CConstaterende datBarneveld
Koppel je AI →
Document · PDF

B-3.14 Memo B&W inzake reactie Windalarm Leusden d.d. 23-11-21.pdf

Gemeenteraad 15 december 2021, gemeente BarneveldBij agendapunt: Ingekomen en uitgaande stukken14.894 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

https://netvouz.com/koks/folder/4971429858541720776/pers+en+wetenschap+VERKI EZINGSPROGRAMMAS

32

Alle wind kan naar zee!

Van wind op land naar wind op zee.

27/39

Annex 1. Toelichtingsbrief Ministerie van EZK De volgende toelichtingsbrief van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (markeringen in geel door Windalarm) is gepubliceerd op de website van het Nationaal Programma Regionale Energiestrategie (NPRES). www.regionale-energiestrategie.nl/vragen/vragen+-+klimaatakkoord/1879584.aspx

Onderbouwing gemaakte keuzes in het Klimaatakkoord rond wind en zon Ministerie van EZK, januari 2021 1. Klimaatakkoord en 84 TWh grootschalige hernieuwbare elektriciteit in 2030  In het Klimaatakkoord is een doelstelling opgenomen voor hernieuwbare elektriciteit van 84 TWh. Die valt uiteen in 49 TWh wind op zee en tenminste 35 TWh hernieuwbaar op land. Het merendeel van de groene elektriciteit in 2030 komt dus van windmolens op zee;  De doelstelling van tenminste 35 TWh is niet verder uitgesplitst in wind of zon. Die keuze is aan de provincies en gemeenten uit de 30 RES regio’s.;  Het totaal van 84 TWh is gebaseerd op de benodigde reductiedoelstelling van CO2. Het kabinet heeft in het regeerakkoord bepaald dat Nederland in 2030 49% CO233 dient te reduceren ten opzichte van 1990.  In 1990 was de totale uitstoot aan broeikasgassen in Nederland ongeveer 228 miljoen ton CO2 equivalenten34 (228 megaton, afgekort Mton). In 2030 moet die uitstoot 49% lager zijn, dus 116 Mton. Zonder het Klimaatakkoord zou de uitstoot in 2030 op 165 Mton uitkomen. Het Klimaatakkoord moet dus zorgen voor nog eens 49 Mton minder broeikasgassen in het jaar 2030.  In het Klimaatakkoord is een verdeling opgenomen over de sectoren. Voor de sector elektriciteit is de opgave 20,2 Mton CO2.

Deze verdeling is gebaseerd op een rapport van PBL uit 2018, waarbij is uitgegaan van een kosteneffectieve invulling van de opgave die tevens passend is bij de lange termijn opgave (Link naar Kamerbrief).  Uitgangspunt voor het Klimaatakkoord was dat met het nemen van maatregelen in Nederland, dit niet tot een extra CO2-uitstoot zou leiden in de rest van de Europese Unie zou leiden. Dit betekende onder andere dat de elektriciteitsproductie die mogelijk weg zou vallen door het verbod op het gebruik van kolen, moest worden vervangen door hernieuwbare opwek. Daarnaast moest er rekening worden gehouden met de extra elektriciteitsvraag vanuit de andere sectoren. Dit resulteerde in een opgave van grofweg 90 TWh hernieuwbare elektriciteit. Daarbij was de verwachting dat circa 7 TWh zou worden ingevuld met kleinschalig zon-PV35, waarmee 84 TWh aan meer grootschalige hernieuwbare elektriciteitsproductie resteerde. De doelstelling van 49% is opgenomen in het regeerakkoord en in de Klimaatwet. Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) concludeert dat het Nederlandse doel van 49% reductie in 2030 passen bij het beperken van de mondiale opwarming tot 2°C in 2050 (Analyse Regeerakkoord Rutte-III: Effecten op klimaat en energie, 30 oktober 2017). 34 Niet alleen CO2 draagt bij aan het broeikaseffect.

De uitstoot van het totaal aan broeikasgassen waaronder bijvoorbeeld ook Methaan is daarom teruggebracht tot “CO2equivalenten”. 35 Kleinschalig zon-pv zijn installaties met een piekvermogen van minder dan 15 kW die op daken van huizen liggen en onder de salderingsregeling vallen (bij een vermogen van 300Wp van 1 paneel betekent dit dat de grens momenteel ligt bij 50 panelen). Bewoners 33

Alle wind kan naar zee!

Van wind op land naar wind op zee.

28/39

Met 84 TWh hernieuwbare elektriciteit in 2030 voldoen we nog niet aan de doelen uit de Klimaatwet. Daarin is immers een doel van 95% CO2 reductie in 2050 opgenomen. Met 84 TWh hernieuwbare elektriciteit in 2030 zal onze elektriciteitsvoorziening voor ongeveer 70% bestaan uit hernieuwbare bronnen. Maar we gebruiken meer energie dan elektriciteit en de verwachting is ook dat het gebruik van elektriciteit in de gebouwde omgeving, industrie en mobiliteit zal groeien. Dit betekent ook dat na 2030 er sprake zal zijn van groei van de benodigde hernieuwbare elektriciteit. Hoe hoog dit moet zijn en wat dat eventueel betekent voor een verdere groei van wind en zon op zee en op land, is nog geen besluit genomen.

2. Toelichting op aandeel windenergie op zee 

Windenergie op zee: in de routekaart 2030 voor wind op zee staat beschreven dat er in 2030 in totaal 11,5 GW wind op zee moet zijn gerealiseerd:

o Het regeerakkoord vormt de basis voor deze routekaart. Hierin staat dat met windenergie op zee een extra reductie van de CO2-uitstoot gerealiseerd dient te worden van 4 megaton (dit is ten opzichte van het basis-pad uit de Nationale Energieverkenning 2016). o Deze 4 Mton vertaalt zich in een totale omvang van de windparken op zee van circa 11,5 gigawatt (GW) in 2030. Voor windenergie op zee gaat het Planbureau voor de Leefomgeving uit van 9,4 GW in 2030 (NEV 2016-scenario vastgesteld en voorgenomen beleid). Een uitstootreductie van 4,0 megaton CO2 is equivalent aan 2,1 GW extra windenergie op zee daar bovenop. Zie “Nationale kosten Energietransitie in 2030”, Planbureau voor de Leefomgeving, 3 april 2017. Totaal dus 2,1GW + 9,4GW = 11,5GW. o Rekening houdend met de ten tijde van de routekaart windenergie op zee 2030 al bestaande windparken (circa 1 GW) en de te realiseren windparken uit de toe bestaande routekaart windenergie op zee tot en met 2023 (circa 3,5 GW), betekent dit dat er tussen 2024 en 2030 windparken bij moeten komen met een gezamenlijk vermogen van circa 7 GW. o De locaties van deze windparken op zee zijn reeds gereserveerd in het nationaal waterplan. o Belangrijk is dat de routekaart concreet tenders en windparken benoemt met een totaal vermogen van 10,6 GW.

De benodigde 7 GW bovenop bestaande routekaarten en windparken kon niet gerealiseerd worden vanwege ecologische beperkingen (zie pagina 7 van de routekaart). o Om verdere doorgroei van windenergie op zee mogelijk te maken bovenop de 11,5 GW, werd nader ecologisch onderzoek aangekondigd. Op basis van dit onderzoek bleek in 2019 (p.11 bovenaan) dat de genoemde 11,5 GW toch past binnen de instandhoudingsdoelen van natuur en ecologie. 

In het Klimaatakkoord is de bovenbeschreven 11,5 GW opgenomen als doel. Dat komt overeen met de 49% CO2 reductiedoelstelling. Gegeven de door PBL destijds gehanteerde

mogen hun opgewekte elektriciteit aftrekken van hun huishoudelijk gebruik. Hieruit volgt automatisch dat grootschalige opwek via zon-pv een minimaal piekvermogen heeft van 15kW. Dit is ook een eis vanuit de Subsidieregeling Duurzame Energie++ (SDE++).

Alle wind kan naar zee!

Van wind op land naar wind op zee.

29/39

aanname van 4.300 vollasturen36 correspondeert 11,5 GW met 49 TWh aan opgewekte elektriciteit. Ook is in het Klimaatakkoord overeengekomen om extra windenergie op zee te onderzoeken en te realiseren, als de vraag naar hernieuwbaar geproduceerde elektriciteit aantoonbaar toeneemt. Er is een Noordzee-overleg onder leiding van een onafhankelijk voorzitter gestart, om afspraken te maken over deze verdere groei. Momenteel worden er plannen ontwikkeld voor meer windenergie op zee, zowel tot 2030 als daarna.

o Meer windenergie op zee om 49 TWh te halen. Op basis van een meer voorspelling van de daadwerkelijke productie van de geplande windparken tot 2030 is duidelijk geworden dat de geplande uitrol van de routekaart windenergie op zee 2030 onvoldoende is om de beoogde 49 TWh in 2030 te realiseren. Er zou 700MW aan extra windcapaciteit nodig zijn om zeker te zijn dat de doelstelling uit het Klimaatakkoord gehaald wordt. Dit is per brief gemeld aan de Tweede Kamer (p.10 bovenaan). o Meer windenergie op zee om 55% CO2 reductie in 2030 te halen. De Europese Commissie en het Europese Parlement hebben zich uitgesproken voor een ambitieuzere CO2reductiedoelstelling in 2030. Als gevolg hiervan kunnen ook nog extra windparken voor of in 2030 nodig zijn. In het Klimaatakkoord is hierover afgesproken dat bij het realiseren van extra windparken voor 2030 recht wordt gedaan aan de juiste balans van belangen en er voldoende ecologische ruimte moet zijn. Het daadwerkelijke besluit over waar en wanneer extra windparken komen, zal - na overleg met belanghebbenden (waaronder het Noordzeeoverleg) - worden genomen als duidelijker is hoe groot de extra opgave in 2030 is en een integrale afweging kan worden gemaakt. Dit zal niet meer in deze kabinetsperiode plaatsvinden. Een Studiegroep Klimaatopgave Green Deal brengt hierover dit voorjaar een advies uit.

In het Klimaatakkoord is in beeld gebracht dat voor een 55% scenario ca. 120 TWh aan hernieuwbare elektriciteit dient te worden gerealiseerd. o Meer windenergie om klimaatdoelen voor 2050 te halen. In het Programma Noordzee 2022-2027 zal het kabinet, conform de afspraken in het Noordzeeakkoord, 20 tot 40 GW aan nieuwe gebieden voor windenergie op zee aanwijzen. Hierbij wordt uitgegaan van 27 GW, hetgeen is gebaseerd op de scenario’s en toekomstpaden uit de Noordzee Energie Outlook. 27 GW is immers het minimum dat - aanvullend op de circa 11,5 GW uit de huidige routekaart windenergie op zee 2030 - nodig is om tot 38 GW te komen, wat volgens deze scenario’s in 2050 minimaal nodig is. De term vollasturen behoeft enige toelichting. Dit is een eenheid voor de effectieve (jaar)opbrengst van een energiebron met een wisselend vermogen (zoals zonnepanelen en windmolens). Het aantal vollasturen kan worden gezien als de tijdsduur waarin de energiebron effectief op vol vermogen energie heeft geproduceerd. Het aantal vollasturen wordt berekend door het aantal jaaruren (24*365) te vermenigvuldigen met de productiefactor/rendement van de energie installatie. Voorbeeld: een windmolen met een productiefactor van 35% (wat op land momenteel normaal is), leidt tot 0,35*8.760= 3.066 vollasturen.

Het vermenigvuldigen van het vermogen van de turbine met het aantal vollasturen levert vervolgens de jaarproductie. Indien de genoemde windmolen een vermogen heeft van 4 MW, levert deze windmolen op jaarbasis 4*3.066=12.264 MWh. Oftewel 0,012 TWh. 36

Alle wind kan naar zee!

Van wind op land naar wind op zee.

30/39

3. Toelichting op aandeel hernieuwbaar op land In het Klimaatakkoord is overeen gekomen om in 2030 35 TWh aan grootschalige elektriciteit op te wekken. De onderbouwing van de 35 TWh is als volgt:  Met de invulling van een groot deel van de opgave met extra wind op zee en de hiervoor geschetste beperkingen t.a.v. ecologie op de Noordzee, resteerde nog een aanvullende opgave om in 2030 49% minder uit te stoten. Daarnaast hebben veel gemeenten en provincies beleid vastgelegd om bij te dragen aan het oplossen van de klimaatopgave. Een manier om dat te doen is via wind en zon op land, zowel met kleinschalige opwek als de meer grootschalige opwek.  Grootschalig wil zeggen wind en zon met een piekvermogen van tenminste 15 kW. Hieronder vallen dus niet de panelen die op daken van burgers liggen. Door het PBL werd ten tijde van het Klimaatakkoord uitgegaan van een productie uit deze kleinschalige zon op dak van 7 TWh in 2030. Dit is een raming die mede afhankelijk is van de mate waarin burgers investeren in zonnepanelen. Indien de groei harder gaat dan PBL heeft verondersteld, mogen regio’s het surplus meetellen bij de RES’en, indien besloten wordt tot een extra opgave bovenop de 35 TWh. De onderbouwing hiervan is gelegen in de constatering dat opwek via salderen duurder is dan via grootschalige wind/zon dat bekostigd wordt via de SDE++ regeling.

 De 35 TWh hoeven niet gerealiseerd te worden met allemaal nieuwe windturbines en zonneparken. Ook voor het Klimaatakkoord waren er doelen voor wind op land (6.000MW in 2020) en werd de realisatie van zon-pv financieel ondersteund met de SDE+. Door het NPRES is recent de huidige realisatie en pijplijn in kaart gebracht. Per 01-01-2020 is inmiddels voor ca. 9,9 TWh aan productie van hernieuwbare elektriciteit gerealiseerd. Het grootste deel hiervan is productie uit wind op land, nl. ca. 7,4 TWh en de rest is productie uit grootschalige zon-pv, nl. ca. 2,5 TWh. Daarnaast is - kijkend naar alle in voorbereiding zijnde projecten met subsidiebeschikking voor SDE+ - de verwachting dat er in de komende jaren nog voor ca. 16,9 TWh bij gaat komen (pijplijn). Hiervan is naar schatting ca. 11,0 TWh uit wind op land en ca. 5,9 TWh uit grootschalige zon-pv. Huidig en pijplijn samen komen dan uit op ca. 26,8 TWh, waarvan 8,4 TWh zon-pv en 18,4 TWh wind op land. Dit betekent dat de resterende opgave circa 8 TWh bedraagt (bron: factsheet).  8 TWh komt overeen met (uitgaande van 950 vollasturen voor zon en een gemiddelde van 3350 voor wind (PBL advies basisbedragen SDE++ 2020): o Bij 100% wind: 597 turbines van 4 MW o Bij 100% zon: 8,4 GW (6.300 hectare zonneparken of 5.300 hectare zonnedaken) o Bij 50/50% wind en zon: 299 turbines van 4 MW, 4,2 GW zon. 4.

Conclusie Concluderend kan worden gesteld dat er twee hoofdredenen zijn voor de verdeling zoals overeen gekomen in het Klimaatakkoord. Om te beginnen is het aandeel windenergie op zee begrensd door de destijds beschikbare gegevens over de ecologie. Anderzijds is de verdeling een uiting van de ambitie van de gemeenten en provincies om gezamenlijk te werken aan de klimaatopgave. Daarbij past dat er ook hernieuwbare opwek op land plaatsvindt. Verder kan worden geconcludeerd dat er voor 2030 nog meer hernieuwbare elektriciteit gerealiseerd dient te worden , om de door de Europese Commissie voorgestelde 55% CO2 reductie in 2030 te behalen. Op grond van het Klimaatakkoord gaat het om 120 TWh – 84 TWh = 36 TWh. Een studiegroep heeft hiervoor de mogelijkheden in beeld gebracht. Een besluit daarover is aan het volgende kabinet.

Alle wind kan naar zee!

Van wind op land naar wind op zee.

31/39

Annex 2

TNO visie: wind doelstelling kan beter naar zee De heer Harm Jeeninga, Director Market bij TNO Energie Transitie 9 mei 2021 op een expert meeting in Doetinchem, www.windalarm.org/tno (voor video)

(tekst tussen haakjes en cursief van Windalarm) Het is van belang dat je een balans hebt tussen zon en wind en ook andere vormen van energie. Dan is het veel makkelijker om het energie systeem te balanceren. Voor wind maakt het in de basis niet zo ontzettend veel uit je dit nu op land of op zee zet. Ik zou het me best wel voor kunnen stellen dat op het moment dat we met zijn allen besluiten dat we een versnellingsslag op zee doen, dat we dan minder wind-op-land neer kunnen zetten. De ruimte voor het plaatsen van wind-op-zee is buitengewoon veel groter. Je kunt er grote windturbines kwijt, de windcondities zijn ook gunstiger. Je hebt ook nog kans dat de vergunningstrajecten sneller lopen. Maar nogmaals, dan zou je wel het plaatsen van minder windturbines op land moet compenseren door een versnellingslag op zee Het is van belang dat je de energievraag en productie heel dicht bij elkaar brengt, en het zodanig in elkaar past dat je het goed met elkaar af kunt stemmen. Een hele belangrijke (toekomstige) energievraag in de bebouwde omgeving is toch je elektrische auto en je verwarming. Dat kan je lokaal combineren met Zon-pv (zon op dak, bebouwde omgeving), en dat heb je een systeem wat heel goed uitgebalanceerd is.

Dat kun je koppelen met een heel groot stuk wind-op-zee waardoor je hopelijk toch de hele energievoorziening in Nederland samen meteen stuk flexibiliteit in de industrie (door afschakelen van bijvoorbeeld de aluminium smelterijen tijdens windstilte en gebrek aan zon) goed op elkaar aan laat sluiten. Dus het feit dat je juist in de bebouwde omgeving veel samenbrengt op wijkniveau geef je ook de sturingsmogelijkheden om te voorkomen dat je congestie problemen krijgt (die nu overal ontstaan vanwege windturbines en zonneweides in de haarvaten van het net, kleinere dorpen. Dit leidt tot 2 miljard aan netverzwaringskosten die je dus kunt voorkomen, door juist wind-op-zee en zon-op-dak te doen) Harm Jeninga, Linkedin profiel Als Director Market verantwoordelijk voor de onderzoeksprogrammering, programmamonitoring en evaluatie en acquisitie. Onderhouden van de contacten met de belangrijkste accounts waaronder Topsector Energie (TKI-directies) en Ministerie van Economische Zaken. Bestuurs- en adviesfuncties:      

Klimaatakkoord: lid elektriciteitstafel, 2018 – heden TKI (Top sector Energie) Wind op Zee, bestuurslid, 2017 – heden Lid Strategische Programma Advies Commissie (SPAC) van de TKI EBI, 2017 – heden Bestuurslid Advanced Dutch Energy Materials Innovation (ADEM), 2016 – heden Far and Large Offshore Wind (FLOW), bestuurslid, 2016 – 2017 European Strategy Forum on Research Infrastructures (ESFRI), nationale vertegenwoordiger Energie, 2015 – heden

Alle wind kan naar zee!

Van wind op land naar wind op zee.

32/39

Annex 3. EZK expert sessie voor raadsleden Onderstaande slides komen uit een presentatie van het Ministerie van EZK voor de gemeenteraad van Amsterdam (mei 2021) als input tot een besluit van de raad tot het plaatsen van windturbines in dichtbevolkte gebieden. Deze presentatie wordt in andere gemeenten gebruikt. In haar presentatie wilde EZK aantonen dat extra wind-op-land essentieel is voor het halen van de klimaatakkoorddoelstelling. De onderstaande beweringen door EZK lijken onjuist en spreken adviezen van overheidscommissies tegen die door datzelfde ministerie naar buiten worden gebracht. Deze adviezen zijn in dit document “Alle wind kan naar zee” uitgebreid besproken. Hieronder laten we zien dat de beweringen van EZK onjuist lijken en dat gemeenteraden in Nederland derhalve verkeerd worden voorgelicht op basis van een zogenaamde “woordvoerderslijn” (om bestaand beleid te rechtvaardigen) in plaats van door de actuele feiten zoals gepubliceerd door de overheid.

1. Wind op zee: 49 TWh. Meer gebieden dienen te worden aangewezen. Het is juist dat meer gebieden dienen te worden aangewezen. Dat is echter geen probleem. Er is ruim voldoende plek gereserveerd binnen het Noordzeeakkoord om aan de doelstelling 2050 te voldoen (50 GW). Het aanwijzen van gebieden kan binnen één jaar gebeuren. Zie hiervoor de recente kamerbrief van de minister rondom Extra opgave wind op zee. 2. Wind/zon op land. De indruk wordt gewekt alsof PBL en Martien Visser het over dezelfde gegevens hebben maar ieder een andere inschatting maken. Het PBL heeft het hier over echter over haar inschatting van bestaande opwek + pijplijn + ambitie op basis van de stand in 2019 (zie de onderstaande tabel). Volgens PBL was er in 2019 tussen de 25,4 en 28,4 TWh van de 35 TWh doelstelling gehaald. Deze cijfers zijn een optelling van CBS cijfers (bestaande opwek) + pijplijn (gesubsidieerde en, voor wind, vergunde projecten, met correctie). Martien Visser neemt alle cijfers van 2020 mee en komt dan (inmiddels) uit op 34,66 TWh. Daar heeft hij al een correctie naar beneden op toegepast die strenger is dan de correctie die het PBL voor 2019 heeft toegepast. Het doel wordt dus wel degelijk gehaald. Hoe dat berekend wordt is bovendien in het

Alle wind kan naar zee!

Van wind op land naar wind op zee.

33/39

Klimaatakkoord vastgesteld om dit soort discussies te voorkomen. We kunnen daarom niet tussentijds de spelregels veranderen. Zie voor een verdere toelichting op onderstaande cijfers ons position paper “naar een wind-op-land moratorium”. Tabel 3. Klimaatakkoord wind en zon op land doelstelling realisatie overzicht 2020 (stand juni 2021)

Tabel 3. Klimaatakkoord wind en zon op land doelstelling realisatie overzicht 2019 en 2020 (stand juni 2021)

Behaalde doelstelling Grootschalig Zon op land gerealiseerd (CBS) Grootschalig Zon op land pijplijn (correctie 6075% van SDE) Wind op Land gerealiseerd (CBS) Wind op Land pijplijn (vergund, correctie 99100% van SDE) TOTAAL doelstelling klimaatakkoord

TWh in 2030 (2019) PBL PBL minimum, maximum, 60% zon 75 % zon 99% wind 100% wind 2,5 2,5

TWh in 2030 (2020) PBL PBL minimum, maximum, 75 % zon Klimaatakkoord 60 % zon 100% zon Geen correctie 99% wind 6,4 6,4 6,4

5,9 7,4

7,4 7,4

13,5 8,9

8,2 8,9

10,3 8,9

11,0 26,8

11,1 28,4

11,5 40,3

11,5 35

11,6 37,2

www.pbl.nl/sites/default/files/downloads/pbl-2021-monitor-concept-res-een-analyse-van-de-concept-regionaleenergie-strategieen_4297.pdf (pagina 5)

Alle wind kan naar zee!

Van wind op land naar wind op zee.

34/39

3. Het merendeel van de opgave 2030 komt al op zee (60%). Dat het merendeel al op zee komt geeft alleen maar aan dat het een goed idee is om het op zee te doen. Het is als zodanig geen reden dat er niet meer bij kan. De overheid dient hierover een rationele afweging van belangen en kosten te maken. Wat betekent het indien bijvoorbeeld 65% op zee komt en minder wind-op-land. Er bestaat geen enkel onderzoek (Maatschappelijke Kosten Baten Analyse) waarbij iets meer op zee en niets meer erbij op land naast elkaar wordt gelegd. Terwijl dit nota bene is wat de meeste Nederlanders het liefs zouden willen zien op basis van de Klimaatraadpleging van de Universiteit van Delft. De overheid heeft niet eens de moeite genomen om te kijken of het kan. Daarmee ontbreekt gewoon de politieke wil en lijken er andere belangen te spelen. 4. Er is een Noordzeeakkoord (niet ondertekend door de visserij), maar nog geen aanvullende windenergiegebieden. De visserij wordt met 120 miljoen gecompenseerd. De totale economische schade voor de visserij is 1.5 miljoen Euro per jaar in 2030 voor de klimaatakkoorddoelstelling van 49 TWh wind-op-zee. De stroomopbrengst is 1,9 miljard Euro per jaar. De vissers willen permanent in een onderhandelingspositie zitten om er nog meer uit te halen. Dat kan een reden zijn dat ze niet getekend hebben. Is verder ook niet relevant.

De inwoners van Nederland zijn niet eens uitgenodigd aan de klimaattafels (of Noordzeeakkoord), laat staan dat ze het klimaatakkoord en de afwegingen die daar gemaakt zijn onderschreven hebben. Het belang van ongeveer twee vissers (omzetschade 1,5 miljoen per jaar) wordt hier hoger geacht dan het gemeenschappelijke belang van inwoners in bij elkaar (gezondheid, overlast, landschap, ruimte voor woningen). Binnen het Noordzeeakkoord is ruimte voor 51 GW geschapen (zie annex 1 en pagina 19). Het aanwijzen van gebieden kan binnen één jaar gedaan worden (zie onderstaande brief minister aangaande extra opgave wind-op-zee).

Alle wind kan naar zee!

Van wind op land naar wind op zee.

35/39

5. Klimaatakkoord en NOVI: “na 2030 vooral groei door middel van wind-op-zee (scenario’s geven aan tot 72 GW”. Zowel het Klimaatakkoord als de NOVI (Nationale Omgevingsvisie) geven aan dat na 2030 (dus na het halen van de huidige 35 TWH doelstelling zon-en-wind-op-land) verdere groei van de elektriciteitsproductie vooral door wind-op-zee moet plaatsvinden. Dat kan dus ook nu al (buiten het gegeven dat de 35 TWh doelstelling reeds is gehaald). Het scenario met 72 GW gaat uit van een situatie waarbij Nederland al zijn energie zelf produceert zonder import van stroom of waterstof. Daar is geen enkele reden voor (Nederland is een open economie) en dat is duurder dan de energievoorziening binnen een Europese context te regelen. Dat laatste is ook staand beleid van TenneT (veel extra kabelverbindingen met het buitenland staan in de planning) en de Europese Commissie, die windenergiegebieden op zee met elkaar wil verbinden. Dan hebben we volgens de datzelfde overheidsscenario’s met 40-42 GW wind-op-zee genoeg. Maar zelfs voor 72 GW is er voldoende ruimte (12% van NL Noordzee). De hele Noordzee kan als het moet alle energie van de hele wereld produceren.

Alle wind kan naar zee!

Van wind op land naar wind op zee.

36/39

6. Op zee zijn andere belangen. Op land zijn veel meer andere belangen (…). Er is voldoende ruimte op zee. De genoemde 42 GW zal nog geen 7 % van het Nederlandse deel van de Noordzee beslaan. Met alle andere belangen samen komt men op 50 % van de zee, waarbij men niet uitgaat van meervoudig ruimtegebruik is. Dat is er in de praktijk wel. Natuur onder water (20 % van de Noordzee) gaat bijvoorbeeld goed samen met windturbines. Tussen turbines kan gevist worden zolang 50 m afstand wordt gehouden. Zie hier een link naar de overheidswebsite waarin de overheid aantoont dat er op zee voldoende ruimte is: https://windopzee.nl/onderwerpen/wind-zee/hoeveel-ruimte/ 7. Netaansluitingen kennen in toenemende mate complexe inpassingsvraagstukken. Hier wordt wind-op-zee aanlanding bedoeld. Er is een discussie over een kabel die via Schiermonnikoog moet lopen. Dit werd genoemd door de heer Lennert Goemans (EZK) toen hij op dit punt duidde in een discussiebijeenkomst. De kabel die wellicht via Schiermonnikoog zal lopen zal een capaciteit van 2 GW hebben. Dat is bij 5000 voltijdsuren, 10 TWh stroom per jaar. Dat is een equivalent van 3 GW capaciteit wind-op-land. Dat zijn 660 Windturbines van 4,5 MW. De inpassingsproblemen, kosten en negatieve schade en risico’s zijn voor dezelfde hoeveelheid windstroom op land vele malen groter, zo die inpassing überhaupt al mogelijk zou zijn.

https://solarmagazine.nl/nieuws-zonne-energie/i24812/netbeheerders-aansluiten-meerwindmolens-en-zonnepanelen-dan-35-terawattuur-in-2030-niet-realistisch Je mag van de overheid in deze een objectieve afweging verwachten van beide scenario’s: wind-opland en wind-op-zee. Beide hebben uitdagingen en kosten aangaande netinpassing. Door de problemen van wind-op-zee uit te vergroten en die van wind-op-land te negeren ontstaat de indruk van het zoeken van argumenten bij beleid in plaats van het baseren van beleid op basis van argumenten. 8. 35 TWh is reflectie van ambitie gemeenten en provincies. Dat is correct. Het is een reflectie van de ambitie van de gemeenten en provincies. Binnen het klimaatakkoord had al gekozen kunnen worden voor een moratorium tot wind-op-land. De eerdere stelling van de overheid dat dit nodig was omdat 11,5 GW op zee in 2030 het maximaal haalbare zou zijn is inmiddels door de feiten achterhaald. De overheid is immers sinds april 2021 officieel voornemens de doelstelling met 10 GW in 2030 op te hogen. Hoezo is die ruimte er nu opeens wel

en in 2019 bij het tekenen van het klimaatakkoord niet? Zon moet uiteraard wel op het vaste land (bij voorkeur op dak) maar voor wind is er vanuit nationaal perspectief een alternatief. De nationale omgevingsvisie en tal van andere overheidsbeleidstukken geven vanaf nu de voorkeur voor wind-op-zee boven wind-op-land. De overheid moet hier eerlijk zijn. Veel gemeenten en provincies denken namelijk dat de ambitie een verplichting is van de nationale overheid en dat er geen alternatieven zijn. Diezelfde nationale overheid stelt dat meer wind-op-land voortkomt uit de ambitie van lokale overheden (zie annex 1) terwijl de lokale overheden stellen dat de ambitie opgedragen is vanuit de nationale overheid. Niemand neemt verantwoordelijkheid. 9. Extra vraag tot 2030, 15-45 TWh elektrificatie. De minister heeft aangegeven dat hij daarvoor binnen een jaar ruimte op zee voor gaat aanwijzen (zie hierboven onder punt 4). Daaruit blijkt dat er voldoende ruimte op zee is. De bandbreedte geeft ook aan dat de ruimte op zee schaalbaar is. Het kan wellicht ook 50 TWh of veel meer worden indien er voldoende vraag is. Indien de 45 TWh extra al het maximum zou zijn wat er nog bij kan dan is het

Alle wind kan naar zee!

Van wind op land naar wind op zee.

37/39

logisch om eerst op zee het maximale te doen en daarna pas weer te kijken naar wind-op-land. De kans dat we reeds in 2030 daadwerkelijk de extra 45 TWh nodig hebben is namelijk vrij klein omdat daarvoor de kosten van opslag (waterstof) sterk moeten zijn gedaald en er een enorme electrificatie slag moet gaan plaatsvinden . Indien de 45 TWh daadwerkelijk nodig blijkt te zijn en er echt niet meer ruimte is op zee kan men altijd nog naar land uitwijken. Het is echter logisch daar te beginnen waar de maatschappelijke kosten het laagst zijn. 10. Verhoging CO2 reductiedoel, nog meer wind-op-zee. Hier wordt de indruk gewekt alsof er bovenop de al voorgestelde 15-45 TWh er nog meer wind-opzee zou moeten. Deze 15-45 TWh zijn echter al een (ruime) invulling van het doel om van 49 naar 55 % CO2 reductie te gaan. Daarnaast is er al ruimte gemaakt op de Noordzee voor 51 GW (dat is bij 5000 voltijdsuren 225 TWh wind-op-zee in 2030). Voor de 55 % CO2 reductie is een totaal van 120 TWh extra duurzame opwek nodig. Dat betekent dat er nog 120 TWh – 35 TWh (land) – 49 TWH (zee) = 36 TWh extra bij moet komen bovenop het klimaatakkoord. De 45 TWh extra is dus ruim voldoende. Daarnaast komt er natuurlijk tot 2030 nog heel veel extra zon bij (bovenop dat wat er nu reeds is of in de planning staat). 11. Wind en zon op land zijn nu nog het goedkoopst.

Zon-op-land is nu zeker niet goedkoper dan wind-op-zee. De onderstaande tabel komt uit de presentatie van het ministerie van EZK voor de gemeenteraad van Amsterdam. Grootschalige zon-opland is stukken duurder, en zal pas in 2030 de prijs van wind-op-land evenaren. Maar er moet bij meer wind-op-zee wel degelijk ook veel meer zon bijkomen voor een juiste balans. Dus ja volop inzetten op zon (bij voorkeur op dak). Voor wat betreft wind mogen we kijken naar de prijs in 2030. Dat is immers de doelstelling van de RES / klimaatakkoord. Ook wind-op-land projecten hebben een lange doorlooptijd. De aanlandingskosten voor wind-op-zee worden door TNO geschat op 1 cent per KWh. Onze berekening (zie dit alle wind kan naar zee position paper, hoofdstuk 4.4) laat zien dat alleen aan de kust wind-op-land goedkoper is dan wind-op-zee omdat het daar harder waait dan in het binnenland. Verder pleiten we voor een integrale maatschappelijke afweging en dient men bij wind-op-land ook woningwaarde daling, opportunity costs, overlast, etc mee te nemen. Een vergelijking tussen enerzijds het een beetje verhogen van de al grote wind-op-zee doelstelling en geen verdere groei wind-op-land heeft nooit als beleidsoptie op tafel gelegen. Wij wensen dat die 2 opties eerlijk langs elkaar worden gelegd en dat dan op basis van een maatschappelijk debat de politiek een keuze maakt.

Nu is de keuze gemaakt aan de klimaattafels en worden er argumenten bij gezocht en uit hun verband getrokken.

Alle wind kan naar zee!

Van wind op land naar wind op zee.

38/39

Alle wind kan naar zee!

Van wind op land naar wind op zee.

39/39

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Barneveld&id=98e37ab5-382a-4155-bcbc-d0a62a3e03e2