CConstaterende datBarneveld
Koppel je AI →
Document · PDF

B-3.13 Besluit B&W inzake ontheffing experiment doorstroming Huisvestingsverordening d.d. 26-10-21.pdf

Gemeenteraad 10 november 2021, gemeente BarneveldBij agendapunt: Ingekomen en uitgaande stukken12.866 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Met de Molukse vereniging Stichting Batu Tjapeu zijn afspraken gemaakt over het met voorrang toewijzen van een 50-tal huurwoningen aan huishoudens met een Molukse afkomst (omgeving Columbusstraat). De vrijkomende huurwoningen worden wel (gelabeld) via Huiswaarts.nu aangeboden. Ook hier wordt jaarlijks achteraf verslag van gedaan. De lijst met complexen/woonruimten wordt in overleg met de toegelaten instelling in Barneveld geactualiseerd en ter kennisname aangeboden aan de gemeenteraad. Artikel 12. Voorrang op basis van herstructurering Een toegelaten instelling kan bij sloop of ingrijpende renovatie van een woning of complex van woningen besluiten om de zittende huurders een herstructureringsindicatie toe te kennen. De betreffende toegelaten instelling draagt zorg voor registratie van de betreffende woningzoekende als herstructureringskandidaat. De rangorde van herstructureringskandidaten onderling wordt bepaald door de woonduur herstructureringsindicatie (oudste datum gaat voor). De herstructureringsindicatie vervalt bij definitieve huisvesting van de betreffende herstructureringskandidaat. Dit geldt dus niet voor het huisvesten in een wisselwoning. Herstructureringskandidaten zijn zelf verantwoordelijk voor het vinden van geschikte woonruimte via het digitale platform Huiswaarts.nu.

Indien deze zoektocht niet tot gewenste resultaten leidt, kan de toegelaten instelling de keuze maken voor directe bemiddeling. Dit is ter beoordeling van de toegelaten instelling. Als de toegelaten instelling kan aantonen dat de woningzoekende onvoldoende initiatieven heeft ontplooid om via het digitale platform Huiswaart.nu vervangende woonruimte te zoeken en geen medewerking wil verlenen het tijdig verhuizen (door onterecht woningen te weigeren bij de actieve bemiddeling) staat de toegelaten instelling een gang naar de rechter vrij. Artikel 13. Regionale voorrang bij economische of maatschappelijke binding Deze bepaling is een uitwerking van artikel 14 van de wet, waarin is bepaald dat de gemeenteraad in de huisvestingsverordening kan bepalen dat bij de verlening van huisvestingsvergunningen voorrang wordt gegeven aan woningzoekenden die economisch of maatschappelijk gebonden zijn aan de woningmarktregio FoodValley voor een of meer daarbij aangewezen categorieën woonruimte. Deze voorrangsregel kan bijvoorbeeld ertoe leiden dat als er meer dan een gegadigde is voor een bepaalde woonruimte, degene die economisch of maatschappelijk gebonden is aan het in de verordening aangewezen deel van de gemeente als eerste in aanmerking komt voor de aangeboden woonruimte.

Deze voorrang kan niet onbeperkt worden verleend, maar tot het maximum van het in de verordening genoemde percentage van het aanbod (artikel 14, eerste en tweede lid, van de wet). Dit impliceert dat 50% van de woningen bij het aanbieden van de woonruimte ‘gelabeld’ kan worden voor het stellen van bindingseisen. Maximaal 25% van die 50% is beschikbaar voor personen met regionale binding. Het labelen van een woning geschiedt bij de aanbieding.

17

Artikel 14. Lokale voorrang bij economische of maatschappelijke binding Deze bepaling is een uitwerking van artikel 14 van de wet, waarin is bepaald dat de gemeenteraad in de huisvestingsverordening kan bepalen dat bij de verlening van huisvestingsvergunningen voorrang wordt gegeven aan woningzoekenden die economisch of maatschappelijk gebonden zijn aan de gemeente Barneveld of een tot de gemeente behorende kern voor een of meer daarbij aangewezen categorieën woonruimte. Een woningzoekende is economisch gebonden aan het in de verordening aangewezen gebied als hij met het oog op de voorziening in het bestaan een redelijk belang heeft zich in dit gebied te vestigen; en hij is maatschappelijk gebonden als hij een redelijk, met de plaatselijke samenleving verband houdend belang heeft zich in dat gebied te vestigen, of ten minste zes jaar onafgebroken ingezetene is dan wel gedurende de voorafgaande tien jaar ten minste zes jaar onafgebroken ingezetene is geweest (artikel 14, derde lid, van de wet). Deze voorrangsregel kan bijvoorbeeld ertoe leiden dat als er meer dan een gegadigde is voor een bepaalde woonruimte, degene die economisch of maatschappelijk gebonden is aan het in de verordening aangewezen deel van de gemeente als eerste in aanmerking komt voor de aangeboden woonruimte.

Deze voorrang kan niet onbeperkt worden verleend, maar tot het maximum van het in de verordening genoemde percentage van het aanbod (artikel 14, eerste en tweede lid, van de wet). Dit impliceert dat 50% van de woningen bij het aanbieden van de woonruimte ‘gelabeld’ kan worden voor het stellen van bindingseisen. Maximaal 25% van die 50% is beschikbaar voor personen met lokale binding aan Barneveld. Het labelen van een woning geschiedt bij de aanbieding. Lokale binding moet gespecificeerd worden naar kern. Als er geen gegadigden zijn uit desbetreffende kern wordt de lokale kernbinding uitgebreid tot de andere kernen van Barneveld. Als dit niet tot het gewenste effect leidt, vervallen de voorrangscriteria. Het voorrangscriterium regionale binding vervangt niet automatisch die van lokale binding als die laatste niet succesvol is. Artikel 15. Rangorde woningzoekenden In deze bepaling wordt, in aansluiting op de voorrangsregels van deze verordening, een rangorde voor de toewijzing van woonruimte gegeven. Het artikel treedt in werking bij situaties waarin er meer dan één gegadigde is voor een bepaalde woning. Het artikel dient als volgt gelezen te worden.

Alle gegadigden (zowel de voorrangskandidaten als de personen die op basis van inschrijftijd in aanmerking zouden kunnen komen voor een woning) dienen te voldoen aan de bepalingen zoals die zijn verwoord met betrekking tot het inkomen in de artikelen 3 en 7. Het inkomen is dus in principe dus altijd leidend, tenzij het hier een situatie betreft als genoemd in de toelichting van artikel 2 (waar gesproken wordt over de rijksregels waaraan een toegelaten instelling is gehouden). Daarnaast wordt opmerkt wordt dat de voorrangsbepalingen alleen gehanteerd kunnen worden als deze kenbaar zijn gemaakt bij aanbieding van de woning op het digitale platform ‘Huiswaarts.nu’. Uitzondering hierop is het criterium ‘herstructurering’. Er kunnen meerdere voorrangsbepalingen tegelijkertijd gehanteerd worden, waarbij de in dit artikel gekozen volgorde in principe leidend is. Opgemerkt wordt dat er zwaarwegende redenen kunnen zijn om hier incidenteel van af te wijken. Dit dient door de toegelaten instelling altijd gemotiveerd kunnen worden. Lokale binding moet gespecificeerd worden naar kern. Als er geen gegadigden zijn uit desbetreffende kern wordt de lokale kernbinding uitgebreid tot de andere kernen van Barneveld. Als dit niet tot het gewenste effect leidt, vervallen de voorrangscriteria.

Het voorrangscriterium regionale binding vervangt niet automatisch die van lokale binding als die laatste niet succesvol is. Overigens is het de toegelaten instelling op privaatrechtelijke gronden toegestaan, als sprake is van een gerechtvaardigd onderscheid, bijvoorbeeld bij woonruimte specifiek geschikt voor jongeren dan wel ouderen, leeftijdscriteria te hanteren. Het is echter niet toegestaan leeftijd als volgordecriterium te hanteren (bijvoorbeeld voor starters). Dit laatste wordt aangemerkt als leeftijdsdiscriminatie. Bij het hanteren van het leeftijdscriterium moet deze expliciet geduid zijn (er mag dus niet volstaan worden met een term als ‘jongeren’ of ‘ouderen’, maar bijvoorbeeld wel met een formulering als ‘maximaal 30 jaar’ of ‘vanaf ’65 jaar’).

18

Artikel 16. Vruchteloze aanbieding Deze bepaling is een uitwerking van artikel 17 van de wet, waarin wordt bepaald dat als woningzoekenden met economische of maatschappelijke binding te lang stilzitten, hun aanspraak op voorrang verdwijnt. In dit artikel is de termijn gesteld waarna de huisvestingsvergunning aan een andere gegadigde (zonder economische of maatschappelijke binding) moet worden verstrekt, met de betreffende woonruimte binnen die termijn deugdelijk en tegen een realistische prijs is aangeboden. Om frictieleegstand (en daarmee huurderving) zo veel als mogelijk te voorkomen is er gekozen voor een termijn van maximaal 1 week. Deze termijn sluit aan bij de gewenste werkwijze van de toegelaten instellingen. Artikel 17. Maatwerk Toegelaten instellingen mogen maximaal 25% van het vrijkomende huuraanbod onder de liberalisatiegrens inzetten voor maatwerk. Deze 25% is berekend over het totaal aantal voor verhuur beschikbare woningen. Het maatwerk heeft in de eerste plaats betrekking op het via bemiddeling huisvesten van specifieke doelgroepen zoals: - Vergunninghouders op basis van jaarlijkse taakstelling - De huisvesting van woningzoekenden met een Wmo-indicatie voor een rolstoelgeschikte woning.

- De huisvesting van cliënten via of op voordracht van maatschappelijke instellingen en als zodanig besproken in het Multi Disciplinair Overleg, of bij uitstroom van cliënten uit instellingen. Zorgwoningen van toegelaten instellingen (niet opgenomen in bijlage 1) waar zorg complexgewijs wordt verstrekt, worden via de experimentbepaling verhuurd. Het in gebruik geven van deze woonruimten staat ten dienste van een rechtvaardige, doelmatige, evenwichtige en transparante verdeling van woonruimte en is niet in strijd met de Wet. De toegelaten instellingen verantwoorden (jaarlijks) achteraf de verhuringen die onder meer zijn gedaan in het kader van bemiddeling via voor het publiek toegankelijke media en in hun jaarlijkse verslaglegging. Artikel 18. Vrije toewijzingsruimte door toegelaten instellingen Bij deze vrije beleidsruimte gaat het bijvoorbeeld om toewijzingen in verband met calamiteiten- en beheerproblemen. De toegelaten instellingen leggen jaarlijks achteraf verantwoording af. HOOFDSTUK 4 Urgentie Artikel 19. Woonurgentiecategorieën De Huisvestingswet 2014 biedt de mogelijkheid een urgentieregeling op te stellen. Gemeenten zijn vrij om urgentiecategorieën te bepalen. Echter, als een gemeente ervoor kiest een urgentieregeling te hanteren dan schrijft de wet, de in dit artikel genoemde verplichte urgentiecategorieën voor.

Daarnaast zijn vijf lokale urgentie categorieën (in afstemming met regio FoodValley) bepaald. Artikel 20. Leges De door de Huisvestingswet 2014 aangewezen urgentiecategorieën zijn vrijgesteld van het betalen van leges omdat het hier een wettelijke verplichting betreft. Gezien de taakstelling van het Rijk met betrekking tot huisvesting vergunninghouders en hun financiële positie bij binnenkomst in Nederland, wordt ook deze groep van het betalen van leges ontheven. Artikel 21. Beslistermijn aanvraag Ingevolge artikel 4:5 lid 1 Awb stelt het college de aanvrager in de gelegenheid binnen een bepaalde termijn de aanvraag aan te vullen. Wanneer de aanvrager hieraan niet voldoet zal de aanvraag niet in behandeling worden genomen. Een besluit om de aanvraag niet te behandelen wordt aan de aanvrager bekendgemaakt binnen 4 weken nadat de aanvraag is aangevuld of nadat de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken (artikel 4:5 lid 1 Awb). Artikel 22. Basisvoorwaarden Voor de lokale urgentiegroepen (met uitzondering van vergunninghouders) wordt, voordat een aanvraag voor urgentie wordt ingediend, een advies in het Multi Disciplinair Overleg (MDO) Wonen gevraagd.

19

Na ontvangst van de aanvraag wordt de aanvraag interdisciplinair besproken in het MDO Wonen, wanneer de problemen niet primair veroorzaakt worden door de weigeringsgronden uit artikel 32 en er wordt voldaan aan artikel 22 van deze huisvestingsverordening. Er wordt aan het MDO Wonen verzocht om te beoordelen of er sprake is van een dringende behoefte aan een andere woning op basis waarvan een medische, financiële, relatie beëindiging gerelateerde of sociale urgentie verleend kan worden. Het uitgebrachte advies wordt door college meegewogen in haar besluit. Alleen aanvragen van meerderjarige inwoners van de gemeente Barneveld die tenminste 2 jaar aaneengesloten ingezetene zijn, of waarvan een maatschappelijke en/of economische binding aan regio Foodvalley is aangetoond, worden behandeld. Ingezetenen zijn personen die staan ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP) van Barneveld en feitelijk hoofdverblijf hebben in een voor legale, permanente bewoning aangewezen woonruimte. Als er sprake is van twee of meer personen die een gemeenschappelijke huishouding voeren of willen voeren en waarvan tenminste één persoon de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt, dan kan er een aanvraag worden ingediend. Als één van de meerderjarige inwoners korter dan twee jaar aaneengesloten ingezetene is, dan is dat geen belemmering. De aanvrager moet ingeschreven zijn bij Huiswaarts.nu. Artikel 24.

Bewijsstukken In dit artikel is opgenomen welke bewijsstukken de aanvrager moet meesturen bij de aanvraag. Deze bewijsstukken zijn nodig om te kunnen vaststellen hoe dringend de noodzaak is voor het verlenen van urgentie. Een vereiste is dat de aanvrager zelf actief zoekt naar een woning. De aanvrager is immers zelf verantwoordelijk voor zijn huisvesting. Een bewijs daarvan kan o.a. bestaan uit een overzicht van woningen waarop is gereageerd. Dit overzicht kan de woningzoekende zelf via internet uitdraaien of de toegelaten instelling kan daarvan een overzicht verstrekken. Een periode van maximaal 6 maanden voorafgaand aan het besluit op aanvraag wordt meegenomen in het onderzoek in hoeverre de aanvrager zelf actief heeft gezocht naar een woning. Artikel 25. Aanvullende bepalingen urgentiecategorie verblijf in een tijdelijke opvangvoorziening (art. 19 lid 1 onder a) Dit artikel geldt voor personen die verblijven in een tijdelijke opvangvoorziening. Om in aanmerking te komen voor een urgentieverklaring dient de betrokkene gedurende een bepaalde tijd te zijn begeleid of behandeld door een in de regio werkzame hulp- en dienstverleningsinstelling. Bij de aanvraag om urgentie zal met een rechtsgeldig ondertekende verklaring van de directie van de opvangvoorziening, het verblijf in deze opvangvoorzieningen moeten worden aangetoond.

De aanvrager hoeft om deze reden niet twee jaar aaneengesloten ingezetene zijn en ingeschreven staan in het BRP van de gemeente Barneveld. Verder hoeft de aanvrager niet in een legale woonruimte in gemeente Barneveld woonachtig te zijn. Artikel 26. Aanvullende bepalingen urgentiecategorie mantelzorg (art. 19 lid 1 onder b) De Huisvestingswet 2014 schrijft voor dat mantelzorgverleners en – ontvangers in aanmerking kunnen komen voor een urgentieverklaring, ook als niet aan economische en/of maatschappelijke binding voldoen. Urgentie kan alleen aangevraagd worden door meerderjarige personen. Indien de ontvanger van mantelzorg in een geschikte woning woont, een mantelzorgurgentie heeft, en verhuist naar een ongeschikte woning dan kan geen beroep worden gedaan op aanpassing van de nieuwe woning op basis van de Wmo. De reisafstand tussen het huidige woonadres van de mantelzorgverlener en dat van de mantelzorgontvanger is meer dan 10 kilometer en wordt na verhuizing minder dan 10 kilometer. Artikel 27. Aanvullende bepalingen urgentiecategorie vergunninghouders (art.19 lid 2 onder a) Op basis van een taakstelling van het Rijk krijgen gemeenten een bepaald aantal vergunninghouders te huisvesten als bedoeld in artikel 28 van de wet. De gemeente heeft in deze een in de Wet vastgelegde plicht.

Jaarlijks zal achteraf door de gemeente Barneveld inzichtelijk worden gemaakt hoeveel vergunninghouders zijn gehuisvest. 20

Artikel 28. Aanvullende bepalingen urgentiecategorie medische urgentie (art. 19 lid 2 onder b) Centraal staat dat hier sprake is van een vastgestelde medische aandoening. Psychische- en/of psychiatrische aandoeningen kunnen ook leiden tot een medische urgentie. Dit wordt beoordeeld in het MDO Wonen overleg. Artikel 29. Aanvullende bepalingen urgentiecategorie financiële urgentie (art. 19 lid 2 onder c) Het kan zijn dat de aanvrager om financiële redenen in een noodsituatie verkeert. Er kan dan reden zijn om urgentie te verlenen. Sprake kan zijn van bijvoorbeeld werkeloosheid, arbeidsongeschiktheid of faillissement waardoor het inkomen structureel is gedaald. Veelal gaat dit gepaard met schuldsituaties op grond van de Wet schuldsanering natuurlijke personen (WSNP). Wel geldt hierbij dat niet vergeten moet worden dat de situatie eerst aan artikel 22 getoetst moet worden. Wanneer de aanvrager een tijdelijke woonkostentoeslag op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) ontvangt met de verplichting om te zoeken naar goedkopere woonruimte, wordt dit meegenomen in het advies met betrekking tot de verlening van een eventuele financiële urgentie. Artikel 30. Aanvullende bepalingen urgentiecategorie relatie beëindiging (art. 19 lid 2 onder d) Beëindiging van een samenwoningvorm is op zichzelf geen reden voor een woonurgentie.

Als het huisvestingsprobleem primair is ontstaan door het beëindigen van een samenwoningvorm, is het in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van de woningzoekende om zelf in andere huisvesting te voorzien. De aanvrager van een woonurgentie moet al het mogelijke hebben gedaan om het woonrecht in de oude woning te behouden, tenzij dit aantoonbaar op juridische- en/of financiële gronden niet haalbaar is gebleken. Iemand die zelf vrijwillig met de kinderen de woning verlaat, kan de ontstane huisvestingsproblematiek niet afwentelen op de gemeente/toegelaten instelling. Nadrukkelijk moet er eerst sprake zijn van een onhoudbare situatie. De aanvraag voor een urgentie moet binnen twee maanden na de gerechtelijke uitspraak of het verbreken van de samenleving worden ingediend. Artikel 30a. Aanvullende bepalingen bij relatie beëindiging indien de huidige woonsituatie een huurwoning betreft In geval van co-ouderschap bij relatie beëindiging, kan slechts één partij in aanmerking komen voor urgentie. Dit betekent dat in het geval beide ouders in gelijke mate de zorg voor een minderjarig kind hebben en beiden de gezamenlijke woning verlaten, door henzelf een aantoonbare keuze moet worden gemaakt wie de aanvraag indient. Zo nodig moet dit formeel worden vastgelegd in een convenant en/of ouderschapsplan. Hiermee wordt voorkomen dat beide ouders een woonruimte kunnen claimen. Artikel 30b.

Aanvullende bepalingen bij relatie beëindiging indien de huidige woonsituatie een koopwoning betreft In geval van co-ouderschap bij relatie beëindiging, kan slechts één partij in aanmerking komen voor urgentie. Dit betekent dat in het geval beide ouders in gelijke mate de zorg voor een minderjarig kind hebben en beiden de gezamenlijke woning verlaten, door henzelf een aantoonbare keuze moet worden gemaakt wie de aanvraag indient. Zo nodig moet dit formeel worden vastgelegd in een convenant en/of ouderschapsplan. Hiermee wordt voorkomen dat beide ouders een woonruimte kunnen claimen. Artikel 31. Aanvullende bepalingen urgentiecategorie sociale urgentie De huisvestingssituatie moet onhoudbaar (noodsituatie) zijn en moet binnen een half jaar (acuut) worden opgelost. Daarbij wordt gekeken naar de situatie op het moment dat de aanvraag voor urgentie wordt behandeld. De sociale problematiek dient bekend te zijn bij een op dat gebied werkzame (maatschappelijke) instantie, die de problematiek onderschrijft. Van levensbedreiging of levensontwrichting is sprake als het dagelijkse leven zo erg is verstoord dat er sprake is van levensgevaar voor één of meer leden van het gezin. De verstoring gaat dan om geestelijke, emotionele of lichamelijke belasting die niet zelf is op te lossen. De sociale problematiek moet een duidelijke relatie hebben met de woonsituatie.

Ook uitstroom uit een erkende opvanginstelling of vorm van Beschermd Wonen behoort tot deze categorie. Bij de aanvraag om urgentie zal met een rechtsgeldig ondertekende verklaring van de directie van de opvangvoorziening, de gewenste uitstroom uit deze opvangvoorziening moeten worden aangetoond.

21

Artikel 32. Weigeringsgronden In dit artikel worden praktijksituaties gegeven waarvoor zondermeer geen urgentie wordt verleend. Een combinatie van factoren die hier genoemd worden, kan wel weer aanleiding zijn voor een urgentie. Het college kan hiervoor advies opvragen bij het adviesorgaan MDO Wonen. In geval van een huurschuld wordt de uitsluitingsgrond onder h buiten toepassing gelaten. Dit betekent dat ondanks een huurschuld er toch urgentie verleend kan worden. De toegelaten instelling stelt echter als voorwaarde voor het feitelijk verstrekken van een woning dat er een betalingsregeling met de betreffende toegelaten instelling getroffen wordt. Om de betaling van de aflossingen te waarborgen zal de aanvrager zich moeten laten bijstaan door een hulpverlenende instantie. Daarnaast zal de toegelaten instelling van de aanvrager mogelijk vragen een aanvullende overeenkomst te tekenen, waarbij deze hulpverlenende instantie de bereidheid moet hebben om de overeenkomst mee te tekenen. Indien de aanvrager niet bereid is aan deze voorwaarden mee te werken zal deze niet in staat zijn de urgentieverklaring te effectueren. Om de aanvrager hierover vooraf te informeren zal hierover informatie worden verstrekt in verschillende mediavormen (zoals folder, internetpagina en/of een informatiebijlage in de beschikking). Artikel 33.

Inkomen en vermogen Er geldt geen inkomens- en/of vermogensgrens voor urgentieverlening. De hoogte van het inkomen en vermogen zijn echter wel van belang bij de toewijzing omdat door de toegelaten instelling wordt gekeken naar hoe zich dit verhoudt tot de huur van de woning (passendheidstoets). Het inkomen en vermogen worden daarom wel gevraagd op het aanvraagformulier voor urgentie. Mogelijk leidt een hoog inkomen of vermogen tot het oordeel dat de aanvrager zelf in woonruimte kan voorzien. Artikel 34. Procedure toewijzing woonruimte Het ‘zoekprofiel woonruimte’ is de minimaal passende woning met de kortste wachttijden, rekening houdend met het passend toewijzen. Binnen zes maanden na besluitvorming vindt toewijzing van een woning plaats door de toegelaten instelling (of andere aanbieder van woonruimte). Als dit niet mogelijk is binnen deze periode, dan vindt er overleg plaats met de aanvrager. Omdat men als urgent woningzoekende wordt aangemerkt, moet de aanvrager de eerst beschikbaar komende passende woning aanvaarden. Met de woonwensen wordt, waar mogelijk, rekening gehouden, door bij de adviesaanvraag een woonprofiel op te stellen. De toegelaten instelling kan bij een bestaande huurschuld besluiten om een toegekende urgentieverklaring niet uit te voeren. Alvorens de urgente met huurschuld een woning aangeboden krijgt, dient de totale vordering te zijn betaald.

Eventueel kan hiervan afgeweken worden, maar dat wordt op dat moment bekeken tenzij een substantieel deel van de huurschuld is betaald. Als het gaat om een ontruiming wordt iemand, ondanks een eventuele urgentie, door de toegelaten instelling niet meer gehuisvest in een huurwoning van deze instelling. In zeer bijzondere gevallen wordt hierop, in overleg, een uitzondering gemaakt. Artikel 35. Intrekken of vervallen van een urgentie In dit artikel is bepaald wanneer een urgentie wordt ingetrokken of komt te vervallen. Intrekking van de urgentie in de situaties genoemd in het eerste lid wordt de aanvrager schriftelijk en met redenen omkleed medegedeeld. Tegen dit besluit van het college kan binnen zes weken na dagtekening bezwaar worden gemaakt. De bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht zijn op deze besluiten van toepassing. Een bezwaarschrift wordt mondeling behandeld in een zitting van de bezwaarschriftencommissie gemeente Barneveld. Deze commissie geeft vervolgens een advies aan het college en die neemt vervolgens een beslissing. Het vervallen van de urgentie in de situaties genoemd in het tweede lid gebeurt van rechtswege.

22

Het beëindigen van een woonurgentie leidt er toe, dat een nieuw verzoek tot urgentie niet op basis van dezelfde gronden kan worden aangevraagd. HOOFDSTUK5 Wijzigingen in de woonruimtevoorraad Artikel 36. Aanwijzing vergunningplichtige woonruimte Gezien de schaarste aan goedkope woonruimten wordt het mogelijk om legale woonruimten met een WOZ-waarde van € 300.000 of hoger te splitsen tot kleinere woonruimten of deze om te zetten naar onzelfstandige woonruimten. Dit wordt mogelijk gemaakt voor woongebouwen in de bebouwde kom van de verschillende kernen in gemeente Barneveld. Bestaande woonruimten met een koopprijsgrens tot € 300.000 behoren tot de goedkope en middeldure woningvoorraad, waar binnen gemeente Barneveld veel vraag naar is. Deze worden beschermd tegen splitsing of omzetting. Dit past binnen het woonbeleid van gemeente Barneveld (o.a. vastgelegd in de in 2016 vastgestelde woonvisie ‘Samen werken aan Wonen’). Indexering van deze koopprijsgrens gebeurt aan de hand van de Consumenten Prijs Index (CPI) van het CBS, vanaf 1 januari 2020 (jaarmutatie). Artikel 37. Aanvraag vergunning tot splitsing of omzetting naar onzelfstandige woonruimten In de vergunningaanvraag zal moeten worden verduidelijkt om welk adres het gaat, welke eigenaar, de huidige en gewenste situatie, beoogde doelgroepen die hier gaan wonen en de eventuele instandhoudingstermijn (tijdelijk, permanent).

Artikel 38. Voorwaarden en voorschriften voor splitsing of omzetting naar onzelfstandige woonruimten In geval van een tijdelijke splitsing of omzetting, kan een beperkte geldigheidsduur van toepassing worden verklaard. De aanvraag zal getoetst worden aan de borging van een goed woon- en leefklimaat in de nieuwe situatie. Daarbij wordt onder andere gelet op het (fiets)parkeren, geluid, brandveiligheid, sociale veiligheid, aantasting inrichting openbare ruimte en het waarborgen van voldoende privacy ten opzichte van de huidige situatie in relatie tot omliggende panden. In 2018 is de Verordening doelgroepen sociale woningbouw en middenhuur gemeente Barneveld vastgesteld. In deze verordening zijn spelregels opgenomen met betrekking tot de prijs/kwaliteitsverhouding van onzelfstandige en zelfstandige woonruimten, in relatie tot beoogde doelgroepen. Ook zijn in deze verordening minimale instandhoudingstermijnen opgenomen conform Bro. Zo geldt voor omzetting naar onzelfstandige woonruimten een minimale oppervlakte van 18 m2 gebruiksoppervlakte (gbo). Ingeval de omzetting naar onzelfstandige woonruimten ten behoeve van arbeidsmigranten is, worden in beginsel de bepalingen van Stichting Normering Flexwonen van toepassing verklaard.

In alle gevallen (huisvesting op logies basis of met bestemming ‘wonen’) zal er een minimale gebruiksoppervlakte van 12 m2 gbo ten behoeve van verblijf (wonen en slapen) worden verlangd per bewoner, waarvan minimaal 3,5 m2 vloeroppervlakte in het slaapvertrek. Separaat zullen aanvullende beleidsregels voor huisvesting arbeidsmigranten gelden. Artikel 39. Weigeringsgronden voor splitsing of omzetting naar onzelfstandige woonruimten Uitgangspunt is dat er een afweging moet plaatsvinden tussen het belang van het behoud of de samenstelling van de woonruimtevoorraad en het belang van de aanvrager. Onder het belang van het behoud of de samenstelling van de woonruimtevoorraad valt het belang van het tegengaan en verder voorkomen van schaarste en het belang van een geordend woon- en leefmilieu in de omgeving van het betreffende pand oftewel de leefbaarheid.

23

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Barneveld&id=228349b9-a0b5-46fc-a9cb-af6f5ea65a39