Bestemmingsplan Essenerweg-Laageinderweg (vaststellen.pdf
Tekst van het document
Groepsrisico (GR) Dit is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht.
Plasbrandaandachtsgebied (PAG) Binnen het werkveld externe veiligheid wordt sinds jaren gewerkt met twee risiconormen, het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Bij de ontwikkeling van het Basisnet is hieraan een derde voorwaarde toegevoegd: het plasbrandaandachtsgebied (PAG). Hiermee wordt het effectgebied weergegeven van het scenario met de grootste kans van voorkomen: de plasbrand. In deze gebieden moet 24
"Essenerweg-Laageinderweg" (vastgesteld)
Essenerweg-Laageinderweg er in samenhang met mogelijkheden van plasbrandbestrijding en bouwtechnische maatregelen beargumenteerd worden waarom er gebouwd wordt.
Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen Op 1 april 2015 is het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen van kracht geworden. Dit Basisnet geeft aan over welke routes (spoor, water en weg) gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Het Basisnet spoor heeft betrekking op het vervoer van gevaarlijke stoffen over het hoofdspoorwegennet. Op basis van de wet- en regelgeving omtrent het Basisnet worden, rekening houdend met te verwachten groei van vervoer van gevaarlijke stoffen door Nederland en verdichting van de ruimte naast het spoor (binnen een afstand van 200 m van het spoor) in met name stedelijke kernen, afspraken gemaakt over de risicoruimte.
Beleidsvisie externe veiligheid In 2009 heeft de gemeente Barneveld de 'Beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld. In deze visie is onder meer vastgelegd hoe in Barneveld nabij risicobronnen zal worden omgegaan met het veiligstellen van een acceptabel niveau van risico's externe veiligheid en beheersbaarheid.
Beoordeling risicobronnen Ten aanzien van het aspect externe veiligheid geldt dat er geen risicobronnen in de directe nabijheid aanwezig zijn. Externe veiligheid is derhalve wel/geen relevant milieuaspect.
Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavig plan.
5.5
Geluid
De basis voor de ruimtelijke afweging van geluid is de Wet geluidhinder (Wgh). Bij verlening van de omgevingsvergunning of het vaststellen van een bestemmingsplan komen in de volgende gevallen de regels van deze wet aan de orde: het bestemmen van gronden voor nieuwe geluidgevoelige objecten (bijvoorbeeld woningen en onderwijsgebouwen) binnen zones langs (spoor-)wegen en zones rondom industrieterreinen; het bestemmen van gronden voor de aanleg van nieuwe, dan wel reconstructie van gezoneerde (spoor-)wegen; het bestemmen van gronden voor (nieuwe) industrieterreinen waar zich grote lawaaimakers kunnen vestigen en herziening van zonegrenzen van industrieterreinen. De Wet geluidhinder gaat uit van zones langs (spoor-)wegen en zones bij industrieterreinen. Het gebied binnen deze zone geldt als akoestisch aandachtsgebied waar, voor bouwplannen en bestemmingsplannen, een akoestische toetsing uitgevoerd dient te worden. De geluidbelasting op de gevels van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen mag in principe niet meer bedragen dan de voorkeursgrenswaarde. Indien de geluidbelasting op de gevel hoger is dan de voorkeursgrenswaarde kan onder bepaalde voorwaarden een verzoek worden gedaan tot vaststelling van een hogere waarde. Hierbij mag de geluidbelasting de uiterste grenswaarde niet overschrijden.
De voorkeursgrenswaarde en uiterste grenswaarde voor nieuwe of bestaande geluidgevoelige bestemmingen verschillen per geluidsbron. In geval van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen binnen zones langs wegen of spoorwegen, of binnen de zone van een industrieterrein, is akoestisch onderzoek vereist. De nieuwe woonfunctie is op grond van de Wet geluidhinder aangewezen als geluidgevoelige bestemming. Daarom dient de geluidbelasting vanwege het wegverkeer te worden getoetst aan de grenswaarden uit de Wet geluidhinder in samenhang met het geldende geluidsbeleid "Beleidsregels hogere grenswaarden Wet geluidhinder Barneveld 2009". Het bouwplan is gelegen binnen de zone van de Essenerweg en de Laageinderweg. De geluidsbelasting van deze wegen is onderzocht (Zie hiervoor Bijlage 4).
"Essenerweg-Laageinderweg" (vastgesteld)
25
Essenerweg-Laageinderweg
Uit bovenstaande onderzoek blijkt dat, wat betreft het verkeer over de Essenerweg op de gevels van de woning de voorkeursgrenswaarde van 48 dB(A) niet wordt overschreden. Vanwege het verkeer over de Laageinderweg wordt de voorkeursgrenswaarde wel overschreden. De maximale grenswaarde wordt niet overschreden en er is sprake van een geluidluwe zijde (achtergevel). Er moet zal een hogere grenswaarde worden vastgesteld. De Wet geluidhinder schrijft voor om bronmaatregelen, overdrachtsmaatregelen en maatregelen bij de ontvanger te onderzoeken. Ten aanzien2 hiervan merken we het volgende op: Het plaatsen van een scherm langs de Laageinderweg is vanuit stedenbouwkundig oogpunt niet gewenst en ook vanuit financieel oogpunt niet realistisch. Het vervangen van het wegdek wordt, gezien het hier de realisatie van één woning betreft, financieel als geen realistische maatregel gezien. Door de afstand van de woning tot de Laageinderweg te vergroten kan nog een geluidreductie worden bereikt. Een grotere afstand beperkt het ruimtegebruik achter de woning en wordt niet wenselijk geacht mede gezien de invloed van bedrijfsactiviteiten grenzend aan de achterzijde van het perceel. Het is vanuit architectonisch en stedenbouwkundig oogpunt niet gewenst om bij deze woning een geluidscherm aan de gevel te plaatsen waardoor geen sprake is van een geluidbelaste gevel.
Het toepassen van dove gevels wordt normaliter alleen toegepast als de ten hoogst toelaatbare geluidbelasting overschreden wordt. Dit is hier niet het geval. Bovendien legt een dove gevel beperkingen op aan de indeling van de woning en het uiterlijk van de gevel. Bij de nieuwe woning zal voldaan worden aan de inspanningsverplichtingen uit het geluidbeleid van de gemeente ten aanzien van de geluidluwe gevel en de buitenruimte (aan de geluidluwe zijde). De geluidbelasting vanwege het verkeer over de Laageinderweg bedraagt na aftrek 52 dB Lden. Dit betekent dat de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden en een hogere grenswaarde moet worden vastgesteld. Om te voldoen aan de eisen van het bouwbesluit mag de grenswaarde van het geluidniveau in de geluidgevoelige ruimten van de nieuw te realiseren woningen daarbij maximaal 33 dB bedragen. De gevel van de nieuwbouw heeft een grotere reductie dan 20dB waardoor dit te realiseren is. Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Conclusie Door het vaststellen van een hogere waarde is het aspect geluid geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.
5.6
Geur
Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan toetst het bevoegde gezag enerzijds of in het plangebied een qua geur acceptabel woon- en leefklimaat gegarandeerd is. Anderzijds is het uitgangspunt dat met het plan de omliggende bedrijven niet vergaand in hun ontwikkelingsmogelijkheden mogen worden beperkt. Uitgangspunt voor de toetsing zijn de normen zoals die in of op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) zijn vastgelegd. De Wgv maakt het mogelijk om bij verordening af te wijken van de wettelijke geurnormen. De gemeente Barneveld heeft van die mogelijkheid gebruik gemaakt (bij besluit van 7 oktober 2008). Op 18 oktober 2008 is de Verordening geurhinder en veehouderij in werking getreden, waarbij voor een aantal aangegeven delen van het grondgebied van Barneveld andere normen dan de wettelijke zijn vastgesteld. Op 15 december 2021 is er een nieuwe Verordening door de raad vastgesteld en is de Verordening geur en veehouderij (vastgesteld op 7 oktober 2008) ingetrokken. Deze nieuwe Verordening geurhinder en veehouderij is in werking getreden op 24 december 2021, waarbij opnieuw voor een aantal aangegeven delen van het grondgebied van Barneveld andere normen dan de wettelijke zijn vastgesteld. Het plan is getoetst aan de normen die zijn vastgesteld in deze verordening, voor zover deze normen van toepassing zijn in of rond het plangebied.
Veel bedrijven hebben geen omgevingsvergunning milieu meer nodig, maar vallen onder algemene milieuregels zoals vastgelegd in het Activiteitenbesluit milieubeheer. Aangezien de geurnormen uit de Wgv vrijwel één op één zijn overgenomen in het Activiteitenbesluit, kunnen bedrijven die onder dit besluit vallen ook gewoon worden meegenomen in de Wgv-toets. 26
"Essenerweg-Laageinderweg" (vastgesteld)
Essenerweg-Laageinderweg
Onder een 'geurgevoelig object' wordt verstaan: een gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt. Aan de Laageinderweg 4 ligt een agrarisch bedrijf. Dit bedrijf wordt reeds belemmerd door andere geurgevoelige objecten in de omgeving. Omdat de nieuwe woning dichterbij komt dan de bestaande geurgevoelige objecten kan deze als meest belemmerend gezien worden. Omdat er geen uitbereidingsmogelijkheden voor het bedrijf zijn en de eigenaar heeft aangegeven dat hij geen bezwaar heeft tegen de nieuwbouw, staat dit de bouw van de woning niet in de weg. Conclusie Door de bouw worden geen agrarische bedrijven gehinderd. Tevens is er qua achtergrondbelasting van geur sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat.
5.7
Ladder voor duurzame verstedelijking
In het Besluit ruimtelijke ordening is de verplichting opgenomen om in het geval van nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. Artikel 3.1.6, tweede lid Bro luidt per 1 juli 2017 als volgt: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwik keling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen (artikel 1.1.1, eerste lid, onder i van het Bro). De functieverandering van de voormalig agrarische opstal naar een bedrijfsruimte en de verplaatsing van de woning vallen niet onder 'stedelijke ontwikkeling'. Daarom is geen verdere toelichting vereist. Conclusie Geconcludeerd wordt dat in deze situatie sprake is van een duurzame stedelijke ontwikkeling.
5.8
Leidingen en laagvliegroutes
Binnen of in de directe nabijheid van het plangebied komen geen leidingen of beschermingszones van leidingen voor die in het kader van dit bestemmingsplan bescherming behoeven. Eveneens zijn er geen laagvliegroutes die beperkingen stellen aan de bouwhoogten.
5.9
Luchtkwaliteit
In de Wet milieubeheer zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen. Hierin is opgenomen dat bij een ruimtelijk besluit de gevolgen voor de luchtkwaliteit getoetst moet worden. Om te bepalen of de kwaliteit van de lucht ter plaatse voldoet aan de eisen uit de Wet milieubeheer en de daarop gebaseerde regelgeving, dient bij nieuwe ontwikkelingen onderzoek gedaan te worden naar de luchtkwaliteit. Projecten waarvan aannemelijk is dat deze niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging hoeven niet getoetst te worden aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. De ontwikkelingen in het plangebied zijn dermate kleinschalig, dat ze vallen binnen de randvoorwaarden van het Besluit Niet in Betekenende Mate Bijdragen. De invloed van deze kleinschalige ontwikkelingen "Essenerweg-Laageinderweg" (vastgesteld)
27
Essenerweg-Laageinderweg hoeven niet in beeld te worden gebracht. Conclusie Op basis van het voorgaande vormt luchtkwaliteit geen belemmering voor uitvoering van onderhavige plan.
5.10
Milieueffectrapportage
Niet voor alle nieuwe activiteiten hoeft een m.e.r.-procedure gevolgd te worden. Uitgangspunt van de m.e.r.-beoordeling is het 'nee, tenzij' -principe. Dat wil zeggen dat alleen een milieueffectrapport (MER) hoeft te worden opgesteld, wanneer er omstandigheden zijn die (waarschijnlijk) leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen. De Wet milieubeheer maakt onderscheid in een m.e.r.-procedure voor plannen (planMER) en voor besluiten (besluitMER of projectMER). Voor een bestemmingsplan kan zowel de plan-m.e.r.-plicht als de besluit-m.e.r.-plicht gelden. Er zijn drie sporen waarlangs de m.e.r.-plicht kan ontstaan: 1. Plan- en/of besluit-m.e.r.-plicht: als de voorgenomen activiteit vermeld is in het Besluit milieueffectrapportage; 2. Plan-m.e.r.-plicht: als voor het plan een zogeheten passende beoordeling op grond van de Wet natuurbescherming gemaakt moet worden. Dat is het geval als het plan significante negatieve gevolgen kan hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000 gebied; 3. Toetsing aan de provinciale milieuverordening. Besluit milieueffectrapportage De lijst van activiteiten in de onderdelen C en D van het Besluit bestaat uit vier kolommen. De eerste kolom bevat een omschrijving van de m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteiten. De tweede kolom vermeldt eventuele drempelwaarden.
Wettelijk kader Voor de vraag of een bestemmingplan besluit-m.e.r.-plichtig is, geldt dat het Besluit milieueffectrapportage onderscheid maakt naar m.e.r.-plichtige activiteiten en m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten. Onderdeel C van de bijlage bij dit Besluit vermeldt voor welke activiteiten altijd verplicht een MER moet worden opgesteld, voordat een (m.e.r.-plichtig) besluit mag worden genomen. In onderdeel D is vermeld welke activiteiten beoordelingsplichtig zijn. Voor dergelijke activiteiten moet het bevoegd gezag beoordelen of op basis van 'belangrijke nadelige gevolgen die de voorgenomen activiteit voor het milieu kan hebben', een m.e.r.-procedure noodzakelijk is. Daarbij geldt dat een bestemmingsplan alleen besluit-m.e.r.-plichtig is, als het bestemmingsplan in kolom 4 wordt genoemd. Voor de vraag of een bestemmingsplan plan-m.e.r.-plichtig is, geldt dat dit het geval is als het plan genoemd is in kolom 3 en activiteiten mogelijk maakt die in onderdeel C en D, kolom 1 vermeld zijn en voldoen aan de in kolom 2 genoemde drempelwaarden. Als een bestemmingsplan een activiteit mogelijk maakt die Besluit-m.e.r.-plichtig is op grond van de uitkomst van een toets van een activiteit die onder de drempelwaarden blijft, dan is dat bestemmingsplan alsnog plan-m.e.r.-plichtig. Het maakt dan immers een (besluit) m.e.r.-plichtige activiteit mogelijk.
Voor zowel de plan-m.e.r.- als besluit-m.e.r.-plicht geldt dat als de activiteit onder de drempelwaarden uit kolom 2 van bijlage D blijft, met een vormvrije m.e.r. beoordeeld moet worden of alsnog een MER moet worden opgesteld. De centrale vraag die daarbij beantwoord moet worden is of er omstandigheden zijn die (waarschijnlijk) leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen. Daarbij moet in ieder geval worden getoetst aan de criteria die opgenomen zijn in bijlage III van de Europese m.e.r.-richtlijn. Als dergelijke milieugevolgen kunnen optreden, geldt alsnog de betreffende plan- en/of besluit-m.e.r.-plicht. Toetsing In dit geval is het bestemmingsplan niet via dit spoor m.e.r.-plichtig want de activiteit komt niet voor op de lijst in onderdeel C of D van het Besluit milieueffectrapportage. Daarnaast heeft toetsing aan de in bijlage III van de Europese m.e.r.-richtlijn opgenomen criteria uitgewezen dat er geen sprake zal zijn van belangrijke 28
"Essenerweg-Laageinderweg" (vastgesteld)
Essenerweg-Laageinderweg milieugevolgen, zodat een m.e.r. achterwege kan blijven. Besluit m.e.r. Per 16 mei 2017 is de regelgeving voor de MER en m.e.r.-beoordeling gewijzigd met daarin een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor de ontwerp-bestemmingsplanfase moet een m.e.r-beoordelingsbeslissing worden genomen, waarin wordt aangegeven of wel of geen MER nodig is, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen. Deze beslissing wordt als bijlage bij het bestemmingsplan opgenomen. Voor elke aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde komt moet de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie opstellen, waarbij ook mitigerende maatregelen mogen worden meegenomen. Het bevoegd gezag dient binnen zes weken na indienen een m.e.r.-beoordelingsbesluit af te geven. Een vormvrije m.e.r.-beoordelingsbeslissing hoeft echter niet gepubliceerd te worden. Onderzoek Uit jurisprudentie is gebleken dat niet iedere ontwikkeling van woningen valt onder het begrip stedelijke ontwikkeling als bedoeld in Bijlage D11.2 van het Besluit milieueffectrapportage. Kleinschalige woningbouwprojecten vallen niet onder dit begrip. Dat geldt ook voor de bouw van X woningen. De conclusie is dat het plan om 1 woning te bouwen niet m.e.r.-beoordelingsplichtig is.
Passende beoordeling via de Wet natuurbescherming Voor het vaststellen van plannen die significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied kunnen hebben, dient een passende beoordeling gemaakt te worden (artikel 7.2a Wet milieubeheer juncto artikel 2.8, eerste lid Wet natuurbescherming). Uit de beoordeling van het aspect ecologie (zie paragraaf 5.3) blijkt dat er voor dit plan geen passende beoordeling nodig is. De plan-m.e.r-plicht op grond van de noodzaak van een passende beoordeling voor de Wet natuurbescherming is hier niet aanwezig. Er is voor dit plan geen passende beoordeling nodig. Provinciale milieuverordening Provinciale Staten kunnen in de provinciale milieuverordening extra activiteiten met gevallen, plannen en besluiten aanwijzen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben en dus m.e.r.-plichtig zijn (artikel 7.6 Wet milieubeheer). Dit is dus aanvullend op de m.e.r.-plicht op basis van onderdeel C van de bijlage Besluit m.e.r. (en dus ook aanvullend op de verplichting vanuit de Europese richtlijnen) én conform dezelfde systematiek. Provinciale staten van Gelderland hebben geen extra activiteiten met gevallen, plannen en besluiten aangewezen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (en zo m.e.r.-plichtig zijn). Conclusie Vanwege de kleinschaligheid van het plan zijn er geen significante milieugevolgen te verwachten.
Omdat er geen passende beoordeling nodig is, is geen m.e.r. noodzakelijk. Het aspect m.e.r. staat de ontwikkeling van dit plan niet in de weg.
5.11
Milieuzonering
Ten aanzien van bedrijvigheid geldt als uitgangspunt dat toekomstige woningen geen onevenredige milieuhinder (geur, geluid etc.) mogen ondervinden van nabijgelegen bedrijvigheid. In de publicatie ´Bedrijven en milieuzonering´ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, editie 2009, worden in verband met de aanwezigheid van milieubelastende functies indicatieve afstandsnormen voorgeschreven tot milieugevoelige functies, vooral wonen. In dit kader is het voor dit plan van belang dat de nieuwe bedrijfsruimte geen belemmeringen geeft op de omgeving als ook dat de nieuwe bedrijfswoning een aanvaardbaar woon- en leefklimaat heeft.: Hiertoe is onderzoek uitgevoerd welke als Bijlage 5 is toegevoegd. Uit dit onderzoek blijkt dat ondanks de aanwezige activiteiten bij de bestaande bedrijven bij nieuw te bouwen woning nog sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Verder blijkt ook dat de realisatie van de nieuwe woning niet resulteert in een inperking van de bedrijfsactiviteiten bij de bestaande bedrijven. De reeds aanwezige "Essenerweg-Laageinderweg" (vastgesteld)
29
Essenerweg-Laageinderweg (bedrijfs)woningen beperken de groeimogelijkheden van de bestaande bedrijven.
Veiligheidszone - Activiteitenbesluit Binnen de grenzen van het bestemmingsplan is geen gasdrukmeet- en regelstation aanwezig. In het Activiteitenbesluit zijn veiligheidsafstanden opgenomen die moeten worden aangehouden tussen kwetsbare respectievelijk beperkt kwetsbare objecten en (onder andere) een gasdrukmeet- en regelstation (4-6 meter). Kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten volgens het Activiteitenbesluit zijn dezelfde objecten als die genoemd zijn in het Besluit externe veiligheid inrichtingen. Het gaat dan om onder andere woningen, ziekenhuizen en bedrijven. Liander heeft geen belangen in het gebied. Om deze reden hoeven er in dit bestemmingsplan geen veiligheidsafstanden opgenomen te worden. Conclusie Vanuit milieuzonering zijn er geen belemmeringen voor het plan.
5.12
Natuur en landschap
Aan de zuidzijde van het plangebied wordt een bedrijfsgebouw en bedrijfswoning gerealiseerd. De bebouwing zal landschappelijk worden ingepast. Een beukenhaag alsmede een vijftal nieuwe hoogstam fruitbomen zullen langs de Laageinderweg geplant worden. Het perceel zal daarnaast van het buurperceel worden afgescheiden door een bomenrij.
30
"Essenerweg-Laageinderweg" (vastgesteld)
Essenerweg-Laageinderweg
5.13
Veiligheid
Om een veilige omgeving te creëren of te behouden is er op het gebied van fysieke veiligheid een aantal aspecten waarmee rekening gehouden moet worden. Zo worden er eisen gesteld aan de bereikbaarheid van de openbare wegen voor de hulpverleningsdiensten. Dit leidt tot het stellen van minimale afmetingen en bochtstralen zodat hulpverleningsvoertuigen een object of calamiteit goed kunnen bereiken en adequate hulp kunnen verlenen. Met betrekking tot voldoende bluswater in het openbare wegennet zijn er ook eisen gesteld. Deze eisen hebben betrekking op de afstanden vanaf de bluswatervoorziening tot aan een gebouw en de capaciteit ervan. In de “Handreiking Bluswatervoorziening en bereikbaarheid” een uitgave van Brandweer Nederland worden deze eisen gesteld. Voor wat betreft de bereikbaarheid zijn er binnen de gemeente Barneveld hoofd- en subaanrijdroutes vastgesteld. Tevens worden er eisen gesteld aan de opkomsttijden voor brandweervoertuigen. Deze zijn afhankelijk van de bestemming. Voor gebouwen waarin geslapen wordt en verminderd zelfredzame mensen verblijven worden strengere eisen gesteld dan gebouwen waar dit niet zo is. De opkomsttijden zijn gesteld in de Wet veiligheidsregio’s (1 oktober 2010) met het daarbij behorende Besluit veiligheidsregio’s. In het Besluit zijn de tijdnormen voor de opkomsttijden vastgelegd.
Situatie Nieuwe ontwikkelingen zullen worden getoetst aan de Handreiking Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid, het Besluit veiligheidregio’s en aan de eisen van de aangewezen hoofd- en subaanrijdroutes. Dit zal gebeuren bij de bouwplannen en inrichtingsplannen.
Conclusie Er zijn voor wat betreft de eisen voor de veiligheid geen belemmeringen voor dit bestemmingsplan.
5.14
Verkeer
Ontsluiting Laageinderweg De nieuwe bebouwing zal worden ontsloten met een ontsluiting die nu reeds aanwezig is op het perceel. Parkeren Voor het parkeren is er zowel voor de bedrijfswoning als voor het bedrijfsgebouw voldoende ruimte aanwezig. Drie parkeerplaatsen voor de bedrijfswoning en vier ten behoeve van de bedrijvigheid.
parkeerplaatsen op het perceel Laageinderweg
5.15
Water
Waterparagraaf Deze waterparagraaf vormt het resultaat van het procesinstrument watertoets. De watertoets betreft het vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten bij de "Essenerweg-Laageinderweg" (vastgesteld)
31
Essenerweg-Laageinderweg totstandkoming van ruimtelijke plannen. Het is verplicht de watertoets toe te passen. Hiermee wordt beoogd om het belang van water een evenwichtige plaats te geven in het ruimtelijk planproces. De watertoets heeft betrekking op het grond-, oppervlakte-, afval- en hemelwater. Het behandelt alle relevante waterhuishoudkundige aspecten zoals ontwatering, wateroverlast en waterkwaliteit. De waterparagraaf beschrijft het relevante waterbeleid, de betrokkenheid en het advies van de waterbeheerder en de waterhuishoudkundige uitwerking van het plan. Waterbeleid Voor het waterbeleid betreffende BOP 2022-2027 Waterschap Vallei en Veluwe en Waterplan Barneveld 2005 - 2025 en Hemelwaterplan 2017 - 2020 wordt verwezen naar de paragraven 4.5.1 en 4.6.7. Huidige situatie De planlocatie gelegen aan de Essenerweg 78 en tegenover Laageinderweg 4 in Kootwijkerbroek betreft een bedrijfswoning met bedrijfsbebouwing. Het perceel is aangesloten op de drukriolering in de Essenerweg. Het terrein van Laageinderweg 7-9 grenst aan de noordelijke zijde aan een C-watergang. Aan de zijde van de Laageinderweg grenst het terrein aan een B-watergang (zie de Legger van Waterschap Vallei en Veluwe). Toekomstige situatie Op de planlocatie wordt de bedrijfswoning en bedrijfsgebouw gesloopt. Op de locatie wordt een nieuwe woning gebouwd van 107 m2.
Daarnaast word er een nieuw bedrijfsgebouw gebouwd van 214 m2. Voor de nieuwe bebouwing/verharding dient waterberging gerealiseerd worden 30 mm per vierkante meter verhard oppervlak. Het totale verhard oppervlak is 1157 m2. Waterberging wordt gerealiseerd in de vorm van infiltratiekratten. Totaal wordt er 34,7 m3 waterberging gerealiseerd. Het huishoudelijk afvalwater dient aangesloten te worden op het drukriool onder de Laageinderweg. Bij de realisatie van de woning en de bijgebouwen worden uit duurzaamheidsoogpunt geen uitlogende bouwmaterialen gebruikt. De ontwikkeling sluit aan bij de waterhuishoudkundige doelen van de gemeente en het waterschap.
32
"Essenerweg-Laageinderweg" (vastgesteld)
Essenerweg-Laageinderweg
Hoofdstuk 6 6.1
JURIDISCHE ASPECT EN
Juridische aspecten
De Wet ruimtelijke ordening (Wro) geeft gemeenten de plicht tot het opstellen van een bestemmingsplan. In de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is nader uitgewerkt uit welke onderdelen een bestemmingsplan in ieder geval moet bestaan. Dit zijn een verbeelding met planregels en een toelichting daarop. Daarnaast bieden zowel de Wro als het Bro opties voor een nadere juridische inrichting van een bestemmingsplan. Hierbij moet onder meer worden gedacht aan het afwijken met een omgevingsvergunning, wijzigingsbevoegdheden en het toepassen van nadere eisen. De bruikbaarheid van deze instrumenten is geheel afhankelijk van het doel van het bestemmingsplan en de gewenste bestemmingsmethodiek van de gemeente Barneveld. Het uitgangspunt is dat het bestemmingsplan moet voorzien in een passende regeling voor de komende tien jaar, dit is de geldigheidsduur van een bestemmingsplan. Het juridische deel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en gebouwen en bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor de toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende onderdeel van het bestemmingsplan.
De planregels vallen in vier hoofdstukken uiteen. Hoofdstuk 1 bevat de algemene voor het plangebied geldende bepalingen, de inleidende regels. Hoofdstuk 2 regelt de bestemmingen en het daarop toegestane gebruik. Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels, zoals de anti-dubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene afwijkings- en algemene wijzigingsregels en tot slot de algemene procedureregels. Tenslotte komt in hoofdstuk 4 het overgangsrecht en de slotbepaling aan bod.
Bevoegdheid Het bevoegd gezag is het bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning. Over het algemeen zijn burgemeester en wethouders het bevoegd gezag. Het kan echter incidenteel voorkomen dat bijvoorbeeld het Rijk dan wel de provincie het bevoegd gezag is. Burgemeester en wethouders zijn altijd bevoegd gezag bij het wijzigen van een plan en het stellen van nadere eisen.
6.1.1 6.1.1.1
Inleidende regels Begrippen
In dit artikel worden de begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd. Bij de toetsing van het bestemmingsplan wordt uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Voor zover er geen begrippen zijn gedefinieerd wordt aangesloten bij het normale spraakgebruik. De omschrijving van het begrip 'bouwperceel' staat in artikel 1. Een voorbeeld van een bouwperceel is een stuk grond waarop een woning staat met een tuin. De bestemmingen 'Wonen-1' en 'Tuin' horen beiden bij het bouwperceel. 6.1.1.2
Wijze van meten
Dit artikel geeft aan hoe hoogte- en andere maten (die bij het bouwen in acht dienen te worden genomen) moeten worden gemeten.
"Essenerweg-Laageinderweg" (vastgesteld)
33
Essenerweg-Laageinderweg
6.1.2 6.1.2.1
Algemene regels Anti-dubbeltelregel
Het doel van de anti-dubbeltelregel is te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. 6.1.2.2
Algemene bouwregels
In artikel 8.1 is een regeling opgenomen voor ondergronds bouwen. De regeling houdt in dat ondergronds bouwen is toegestaan waar ook bovengronds bouwen is toegestaan, tenzij anders is aangegeven.
6.1.2.3
Algemene gebruik sregels
Ter verduidelijking van het plan wordt aangegeven dat het gebruiken van gronden ten behoeve van een seksinrichting in ieder geval strijdig is met de bestemming. Ten behoeve van nieuwe ontwikkelingen wordt in deze regels aangegeven dat er voldoende parkeerplaatsen aanwezig moeten zijn conform de nota parkeernormen. Hierbij wordt het vergroten van een woning uitgesloten.
6.1.2.4
Algemene aanduidingsregels
De aanduidingen bevatten specificaties van de (dubbel-)bestemmingen met betrekking tot het gebruik of het bouwen. Een gebiedsaanduiding is een aanduiding die verwijst naar een gebied waarvoor bijzondere regels, extra regels of nadere afwegingen gelden. Bij gebiedsaanduidingen gaat het veelal om zones en gebieden die aan sectorale regelgeving zijn ontleend. Bij wijzigingen en herzieningen van het bestemmingsplan is het veelal noodzakelijk afspraken met betrekking tot het slopen van gebouwen of het realiseren van inrichtingsmaatregelen vast te leggen. Om dit te waarborgen wordt in het bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Hierbij worden aan het bestemmingsplan specifieke regels toegevoegd die de verzoeker verplichten om bij gebruikmaking van de toegestane ontwikkeling ook de inrichtingsmaatregelen te realiseren of bebouwing te slopen.
6.1.2.5
Algemene afwijkingsregels
Er is een algemene afwijkingsregel opgenomen wanneer dit voor een betere technische realisering van bouwwerken dan wel in verband met de werkelijke toestand van het terrein noodzakelijk is. Deze afwijkingsregel dient bij uitzondering te worden toegepast. De noodzaak om van de bestemmingsregeling af te wijken dient te worden aangetoond. Het is niet de bedoeling dat deze algemene bevoegdheid wordt toegepast in combinatie met het afwijken zoals dat bij een specifieke bestemming is genoemd. Met andere woorden: cumulatie van deze bevoegdheden is uitgesloten. Een voorbeeld: de maximale goothoogte voor een woning is 6 meter. Bij de bestemming 'Wonen-1' is de bevoegdheid opgenomen om met een omgevingsvergunning af te wijken van de bouwregels en die goothoogte te vergroten met maximaal 3 meter. Het is niet de bedoeling dat dan nog eens toepassing wordt gegeven aan de algemene afwijkingsbevoegdheid met een vergroting van nog eens 10% tot gevolg. Het is toegestaan om af te wijken van de goot- en bouwhoogte en inhoud en buiten het bouwvlak te bouwen wanneer de bestaande en eventueel bij te bouwen nieuwe bebouwing op het bouwperceel wordt geïsoleerd.
De uitbreiding is uitsluitend bedoeld wanneer de isolatiemaatregelen een grotere omvang van de bebouwing vragen om eenzelfde oppervlakte te krijgen als wanneer er geen of een beperkter isolatiepakket zou worden gehanteerd dat alleen aan de eisen uit het Bouwbesluit voldoet. Het gaat hier dus bijvoorbeeld om dikkere muren en/of een hoger dak.
34
"Essenerweg-Laageinderweg" (vastgesteld)
Essenerweg-Laageinderweg
6.1.2.6
Algemene wijzigingsregels
In deze bepaling wordt aan het bevoegd gezag de bevoegdheid gegeven om bestemmingen te wijzigen ten behoeve van kleine overschrijdingen van bestemmingsgrenzen. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn daarbij aangegeven. De bevoegdheid is bedoeld voor aanpassing aan de bij uitmeting blijkende werkelijke toestand van het terrein.
6.1.2.7
Algemene procedureregels
Op de voorbereiding van het besluit tot wijziging is afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht en artikel 3.9a van de Wet ruimtelijke ordening van toepassing, met dien verstande dat burgemeester en wethouders binnen acht weken na afloop van de termijn van terinzagelegging een besluit nemen omtrent de wijziging. Voor het stellen van nadere eisen is geen procedure opgenomen in de wet. De procedure staat beschreven in hoofdstuk 3 "Algemene regels" van dit bestemmingsplan.
6.1.3 6.1.3.1
Overgangs- en slotregels Overgangsregels
Voor de overgangsregels is onderscheid gemaakt tussen de overgangsbepalingen ten aanzien van bouwwerken en de overgangsbepalingen ten aanzien van gebruik. Zowel de overgangsbepalingen ten aanzien van bouwwerken als de overgangsbepalingen ten aanzien van gebruik gelden vanaf inwerkingtreding van het bestemmingsplan. Uitgangspunt is dat zo weinig mogelijk gebruik wordt gemaakt van het overgangsrecht. Vooraf dient een afweging te worden gemaakt tussen legaliseren (positief bestemmen) dan wel handhaving van illegale situaties. De overgangsbepalingen voor bouwwerken en gebruik zijn overgenomen uit artikelen 3.2.1 en 3.2.2 Besluit ruimtelijke ordening (Bro). 6.1.3.2
Slotregel
Het laatste artikel van de regels betreft de citeertitel van het voorliggende bestemmingsplan.
6.2
Handhaving
De gemeente acht handhaving van haar beleid van groot belang om de gewenste ruimtelijke kwaliteit te garanderen. Belangrijke redenen voor handhaven zijn: de regels zijn door de gemeente vastgesteld en de inwoners van de gemeente mogen verwachten dat de gemeente die regels handhaaft: waarom zijn er anders regels opgesteld? Inwoners van de gemeente hebben als het ware recht op handhaving; handhaving gaat oneigenlijk gebruik van en daarmee de achteruitgang van de kwaliteit van het gemeentelijk grondgebied tegen. Een actueel bestemmingsplan beoogt de ruimtelijke kwaliteit van een gebied in stand te houden en te verbeteren; niet daadkrachtig optreden tegen overtredingen van wettelijke regels werkt een toename van het aantal overtredingen in de hand en tast de geloofwaardigheid van daadkrachtig optreden aan. Het in het bestemmingsplan vastgelegde beleid wordt ondermijnd en het bestuur verliest de greep op de gebouwde omgeving. Onderscheid kan gemaakt worden tussen preventieve en repressieve handhavingsinstrumenten. Onder preventieve instrumenten kunnen onder andere goede regelgeving (onder andere in bestemmingsplan), voorlichting, subsidieverlening, afwijken van bouwregels en gebruiksregels en de omgevingsvergunning worden begrepen. Repressieve instrumenten zijn onder meer controle en toezicht, opsporing en het hanteren van sancties als bestuursdwang en dwangsom.
In 2016 heeft de gemeente de Nota Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving, VTH-beleid vastgesteld. In dit VTH-beleid staat beschreven hoe het college van burgemeester en wethouders op hoofdlijnen omgaat met de uitvoering van VTH-taken en welke prioriteiten hieraan zijn toegekend. Het college is verantwoordelijk voor de uitvoering van de VTH-taken en heeft de uitvoering van deze taken met ingang van 1 april 2013 grotendeels belegd bij de Omgevingsdienst de Vallei. "Essenerweg-Laageinderweg" (vastgesteld)
35
Essenerweg-Laageinderweg
Bij de handhaafbaarheid van een bestemmingsplan spelen aspecten als communicatie, de planvorm, de normstelling, het daadwerkelijk kunnen handhaven en de controleerbaarheid van normen ook een belangrijke rol. Randvoorwaarde voor handhaving is dat er voldoende basis/grondslag is om te kunnen handhaven. Deze basis wordt gevormd door: de regeling in het bestemmingsplan zelf: de handhaafbaarheid van de planregels; het afwijkingenbeleid. In dit bestemmingsplan is gestreefd naar heldere, eenduidige planregels met zo min mogelijk interpretatiemogelijkheden. Verder zijn aan de in het plan opgenomen afwijkingsbevoegdheden duidelijke voorwaarden verbonden, die voldoende objectief bepaalbaar zijn.
36
"Essenerweg-Laageinderweg" (vastgesteld)
Essenerweg-Laageinderweg
Hoofdstuk 7 7.1
ECONOM ISCHE UIT VOERBAARHEID
Kostenverhaal en zekerstellingen
Doordat er geen verhaalbare kosten zijn als bedoeld in artikel 6.2.4, onderdelen b tot en met f Bro, behoeft er op grond van artikel 6.2.1a, onder b Bro in dit geval geen exploitatieplan vastgesteld te worden. De kosten voor het opstellen van het plan worden gedekt door het heffen van leges. Voor de kosten van tegemoetkoming in schade, bedoeld in artikel 6.1 van de Wro (planschade) is een afzonderlijke overeenkomst gesloten. De inhoud voldoet aan die van een anterieure overeenkomst in de zin van artikel 6.24 Wro. Er zijn bij dit plan geen andere kosten die in een exploitatieplan of exploitatieovereenkomst opgenomen moeten worden.
"Essenerweg-Laageinderweg" (vastgesteld)
37
Essenerweg-Laageinderweg
Hoofdstuk 8 OVERLEG EN M AAT SCHAPPELIJKE UIT VOERBAARHEID De procedures voor vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Conform artikel 1.3.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) heeft het college op 16 september 2022 in de Barneveldse Krant en Barneveld Huis-aan-Huis en langs elektronische weg kennisgegeven van het voornemen om het voorliggende bestemmingsplan voor te bereiden. Aangegeven is verder dat tussen gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Daarnaast is er de gelegenheid om in het voortraject belanghebbenden te laten inspreken conform de gemeentelijke verordening. Pas daarna wordt de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het bestemmingsplan opgestart (artikel 3.8 Wro).
8.1
Participatie
De initiatiefnemer heeft overleg gevoerd met buren en belanghebbenden. Hierbij zijn omwonende(n) geïnformeerd over de plannen. Met betrekking tot de afscheiding van het perceel, met een groenstrook hebben de bewoners van de Laageinderweg 7 en 9 aangegeven dat ze kunnen instemmen met deze beoogde invulling.
8.2
Overleg ex artikel 3.1.1 Bro
Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg voeren met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Er is in het gebied van de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van bijzondere waarden of andere situaties waardoor deze ontwikkeling zou raken aan enig nationaal belang. Dit plan is gebaseerd op de Regionale beleidsinvulling functieverandering en nevenactiviteiten en voldoet daar ook aan. Geconcludeerd kan worden dat er hier geen provinciale belangen in het geding zijn die om vooroverleg vragen. Het Waterschap Vallei & Veluwe heeft aangegeven dat geen vooroverleg nodig is indien de toename van de verharding kleiner is dan 1500 m2 en de waterhuishoudkundige doelen van het waterschap niet in het geding komen door een bestemmingsplan. Hier is sprake van zo een geval. Om die reden heeft geen vooroverleg met het waterschap plaatsgevonden. Ook belangen van omliggende gemeenten zijn bij dit plan niet in het geding. Op grond van artikel 3.1.1 lid 2 Bro kan worden afgezien van overleg in door de provincie en het Rijk aangegeven gevallen.
Gelet op de brief van het ministerie van Infrastructuur en Milieu heeft geen vooroverleg plaatsgevonden, aangezien de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) geen adviserende en coördinerende rol meer heeft met betrekking tot de advisering over een voorontwerp betreffende gemeentelijke ruimtelijke plannen. Nu er sprake is van een gemeentelijk ruimtelijk plan, waarbij er geen nationale rijksbelangen aan de orde zijn en de betrokken rijksdiensten niet als direct belanghebbende zijn aan te merken, behoeft het plan niet voor vooroverleg naar de ILT opgestuurd te worden. Aangezien er geen sprake is van een provinciaal belang, is er geen vooroverleg gevoerd met de provincie. Het bestemmingsplan "Essenerweg-Laageinderweg" betreft echter een plan van lokaal belang. Vooroverleg is niet noodzakelijk en wordt dan ook niet gevoerd.
38
"Essenerweg-Laageinderweg" (vastgesteld)
Essenerweg-Laageinderweg
8.3
Inspraak
De Wro bevat geen procedurevoorschriften met betrekking tot de inspraak, en is in Wro zelf niet verplicht gesteld. Dat neemt niet weg dat het de gemeente vrij staat toch inspraak te verlenen bijvoorbeeld op grond van de gemeentelijke inspraakverordening. In relatie daarmee bepaalt artikel 150 van de Gemeentewet onder meer dat in een gemeentelijke inspraakverordening moet worden geregeld op welke wijze bovenbedoelde personen en rechtspersonen hun mening kenbaar kunnen maken. Op 15 december 2009 heeft het college besloten dat bij bestemmingsplannen alleen inspraak wordt gevoerd bij plannen waarbij maatschappelijke belangen een rol spelen, die politiek gevoelig liggen of waarbij inspraak een bijdrage kan leveren aan de kwaliteit en/of snellere doorlooptijd van het plan. Aangezien dit hier niet aan de orde is, is afgezien van het voeren van inspraak.
8.4
Zienswijzen
Het ontwerpbestemmingsplan heeft van 25 november 2022 tot en met 6 januari 2023 ter inzage gelegen. Gedurende deze periode heeft een ieder de mogelijkheid gehad om een zienswijze naar voren te brengen. Tijdens deze zes weken zijn geen reacties ingediend.
"Essenerweg-Laageinderweg" (vastgesteld)
39
Essenerweg-Laageinderweg
40
"Essenerweg-Laageinderweg" (vastgesteld)
Essenerweg-Laageinderweg
Bijlagen bij de toelichting
"Essenerweg-Laageinderweg" (vastgesteld)
41
Essenerweg-Laageinderweg
Bijlage 1 Verkennend bodemonderzoek, Vink, 13 april 2022
42
"Essenerweg-Laageinderweg" (vastgesteld)
Verkennend bodem- en asbestonderzoek; (naast) Laageinderweg 7 te Kootwijkerbroek Opdrachtgever: Budding Auto's B.V. Contactpersoon: De heer H. Budding Datum: 13 april 2022 Projectnummer: P22M0011
Colofon Vink Milieutechnisch Adviesbureau b.v. Valkseweg 62 - 3771 RG Barneveld Postbus 99
- 3770 AB Barneveld
tel. 088 – 440 3 440 e-mail milieu@vink.nl www.vinkmillieu.nl
Titel:
Verkennend bodem- en asbestonderzoek; (naast) Laageinderweg 7 te Kootwijkerbroek
Document MAD-06.1 versie: 28-12-2020
Opdrachtgever: Budding Auto's B.V. Projectnummer: P22M0011
Auteur(s):
Autorisatie:
T. van den Brink
D. Bitter
Barneveld
Barneveld
13 april 2022
13 april 2022
Het is toegestaan dit rapport te verveelvoudigen en/of openbaar te maken na instemming door de opdrachtgever onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat alleen vermenigvuldiging en gebruik van het gehele rapport is toegestaan. Alle bijlagen maken onlosmakelijk onderdeel uit van dit rapport.
INHOUDSOPGAVE
1.
INLEIDING ..................................................................................................................................... 1
2.
VOORONDERZOEK ..................................................................................................................... 3 2.1. Algemeen ....................................................................................................................................... 3 2.2. Actuele situatie en toekomstig gebruik .......................................................................................... 3 2.3. Voormalig bodemgebruik ............................................................................................................... 5 2.4. Voorgaand bodemonderzoek ........................................................................................................ 7 2.5. Bodemopbouw en geohydrologie .................................................................................................. 8 2.6. Conclusie vooronderzoek .............................................................................................................. 9
VERKENNEND ONDERZOEK - OPZET EN UITVOERING ................................................................ 11 2.7. Onderzoeksstrategie .................................................................................................................... 11 2.8. Veldwerkprogramma.................................................................................................................... 12 2.9. Laboratoriumonderzoek ............................................................................................................... 12 3.
VERKENNEND ONDERZOEK - INTERPRETATIE EN TOETSING .......................................... 15 3.1. Toetsingskader ............................................................................................................................ 15 3.2. Bodemopbouw en zintuiglijke waarnemingen ............................................................................. 15 3.3. Analyseresultaten Deellocatie A: Geheel terrein – NEN 5740 .................................................... 16
4.
CONCLUSIE EN ADVIES ........................................................................................................... 19 4.1. Conclusie deellocatie A: Gehele terrein – NEN 5740 .................................................................. 19 4.2. Conclusie deellocatie B: Druppelzone schuur ............................................................................. 19 4.3. Conclusie deellocatie C: Gehele terrein – NEN 5707 ................................................................. 20 4.4. Aanbevelingen ............................................................................................................................. 20
(KAART) BIJLAGEN: A. Toetsingstoelichting B. Analyseresultaten C. Analysecertificaten D. Profielbeschrijving Omgevingskaart Kadastrale kaart Kaart met situering boorpunten
Verkennend bodem- en asbestonderzoek; (naast) Laageinderweg 7 te Kootwijkerbroek Projectnummer: P22M0011 Datum: 13 april 2022
1.
INLEIDING
Budding Auto's B.V. heeft ons op 20 januari 2022 opdracht gegeven tot het uitvoeren van een verkennend bodem- en asbestonderzoek op het perceel (naast) Laageinderweg 7 te Kootwijkerbroek. Voor de ligging van de locatie wordt verwezen naar de kaartbijlagen. Aanleiding voor het verkennend bodem- en asbestonderzoek is de beoogde herontwikkeling van de locatie. Het doel van het onderzoek is:
aan te tonen dat op de locatie redelijkerwijs gesproken geen verontreinigende stoffen aanwezig zijn in de grond of het freatisch grondwater in gehaltes boven respectievelijk de achtergrondwaarden en de streefwaarden.
het bepalen van de aard van de heterogeen verdeelde verontreinigende stof op schaal van monsterneming. Tevens wordt vastgesteld of de concentraties van de vermoede verontreinigende stof in de grond en het freatische grondwater boven respectievelijk de achtergrondwaarde en de streefwaarde worden aangetroffen.
met een relatief geringe onderzoeksinspanning na te gaan of de verdenking op verontreiniging van de bodem met asbest terecht is en een indicatieve uitspraak te doen over het asbestgehalte in de bodem.
Het onderzoek is uitgevoerd volgens de:
NEN 5725 [Bodem ‐ Landbodem ‐ Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek, oktober 2017].
NEN 5740 [Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond, januari 2009] en het wijzigingsblad NEN 5740/A1 van februari 2016.
NEN 5707 [Bodem - Inspectie, monsterneming en analyse van asbest in bodem, augustus 2015], het wijzigingsblad NEN 5707/C1 van augustus 2016 en het wijzigingsblad NEN 5898/C1 van augustus 2016.
In dit rapport zal achtereenvolgens worden ingegaan op het vooronderzoek, de verrichte werkzaamheden en de resultaten van het onderzoek. Ten slotte worden conclusies getrokken en aanbevelingen gedaan. Vink Milieutechnisch Adviesbureau b.v. is een onafhankelijk adviesbureau dat beschikt over een gecertificeerd kwaliteitssysteem conform NEN-EN-ISO 9001:2015 en is gecertificeerd volgens BRLSIKB 2000 'Beoordelingsrichtlijn voor het SIKB procescertificaat veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek'. Tussen Vink Milieutechnisch Adviesbureau b.v. en de opdrachtgever bestaat geen relatie die strijdig is met de functiescheiding zoals omschreven in de BRL SIKB 2000 (versie 6).
1
Verkennend bodem- en asbestonderzoek; (naast) Laageinderweg 7 te Kootwijkerbroek Projectnummer: P22M0011 Datum: 13 april 2022
Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze verricht volgens de algemeen gebruikelijke inzichten en methoden, maar blijft een steekproefsgewijze benadering. Het is voor ons daarom onmogelijk garanties ten aanzien van de verontreinigingssituatie af te geven op basis van de resultaten van het bodemonderzoek. Dit betekent dat Vink Milieutechnisch Adviesbureau b.v. geen aansprakelijkheid accepteert ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door ons uitgevoerde bodemonderzoek neemt. Voor het vooronderzoek geraadpleegde bronnen zijn niet altijd zonder fouten en/of volledig. Voor het verkrijgen van informatie zijn wij wel afhankelijk van diverse bronnen, waardoor wij niet kunnen instaan voor de juistheid en volledigheid van de verzamelde gegevens voor het vooronderzoek. Tot slot is het onderzoek een momentopname. Beïnvloeding van de bodemkwaliteit zal ook plaats kunnen vinden na de uitvoering van dit onderzoek, bijvoorbeeld door bouwrijp maken, aanvoer van grond van elders of door de verspreiding van een verontreiniging van elders via het grondwater. De onderzoeksresultaten hebben daardoor een beperkte geldigheidsduur.
2
Verkennend bodem- en asbestonderzoek; (naast) Laageinderweg 7 te Kootwijkerbroek Projectnummer: P22M0011 Datum: 13 april 2022
2.
VOORONDERZOEK
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het vooronderzoek, bestaande uit de inventarisatie van actuele en historische locatiegegevens, het toekomstige gebruik en de bodemopbouw en geohydrologie. Op basis van de geïnventariseerde gegevens vindt hypothesestelling plaats ten behoeve van uit te voeren bodemonderzoek. 2.1. Algemeen Het doel van het vooronderzoek conform de NEN 5725:2017 is inzicht krijgen in de mogelijke aanwezigheid van verontreinigingen op de onderzoekslocatie. Hierbij wordt een inschatting gemaakt van de aard, mate, oorzaak en ligging van mogelijke verontreinigingen. Ook kunnen de resultaten van het vooronderzoek worden gebruikt bij de interpretatie van de resultaten van het bodemonderzoek. Het vooronderzoek heeft zich niet specifiek gericht op aanwezigheid van onder meer niet gesprongen explosieven/ conventionele explosieven, kabels en leidingen en archeologische waarden. De gebruikte informatiebronnen betreffen: voorgaande bodemonderzoeken1,2&3, relevante bouwvergunningen, sloopvergunningen, beschikbare milieuvergunningen, Dienst voor het kadaster en de openbare registers Nederland, TNO grondwaterkaart van Nederland, Bodemloket, BAG viewer, Topotijdreis, Actueel Hoogtebestand Nederland, de opdrachtgever, Geoweb provincie Gelderland, bodemarchief van Vink Milieutechnisch Adviesbureau b.v. en de verkregen bodeminformatie van Omgevingsdienst De Vallei. 2.2.
Actuele situatie en toekomstig gebruik De onderzoekslocatie ten noordwesten van de Laageinderweg 7 te Kootwijkerbroek heeft een oppervlakte van 2.640 m² en is kadastraal bekend gemeente Garderen, sectie F, nummer 2394. De locatiecoördinaten zijn X = 174337 en Y = 462074. Er zijn geen beperkingen bekend in de Landelijke Voorziening WKPB en de Basisregistratie Kadaster. Op 16 februari 2022 heeft een terreinverkenning plaatsgevonden. Op de locatie is een langwerpige schuur aanwezig, waarin voornamelijk autobanden worden opgeslagen. De schuur is inpandig verhard met klinkers. Het onbebouwde deel van de onderzoekslocatie is begroeid met gras, beplanting of bomen.
1
Evalautie grondsanering ‘brandplaats’ Essenerweg 74 te Kootwijkerbroek, Moerdijk Bodemsaneringen B.V. , 368.03.064.el, 12 oktober 2006
2
Verkennend bodemonderzoek Essenerweg Kootwijkerbroek, 368.03.061.r1, 28 augustus 2006
3
Verkennend bodemonderzoek aan de Essenerweg 82a te Kootwijkerbroek, Vink Milieutechnisch Adviesburo BV, M01-160, 14 november 2001
3
Verkennend bodem- en asbestonderzoek; (naast) Laageinderweg 7 te Kootwijkerbroek Projectnummer: P22M0011 Datum: 13 april 2022
Op de schuur is asbestverdachte dakbedekking toegepast zonder dakgoten.De dakplaten zijn verweerd. De waterafloop/druppelzone komt uit op een slecht verhard terreindeel binnen de onderzoekslocatie. Tijdens de visuele terreininspectie zijn, met uitzondering van de asbestverdachte dakbedekking van de schuur, geen bodembelastende omstandigheden of activiteiten waargenomen op de onderzoekslocatie. Voor een indruk van de locatie wordt verwezen naar de onderstaande foto's.
Foto 1:
Vooraanzicht schuur vanaf de Laageinderweg
Foto 2:
Vooraanzicht schuur met aan de rechterkant het perceel van Laageinderweg 7
Foto 3:
Achterzijde schuur
Foto 4:
Inspectiegat (7) met sterke puinbijmenging
4
Verkennend bodem- en asbestonderzoek; (naast) Laageinderweg 7 te Kootwijkerbroek Projectnummer: P22M0011 Datum: 13 april 2022
Foto 5:
Overzichtsfoto binnenkant schuur
Foto 6:
Bandenopslag in schuur
De onderzoekslocatie bevindt zich net buiten de bebouwde kom van Kootwijkerbroek binnen de gemeente Barnveld. In de omgeving van de locatie zijn voornamelijk bedrijfslocaties aanwezig. Rondom de onderzoekslocatie vinden voor zover bekend geen activiteiten plaats die de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem van de onderzoekslocatie mogelijk sterk beïnvloeden. Voor zover bekend wordt de huidige (langwerpige) schuur gesloopt en wordt er op de locaite een woning met schuur gebouwd. De directe omgeving blijft in de nabije toekomst ongewijzigd. 2.3. Voormalig bodemgebruik De locatie is van oudsher in gebruik voor agrarische doeleinde. Uit fragmenten van oude topografische kaarten blijkt dat rond 1960 de eerste bebouwing op de onderzoekslocatie ontstaat. In de jaren daarna breidt de bebouwing zich in de omgeving uit. In het verleden lag de onderzoekslocatie in een voornamelijk agrarische omgeving. Op basis van Bagviewer is de locatie sinds 1955 bebouwd en in gebruik genomen. Op basis van de verkregen bouwvergunningen van omgevingsdienst De Vallei zijn er in 1963 en 1969 vergunningen aangevraagd voor de uitbreiding van de bebouwing (schuur). Hierna volgen oude kaartfragmenten, waar de ontwikkeling van de onderzoekslocatie en de directe omgeving zichtbaar is.
5
Verkennend bodem- en asbestonderzoek; (naast) Laageinderweg 7 te Kootwijkerbroek Projectnummer: P22M0011 Datum: 13 april 2022
Fragment topografische kaart 1960
Fragment topografische kaart 1970
Fragment topografische kaart 1980
Fragment topografische kaart 1990
Fragment topografische kaart 2000
Fragment topografische kaart 2021
6
Verkennend bodem- en asbestonderzoek; (naast) Laageinderweg 7 te Kootwijkerbroek Projectnummer: P22M0011 Datum: 13 april 2022
In 1981/1982 is een Hinderwetvergunning aangevraagd voor het oprichten, in werking brengen en inwerking houden van een veehouderij met mestopslag. In de verkregen aanvraag (met tekening) zijn, met uitzondering van de mogelijke aanwezigheid van asbest in bodem, geen bodembelastende omstandigheden of activiteiten beschreven. Op basis van Bodemloket zijn ter plaatse van onderzoekslocaite geen bodemloketdossiers aangeduid. Wel zijn ten noorden en oosten de locatie de representatieve dossiers (GE020300275 Essenerweg 70, GE020301492 Essenerweg 74 en GE020302015 Essenerweg 82A) weergeven. De relevante informatie ten aanzien van de onderzoekslocatie is beschreven in de volgende paragraaf (2.4: voorgaand bodemonderzoek). Er is geen informatie bekend met betrekking tot opslag van chemicaliën of de aanwezigheid van brandstoftanks, verbrand afval, oude riolen of gedempte sloten op de onderzoekslocatie. Voor zover bekend heeft er geen brand gewoed op de locatie. Er is zodoende een verwaarloosbare kans dat er geblust is met blusschuim. In de omgeving van de locatie zijn voor zover bekend geen industriële activiteiten aanwezig (geweest) waarbij PFAS wordt of werd gebruikt. Er zijn geen bijmengingen in de grond waargenomen die kunnen duiden op de aanwezigheid van PFAS-houdende producten (zoals stortmateriaal). De locatie is onverdacht ten aanzien van het voorkomen van PFAS.
In het verleden hebben in de directe omgeving van de onderzoekslocatie voor zover bekend geen bodembelastende activiteiten plaatsgevonden die een sterke invloed hebben gehad op de milieuhygiënische bodemkwaliteit van de onderzoekslocatie. 2.4. Voorgaand bodemonderzoek Er zijn geen resultaten van voorgaand bodemonderzoek beschikbaar die specifiek betrekking hebben op de huidige onderzoekslocatie. De ontvangen representatie bodemonderzoeken van omgevingsdienst De Vallei zijn hieronder beschreven. In 2001 is door Vink Milieutechnisch Adviesbureau B.V. een verkennend bodemonderzoek op het perceel ten (noord)oosten van de onderzoekslocatie uitgevoerd [noot 3]. In de representatieve boringen zijn analytisch in de bovengrond PAK en minerale olie in een gehalte boven de achtergrondwaarde aangetroffen. In de ondergrond zijn geen verhoogde gehalten aangetoond. In het grondwater zijn chroom en koper licht verhoogd gemeten. Destijds was er geen beklemming voor de aangevraagde bouwvergunning. In (augustus) 2006 is door Moerdijk Bodemsaneringen B.V. een verkennend bodemonderzoek op het perceel ten noorden van de onderzoekslocatie uitgevoerd [noot 1]. Ter plaatse van de voormalige afvalverbranding op het achterterrein, boring 15, zijn in de bovengrond diverse zware metalen boven de interventiewaarde gemeten.
In de (afperkende) boringen rondom de brandplaats zijn hooguit licht verhoogde gehalten gemeten. In het grondwater zijn zink en koper matig en nikkel en xylenen licht verhoogd gemeten. De verhogingen in het grondwater zijn waarschijnlijk destijds veroorzaakt door uitspoeling van de sterk verontreinigde bodemgrond.
7
Verkennend bodem- en asbestonderzoek; (naast) Laageinderweg 7 te Kootwijkerbroek Projectnummer: P22M0011 Datum: 13 april 2022
In (september) 2006 is de matig en sterk verontreinigde grond ontgraven en afgevoerd naar verwerker Theo Pouw. De ontgravingsdienst bedroeg 1,5 m-mv. In de ontgravingsput zijn de wanden en bodem nadien bemonsterd. In één wand is een zeer geringe overschrijding (zink) van de achtergrondwaarde gemeten. In de overige wand en bodem zijn geen verhoogde gehalten aangetoond. Destijds is de aanwezige verontreiniging afdoende ontgraven en zijn er ter plaatse van de huidige onderzoekslocatie geen (noemenswaardige) verontreinigen te verwachten. Bodemkwaliteitskaart Door de gemeente Barneveld is in samenwerking met een aantal buurgemeenten een bodemkwaliteitskaart4 opgesteld, waarbij grondgebieden zijn opgedeeld in zones met een vergelijkbare bodemkwaliteit. Uit de gegevens blijkt dat de bodemfunctieklasse van de locatie, Industrie betreft. Uit de ontgravingskaarten blijkt dat de kwaliteitsklasse voor de bovengrond wonen en voor de ondergrond landbouw/natuur betreft. 2.5. Bodemopbouw en geohydrologie De onderzoekslocatie ligt globaal op 17 meter +NAP. Het eerste watervoerende pakket reikt tot aan het maaiveld en behoort tot de formatie van Boxtel. Deze formatie is opgebouwd uit zanden, die overwegend matig grof tot matig fijn zijn. De dikte van het eerste watervoerende pakket is circa 17 meter. De transmissiviteit van het eerste watervoerende pakket is 500 tot 2.000 m² per dag.
Het freatisch grondwater bevindt zich op circa 9 meter +NAP. De eerste scheidende laag is opgebouwd uit kleiige/zandige afzettingen met sporen klei, veen en grind behorende tot de Nomenclator Formatie Boxtel. De eerste scheidende laag heeft een dikte van circa 7 meter. Over de verticale hydraulische weerstand van deze laag zijn weinig gegevens bekend; wellicht loopt deze op tot enkele duizenden dagen. In het algemeen stroomt het grondwater van het eerste watervoerend pakket in westelijke richting De onderzoekslocatie ligt niet in een grondwaterbeschermingsgebied. Binnen een straal van 1.000 meter bevinden zich voor zover bekend geen kwetsbare objecten met betrekking tot de grondwaterkwaliteit.