CConstaterende datBarneveld
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4 Wolweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012_Toelichting

Gemeenteraad 25 september 2024, gemeente BarneveldBij agendapunt: Bestemmingsplan Wolweg VI beperking openingstijden in nieuw voorstel25.432 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Wolweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012

(juni 2024) bestemmingsplan Plannr. 1760

Wolweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012

Inhoudsopgave

Toelichting Hoofdstuk 1

5 INLEIDING

5

Hoofdstuk 2 BESTAANDE SITUATIE 2.1 Begrenzing plangebied 2.2 Geldende bestemmingen

6 6 6

Hoofdstuk 3

7

PLANBESCHRIJVING

Hoofdstuk 4 BELEIDSKADER 4.1 Inleiding 4.2 Rijk 4.3 Provincie 4.4 Regio 4.5 Waterschap 4.6 Gemeente

8 8 8 9 12 14 15

Hoofdstuk 5 RANDVOORWAARDEN 5.1 Bodem 5.2 Cultuurhistorie 5.3 Ecologie 5.4 Externe veiligheid 5.5 Geluid 5.6 Geur 5.7 Ladder voor duurzame verstedelijking 5.8 Leidingen en laagvliegroutes 5.9 Luchtkwaliteit 5.10 Milieueffectrapportage 5.11 Milieuzonering 5.12 Natuur en landschap 5.13 Ontplofbare oorlogsresten 5.14 Veiligheid 5.15 Verkeer 5.16 Water

19 19 19 20 22 23 23 24 24 25 25 26 27 27 28 29 29

Hoofdstuk 6 JURIDISCHE ASPECTEN 6.1 Inleiding 6.2 Inleidende regels 6.3 Bestemmingsregels 6.4 Algemene regels 6.5 Overgangs- en slotregels 6.6 Handhaving

31 31 31 31 31 32 32

Hoofdstuk 7

34

ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID

Hoofdstuk 8 OVERLEG EN MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID 8.1 Participatie 8.2 Zienswijzen 8.3 Coördinatieregeling

35 35 35 35

Bijlagen bij de toelichting Bijlage 1 Lijst intrekkingsbesluit, wijzigingen en herzieningen Bijlage 2 Akoestisch onderzoek Bijlage 3 Invulling compensatie GO Bijlage 4 Quickscan Flora en Fauna

37 38 40 73 89

2

"Wolweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)

Wolweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012 Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7

Aanvulling ecologisch onderzoek Parkeerplan Wolweg VI Nota beantwoording zienswijzen

"Wolweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)

174 184 193

3

Wolweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012

4

"Wolweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)

Wolweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012

Toelichting Hoofdstuk 1

INLEIDING

Voor het perceel aan de Wolweg 79A in Stroe is een verzoek ingediend om de historische functie van de Rijkszaadeest te herstellen. In de drie bestaande gebouwen op het perceel worden dan de volgende activiteiten ontplooid: - Museum over de historische functie van de zaadeest; - rondleidingen voor bezoekers; - op kleine schaal destilleren van een drank; - op kleine schaal een proeflokaal en winkel; De uitvoering van dit plan is niet mogelijk binnen het geldende bestemmingsplan. Daarom is voorliggende herziening van het bestemmingsplan ''Buitengebied 2012' opgesteld.

Afbeelding 1.1: Ligging Wolweg 79A, Stroe Dit plan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De toelichting is opgebouwd uit acht hoofdstukken. Na dit hoofdstuk beschrijft hoofdstuk 2 de bestaande situatie. Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 een beschrijving van het plan gegeven. Hoofdstuk 4 gaat vervolgens in op het beleidskader. Het vijfde hoofdstuk gaat in op de randvoorwaarden, waarna in het zesde hoofdstuk de juridische aspecten worden besproken. In hoofdstuk 7 is aandacht voor de economische uitvoerbaarheid. Hoofdstuk 8 gaat in op de resultaten van de procedure ten behoeve van deze herziening.

"Wolweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)

5

Wolweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012

Hoofdstuk 2 2.1

BEST AANDE SIT UAT IE

Begrenzing plangebied

Het plangebied ligt aan de Wolweg nabij de kern Stroe. Het plangebied wordt aan de noordzijde begrensd door een woning en bos. Aan de oostzijde vormt de Wolweg de grens van het plangebied. De grens aan de zuid- en westzijde wordt gevormd door de A1 en een stuk agrarische grond. Onderstaande afbeelding geeft de ligging van het plangebied weer.

2.2

Geldende bestemmingen

Het plangebied ligt in het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" en zoals nadien door het college gewijzigd en in werking getreden, door de raad herzien en in werking getreden en zoals gewijzigd door een intrekkingsbesluit van de raad (zie verder Bijlage 1). De gronden hebben de bestemming 'Wonen', de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 1', Waarde - Beplanting en Verkaveling' en 'Waarde Openheid en Reliëf' en de gebiedsaanduidingen 'overige zone - kernrandzone' en 'reconstructiewetzone verwevingsgebied GV'. Een klein deel van het perceel heeft daarnaast ook nog de dubbelbestemmig 'Leiding - Riool' en het meest Noordwestelijk gelegen gedeelte heeft de gebiedsaanduiding 'reconstructiewetzone - extensiveringsgebied V'. De voorgenomen restauratie van de historische functie van de Rijkszaadeest is binnen deze bestemmingen niet toegestaan. Tevens geldt voor het plangebied het bestemmingsplan "Parapluherziening Cultuurhistorie-Archeologie". Het plangebied heeft hierin de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1'. Hiermee is de dubbelbestemming 'Waarde- Archeologie 1' uit het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" komen te vervallen. Er geldt ook een voorbereidingsbesluit "Hyperscale datacenters" op deze locatie. Nu het plan geen hyperscale datacenter mogelijk maakt, is dit voorbereidingsbesluit niet relevant voor dit plan.

In het bestemmingsplan zijn geen mogelijkheden opgenomen die uitvoering van voorliggend plan mogelijk maken, bijvoorbeeld door wijziging of afwijken met een omgevingsvergunning. Daarom is een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk.

6

"Wolweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)

Wolweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012

Hoofdstuk 3

PLANBESCHRIJVING

Het voorliggende plan betreft het herstellen van de historische functie van de Rijkszaadeest op de Wolweg 79A in Stroe. In het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied 2012' heeft dit perceel een woonbestemming. De woning op nummer 79 blijft een woonbestemming behouden. Het bestemmingsplan kent geen afwijkingsbevoegdheden of wijzigingsbevoegdheden om het plan te realiseren, daarom is dit plan opgesteld. De Rijkszaadeest in Stroe is uniek. Het betreft drie panden; een zaadeestgebouw uit 1913 (complexonderdeel A) en twee zwart gebeitste houten kegelschuren uit 1913 (complexonderdeel B) en 1926 (complexonderdeel C). Het complex is van architectuurhistorische, stedenbouwkundige en cultuurhistorische waarde. De Rijkszaadest speelt een grote rol binnen de geschiedenis van de Nederlandse bosbouw. de opslagschuren voor de dennenkegels vallen op door het toegepaste basilikale schema en de beweegbare zijwanden ten behoeve van de luchtcirculatie tijdens de opslag. Het Zaadeestgebouw ligt aan de rand van het bos, heeft ensemblewaarden met de andere complexonderdelen en is beeldbepalend aan de Wolweg. De functionalistische indeling van gebouwen is volledig bepaald door het eestproces. Verder is de oorspronkelijke functie van het complex een belangrijk document van de geschiedenis van de ontginning en de herbebossing van de Veluwe in de eerste helft van de twintigste eeuw.

Begin jaren zeventig ging het complex dicht en is het achtergelaten. De zaadeest is echter nog intact. Met dit plan wordt de oude functie van de zaadeest weer opgepakt en verbreed met een klein museum en destillatie. Hierdoor kan het grootste deel van het complex intact blijven en het plan past goed bij de oorspronkelijke functie van het complex. Het plan omvat voornamelijk de wijziging van gebruik. Het parkeren vindt op eigen terrein plaats, waarbij de parkeerplaatsen achter de Rijkszaadeest gesitueerd zijn. Het plangebied is goed bereikbaar via de Wolweg en het plan leidt naar verwachting niet tot een afname van verkeersveiligheid rond het terrein. Zie verder paragraaf 5.15 van deze toelichting. Om het ensemble te versterken is een landschappelijke inpassing opgesteld die rekening houdt met het groen op en rondom het perceel. Ook zijn de eisen vanuit Groene Ontwikkelingszone in deze landschappelijke inrichting verwerkt. Zo wordt er onder andere groen toegevoegd aan het perceel en worden er verschillende schuilgelegenheden voor vleermuizen geraliseerd.

"Wolweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)

7

Wolweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012

Hoofdstuk 4 4.1

BELEIDSKADER

Inleiding

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het relevante beleidskader. Het gaat om beleid en beleidsnota's die direct dan wel indirect doorwerken in het bestemmingsplan of invloed hebben op de bestemmingsregelingen. Van deze nota's is hierna per bestuursniveau een beknopte samenvatting gegeven.

4.2

Rijk

4.2.1

Nationale Omgevingsvisie

Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) 'Duurzaam perspectief voor onze leefomgeving' in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven, zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw, zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI bevat een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.

ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio's; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond. Doorwerk ing Het beoogde plan is in lijn met de prioriteiten. De NOVI vormt daarom geen belemmering voor dit plan.

4.2.2

Nationaal Waterplan 2016-2021

Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is de opvolger van het Nationaal Waterplan 2009-2015. Het bevat de hoofdlijnen van het nationaal waterbeleid en de aspecten van het ruimtelijk beleid die daartoe behoren. Het Nationaal Waterplan verankert het nieuwe beleid voor de komende 6 jaar met een vooruitblik richting 2050: Nederland, een veilige en leefbare delta, nu en in de toekomst. In het Nationaal Waterplan staan 5 ambities centraal. Nederland moet de veiligste delta in de wereld blijven. Deze ambitie wordt vooral ingevuld door onze veiligheidsnormen tegen overstroming te vernieuwen. Daarnaast wordt ingezet op een verbetering van de waterkwaliteit (meststoffen, bestrijdingsmiddelen, medicijnresten, microplastics). Dit zorgt ervoor dat de Nederlandse wateren schoon en gezond zijn en er genoeg zoet water is. Verder beschrijft het Nationaal Waterplan dat Nederland klimaatbestendig en waterrobuust wordt ingericht en dat Nederland een gidsland is en blijft voor watermanagement en -innovaties. Dat is gunstig voor onze economie en ons verdienvermogen. De vijfde ambitie bestaat eruit dat Nederlanders waterbewust leven. Deze ambities moeten gezamenlijk ingevuld worden door iedereen die werkt aan de ruimtelijke inrichting van Nederland: alle overheden, bedrijven, maatschappelijke organisaties en kennisinstellingen.

Doorwerk ing in plangebied De bevindingen en resultaten van de watertoets zijn beschreven in de waterparagraaf (§ 5.16).

8

"Wolweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)

Wolweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012

4.3

Provincie

4.3.1

Reconstructiezonering

Reconstructieplannen In het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" is de zonering van veehouderijen gebaseerd op de Reconstructieplannen die golden ten tijde van de vaststelling van voornoemd plan; te weten het Reconstructieplan Veluwe en het Reconstructieplan Gelderse Vallei/Utrecht-Oost. De 'Reconstructiewet concentratiegebieden 2002' schrijft een zonering van de intensieve veehouderij voor. Het reconstructieplan heeft tot doel veehouderij en kwetsbare natuur ruimtelijk te scheiden. Het zoneringsbeleid is er op gericht dat niet-grondgebonden veehouderijbedrijven (nieuwe naam voor intensieve veehouderij) geconcentreerd worden in gebieden die daarvoor geschikt zijn. Het doel is dat hierdoor verzuring gevoelige natuur ontlast wordt. De 'Reconstructiewet concentratiegebieden 2002' geeft aan dat het reconstructieplan een beschrijving moet bevatten van de ruimtelijke indeling van het reconstructiegebied in drie zones; deze zijn Extensiveringsgebieden, Verwevingsgebieden en Landbouwontwikkelingsgebieden. Extensiveringsgebied Veluwe: Bebouwing voor een niet-grondgebonden veehouderijbedrijf mag niet toenemen. Het aantal vierkante meters mag alleen nog worden uitgebreid om te voldoen aan eisen van dierenwelzijn of om aan milieueisen te voldoen.

Gelderse Vallei: Binnen een bouwperceel van het bestemmingsplan dat in 2005 gold (Buitengebied 2000) mag nog gebouwd worden voor niet-grondgebonden veehouderijbedrijven, maar vergroting van het bouwperceel wordt niet meer toegestaan. Er is een verplaatsingsregeling om bedrijven uit te kunnen plaatsen. Verwevingsgebied Veluwe: Vestiging van een nieuwe niet-grondgebonden veehouderijbedrijf is hier niet mogelijk. Voor bestaande bedrijven zijn er soms wel (beperkte) uitbreidingsmogelijkheden tot een maximum van 1 hectare. Hervestiging van een niet-grondgebonden veehouderijbedrijf op een bestaand bouwvlak is mogelijk. Omschakeling naar een andere agrarische bedrijfsvorm is vanuit het plan onder voorwaarden ook mogelijk. Gelderse Vallei: Nieuwvestiging van een niet-grondgebonden veehouderijbedrijf is niet toegestaan. Vergroting van het bouwperceel met 30% voor uitbreiding van een niet-grondgebonden veehouderijbedrijf is toegestaan mits deze uitbreiding niet op gespannen voet staat met lokale omgevingskwaliteiten. Omschakeling van volledig grondgebonden bedrijven naar een niet-grondgebonden veehouderijbedrijf is onder voorwaarden toegestaan. Bij de actualisatie in 2010 is afgesproken dat onder strenge extra voorwaarden een tweede 30% uitbreiding mogelijk is. Conclusie Dit plan betreft geen veehouderij. Daarmee vormt de reconstructiezonering geen belemmering voor voorliggend plan.

4.3.2

Omgevingsvisie en Omgevingsverordening

De provincie Gelderland heeft een Omgevingsvisie en -verordening. Deze plannen gaan over verkeer, water, natuur, milieu en ruimtelijke ordening. De Omgevingsvisie beschrijft de lange termijn ambities en beleidsdoelen voor de fysiek leefomgeving. In de Omgevingsverordening zijn regels en bepalingen over de inrichting en beheer van de ruimtelijke omgeving vastgelegd. Met de Omgevingsvisie en -verordening loopt de provincie vooruit op de aankomende Omgevingswet, die 1 januari 2024 van kracht wordt. Deze wet biedt meer ruimte voor initiatieven en ontwikkelingen in het fysieke domein, in gesprek met de omgeving. Wanneer het nodig is, actualiseert de provincie onderdelen van de Omgevingsvisie en -verordening. "Wolweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)

9

Wolweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012

Vanaf 2019 actualiseert de provincie de Omgevingsverordening opnieuw, zodat deze verder in lijn wordt gebracht met de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland en anticipeert op de eisen van de Omgevingswet.

4.3.2.1

Omgevingsvisie

Provinciale staten van Gelderland hebben op 19 december 2018 de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland vastgesteld. De Omgevingsvisie Gaaf Gelderland 2018 gaat in de breedte over het beleid van de provincie voor de fysieke leefomgeving. Anders dan de Omgevingsvisie Gelderland 2014-2018, geeft de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland 2018 richting op de strategische hoofdlijnen van het beleid. Beide visies integreren een vijftal wettelijk verplichte planfiguren voor het provinciaal beleid voor de leefomgeving; te weten ruimte, natuur, water, milieu en verkeer en vervoer. Gelderland werkt samen met partners aan een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland. Dit doen ze door zich bij het uitvoeren van onze taken te richten op een duurzaam, verbonden en economisch krachtig Gelderland. Met hulp van zeven onderwerpen geven ze hier richting aan: energietransitie klimaatadaptatie circulaire economie biodiversiteit bereikbaarheid economisch vestigingsklimaat woon- en leefklimaat. Doorwerk ing in plangebied In dit geval draagt het plan bij aan het economische vestigingsklimaat van het buitengebied. Dit plan is gericht op toerisme en het herstellen van een cultuurhistorisch belangrijke functie van de Rijkszaadeest. Hierbij wordt voornamelijk gericht op toerisme.

Toeristen kunnen kennis opdoen in het museum en vervolgens een product dat hierbij gemaakt wordt (de gin van het resproduct van de dennen) proeven in de bijbehorende proeverij. De combinatie van de recreatieve en cultuurhistorische takken van het bedrijf leidt tot een toekomstbestendig bedrijf.

4.3.2.2

Omgevingsverordening

De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de provincie Gelderland. Dit betekent dat alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. De Omgevingsverordening Gelderland heeft de status van ruimtelijke verordening, milieuverordening, waterverordening en verkeersverordening. De 'Ruimtelijke Verordening Gelderland' en de 'Ruimtelijke Verordening Gelderland, eerste herziening', zijn ingetrokken. In de Omgevingsverordening is het onderhavige plangebied opgenomen op de kaarten: Kaart 2: Regels Glastuinbouw Kaart 3: Regels Natuur - kaart 1 Kaart 4: Regels Natuur - kaart 2 Kaart 6: Regels Natuur - kaart 4 Kaart 7: Regels Landschap - kaart 1 Kaart 9: Regels Water en Milieu Vanuit kaart 2 en 4 en 9 behorend bij de Omgevingsverordening volgen geen specifieke aanduidingen die relevant zijn voor het plan, aangezien het plan geen glastuinbouw, windturbines of de winning van fossiele brandstof betreft. Het bepaalde in paragraaf 2.6.1 Gelders Natuurnetwerk, paragraaf 2.6.5 Groene ontwikkelingszone en paragraaf 2.6.6 Instructieregels bestemmingsplan bescherming landschap is van toepassing. In afbeelding 4.2 is de ligging weergegeven ten opzichte van het GNN en de GO (bruin). Van de twee bij de rijkszaadeest horende schuren ligt er één buiten en één binnen de GO.

De stookinstallatie ligt buitend de 10

"Wolweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)

Wolweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012 GO, de achterste droogschuur ligt daarbinnen. Voor ontwikkelingen binnen de GO geldt een ja mits benadering. Als extra komt er een terras van 85m2, een container voor enige opslag (6m2) en in totaal 112,5 m2 aan parkeerplaatsen welke deels binnen en deels buiten de GO liggen. Het gaat dus qua oppervlak om een klein stuk aan de rand van maximaal 203m2 GO (0.2 Ha).

Afbeelding 4.2: ligging t.o.v. het GNN en de GO (bruin) Met het plan gaat er nauwelijks iets van het GO verloren. Daarnaast is ook invulling gegeven aan de versterkingsopgave. Uit het puntensysteem blijkt dat 46-90 versterkingspunten nodig zijn. Daarom is gekozen om het perceel in te vullen met een struweelhaag, twee nestkasten, een takkenril langs de bosrand, inplanten van een deel met 'alle typen natuurlijk bos' en eventueel een mantel-zoom vegetatie langs de bosrand. Dit komt verder naar voren in het rapport dat hiervoor is opgesteld (zie Bijlage 3) en is verankerd in een landschapsplan (Bijlage 1 van de regels). Klimaatadaptatie Artikel 2.65b van de provinciale verordening gaat over klimaatadaptatie. Het artikel bepaalt dat voor zover een bestemmingsplan een nieuwe activiteit of ontwikkeling mogelijk maakt, de toelichting bij het bestemmingsplan een beschrijving dient te bevatten van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de risico's van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. In de beschrijving worden in ieder geval de volgende aspecten betrokken: a. b. c. d.

waterveiligheid; wateroverlast; droogte; en hitte.

Doorwerk ing in plangebied De verharding op het perceel neemt niet toe. De parkeerplaatsen worden uitgevoerd in halfverharding en er wordt zelf groen aan het perceel toegevoegd. Dit voorkomt droogte en verminderd de hitte en wateroverlast. Het plan is in overeenstemming met de Omgevingsvisie/verordening. Ook wordt voldaan aan de instructieregels. Het plan is in overeenstemming met de verordening.

"Wolweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)

11

Wolweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012

4.4

Regio

4.4.1

Functieveranderingsbeleid Regio Food Valley 2016

In maart 2017 is het “Functieveranderingsbeleid Regio Food Valley 2016” vastgesteld. Dit betreft een actualisering van de regionale beleidsafspraken over hoe de betrokken gemeenten om willen gaan met het toenemende probleem van leegstand van (voormalige) agrarische bedrijfsgebouwen. Het beleid stelt (voormalige) agrarische bedrijven in staat om de bedrijfsvoering op een maatschappelijk en ruimtelijk verantwoorde wijze te beëindigen. Daarnaast leidt het tot kwaliteitsverbetering in het buitengebied door de sloopverplichting van overtollige bebouwing en landschappelijke inpassing bij hergebruik / nieuwbouw ten behoeve van nieuwe woonfuncties of niet- agrarische bedrijfsfuncties. Dit regionale beleid is destijds tot stand gekomen als uitwerking van het provinciale functieveranderingsbeleid vanuit het Streekplan 2005. In 2008 is hiervoor de “Regionale beleidsinvulling functieverandering en nevenactiviteiten vastgesteld met in 2012 een “Nadere invulling” daarvan. Vanuit onder meer de praktijkervaringen van de regiogemeenten en jurisprudentie is de wens ontstaan om de beide beleidskaders uit 2008 en 2012 samen te voegen en te actualiseren. Het Functieveranderingsbeleid Regio Food Valley 2016 is dan ook primair geen nieuw beleid.

Wel zijn enkele beleidsaanpassingen/-toevoegingen gedaan; Vereenvoudiging van de systematiek voor afroming/korting van sloopmeters; Een toekomstbestendige en flexibele basissystematiek voor functieverandering naar wonen/werken; (Lichte) stijging van de benodigde compensatie van sloopmeters voor functieverandering naar wonen en werken om in te spelen op de trend en ontwikkeling dat meer agrarische bedrijven zullen stoppen en dat meer (voormalige) agrarische bebouwing vrijkomt; Deelnemende gemeenten Het regionale beleid voor functieverandering is opgesteld vanuit de samenwerking tussen de gemeenten in het Gelderse gedeelte van de regio Food Valley en de gemeente Putten. Het gebied waarop het regionale beleid van toepassing is omvat de gemeenten Nijkerk, Putten, Barneveld, Scherpenzeel, Ede en Wageningen. Van sloopmeters naar inzetbare sloopmeters Om alle sloopmeters gelijkwaardig te maken en de voorgaande systematiek van afroming te vereenvoudigen, worden sloopmeters als eerste stap in een functieveranderingsproces vóór gebruik of verkoop 'omgezet' naar een 'inzetbare sloopmeters'. Bij hergebruik van bestaande bebouwing geldt ditzelfde. De oppervlakte van de te hergebruiken bebouwing wordt eerst berekend als 'sloopmeters', waarna de omzetting plaatsvindt naar 'inzetbare sloopmeters'.

Voor het omzetten van de sloopmeters naar inzetbare sloopmeters wordt een korting toegepast (voorheen was dit de afroming), afhankelijk van de grootte van de slooplocatie. Regionale inzetbaarheid van inzetbare sloopmeters Het slopen van (voormalige) agrarische bedrijfsgebouwen wordt bevorderd door een regionale inzetbaarheid van de sloopmeters. Dit betekent dat er de mogelijkheid is om salderingslocaties te benutten die in een andere regiogemeente liggen dan de locatie waar de meters worden ingezet. De markt voor aankoop en/of verkoop van inzetbare sloopmeters door marktpartijen is daarmee groter. Basissystematiek Vanuit het functieveranderingsbeleid zijn nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen door middel van compensatie van inzetbare sloopmeters mogelijk in twee hoofdvormen met een basissystematiek; functieverandering naar wonen; functieverandering naar werken: (niet-agrarische) bedrijven, maatschappelijke en recreatieve functies. De basissystematiek is opgebouwd met een standaard 'recht' voor een nieuwe woning/wooneenheid of niet-agrarisch bedrijf, het woningrecht en het bedrijfsrecht waarvoor een compensatie van inzetbare sloopmeters nodig is. Daarnaast wordt compensatie van inzetbare sloopmeters gevraagd per 1 m³ inhoud van de woning of 1 m² vloeroppervlakte niet-agrarisch bedrijf. 12

"Wolweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)

Wolweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012

Verbrede mogelijkheden (gemeentelijke keuze) In het geactualiseerde beleid is evenals in de voorgaande beleidsdocumenten een 'gereedschapskist' aan verbrede mogelijkheden voor de inzet van inzetbare sloopmeters opgenomen. Gemeenten hebben de keuzemogelijkheid uit deze regionaal afgestemde 'gereedschapskist' die onderdelen te kiezen die hen passen. Dit in aanvulling op de hoofdopzet van het beleid. De met de actualisering toegevoegde mogelijkheden geven meer ruimte voor nieuwe (maatwerk) ontwikkelingen. Een toegevoegde mogelijkheid is functieverandering van een woning naar een woongebouw, voor onder meer mogelijk toekomstige mantelzorgsituaties of meergeneratiewoningen. Daarnaast is een maatwerkmogelijkheid toegevoegd om in nog niet uitgewerkte situaties oplossingen te bewerkstelligen die in overeenstemming zijn met de lijn en de systematiek van dit beleid. Doorwerk ing in het plangebied Het functieveranderingsbeleid is niet van toepassing op dit plan. Het plan heeft als doel instandhouding van een rijksmonument en herstel van de historische functie binnen bestaande bebouwing. Verder wordt met dit plan geen extra verharding toegevoegd aan het buitengebied. Daarmee hoeven geen slooptmeters aangeleverd te worden en vormt het functieveranderingsbeleid geen belemmering voor voorliggend plan.

4.4.2

Regionaal Adaptatie Plan Vallei en Veluwe

Op 4 december 2020 is het Regionaal Adaptatie Plan Vallei en Veluwe (RAP) ondertekend door de Manifestregio. In de regio werken 28 gemeenten, waterschap Vallei en Veluwe, provincies Utrecht en Gelderland, Vitens, Veiligheidsregio's en Rijkswaterstaat samen op het gebied van klimaatadaptatie. Met het RAP geeft de regio invulling aan de landelijke opgave voor overheden om vanaf eind 2020 klimaatadaptief te werken om in 2050 klimaatbestendig te zijn. Deze opgave komt voort uit het Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie. Het klimaat verandert namelijk snel en merkbaar. Klimaatadaptatie is omgaan met het nieuwe klimaat met extremer weer: heftige buien of juist lange periodes van hitte en droogte. De omgeving waarin we leven, werken en ontspannen, maar ook de manier van leven moeten we daarop aanpassen. In het RAP zijn de regionale aandachtsgebieden voor de komende jaren bepaald, aanvullend op wat elke partij zelf moet of kan doen. Vooraf zijn voor het hele gebied de kwetsbaarheden van wateroverlast, droogte en hitte in kaart gebracht in een klimaateffectatlas. Tevens zijn risicodialogen met elkaar gevoerd over de gevolgen van klimaatverandering en de opgaven voor de regio.

Het RAP is een strategische agenda rondom 4 thema's: Prettig wonen en werken, Aangenaam recreëren, Basisfuncties (elektriciteit, hoofdwegennet, verpleeghuizen, etc.) veilig stellen en Natuurlijk bodem- en watersysteem. Per thema zijn (hoofd)ambities, speerpunten en maatregelen geformuleerd. Het thema prettig wonen ambieert een klimaatbestendige, veilige en gezond ingerichte stedelijke omgeving. Speerpunten zijn Ketenafspraken klimaatbestendig bouwen, Ontwikkelafspraken met woningcoöperaties, Instrumentenmix voor bestaand stedelijk gebied, Stimuleringsregeling klimaatbestendige maatregelen en Hitteplan. Het thema Aangenaam recreëren ambieert een klimaatbestendige, veilige en gezond ingericht recreatief buitengebied. Het speerpunt is Groen-blauwe recreatie. Het thema Basisfuncties ambieert een veilig en robuust ontworpen nutsvoorzieningen en infrastructuur. Speerpunten zijn Natuurbranden preventieplan, Overstromingsbestendige gebieden en gebouwen, (Hoofd)verdeelstations beoordelen en Doorgaande wegen klimaatrobuust. Het thema Natuurlijk bodem- en watersysteem ambieert een klimaatbestendig, robuust en veerkrachtig natuurlijk bodem- en watersysteembeheer. Speerpunten zijn Loofbomen advies, Waterbeschikbaarheidsstrategie, Duurzaam grondwatersysteem en Verkenning regio Vallei en Veluwe – 2120.

In Werkplannen wordt concreet aangegeven hoe de ambities in het RAP voor telkens een periode van 2 jaar worden uitgewerkt. De opgaven worden regionaal verdeeld en er worden verbindingen gelegd. Van belang is dat ook inwoners, bedrijven en maatschappelijke organisaties worden betrokken.

"Wolweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)

13

Wolweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012 Doorwerk ing in plangebied De bevindingen en resultaten zijn beschreven in de waterparagraaf (§ 5.16).

4.5

Waterschap

4.5.1

Blauwe Omgevingsvisie 2050

De driedimensionale Blauwe Omgevingsvisie 2050 (BOVI) is de langetermijnvisie van Waterschap Vallei en Veluwe. Met deze BOVI zet Waterschap Vallei en Veluwe op een geheel nieuwe wijze koers naar een duurzame en waterinclusieve leefomgeving. Daarbij kijkt Waterschap Vallei en Veluwe integraal, grensontkennend, over de grenzen van taken en gebieden heen en werkt vanuit de drie zogenoemde waterprincipes: 1. Water is een ordenend principe in de ruimtelijke ordening. 2. Maximaal vasthouden en schoonhouden van water. 3. Partnerschap als watermerk. Deze principes leiden tot één samenhangende weergave van water in het landschap van Vallei en Veluwe: één kringloop van bron tot monding, door stedelijk en landelijk gebied en van boven- en ondergrond. Doorwerk ing in plangebied De bevindingen en resultaten van de BOVI 2050 zijn beschreven in de waterparagraaf (§ 5.16).

4.5.2

Blauw Omgevingsprogramma 2022-2027 Waterschap Vallei en Veluwe

Het Blauw Omgevingsprogramma (BOP) is het waterbeheerprogramma van Waterschap Vallei en Veluwe voor de planperiode 2022-2027. Het gebied, de maatschappelijke thema's en samenwerking met partners zijn meer centraal gezet dan in voorgaande waterbeheerprogramma's. Het waterbeheerprogramma is een kerninstrument onder de Omgevingswet en bevat naast de verplichte onderdelen van het programma (zoals Kader Richtlijn Water (KRW), Richtlijn Overstromings Risico's (ROR), zwemwaterrichtlijn) ook een niet verplicht deel. Het BOP is daarmee het wettelijk instrument van het waterschap om de doelen voor de middellange termijn vast te leggen. In het BOP worden doelen uit de Blauwe Omgevingsvisie 2050 (BOVI2050) doorvertaald naar gebiedsgerichte doelen. De hoofddoelen van het BOP zijn hieronder kort beschreven. Waterveiligheid Een zo goed mogelijke bescherming tegen overstromingen volgens de wettelijke normen. Watersysteem Een toekomstbestendig en klimaatrobuust grond- en oppervlaktewatersysteem, dat passend is ingericht naar de veranderende gebiedswensen. Wonen en zuiveren Een robuust proces voor het verwerken van extreme neerslag en inzameling van stedelijk en industrieel afvalwater in bebouwd gebied, tot aan het lozen van effluent in het watersysteem.

Circulaire economie Volledig circulair opereren in 2050 door anders om te gaan met grondstoffen en goed samen te werken met partners en de omgeving. Energietransitie Het eerste energieneutrale waterschap van Nederland worden om een voorbeeld te zijn op het gebied van de energietransitie. Doorwerk ing in plangebied De bevindingen en resultaten van het BOP zijn beschreven in de waterparagraaf (§ 5.16).

14

"Wolweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)

Wolweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012

4.6

Gemeente

4.6.1

Structuurvisie Buitengebied Barneveld

De structuurvisie Buitengebied Barneveld is op 21 september 2011 door de gemeenteraad vastgesteld. De Structuurvisie Buitengebied Barneveld bouwt voort op keuzes die gemaakt zijn in de Strategische visie en de Nota van Uitgangspunten voor het buitengebied. De visie voor het buitengebied is ruimte bieden voor economische ontwikkeling in samenhang met behoud en ontwikkeling van de omgevingskwaliteiten landschap, natuur, woon- en leefmilieu. Er doen zich belangrijke ontwikkelingen voor die bepalend zijn voor de toekomst van het buitengebied. De landbouw heeft niet stil gestaan en past zich aan, aan nieuwe ontwikkelingen. De doorgaande ontwikkeling in de agrarische sector heeft onder andere tot gevolg dat er steeds minder maar wel grotere agrarische bedrijven zijn gekomen en nog zullen komen. Een gevolg hiervan is vrijkomende agrarische erven door functieverandering naar wonen of werken. Ook is steeds vaker sprake van verbreding en verduurzaming. Tevens wordt geconstateerd dat recreatiebedrijven moderniseren en de kwaliteit verhogen. Deze ontwikkelingen zijn van grote invloed op de omgevingskwaliteiten natuur, landschap, cultuurhistorie en woon- en leefomgeving. Met de visie wordt ruimte geboden voor economische ontwikkeling in samenhang met behoud en ontwikkeling van de omgevingskwaliteiten.

Dat gaat de gemeente doen door initiatieven mede te beoordelen op de mate waarin ze bijdragen aan behoud en ontwikkeling van de omgevingskwaliteit, bijvoorbeeld effecten op landschap (beeldkwaliteit), woon- en leefmilieu, verkeer en natuur. De gemeente wil diverse ontwikkelingen faciliteren. Wat betreft de landbouw gaat dat om zowel schaalvergroting als verbreding en innovatie. Die verbreding verdient mogelijkheden om enerzijds extra inkomsten te bieden aan agrarische ondernemers en anderzijds om duurzame en innovatieve ontwikkelingen ruimte te geven. Verbreding is bovendien interessant voor de beleidsopgave om recreatieve mogelijkheden in het hele buitengebied te benutten en te stimuleren. Innovatie verdient kansen omdat daarmee kan worden gewerkt aan de versterking van de positie van de Regio Foodvalley, aan ondernemingszin en aan klimaatadaptatie. De schaalvergroting en de innovatieve ontwikkelingen moeten echter wel passen in het landschap van de gemeente Barneveld. Die voorwaarde geldt ook voor de locaties waar de agrarische bedrijven juist stoppen en gebruik maken van het beleid voor functieverandering waarmee woningen of (kleine) bedrijven worden gerealiseerd. Het spreekt vanzelf dat ook recreatieve functies moeten bijdragen aan een fraai en herkenbaar landschap. Een landschappelijk fraai buitengebied met goed ingepaste ontwikkelingen.

Een buitengebied dat zo wordt ingericht dat het een aangename plek is om er te werken en te recreëren. Dat vergt een goed klimaat om passende werk- en recreatiefuncties daadwerkelijk te kunnen behouden en ontwikkelen. Het buitengebied als een prettige omgeving om te verblijven geeft ook een meerwaarde voor de talrijke woningen die in het buitengebied aanwezig zijn en is van groot belang als positieve vestigingsfactor voor de (toekomstige) bewoners van de negen woonkernen. Die meerwaarde wil de gemeente graag verder versterken door het ontwikkelen van de relaties tussen de dorpen en het buitengebied. Daarom wil de gemeente initiatieven op het gebied van bijvoorbeeld de lokale voedselvoorziening en het beleven van veehouderij (kijk- en doemogelijkheden) en natuur (rust zoeken en onderhoud) faciliteren. De hiervoor genoemde aanpak geldt voor het hele buitengebied. Daarnaast is een onderscheid gemaakt in deelgebieden, met beleidsaccenten op grond van landschappelijke kenmerken en zones op grond van een specifieke functie. Zie hiervoor de afbeelding 'Visie ruimtelijke kwaliteit Barneveld'. De deelgebieden zijn: Agrarisch bedrijvenlandschap. Agrarisch bekenlandschap. Agrarisch slagenlandschap. Veluws natuurgebied met agrarische enclaves.

"Wolweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)

15

Wolweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012

Afbeelding: Visie ruimtelijke kwaliteit Barneveld + legenda Per deelgebied wordt de ontwikkelingsrichting beschreven. Het kwaliteitsbeeld vormt het ruimtelijk 16

"Wolweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)

Wolweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012 toetsingskader. Het stelt eisen die richtinggevend zijn voor ruimtelijke ontwikkeling. Deze (minimum)eisen zijn kaderstellend voor het (bestemmings)plan. Het plangebied ligt in het volgende deelgebied. Per deelgebied wordt de ontwikkelingsrichting beschreven. Het kwaliteitsbeeld vormt het ruimtelijktoetsingskader. Het stelt eisen die richtinggevend zijn voor ruimtelijke ontwikkeling. Deze (minimum)eisen zijn kaderstellend voor het (bestemmings)plan. Het plangebied ligt in de zone 'Overgangszone landschap, landbouw en recreatie'. Het betreft de overgang van de bosgebieden van de Veluwe naar de Gelderse Vallei. Het ruimtelijk beleid in deze overgangszone richt zich vooral op handhaving en versterking van het functioneren van de bestaande verblijfsrecreatieve sector, primair door verbetering van de kwaliteit van bestaande verblijfsrecreatiebedrijven. Een landschappelijke aantrekkelijke overgang tussen Veluwe en Vallei is wenselijk. Gezien de aard en omvang van dit plan, waarbij geen bebouwing wordt toegevoegd, vormt de Structuurvisie Buitengebied geen belemmering voor dit plan.

4.6.2

Waterplan Barneveld (2005) en Hemelwaterplan 2017-2020 'Klimaatactief!'

Het Waterplan geeft een integrale watervisie op het verhogen van de gebruikswaarde en belevingswaarde van water. Door een verantwoord gebruik en duurzame ontwikkeling van het water kan ook in de toekomst gebruik worden gemaakt van een gezond watersysteem. De volgende ambities worden genoemd: Vasthouden en/of vertraagd afvoeren van hemelwater. Het scheiden van vuil en schoon water. Bij nieuwbouw het hemelwater van schone oppervlakken niet op de riolering lozen en bij voorkeur lokaal gebruiken, infiltreren of lozen op oppervlaktewater. In bestaand gebied hemelwater afkoppelen van het gemengd riool indien technisch en financieel haalbaar. De afvoer van schoon hemelwater vindt bovengronds plaats. Rioolwateroverstorten beperken om de doelstellingen voor waterkwaliteit te bereiken. In het plan is een concrete doelstelling opgenomen: in 2025 is 10% van het verharde oppervlak afgekoppeld van de gemengde riolering (referentiejaar 2005). Dit betreft 18 ha. afkoppelen. In het Hemelwaterbeleidsplan is deze doelstelling uitgewerkt in concrete maatregelen. Het Hemelwaterplan 2017-2020 'Klimaatactief!' richt zich op een duurzame omgang met hemelwater. Het geeft aan wat het gemeentelijk beleid is ten aanzien van afstromend hemelwater in bestaande situaties en bij nieuwe ontwikkelingen. Het plan zet in op een integrale benadering en meervoudige inrichting van totale openbare ruimte.

Barneveld gaat aan de slag met het waterbestendig inrichten van de openbare ruimte om bestand te zijn tegen klimaatverandering. Doorwerk ing in plangebied De bevindingen en resultaten van de watertoets zijn beschreven in de waterparagraaf (§ 5.16).

4.6.3

Energiebeleid gemeente Barneveld 2015-2020

De raad heeft in 2015 de Energievisie gemeente Barneveld 2015-2020 ('investeren in Barneveldse bronnen') vastgesteld. Het energievraagstuk staat de laatste jaren landelijk stevig op de (politieke) agenda. Naast het milieumotief en betaalbaarheid zijn ook maatschappelijke verantwoordelijkheid en energie-onafhankelijkheid steeds meer een argument om actie te ondernemen. De gemeente Barneveld voelt de urgentie om een bijdrage te leveren aan een schone, betrouwbare en betaalbare energievoorziening en heeft een doelstelling vastgesteld die hoger ligt dan de landelijke energiedoelstellingen. Woningen en bedrijfspanden moeten de komende jaren fors energiezuiniger worden. Eind 2021 heeft de gemeenteraad "De warmtevisie Barneveld" vastgesteld, dat de basis vormt voor het verminderen van het gebruik (isoleren) en het uitfaseren van het gebruik van aardgas. Vooruitlopend op de nieuwe energiewetgeving en energieneutraliteit in 2050, ziet de gemeente graag dat de woningen en bedrijven aardgasloos en energieneutraal worden gebouwd. Wettelijk e eisen Bijna Energie Neutrale Gebouwen (BENG) Voor alle nieuwbouw, zowel woningbouw als utiliteitsbouw, geldt dat aanvragen om een omgevingsvergunning vanaf 1 januari 2021 moeten voldoen aan de eisen voor bijna energieneutrale "Wolweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)

17

Wolweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012 gebouwen (BENG). Klimaat Het klimaat verandert met extremer weer als gevolg. We zullen vaker te maken krijgen met hoosbuien / wateroverlast, langere perioden van droogte en hitte. Het veranderende klimaat vraagt om maatregelen op alle schaalniveaus om de gevolgen voor gezondheid, veiligheid, productiviteit en natuur te beperken. Klimaatbestendig handelen en waterrobuust inrichten wordt vanzelfsprekend in het gemeentebrede beleid en handelen vóór 2020. Zodat in 2050 de fysieke ruimte in 2050 waterrobuust en klimaatbestendig is. Eén van de maatregelen is het anders omgaan met het inzamelen van en verwerken van hemelwater dat op verhard oppervlak valt, bijvoorbeeld door het aanleggen van groene daken. Zie voor een verdere beschrijving de waterparagraaf (§ 5.15). Door op een slimme manier om te gaan met (robuust) groen in de openbare ruimte in relatie tot de positionering van de woningen en de productie van zonne-energie op daken van woningen kan het microklimaat in de woningen en in een gebied op een positieve manier beïnvloed worden. Doorwerk ing in plangebied Gezien de aard en omvang van de ontwikkeling, waarbij geen verharding wordt toegevoegd en de parkeerplaatsen in halfverharding uitgevoerd worden, vormt het energiebeleid geen belemmering voor dit plan.

18

"Wolweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)

Wolweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012

Hoofdstuk 5 5.1

RANDVOORWAARDEN

Bodem

In het kader van de bestemmingsplanprocedure is beoordeeld of de milieuhygiënische bodemkwaliteit ter plaatse van het plangebied voldoet aan de eis van financiële uitvoerbaarheid en uit oogpunt van volksgezondheid en milieu aanvaardbaar mag worden geacht voor het beoogde gebruik. Beoordeling van de milieuhygiënische bodemkwaliteit vindt (o.a.) plaats op basis van de vastgestelde bodemkwaliteitskaart (PFAS) regio De Vallei en de nota bodembeheer regio De Vallei. Met dit instrumentarium kan de bodemkwaliteit binnen het plangebied met een bepaalde statistische zekerheid worden bepaald voor zover blijkens historisch onderzoek geen sprake is van verdachte locaties. Conclusie Op basis daarvan zijn er geen risico's te verwachten voor de beoogde bestemming en het gebruik.

5.2

Cultuurhistorie

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moet bij het opstellen van bestemmingsplannen rekening worden gehouden met cultuurhistorische waarden. Daar waar het voor de archeologie al gemeengoed is, geldt het dus ook voor andere aspecten van de cultuurhistorie. Rekening houden met cultuurhistorie impliceert dat bekend moet zijn wat er voor waarden aanwezig zijn. De gemeente heeft daarom een proces opgestart om bestaande kennisdocumenten te actualiseren en waar nodig nieuwe kennis op te bouwen. De gemeente beschikt over volgende vastgestelde kaarten: Archeologische waarden- en verwachtingenkaart; Cultuurlandschappelijke waardenkaart; Historische stedenbouwkundige waardenkaarten. Door cultuurhistorie een plek te geven in procedures op het gebied van ruimtelijke ordening wordt ook bereikt dat de aandacht niet uitsluitend uitgaat naar individuele objecten (de aangewezen monumenten), maar juist de samenhang tussen gebouwen en hun omgeving. In het bestemmingsplan komen uiteenlopende dubbelbestemmingen voor om ruimtelijke kwaliteiten te borgen.

5.2.1 5.2.1.1

Archeologie Archeologie lage verwachting

Bij een planontwikkeling moet rekening worden gehouden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten. De gemeenteraad heeft op 25 april 2018 ingestemd met de 'Archeologische waarden- en verwachtingenkaart' als archeologisch toetsingskader bij ruimtelijke ontwikkelingen. Uit deze kaart blijkt dat binnen het plangebied een lage archeologische verwachting geldt. De gemeenteraad heeft op 28 september 2010 besloten dat voor deze zone archeologisch onderzoek noodzakelijk is bij een oppervlakte van 10.000 m² of groter voor grondverstorende werkzaamheden dieper dan 30 cm. Het project valt onder deze vrijstelling zodat geen nader onderzoek noodzakelijk is. Indien bij de uitvoering van de werkzaamheden onverwacht toch archeologische resten worden aangetroffen, dan is conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet melding van de desbetreffende vondsten bij de minister (namens deze de RCE) verplicht.

"Wolweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)

19

Wolweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012

5.2.2

Historische stedenbouwkundige waarden

De gemeenteraad heeft op 25 april 2018 ingestemd met de 'stedebouwkundige waardevolle gebieden' als weergegeven in de 'Historische stedebouwkundige waardenkaart' en de aangegeven 'vast te leggen kenmerken' in de bijbehorende Tabel, en deze te hanteren als toetsingskader bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het plangebied heeft volgens deze kaart wel bijzondere waarden. Bij de bouwkundige monumenten is sprake van rijks- en gemeentelijke monumenten. Op het perceel zijn rijksmonumenten aanwezig (Zaadeest en de twee kegelschuren). Over de omgang met deze gebouwen zijn door de monumentencommissie voorwaarden gesteld. Deze voorwaarden zijn verwerkt in dit plan, waarbij de landschappelijke inpassing rekening houdt met de bestaande waarden van de Rijkszaadeest. Zo blijft het ensemble van de drie gebouwen duidelijk zichtbaar. Daarnaast worden in de omgevingsverg Doorwerk ing in het plan Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor het plan.

5.3

Ecologie

De belangrijkste wet voor natuurbescherming in Nederland is de Wet natuurbescherming. Deze wet is op 1 januari 2017 in werking getreden. De Europese Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn zijn vertaald in deze wet. Daarnaast is qua ecologie ook het Gelders Natuurnetwerk en de Gelderse Ontwikkelingszone van belang.

5.3.1 5.3.1.1

Wet natuurbescherming Gebiedsbescherming

Hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van speciale beschermingszones ter uitvoering van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Zo'n speciale beschermingszone wordt aangeduid als “Natura 2000-gebied”. De Wet natuurbescherming bepaalt vervolgens wat er wél en niet mag in zo'n Natura 2000-gebied. Ook zijn er bijzondere nationale natuurgebieden. Op 27 juni 2014 is de aanwijzing van het gebied Veluwe als speciale beschermingszone onder de Habitatrichtlijn in werking getreden. Tevens is met dit besluit het besluit tot de aanwijzing van Veluwe als speciale beschermingszone onder de Vogelrichtlijn, inclusief de daarbij behorende Nota van toelichting, gewijzigd. Deze twee genoemde speciale beschermingszones vormen samen het Natura 2000-gebied Veluwe, waarbij instandhoudingsdoelstellingen zijn toegevoegd. Stikstof Het plangebied ligt op 350 meter afstand van een Natura 2000-gebied (zie hiervoor kaart 5 Themakaart Natuur- en landschapsbeleid van de Omgevingsvisie). Voor de gebruiksfase zijn de stikstofemissies beoordeeld. Er zijn voor de locatie AERIUS-berekeningen uitgevoerd van de aangevraagde situatie (Bijlage 4). Conclusie van het rapport/de uitgevoerde berekeningen is dat er geen effect is met betrekking tot stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden.

Conclusie Geconcludeerd wordt dat er voor het aspect stikstofdepositie geen belemmeringen zijn voor de realisatie van het plan.

20

"Wolweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)

Wolweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012

5.3.1.2

Soortenbescherming

Hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van bepaalde plant- en diersoorten in Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden én daarbuiten. Er gelden drie beschermingsregimes, te weten voor vogels (Vogelrichtlijn), soorten onder de Habitatrichtlijn (bijlage IV, onderdeel a Habitatrichtlijn, dan wel bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn) en andere (nationale) soorten. Om te beoordelen of de beschermde soorten in het plangebied aanwezig zijn, is een natuurtoets (Bijlage 4) en een aanvullend onderzoek (Bijlage 5) uitgevoerd. Hieruit is te concluderen dat er geen significante verstoring van soorten door het plan te verwachten zijn. Wel zijn er, zoals beschreven in Bijlage 5, eventueel nog aanvullende maatregelen te nemen om eventuele verstoring van diersoorten nog extra te beperken. Dit zal verder uitgewerkt worden bij de exploitatievergunning en (indien nodig) ook als voorwaarde bij die vergunning opgenomen worden. Conclusie Geconcludeerd wordt dat er voor het aspect soortenbescherming geen belemmeringen zijn voor de realisatie van het plan.

Algemene zorgplicht Voor de uitvoering van werkzaamheden geldt de algemene zorgplicht. Alle broedende vogels, hun broedplaatsen én de functionele omgeving van de broedplaatsen zijn beschermd tijdens de broedperiode. Het verwijderen van bomen en struiken dient gezien te worden als een voor vogels verstorende activiteit en dient buiten het vogelbroedseizoen plaats te vinden. Verstorende werkzaamheden dienen niet tijdens de broedperiode (grofweg maart - augustus) uitgevoerd te worden, tenzij geconstateerd is dat er geen vogelbroedgeval aanwezig is. Een ieder is verplicht om voldoende zorg in acht te nemen voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving.

5.3.1.3

Houtopstanden

De bescherming van houtopstanden conform hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming heeft als doel om het aanwezige areaal bossen en beplantingen in Nederland te behouden. Daarmee wordt de functie van bossen en beplantingen gegarandeerd als habitat voor dieren en planten, als recreatiegebied en als groene long. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend van een oppervlakte van tien are of meer of rijbeplanting die twintig (of meer) bomen omvat, gerekend over het totaal aantal rijen. Een herplantplicht is niet aan de orde. Omdat het plan valt binnen de GO worden er zelfs houtopstanden toegevoegd met het plan. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de Wet natuurbescherming uitvoering van het onderhavige plan niet in de weg staat.

5.3.2

Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszones

Het plangebied ligt binnen de (voormalige) Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de opvolger van de EHS. Met het bestuursakkoord Natuur is de realisatie en het beheer van het NNN de verantwoordelijkheid van de provincies geworden. In de periode tot 2027 willen Rijk en provincies een forse extra stap zetten op weg naar realisatie van de doelen van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en de Kaderrichtlijn Water. Hierbij moet maximale synergie worden bereikt tussen natuur- en watermaatregelen. De provincies geven elk in hun eigen provincie uitwerking aan het natuurbeleid op basis van het Natuurpact. "Wolweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)

21

Wolweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012

Voor de EHS zijn in de Omgevingsvisie twee nieuwe natuurcategorieën in de plaats gekomen: het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene Ontwikkelingszone (GO.) Het plangebied ligt niet in het GNN maar wel in de GO. Voor de toetsing wordt verwezen naar 4.3.2.2. Het plan betreft een relatief kleine ingreep, waarvan maar een klein deel daadwerkelijk in de GO plaatsvindt. Alle benodigde onderdelen voor een versterkingsplan zijn aanwezig. De versterkingstabel is ingevuld met aannemelijke uitgangspunten waarmee aan de versterkingsopgave voldaan wordt. Met de aanplant van onder andere nieuwe houtopstanden, die in het beplantingsplan (Bijlage 1) beschreven staat, wordt voldaan aan de voorwaarden van het versterkingsplan. Conclusie Het aspect Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszones vormt geen belemmering voor dit plan.

5.4

Externe veiligheid

Doel Externe veiligheid gaat over het beperken en beheersen van risico's en effecten van calamiteiten, en over het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten (bedrijven en transport) met gevaarlijke stoffen. Dat gebeurt door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren. In deze paragraaf wordt ingegaan op externe veiligheid in relatie tot verschillende risicovolle bronnen en/of objecten in en nabij het plangebied. Eerst wordt het wettelijk kader op nationaal niveau beschreven, daarna het gemeentelijk beleid en vervolgens overige wet- en regelgeving die voor het plangebied relevant is. Tot slot wordt zo nodig het groepsrisico verantwoord. Wettelijk kader Op nationaal niveau zijn verschillende wetten en regels ten aanzien van externe veiligheid. Voor bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI; oktober 2004). Voor transport is het Besluit externe veiligheid transportroutes van toepassing (Bevt: april 2015). Voor buisleidingen moet worden getoetst aan het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb; januari 2015). Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt tussen Plaatsgebonden risico en Groepsrisico.

Plaatsgebonden Risico (PR) Dit is een maat voor de kans dat iemand dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met een gevaarlijke stof. De gestelde norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde (PR 10-6/jaar) die niet mag worden overschreden ten aanzien van 'kwetsbare objecten', alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10-6/jaar) ten aanzien van 'beperkt kwetsbare objecten'. Groepsrisico (GR) Dit is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Plasbrandaandachtsgebied (PAG) Binnen het werkveld externe veiligheid wordt sinds jaren gewerkt met twee risiconormen, het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Bij de ontwikkeling van het Basisnet is hieraan een derde voorwaarde toegevoegd: het plasbrandaandachtsgebied (PAG). Hiermee wordt het effectgebied weergegeven van het scenario met de grootste kans van voorkomen: de plasbrand. In deze gebieden moet er in samenhang met mogelijkheden van plasbrandbestrijding en bouwtechnische maatregelen beargumenteerd worden waarom er gebouwd wordt. Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen Op 1 april 2015 is het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen van kracht geworden. Dit Basisnet geeft aan over welke routes (spoor, water en weg) gevaarlijke stoffen worden vervoerd.

Het Basisnet spoor heeft betrekking op het vervoer van gevaarlijke stoffen over het hoofdspoorwegennet. Op basis van de wet- en regelgeving omtrent het Basisnet worden, rekening houdend met te verwachten groei van vervoer van gevaarlijke stoffen door Nederland en verdichting van de ruimte naast het spoor (binnen een afstand van 200 m van het spoor) in met name stedelijke kernen, afspraken gemaakt over de risicoruimte. 22

"Wolweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)

Wolweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012

Beleidsvisie externe veiligheid In 2009 heeft de gemeente Barneveld de 'Beleidsvisie externe veiligheid' vastgesteld. In deze visie is onder meer vastgelegd hoe in Barneveld nabij risicobronnen zal worden omgegaan met het veiligstellen van een acceptabel niveau van risico's externe veiligheid en beheersbaarheid. Beoordeling risicobronnen De ligging van de gebouwen is direct naast de A1 en op korte afstand van de spoorlijn Amersfoort Apeldoorn. Over deze trajecten vind vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Bij vervoer kunnen zich diverse incident scenario's voordoen zoals; explosie, fakkelbrand, plasbrand en toxische wolk. Hoewel de kans op een dergelijk incident klein is ligt de Rijkszaadeest in het effect gebied van de scenario's. De initiatiefnemer houdt daarom met bovengenoemde scenarios rekening in de planvorming met betrekking op de ontruimints- en vluchtplannen. Het is van bleang dat de bezoekers bij een dergelijk incident van de bron af vluchten, in dit geval richting het Noorden. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor dit plan.

5.5

Geluid

De basis voor de ruimtelijke afweging van geluid is de Wet geluidhinder (Wgh). Bij verlening van de omgevingsvergunning en het vaststellen van een bestemmingsplan komen in de volgende gevallen de regels van deze wet aan de orde: het bestemmen van gronden voor nieuwe geluidgevoelige objecten (bijvoorbeeld woningen en onderwijsgebouwen) binnen zones langs (spoor-)wegen en zones rondom industrieterreinen; het bestemmen van gronden voor de aanleg van nieuwe, dan wel reconstructie van gezoneerde (spoor-)wegen; het bestemmen van gronden voor (nieuwe) industrieterreinen waar zich grote lawaaimakers kunnen vestigen en herziening van zonegrenzen van industrieterreinen. De Wet geluidhinder gaat uit van zones langs (spoor-)wegen en zones bij industrieterreinen. Het gebied binnen deze zone geldt als akoestisch aandachtsgebied waar, voor bouwplannen en bestemmingsplannen, een akoestische toetsing uitgevoerd dient te worden. De geluidbelasting op de gevels van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen mag in principe niet meer bedragen dan de voorkeursgrenswaarde. Indien de geluidbelasting op de gevel hoger is dan de voorkeursgrenswaarde kan onder bepaalde voorwaarden een verzoek worden gedaan tot vaststelling van een hogere waarde. Hierbij mag de geluidbelasting de uiterste grenswaarde niet overschrijden.

De voorkeursgrenswaarde en uiterste grenswaarde voor nieuwe of bestaande geluidgevoelige bestemmingen verschillen per geluidsbron. Conclusie Er worden in dit plan geen nieuwe gevoelige bestemmingen gerealiseerd. Een onderzoek naar weg-, rail- of industrielawaai van externe bronnen is dan ook niet noodzakelijk.

5.6

Geur

Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan toetst het bevoegde gezag enerzijds of in het plangebied een qua geur acceptabel woon- en leefklimaat gegarandeerd is. Anderzijds is het uitgangspunt dat met het plan de omliggende bedrijven niet vergaand in hun ontwikkelingsmogelijkheden mogen worden beperkt. Uitgangspunt voor de toetsing zijn de normen zoals die in of op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) zijn vastgelegd. De Wgv maakt het mogelijk om bij verordening af te wijken van de wettelijke geurnormen. De gemeente Barneveld heeft van die mogelijkheid gebruik gemaakt (bij besluit van 7 oktober 2008). Op 18 oktober 2008 is de Verordening geurhinder en veehouderij in werking getreden, waarbij voor een aantal aangegeven delen van het grondgebied van Barneveld andere normen dan de wettelijke zijn vastgesteld. Op 15 december 2021 is er een nieuwe Verordening door de raad vastgesteld en is de Verordening geur en veehouderij (vastgesteld op 7 oktober 2008) ingetrokken. Deze nieuwe Verordening geurhinder en veehouderij is in werking getreden op 24 december 2021, waarbij opnieuw voor een aantal aangegeven delen van het grondgebied van Barneveld andere normen dan de wettelijke zijn vastgesteld. Het plan is getoetst aan de normen die zijn vastgesteld in deze verordening, voor zover deze normen van toepassing zijn in of rond het plangebied.

"Wolweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)

23

Wolweg VI, partiële herziening Buitengebied 2012 Veel bedrijven hebben geen omgevingsvergunning milieu meer nodig, maar vallen onder algemene milieuregels zoals vastgelegd in het Activiteitenbesluit milieubeheer. Aangezien de geurnormen uit de Wgv vrijwel één op één zijn overgenomen in het Activiteitenbesluit, kunnen bedrijven die onder dit besluit vallen ook gewoon worden meegenomen in de Wgv-toets. Onder een 'geurgevoelig object' wordt verstaan: een gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt. Het museum, proeflokaal en winkel kunnen gezien worden als gevoelige objecten voor geur. Er ligt een veehouderij in de buurt waar paarden gehouden worden, aan de Wolweg 58. Voor geur dient in het buitengebied een afstand van 50 meter te worden aangehouden tussen emissiepunten van stallen van paarden. Ook mestopslagen moeten op voldoende afstand liggen. Om rekening te houden met mogelijke ontwikkelingen op het bedrijf wordt de afstand gemeten vanaf de grens van het bouwvlak. De woonbestemming en de gebouwen van de Wolweg 79 liggen op ongeveer 97 meter afstand van de grens van het bouwvlak van de Wolweg 58. Er wordt aan de vereiste afstand voldaan.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Barneveld&id=5a832c16-432b-4cb7-9396-163ca53a2980