B-1.35 Besluit B&W inzake afzien taaltoets bij inburgeringsplichtigen d.d. 6-12-22.pdf
Tekst van het document
-1Afdeling: Sociaal Domein Behandelaar: L.H. Franken Telefoonnummer: 0342495221
Voorstelnr. 2450 Barneveld, Portefeuillehouder: P.J.T. van Daalen
Ter kennisname naar de raad Nummer beleidsproduct: 112
Op overzicht Bestaand beleid (website)
Onderwerp:
Afzien taaltoets bij inburgeringsplichtigen
Gevraagde beslissing: 1. In te stemmen met het afzien van het afnemen van de taaltoets bij inburgeringsplichtigen, zoals beschreven in bijgevoegde memo "Afzien afname taaltoets bij inburgeringsplichtigen". 2. In te stemmen met het ter kennisname aanbieden van dit voorstel en bijgevoegde memo aan de raad via rubriek B.
1. Inleiding Sinds 1 januari 2016 is de taaleis als verplichting opgenomen in de Participatiewet (artikel 18b Pw). Dit artikel bevat een inspanningsverplichting voor bijstandsgerechtigden om de Nederlandse taal te beheersen, voor zover dit noodzakelijk is voor het naar vermogen verkrijgen, aanvaarden en behouden van algemeen geaccepteerde arbeid. Voorgesteld wordt om inburgeringsplichtigen die vallen onder de werking van de Wet inburgering 2013 en de Wet inburgering 2021 en die bijstand aanvragen, niet meer aan te melden voor de taaltoets in het kader van de Wet Taaleis. Zie de in de bijlage toegevoegde memo "Afzien afname taaltoets bij inburgeringsplichtigen" voor verdere toelichting.
2. Beoogd effect a) Meetbaar effect Door inburgeringsplichtigen niet langer via de taaltoets te beoordelen op hun taalniveau worden de kosten daarvan a € 170,- per toets bespaard. Het doel van de taaltoets, namelijk het stimuleren van het beheersen van de Nederlandse taal, wordt nog steeds behaald door regie te voeren op de inburgering. b) Maatschappelijk effect Het afnemen van een taaltoets bij inburgeringsplichtigen leidt vaak tot teleurstelling en heeft een demotiverende werking. Bij het afnemen van de taaltoets kan de inburgeringsplichtige nog niet voldoen aan het gewenste taalniveau, maar zij gaan hieraan werken in het kader van de inburgering. Door het toetsmoment te laten vervallen wordt deze teleurstelling voorkomen en kan men goed starten met de inburgering.
3. Argumenten 1.1 stimuleren van gewenst taalniveau vanuit de Wet inburgering 2021 Het afnemen van de taaltoets in het kader van de Wet Taaleis heeft als doel de taalontwikkeling te stimuleren zodat men het gewenste taalniveau heeft om deel te kunnen nemen aan de Nederlandse maatschappij, het liefst via betaald werk. De Wet inburgering streeft ditzelfde doel na. Door regie te voeren op de inburgering wordt ook voldaan aan de doelstelling van de Wet Taaleis en wordt dubbele beoordeling voorkomen. 1.2 voorkomen van teleurstelling en demotiverende werking Zodra een inburgeringsplichtige bijstand aanvraagt, wordt die tot op heden conform artikel 18b PW aangemeld voor de taaltoets bij een externe toetsingsorganisatie. Dit terwijl de uitkomst van de taaltoets in het kader van de taaleis op grond van de Pw voor de groep inburgeringsplichtigen vaak op voorhand al duidelijk is. Er wordt niet voldaan aan het referentieniveau 1F. Dit is praktisch gezien ook onmogelijk aangezien zij vaak pas korte tijd in Nederland zijn. Een taaltoets heeft dan weinig toegevoegde waarde meer. Het afnemen van deze taaltoets, waarbij de uitkomst vooraf al duidelijk is, kan ook erg demotiverend zijn. 2.1 Informeren van de raad. Het toezenden van de stukken aan de raad via rubriek B is de gebruikelijke wijze.
-2-
4. Kanttekeningen Op grond van de Wet inburgering 2021 heeft de gemeente een regievoerende taak op de inburgering. Hierdoor hebben gespreksvoerders volledige inzage in de voortgang van de inburgering. Dit hebben zij niet in het kader van de Wet inburgering 2013. Hierdoor kan het moeilijker zijn om de voortgang van de inburgering te volgen. Gespreksvoerders hebben echter regelmatig gesprekken met klanten die inburgeren onder de wet uit 2013. In deze gesprekken kijken zij samen met de klant in het systeem van Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) om de voortgang van de inburgering te monitoren. Hierdoor kunnen zij tussentijds beoordelen of de klant zich blijft ontwikkelen in het beheersen van de Nederlandse taal.
5. Financiën Door de taaltoets niet langer af te nemen voor deze groep, wordt jaarlijks € 8.500,- bespaard (50 toetsen van € 170,- per stuk).
6. Uitvoering Planning: Met ingang van besluitvorming zullen geen nieuwe toetsen afgenomen worden bij bijstandsgerechtigde inburgeringsplichtigen. Evaluatie/controle: Middels tussentijdse evaluaties met gespreksvoerders zal beoordeeld worden of de voortgang van de taalontwikkeling voldoende kan worden gemonitord vanuit de inburgering.
7. Bijlagen 7.1 Memo "Afzien afname taaltoets bij inburgeringsplichtigen".
Memo
Datum: 9 november 2022 Onderwerp:
Ter attentie van:
Afzender:
Afzien taaltoets bij inburgeringsplichtigen College van B&W H. van den Bos en L. Franken Verplichting en doel Participatiewet en Wet inburgering (2013/2021) Sinds 1 januari 2016 is de taaleis als verplichting opgenomen in de Participatiewet (artikel 18b Pw). Dit artikel bevat een inspanningsverplichting voor bijstandsgerechtigden om de Nederlandse taal te beheersen, voor zover dit noodzakelijk is voor het naar vermogen verkrijgen, aanvaarden en behouden van algemeen geaccepteerde arbeid. Op grond hiervan moet een bijstandsgerechtigde de Nederlandse taal op referentieniveau 1F beheersen. De klant kan dit aantonen door documenten te overleggen waaruit zijn taalbeheersing blijkt. Bijvoorbeeld wanneer men 8 jaar basisonderwijs heeft gevolgd. Als de klant dit niet kan aantonen of wanneer uit de documenten blijkt dat de klant niet aan de taaleis voldoet, dan moet er een taaltoets worden afgenomen. Slaagt de klant daar niet voor, dan kan de bijstandsuitkering worden verlaagd, tenzij de klant zich gaat inspannen om het Nederlands alsnog te gaan beheersen op referentieniveau 1F. Als sprake is van een vreemdeling in de leeftijd van 16 jaar tot de pensioengerechtigde leeftijd, die anders dan voor een tijdelijk verblijfsdoel rechtmatig in Nederland mag verblijven, dan is die in beginsel inburgeringsplichtig op grond van de Wet inburgering 2013 of 2021.
Het doel van de inburgeringsplicht is dat de vreemdeling de Nederlandse samenleving leert kennen en (naar vermogen) daarin gaat participeren. Waar mogelijk door middel van betaalde arbeid. Het leren van de Nederlandse taal is in verband daarmee een verplicht onderdeel van het inburgeringstraject. Onder de Wet inburgering 2013 is A2 het na te streven niveau (wat vergelijkbaar is met 1F onder de Pw). Onder de Wet inburgering 2021 is B1 het na te streven niveau. Hier geldt dat als de vreemdeling kan aantonen het Nederlands voldoende te beheersen, vrijstelling van de inburgeringsplicht wordt gegeven. Koppeling Participatiewet en Wet inburgering Zowel op grond van de Pw als op grond van de Wet inburgering 2013 en 2021 is er dus de verplichting om de Nederlandse taal te leren. Dit in het licht van vergelijkbare doelen: participeren en het kunnen (gaan) verrichten van betaalde arbeid. Wanneer de klant op grond van de Wet inburgering 2013 of 2021 begonnen is met een traject gericht op verbetering en de beheersing van de Nederlandse taal, wordt er voldaan aan de inspanningsverplichting van de taaleis in de Pw. Als iemand zich onvoldoende inspant en daardoor niet voldoet aan de voortgang die van hem verwacht mag worden met het verwerven van de vaardigheden in de Nederlandse taal kan de bijstand echter
worden verlaagd (artikel 18b Participatiewet ). Valt de inburgeraar onder de Wet inburgering 2021 dan kan op grond van die wetgeving ook een boete opgelegd worden. Taaltoets Participatiewet Zodra een inburgeringsplichtige bijstand aanvraagt, wordt die tot op heden conform artikel 18b PW aangemeld voor de taaltoets bij een externe toetsingsorganisatie. Uit de praktijk is gebleken dat de uitkomst van de taaltoets in het kader van de taaleis op grond van de Pw voor de groep inburgeringsplichtigen vaak op voorhand al duidelijk is. Er wordt niet voldaan aan het referentieniveau 1F. Dit is praktisch gezien ook onmogelijk aangezien zij vaak pas korte tijd in Nederland zijn. Dat men het gewenste taalniveau voor de inburgering nog niet beheerst blijkt ook uit het feit dat men inburgeringsplichtig is. In dat geval kan er redelijkerwijs van worden uitgegaan dat het Nederlands onvoldoende wordt beheerst. Een taaltoets heeft dan weinig toegevoegde waarde meer. Het afnemen van deze taaltoets, waarbij de uitkomst vooraf al duidelijk is, kan ook erg demotiverend zijn. Vervolgens volgt in de praktijk nooit directe sanctionering omdat door het volgen van het inburgeringstraject aan de inspanningsverplichting wordt voldaan.
Voorgesteld wordt om inburgeringsplichtigen die vallen onder de werking van de Wet inburgering 2013 en de Wet inburgering 2021 en die bijstand aanvragen, niet meer aan te melden voor de taaltoets in het kader van de Wet Taaleis. Aan de wettelijke verplichting om het taalniveau vast te stellen wordt voldaan vanuit de wet inburgering 2013 en 2021. De voortgang wordt gemonitord vanuit de re-integratieverplichtingen in het kader van de Pw en gevolgd door de gespreksvoerders.