CConstaterende datBarneveld
Koppel je AI →
Document · PDF

bijlage 1, Uitspraak Raad van State

Gemeenteraad 14 december 2022, gemeente BarneveldBij agendapunt: Voorstel over herstel gebrek in bestemmingsplan "Kerkstraat-Rembrandtstraat" in Voorthuizen15.161 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Door een in artikel 14.1.1 van de planregels opgenomen voorwaardelijke verplichting is gewaarborgd dat die parkeerplaatsen ook ingericht blijven. Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het plan niet in voldoende parkeergelegenheid voorziet. De betogen slagen niet. Verkeersdruk 23. De stichting en anderen en [appellant sub 2] betogen dat de raad ten onrechte niet heeft onderzocht of de verkeerstoename, als gevolg van de voorziene appartementen, leidt tot een onaanvaardbare verkeersdruk op de omgeving. 23.1. De raad heeft in het verweerschrift toegelicht dat het appartementengebouw en het

18

bijbehorende parkeerterrein zullen worden ontsloten via een nieuw te realiseren ontsluiting vanaf de Rembrandtstraat. De raad heeft over de afwikkeling van het verkeer toegelicht dat met de komst van de nieuwe rondweg rond Voorthuizen, eind 2019, het aantal motorvoertuigen per dag op de Rembrandtstraat en omliggende wegen met ten minste 50%, tussen de 5.000 en 6.000 mvt/etmaal, is afgenomen. Het plan leidt tot een toename van 182 mvt/etmaal. Vanwege die beperkte toename, bezien in het licht van de forse afname van het aantal verkeersbewegingen als gevolg van de rondweg, leidt het plan volgens de raad niet tot een onaanvaardbare verkeersdruk op de omgeving. 23.2. De stichting en anderen en [appellant sub 2] hebben geen concrete feiten en omstandigheden aangevoerd op grond waarvan moet worden getwijfeld aan de toelichting van de raad. De raad mocht er daarom vanuit gaan dat het plan niet leidt tot een onaanvaardbare verkeersdruk op de omgeving. De betogen slagen niet. Verkeersveiligheid 24. De stichting en anderen en [appellant sub 2] betogen dat het plan leidt tot een verkeersonveilige situatie. Dit komt volgens hen door de ontsluiting van het appartementengebouw en het parkeerterrein via een te realiseren in-/uitrit op de Rembrandtstraat.

De heg die langs het parkeerterrein, aan de oostelijke zijde van de Rembrandtstraat, is voorzien, zal het zicht vanaf de in-/uitrit op de Rembrandtstraat ontnemen. Ook belemmert een plataan langs de Rembrandtstraat het zicht vanaf de in-/uitrit. Daarnaast is in het plan geen rekening gehouden met het feit dat het enkelzijdige fietspad langs de Rembrandtstraat op termijn een dubbelzijdig fietspad zal worden. Het had volgens de stichting en anderen en [appellant sub 2] dan ook in de rede gelegen het appartementengebouw via de bestaande uitweg te ontsluiten. 24.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het plan niet leidt tot een verkeersonveilige situatie. Daarover heeft de raad in het verweerschrift toegelicht dat de heg het zicht vanaf de in-/uitrit niet op een gevaarlijke wijze belemmert. Wanneer men het plangebied via de in-/uitrit verlaat, kruist men eerst een voetpad en vervolgens een enkelzijdig fietspad. Door die verkeerssituatie zal de weggebruiker die de in-/uitrit verlaat voorzichtigheid moeten betrachten en met een lage snelheid de in-/uitrit moeten verlaten. Bovendien is de afstand tussen de heg en het fietspad ruim 7 m, zodat voldoende ruimte bestaat om vanuit de in/uitrit op een voorzichtige wijze deel te nemen aan het verkeer op de Rembrandtstraat. Ook vormt de plataan volgens de raad geen belemmering voor het zicht vanaf de in-/uitrit.

Weggebruikers kunnen, gelet ook op de ruime afstand van de in-/uitrit tot de weg, langs de stam van de plataan kijken. In het verweerschrift staat verder dat hoewel het fietspad in de huidige situatie een enkelzijdig fietspad is, plannen bestaan om daar een dubbelzijdig fietspad van te maken. Die plannen zijn volgens de raad meegenomen bij de vaststelling van het plan, waarbij is geconcludeerd dat de opzet van het plan niet in de weg staat aan het realiseren van een dubbelzijdig fietspad. Op de zitting heeft de raad nog toegelicht dat de breedte van de voorziene in-/uitrit 6 m bedraagt, zodat tegelijkertijd in- en uitgereden kan worden. Weggebruikers hoeven dus niet stil te staan op de weg of op het voetgangers- of fietspad, maar kunnen elkaar op de in-/uitrit passeren. Over een andere manier van ontsluiten heeft de raad in het verweerschrift toegelicht dat het appartementengebouw alleen aan de zijde van de Rembrandtstraat aan de openbare weg grenst. Weliswaar wordt het terrein van de kerk, dat naast de gronden waarop het appartementengebouw ligt is voorzien, al ontsloten via een uitweg op de Rembrandtstraat,

19

maar het ontsluiten van het appartementengebouw via die bestaande uitweg zou leiden tot een verlies aan parkeerplaatsen. Bovendien zijn de gronden waarop die uitweg ligt niet in eigendom van de initiatiefnemer. 24.2. Gelet op de gegeven toelichting heeft de raad zich op het standpunt mogen stellen dat het plan niet leidt tot een verkeersonveilige situatie. De Afdeling acht, gelet ook op de afstand tussen de heg en het fietspad, aannemelijk dat door de heg en de plataan het zicht vanuit de in-/uitrit niet onaanvaardbaar wordt belemmerd. Dat het enkelzijdige fietspad mogelijk in de toekomst een dubbelzijdig fietspad wordt, maakt ook niet dat daarom een verkeersonveilige situatie bij de ontsluiting zal ontstaan. Omdat aannemelijk is dat geen verkeersonveilige situatie zal ontstaan, heeft de raad geen aanleiding hoeven zien om het plangebied op een andere wijze te ontsluiten dan waarvoor nu is gekozen. De betogen slagen niet. Planbegrenzing 25. [appellant sub 4] betoogt dat de begrenzing van het plan niet strekt tot een goede ruimtelijke ordening. Hij voert daarover aan dat de raad zijn perceel in het plan had moeten opnemen, omdat onder het geldende bestemmingsplan "Voorthuizen-Centrum" een maatschappelijke bestemming op zijn gronden rust, terwijl feitelijk sprake is van wonen en niet van maatschappelijk gebruik.

Verder wijst [appellant sub 4] erop dat zijn perceel wel in het voorontwerpbestemmingsplan was opgenomen, maar dat de raad zijn perceel zonder overleg uit het vastgestelde plan heeft gehaald. 25.1. De raad heeft in het verweerschrift toegelicht dat het perceel van [appellant sub 4] in het voorontwerpbestemmingsplan was opgenomen, omdat toen nog geen duidelijkheid bestond over een eventueel door [appellant sub 4] gegeven machtiging aan de initiatiefnemer van het plan. Omdat [appellant sub 4] een dergelijke volmacht niet heeft ondertekend, is zijn perceel niet opgenomen in het definitief vastgestelde plan, aldus de raad. 25.2. De raad komt beleidsruimte toe bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze ruimte is echter niet zo groot dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In wat [appellant sub 4] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet op het standpunt heeft mogen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing een goede ruimtelijke ordening dient. Niet is gebleken dat tussen het perceel van [appellant sub 4] en het plangebied een zodanige ruimtelijke samenhang bestaat dat er aanleiding is voor een ander oordeel. Daarover overweegt de Afdeling als volgt. Het perceel van [appellant sub 4] was opgenomen in het voorontwerpbestemmingsplan.

Aan een voorontwerpbestemmingsplan kunnen echter geen rechten worden ontleend, zodat de raad daardoor niet gehouden was het perceel ook op te nemen in het vastgestelde plan. De raad was evenmin ertoe verplicht om te overleggen met [appellant sub 4] over de wijziging van de plangrens. Het plegen van overleg maakt geen deel uit van de in de Wro en het Bro geregelde bestemmingsplanprocedure. Dat [appellant sub 4] zijn perceel anders gebruikt dan waarvoor het bestemd is, maakt evenmin dat de raad daarom zijn perceel in het voorliggende plan had moeten opnemen. Daarbij merkt de Afdeling op dat de vaststelling van het plan er niet aan in de weg staat dat [appellant sub 4] een verzoek kan indienen om de planregeling voor zijn perceel te herzien.

20

Het betoog slaagt niet. Bestemming "Wonen - 2" 26. De stichting en anderen en [appellant sub 2] betogen dat de raad de bouwmogelijkheden voor de gronden buiten het bouwvlak met bestemming "Wonen - 2" had moeten beperken. Door die bestemming liggen er ook bouwmogelijkheden op de gronden grenzend aan de Rembrandtstraat. Om verstedelijking te voorkomen, had moeten worden uitgesloten dat op die gronden kan worden gebouwd, aldus de stichting en anderen en [appellant sub 2]. 26.1. Op de gronden langs de Rembrandtstraat, en op de gronden waarop het appartementengebouw is voorzien, rust de bestemming "Wonen - 2". Uit artikel 6.1 van de planregels volgt die gronden onder meer bestemd zijn voor bijgebouwen. Artikel 6.2.2 van de planregels stelt nadere regels over de afmetingen van onder meer aan- en uitbouwen en bijgebouwen. 26.2. De raad heeft op de zitting het standpunt ingenomen dat niet is beoogd op de gronden met de bestemming "Wonen - 2" buiten het bouwvlak aan- en uitbouwen en bijgebouwen toe te staan. Omdat de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiervoor aanleiding hebben gegeven, is het bestreden besluit wat betreft dit onderdeel niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid. De betogen slagen. 26.3.

Op de zitting is de mogelijkheid besproken of de Afdeling op dit punt zelf in de zaak kan voorzien. Onder 34 wordt dit besproken. Omgevingsvergunning Monumentenvergunning 27. De stichting en anderen, [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 4] betogen dat de omgevingsvergunning voor het wijzigen van een gemeentelijk monument in strijd met artikel 2.18 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo), in samenhang gelezen met artikel 14 van de Erfgoedverordening gemeente Barneveld (hierna: de Erfgoedverordening) is verleend. Daarover voeren de stichting en anderen en [appellant sub 2] aan dat het advies van de monumentencommissie leidend is bij de vraag of het belang van de monumentenzorg zich verzet tegen vergunningverlening en dat het college het negatieve monumentenadvies daarom niet zonder meer naast zich neer mocht leggen. Het college had volgens hen op z’n minst een tegenrapport moeten laten opstellen. Dat het college in het verleden een principetoezegging heeft gedaan, is volgens hen geen reden om van het advies van de monumentencommissie af te wijken, omdat het belang bij behoud van de monumentale waarden zwaarder dient te wegen dan het belang bij verlening van de vergunning. 27.1.

Uit artikel 2.18 van de Wabo, gelezen in samenhang met artikel 14 van de Erfgoedverordening, volgt dat een omgevingsvergunning voor het veranderen van een beschermd monument slechts kan worden verleend als het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet. 27.2. Het college is, anders dan waar de stichting en anderen en [appellant sub 2] van uitgaan, niet gebonden aan een advies van de monumentencommissie en hoeft daarom ook niet, als het dat advies niet volgt, een nader onderzoek te (laten) verrichten. Het college moet

21

zijn besluit over vergunningverlening voor het wijzigen van een beschermd monument wel motiveren. Dat heeft het college in dit geval gedaan door aan de omgevingsvergunning een motivering ten grondslag te leggen waarom het aanleiding ziet om van het negatieve monumentenadvies af te wijken. Dat in het verleden aan de initiatiefnemer principetoezeggingen zijn gedaan is voor het college niet de enige reden geweest om van het negatieve monumentenadvies af te wijken. In de motivering zijn immers ook andere omstandigheden genoemd waarom het college in dit geval aanleiding heeft gezien om het monumentenadvies niet te volgen, zoals de relatief beperkte aantasting van de pastorietuin en de maatschappelijke en economische belangen bij het realiseren van het aangevraagde bouwplan. Gelet op de afweging die het college heeft gemaakt in die motivering is de Afdeling van oordeel dat het college het belang bij het realiseren van het bouwplan zwaarder heeft mogen laten wegen dan het belang bij behoud van de beschermde pastorietuin. De conclusie is dat het college de omgevingsvergunning tot wijzigen van een beschermd monument heeft mogen verlenen, omdat het belang van de monumentenzorg zich daar niet tegen verzet. De betogen slagen niet. Kapvergunning 28.

De stichting en anderen en [appellant sub 2] betogen dat het college in strijd met artikel 4:11 van de Algemene plaatselijke verordening gemeente Barneveld (hierna: Apv) een omgevingsvergunning voor de kap van 59 bomen heeft verleend. Zij voeren daarover aan dat een afweging ontbreekt over de in artikel 4:11 van de Apv genoemde waarden. Meerdere bomen waarvoor de kapvergunning is verleend zijn ruimtelijk van betekenis, zijn van waarde voor de flora en fauna in het gebied en hebben cultuurhistorische en monumentale waarde. Het college had daarom aan het belang bij behoud van de bomen doorslaggevend gewicht moeten toekennen en de kapvergunning moeten weigeren, aldus de stichting en anderen en [appellant sub 2]. 28.1. Uit artikel 2.18 van de Wabo, gelezen in samenhang met artikel 4:11, vierde lid, van de Apv volgt dat een omgevingsvergunning voor het kappen van bomen slechts geweigerd kan worden op grond van de natuurwaarde, de ruimtelijke betekenis, de cultuurhistorische/monumentale waarde of de waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand. 28.2. In het besluit van 14 oktober 2021 heeft het college de in artikel 4:11, vierde lid, van de Apv genoemde weigeringsgronden genoemd, per weigeringsgrond een toelichting gegeven en ten slotte een afweging gemaakt op basis van die weigeringsgronden.

Het betoog dat een afweging op grond van artikel 4:11 van de Apv ontbreekt, treft dan ook geen doel. Het college heeft weliswaar geconstateerd dat een aantal bomen enige natuurwaarde heeft en 7 bomen cultuurhistorisch en monumentaal van waarde zijn, maar dat de conditie van de bomen over het algemeen matig is, en de toekomstverwachting voor die bomen daarom 5 tot 10 jaar is. Onder die omstandigheden heeft het college naar het oordeel van de Afdeling de kapvergunning mogen verlenen. De betogen slagen niet. In-/uitrit 29. De stichting en anderen en [appellant sub 2] betogen dat de omgevingsvergunning voor

22

het aanleggen van een in-/uitrit in strijd met artikel 1:8 van de Apv is verleend. Zij voeren daarover aan dat de in-/uitrit leidt tot een verkeersonveilige situatie, vanwege de omstandigheden die zij onder 24 naar voren hebben gebracht. Ook is de in-/uitrit niet noodzakelijk, omdat een andere bestaande uitweg kan worden gebruikt voor de ontsluiting naar het appartementengebouw, aldus de stichting en anderen en [appellant sub 2]. 29.1. Artikel 1:8 van de Apv bevat weigeringsgronden voor een aangevraagde vergunning of ontheffing. Artikel 2:12 van de Apv gaat over het maken of veranderen van een uitweg. In het tweede lid van dat artikel is bepaald dat in afwijking van artikel 1:8 de vergunning voor het maken van een uitweg onder meer wordt geweigerd ter voorkoming van gevaar voor het verkeer op de weg en als voor de aanleg van de uitweg onvoldoende noodzaak bestaat. 29.2. De Afdeling begrijpt het betoog van de stichting en anderen en [appellant sub 2] zo dat volgens hen de omgevingsvergunning voor het aanleggen van een in-/uitrit in strijd met artikel 2:12 van de Apv is verleend. Onder 24.1 is verwezen naar de toelichting in het verweerschrift over de verkeersveiligheid en de wijze van ontsluiten door middel van de voorziene in-/uitrit.

Gelet op wat onder 24.2 daarover is overwogen, ziet de Afdeling geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het college de omgevingsvergunning voor de aanleg van een uitweg had moeten weigeren vanwege de verkeersveiligheid of omdat onvoldoende noodzaak daartoe bestaat. De betogen slagen niet. Relativiteit 30. Voor zover in deze uitspraak tot dusver is geoordeeld dat een beroepsgrond niet slaagt en niet uitdrukkelijk op de toepassing van artikel 8:69a van de Awb is ingegaan, heeft de Afdeling zich niet uitgesproken over de vraag of dat artikel aan vernietiging van het bestreden besluit in de weg staat. Besluit hogere waarden Relativiteit 31. De beroepen van appellanten richten zich ook tegen het besluit hogere waarden. 31.1. De Afdeling ziet zich, zoals ook tijdens de zitting aan de orde is gekomen, gesteld voor de vraag of in zoverre het zogenoemde relativiteitsvereiste aan appellanten dient te worden tegengeworpen. Hierover overweegt de Afdeling het volgende. 31.2. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) blijkt dat de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis heeft willen stellen dat er een verband is tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad.

De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van degene die in (hoger) beroep komt. Dit wordt het relativiteitsvereiste genoemd. 31.3. De regeling in de Wgh strekt ertoe dat bij besluit wordt vastgesteld welke geluidbelasting - na het zo mogelijk treffen van maatregelen - bij de voorziene woningen maximaal mag optreden. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706, onder 10.93 en 10.94, strekt de regeling daarmee tot bescherming van de toekomstige bewoners van de te bouwen woningen.

23

31.4. De stichting en anderen, [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 4] zijn geen eigenaren van een van de woningen waarvoor hogere waarden zijn vastgesteld en ook is niet gebleken van concrete interesse in de koop en/of bewoning van een van de woningen die in het plan zijn voorzien. Onder deze omstandigheden strekt de regeling van de Wgh naar het oordeel van de Afdeling kennelijk niet tot bescherming van hun belangen, zodat wat zij aanvoeren tegen het besluit hogere waarden niet kan leiden tot vernietiging van dat besluit. Daarom ziet de Afdeling af van een inhoudelijke bespreking van de beroepen. Conclusie Beroepen tegen het bestemmingsplan 32. De beroepen van [appellant sub 3] en [appellant sub 4], voor zover gericht tegen het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan, zijn ongegrond. 33. Gelet op wat onder 26.2 is overwogen, zijn de beroepen van de stichting en anderen en [appellant sub 2], voor zover gericht tegen het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan, gegrond. Dat besluit moet worden vernietigd voor zover voor de gronden met de bestemming "Wonen - 2" niet is uitgesloten dat aan- en uitbouwen alsmede bijgebouwen mogen worden opgericht buiten het bouwvlak. Zelf voorzien? 34. Op de zitting is de mogelijkheid besproken of de Afdeling op dit punt zelf in de zaak kan voorzien.

In dat kader heeft de Afdeling het onderzoek na de zitting heropend, om partijen in de gelegenheid te stellen te reageren op de mogelijkheid om het geconstateerde gebrek te herstellen. 35. De raad heeft de Afdeling verzocht het geconstateerde gebrek te herstellen overeenkomstig zijn voorstel in zijn reactie van 11 mei 2022. De raad heeft voorgesteld om op de verbeelding de aanduiding "maximum oppervlakte (0m2)" op te nemen en artikel 6.2.2, onder d, onder 1 en 2, van de planregels te vervangen door het volgende tekstvoorstel: "de totale oppervlakte van aan- en uitbouwen en overige bijgebouwen mag - voor zover gesitueerd buiten het bouwvlak - niet meer bedragen dan 20% van het bouwperceel met dien verstande dat de totale oppervlakte niet meer dan 30 m2 per woning mag bedragen, uitgezonderd ter plaatse van de aanduiding 'maximum oppervlakte (m2)', want daar geldt dat de totale oppervlakte niet meer mag bedragen dan op de verbeelding is weergegeven." De stichting en anderen, [appellant sub 2] en [appellant sub 3] hebben een reactie op dat voorstel ingestuurd. 36. De Afdeling ziet zich gesteld voor de vraag of, in het licht van wat de stichting en anderen, [appellant sub 2] en [appellant sub 3] in reactie op het voorstel van de raad naar voren hebben gebracht, zij zelf in de zaak kan voorzien.

De stichting en anderen, [appellant sub 2] en [appellant sub 3] hebben er in hun reactie opnieuw op gewezen dat zij vrezen voor een verdere verstedelijking van het plangebied als gevolg van de bouwmogelijkheden in het plan. Volgens de stichting en anderen en [appellant sub 2] is het voorstel van de raad niet voldoende om de bouwmogelijkheden buiten het bouwvlak op de gronden richting de Rembrandtstraat met de bestemming "Wonen - 2" in te perken. [appellant sub 3] wijst op de aantasting van het groen in het plangebied, die met het voorstel van de raad niet wordt verminderd.

24

Naar het oordeel van de Afdeling sluit het voorstel van de raad in beginsel in voldoende mate de bouwmogelijkheden buiten het bouwvlak op de gronden richting de Rembrandtstraat met de bestemming "Wonen - 2" uit. Over de aantasting van het groen als gevolg van het plan heeft de Afdeling onder 15.2 overwogen dat die aantasting niet onaanvaardbaar is. Het voorstel van de raad leidt niet tot een verdere aantasting van het groen. Over de stelling van [appellant sub 3] dat het voorstel niet rechtsgeldig is omdat dit niet besproken is in een vergadering van de raad, overweegt de Afdeling dat het stuk waarin het voorstel is gedaan is ingediend door een gemachtigde namens de raad. Dat dat voorstel niet is besproken in een vergadering van de raad, wat daar ook van zij, maakt niet dat het stuk van 11 mei 2022 daarom niet aan de raad kan worden toegeschreven. De Afdeling is desondanks, met de stichting en anderen en [appellant sub 2], van oordeel dat het voorstel van de raad onvoldoende duidelijk is om zelf in de zaak te kunnen voorzien.

De raad heeft niet geconcretiseerd, bijvoorbeeld door een afbeelding van een aangepaste verbeelding, waar de aanduiding "maximum oppervlakte (0m2)" op de verbeelding moet worden opgenomen, terwijl de tekst van het gewijzigd voorgestelde artikel 6.2.2, onder d, van de planregels lijkt te impliceren dat die aanduiding niet op de verbeelding voor het gehele plandeel met de bestemming "Wonen - 2" moet worden opgenomen. De Afdeling zal gelet op het voorgaande niet zelf in de zaak voorzien als bedoeld in artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb. Opdracht 37. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb de raad op te dragen om voor dit vernietigde planonderdeel, met inachtneming van deze uitspraak, een nieuw bestemmingsplan vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen. Het door de raad te nemen nieuwe besluit behoeft niet overeenkomstig afdeling 3.4 van de Awb te worden voorbereid. Beroepen tegen de omgevingsvergunning 38. De beroepen, voor zover gericht tegen de omgevingsvergunning van 14 oktober 2021, zijn ongegrond. Beroepen tegen het besluit hogere waarden 39. De beroepen, zover gericht tegen het besluit hogere waarden, zijn ongegrond. Proceskosten 40. De raad moet de proceskosten van de stichting en anderen en [appellant sub 2] vergoeden.

Omdat zij zijn vertegenwoordigd door dezelfde gemachtigde, door deze gemachtigde (nagenoeg) identieke beroepschriften en nadere stukken zijn ingediend en zij ter zitting zijn bijgestaan door deze gemachtigde, wordt aan elk van hen de helft toegekend van de vergoeding voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De raad en het college hoeven de proceskosten van [appellant sub 3] en [appellant sub 4] niet te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart de beroepen van De Nederlandse Tuinenstichting en anderen en B. [appellant sub

25

2] tegen het besluit van de raad van de gemeente Barneveld van 6 oktober 2021 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Kerkstraat-Rembrandtstraat" gegrond; II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Barneveld van 6 oktober 2021 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Kerkstraat-Rembrandtstraat", voor zover voor de gronden met de bestemming "Wonen - 2" niet is uitgesloten dat aan- en uitbouwen alsmede bijgebouwen mogen worden opgericht buiten het bouwvlak; III. draagt de raad van de gemeente Barneveld op om binnen 10 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken; IV. verklaart de beroepen van [appellant sub 3] en [appellant sub 4] tegen het besluit van de raad van de gemeente Barneveld van 6 oktober 2021 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Kerkstraat-Rembrandtstraat" ongegrond; V. verklaart de beroepen tegen de besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Barneveld van 6 oktober 2021, tot vaststelling van hogere waarden, en van 14 oktober 2021, tot verlening van de omgevingsvergunning, ongegrond; VI. veroordeelt de raad van de gemeente Barneveld tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van de beroepen opgekomen proceskosten tot: a.

een bedrag van € 948,75 aan De Nederlandse Tuinenstichting en anderen, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, waarbij geldt dat de raad bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan; b. een bedrag van € 993,35 aan [appellant sub 2], waarvan € 948,75 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; VII. gelast dat de raad van de gemeente Barneveld aan: a. De Nederlandse Tuinenstichting en anderen het door hen voor de behandeling van hun beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 360,00 vergoedt, waarbij geldt dat de raad bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan; b. [appellant sub 2] het door hem voor de behandeling van zijn beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 181,00 vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, voorzitter, en mr. B. Meijer en mr. J.M.L. Niederer, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.L.M. van Loo, griffier. w.g. Wortmann voorzitter w.g. Van Loo griffier Uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2022 418-971

BIJLAGE Algemene wet bestuursrecht

26

Artikel 8:68 1. Indien de bestuursrechter van oordeel is dat het onderzoek niet volledig is geweest, kan hij het heropenen. De bestuursrechter bepaalt daarbij op welke wijze het onderzoek wordt voortgezet. […] Artikel 8:69a De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept. Artikel 8:72 […] 3. De bestuursrechter kan bepalen dat: a. de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit of het vernietigde gedeelte daarvan geheel of gedeeltelijk in stand blijven, of b. zijn uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit of het vernietigde gedeelte daarvan. 4. De bestuursrechter kan, indien toepassing van het derde lid niet mogelijk is, het bestuursorgaan opdragen een nieuw besluit te nemen of een andere handeling te verrichten met inachtneming van zijn aanwijzingen. Daarbij kan hij: a. bepalen dat wettelijke voorschriften over de voorbereiding van het nieuwe besluit of de andere handeling geheel of gedeeltelijk buiten toepassing blijven; b. het bestuursorgaan een termijn stellen voor het nemen van het nieuwe besluit of het verrichten van de andere handeling. […]. Wet milieubeheer Artikel 5.16 1.

Bestuursorganen maken bij de uitoefening van een in het tweede lid bedoelde bevoegdheid of toepassing van een daar bedoeld wettelijk voorschrift, welke uitoefening of toepassing gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, gebruik van een of meer van de volgende gronden en maken daarbij aannemelijk: […] c. dat een uitoefening of toepassing, rekening houdend met de effecten op de luchtkwaliteit van onlosmakelijk met die uitoefening of toepassing samenhangende maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit, niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie in de buitenlucht van een stof waarvoor in bijlage 2 een grenswaarde is opgenomen; […] 4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent

27

het in betekenende mate bijdragen als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder c, waaronder begrepen het aanwijzen van categorieën van gevallen die in ieder geval al dan niet in betekenende mate bijdragen in de daar bedoelde zin. […] Artikel 7.2a 1. Een milieueffectrapport wordt gemaakt bij de voorbereiding van een op grond van een wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling verplicht vast te stellen plan waarvoor, in verband met een daarin opgenomen activiteit, een passende beoordeling moet worden gemaakt op grond van artikel 2.8, eerste lid, van de Wet natuurbescherming. […]. Wet natuurbescherming Artikel 2.7 1. Een bestuursorgaan stelt een plan dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, en dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, uitsluitend vast indien is voldaan aan artikel 2.8. […] Artikel 2.8 1. Voor een plan als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, of een project als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, maakt het bestuursorgaan, onderscheidenlijk de aanvrager van de vergunning, een passende beoordeling van de gevolgen voor het Natura 2000-gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied. […]. Besluit ruimtelijke ordening Artikel 3.1.6 […] 2.

De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. […]. Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) Artikel 4 1. Bij ministeriële regeling kunnen categorieën van gevallen worden aangewezen, waarin de uitoefening van een of meer bevoegdheden of toepassing van een of meer wettelijke voorschriften in ieder geval niet in betekenende mate bijdraagt. […].

28

Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) Artikel 4 1. Aangewezen krachtens artikel 4, eerste lid, van het Besluit worden de in bijlage 3A genoemde categorieën van gevallen waarin de uitoefening van een of meer bevoegdheden of toepassing van een of meer wettelijk voorschriften betrekking heeft op een kantoorlocatie, woningbouwlocatie of combinatie daarvan. […] Bijlage 3a […] Voorschrift 3A.2 (Woningbouwlocaties) Aangewezen ingevolge artikel 4, eerste lid, worden woningbouwlocaties, indien een dergelijke locatie, in geval van één ontsluitingsweg, netto niet meer dan 1500 nieuwe woningen omvat, dan wel, in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling, netto niet meer dan 3000 woningen omvat. […]. Omgevingsverordening Gelderland Artikel 2.1 […] 3. Als nog geen regionale woonagenda is vastgesteld of een noodzakelijke actualisatie van de vigerende regionale woonagenda nog niet heeft plaatsgevonden, beoordelen Gedeputeerde Staten, totdat die regionale woonagenda is vastgesteld of na actualisering opnieuw is vastgesteld een bestemmingsplan dat nieuwe woningen mogelijk maakt aan de volgende criteria: a. er wordt voldaan aan de eisen van de Ladder voor duurzame verstedelijking; b. de ontwikkeling past binnen het meest recente provinciale beleid; c. er heeft aantoonbaar regionale afstemming plaatsgevonden over deze ontwikkeling.

Artikel 2.2 1. Een bestemmingsplan maakt nieuwe woningen alleen mogelijk als die ontwikkeling past binnen een door Gedeputeerde Staten vastgestelde regionale woonagenda. 2. Als een ontwikkeling niet past binnen de vigerende regionale woonagenda, kan een bestemmingsplan vooruitlopend op de eerstvolgende actualisatie van de regionale woonagenda nieuwe woningen toch mogelijk maken onder de volgende voorwaarden: a. er wordt voldaan aan de eisen van de Ladder voor duurzame verstedelijking; b. de ontwikkeling past binnen het meest recente provinciale beleid; c. er heeft aantoonbaar regionale afstemming plaatsgevonden over deze ontwikkeling, en d. Gedeputeerde Staten stemmen in met deze ontwikkeling.

29

Algemene plaatselijke verordening gemeente Barneveld Artikel 2:12 […] 2. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning slechts geweigerd worden: a. ter voorkoming van gevaar voor het verkeer op de weg; b. als de uitweg zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeergelegenheid; c. als door de uitweg het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; of d. als er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze extra uitweg ten koste gaat van een openbare parkeergelegenheid of het openbaar groen, of er voor die aanleg onvoldoende noodzaak is. […] Artikel 4:11 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag houtopstand te vellen of te doen vellen. […] 4. In afwijking van artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd op grond van: a. de natuurwaarde van de houtopstand; b. de ruimtelijke betekenis van de houtopstand; c. de cultuurhistorische/monumentale waarde van de houtopstand; of d. de waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand. […]. Erfgoedverordening gemeente Barneveld Artikel 14 1. De vergunning kan slechts worden verleend als het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet. […].

Bestemmingsplan "Kerkstraat-Rembrandtstraat" Artikel 6.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Wonen - 2' aangewezen gronden zijn bestemd voor: […] met de daarbij behorende: e. bijgebouwen; […]

30

g. bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 6.2.2 Aan- en uitbouwen, bijgebouwen, balkons en ondergeschikte bouwdelen Voor het bouwen van aan- en uitbouwen, overige bijgebouwen, balkons en ondergeschikte bouwdelen gelden de volgende bepalingen: […] d. de totale oppervlakte van aan- en uitbouwen en overige bijgebouwen mag - voor zover gesitueerd buiten het bouwvlak - niet meer bedragen dan 20% van het bouwperceel met dien verstande dat; 1. de totale oppervlakte van bijgebouwen niet meer dan 30 m² per woning mag bedragen, uitgezonderd ter plaatse van de aanduiding 'maximum oppervlakte (m2)', want daar geldt dat de totale oppervlakte niet meer mag bedragen dan op de verbeelding is weergegeven; […] Artikel 10.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Cultureel erfgoed' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(-en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van op die grond aanwezig cultureel erfgoed. Artikel 10.4 Specifieke gebruiksregels Tot gebruik strijdig met deze bestemming, wordt in ieder geval gerekend: 1. het gebruiken of laten gebruiken van gronden en/of bouwwerken op een wijze of tot een doel ten gevolge waarvan de aanwezige cultuurhistorische waarden worden aangetast; 2.

het parkeren van motorvoertuigen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - parkeren uitgesloten' Artikel 14.1.2 Overige zone - voorwaardelijke verplichting 2 Ter plaatse van de aanduiding 'Overige zone - voorwaardelijke verplichting 2' geldt - in afwijking van de daar geldende bestemming(en) - dat het gebruik volgens de bestemming(en) alleen is toegestaan op voorwaarde dat binnen twee jaar na het onherroepelijk worden van de omgevingsvergunning voor het bouwen van het appartementengebouw, als bedoeld in artikel 6.2.1, de landschappelijke inpassing aan de zijde van de Rembrandtstraat (haagbeuk, dubbele rij, minimaal 7 planten per strekkende meter en minimaal één meter hoog) binnen deze aanduidingsgrens is ingericht en vervolgens ingericht blijft. Artikel 15 Algemene afwijkingsregels 1. Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het plan: […] b. ten behoeve van het bouwen in afwijking van de bepalingen ten aanzien van de afmetingen van de bebouwing, waaronder begrepen bebouwingspercentages, mits de afwijkingen beperkt blijven tot ten hoogste 10% van de bij recht in het plan weergegeven maten. […].

31

32

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Barneveld&id=e6f7e970-a6d0-4ffa-92a0-d41303d93501