CConstaterende datBarneveld
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage D2 Passende Beoordeling Omgevingsvisie Barneveld 2040

Gemeenteraad 16 juli 2025, gemeente BarneveldBij agendapunt: Omgevingsvisie Barneveld 204018.176 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Passende beoordeling Omgevingsvisie Barneveld

projectnummer 0478907.100 definitief concept 12 maart 2025

Passende beoordeling Omgevingsvisie Barneveld

projectnummer 0478907.100 definitief concept 12 maart 2025

Auteur S.M. Weterings

Opdrachtgever Gemeente Barneveld Raadhuisplein 2 3771 ER BARNEVELD

datum vrijgave 12-03-2025

beschrijving revisie definitief

gecontroleerd C. Schellingen

vrijgave J. Verhoeven

Inhoudsopgave

Blz.

1

Inleiding

3

1.1 1.2 1.3

Aanleiding omgevingsvisie Doel passende beoordeling Leeswijzer

3 4 4

2

Wettelijk kader

5

2.1

Omgevingswet (Ow)

5

3

Planvoornemen

6

3.1 3.2 3.3 3.4 3.5

Gezond en toekomstbestendig Barneveld Prettig leven in vitale dorpen Ruimte voor ondernemerschap Waardevol landelijk gebied Bereikbaarheid nu en in de toekomst

6 7 8 9 9

4

Barneveld en Natura 2000-gebieden

11

4.1 4.1.1 4.1.2 4.1.3 4.1.4

Natura 2000-gebied Veluwe Kenmerken Instandhoudingsdoelstellingen Knelpunten Autonome ontwikkeling Natura 2000

13 13 14 16 17

5

Ingreep-effectanalyse en impact van verstoringsfactoren

22

5.1 5.1.1 5.1.2 5.1.3 5.2 5.2.1 5.2.2 5.2.3 5.2.4

Ingreep-effectanalyse 22 Bepalen van de potentiële effecten die kunnen optreden 22 Afbakening niet-relevante storingsfactoren 25 Conclusie ingreep-effectanalyse 25 Impact van verstoringsfactoren op Natura 2000 26 Impact via toename stikstofdepositie 27 Impact via verstoring door ontwikkelingen binnen het invloedsgebied 29 Impact via toename recreatiedruk 29 Impact via verstoring door verandering in populatiedynamiek door aanleg van een windturbines 31

6

Beoordeling omgevingsvisie

34

7

Aanbevelingen/mitigerende maatregelen

42

8

Conclusie

46

9

Bronnen

Bijlage 1: Definitie storingsfactoren

48 49

1

Inleiding

1.1

Aanleiding omgevingsvisie De gemeente Barneveld stelt een omgevingsvisie 2040 “Barneveld 2040, ver weg en toch dichtbij”. De omgevingsvisie beschrijft op hoofdlijnen het beleid voor de fysieke leefomgeving. De fysieke leefomgeving bevat thema’s zoals wonen, werken, natuur, milieu, verkeer en de inrichting van de openbare ruimte. De omgevingsvisie richt zich onder andere op de aanpak van de woningbouwopgave, groen- en biodiversiteitsbeleid, omgaan met klimaatverandering en effecten op verkeer en milieu. Beleid voor deze thema’s is op dit moment ondergebracht in afzonderlijke beleidsstukken. De omgevingsvisie bundelt dit beleid in één overkoepelende visie voor de gehele gemeente. Hiermee stelt ze de kaders voor toekomstige ontwikkelingen.

Figuur 1.1. Ligging gemeente Barneveld.

Voordat de visie wordt vastgesteld, wordt een Omgevingseffectrapport (OER) opgesteld. Hierin wordt onderzocht wat de impact van de omgevingsvisie is op de leefomgeving. De Omgevingsvisie Barneveld bevat nieuwe richtinggevende beleidskeuzes, waarvan niet op voorhand is uit te sluiten dat deze afzonderlijk of in samenhang kunnen leiden tot significante gevolgen op Natura 2000-gebieden, bijvoorbeeld door het mogelijke stikstofeffect. Daarom dient op grond van de Natura 2000-gebiedsbescherming onder de Omgevingswet een Passende beoordeling te worden opgesteld.

1.2

Doel passende beoordeling De passende beoordeling is de wettelijke plantoets die hoort bij kaderstellende plannen waarvan significante gevolgen op voorhand niet uitgesloten kunnen worden. Het doel van de passende beoordeling is daarbij: • Het in beeld brengen van de risico’s op significante gevolgen op de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-netwerk als gevolg van het nieuwe beleid uit de omgevingsvisies. • Beschrijven van mitigerende maatregelen en/of beleidsaanpassingen die nodig zijn om significante gevolgen te voorkomen. Het gaat hier met name om aanbevelingen voor de uitwerking van de uitvoeringsbesluiten. • Waar relevant: kansen op positieve effecten. Het detailniveau van de passende beoordeling sluit aan bij het detailniveau van een omgevingsvisie. Gezien het (deels) abstracte karakter van de beleidskeuzes in de omgevingsvisie zijn de effecten in deze passende beoordeling ook op hoofdlijnen beoordeeld. Het betreft daarom met name een risico-inschatting.

1.3

Leeswijzer De passende beoordeling is als volgt opgebouwd: • Hoofdstuk 1 geeft de aanleiding en het doel van de passende beoordeling weer; • Hoofdstuk 2 beschrijft beknopt het relevante wettelijke kader; • Hoofdstuk 3 beschrijft het planvoornemen; • Hoofdstuk 4 beschrijft de kenmerken, instandhoudingsdoelen, knelpunten en autonome ontwikkelingen van de voor deze passende beoordeling relevante Natura 2000gebieden; • Hoofdstuk 5 beschrijft de ingreep-effectanalyse en de impact van de verstoringsfactoren op Natura 2000-gebieden; • Hoofdstuk 6 beschrijft de ontwikkelingen uit de omgevingsvisie die passend worden beoordeeld en toetst deze ontwikkelingen; • Hoofdstuk 7 beschrijft aanbevelingen en mitigerende maatregelen; • Hoofdstuk 8 geeft de conclusie van de toetsing aan de Natura 2000-gebiedsbescherming weer.

2

Wettelijk kader

2.1

Omgevingswet (Ow) De gebiedsbescherming is vastgelegd in artikel 11.1 tot en met 11.9 Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) van de Ow. Hierin wordt de aanwijzing en bescherming van Natura 2000gebieden geregeld. Hiermee zijn de verplichtingen uit de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn, voor zover die betrekking hebben op gebiedsbescherming, geïmplementeerd in het Nederlands recht. De begrenzing van de Natura 2000-gebieden en de instandhoudingdoelstellingen voor die gebieden zijn vastgelegd in de aanwijzingsbesluiten voor de betreffende gebieden. De instandhoudingdoelstellingen beschrijven voor de voor het gebied aangewezen habitattypen en soorten of een bepaalde ontwikkeling ervan gewenst is of dat het behoud ervan op het aanwezige niveau moet worden nagestreefd. Voor activiteiten of projecten die schadelijk kunnen zijn voor de beschermde natuur geldt een vergunningplicht. Deze vergunningen worden verleend door de provincies of door de Minister van LVVN. Voortoets en Passende beoordeling De Ow regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden, ten aanzien van plannen en projecten en die mogelijke effecten hebben op de natuurlijke kenmerken van de gebieden, gelet op de instandhoudingsdoelen die in de Natura 2000-gebieden van kracht zijn. De Ow maakt daarbij onderscheid in enerzijds plannen (plantoets) en anderzijds projecten (projecttoets).

Bij plannen en projecten in, of in de nabijheid (externe werking) van, een Natura 2000-gebied dienen de initiatiefnemers in een oriënterende fase (voortoets) te onderzoeken of het plan een significant negatief effect op de instandhoudingdoelstellingen van het betreffende Natura 2000gebied kan hebben. Met externe werking wordt bedoeld dat ook activiteiten buiten het gebied de natuurwaarden in het gebied kunnen beïnvloeden. Indien na dit onderzoek niet kan worden uitgesloten dat de activiteit een significant negatief effect heeft, dient de initiatiefnemer meer gedetailleerd dan in de oriënterende fase in kaart te brengen wat de effecten van de activiteit kunnen zijn. Daarbij dienen ook, indien noodzakelijk, de mitigerende maatregelen te worden betrokken. Deze analyse heet een ´passende beoordeling´. Het bevoegd gezag toetst de passende beoordeling. Wanneer uit de passende beoordeling alsnog de zekerheid wordt verkregen dat de activiteit niet leidt tot significant negatieve effecten, kan de activiteit doorgang vinden/kan een vergunning voor een Natura 2000-activteit verleend worden c.q. kan het plan vastgesteld worden. Wanneer uit de passende beoordeling blijkt dat significante negatieve effecten niet kunnen worden uitgesloten, kan het project alleen doorgang vinden op grond van de “ADC-criteria”.

Dit betekent dat: - A – alternatieve oplossingen voor het plan ontbreken; - D – er dwingende redenen van groot openbaar belang zijn, en - C – de initiatiefnemer compenserende maatregelen vooraf en tijdig treft.

3

Planvoornemen De omgevingsvisie van de gemeente Barneveld bestaat uit vijf hoofdopgaves. In dit hoofdstuk is elke hoofdopgave toegelicht en is beschreven welke maatregelen hieraan gekoppeld zijn.

3.1

Gezond en toekomstbestendig Barneveld Aandacht voor gezondheid en voor de kwaliteit van de natuurlijke waarden verdient volgens gemeente Barneveld een plek tussen de ambities voor meer woningen, meer bedrijven en ruimte voor de landbouw. Daarbij speelt het veranderende klimaat ook een grote rol. Wat we niet zien, maar wel horen, ruiken en soms voelen is volgens de gemeente het effect van onze behoefte om te produceren. Ook onderwerpen als geluid en luchtkwaliteit hebben volgens de gemeente invloed op onze gezondheid; dat heeft dus ook aandacht nodig. Als het gaat om gezondheid en duurzaamheid, dan hanteren gemeente Barneveld vier principes: 1. Bescherming; 2. Bevordering; 3. Bewaking; 4. Duurzaam welzijn. Deelopgaven bestaan uit: • Klimaatverandering o Voldoende groen in de dorpen; o De 3-30-300 regel is voor de gemeente richtinggevend voor de vergroening. Deze regel houdt in dat iedere bewoner vanuit hun woning drie bomen moet kunnen zien, dertig procent van het stedelijk gebied in de schaduw valt en er een mogelijkheid moet zijn voor recreatie in het groen binnen 300 meter van elke woning; o Iedere inwoners heeft rondom de woning genoeg schaduw; o Inzet op het aanleggen en behouden van groene overgangszones rondom de dorpen; o We houden water zoveel mogelijk vast.

• Circulariteit o We willen minder primaire grondstoffen verbruiken; o We zetten in op hoogwaardig hergebruik van materialen; o We zorgen voor een duurzame inkoop. o We zetten in op een beweging naar circulaire bedrijfsvoering in de agrarische sector. • Behouden en versterken biodiversiteit o Versterken van de biodiversiteit in o de dorpen en het buitengebied. o Inrichten van groene overgangszones rondom de dorpen; o Inrichten van recreatiezones rondom de dorpen; o Bij het inrichten van deze zones zoeken we de afstemming met de agrarische sector; o Groene- en recreatiezones rondom de dorpen dienen bij te dragen aan versterking van de biodiversiteit. • Verduurzaming bedrijventerreinen • Meegroeien voorzieningen sport en bewegen o Voorzieningen dragen bij aan het verkleinen van de kansenongelijkheid. Daarom geven we prioriteit aan die buurten waar de gezondheidsverschillen in negatieve zin groot zijn.

•

• •

3.2

o Nabije mogelijkheden voor sport, ontmoeten en cultuur o Definiëren van een basisniveau voor de inrichting van de openbare ruimte. Realiseren van een gezonde omgeving o Bijdragen aan een gezonde leefomgeving is een belangrijke voorwaarde voor de (her)inrichting van de leefomgeving; o Uitvoeren van het schone luchtakkoord; o Inzet op natuur, groen en klimaatadaptiviteit; o De geluidsbelasting op de gevel van woningen zoveel mogelijk beperken tot de voorkeursgrenswaarde; o Het bevorderen van de gezondheid in wijken, vooral in die waarin de gezondheid als niet voldoende wordt gezien, zodat de verschillen op wijk- en kernniveau kleiner worden; o Het periodiek uitvoeren van een gezondheidsmonitor. Verkleinen van de gezondheidsverschillen Gezond voedsel voor een duurzame toekomst o Vergroten van het aanbod aan lokaal (regionaal) geproduceerd voedsel en het stimuleren korte voedselketens. o Faciliteren en/of toestaan van buurtmoestuinen. o Beperken van reclame-uitingen voor roken, alcohol en ongezond voedsel. o Het scheppen van rookvrije buitenruimtes. o Het bieden van een gezonde voedselomgeving nabij scholen

Prettig leven in vitale dorpen Prettig leven gaat volgens gemeente Barneveld over meer dan alleen wonen. Het gaat om op een goede wijze kunnen samenleven in wijken en dorpen. Daar horen randvoorwaarden bij: een fijne en passende woning, voldoende en goede voorzieningen, ruimte om elkaar te ontmoeten in een openbare ruimte die voorbereid is op de toekomst. Wonen, samenleven en vitaliteit van de leefomgeving vormen de rode draad. Hierbij zal worden ingegaan op de volgende deelopgaven: • de groei van Barneveld en de druk op de woningmarkt; o 8.000 nieuwe woningen tot 2040 o Nieuwbouw in elke kern, 70/30 verdeling tussen Barneveld/Voorthuizen en de overige kernen. o Meer dan gemiddelde groei in Terschuur, Zwartebroek, Garderen en vooral in Stroe. o Inbreiding naast uitbreiding. Gericht verdichten zo min mogelijk ten koste van bestaand groen. o Extra aandacht voor de stationsomgevingen, alert zijn op transformatiekansen van binnenstedelijke bedrijven(terreinen); o Meer gestapeld bouwen (5 – 6 lagen grote kernen, 2 – 3 lagen kleine kernen). • demografische ontwikkelingen en de samenstelling van de woningvoorraad; o Nieuwbouw moet voorzien in behoefte en doorstroming bevorderen; o Levensloopbestendigheid in de wijk.

o Voortzetting van de lijn om divers en gemengd bouwen met extra aandacht voor 1en 2-persoonshuishoudens; o Inclusieve wijken in velerlei opzicht met een ongelijke aanpak gericht op kwetsbare wijken; o Nieuwe woonconcepten en faciliteren; o Betaalbare programmering met zekere spreiding over alle kernen.

•

•

3.3

de vitaliteit van alle kernen met passend meegroeiende voorzieningen ; o Sturen op vitale en inclusieve wijken; o Ruimte voor kleinschalige bedrijvigheid in elke wijk, ruimte voor winkels in de grotere wijken in de kern Barneveld; o Actief sturen op passende basisvoorzieningen in elke wijk/kern; o Toegankelijke voorzieningen voor sport en cultuur, bewegen en ontmoeten die passend zijn bij de inwoners van de wijk/kern; o Kwalitatief versterken bestaande aanbod grotere voorzieningen; een toekomstbestendige en vitale nieuwe te ontwikkelen en bestaande openbare ruimte; o Vitale, duurzame en klimaatbestendige inrichting openbare ruimte; o Uitgangspunten “gezonde wijk” zijn vertrekpunt voor inrichten openbare ruimte; o Puntensysteem natuurinclusief bouwen; o Inzetten op meervoudig ruimtegebruik; o Voldoende sport-, beweeg-, cultuur en ontmoetingsmogelijkheden in de openbare ruimte; o Voldoende parkeervoorzieningen blijven belangrijk, vooral in de kleine kernen; o Daar waar alternatieven zijn voor de auto, verlagen we de parkeernormen (bijvoorbeeld nabij hoogbouw of bij ontwikkelingen nabij stationsomgevingen; o Waar mogelijk parkeervoorzieningen bundelen en meer uit het zicht brengen

Ruimte voor ondernemerschap Barneveld straalt ondernemerschap uit, met een arbeidsethos waarin hard werken centraal staat. De gemeente speelt een belangrijke rol in de regionale economie en huisvest bedrijven die internationaal actief zijn. De ondernemingsgeest leidt tot een voortdurende behoefte aan ruimte voor zowel kleine als grote bedrijven om uit te breiden of zich te vestigen. Dit resulteert in werkgelegenheid en daarmee groeit de vraag naar toegewijde werknemers. De focus wordt gelegd op: • Werkgelegenheid o Focus op arbeidsintensieve bedrijvigheid; o Meer hoogwaardige bedrijvigheid en kenniswerkers, vooral in de centrumgebieden; o Evenwicht in het pendelverkeer; o Passende kleinschalige werkmogelijkheden in de wijken; o Uitbreiding Harselaar, primair voor de lokale vraag. • Vestigingsklimaat o Scheppen van arbeidsplaatsen staat voorop; o Geen grote logistieke bedrijven; o Versterken van de “couleur locale”; o Ruimte voor experiment, innovatie en broedplaatsen; • Werklocaties o Uitbreiding de Harselaar; o In en nabij kernen ruimte voor kleinschalige en lichte werklocaties; o Borgen van vereist kwaliteitsniveau bedrijventerreinen; o Beperkte mogelijkheden voor bedrijvigheid via functieverandering; o Aandacht voor de verduurzamingsopgave. • Toerisme en recreatie o Voortzetten beleid “Vitale Vakantieparken”; o Juiste kwaliteit op de juiste plaats; o Geen massatoerisme;

•

3.4

o Balans tussen betreding en natuurbehoud; o Gasten verleiden centra te bezoeken. Centrumgebieden o Basisvoorzieningen in elk kern, passend bij de grootte; o Hoog niveau voorzieningen in grotere kernen, ook voor bezoekers; o Stimuleren combinatie wonen en werken; o Werk- en ontmoetingslocaties nabij openbaar vervoer (stations).

Waardevol landelijk gebied De veelzijdige agrarische sector heeft al vele decennia een wezenlijke bijdrage geleverd aan het huidige karakter van Barneveld. In deze tijd staat de agrarische sector voor grote uitdagingen. De druk op het verdienmodel is voelbaar en het is noodzakelijk om de harmonie met het natuurlijke systeem te verbeteren. Daarnaast ervaart gemeente Barneveld de impact van grootschalige ziektes binnen de veehouderij, met sociale en economische gevolgen. In Nederland staat een ingrijpende herstructurering van het landelijk gebied op de agenda. Dit gaat vermoedelijk grote gevolgen hebben voor de Gelderse Vallei met Barneveld als agrarisch kerngebied. Om de hier genoemde redenen is het van groot belang dat de gemeente Barneveld een heldere visie formuleert op de toekomst van het landelijk gebied. “Waardevol landelijk gebied” geeft op hoofdlijnen aan de visie op het landelijk gebied. De onderstaande onderdelen komen hierbij aan bod: • Positionering waardevol landelijk gebied • Toekomst van de landbouw • Agrarische bedrijvigheid • Landbouw en gezonde leefomgeving • Landbouw en ecologie/natuur • Natuurbehoud • Nieuwe economische dragers

3.5

Bereikbaarheid nu en in de toekomst Om te kunnen werken, leren, zorgen en recreëren is het volgens gemeente Barneveld belangrijk dat we ons ook in de toekomst goed kunnen verplaatsen. Volwassenen zonder rijbewijs en kinderen zullen zich veelal lopend, op de fiets of met het openbaar vervoer (OV) blijven verplaatsen. En voor werknemers en ZZP’ers die met het nodige materiaal en materieel bij klanten langs moeten zal de auto onmisbaar blijven. Voor een deel van ons is het autobezit en autogebruik minder onmisbaar dan we denken en zijn er wel degelijk alternatieven mogelijk. Bijvoorbeeld verplaatsen op een ander tijdstip, op een andere manier of met een deelauto. Er zijn volgens gemeente Barneveld diverse redenen waarom we ons – waar mogelijk – moeten inzetten op een verandering in verplaatsingen, ook wel mobiliteitstransitie genoemd. Het fabriceren, hebben en gebruiken van auto’s gaat gepaard met het gebruik van veel grondstoffen, openbare ruimte, geld en energie en de uitstoot van CO2, fijnstof en stikstofoxiden. De overheid heeft een grote rol in het verduurzamen van onze planeet en daarmee ook in het verduurzamen van mobiliteit. De gemeente wil bij toekomstige plannen uitgaan van het STOMP-principe. STOMP is de afkorting van Stappen (lopen), Trappen (fietsen), Openbaar vervoer,

Mobiliteitsdiensten en Privéauto. Dat betekent dat we prioriteit geven aan duurzame vormen van mobiliteit. De volgende deelopgaven komen aan bod: • Bereikbaarheid via het onderliggend wegennet (OWN) o Ruimtelijke ontwikkelingen plannen we bij voorkeur daar waar het wegennet nog capaciteit heeft; o Pas als optimalisatie van het bestaande wegennet een te grote impact heeft, komt de aanleg van nieuwe infrastructuur aan de orde; o Bij onze afwegingen letten we op de aanrijdtijden voor de hulpdiensten. • Verbetering verkeersveiligheid (inrichting en aanpassing gedrag) • Inzet op mobiliteitstransitie o De auto blijft een onverminderd belangrijke rol spelen in Barneveld, mede gelet op de samenstelling van de werkende bevolking en de ligging van de kernen; o Een fundamentele verschuiving van autogebruik naar het openbaar vervoer is voorlopig niet te verwachten; o We handhaven de huidige parkeernormen, met uitzondering (mogelijk) van de stationsomgevingen • Vergroten capaciteit hoofdwegennet (HWN) o Regionaal en bovenregionaal verkeer afwikkelen op snelwegen en hoofdwegen, die daarvoor over voldoende capaciteit moeten beschikken; o Benutten bestaande capaciteit wegennet binnen acceptabele grenzen; o Streven naar een robuuste infrastructuur van rondwegen en radialen.

• De oostelijke rondweg • Voorzieningen in wijken o Verbetering OV-aanbod o Minder verkeersbewegingen door voldoende basisvoorzieningen in de wijken en kernen; o Basisvoorzieningen combineren met pakketkluizen. • Schoner en duurzamer vervoer

4

Barneveld en Natura 2000-gebieden Binnen de gemeente Barneveld ligt het Natura 2000-gebied Veluwe. Dit gebied ligt deels ook buiten de gemeente. Het Natura 2000-gebied Arkenheem ligt op circa zes kilometer afstand van de gemeente. De Natura 2000-gebieden Veluwerandmeren en Binnenveld liggen op respectievelijk circa acht en negen kilometer afstand van de gemeente Barneveld. Rijntakken ligt op ruim elf kilometer afstand van de gemeente Barneveld en Kolland & Overlangbroek en Eemmeer & Gooimeer Zuidoever liggen op ruim twaalf kilometer (zie tabel 4.1 en figuur 4.1).

Eemmeer & Gooimeer Zuidoever

Veluwerandmeren

Veluwe

Binnenveld Kolland en Overlangbroek

Rijntakken

Figuur 4.1. De ligging van Natura 2000-gebieden (in groen en blauw) in de omgeving van gemeente Barneveld (blauwe omlijning).

Tabel 4.1: Natura 2000-gebieden in de (ruime) omgeving van Barneveld. Natura 2000-gebied Bescherming Stikstofgevoelig Vogelrichtlijngebied (VR) / instandhoudingsdoel meervleermuis (mv) Veluwe VRL + HRL1 Zeer VR + mv stikstofgevoelig

Afstand

Arkenheem

VRL

Niet stikstofgevoelig

VR

Deels binnen gemeente Ca. 6 km

Veluwerandmeren

VRL + HRL

VR + mv

Ca. 8 km

Binnenveld

HRL

Nee

Ca. 9 km

Rijntakken Kolland & Overlangbroek Eemmeer & Gooimeer Zuidoever

VRL + HRL HRL VRL

Niet stikstofgevoelig Zeer stikstofgevoelig Stikstofgevoelig Stikstofgevoelig Niet stikstofgevoelig

VR + mv Nee VR

Ca. 11 km Ca. 12 km Ca. 12 km

Het Natura 2000-gebied Veluwe ligt deels in de gemeente Barneveld en is daarmee zeker relevant voor voorliggende passende beoordeling omdat op dit gebied effecten niet uit te sluiten zijn (zie ook hoofdstuk 6). Dit is gebaseerd op: • de mogelijk afstand van de voorgenomen projecten tot de in de omgeving aanwezige Natura 2000-gebieden; • de voorgenomen projecten en het invloedsgebied hiervan. Gezien de ligging zullen andere Natura 2000-gebieden buiten het invloedsgebied van de ontwikkelingen uit de omgevingsvisie liggen. Alleen stikstofdepositie en windturbines kunnen effect hebben op natuurgebieden op grotere afstand. Ten aanzien van stikstof geldt dat voor de Natura 2000-gebieden op grotere afstand van de gemeente Barneveld alleen van belang is of de gebieden stikstofgevoelig en stikstofoverbelast zijn. Het Natura 2000 gebied Arkenheem, Eemmeer & Gooimeer Zuidoever en de Veluwerandmeren zijn niet stikstofgevoelig en daarom (in het kader van stikstof) niet relevant voor deze passende beoordeling. Ten aanzien van windturbines geldt dat voor de Natura 2000-gebieden op grotere afstand van de gemeente Barneveld van belang is of het gebied een Vogelrichtlijngebied is of aangewezen voor de meervleermuis. Binnenveld en Kolland en Overlangbroek zijn niet aangewezen als Vogelrichtlijngebied en ook niet voor meervleermuis.

Deze Natura 2000-gebieden zijn ten aanzien van windturbines dan ook niet relevant voor deze passende beoordeling. Om te kunnen bepalen welke invloed het beleid uit de omgevingsvisie heeft voor de natuurlijke kenmerken en instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000-gebieden wordt gestart met een beschrijving van het meest relevante nabijgelegen Natura 2000-gebied Veluwe: de kenmerken, de instandhoudingsdoelen, de knelpunten en autonome ontwikkeling. Het detailniveau van deze beschrijvingen sluit aan bij het detailniveau van de omgevingsvisie. Gezien het abstracte karakter van de omgevingsvisie is met name de beschrijving van de knelpunten en de autonome ontwikkeling op hoofdlijnen relevant.

1

VRL: Vogelrichtlijngebied, HRL: Habitatrichtlijngebied

Meer Natura 2000-gebieden specifiek meenemen in deze passende beoordeling wordt niet noodzakelijk en zinvol geacht voor de effectbeoordeling. Namelijk, het effect van ontwikkelingen doet zich in de eerste plaats voor op het nabijgelegen Natura 2000-gebied, die door de gevoeligheid het meest kritisch en maatgevend is. Effectafstanden van de meeste storingsfactoren, met uitzondering van stikstofstofdepositie en aanvaringsslachtoffers, zijn enkele honderden meters tot max 1,5 km (Arcadis, 2014). Hierdoor overlapt het gebied waar een effect van bijvoorbeeld geluidverstoring optreedt niet met enig Natura 2000-gebied, anders dan Veluwe. Daarmee liggen de meeste Natura 2000-gebieden buiten het invloedsgebied van de mogelijke effecten van de ontwikkelingen die de omgevingsvisie mogelijk maakt. De effecten van stikstofdepositie en windturbines vormen hierop een uitzondering. Effecten van stikstofdepositie kunnen op grote afstand optreden. Voor stikstof geldt een vaste effectafstand van maximaal 25 kilometer. Het effect neemt af naar mate de afstand tot de ontwikkeling toeneemt. Dit betekent dat de effecten op Natura 2000-gebied Veluwe groter zijn dan Natura 2000-gebieden die verder van de gemeente af liggen.

Ook het effect van eventuele maatregelen binnen de gemeente om de effecten van stikstofdepositie te beperken (zoals bronmaatregelen of saldering) hebben de meeste impact op dichtbijgelegen Natura 2000gebieden. Daarmee zijn de effecten op stikstofgevoelige Natura 2000-gebied Veluwe maatgevend voor de effecten van stikstofdepositie op overige Natura 2000-gebieden. Als de stikstofproblematiek op deze gebieden opgelost wordt, is de verwachting dat ook (eventuele) problemen op verder weg gelegen gebieden opgelost zijn.

4.1

Natura 2000-gebied Veluwe

4.1.1

Kenmerken De Veluwe bestaat uit een aantal stuwwallen die in de voorlaatste ijstijd (circa 150.000 jaar geleden) door het landijs zijn gevormd. Naderhand is de Veluwe verder gevormd door de zich ontwikkelende Rijndelta en de afdekking met dekzanden en weer later met stuifzanden. Door de hoge ligging en de zandige bodem is de Veluwe een infiltratiegebied voor regenwater. Het regenwater infiltreert in de bodem en stroomt af naar de flanken van het gebied. Daar stroomt het water via beken, via moerassige laagten of door de ondergrond af naar de omgeving. Op lage plekken met ondoorlatende bodems (leem, ijzer,humus) zijn vennen ontstaan. De mens heeft al lang grote invloed op de Veluwe. In de IJzertijd werd al landbouw uitgeoefend op zogenaamde ‘Celtic Fields’, veldjes van plm. 20 bij 40 meter met wallen eromheen. Tijdens de vroege middeleeuwen was de Veluwe een belangrijke plek voor ijzerproductie. Hiervoor was veel houtskool nodig. Dit leidde tot zware overexploitatie van het aanwezige bos. De restanten van het oorspronkelijke bos zijn in die tijd verdwenen en overgegaan in hakhout. Door de voortgaande overexploitatie van de Veluwe door hakken, beweiden, plaggen en branden verdwenen uiteindelijk ook nagenoeg alle hakhoutstrubben en gingen over in schraal grasland en heide. De overtreffende trap was stuifzand dat in de 19e eeuw grote delen van de Veluwe bedekte.

In die tijd was de Veluwe nagenoeg geheel boomloos en over grote delen nagenoeg vegetatieloos. De stuifzanden vormden een zeer serieuze bedreiging voor de aanwezige nederzettingen en agrarische gronden. Dat was dan ook de reden dat in die tijd werd gestart met het beteugelen van de stuifzanden door middel van bebossing. Op enkele relicten van oude strubben na, dateren de oudste bossen op de Veluwe dan ook van rond 1850. Aan het eind van de 19e eeuw is op grote delen van de Veluwe eikenhakhout geplant ten behoeve van de leerlooiindustrie. De meeste eikenbossen op de Veluwe komen voort uit dit eikenhakhout. Vanaf 1900 werd de aanpak van stuifzand en heide op veel grotere schaal aangepakt door bebossing met Grove den. Veruit het meeste bos op de Veluwe is dan ook niet ouder dan 100 jaar. Dat is voor een bosecosysteem erg jong. De bossen op de Veluwe zijn dan ook nog volop in

ontwikkeling. De ontwikkeling van het bos ging uiteraard ten koste van de habitats van het oude, open landschap. De habitats van het droge zandlandschap met hun zeer karakteristieke vegetaties, worden inmiddels op Europese schaal hoog gewaardeerd. Tegenwoordig is er in totaal nog 2400 hectare stuifzand op de Veluwe. Kootwijkerzand is op dit moment nog één van de grootste actieve stuifzandgebieden van Europa. Langs de randen van de stuwwallen, waar op veel plaatsen het kwelwater aan de oppervlakte treedt, hebben zich in de historie veengebieden ontwikkeld. Vanaf de middeleeuwen zijn deze gebieden gaandeweg ontwaterd en ontgonnen ten behoeve van de landbouw. Die ontwatering vond plaats via vergraving van bestaande laagten en beken. Al snel werd het water van deze vergraven beken benut voor het aandrijven van watermolens. De behoefte aan voldoende water leidde ertoe dat de beken werden verlengd tot in het Veluwemassief. Op deze wijze zijn, langs de randen van de Veluwe, de sprengenbeken ontstaan met hun karakteristieke flora en fauna. In Europees opzicht vormen de zandverstuivingen (H2330) een van de belangrijkste natuurwaarden op de Veluwe. In de Noordwest-Europese laagvlakte komen landduinen voor in een westoost verlopende zone, die in Nederland en Duitsland circa 150 km breed is, en in Polen uitwaaiert tot zo'n 425 km.

Hierbinnen neemt van west naar oost de mate van verstuiving af. Alleen in Nederland resteren nog een flink aantal 'atlantische woestijnen', waarvan verreweg het grootste deel op de Veluwe. Van deze beslaat het Kootwijkerzand met een oppervlakte van 350 ha de grootste oppervlakte. Andere belangrijke stuifzanden zijn het Harskampse Zand, het Stroese Zand, het Hulsthorsterzand, het Beekhuizerzand en het Wekeromse Zand. In de zomer kan de temperatuur op het zand hoog oplopen. Voedsel en water zijn uiterst schaars. Deze extreme condities vormen het leefgebied van een groot aantal korstmossen, in het bijzonder van het geslacht Cladonia. Tot de zeldzame stuifzandsoorten behoren Plomp bekermos (Cladonia borealis), Wrattig bekermos (Cladonia monomorpha), IJslands mos (Cetraria islandica) en Stuifzandkorrelloof (Stereocaulon condensatum). Onder de diersoorten is de Duinpieper een kenmerkende stuifzandsoort, maar de soort is in ons land zo goed als uitgestorven. Van de kleine fauna vinden we in de zandverstuivingen onder meer de Blauwvleugelsprinkhaan (Oedipoda caerulescens), de Heivlinder (Hipparchia semele) en de uiterst zeldzaam geworden Kleine heivlinder (Hipparchia statilinus). De Boomleeuwerik is kenmerkend voor overgangen van stuifzand en heide naar bos. Ook wat betreft de droge heide is de Veluwe verreweg het belangrijkste gebied in ons land.

Al met al vinden we hier ruim 14.000 ha van dit begroeiingstype. Het gaat om het habitattype Stuifzandheiden met struikhei (H2310) op stuifzandbodems en om Droge heiden (H4030) op andere gronden, zoals stuwwalmateriaal.

4.1.2

Instandhoudingsdoelstellingen Het Natura 2000-gebied Veluwe is door de Staatssecretaris van Economische Zaken definitief vastgesteld als Vogel- en Habitatrichtlijngebied in het aanwijzingsbesluit van 11 juni 2014 en het wijzigingsbesluit van 29 september 2016. Met de aanwijzing is een oppervlakte van circa 88.370 ha gemoeid. De aanwijzing betreft nagenoeg uitsluitend bos en natuur. Grond in agrarisch gebruik en gebouwen en erven zijn voor het merendeel buiten de begrenzing gehouden. Naast de begrenzing van het grote complex aan bos- en natuurgebied omvat de begrenzing tevens een zestal beken aan de oostzijde van de Veluwe. In november 2022 is het wijzigingsbesluit aanwezige waarden definitief vastgesteld. Het aanwijzingsbesluit van de Veluwe is aangevuld met een behouddoelstelling voor omvang en kwaliteit voor één habitattype, namelijk H91D0 (*Hoogveenbossen). Dit ontwerpinstandhoudingsdoel is inmiddels definitief en opgenomen in tabel 4.2.

Tabel 4.2: Instandhoudingsdoelen Natura 2000-gebied Veluwe. Doelst. Opp.vl.

Doelst. Kwal.

Doelstelling populatie

Habitattypen H2310 Stuifzandheiden met struikhei

>

>

H2320

Binnenlandse kraaiheibegroeiingen

=

=

H2330

Zandverstuivingen

>

>

H3130

Zwakgebufferde vennen

=

=

H3160

Zure vennen

=

>

H3260A

Beken en rivieren met waterplanten (waterranonkels)

>

>

H4010A

Vochtige heiden (hogere zandgronden)

>

>

H4030

Droge heiden

>

>

H5130

Jeneverbesstruwelen

=

>

H6230

*Heischrale graslanden

>

>

H6410

Blauwgraslanden

>

>

H7110B

*Actieve hoogvenen (heideveentjes)

>

>

H7140A

Overgangs- en trilvenen (trilvenen)

=

=

H7150

Pioniervegetaties met snavelbiezen

>

>

H7230

Kalkmoerassen

=

=

H9120

Beuken-eikenbossen met hulst

>

>

H9190

Oude eikenbossen

>

>

H91D0

*Hoogveenbossen

=

=

H91E0C

*Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen)

=

>

Habitatsoorten H1042 Gevlekte witsnuitlibel

>

>

>

H1083

Vliegend hert

>

>

>

H1096

Beekprik

>

>

>

H1163

Rivierdonderpad

>

=

>

H1166

Kamsalamander

=

=

=

H1318

Meervleermuis

=

=

=

H1831

Drijvende waterweegbree

=

=

=

Broedvogels A072 Wespendief

=

=

aantal broedparen 100

A224

Nachtzwaluw

=

=

610

A229

IJsvogel

=

=

30

A233

Draaihals

>

>

(her)vestiging

A236

Zwarte specht

=

=

400

A246

Boomleeuwerik

=

=

2400

A255

Duinpieper

>

>

(her)vestiging

A276

Roodborsttapuit

=

=

1100

A277

Tapuit

>

>

100

A338

Grauwe klauwier

>

>

40

Legenda = > *

Behoud Uitbreiding omvang of verbetering kwaliteit Prioritair habitattype

4.1.3

Knelpunten In de Natuurdoelanalyse Veluwe (Provincie Gelderland, 2023) worden knelpunten genoemd. De grootste knelpunten voor bossen op de Veluwe zijn: • De voortgaande zeer hoge stikstofdepositie met als gevolg, vermesting, verruiging, bodemverzuring, een nutriëntenonbalans in voedsel voor kleine fauna en in de verdere voedselketen en verhoogde kwetsbaarheid voor klimaatverandering. • Het verlies aan landschapsecologische samenhang als gevolg van versnippering. • Vervuiling door gebiedsvreemde stoffen komt in veel gevallen bovenop drukfactoren als bodemverzuring en klimaatverandering. Belangrijke bronnen zijn insecticiden en additieven in bluswater dat wordt ingezet bij natuurbranden. • Ongewenste beheeractiviteiten. In sommige gevallen kunnen deze beheeractiviteiten knelpunten opleveren voor het behalen van de Natura 2000-doelen. Bosbeheer dat onvoldoende rekening houdt met kritische soorten kan voor deze soorten nadelige gevolgen hebben. • De sterk toegenomen standen van edelherten en wilde zwijnen hebben grote effecten op de bosontwikkeling door de continu hoge graasdruk en de hoge dynamiek van wroeten. • De effecten van klimaatverandering en toenemende droogte kunnen vooral ingrijpend zijn voor de bossen op de armste en droogste zandgronden, zeker in combinatie met de effecten van andere drukfactoren.

Dit kan leiden tot grote veranderingen in de bosstructuur en een sterke degradatie van het bosecosysteem. Ook kan hierdoor de vatbaarheid voor ziekten en plagen toenemen. Ook neemt het risico van grotere natuurbranden toe. • Verstoring door geluid, licht of eenvoudigweg aanwezigheid van mensen kunnen een groot effect hebben op de beschermde natuurwaarden van de Veluwe. Veel van deze effecten kunnen worden gerelateerd aan recreatie of defensieactiviteiten. • Een groot deel van de bossen op de Veluwe is in het verleden aangeplant met uitheemse soorten ten behoeve van houtproductie, bodemverbetering of landschappelijke verfraaiing. Een groot deel van deze soorten is inmiddels dusdanig verspreid dat volledige verwijdering uit het landschap niet reëel meer is. Sommige van deze soorten hebben daarbij ook positieve effecten, bijvoorbeeld als broed- en voedselbiotoop voor vogels. Daarnaast komen ook verscheidene invasieve exoten voor in de bossen. De grootste knelpunten voor heiden en stuifzanden op de Veluwe zijn: • Voortgaande zeer hoge stikstofdepositie, met als gevolgen vermesting, vergrassing, bodemverzuring, uitspoeling en fixatie van (sporen)elementen en daarmee samenhangende nutriëntenonbalans in het voedsel voor kleine fauna en de voedselketen.

De gevolgen kunnen worden samengevat als het verdwijnen van kale en schaars begroeide plekken en nestgelegenheid, versneld dichtgroeien van de stuifzanden met algenmatten en grijs kronkelsteeltje met versnelde vastlegging van stuifzand en vegetatiesuccessie tot gevolg. • Verlies aan samenhang door ontginning en versnippering, waardoor leefgebieden te klein zijn geworden en soorten lokaal uitsterven, maar gebieden ook niet meer kunnen herkoloniseren vanuit de plekken waar ze nog wel zitten. • Klimaatverandering. De klimaatverandering en de effecten ervan, zoals verdroging, vernatting, verandering preferente windrichting, hebben effecten op de standplaatscondities. • Verdroging is met name het gevolg van het veranderende landgebruik (van heide en stuifzanden naar bos en landbouwgronden). Voor de resterende vochtige delen op de Veluwe kent het inzijggebied nu geheel of gedeeltelijk een ongunstig gebruik (landbouw of bos), waardoor de watertoevoer in bijvoorbeeld droge periodes ontoereikend is (of een mindere kwaliteit kent).

•

• •

•

Gebiedsvreemde stoffen, waaronder pesticiden en biociden, PFAS en microplastics. Vervuiling door deze stoffen is een drukfactor voor soorten die al onder druk staan door andere oorzaken. (Noodgedwongen) intensief beheer en hoge dynamiek van wroeten door wilde zwijnen. Verstoring door geluid, licht of eenvoudigweg aanwezigheid van mensen kunnen een groot effect hebben op de beschermde natuurwaarden van de Veluwe. Veel van deze effecten kunnen worden gerelateerd aan recreatie of defensieactiviteiten. Plaatselijk kunnen (invasieve) exoten inheemse soorten verdringen, ook in de kwalificerende habitattypen. Exoten of buitenlandse variaties van inheemse plantensoorten die ingezaaid worden voor wilde bijen en andere insecten, kunnen ook een negatieve invloed hebben op die insecten. Niet alleen planten, ook dieren kunnen inheemse soorten verdringen en effect hebben op het ecosysteem.

De grootste knelpunten voor vennen en venen op de Veluwe zijn: • Verdroging en droogte. Bij zure vennen en heideveentjes die te lijden hebben van verdroging is er meestal sprake van een lokale oorzaak. Deze lokale systemen gaan verdrogen zodra er minder neerslag richting ven of heideveentje kan stromen. Dat kan een gevolg zijn van toegenomen verdamping door boom- en struikopslag rondom het ven. Waterverlies kan ook optreden door beschadiging van de ondoorlatende laag als gevolg van omwoelen van de ondergrond of omvallende bomen die wortelen in de ondoorlatende laag. Zwakgebufferde vennen kunnen ook verdrogen door ontwatering in het inzijggebied. • Verzuring en vermesting. De hoge stikstoflast heeft verschillende negatieve effecten op vennen: vermesting waardoor snel groeiende en algemene soorten de kritische vensoorten verdringen en verlies van buffercapaciteit, waardoor versneld verzuring optreedt. • Versnippering. Veel soorten hebben zich toegelegd op een specifieke mate van begroeiing en of waterdiepte. Ze zijn kwetsbaar voor effecten van dynamische invloeden als te hoge graasdruk en variabele waterstanden. Dit betekent dat ze regelmatig moeten migreren, naar andere vennen of naar andere plekken binnen het ven. Daarnaast is het belangrijk dat soorten die geschikte plekken weten te bereiken.

• Vervuiling door gebiedsvreemde stoffen is een drukfactor voor soorten waarmee het al slecht gaat. Hierbij gaat het om onder andere gewasbeschermingsmiddelen, PFAS, additieven in bluswater en microplastics. • Er zijn twee soorten exoten bekend in de vennen en venen van de Veluwe: watercrassula en Italiaanse kamsalamander. Binnen het bekenlandschap zijn alleen beekbegeleidende bossen (H91E0C*) stikstofgevoelig. Vermesting en verdroging zijn de belangrijkste bedreigingen voor dit habitattype.

4.1.4

Autonome ontwikkeling Natura 2000 Algemene ontwikkelingen voor Natura 2000 De komende decennia zal onder andere vanwege bevolkingsgroei en klimaatverandering de druk op Natura 2000-gebieden toenemen. Bevolkingsgroei leidt doorgaans tot meer uitstoot en verstoring, klimaatverandering zorgt met name voor temperatuurstijgingen en grotere weersextremen. Dit resulteert in verschuiving van geschikte verspreidingsgebieden en grotere fluctuaties van populaties. Het belang van een goede ruimtelijke samenhang neemt toe waardoor leefgebieden vergroot kunnen worden en soorten mee kunnen schuiven en fluctuaties beter opgevangen kunnen worden.

Het Nederlandse beleid is erop gericht om de gunstige/veilige staat van de habitattypen en soorten vallend onder de Vogel- en Habitatrichtlijn binnen Nederland te realiseren. Voor de Natura 2000-gebieden zijn beheerplannen opgesteld waarin is aangegeven welke maatregelen getroffen moeten worden om op termijn de Natura 2000-doelen te halen. Uit monitoring moet blijken of dit ook daadwerkelijk het geval is en of aanvullende maatregelen nodig zijn. De Natura 2000-gebieden zijn voor het grootste deel onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), waarmee ook de realisatie van het NNN een essentieel instrument is om de vereiste gunstige staat te bereiken voor de in de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermde plantensoorten, diersoorten en habitattypen. In het kader van de realisatie van NNN is aandacht voor een robuuste omvang van de gebieden, voor een goede kwaliteit en voor de samenhang tussen de gebieden. Daarnaast dragen ook natuurmaatregelen buiten het NNN bij aan het realiseren van een gunstige staat van instandhouding. Want uiteindelijk wordt de staat van instandhouding bepaald voor Nederland als geheel, ongeacht voorkomen binnen of buiten Natura 2000 gebieden of NNN.

Beheerstrategie op landschapsschaal De generieke kernopgave voor de Veluwe is gericht op: Vergroting van de interne samenhang door herstel van evenwichtige verdeling van open en gesloten terreinen met meer geleidelijke overgangen van zandverstuivingen, heide, vennen, graslanden en bos. Versterking van het ruimtelijke netwerk van bos, heide- of stuifzandgebieden, waarbij tussenliggende gebieden gebruikt kunnen worden als stapstenen, met name voor soorten als reptielen en vlinders. Versterking van overgangen van droge naar natte gebieden, zoals beekdalen en herstel van vennen. Binnen deze generieke opgave dienen ook de specifieke instandhoudingsopgaven voor de habitattypen, habitatsoorten en vogelrichtlijnsoorten te worden gerealiseerd. Het uiteindelijke doel is dat de gunstige staat van instandhouding van de verschillende habitattypen en soorten wordt gegarandeerd binnen de generieke kernopgave voor de Veluwe. Specifieke autonome ontwikkelingen Natura 2000-gebied Veluwe; natuurherstel In de afgelopen jaren zijn natuurherstelmaatregelen uitgevoerd om de knelpunten aan te pakken. Voor duurzaam behoud zijn ook in de komende jaren nog maatregelen nodig. Om de doelen te kunnen realiseren zijn ook verbeteren beheermaatregelen noodzakelijk. Er wordt onderscheid gemaakt in “PAS-maatregelen” en “niet-PAS-maatregelen”.

In de Pasgebiedsanalyse zijn de PASmaatregelen ook op kaart weergegeven. De PAS-maatregelen komen voort uit de PASgebiedsanalyse. Alle PAS-maatregelen dienen in deze eerste planperiode te worden uitgevoerd. Deze maatregelen zijn aanvullend en specifiek gericht op het tegengaan van achteruitgang door stikstofdepositie. De beheer- en herstelmaatregelen zijn breder gericht op de duurzame instandhouding van natuurkwaliteit en biodiversiteit zoals aangegeven in het Aanwijzingsbesluit. Niet alle doelen hoeven in één beheerplanperiode te worden behaald. Het accent voor de eerste beheerplanperiode ligt op het voorkomen van achteruitgang en verlies van biodiversiteit. In de tweede en derde beheerplanperiode zal het accent liggen op kwaliteitsverbetering en uitbreiding van habitats en leefgebieden. Hierbij gaat het met name om terreinen met een natuurbestemming die nog van onvoldoende kwaliteit zijn. Zo is er bijna 5500 ha aan lage niet kwalificerende vegetaties die geschikt lijken voor de ontwikkeling van zandverstuivingen, heiden, heischrale graslanden of bos. Hiervoor is gericht ontwikkelingsbeheer nodig. De ambitie is om in de komende beheerplanperioden 55 ha per jaar om te zetten naar kwalificerende habitattypen met een uitbreidingsdoelstelling. Naast korte vegetaties is er nog 6600 ha bos op oude

bosbodems, dat geschikt is voor omvorming naar Oud Eikenbos of Beuken-eikenbos met Hulst. Dit is een zeer langlopend proces waar in deze beheerplanperiode al een start mee wordt gemaakt. Ca 1300 ha van het huidige bos zou in principe geschikt zijn om te kappen en om te vormen naar lage habitattypen. In de eerste beheerplanperiode wordt dit voor een deel ingezet voor ontwikkeling van de ecologische corridors. In de tweede en derde planperiode wordt hier vooralsnog geen vervolg op gemaakt (NDA Veluwe). De maatregelen voor de eerste beheerplanperiode zijn in drie categorieën te onderscheiden: De PAS-maatregelen Natuurbeheer maatregelen Overige maatregelen (verbetering). De herstelmaatregelen in het kader van het PAS hebben tot doel de negatieve effecten van stikstofdepositie op de natuur te verminderen dan wel op te heffen. Hieronder worden de PASmaatregelen voor de Veluwe genoemd (NDA Veluwe). • Plaggen venoevers bij zure en zwakgebufferde vennen. • Lokale drukbegrazing met schapen op vochtige heide. • Maaien en afvoeren (venoevers) . • Opslag verwijderen en afvoeren op stuifzanden, vochtige heides, droge heides, Jeneverbesstruwelen, Heischrale graslanden, actieve hoogvenen, Overgangs en trilvenen, Kalkmoeras. • Verwijderen organische sedimenten bij zure vennen en zwakgebufferde vennen. • Bodem geschikt maken voor kieming jeneverbes. • Verwijderen exoten in zure vennen.

• Vrijstellen venoever. • Terugdringen beuk in oude eikenbossen. • Exoten verwijderen. • Bos kappen tbv corridors. • Populieren kappen tvb beekbegeleidend bos. • Bos kappen tbv windwerking. • Geleidelijke omvorming dennenbos naar loofbos op oude bosgronden. • Bekalken of belemen vennen, heide, heischrale graslanden. • Herstel Hydrologie. • Terugdringing uitspoeling meststoffen uit inzijggebieden. • Uitplanten stekken en/of zaaien Jeneverbes. Gezien de noodzaak van het behoud en herstel van stikstofgevoelige natuur, is al begonnen met uitvoering van de PAS-herstelmaatregelen voor het gereedkomen van de herstelprogramma’s. Sinds 2015 hebben terreineigenaren een groot deel van deze PAS-herstelmaatregelen voor de eerste PAS-periode (2015 t/m 2021) uitgevoerd, enkele zijn nog in uitvoering. Ook na deze uitvoering blijven de meeste, met name cyclische maatregelen noodzakelijk zolang de stikstofdepositie te hoog blijft (NDA Veluwe). Op de bossen na zijn alle habitattypen en de daarbij horende soorten geheel afhankelijk van beheer. Zonder adequaat natuurbeheer zouden de meeste habitattypen in enkele decennia zijn verdwenen. Voortzetting van een goed natuurbeheer is dan ook cruciaal voor het realiseren van de meeste instandhoudingsdoelen. Met de klassieke beheermaatregelen wordt in aangepaste vorm het historische agrarische gebruik voortgezet.

Het gaat dan om plaggen, begrazen, maaien, kappen en branden (NDA Veluwe).

Met het reguliere beheer en de PAS-maatregelen is het grootste deel van de maatregelen besproken. Er zijn echter ook maatregelen voorzien die niets met stikstof te maken hebben en niet als regulier beheer kunnen worden beschouwd. Het gaat daarbij met name om kwaliteitsverbetering en uitbreiding. Zaken waarvan het zwaartepunt in de tweede en derde beheerplanperiode ligt. Een aantal maatregelen in deze sfeer zijn voor de eerste beheerplanperiode opgenomen. De volgende maatregelen worden in het beheerplan genoemd (NDA Veluwe): • Passeerbaar maken verharde wegen en fietspaden (onderzoek en uitvoering). • Uitrasteren natuurlijke verjonging cq individuele bescherming plantmateriaal. • Aanleg van van schrale heideakkertjes. • Opstelling herstelprogramma’s beken en aan beken gebonden habitatsoorten. • Bescherming voortplantingsbiotoop vliegend hert. • Opstelling herstelprogramma’s boshabitats en boshabitatsoorten. • Opstelling herstelprogramma’s heide en stuifzanden. • Uitbreiding boshabitattypen. • Opstellen Vennenherstelprogramma. • Ontwikkeling nog niet kwalificerende vennen. • Extensivering recreatief gebruik. • Creëren verbindingszones. Recreatiezonering Veluwe De natuur op de Veluwe gaat achteruit. Een van de oorzaken is verstoring door recreanten, verkeer en evenementen. Vooral in kwetsbare delen van de Veluwe hebben planten en dieren hieronder te lijden.

Om te zorgen voor een betere balans tussen natuur en recreatie is er een Recreatiezoneringsplan Veluwe opgesteld (www.Gelderland.nl). Het plan is tot stand gekomen met inbreng van natuurterreineigenaren en -beheerders, bewoners, ondernemers en recreatieve gebruikers, en onderbouwd met ecologisch onderzoek. Dit plan is een uitwerking van het Beheerplan Natura 2000 Veluwe. Een belangrijk onderdeel hierbij is de recreatiezoneringskaart (zie figuur 4.2). De zoneringskaart geeft met een indeling in 4 zones in grote lijnen weer op welke plek meer nadruk ligt op recreatie en op welke plek meer op natuur. Op flinke delen van de Veluwe komt de huidige inrichting en het gebruik van de terreinen overeen met de zonering en zal de bezoeker geen of weinig verandering gaan ervaren. Op andere plekken gaan we komende jaren dingen veranderen om tot een beter evenwicht tussen natuur en recreatie te komen. Recreatiezonering gaat alleen over dagrecreatie; de zonering gaat niet over bijvoorbeeld hotels, campings, recreatieparken en woningen.

Figuur 4.2: Recreatiezoneringskaart (www.Gelderland.nl).

5

Ingreep-effectanalyse en impact van verstoringsfactoren

5.1

Ingreep-effectanalyse Voordat de beoordeling van de impact van de verstoringsfactoren bepaald wordt, volgt eerst een ingreep-effectanalyse.

5.1.1

Bepalen van de potentiële effecten die kunnen optreden Als gevolg van de ontwikkelingen uit de omgevingsvisie kunnen zowel in de aanlegfase als in de gebruiksfase effecten optreden op beschermde gebieden. De effectenindicator en daarbij horende achtergronddocumentatie (onder meer Broekmeyer et al (2005)) zijn geraadpleegd om na te gaan welke mogelijke effecten als gevolg van de ontwikkelingen kunnen optreden. De effectenindicator is een instrument waarmee mogelijke schadelijke effecten ten gevolge van de activiteit en plannen worden verkend. Het dient als leidraad; geanalyseerd is of alle aangegeven effecten daadwerkelijk optreden en of aanvullende effecten relevant zijn. In tabel 5.1 zijn alle storingsfactoren uit de effectenindicator weergegeven. Voor een omschrijving van de storingsfactoren wordt verwezen naar Bijlage 1. Tabel 5.1: Overzicht storingsfactoren die bij activiteiten kunnen ontstaan.

Storingsfactoren Oppervlakteverlies en versnippering (1 en 2) Verandering dynamiek substraat (12) Stikstofdepositie (verzuring en vermesting) (3 en 4) Verstoring door geluid (13) Verzoeting (5) Verstoring door licht (14) Verzilting (6) Verstoring door trilling (15) Verontreiniging (7) Verstoring door optische effecten (16) Verdroging (8) Verstoring door mechanische effecten (17) Vernatting (9) Verandering in populatiedynamiek (18) Verandering stroomsnelheid (10) Bewuste verandering soortensamenstelling (19) Verandering overstromingsfrequentie (11)

Op basis van de effectenindicator van het ministerie van LNV en expert judgement in combinatie met de gevoeligheid/knelpunten van het Natura 2000-gebied de Veluwe en het invloedsgebied van de storingsfactoren zijn de volgende storingsfactoren relevant bevonden: • Verzuring en vermesting door stikstofdepositie uit de lucht Verzuring van bodem of water is een gevolg van de uitstoot (emissie) van vervuilende gassen door bijvoorbeeld (veehouderij)bedrijven en (vracht)voertuigen, maar ook door de stookinstallaties van gebouwen ten behoeve van verwarming.

Figuur 5.1. Emissie stikstof per sector (Website RIVM)

De uitstoot van vervuilende gassen vindt in alle (woningbouw)projecten plaats. De uitstoot bevat onder andere zwaveldioxide (SO2), stikstofoxiden (NOx), ammoniak (NH3) en vluchtige organische stoffen (VOS). Deze verzurende stoffen komen via lucht of water in de grond terecht en leiden aldus tot het zuurder worden van het biotische milieu. Vermesting is in dit geval de 'verrijking' van ecosystemen door stikstofdepositie. Het gaat daarbij om aanvoer door de lucht (droge en natte neerslag van ammoniak en stikstofoxiden). Vermesting kan ook optreden door nitraat- en fosfaataanvoer via het oppervlaktewater. De effecten van verzurende stoffen zijn niet altijd te

scheiden van die van vermestende stoffen, omdat een deel van de verzurende stoffen ook vermestend werkt (aanvoer van stikstof). Om deze reden zijn beide effecten hier samengenomen. De groei in veel natuurlijke landecosystemen zoals bossen, vennen en heidevelden worden gelimiteerd door de beschikbaarheid van stikstof. Het gevolg van stikstofdepositie is dat deze extra stikstof extra groei geeft. Daarbij is de beschikbaarheid van stikstof bepalend voor de concurrentieverhoudingen tussen de plantensoorten. Wanneer door stikstofdepositie de hoeveelheid beschikbaar stikstof boven een bepaald kritisch niveau komt, neemt een beperkt aantal plantensoorten sterk toe ten koste van meerdere andere. Diersoorten hoger in de voedselketen krijgen te maken met een mineralen-onbalans als gevolg van de samenstelling van plantaardig voedsel. Hierdoor neemt de biodiversiteit af. Dit heeft ook effect op de fauna, doordat hierdoor veranderingen van het leefgebied optreden, waardoor een gebied ongeschikt wordt als broed- of foerageergebied. Stikstofdepositie kan bij alle ontwikkelingen spelen. Stikstofdepositie is relevant voor alle aspecten uit de omgevingsvisie, maar met name voor verkeersaantrekkende werking bij woningbouw en nieuwe wegen. In beperkte mate ook bij aanlegfase van bijvoorbeeld nieuwe groenstructuren.

Omdat de Veluwe (en andere verder gelegen Natura 2000-gebieden) wat betreft stikstofdepositie overbelast is, het invloedsgebied van stikstofdepositie groot kan zijn en er diverse stikstofgevoelige gebieden aanwezig zijn, zijn significante gevolgen door stikstofdepositie niet bij voorbaat uit te sluiten. • Verstoring door geluid, licht, trilling, optische verstoring en mechanische verstoring Door de ontwikkeling van woningen, sport-, beweeg-, cultuur en ontmoetingsmogelijkheden in de openbare ruimte, parkeervoorzieningen en groene recreatiemogelijkheden kan er sprake zijn van verstoring door onnatuurlijke geluidsbronnen zoals geluid, licht en trilling door wegverkeer, door bedrijvigheid of door mensen. Dit is zeker het geval wanneer dit in de buurt van Natura 2000-gebieden plaatsvindt. In het geval van de voorgenomen ontwikkelingen zou het ook gaan om netwerkeffecten; een toename van recreanten of vervoersbewegingen in/nabij Natura 2000-gebieden. Gezien de ligging van de woningbouwlocaties en de toegankelijkheid van de omliggende Natura 2000gebieden is dit enkel aan de orde in het Natura 2000-gebieden Veluwe. Dit gebied is populair bij recreanten. Zo wordt er veel gewandeld en gefietst in de Veluwe. De meeste van deze activiteiten hadden geen grote negatieve invloed op de instandhoudingsdoelstellingen.

Als gevolg van de Covid-19 pandemie is de recreatiedruk op veel natuurgebieden echter toegenomen. Hierdoor komen de natuurgebieden, waaronder Natura 2000-gebied Veluwe, onder druk te staan. Er is sprake van verstoring door geluid en optische verstoring. Vanuit het voorzorgsprincipe wordt in het kader van deze toetsing ervan uitgegaan dat – tenminste een deel van de toegenomen aandacht voor de natuurgebieden – een blijvende ontwikkeling is. Onder mechanische effecten vallen verstoring door betreding (door recreanten) of golfslag en dergelijke, die optreden ten gevolge van menselijke activiteit. Om dit soort effecten te krijgen, moeten activiteiten in de Natura 2000-gebieden plaatsvinden. De woningbouwontwikkeling en (her)inrichting van de infrastructuur (voet- en fietspaden) kan leiden tot een toename van bezoekers aan het Natura 2000-gebied (Veluwe) binnen de gemeente. Dit speelt met name bij de toename van woningen waarbij de mogelijkheid bestaat dat de nieuwe bewoners in de Natura 2000-gebieden gaan recreëren.

• Verandering in populatiedynamiek Een verandering in populatiedynamiek treedt op indien er een direct effect is van een activiteit op de populatie-opbouw en/of populatiegrootte. Er wordt hier vooral gedoeld op de situatie wanneer er sprake is van sterfte van individuen door wegverkeer, windmolens, of door jacht of visserij. Bewuste, menselijke ingrepen op populatieniveau kunnen leiden tot directe problemen en problemen in de toekomst. Een verandering in populatieomvang is een direct effect. Een verandering in populatie-opbouw (verandering van de verhouding sterfte-reproductie) leidt in de toekomst tot effecten. De realisatie van windturbines kan gevolgen hebben voor de populatiedynamiek van meervleermuizen en vogels zoals de wespendief waarvoor het Natura 2000-gebied de Veluwe is aangewezen. Het leefgebied beperkt zich niet tot de grenzen van een Natura 2000-gebied. Ten aanzien van windturbines geldt dat van belang is of het gebied een Vogelrichtlijngebied is of aangewezen voor de meervleermuis. Binnenveld en Kolland en Overlangbroek zijn niet aangewezen als Vogelrichtlijngebied en ook niet voor meervleermuis. Deze Natura 2000gebieden zijn ten aanzien van windturbines dan ook niet relevant voor deze passende beoordeling.

Natura 2000-gebieden Veluwe, Arkenheem, Veluwerandmeren, Rijntakken en Eemmeer & Gooimeer Zuidoever zijn Vogelrichtlijngebied en dus relevant voor deze Passende beoordeling.

5.1.2

Afbakening niet-relevante storingsfactoren De ontwikkelingen liggen allemaal buiten Natura 2000-gebied waardoor van oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging geen sprake is. Verder leiden de ontwikkelingen niet tot een verandering in chloridegehaltes in water waardoor effecten van verzoeting of verzilting in de aanleg- of gebruiksfase zijn uitgesloten. De ontwikkelingen leiden evenmin tot lagere of hogere grondwaterstanden en/of toenemende kwel, veroorzaakt door menselijk handelen. Verdroging en vernatting is hierdoor uit te sluiten. De ontwikkelingen leiden niet tot verandering van de stroomsnelheid, overstromingsfrequentie of verandering in bodemdichtheid of bodemsamenstelling van terrestrische of aquatische systemen, omdat de projecten niet leiden tot aanslibbing of verstuiving. Van verandering van soortensamenstelling is geen sprake omdat de projecten niet voorzien in herintroductie van soorten of introductie van exoten.

5.1.3

Conclusie ingreep-effectanalyse In tabel 5.2 is de afbakening van relevante storingsfactoren voor de Natura 2000-gebied de Veluwe, de overige stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden in de omgeving (Binnenveld, Rijntakken en Kolland & Overlangbroek) en de Vogelrichtlijngebieden en/ of gebieden aangewezen voor meervleermuis (Arkenheem, Veluwerandmeren, Rijntakken, Eemmeer & Gooimeer Zuidhoeve) in de omgeving weergegeven. Geconcludeerd kan worden dat effecten van stikstofdepositie (verzuring en vermesting), verstoring (door geluid, licht, trilling, optische verstoring en mechanische verstoring) door ontwikkelingen binnen het invloedsgebied van Natura 2000-gebieden, recreatiedruk (verstoring door geluid, optische verstoring en mechanische verstoring) en verstoring door verandering in populatiedynamiek door aanleg van windturbines nader onderzocht dienen te worden.

Verandering in populatiedynamiek

Bewuste verandering soortensamenstelling

Verstoring door mechanische effecten

Verandering stroomsnelheid en/of overstromingsfrequentie en/of dynamiek substraat

Verdroging, vernatting , verontreiniging, verzoeting, verzilting

Verstoring door geluid , licht, trillingen en optische verstoring

Verzuring en vermesting door N-, depositie uit de lucht,

Ruimtebeslag en versnippering

Tabel 5.2 Afbakening relevante storingsfactoren bij de verschillende ontwikkelingen voor Natura 2000gebieden, waarbij √ = nader te onderzoeken en X- significante gevolgen bij voorbaat uit te sluiten

Veluwe Gezond en toekomstbestendig X √ √ X X √ X X Barneveld Prettig leven in vitale dorpen X √ √ X X √ X X Ruimte voor X X √ √ X X √ X ondernemerschap Waardevol landelijk gebied X √ √ X X √ X √ Bereikbaarheid nu en in de X X √ √ X X √ X toekomst Arkenheem en verder gelegen niet stikstofgevoelige Vogelrichtlijngebieden (Veluwerandmeren, Rijntakken en Eemmeer & Gooimeer Zuidoever) / gebieden aangewezen voor meervleermuis (Veluwerandmeren en Rijntakken) Gezond en toekomstbestendig X X X X X X X X Barneveld Prettig leven in vitale dorpen X X X X X X X X Ruimte voor X X X X X X X X ondernemerschap Waardevol landelijk gebied X X X X X X X √ Bereikbaarheid nu en in de X X X X X X X X toekomst Binnenveld en verder gelegen stikstofgevoelige N2000-gebieden (Binnenveld, Rijntakken en Kolland & Overlangbroek) Gezond en toekomstbestendig X √ X X X X X X Barneveld Prettig leven in vitale dorpen X √ X X X X X x Ruimte voor X X √ X X X X X ondernemerschap Waardevol landelijk gebied X √ X X X X X X Bereikbaarheid nu en in de X X √ X X X x X toekomst

5.2

Impact van verstoringsfactoren op Natura 2000 Op basis van de analyses in voorgaande paragrafen is geconcludeerd dat effecten vanuit de nieuwe ontwikkelingen in Barneveld een impact hebben via: • toename aan stikstofdepositie (verzuring en vermesting)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Barneveld&id=6a5fc45a-9976-4bd7-bb7a-ae43b7b38305