veldonderzoek (karterende fase). BAAC Rapport V-13.0059. BAAC bv, ´s-Hertogenbosch. Krekelbergh, N.J., 2010. Barneveld Plangebied Thorbeckelaan; Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennende fase). BAAC rapport V-09.0125. BAAC bv, ´s-Hertogenbosch. Pape, J.C., 1962. Een bodemprofiel in de Gelderse Vallei. Stichting voor bodemkartering, afdeling Gelderland en Utrecht. Pepers, K.H.J., 2011. Barneveld Plangebied Thorbeckelaan; inventariserend veldonderzoek (verkennende fase) BAAC rapport V-11.0392. BAAC bv, ´s-Hertogenbosch. Scholte Lubberink, H.B.G., L.J. Keunen & N.W. Willemse, 2015 (in voorbereiding). Op het kruispunt van de vier windstreken. Synthese Oogst voor Malta onderzoek de Gelderse Vallei (Utrechts-Gelders zandgebied). Nederlandse Archeologische Rapporten 48.

Barneveld-Noord 49

Schut, P., 2016. Barneveld Noord. Een archeologische bureaustudie en onderzoeksopzet. Thijs, W.J.F. & K.A. Hebinck, 2009. Een archeologisch bureau-onderzoek en inventariserend veldonderzoek door middel van boringen aan de Nijkerkerweg te Barneveld (Gld). ARC-Rapporten 2009-166. Tol, A. & E. Heunks, 2007. Plan van Aanpak booronderzoek Barneveld-Noord. Archol bv, Leiden. Willemse, N.W., 2015. Beknopte toelichting bij de geomorfogenetische kartering schaal 1:10.000 van de gemeente Barneveld. RAAP-notitie 5103. RAAP-archeologisch adviesbureau, Weesp

Figuren Figuur 1.1 Ligging van het plangebied Barneveld-Noord met daarbinnen de ligging van de zes deelgebieden. Figuur 2.1 Reconstructie van de maximale uitbreiding van veengebieden in de Gelderse Vallei op basis van de huidige bodemgesteldheid, gekarteerde veenresten en archeologische waarnemingen. Binnen het stroomgebied van de Eem zijn ook de restanten van broekgebieden en lokale hoogveenkoeltjes aangegeven zoals die op negentiende-eeuwse kaarten staan aangegeven (Uit Scholte Lubberink e.a. 2015, fig 2.17). Figuur 2.2 Uitsnede geomorfologische kaart schaal 1:50.000 met grens plangebied (blauw). Bron: Schut 2016. Figuur 2.3 Uitsnede bodemkaart schaal 1:50.000 met grens plangebied (blauw). Bron: Schut 2016. Figuur 2.4 Uitsnede geomorfogenetische kaart schaal 1:10.000 met grens plangebied (blauw). Bron: Willemse, 2015. Bron: Schut 2016. Figuur 2.5 Het huidige maaiveldreliëf van het plangebied en omgeving. Bron: Actueel Hoogtebestand Nederland. Figuur 2.6 Uitsnede van de archeologische beleidskaart gemeente Barneveld uit 2008 met grens plangebied. Bron: Schut 2016. Figuur 2.7 Uitsnede uit de concept beleidskaart (wit = lage verwachting; groen = middelhoge verwachting; gestippeld groen = voorwaardelijke middelhoge verwachting; rood = hoge verwachting). Bron: Schut 2016. Figuur 2.8 Sporenkaart vindplaats 10 (RAAP rapport 1548).

IJzertijdsporen vastgesteld tijdens de begeleiding van een rioolaanleg in deelgebied 3. Bron: Schut 2016. Figuur 2.9 Uitsnede van de kaart van Passavant uit 1697 met boerderij De Vaarst (het noorden is links). Bron: Schut 2016. Figuur 2.10 De ontwikkeling van Barneveld Noord in de afgelopen 200 jaar aan de hand van historische kaarten. Bron: Schut 2016. Figuur 2.11 Uitsnede van de cultuurhistorische waardenkaart Bron: Schut 2016. Figuur 2.12 Cultuurhistorische landschapselementen uit 1832 (geel= perceelgrens; groen= houtwal; rood= weg; zwart sterretje= schaapskooi). Bron: Schut 2016. Figuur 3.1 Boorpuntenkaart met de locaties van de boorraaien en boringen. Figuur 3.2 Geologisch profiel A-A’. Figuur 3.3 Geologisch profiel E-E’. Figuur 3.4 Geologisch profiel F-F’.

50

Barneveld-Noord

Figuur 3.5 Hoogtekaart (bron AHN) met bodemprofieltypen en dikte antropogene, geroerde toplaag per boorlocatie. Figuur 3.6 Historische kaart circa 1900 met vastgestelde bodemtypen per boorlocatie. Figuur 3.7 Paleogeografische detailkaart Barneveld-Noord. Figuur 3.8 Uitsnede geomorfogenetische kaart schaal 1:10.000 gemeente Barneveld met vastgestelde bodemtypen per boorlocatie. Figuur 4.1 Overzicht van karterende boringen ter hoogte van de ijzertijdvindplaats, geprojecteerd op de nieuwe paleogeografische detailkaart Barneveld-Noord.

Tabellen Tabel 1.1 Administratieve gegevens. Tabel 2.1 Binnen het plangebied Barneveld-Noord voorkomende geomorfogenetische kaarteenheden en (voorlopig) toegekende archeologische verwachtingen.

Barneveld-Noord 51

Bijlage 1 Samenvatting van boorresultaten en toekenning van bodemtypen.

Boring Raai

Positie

NAP

reductie

bodemtype

opmerking

1

A

0

8,11

60

dikte Ap dikte XX profieltype 60

100 4

A-Cgley

zeer nat /beekafzetting?

2

A

25

8,33

100

40

40 3

A-Cgley

3

A

50

8,51

70

25

25 4

A-Cgley

4

A

75

8,93

135

60

60 3

A-Cgley

5

A

100

9,42

185

60

80 1

A/E-B-Cgley

6

A

125

9,11

>160

60

70 1

A/E-B-Cdroog

7

A

150

8,88

135

40

90 1

A/E-B-Cdroog

8

A

175

8,64

110

35

50 3

A-Cgley

leemlaag 55-75

9

A

200

8,56

100

35

100 3

A-Cgley

B-materiaal in opgebrachte/verstoorde laag

10

A

225

8,7

100

25

25 3

A-Cgley

11

A

250

8,61

80

45

45 4

A-Cgley

12

A

275

8,74

130

30

30 3

A-Cgley

13

A

300

8,5

90

40

40 3

A-Cgley

14

A

325

8,74

90

50

50 3

A-Cgley

15

A

350

8,89

165

40

40 3

A-Cgley

16

A

375

8,9

>160

35

35 1

A-B-Cdroog

17

A

400

8,75

125

45

45 1

A-B-Cdroog

18

A

425

8,89

135

40

40 1

A-B-Cdroog

19

A

450

8,91

80

40

40 2

A-B-Cgley

20

A

475

9,19

>160

35

35 1

A-B-Cdroog

21

B

0

8,22

80

40

40 4

A-Cgley

22

B

25

8,27

80

50

50 4

A-Cgley

23

B

50

8,44

110

50

50 3

A-Cgley

24

B

75

8,78

130

80

80 3

A-Cgley

25

B

100

9,1

>150

45

50 2

A-BC-Cgley

26

B

125

9,09

>150

45

115 1

A/E/B-BCdroog

wel/niet omgezet tot 115 cm -Mv?

27

B

173

9,24

>160

50

130 5

X

vermoedelijk vulling van laagte

28

B

198

8,73

50

30

50 4

A-Cgley

29

B

223

8,27

55

40

55 4

A-Cgley

30

C

0

8,3

90

15

15 4

A-Cgley

31

C

25

8,65

85

40

40 3

A-Cgley

32

C

50

8,83

90

50

50 2

A-B-Cgley

33

C

75

8,98

130

45

45 1

A-B-Cgley

34

C

100

8,84

80

35

35 4

A-Cgley

35

C

125

8,66

80

60

60 4

A-Cgley

36

C

150

8,39

120

35

35 4

A-Cgley

37

C

175

8,65

80

40

40 4

A-Cgley

38

C

200

8,55

85

30

30 4

A-Cgley

39

D

0

8,64

100

50

50 3

A-Cgley

40

D

25

8,82

>150

30

60 2

X-E-B-Cgley

41

D

50

8,75

>150

60

85 2

A-BC-Cgley

42

D

75

8,68

80

35

35 4

A-Cgley

43

D

100

8,65

115

50

85 3

A-Cgley

44

D

125

8,5

90

35

35 3

A-Cgley

45

D

150

8,62

125

35

50 2

X-B-Cgley (leem) profiel type 1/2? (Fe niet aangegeven)

46

D

175

8,76

120

50

50 1

A-E-BCdroog

47

D

195

8,71

120

30

90 5

X

48

D

0

8,72

>150

50

50 1

A-B-Cdroog

49

D

0

8,71

95

25

55 3

A-Cgley

50

D

0

8,43

100

25

40 3

A-Cgley

51

F

0

10,61

100

100

100 4

X-Cgley

52

F

25

10,64

120

25

25 2

A-B-Cgley

53

F

50

10,79

125

65

65 2a

A-Cgley

Zs4 onder bouwvoor: geen podzol

54

F

75

10,81

150

40

60 2a

A-Cgley

leemlaag 60-90: geen podzol

55

F

100

10,96

135

50

70 2a

X-Cgley

Zs4 onder bouwvoor: geen podzol

56

F

125

10,73

125

30

55 2

A/B-BC-Cgley

57

F

148

10,49

110

25

25 3

A-Cgley

58

G

0

9,08

85

30

30 3

A-Cgley

veenlaag 85-110

leemband 35-45/ humusvlekken vanaf 45

humuslagen in de C vanaf 55: eventueel type 4 opgevulde laagte?

leemlaag 55-85

52

Barneveld-Noord

Boring Raai

Positie

NAP

reductie

59

G

25

9,02

70

dikte Ap dikte XX profieltype 35

35 4

bodemtype A-Cgley

opmerking

60

G

50

9,39

90

45

45 3

A-Cgley

61

G

75

9,59

>150

20

45 2

A/B-B-Cgley

62

G

100

9,68

110

30

60 3

A-Cgley

63

G

125

9,61

140

45

45 3

A-Cgley

64

G

150

9,6

105

30

70 5

X-Cgley

onzekere waarneming

65

E

0

9,35

70

30

30 3

A-BC-Cgley

onzekere BC

66

E

25

9,7

110

40

40 1

EB-B-Cdroog

67

E

50

9,74

105

55

55 1

A-BC-Cdroog

68

E

75

9,77

100

45

45 1

AE-B-Cdroog

69

E

100

9,7

85

40

60 1

A-Cdroog

echter wel diep verstoord (type 1 onzeker)

70

E

125

9,61

100

45

45 2

A-BC-Cgley

op 75 cm BC stagnerend op leemlaag

71

E

150

9,58

95

40

70 5

X-Cgley

onzekere waarneming

73

E

0

9,6

110

25

25 2

A-BC-Cgley

74

E

0

9,73

110

25

95 5

xxx-Cgley

75

E

0

9,76

100

25

25 2

A-BC-Cgley

76

E

0

9,51

100

50

50 3

A-Cgley

77

E

0

9,59

105

40

40 3

A-Cgley

78

H

0

9,85

70

35

70 4

X-Cgley

opgehoogd terrein

79

H

25

10,03

120

100

100 4

X-Cgley

opgehoogd terrein

80

H

50

10,06

120

40

75 4

X-Cgley

opgehoogd terrein

81

H

75

10,15

85

50

60 4

X-Cgley

opgehoogd terrein

82

H

100

10,19

115

70

70 4

X-Cgley

opgehoogd terrein

83

H

125

10,22

130

30

90 4

X-Cgley

opgehoogd terrein

84

H

150

10,27

90

30

70 4

X-Cgley

opgehoogd terrein

85

H

169

10,22

95

70

70 4

X-Cgley

opgehoogd terrein

86

H

0

9,71

85

35

35 4

A-Cgley

leemlaag 35-50: geen podzol

87

H

0

9,83

80

35

45 4

A/C--Cgley

88

I

0

9,2

50

35

50 4

A/C--Cgley

89

I

25

9,38

35

35

35 4

A-Cgley

90

I

50

9,51

75

35

35 4

A-Cgley

91

I

75

9,62

75

40

40 4

A-Cgley

92

I

100

9,48

90

30

50 3

A-Cgley

93

I

125

9,67

85

30

30 3

A-Cgley

94

I

155

9,84

80

30

50 4

A-Cgley

95

I

0

9,71

85

35

35 3

A-Cgley

96

J

0

10,63

100

40

100 4

X-Cgley

opgehoogd terrein

97

J

25

10,76

140

95

95 4

X-Cgley

opgehoogd terrein

98

J

50

10,64

>160

60

60 1

X-B-Cdroog

99

J

71

10,61

130

40

60 1

X-B-Cdroog

100

Q

0

9

100

30

40 1

A/E-BC-Cdroog

101

Q

25

9,06

90

35

40 2

A/E-BC-Cgley

102

Q

50

9,21

100

35

35 1

A-BC-Cgley

103

Q

75

9,04

85

35

35 2

A-B-Cgley

104

Q

100

8,99

90

30

40 2

A-B-Cgley

105

Q

125

8,8

90

35

35 3

A-Cgley

106

Q

150

8,39

65

30

40 4

A-Cgley

107

Q

175

8,35

40

40

80 4

X-Cgley

108

Q

200

8,2

70

40

80 4

X-Cgley

109

Q

250

8,18

50

30

50 4

A-Cred.

110

Q

300

8,34

40

20

40 4

A-Cred

111

Q

350

8,51

80

20

40 4

A-Cgley

112

Q

400

8,53

50

20

50 4

A-Cred

113

Q

450

8,7

85

35

35 4

A-Cgley

114

Q

490

8,72

100

25

35 2

A-B-Cgley

115

Q

540

9,01

150

150

150 5

X-Cgley

opgebracht en omgezet

116

Q

590

8,96

125

50

125 5

X-Cgley

opgebracht en omgezet

117

K

0

9,79

140

30

85 1

X-B-Cdroog

118

K

50

9,68

130

30

60 1

X-B-Cdroog

119

K

100

8,9

105

30

65 3

X-Cgley

120

K

145

8,77

90

30

30 4

A-Cgley

type 2 /3 onzeker (droge C maar verstoord)

toplaag met E-B-C-materiaal

beekafzetting?

type 3/4 leemlaag 30-50: geen podzolering mogelijk

lemig vanaf 55

leemlaag 40-50

Barneveld-Noord 53

Boring Raai

Positie

NAP

reductie

121

K

195

9,19

110

dikte Ap dikte XX profieltype 40

55 1

bodemtype AE-B-Cdroog

122

K

170

8,99

70

30

50 4

A-Cgley

123

K

220

8,99

90

30

30 1

A-Cdroog

126

K

195

9,03

70

35

45 1

A-BC-Cdroog

127

0

8,9

100

30

80 5

X-Cgley

128

0

8,93

100

30

>120 5

X-Cgley

129

L

0

8,99

95

35

35 3

A-Cgley

130

L

50

9,1

110

30

30 3

A-Cgley

131

L

100

9,23

120

35

35 3

A-Cgley

132

L

150

9,15

85

30

40 2

A-B-Cgley

133

L

200

8,94

90

40

40 3

A-Cgley

134

L

250

9,18

75

25

35 2

A/E-B-Cgley

135

M

0

8,43

70

30

40 4

A-Cgley

136

M

50

8,39

80

40

50 4

A-Cgley

137

M

100

8,46

100

30

55 3

A-Cgley

138

M

150

8,51

70

30

30 4

A-Cgley

139

M

200

8,48

65

15

15 3

A-Cgley (band B)

140

A

530

8,96

110

30

40 1

A-Cdroog

141

A

580

8,83

85

30

30 1

A-B-Cdroog

142

A

630

8,7

115

25

35 1

A/B-B-Cdroog

143

A

680

8,49

115

25

35 1

A/B-B-Cdroog

144

A

730

8,32

55

55

55 4

A-Cred

145

N

0

8,5

100

65

65 3

X-Cgley

146

N

50

8,77

125

40

75 3

X-Cgley

147

N

100

8,83

110

40

50 1

A/E-B-Cdroog

148

N

150

8,83

115

40

40 3

A-Cgley

149

O

0

10,32

105

35

50 3

A-Cgley

150

O

50

10,2

110

55

55 3

A-Cgley

151

O

100

9,97

100

40

50 3

A-Cgley

152

O

136

9,7

80

45

45 4

A-Cgley

153

P

0

9,53

55

40

55 4

A-Cred

154

P

50

9,41

35

35

35 4

A-Cred

155

P

95

9,6

60

50

60 4

X-Cred

156

P

195

10,04

85

30

45 1

A-BC-Cdroog

opmerking

lichtgeelbruine C onder Ap

ondanks hoog reductieniveau. veenlaag 80-95

type 1/2 (droge C)

humeuze leemlaag 55-80

54

Barneveld-Noord

boring: B1629-1 beschrijver: EH/PG, datum: 15-8-2016, X: 167.610,60, Y: 463.093,51, precisie locatie: 1 dm, coördinaatsysteem: Rijksdriehoeksmeting, hoogte: 8,11, precisie hoogte: 1 dm, referentievlak: Normaal Amsterdams Peil, methode hoogtebepaling: GPS, boortype: Edelman-7 en guts-3 cm, doel boring: archeologie - verkenning, landgebruik: grasland, provincie: Gelderland, gemeente: Barneveld, opdrachtgever: Gemeente Barneveld, uitvoerder: Archol BV

0 cm -Mv / 8,11 m +NAP Lithologie: zand, matig siltig, bruingrijs, matig grof Bodemkundig: interpretatie: verstoord

60 cm -Mv / 7,51 m +NAP Lithologie: zand, matig siltig, sterk humeus, donkerbruingrijs, matig grof, weinig hout Bodemkundig: volledig gereduceerd, interpretatie: verstoord

100 cm -Mv / 7,11 m +NAP Lithologie: zand, matig siltig, zwak humeus, lichtbruingrijs, matig grof, weinig wortelresten Bodemkundig: C-horizont met roestvlekken, volledig gereduceerd

120 cm -Mv / 6,91 m +NAP Lithologie: zand, matig siltig, zwak humeus, bruingrijs, matig grof, weinig plantenresten Bodemkundig: C-horizont met roestvlekken, volledig gereduceerd

130 cm -Mv / 6,81 m +NAP Lithologie: zand, matig siltig, zwak humeus, bruingrijs, veenbrokken, matig grof, weinig plantenresten Bodemkundig: C-horizont met roestvlekken, volledig gereduceerd

170 cm -Mv / 6,41 m +NAP Lithologie: zand, sterk siltig, zwak humeus, lichtgrijs, matig grof Bodemkundig: C-horizont met roestvlekken, volledig gereduceerd

190 cm -Mv / 6,21 m +NAP Lithologie: zand, matig siltig, zwak grindig, lichtgrijs, matig grof Bodemkundig: C-horizont met roestvlekken, volledig gereduceerd Opmerking: zeer fijn grind

205 cm -Mv / 6,06 m +NAP Lithologie: veen, zwak zandig, donkerbruin, veen (niet gedifferentieerd) Bodemkundig: volledig gereduceerd

230 cm -Mv / 5,81 m +NAP Lithologie: zand, matig siltig, matig humeus, bruingrijs, enkele veenlagen, matig grof Bodemkundig: volledig gereduceerd

290 cm -Mv / 5,21 m +NAP Lithologie: zand, matig siltig, sterk humeus, lichtgrijs, enkele humus- en siltlagen, matig grof Bodemkundig: volledig gereduceerd

Einde boring op 310 cm -Mv / 5,01 m +NAP

boring: B1629-2 beschrijver: EH/PG, datum: 15-8-2016, X: 167.606,26, Y: 463.068,91, precisie locatie: 1 dm, coördinaatsysteem: Rijksdriehoeksmeting, hoogte: 8,33, precisie hoogte: 1 dm, referentievlak: Normaal Amsterdams Peil, methode hoogtebepaling: GPS, boortype: Edelman-7 en guts-3 cm, doel boring: archeologie - verkenning, landgebruik: grasland, provincie: Gelderland, gemeente: Barneveld, opdrachtgever: Gemeente Barneveld, uitvoerder: Archol BV

0 cm -Mv / 8,33 m +NAP Algemeen: aard ondergrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: zand, sterk siltig, donkerbruingrijs, matig grof Bodemkundig: regelmatig geploegd/bewerkte A-horizont, Fe-concreties, interpretatie: bouwvoor

40 cm -Mv / 7,93 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: zand, sterk siltig, lichtoranjegrijs, matig grof, kalkloos Bodemkundig: C-horizont met roestvlekken, veel Fe-vlekken

80 cm -Mv / 7,53 m +NAP Lithologie: zand, sterk siltig, lichtbruingrijs, matig grof, kalkloos Bodemkundig: C-horizont met roestvlekken, enkele Fe-vlekken

100 cm -Mv / 7,33 m +NAP Lithologie: leem, sterk zandig, sterk humeus, bruingrijs, veel plantenresten, kalkloos Bodemkundig: C-horizont, volledig gereduceerd

120 cm -Mv / 7,13 m +NAP Lithologie: zand, matig siltig, zwak humeus, lichtbruingrijs, matig grof, kalkloos Bodemkundig: C-horizont, volledig gereduceerd

Einde boring op 150 cm -Mv / 6,83 m +NAP

boring: B1629-3 beschrijver: EH/PG, datum: 15-8-2016, X: 167.602,85, Y: 463.044,05, precisie locatie: 1 dm, coördinaatsysteem: Rijksdriehoeksmeting, hoogte: 8,51, precisie hoogte: 1 dm, referentievlak: Normaal Amsterdams Peil, methode hoogtebepaling: GPS, boortype: Edelman-7 en guts-3 cm, doel boring: archeologie - verkenning, landgebruik: grasland, provincie: Gelderland, gemeente: Barneveld, opdrachtgever: Gemeente Barneveld, uitvoerder: Archol BV

0 cm -Mv / 8,51 m +NAP Lithologie: zand, matig siltig, donkerbruingrijs, matig grof Bodemkundig: regelmatig geploegd/bewerkte A-horizont, veel Fe-vlekken, interpretatie: bouwvoor Archeologie: enkel fragment bouwpuin (onbepaald)

25 cm -Mv / 8,26 m +NAP Lithologie: zand, matig siltig, oranjebruin, matig grof Bodemkundig: veel Fe-vlekken, interpretatie: verstoord

40 cm -Mv / 8,11 m +NAP Lithologie: zand, matig siltig, sterk humeus, donkergrijs, matig grof, spoor plantenresten Bodemkundig: enkele Fe-vlekken, interpretatie: verstoord Opmerking: zeer heterogeen

70 cm -Mv / 7,81 m +NAP Lithologie: leem, sterk zandig, sterk humeus, grijs, weinig plantenresten, kalkloos Bodemkundig: volledig gereduceerd

85 cm -Mv / 7,66 m +NAP Lithologie: veen, sterk zandig, donkergrijsbruin, veen (niet gedifferentieerd) Bodemkundig: volledig gereduceerd

110 cm -Mv / 7,41 m +NAP Lithologie: leem, sterk zandig, matig humeus, grijs Bodemkundig: volledig gereduceerd

115 cm -Mv / 7,36 m +NAP Lithologie: zand, matig siltig, zwak humeus, lichtgrijs, matig grof Bodemkundig: volledig gereduceerd

165 cm -Mv / 6,86 m +NAP Lithologie: zand, matig siltig, matig humeus, bruingrijs, compact (alleen zand en veen), matig grof Bodemkundig: volledig gereduceerd

185 cm -Mv / 6,66 m +NAP Lithologie: veen, zwak zandig, donkergrijsbruin, veen (niet gedifferentieerd), compact (alleen zand en veen) Bodemkundig: volledig gereduceerd

190 cm -Mv / 6,61 m +NAP Lithologie: zand, matig siltig, matig humeus, lichtbruingrijs, matig grof Bodemkundig: volledig gereduceerd

200 cm -Mv / 6,51 m +NAP Lithologie: veen, zwak zandig, donkerbruin, enkele zandlagen, veen (niet gedifferentieerd) Bodemkundig: volledig gereduceerd

210 cm -Mv / 6,41 m +NAP Lithologie: leem, sterk zandig, matig humeus, lichtgrijs, enkele humuslagen Bodemkundig: volledig gereduceerd

260 cm -Mv / 5,91 m +NAP Lithologie: zand, matig siltig, matig humeus, grijs, enkele humuslagen, matig grof, weinig plantenresten Bodemkundig: volledig gereduceerd

280 cm -Mv / 5,71 m +NAP Lithologie: leem, sterk zandig, matig humeus, bruingrijs, enkele humuslagen, weinig plantenresten Bodemkundig: volledig gereduceerd

Einde boring op 300 cm -Mv / 5,51 m +NAP

boring: B1629-4 beschrijver: EH/PG, datum: 15-8-2016, X: 167.599,67, Y: 463.019,25, precisie locatie: 1 dm, coördinaatsysteem: Rijksdriehoeksmeting, hoogte: 8,93, precisie hoogte: 1 dm, referentievlak: Normaal Amsterdams Peil, methode hoogtebepaling: GPS, boortype: Edelman-7 en guts-3 cm, doel boring: archeologie - verkenning, landgebruik: grasland, provincie: Gelderland, gemeente: Barneveld, opdrachtgever: Gemeente Barneveld, uitvoerder: Archol BV

0 cm -Mv / 8,93 m +NAP Algemeen: aard ondergrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: zand, matig siltig, zwak grindig, donkergrijsbruin, kleibrokken, matig grof Bodemkundig: regelmatig geploegd/bewerkte A-horizont, enkele Fe-vlekken, interpretatie: bouwvoor Opmerking: kleibrokken=leembrokken

60 cm -Mv / 8,33 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, grijsbruin, matig grof, kalkloos Bodemkundig: C-horizont met roestvlekken, veel Fe-vlekken Opmerking: kleibrokken=leembrokken

70 cm -Mv / 8,23 m +NAP Lithologie: zand, zwak siltig, zwak grindig, oranjebruin, matig grof, kalkloos Bodemkundig: C-horizont met roestvlekken, veel Fe-vlekken Opmerking: kleibrokken=leembrokken

95 cm -Mv / 7,98 m +NAP Lithologie: zand, zwak siltig, lichtoranjebruin, matig grof, kalkloos Bodemkundig: C-horizont met roestvlekken, enkele Fe-vlekken Opmerking: kleibrokken=leembrokken

105 cm -Mv / 7,88 m +NAP Lithologie: zand, zwak siltig, lichtbruingrijs, matig grof, kalkloos Bodemkundig: C-horizont met roestvlekken Opmerking: kleibrokken=leembrokken

135 cm -Mv / 7,58 m +NAP Lithologie: zand, zwak siltig, lichtgrijs, matig grof, kalkloos Bodemkundig: C-horizont, volledig gereduceerd Opmerking: kleibrokken=leembrokken

145 cm -Mv / 7,48 m +NAP Lithologie: leem, sterk zandig, sterk humeus, bruingrijs, kalkloos Bodemkundig: C-horizont, volledig gereduceerd Opmerking: kleibrokken=leembrokken

Einde boring op 160 cm -Mv / 7,33 m +NAP

boring: B1629-5 beschrijver: EH/PG, datum: 15-8-2016, X: 167.595,96, Y: 462.995,17, precisie locatie: 1 dm, coördinaatsysteem: Rijksdriehoeksmeting, hoogte: 9,42, precisie hoogte: 1 dm, referentievlak: Normaal Amsterdams Peil, methode hoogtebepaling: GPS, boortype: Edelman-7 en guts-3 cm, doel boring: archeologie - verkenning, landgebruik: grasland, provincie: Gelderland, gemeente: Barneveld, opdrachtgever: Gemeente Barneveld, uitvoerder: Archol BV

0 cm -Mv / 9,42 m +NAP Algemeen: aard ondergrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: zand, matig siltig, donkergrijsbruin, matig grof Bodemkundig: regelmatig geploegd/bewerkte A-horizont, interpretatie: bouwvoor

60 cm -Mv / 8,82 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm), aard ondergrens: geleidelijk (0,3-3 cm) Lithologie: zand, matig siltig, bruingrijs, matig grof Bodemkundig: AE-horizont

80 cm -Mv / 8,62 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: geleidelijk (0,3-3 cm), aard ondergrens: geleidelijk (0,3-3 cm) Lithologie: zand, matig siltig, donkerbruin, matig grof Bodemkundig: B-horizont

105 cm -Mv / 8,37 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: geleidelijk (0,3-3 cm), aard ondergrens: geleidelijk (0,3-3 cm) Lithologie: zand, matig siltig, oranjebruin, matig grof Bodemkundig: BC-horizont, Fe-concreties

115 cm -Mv / 8,27 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: geleidelijk (0,3-3 cm), aard ondergrens: geleidelijk (0,3-3 cm) Lithologie: zand, matig siltig, lichtoranjebruin, matig grof Bodemkundig: C-horizont met roestvlekken

130 cm -Mv / 8,12 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: geleidelijk (0,3-3 cm) Lithologie: zand, matig siltig, lichtbruingrijs, matig grof Bodemkundig: C-horizont met roestvlekken

150 cm -Mv / 7,92 m +NAP Lithologie: zand, matig siltig, lichtgrijs, enkele leemlagen, matig grof Bodemkundig: C-horizont met roestvlekken, enkele Fe-vlekken

165 cm -Mv / 7,77 m +NAP Lithologie: zand, matig siltig, lichtgrijs, matig grof Bodemkundig: C-horizont met roestvlekken, enkele Fe-vlekken

185 cm -Mv / 7,57 m +NAP Lithologie: zand, matig siltig, lichtgrijs, matig grof, kalkloos Bodemkundig: C-horizont, volledig gereduceerd

200 cm -Mv / 7,42 m +NAP Lithologie: leem, sterk zandig, sterk humeus, bruingrijs, kalkloos Bodemkundig: C-horizont, volledig gereduceerd

225 cm -Mv / 7,17 m +NAP Lithologie: zand, matig siltig, zwak humeus, lichtgrijs, matig grof, kalkloos Bodemkundig: C-horizont, volledig gereduceerd

245 cm -Mv / 6,97 m +NAP Lithologie: zand, matig siltig, matig humeus, bruingrijs, enkele veenlagen, matig grof, kalkloos Bodemkundig: C-horizont, volledig gereduceerd

255 cm -Mv / 6,87 m +NAP Lithologie: veen, sterk zandig, donkerbruin, enkele zandlagen, veen (niet gedifferentieerd), kalkloos Bodemkundig: volledig gereduceerd

290 cm -Mv / 6,52 m +NAP Lithologie: leem, sterk zandig, matig humeus, bruingrijs, enkele humus- en zandlagen, kalkloos Bodemkundig: volledig gereduceerd Opmerking: veenlaagjes

330 cm -Mv / 6,12 m +NAP Lithologie: leem, sterk zandig, sterk humeus, donkerbruingrijs, enkele humus- en zandlagen, compact (alleen zand en veen), kalkloos Bodemkundig: volledig gereduceerd Opmerking: veenlaagjes

Einde boring op 350 cm -Mv / 5,92 m +NAP

boring: B1629-6 beschrijver: EH/PG, datum: 15-8-2016, X: 167.591,57, Y: 462.970,79, precisie locatie: 1 dm, coördinaatsysteem: Rijksdriehoeksmeting, hoogte: 9,11, precisie hoogte: 1 dm, referentievlak: Normaal Amsterdams Peil, methode hoogtebepaling: GPS, boortype: Edelman-7 en guts-3 cm, doel boring: archeologie - verkenning, landgebruik: grasland, provincie: Gelderland, gemeente: Barneveld, opdrachtgever: Gemeente Barneveld, uitvoerder: Archol BV

0 cm -Mv / 9,11 m +NAP Lithologie: zand, matig siltig, donkergrijsbruin, matig grof Bodemkundig: regelmatig geploegd/bewerkte A-horizont, interpretatie: bouwvoor

60 cm -Mv / 8,51 m +NAP Lithologie: zand, matig siltig, donkerbruingrijs, matig grof Bodemkundig: interpretatie: verstoord Opmerking: A/C mix materiaal

70 cm -Mv / 8,41 m +NAP Lithologie: zand, matig siltig, bruingrijs, matig grof Bodemkundig: verploegd tot in E-horizont, interpretatie: verstoord Opmerking: A/E mix materiaal

110 cm -Mv / 8,01 m +NAP Lithologie: zand, matig siltig, bruin, matig grof Bodemkundig: B-horizont Opmerking: A/E mix materiaal

115 cm -Mv / 7,96 m +NAP Lithologie: zand, matig siltig, geelbruin, matig grof Bodemkundig: B-horizont Opmerking: A/E mix materiaal

120 cm -Mv / 7,91 m +NAP Lithologie: zand, zwak siltig, lichtgrijsbruin, matig grof Bodemkundig: C-horizont met roestvlekken Opmerking: A/E mix materiaal

140 cm -Mv / 7,71 m +NAP Lithologie: zand, zwak siltig, lichtgrijsbruin, enkele leemlagen, matig grof Bodemkundig: C-horizont met roestvlekken Opmerking: A/E mix materiaal

150 cm -Mv / 7,61 m +NAP Lithologie: zand, zwak siltig, lichtgrijsbruin, matig grof Bodemkundig: C-horizont met roestvlekken Opmerking: A/E mix materiaal

Einde boring op 160 cm -Mv / 7,51 m +NAP

boring: B1629-7 beschrijver: EH/PG, datum: 15-8-2016, X: 167.586,91, Y: 462.946,34, precisie locatie: 1 dm, coördinaatsysteem: Rijksdriehoeksmeting, hoogte: 8,88, precisie hoogte: 1 dm, referentievlak: Normaal Amsterdams Peil, methode hoogtebepaling: GPS, boortype: Edelman-7 en guts-3 cm, doel boring: archeologie - verkenning, landgebruik: grasland, provincie: Gelderland, gemeente: Barneveld, opdrachtgever: Gemeente Barneveld, uitvoerder: Archol BV

0 cm -Mv / 8,88 m +NAP Lithologie: zand, matig siltig, donkergrijsbruin, matig grof Bodemkundig: regelmatig geploegd/bewerkte A-horizont, interpretatie: bouwvoor

40 cm -Mv / 8,48 m +NAP Lithologie: zand, matig siltig, donkergrijsbruin, matig grof Bodemkundig: verploegd tot in C-horizont, interpretatie: verstoord

55 cm -Mv / 8,33 m +NAP Algemeen: aard ondergrens: geleidelijk (0,3-3 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, bruingrijs, matig grof Bodemkundig: E-horizont, interpretatie: verstoord Opmerking: a/e veploegd

90 cm -Mv / 7,98 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: geleidelijk (0,3-3 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, donkerbruin, matig grof Bodemkundig: B-horizont

110 cm -Mv / 7,78 m +NAP Lithologie: zand, zwak siltig, bruin, matig grof

125 cm -Mv / 7,63 m +NAP Lithologie: zand, zwak siltig, lichtgrijsbruin, matig grof Bodemkundig: C-horizont met roestvlekken

135 cm -Mv / 7,53 m +NAP Lithologie: zand, uiterst siltig, zwak humeus, lichtgrijs, veel dikke leemlagen, matig grof Bodemkundig: C-horizont, volledig gereduceerd

145 cm -Mv / 7,43 m +NAP Lithologie: leem, sterk zandig, zwak humeus, grijs Bodemkundig: C-horizont, volledig gereduceerd

180 cm -Mv / 7,08 m +NAP Algemeen: aard ondergrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: zand, matig siltig, zwak humeus, lichtgrijs, matig grof Bodemkundig: C-horizont, volledig gereduceerd

220 cm -Mv / 6,68 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm), aard ondergrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: veen, mineraalarm, donkerbruin, enkele zandlagen, veen (niet gedifferentieerd) Bodemkundig: volledig gereduceerd

255 cm -Mv / 6,33 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm), aard ondergrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: leem, sterk zandig, matig humeus, bruingrijs, enkele veenlagen Bodemkundig: volledig gereduceerd

300 cm -Mv / 5,88 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: leem, sterk zandig, sterk humeus, donkergrijsbruin, enkele veenlagen Bodemkundig: volledig gereduceerd

Einde boring op 320 cm -Mv / 5,68 m +NAP

boring: B1629-8 beschrijver: EH/PG, datum: 15-8-2016, X: 167.582,87, Y: 462.922,06, precisie locatie: 1 dm, coördinaatsysteem: Rijksdriehoeksmeting, hoogte: 8,64, precisie hoogte: 1 dm, referentievlak: Normaal Amsterdams Peil, methode hoogtebepaling: GPS, boortype: Edelman-7 en guts-3 cm, doel boring: archeologie - verkenning, landgebruik: akker, provincie: Gelderland, gemeente: Barneveld, opdrachtgever: Gemeente Barneveld, uitvoerder: Archol BV

0 cm -Mv / 8,64 m +NAP Lithologie: zand, matig siltig, donkergrijsbruin, matig grof Bodemkundig: regelmatig geploegd/bewerkte A-horizont, interpretatie: bouwvoor

35 cm -Mv / 8,29 m +NAP Algemeen: aard ondergrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: zand, matig siltig, donkerbruingrijs, matig grof Bodemkundig: interpretatie: verstoord

50 cm -Mv / 8,14 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, lichtbruingrijs, matig grof Bodemkundig: C-horizont met roestvlekken, enkele Fe-vlekken

55 cm -Mv / 8,09 m +NAP Lithologie: leem, sterk zandig, lichtgrijs, enkele zandlagen Bodemkundig: enkele Fe-vlekken

75 cm -Mv / 7,89 m +NAP Lithologie: zand, zwak siltig, lichtgrijs, matig grof Bodemkundig: enkele Fe-vlekken

90 cm -Mv / 7,74 m +NAP Lithologie: leem, sterk zandig, lichtoranjegrijs, enkele zandlagen Bodemkundig: veel Fe-vlekken

110 cm -Mv / 7,54 m +NAP Lithologie: leem, sterk zandig, sterk humeus, bruingrijs, enkele zandlagen, spoor plantenresten, kalkloos Bodemkundig: volledig gereduceerd

140 cm -Mv / 7,24 m +NAP Lithologie: zand, zwak siltig, zwak humeus, bruingrijs, matig grof, spoor plantenresten, kalkloos Bodemkundig: volledig gereduceerd

150 cm -Mv / 7,14 m +NAP Lithologie: leem, sterk zandig, sterk humeus, bruingrijs, enkele zandlagen, spoor plantenresten, kalkloos Bodemkundig: volledig gereduceerd

Einde boring op 170 cm -Mv / 6,94 m +NAP

boring: B1629-9 beschrijver: EH/PG, datum: 15-8-2016, X: 167.576,88, Y: 462.897,95, precisie locatie: 1 dm, coördinaatsysteem: Rijksdriehoeksmeting, hoogte: 8,56, precisie hoogte: 1 dm, referentievlak: Normaal Amsterdams Peil, methode hoogtebepaling: GPS, boortype: Edelman-7 en guts-3 cm, doel boring: archeologie - verkenning, landgebruik: akker, provincie: Gelderland, gemeente: Barneveld, opdrachtgever: Gemeente Barneveld, uitvoerder: Archol BV

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Barneveld&id=e7c9793b-453f-4dd4-8858-2d64fc7fe5ad