CConstaterende datBarneveld
Koppel je AI →
Document · PDF

B-1.10 Besluit B&W inzake Beleidsregels bijzondere bijstand en minimaregelingen d.d. 13-7-21.pdf

Commissie Samenleving 27 oktober 2021, gemeente BarneveldBij agendapunt: Besluit B&W inzake Beleidsregels bijzondere bijstand en minimaregelingen.13.542 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

-1Afdeling: Sociaal Domein Behandelaar: Franken, Lucinda Telefoonnummer: 0622831635

Voorstelnr. 1541 Barneveld, Portefeuillehouder: A.H. van de Burgwal

Ter kennisname naar de raad Nummer beleidsproduct:

Op overzicht Bestaand beleid (website)

Onderwerp:

Beleidsregels bijzondere bijstand en minimaregelingen

Gevraagde beslissing: 1. in te stemmen met de voorgestelde wijzigingen van de Beleidsregels bijzondere bijstand en minimaregelingen gemeente Barneveld en het bijbehorende Normenblad. 2. Vaststellen van de gewijzigde Beleidsregels bijzondere bijstand en minimaregelingen en het bijbehorende Normenblad. 3. De Beleidsregels bijzondere bijstand en minimaregelingen gemeente Barneveld en het Normenblad 2018, zoals vastgesteld op 1 februari 2018, en gewijzigd op 16 november 2018, per 1 september 2021 intrekken.

1. Inleiding De in de Beleidsregels bijzondere bijstand en minimaregelingen gemeente Barneveld (hierna: Beleidsregels) opgenomen regelingen zijn een belangrijk instrument in het bestrijden van armoede en het mogelijk maken van deelnemen in de maatschappij. In de afgelopen periode is gebleken dat de huidige Beleidsregels op onderdelen niet meer aansluiten bij de behoefte van de doelgroep. Daarnaast blijken zij momenteel te leiden tot onduidelijkheden in de uitvoering. Daarom is besloten de Beleidsregels grootschalig te actualiseren. In bijlage 1 staat een overzicht van alle wijzigingen. Het merendeel van de wijzigingen ten aanzien van de bijzondere bijstand zijn tekstueel van aard. De wijzigingen zijn bedoeld ter verduidelijking c.q. vereenvoudiging in de uitvoering. Binnen de minimaregelingen zijn een aantal wijzigingen doorgevoerd met als doel om meer inwoners met een laag inkomen financieel te ondersteunen. Ook dragen deze wijzigingen nog meer bij aan het mee kunnen doen in de maatschappij. Daarnaast wordt voorgesteld om naar aanleiding van een pilot de bibliotheekregeling structureel toe te voegen aan de minimaregelingen. De redenen hiervoor worden hieronder verder toegelicht. Bibliotheekregeling Vanuit de aanpak van laaggeletterdheid is er in 2019 vanuit de minimaregelingen een pilot gestart voor het gebruik van de bibliotheekregeling (voorstel 1118007).

Met deze pilot werden inwoners met een laag inkomen in staat gesteld om gebruik te maken van een bibliotheekabonnement voor de duur van 1 jaar. Om in aanmerking te komen voor de bibliotheekregeling mocht men geen inkomen hoger dan 110% van de bijstandsnorm ontvangen. Uitzondering hierop waren de inwoners die deelnamen aan een minnelijk of wettelijk schuldentraject. Uit evaluatie van de pilot is gebleken dat 29 abonnementen zijn verstrekt. Dit is lager dan verwacht, maar te verklaren door de relatief korte aanvraagperiode (september tot en met december). Onder de verstrekte abonnementen is veel gebruik gemaakt van de bibliotheekvoorzieningen. Na afloop van de pilot is gebleken dat de onder de doelgroep de wens bestaat om de regeling te verlengen. Omdat het doel van de pilot, het tegengaan van laaggeletterdheid door financiële drempels weg te nemen is, stellen wij voor deze regeling structureel toe te voegen aan de bestaande minimaregelingen. De kosten voor een standaardabonnement bedragen op 1 januari 2021 € 66,- per jaar.

2. Beoogd effect a) Meetbaar effect Met de vaststelling van de geactualiseerde Beleidsregels bijzondere bijstand en minimaregelingen gemeente Barneveld en het bijbehorende Normenblad wordt de gemeentelijke regelgeving geactualiseerd, verbeterd en inzichtelijker.

b) Maatschappelijk effect De Beleidsregels bijzondere bijstand en minimaregelingen gemeente Barneveld (met het bijbehorende Normenblad) vormen het (juridisch) kader voor de bepaling van het recht op bijzondere bijstand en de aanspraak op minimaregelingen. Daarnaast is het (beoogde) maatschappelijke effect het financieel

-2ondersteunen van huishoudens met een laag inkomen en het daarmee bevorderen van deelname aan de samenleving en de sociale cohesie.

3. Argumenten 1.1 Inwoners kunnen nog beter meedoen in de maatschappij. Door de diverse minimaregelingen en bijzondere bijstand zijn ook inwoners met een kleine beurs in staat om te participeren. De toevoeging van de bibliotheekregeling heeft tot gevolg dat inwoners met een laag inkomen gebruik kunnen maken de bibliotheekvoorzieningen. De aanpassing van de schoolkostenregeling zorgt ervoor dat ouders financieel ondersteund worden in de aankopen die zij moeten doen voor hun schoolgaande kinderen. 1.2 Onduidelijkheden in de uitvoering worden weggenomen. Het wegnemen van onduidelijkheden in de artikelen zorgt voor een betere uitvoering van de regelingen. Hierdoor wordt het beschikbare budget op effectieve wijze besteed aan de doelstelling van de Beleidsregels. 1.3 Er wordt beter aangesloten bij de behoefte van de inwoner. Door binnen de sport- en cultuurregeling geen onderscheid meer te maken in de verschillende sporten en culturele activiteiten, wordt de regeling toegankelijker. Hierdoor sluit de regeling aan bij de behoefte van deze tijd en wordt een bredere doelgroep bereikt.

4. Financiën Dit voorstel heeft betrekking op de Beleidsregels bijzondere bijstand en minimaregelingen. De voorgestelde wijzigingen ten aanzien van de bijzondere bijstand zijn geheel tekstueel en hebben geen financiële gevolgen. Ten aanzien van de minimaregelingen, met name de schoolkostenregeling en de sport- en cultuurregeling is er sprake van een efficiënter gebruik van de bestaande middelen. Deze wijzigingen zullen niet leiden tot verhoogde uitgaven. Het verhogen van de vergoeding voor culturele activiteiten voor zowel jeugdigen als voor volwassenen naar een bedrag van € 600,- per jaar zal naar verwachting niet leiden tot verhoogde uitgaven. De reden hiervoor is dat binnen de bestaande Beleidsregels de verstrekking van de vergoeding ongelimiteerd is. De reeds toegekende vergoedingen overschrijden het nu voorgestelde maximum van € 600,- per jaar. Het toevoegen van de bibliotheekregeling aan de bestaande minimaregelingen gaat zorgen voor een verhoging van uitgaven. Op basis van de resultaten van de pilot wordt uitgegaan van een gebruik van ongeveer 50 aanvragers x € 66,- per jaar = € 3.300,- per jaar aan extra uitgaven. Deze kosten kunnen gedekt worden uit het bestaande budget voor de minimaregelingen. Via monitoring zal gevolgd worden of het verwachte aantal aanvragen wordt behaald.

5. Kanttekening 1. toename in gebruik kan leiden tot overschrijding van het budget. Afgaande op huidige schattingen zullen wij binnen het beschikbare budget blijven. Gedurende het jaar wordt het aantal aanvragen gemonitord.

6. Uitvoering Planning: De Beleidsregels bijzondere bijstand en het bijbehorende Normenblad zullen in werking treden per 1 september 2021.

Communicatie: De beleidsregels worden op de gebruikelijke wijze bekend gemaakt. Daarnaast wordt extra aandacht besteed aan de actualisering.

Evaluatie/controle: Het gebruik van de regelingen wordt gemonitord en waar nodig bijgestuurd.

6. Bijlagen 1. Bijlage 1: Overzicht wijzigingen 2. Bijlage 2: Geactualiseerde Beleidsregels bijzondere bijstand en minimaregelingen gemeente Barneveld. 3. Bijlage 3: Toelichting 4. Bijlage 4: Normenblad

Bijlage 1 Vervallen onderdelen In deze voorgestelde beleidsregels zijn de volgende onderdelen vervallen: Geen bijzondere bijstand als de kosten lager zijn dan € 130 Op grond van artikel 35 lid 2 van de wet heeft het college de bevoegdheid om bijzondere bijstand te weigeren indien de kosten waarvoor de bijzonder bijstand wordt aangevraagd binnen een periode van 12 maanden het bedrag van € 130,00 niet te boven gaan. Voorgesteld wordt om niet langer gebruik te maken van de bevoegdheid om aanvragen onder een vastgesteld bedrag niet in behandeling te nemen. De klant wordt immers wel geconfronteerd met de kosten. Vanuit armoedebestrijding is het niet wenselijk om dergelijke aanvragen al op voorhand af te wijzen zonder een inhoudelijke beoordeling. Geen bijzondere bijstand voor dieetkosten Dieetpreparaten kunnen in geval van medische noodzaak door de zorgverzekering vergoed worden (zie:https://www.zorginstituutnederland.nl/Verzekerde+zorg/dieetpreparaten-zvw). Daarnaast zijn lactose- en/of glutenvrije producten nu in de reguliere supermarkten verkrijgbaar. Geen bijzondere bijstand voor de wettelijke eigen bijdrage Het meest uitgebreide pakket van de collectieve zorgverzekering die de gemeente aanbiedt, bevat een vergoeding voor de wettelijke eigen risico.

Als de cliënt chronisch medicatie nodig heeft waarvoor een eigen bijdrage verschuldigd is, kan de cliënt deelnemen aan deze collectieve verzekering. Om de cliënten, die deze bijzondere bijstand al ontvingen en (nog) niet deelnemen aan de collectieve zorgverzekering, niet in een financieel gat te laten vallen, is voor hen een overgangstermijn opgenomen tot 1 januari 2022. Daarna zijn ze in de gelegenheid alsnog deel te nemen aan de collectieve zorgverzekering en kan er geen bijzondere bijstand meer worden toegekend voor deze kosten. Geen bijzondere bijstand voor woon-werkverkeer In de praktijk werd deze mogelijkheid niet toegepast. Daarnaast behoort een werknemer zelf met zijn werkgever te regelen dat er een vergoeding voor reiskosten van woon-werkverkeer verstrekt wordt. Geen bijzondere bijstand voor reiskosten naar onderwijs Zowel mbo- als hbo-studenten ontvangen een reisproduct, waarmee ze naar het onderwijs kunnen reizen als dit buiten de gemeente Barneveld gevestigd is. Mbo-BBL-studenten krijgen dit reisproduct niet, maar deze studenten gaan slechts 1 dag in de week naar school en werken de andere 4 dagen, waarvoor ze ook loon ontvangen. Zij beschikken daarom over voldoende middelen om de reiskosten uit eigen middelen te voldoen.

Gewijzigde onderdelen In deze voorgestelde beleidsregels zijn de volgende onderdelen inhoudelijk gewijzigd: Aanvraagtermijn bijzondere bijstand van 3 naar 1 maand De aanvraagtermijn is verkort van drie maanden naar één maand. De achtergrond van bijzondere bijstand is dat de cliënt niet in staat is, vanwege bijzondere omstandigheden, om de noodzakelijke kosten te betalen. Als de cliënt de kosten niet kan betalen, zal eerst de bijzondere bijstand aangevraagd moeten worden voordat de cliënt de kosten kan maken. In de praktijk worden de kosten nog wel eens gemaakt voordat de bijzondere bijstand is aangevraagd. Daarom wordt geaccepteerd dat de aanvraag wordt ingediend binnen een maand nadat de kosten zich voor doen. Als de cliënt zich kan permitteren om 3 maanden te wachten met het aanvragen van de bijzondere bijstand, kan men zich afvragen of de cliënt wellicht over voldoende middelen beschikt om de kosten zelf te voldoen. Ingangsmoment draagkrachtperiode Draagkrachtperiode start altijd eerste dag van de maand waarin de aanvraag is gedaan. Omdat de aanvraag binnen een maand moet zijn ingediend nadat de kosten zich hebben voorgedaan zal de draagkrachtperiode in beginsel starten in dezelfde maand dat de kosten zich hebben voorgedaan.

In uitzonderlijke gevallen hebben de kosten zich voorgedaan nèt buiten de draagkrachtperiode, maar dat zal alleen gebeuren bij de eerste vaststelling van de periode. In dat geval worden de kosten wel toegerekend aan de vastgestelde draagkrachtperiode. Duurzame gebruiksgoederen alleen nog mogelijk als er ook sprake is van noodzakelijke verhuizing In beginsel is bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen niet gebruikelijk. De cliënt behoort voor dergelijke goederen te reserveren. In de oude beleidsregels was in een uiterst geval leenbijstand mogelijk voor duurzame gebruiksgoederen. In de voorgestelde beleidsregels wordt voor duurzame gebruiksgoederen alleen leenbijstand mogelijk als er sprake is van bepaalde gevallen van noodzakelijke verhuizingen. Mogelijkheid bijzondere bijstand afhankelijk van de situatie noodzakelijke verhuizing De mogelijkheden van bijzondere bijstand voor woninginrichting, duurzame goederen, opknapkosten en verhuiskosten zijn beperkt tot bepaalde situaties waarom de verhuizing noodzakelijk geworden is. Voor woninginrichting en duurzame gebruiksgoederen is afgewogen dat dit de situaties zijn waarin de cliënt (nog) niet over een (volledige) inboedel beschikt. In de andere situaties kan de cliënt zijn inboedel gewoon meenemen uit de oude woning.

Voor verhuiskosten is bijzondere bijstand beperkt tot de situaties waarin de cliënt beschikt over een volledige inboedel. In de andere gevallen is de inboedel beperkt en is er dus geen verhuiswagen nodig.. Standaard halve week dubbele huur, voor verhuizen en opknappen In de oude beleidsregels moest per individu steeds afgewogen en ingeschat worden of en hoeveel tijd de cliënt nodig had om de woning op te knappen, of de oude huur tijdig opgezegd kon worden en of er tijd nodig was voor het verhuizen van de inboedel om te bepalen of en zo ja, hoeveel bijzondere bijstand verstrekt kon worden voor de dubbele huur.

Nu is gekozen voor een vaste tijd van een halve maand, waarin de cliënt, die noodzakelijkerwijs moet verhuizen, een vergoeding van dubbele huur ontvangt. Een halve maand wordt standaard toereikend geacht om de woning waar nodig op te knappen en om de inboedel te verhuizen. Standaardvergoeding voor bewassing en kledingslijtage en voor stookkosten De vergelijking die in de oude beleidsregels voorgeschreven was om te bepalen hoe hoog de bijzondere bijstand moest bedragen voor de bewassingskosten, de kosten van kledingslijtage en de extra stookkosten was ingewikkeld, bewerkelijk en voor de cliënt niet transparant. Daarom wordt in deze nieuwe beleidsregels een standaardbedrag opgenomen per maand. Dit is makkelijk in gebruik en transparant voor iedereen. Reiskosten weergeven in (aantallen) retours en per situatie aangegeven De oude resterende artikelen over reiskosten zijn samengevoegd. Per reisdoel is nu aangegeven hoeveel retours per week worden vergoed. Daarbij kiest de cliënt zelf of deze op verschillende dagen voor één persoon ingezet worden, of op (bijvoorbeeld) één dag met meerdere personen uit het gezin. Overbruggingsuitkering standaard bedrag per persoon per dag In de oude beleidsregels werden de kosten van voedsel per dag per persoon overgenomen uit het NIBUD-prijzengids.

Deze prijzengids is niet algemeen toegankelijk, waardoor voor de cliënt niet transparant is welk bedrag verwacht mag worden. Daarom is een standaardbedrag opgenomen in het Normenblad, waarbij het Nibudprijzengids ‘20-’21 als richtlijn is genomen voor het bedrag per persoon, per dag. Om te voorkomen dat de overbruggingsuitkering voor voedsel niet meer in verhouding staat tot de maandelijkse bijstandsnorm is de overbruggingsuitkering gemaximeerd op 50% van de toepasselijke bijstandsnorm. Schoolkosten gehele vergoeding bij aanvraag gedurende lopende schooljaar Uit analyse blijkt dat nagenoeg alle toekenningen betrekking hebben op het basisonderwijs en dat er in bijna alle gevallen in de eerste periode wordt aangevraagd. Hierdoor wordt de totale vergoeding uitbetaald. Het hanteren van twee aanvraagmomenten resulteert in verhoogde administratieve lasten. Daarnaast blijkt dat de inwoners die pas in de tweede periode aanvragen, dat niet konden voorkomen omdat zij bijvoorbeeld pas net in Barneveld zijn komen wonen. Zij worden wel met dezelfde kosten geconfronteerd als inwoners die het gehele jaar in Barneveld wonen. Dit is onrechtvaardig. Om die reden willen wij de verschillende aanvraagmomenten schrappen en gedurende het hele jaar het totale bedrag verstrekken. Kijkend naar de analyse zal dit geen extra gebruik van de middelen betekenen.

Voor mbo-opleidingen is de toegang tot deze vergoeding beperkt tot de BOL-opleiding. Cultuur en sport De limitatieve lijst is niet meer van deze tijd. Het doel van de regeling is om sport voor alle lagen van de bevolking toegankelijk te maken. Bij de keuze van een sport staat plezier centraal. We willen de invloed van de kosten tot een minimum beperken. Daarnaast levert de opsomming van diverse sporten vragen op in de uitvoering. Wat als een sport niet is opgenomen onder de limitatieve lijst, maar wel bijdraagt aan het doel? Om die reden stellen

wij voor de limitatieve lijst te schrappen. Voor de sportregeling kan een vergoeding van de basiscontributie ontvangen worden met een maximale vergoeding van € 350,-. Hiermee kunnen nagenoeg alle reguliere sporten worden beoefend en worden excessieve uitgaven tegengegaan. Uit een analyse over het jaar 2019 (representatief i.v.m. corona) blijkt het gemiddelde toegekende bedrag op dit moment € 216,- te zijn. Dit komt door een aantal hogere uitgaven (€ 450,- per jaar) en een aantal lagere uitgaven (€100,- euro per jaar). Door de toekenning te maximeren op € 350,- zal het gemiddelde ook naar beneden gebracht worden omdat hoge toekenningen niet meer mogelijk zijn. Het onderscheid tussen de muziekschool Barneveld en andere muziekscholen is ongerechtvaardigd. Iedere inwoner moet vrij zijn om te kiezen waar men cultuurles wilt volgen. Daarbij is het onderscheid dat momenteel gemaakt wordt tussen muziekles en andere culturele activiteiten, niet in aansluiting met beleidsdoelstellingen van het sociaal domein. Men moet de kans hebben zich te ontplooien in de vorm van cultuur die bij hem of haar past. Dit kan muziek zijn, maar bijvoorbeeld ook beeldend, drama, dans, film of fotografie. De maximale vergoeding van € 215,- voor kinderen is ontoereikend voor het deelnemen aan een culturele activiteit.

Gemiddeld zijn de kosten voor deelname aan een cultuurles hoger dan bij sport, onder andere vanwege de benodigde materialen. Met name de categorie muziek en beeldend zijn prijzig. Uit onderzoek is gebleken dat een bedrag van € 600,- per persoon (zowel kind als volwassenen) toereikend is om in ieder geval te kunnen deelnemen aan een lesserie of cursus. Ten opzichte van de ongelimiteerde toekenning aan de muziekschool Barneveld voor kinderen is dit een besparing. Echter kan door de brede werking van de nieuwe regeling er meer beroep worden gedaan op de regeling. In 2019 zijn 15 aanvragen toegekend met een totale som van € 6.000,-. Hiervan zijn 10 aanvragen voor de Muziekschool met een totale som van € 5.000. De vergoeding voor overige activiteiten wordt nu niet ingezet, omdat onduidelijk is waarvoor deze vergoeding bedoeld is. In lijn met de sportregeling is ons voorstel om voor zowel kinderen als volwassenen een vergoeding van €150,- voor de duur van drie jaar of € 50,- per jaar te verstrekken. Van deze bijdrage kan de inwoner een muziekinstrument aanschaffen of andere benodigdheden om deel te kunnen nemen aan een culturele activiteit zoals schilderen, tekenen of theater.

Zomerzwemabonnement Waar eerder buiten de voorverkoopperiode een bedrag aan de cliënt werd ter hoogte van de voorverkoopprijs werd overgemaakt, zal in deze nieuwe beleidsregels alleen het abonnement in natura worden verstrekt. Valt de aanvraag buiten de voorverkoopperiode (dus na 1 mei), dan moet de cliënt bij het zwembad de meerprijs zelf ter plekke voldoen aan het zwembad. De betaling van het zomerzwemabonnement vindt rechtstreeks aan het zwembad plaats.

Toegevoegde onderdelen In deze voorgestelde beleidsregels zijn de volgende onderdelen toegevoegd: Inkomen verblijf in een inrichting De cliënt die in een inrichting verblijft, moet een inkomensafhankelijke eigen bijdrage betalen. Deze eigen bijdrage zo afgestemd dat de cliënt alleen nog de inrichtingsnorm van artikel 23 van de wet overhoudt. Als bij het vaststellen van het inkomen van dergelijke cliënten geen rekening gehouden wordt met de verplichte afdracht van deze eigen bijdrage, komen zij niet/nauwelijks in aanmerking voor bijzondere bijstand en/of minimaregelingen, terwijl zij niet meer te besteden hebben dan een andere cliënt die een bijstandsnorm ontvangt. Om deze ongelijke situatie te voorkomen, moet bij het vaststellen van het inkomen van deze cliënt de eigen bijdrage die zijn aan het CAK betalen in mindering gebracht worden op hun inkomen. Zelfstandige De zelfstandige ondernemer heeft geen inkomen dat vooraf duidelijk is. Pas achteraf, na afsluiting van het kalenderjaar, zal uit de jaarcijfers blijken wat een zelfstandige aan inkomen heeft ontvangen. Om het mogelijk te maken dat ook zelfstandigen lopende een kalenderjaar gebruik kunnen maken van bijzondere bijstand en/of minimaregelingen, wordt het inkomen van de zelfstandige voorlopig vastgesteld aan de hand van de jaarcijfers van het vorige jaar.

Mochten die nog niet beschikbaar zijn, dan kunnen de jaarcijfers van het daar daarvoor gebruikt worden. Het is wel raadzaam om de cliënt te vragen of deze jaarcijfers nog een reëel beeld geven van het inkomen, omdat achteraf nog wel het feitelijke inkomen vastgesteld moet worden. Als de cliënt dan veel meer verdiend heeft, zal de cliënt de verstrekte bijzondere bijstand alsnog terug moeten betalen. Na afloop van het kalenderjaar is de cliënt verplicht vóór 1 juli van het daaropvolgende jaar, de jaarcijfers te overhandigen. Met deze jaarcijfers wordt vervolgens het inkomen definitief vastgesteld. Omdat het inkomen wordt vastgesteld als een ‘voorlopig’ inkomen, wordt de bijzondere bijstand in beginsel verstrekt in de vorm van een lening. Met het definitieve vastgestelde inkomen wordt vervolgens beoordeeld of de cliënt aanspraak zou hebben gehad op de bijzondere bijstand als het definitieve inkomen vooraf bekend geweest was. Voor het gedeelte dat in dat geval was toegekend, wordt de lening omgezet in bijstand ‘om niet’. Het gedeelte dat in dat geval niet zou zijn toegekend, moet door de cliënt worden terugbetaald. Als de cliënt weigert de jaarcijfers tijdig te verstrekken, waardoor het niet mogelijk is om het inkomen definitief vast te stellen, wordt alle verstrekte bijzondere bijstand teruggevorderd.

Inkomenspercentage Bij de aanvraag van bijzondere bijstand of minimaregelingen wordt het inkomen van de cliënt afgezet tegen de bijstandsnorm die op de cliënt van toepassing is. Dit wordt vastgelegd met het inkomenspercentage. De berekening is als volgt: (inkomen cliënt / toepasselijke bijstandsnorm) X 100 = inkomenspercentage

Het inkomenspercentage wordt vastgesteld voor een bepaalde periode. Door het vastleggen van het inkomenspercentage is gedurende die periode gelijk duidelijk voor welke minimaregelingen de cliënt in aanmerking komt en in welke gevallen van bijzondere bijstand, de cliënt mogelijk nog draagkracht heeft, bij de verschillende (afwijkende) draagkrachtbepalingen. Alleen in geval van noemenswaardige wijzigingen (in het inkomen of gezinssamenstelling) wordt het inkomenspercentage tussentijds opnieuw vastgesteld. Bibliotheek Het is belangrijk dat alle inwoners de gelegenheid hebben om zich te ontwikkelen in hun leesvaardigheid. De toegang tot de Bibliotheek Barneveld kan daar voor een deel in bijdragen. De cliënt verkrijgt bij de Bibliotheek Barneveld het lidmaatschapspasje nadat hij de toekenningsbeschikking heeft laten zien. Het lidmaatschap eindigt na een jaar automatisch, zonder opzegging.

Besluit van burgemeester en wethouders van de gemeente Barneveld tot vaststelling van de Beleidsregels Bijzondere bijstand en minimaregelingen Barneveld Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Barneveld; gelet op artikel 35 en 36(b) van de Participatiewet; besluit: vast te stellen de Beleidsregels bijzondere bijstand en minimaregelingen Barneveld

HOOFDSTUK 1 ALGEMEEN Artikel 1 Begripsomschrijvingen 1. Alle begrippen die in deze beleidsregels gebruikt worden en die niet nader omschreven zijn, hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet en de Algemene wet bestuursrecht. 2. In deze beleidsregels wordt verstaan onder: a. bijstandsnorm: de norm als bedoeld in artikel 5 onder c van de wet; b. college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Barneveld; c. duurzame gebruiksgoederen: witgoed en zwartgoed; d. huurtoeslag: de tegemoetkoming als genoemd in artikel 1 sub e van de Wet op de huurtoeslag; e. huurtoeslaggrens: de rekenhuur, waarboven geen huurtoeslag wordt toegekend, zoals genoemd in artikel 13 van de Wet op de huurtoeslag; f. koopwoning: woning in eigendom van de cliënt; g. kostendelersnorm: de verlaging van de norm, zoals bedoeld in artikel 22a van de wet; h. rekenhuur: de rekenhuur als omschreven in artikel 5 van de Wet op de huurtoeslag; i. de wet: de Participatiewet; j. woonkosten koopwoning: opgeteld en naar maand omgerekend bedrag van hypotheekrente, (eventuele) erfpachtcanon, onroerendezaakbelasting, watersysteemheffing ingezetenen en opstalverzekering, verminderd met de inkomstenbelastingteruggave die volgt uit aftrekposten uit de koopwoning; k. woninginrichting: meubels, lampen.

Artikel 2 Algemene bepalingen 1. Om in aanmerking te komen voor bijzondere bijstand en/of de minimaregelingen dient: a. de cliënt rechthebbende te zijn, zoals in artikel 11 van de wet; én b. er geen sprake te zijn van uitsluitingsgronden zoals opgenomen in artikel 13 van de wet. 2. De cliënt is verplicht alle informatie te verstrekken die redelijkerwijs van invloed kan zijn op zijn aanspraak op de bijzondere bijstand en/of de minimaregelingen. Deze verplichting heeft de cliënt bij het doen van een aanvraag, maar ook gedurende de periode waarop de cliënt gebruik maakt van de bijzondere bijstand en/of minimaregelingen. Ook als het college niet specifiek naar de informatie vraagt, is de cliënt verplicht de informatie uit eigen beweging te verstrekken.

Artikel 3 Inkomen en vermogen 1. Het inkomen en vermogen van de cliënt wordt vastgesteld zoals bepaald in paragraaf 3.4 van de wet. 2. In afwijking van het eerste lid worden, bij de vaststelling van het inkomen, de individuele inkomenstoeslag en de individuele studietoeslag niet als inkomen meegerekend.

3. In afwijking van het eerste lid wordt, bij de vaststelling van het inkomen, geen bedrag aan pensioen vrijgelaten, als genoemd in artikel 33 vijfde lid van de wet. 4. De laatste uitbetaling van het inkomen, dat cliënt heeft ontvangen voor het indienen van de aanvraag, wordt gebruikt om het inkomen vast te stellen. Bij een betalingsperiode anders dan een maand, wordt het inkomen omgerekend naar een maandinkomen. 5. Als er sprake is van inkomen, dat wisselend in hoogte is, wordt het inkomen vastgesteld op het gemiddelde maandinkomen, over de drie maanden voorafgaand aan de aanvraag. 6. Voor de vaststelling van het inkomen van de cliënt, die is toegelaten tot een minnelijk of wettelijk schuldhulptraject, wordt alleen het inkomen gebruikt, waarover de cliënt daadwerkelijk de beschikking heeft. 7. Voor de vaststelling van het inkomen van de cliënt die in een inrichting verblijft, wordt alleen het inkomen gebruikt waarover de cliënt daadwerkelijk de beschikking heeft, na betaling van de inkomensafhankelijke eigen bijdrage die cliënt voor het verblijf verschuldigd is.

Artikel 4 Zelfstandige 1. Het inkomen van een zelfstandige wordt voorlopig vastgesteld aan de hand van de jaarcijfers over het aan de aanvraag voorafgaande kalenderjaar. 2. Het daadwerkelijke inkomen wordt definitief vastgesteld aan de hand van de jaarcijfers over het kalenderjaar waarin de zelfstandige bijzondere bijstand heeft ontvangen. 3. Na afloop van het kalenderjaar, waarin de zelfstandige bijzondere bijstand heeft ontvangen, is de zelfstandige verplicht om de jaarcijfers over dat kalenderjaar, vóór 1 juli van het daaropvolgende jaar, te verstrekken. 4. In afwijking van het derde lid, kan het college de termijn voor het verstrekken van de jaarcijfers verlengen, als de individuele omstandigheden daartoe aanleiding geven. 5. De bijzondere bijstand die, op basis van het voorlopig vastgestelde inkomen, wordt toegekend, wordt verstrekt in de vorm van een lening. 6. Met het vastgestelde definitieve inkomen wordt beoordeeld voor welk bedrag de bijzondere bijstand zou zijn toegekend, als het definitieve inkomen voorafgaand aan de toekenning bekend zou zijn geweest. De daadwerkelijk verstrekte lening wordt omgezet in een verstrekking om niet, ter hoogte van het bedrag aan bijzondere bijstand, dat met het definitieve inkomen zou zijn verstrekt. Voor het overige wordt de lening teruggevorderd. 7.

De bijzondere bijstand die verstrekt is in de vorm van een lening, wordt in het geheel teruggevorderd, als de zelfstandige de jaarcijfers niet tijdig verstrekt.

Artikel 5 Inkomenspercentage 1. Het concrete inkomen per maand wordt vastgesteld op een percentage ten opzichte van de bijstandsnorm, die op cliënt van toepassing is. 2. Bij de vaststelling in het eerste lid, blijft de kostendelersnorm buiten beschouwing. 3. Het inkomenspercentage wordt vastgesteld voor de duur van: a. vijf jaar, voor een cliënt die de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt; b. de volledige uitkeringsduur, met een maximum van vijf jaar, voor een cliënt met een uitkering op grond van de wet; óf c. één jaar, voor overige cliënten. 4. De periode van vaststelling start vanaf de eerste dag van de maand waarin de aanvraag is ontvangen. 5. Het inkomenspercentage kan tussentijds worden herzien als zich wijzigingen voordoen, die leiden tot een toe-of afname van het vastgestelde inkomenspercentage en het inkomenspercentage daardoor de 100% of 110% overschrijdt. 6. Het inkomenspercentage wordt tussentijds in ieder geval herzien, als de draagkracht (opnieuw) wordt vastgesteld of herzien.

HOOFDSTUK 2 BIJZONDERE BIJSTAND 2.1 Algemene bepalingen

Artikel 6 Algemeen 1. Tenzij in de wet of in deze beleidsregels anders is bepaald, wordt de bijzondere bijstand om niet verstrekt. 2. Een aanvraag voor bijzondere bijstand moet worden ingediend voordat, of in ieder geval binnen een maand nadat, de kosten zich hebben voorgedaan. 3. Geen bijzondere bijstand wordt verstrekt voor de kosten die voldaan kunnen worden uit de draagkracht. 4. Geen bijzondere bijstand wordt verstrekt als de cliënt gebruik kan maken van een voorliggende voorziening, zoals bedoeld in artikel 15 van de wet.

Artikel 7 Draagkracht 1. De draagkracht wordt vastgesteld op een bedrag per jaar. 2. In geval van periodieke bijzondere bijstand wordt de draagkracht per jaar omgerekend naar een bedrag per maand. 3. Voor de berekening van de draagkracht wordt het (volgens artikel 3 of 4) vastgestelde inkomen gebruikt. 4. Over het gedeelte van het inkomen dat meer is dan 100%, maar minder dan 110% van de toepasselijke bijstandsnorm, wordt 50% aangemerkt als draagkracht. Over het gedeelte van het inkomen dat meer is dan 110% van de toepasselijke bijstandsnorm, wordt 100% aangemerkt als draagkracht. 5. De kostendelersnorm is niet van toepassing bij de vaststelling van de draagkracht. 6. Het bedrag, waarmee het vermogen de toepasselijke vermogensgrens van artikel 34 vierde lid van de wet overschrijdt, wordt voor 100% aangemerkt als draagkracht.

Artikel 8 Draagkrachtperiode 1. De draagkracht wordt vastgesteld voor de duur van: a. vijf jaar, voor een cliënt die de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt; b. de volledige uitkeringsduur, met een maximum van vijf jaar, voor een cliënt met een uitkering op grond van de wet; óf c. één jaar, voor overige cliënten. 2. De periode van vaststelling start vanaf de eerste dag van de maand waarin de aanvraag is ontvangen. 3. Als de gebruikelijke duur van een toekenning van periodieke bijzondere bijstand de nog resterende draagkrachtperiode overschrijdt, kan de draagkrachtperiode eenmalig verlengd worden met maximaal 3 maanden. 4. De vastgestelde draagkracht kan tussentijds worden herzien als zich wijzigingen voordoen, die leiden tot een toe-of afname van de vastgestelde draagkracht met meer dan 1% van de toepasselijke bijstandsnorm. 2.2 Aanvullende bijzondere bijstand voor levensonderhoud

Artikel 9 Uitzondering draagkrachtbepaling Voor de artikelen in deze paragraaf 2.2 geldt dat: a. in afwijking van artikel 7, van het inkomen dat meer is dan de toepasselijke bijstandsnorm 100% aangemerkt wordt als draagkracht. b. in afwijking van artikel 7 derde lid, bij het vaststellen van de draagkracht, de kostendelersnorm wel van toepassing is.

Artikel 10 Zelfstandig wonende of in een inrichting verblijvende jongere in de leeftijd 18, 19 en 20 jaar 1. Bijzondere bijstand voor noodzakelijke kosten van bestaan van een zelfstandig wonende jongere van 18, 19 of 20 jaar, als genoemd in artikel 12 van de wet, wordt afgestemd op de feitelijke kosten van bestaan van de jongere. De bijzondere bijstand met de toepasselijke bijstandsnorm en het eventuele inkomen samen, bedragen maximaal de bijstandsnorm en/of kostendelersnorm van iemand van 21 jaar in een vergelijkbare situatie. 2. Bijzondere bijstand voor noodzakelijke kosten van bestaan van een jongere van 18, 19 of 20 jaar, die in een inrichting verblijft, als genoemd in artikel 12 van de wet, wordt afgestemd op de feitelijke kosten van bestaan van de jongere. De bijzondere bijstand met het eventuele inkomen samen, bedragen maximaal de bijstandsnorm van iemand van 21 jaar in een vergelijkbare situatie. 3. De jongere kan redelijkerwijs zijn onderhoudsrecht jegens zijn ouder(s) in ieder geval niet te gelde maken als: a. de ouder(s) is (zijn) overleden; b. de ouder(s) buiten de Europese Unie woont (wonen); c. de relatie tussen ouder(s) en jongere ernstig verstoord is; of d. de jongere een alleenstaande ouder, of gehuwd of samenwonend is.

Artikel 11 Woonkostentoeslag 1. De cliënt heeft aanspraak op een woonkostentoeslag als hij zijn hoofdverblijf heeft in een a. huurwoning en de rekenhuur °1 lager is dan de huurtoeslaggrens, maar de cliënt nog in afwachting is van een besluit op zijn aanvraag huurtoeslag. De woonkostentoeslag heeft de hoogte van het bedrag aan (nog niet ontvangen) huurtoeslag waarop de cliënt aanspraak maakt; óf °2 hoger is dan de huurtoeslaggrens. De woonkostentoeslag bedraagt het bedrag van de huurtoeslag als de huur gelijk zou zijn aan de huurtoeslaggrens en wordt verhoogd met het verschil tussen de daadwerkelijke rekenhuur en de huurtoeslaggrens; b. koopwoning en de woonkosten °1 lager zijn dan de huurtoeslaggrens. De woonkostentoeslag heeft de hoogte van het bedrag van de huurtoeslag als de woonkosten gelijk gesteld zouden zijn aan huur; °2 hoger zijn dan de huurtoeslaggrens. De woonkostentoeslag heeft de hoogte van het bedrag van de huurtoeslag als de woonkosten gelijk gesteld zouden zijn aan huur en de woonkosten evenveel zouden bedragen als de huurtoeslaggrens. De woonkostentoeslag wordt vervolgens verhoogd met het verschil tussen de daadwerkelijke woonkosten en de huurtoeslaggrens. 2. Woonkostentoeslag die aangevraagd wordt in afwachting van een besluit op de aanvraag huurtoeslag, wordt alleen verstrekt in de vorm van een lening. 3.

Zodra het toekenningsbesluit op de aanvraag huurtoeslag door de cliënt is ontvangen, wordt de woonkostentoeslag beëindigd en de lening geheel en ineens teruggevorderd. 4. De cliënt aan wie een woonkostentoeslag om niet is verstrekt, heeft de inspanningsplicht om een goedkopere woning te verkrijgen. 5. De woonkostentoeslag wordt verstrekt voor de periode van maximaal één jaar. 6. Deze periode kan een maal worden verlengd met maximaal één jaar, onder voorwaarde dat de cliënt, naar het oordeel van het college, zich voldoende heeft ingespannen om een goedkopere woning te verkrijgen. 7. Tijdens een verlenging, genoemd in het zesde lid, kan van cliënt verwacht worden dat de koopwoning verkocht wordt voor een lager bedrag dan de meest recente WOZ-waarde, ook als dat leidt tot een restschuld. 8. De woonkostentoeslag kan worden beëindigd als de cliënt naar het oordeel van het college onvoldoende inspanningen verricht om een goedkopere woning te verkrijgen.

Artikel 12 Eerste maand huur, administratiekosten en waarborgsom 1. De cliënt die, in geval van een noodzakelijke verhuizing, tot de eerste betaaldatum van zijn bijstandsuitkering over onvoldoende middelen beschikt om de eerste maand huur te voldoen, heeft aanspraak op bijzondere bijstand voor de eerste maand huur. De hoogte van de bijzondere bijstand wordt verminderd met de verwachte aanspraak op huurtoeslag. 2. De cliënt heeft, in geval van een noodzakelijke verhuizing, aanspraak op bijzondere bijstand voor: a. de bijbehorende eenmalige administratiekosten die de verhuurder in rekening brengt; b. een halve maand huur, als de cliënt over dezelfde periode voor zowel het oude als het nieuwe hoofdverblijf huur verschuldigd is; c. de waarborgsom, verstrekt in de vorm van een lening. 3. Van een noodzakelijke verhuizing is in ieder geval sprake als de cliënt zich in een woning vestigt: a. vanuit dakloosheid; b. vanuit een AZC; c. vanuit een Beschermd Wonen-instelling; d. als rechtstreeks gevolg van echtscheiding/verbreking samenwoning; e. als rechtstreeks gevolg van een medische beperking, die de vorige woning ongeschikt maakt; f. om te voldoen aan de verplichting om te verhuizen naar een goedkopere woning.

Artikel 13 Woninginrichting en duurzame gebruiksgoederen 1. De cliënt heeft aanspraak op bijzondere bijstand voor de aanschaf van woninginrichting en/of duurzame gebruiksgoederen als er sprake is van een noodzakelijke verhuizing als in artikel 12 derde lid, sub a, b, c of d van deze beleidsregels. 2. De bijzondere bijstand voor aanschaf van woninginrichting en/of duurzame gebruiksgoederen wordt verstrekt in de vorm van een lening. 3. Als cliënt is toegelaten tot (de stabilisatieperiode van) het wettelijke of minnelijke schuldhulpverleningstraject, wordt in afwijking van het tweede lid, de bijzondere bijstand verstrekt om niet. 4. De maximale hoogte van de bijzondere bijstand voor de kosten van woninginrichting wordt afgestemd op de gezinssamenstelling. De normbedragen zijn opgenomen in het Normenblad. 5. De hoogte van de bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen wordt afgestemd op de goedkoopst adequate noodzakelijke goederen. 6. Als cliënt binnen 60 maanden nogmaals aanspraak maakt op bijzondere bijstand voor kosten van woninginrichting, wordt het eerder toegekende bedrag in mindering gebracht op de maximale bedragen die op het Normenblad vermeld zijn. Voor duurzame gebruiksgoederen, waarvoor binnen deze periode al eerder bijzondere bijstand is verstrekt, kan niet nogmaals bijzondere bijstand worden verstrekt. 2.3 Bijzondere omstandigheden

Artikel 14 Opknapkosten 1. Als er sprake is van een noodzakelijke verhuizing als in artikel 12 derde lid van deze beleidsregels, heeft de cliënt aanspraak op bijzondere bijstand voor de kosten van het opknappen van de nieuwe woning. 2. Onder kosten van het opknappen wordt verstaan, kosten voor verf(-benodigdheden), behang(benodigdheden en raambekleding. 3. Er wordt uitsluitend bijzondere bijstand verstrekt voor de kosten van vloerbedekking, zover deze ontbreekt in de nieuwe woning. 4. De maximale hoogte van de bijzondere bijstand voor de kosten van opknappen van de woning wordt afgestemd op de grote van de nieuwe woning. De normbedragen zijn opgenomen in het Normenblad.

Artikel 15 Verhuiskosten 1. Als er sprake is van een noodzakelijke verhuizing als in artikel 12 derde lid, sub d, e, of f van deze beleidsregels, heeft de cliënt aanspraak op bijzondere bijstand voor de kosten van transport van de inboedel, de inpakmiddelen en de huur van een verhuislift. 2. De maximale hoogte van de bijzondere bijstand voor de kosten van verhuizing wordt afgestemd op de gezinssamenstelling. De normbedragen zijn opgenomen in het Normenblad.

Artikel 16 Baby-uitzet 1. Bijzondere bijstand voor de kosten van een baby-uitzet wordt verstrekt aan de cliënt die: a. nog niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt; of b. korter dan 5 maanden voor de vermoedelijke bevallingsdatum het AZC heeft verlaten 2. Bijzondere bijstand voor de kosten van een baby-uitzet wordt verstrekt in de vorm van een lening. 3. De maximale hoogte van de bijzondere leenbijstand is opgenomen in het Normenblad.

Artikel 17 Chronisch zieken en gehandicapten 1. De cliënt die als gevolg van een chronische ziekte of handicap hogere kosten heeft dan gebruikelijk voor: a. bewassing en kleding als gevolg van slijtage; of b. stookkosten, heeft aanspraak op bijzondere bijstand voor deze meerkosten. 2. De maximale hoogte van de bijzondere bijstand is opgenomen in het Normenblad. 3. De bijzondere bijstand wordt voor een jaar toegekend en per maand uitbetaald.

Artikel 18 Zelfzorgmiddelen 1. De cliënt die aangewezen is op chronisch gebruik van zelfzorgmiddelen heeft aanspraak op bijzondere bijstand voor de kosten van deze middelen, voor zover de meest uitgebreide collectieve zorgverzekering genoemd in artikel 25 geen vergoeding voor deze kosten verstrekt. 2. Er is sprake van chronisch gebruik als de cliënt het middel gedurende langer dan 6 maanden gebruikt. 3. De cliënt is aangewezen op het gebruik van zelfzorgmiddelen als deze zijn voorgeschreven door een arts.

Artikel 19 Reiskosten 1. De cliënt die reiskosten maakt voor het ondergaan van een medische behandeling in het ziekenhuis in Ede, Harderwijk, Arnhem of Amersfoort, heeft aanspraak op bijzondere bijstand voor deze reiskosten. In geval van behandeling op een andere locatie is er ook aanspraak op bijzondere bijstand voor de reiskosten, als de noodzaak van behandeling in deze specifieke locatie is aangetoond door een verwijzing van een arts. 2. De cliënt die reiskosten maakt voor een bezoek aan een gezinslid, heeft aanspraak op bijzondere bijstand, voor de kosten van: a. 7 retours per week als het gezinslid verblijft in een ziekenhuis; b. 4 retours per week als het gezinslid verblijft in een verzorgende/verplegende inrichting; of c. één retour per week als het gezinslid verblijft in een penitentiaire inrichting. 3. De hoogte van de bijzondere bijstand bedraagt: a. bij gebruik van het OV, het tarief voor 2e klasse voor de kortste route; of b. bij geen gebruik van het OV, het tarief per kilometer, opgenomen op het Normenblad, vermenigvuldigd met het aantal kilometers van de kortste route. 4. In geval van de situaties genoemd in het eerste lid en tweede lid onder c, komen de eerste 4 retours niet in aanmerking voor bijzondere bijstand.

5. Géén bijzondere bijstand wordt verstrekt als: a. de afstand tussen het hoofdverblijf en de bestemming kleiner is dan 7 kilometer; b. de bestemming gelegen is buiten Nederland; of c. de bestemming gelegen is binnen de gemeente Barneveld.

Artikel 20 Uitvaartkosten 1. Als de kosten van de uitvaart niet (volledig) uit de nalatenschap van de overledene voldaan kunnen worden, heeft de cliënt als nabestaande aanspraak op bijzondere bijstand voor (zijn aandeel in) deze kosten. Als nabestaande wordt beschouwd: de echtgenoot of echtgenote, de geregistreerd partner, de ouder of het kind. 2. De maximale hoogte van de bijzondere bijstand is opgenomen in het Normenblad. 3. Bijzondere bijstand wordt alleen verstrekt voor de uitvaartkosten van: a. het opbaren van de overledene; b. het vervoer van de overledene naar het rouwcentrum; c. de lijkwagen en maximaal 2 volgauto’s; d. een eenvoudige kist; e. de dragers van de kist; f. het delven van het graf en de grafrechten; g. de crematiekosten; h. het rouwdrukwerk (inclusief portokosten); i. een eenvoudige advertentie in de lokale krant; j. een eenvoudige kerkelijke ceremonie; k. het gebruik van het rouwcentrum en/of aula; l. een eenvoudige koffiemaaltijd na de uitvaart; m. de legeskosten; n. de schouw- en verzegelingskosten van de GGD; o. een eenvoudige grafsteen; p. een eenvoudige urn; en q. een asbestemming.

Artikel 21 Kosten van griffie en rechtsbijstand De cliënt, die door het Juridisch Loket is doorverwezen en aan wie toevoeging (op grond van de Wet op de rechtsbijstand) is verleend, heeft aanspraak op bijzondere bijstand voor de griffiekosten en de inkomensafhankelijke eigen bijdrage voor rechtsbijstand.

2.4 Kosten voor curator, bewindvoerder en/of mentor

Artikel 22 Kosten voor curator, bewindvoerder en/of mentor 1. De cliënt, die onder curatele of bewind is gesteld en/of onder mentorschap staat, heeft aanspraak op bijzondere bijstand, als de rechter bij benoeming heeft bepaald dat de cliënt hiervoor een beloning verschuldigd is. 2. De bijzondere bijstand bedraagt maximaal de tarieven opgenomen in de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren en nooit meer dan feitelijk door curator, bewindvoerder en/of mentor in rekening wordt gebracht. 3. Voor de kosten voor een curator of bewindvoerder die is benoemd op grond van de Faillissementswet wordt geen bijzondere bijstand verstrekt. 4. In afwijking van artikel 7 vierde lid wordt alleen het gedeelte van het inkomen, dat meer is dan 110% van de toepasselijke bijstandsnorm, voor 100% aangemerkt als draagkracht.

2.5 Ondersteunende bijzondere bijstand

Artikel 23 Draagkracht niet van toepassing Voor de artikelen in deze paragraaf geldt dat, in afwijking van artikel 7, de eventuele draagkracht buiten beschouwing blijft.

Artikel 24 Overbruggingsuitkering voeding 1. De cliënt die, in afwachting van een besluit op zijn bijstandsaanvraag, tot de eerste betaaldatum van zijn bijstandsuitkering over onvoldoende middelen beschikt, heeft aanspraak op bijzondere bijstand voor de kosten van voeding. 2. De maximale hoogte van de bijzondere bijstand voor de kosten van voeding wordt afgestemd op de gezinssamenstelling en het aantal dagen tot de eerste betaaldatum van de bijstandsuitkering, maar bedraag in ieder geval niet meer dan 50% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm per maand. De normbedragen zijn opgenomen in het Normenblad. 3. De bijzondere bijstand voor de kosten van voeding wordt verstrekt in de vorm van een lening.

Artikel 25 Collectieve zorgverzekering 1. De cliënt, die een inkomen heeft dat minder bedraagt dan 130% van de toepasselijke bijstandsnorm, kan op aanvraag deelnemen aan de collectieve zorgverzekering die door de gemeente is afgesloten. 2. Voor het bepalen van de toepasselijke bijstandsnorm, wordt de cliënt die jonger is dan 21 jaar gelijk gesteld met een 21-jarige. De kostendelersnorm is niet van toepassing. 3. De collectieve verzekering wordt alleen per 1 januari, in vooraf vastgestelde verzekeringspakketten, aangeboden. 4. Het college verstrekt een maandelijkse bijdrage in de premiekosten van de collectieve zorgverzekering, die rechtstreeks aan de zorgverzekeraar betaald wordt. De hoogte van deze bijdrage is opgenomen in het Normenblad. 5. In afwijking van het tweede lid kan deelname aan de collectieve verzekering op een andere ingangsdatum starten als de cliënt: a. al een zorgverzekering heeft bij de zorgverzekeraar waarmee de gemeente de collectieve zorgverzekering heeft afgesloten; b. zich (her)vestigt in Nederland en zich in de gemeente Barneveld inschrijft; of c. de leeftijd van18 jaar bereikt. 6. Het college beëindigt per 1 januari de deelname aan de collectieve zorgverzekering nadat de cliënt: a. niet (meer) aan de voorwaarden voldoet; of b. de beëindiging verzoekt.

Artikel 26 Individuele inkomenstoeslag 1. Het college verleent de cliënt op aanvraag individuele inkomenstoeslag indien hij voldoet aan de voorwaarden als opgenomen in artikel 36 van de Participatiewet en hoofdstuk 4 van de Participatieverordening. 2. In afwijking van het eerste lid komt de cliënt niet voor een inkomenstoeslag in aanmerking als de cliënt: a. in het afgelopen kalenderjaar de verplichtingen, die aan de bijstand zijn verbonden, verwijtbaar niet is nagekomen; b. een opleiding volgt als bedoeld in de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten, of een studie volgt als genoemd in de Wet studiefinanciering 2000.

HOOFDSTUK 3 MINIMAREGELINGEN Artikel 27 Geen aanspraak 1. De cliënt die beschikt over een vermogen hoger dan de toepasselijke vermogensgrens van artikel 34 derde lid van de wet, heeft geen aanspraak op de regelingen in dit hoofdstuk. 2. De cliënt met een inkomenspercentage hoger dan 110% heeft geen aanspraak op de regelingen in dit hoofdstuk.

Artikel 28 Computer 1. De cliënt met inwonende ten laste komende schoolgaande kinderen in de leeftijd van 8 tot en met 17 jaar heeft aanspraak op een computer en een printer. 2. De computer en printer worden uitsluitend in natura verstrekt. 3. Aan de cliënt wordt maximaal eens per 60 maanden een computer en printer verstrekt. 4. De maximale aanschafprijs van de computer en printer is opgenomen in het Normenblad.

Artikel 29 Schoolkostenregeling 1. De cliënt met inwonende ten laste komende schoolgaande kinderen heeft aanspraak op een tegemoetkoming in de schoolkosten. 2. In afwijking van artikel 27 tweede lid heeft de cliënt met een inkomenspercentage tussen 110 en 120% toch aanspraak op de tegemoetkoming in de schoolkosten. 3. De hoogte van de tegemoetkoming wordt afgestemd op het basis-, voortgezet-, of middelbaar beroepsonderwijs en is opgenomen in het Normenblad. 4. Geen tegemoetkoming wordt verstrekt in geval van een beroepsbegeleidende leerweg(BBL) of hoger beroepsonderwijs(hbo). 5. Een aanvraag voor de tegemoetkoming in de schoolkosten moet worden ingediend in het lopende schooljaar, of maximaal één maand voorafgaand aan het schooljaar.

Artikel 30 Bibliotheek 1. De cliënt heeft aanspraak op het ‘standaard’ jaarabonnement bij de Bibliotheek Barneveld. 2. Het jaarabonnement wordt uitsluitend in natura verstrekt.

Artikel 31 Cultuur en sport 1. De cliënt heeft voor zijn deelname aan culturele of sportactiviteiten, of voor de deelname van zijn inwonend ten laste komende kinderen in de leeftijd van 5 tot en met 17 jaar, aanspraak op een vergoeding van contributie van één activiteit per jaar. 2. De maximale hoogte van de vergoeding is afgestemd op het soort activiteit en is opgenomen in het Normenblad 3. De vergoeding voor contributie wordt namens de cliënt rechtstreeks aan de vereniging, muziekschool of andere culturele/sportinstelling betaald. 4. Een aanvraag voor de vergoeding van contributie voor culturele of sportactiviteiten moet worden ingediend voor, of in ieder geval binnen een maand na, aanvang van het betreffende verenigingsjaar. Een bewijs van inschrijving moet bij de aanvraag bijgevoegd zijn. 5. De cliënt die lopende een verenigingsjaar start, heeft aanspraak op een vergoeding naar rato van het resterende verenigingsjaar. 6. Voor activiteiten die geen verenigingsjaar kennen, wordt de start van deelname aan de activiteiten gezien als de fictieve start van het verenigingsjaar. 7. Bij deelname aan de culturele of sportactiviteiten heeft de cliënt aanspraak op een vergoeding per jaar van attributen voor deze activiteiten. De cliënt kan bij aanvraag verzoeken de vergoeding voor attributen ineens tot maximaal drie jaar vooruit te ontvangen. 8.

De maximale hoogte van de vergoeding voor attributen is opgenomen in het Normenblad

9. Een aanvraag voor een vergoeding voor attributen moet worden ingediend voor, of in ieder geval binnen een maand na, aanschaf van de attributen.

Artikel 32 Zwemlessen 1. De cliënt heeft voor zijn deelname aan zwemlessen voor het behalen van zwemdiploma A, of voor de deelname van zijn inwonend ten laste komende kinderen, aanspraak op een eenmalige vergoeding van de kosten van de zwemlessen bij het zwembad De Veluwehal of zwembad De Heuvelrand 2. De vergoeding voor de zwemlessen wordt rechtstreeks aan het zwembad betaald. 3. Een aanvraag voor de vergoeding van zwemlessen moet worden ingediend voor aanvang van de deelname. 4. Voor de borg van het toegangspasje van het zwembad wordt geen vergoeding verstrekt.

Artikel 33 Zomerzwemabonnement 1. De cliënt heeft aanspraak op een zomerzwemabonnement voor het zwembad het Oosterbosbad voor zichzelf en/of zijn inwonende ten laste komende kinderen, tot maximaal de aanschafprijs in voorverkoop. 2. Een aanvraag voor de vergoeding van een zomerzwemabonnement moet worden ingediend in de periode van 1 februari tot en met 31 augustus. 3. Het zomerzwemabonnement wordt uitsluitend in natura verstrekt 4. De cliënt die een aanvraag indient, in de periode van 1 mei tot en met 31 augustus dient de meerprijs boven de voorverkoopprijs zelf bij te betalen aan het zwembad.

HOOFDSTUK 4 SLOTBEPALINGEN Artikel 34 Normenblad Het college kan de tarieven op het Normenblad afzonderlijk van deze beleidsregels wijzigen.

Artikel 35 Overgangsrecht 1. De aanspraak op bijzondere bijstand en/of minimaregeling die is toegekend voor inwerkingtreding van deze beleidsregels, blijft ongewijzigd gedurende de periode waarvoor deze is toegekend. 2. Een toekenning bijzondere bijstand voor de kosten van de eigen bijdrage voor medicatie die chronisch gebruikt wordt, kan na inwerkingtreding van deze beleidsregels, verlengd worden tot 1 januari 2022. 3. De draagkracht die is vastgesteld voor inwerkingtreding van deze beleidsregels, blijft ongewijzigd gedurende de periode waarvoor deze is vastgesteld.

Artikel 36 Inwerkingtreding en citeertitel 1. Deze beleidsregels treden in werking op 1 september 2021. 2. Per 1 september 2021 worden de Beleidsregels bijzondere bijstand en minimaregelingen gemeente Barneveld, zoals vastgesteld op 1 februari 2018, en gewijzigd op 16 november 2018, ingetrokken. 3. Deze beleidsregels worden aangehaald als Beleidsregels bijzondere bijstand en minimaregelingen gemeente Barneveld.

Aldus vastgesteld op datum collegevergadering , Burgemeester en wethouders voornoemd,

W. Wieringa Secretaris

J.J. Luteijn Burgemeester

Toelichting In de Participatiewet (artikel 35) is een algemeen kader gegeven voor de bijzondere bijstand. Voor de individuele beoordeling van het recht op bijzondere bijstand is een uitgebreid onderzoek nodig. In een aantal situaties wordt er vaker een beroep gedaan op de bijzondere bijstand. Voor deze ‘standaardsituaties’ zijn standaardoplossingen en -voorwaarden opgesteld. In deze Beleidsregels bijzondere bijstand en minimaregelingen gemeente Barneveld zijn de specifieke situaties en bijbehorende oplossingen en voorwaarden vastgelegd. Voor alle situaties die niet vallen onder de omschrijvingen in deze beleidsregels, kan nog steeds bijzondere bijstand mogelijk zijn. In deze beleidsregels zijn een aantal algemene bepalingen opgenomen die ook voor die gevallen van toepassing zijn. Daarnaast is de uitgebreide (wettelijke) individuele beoordeling van toepassing. Naast de bijzondere bijstand verstrekt de gemeente Barneveld een aantal voorzieningen om inwoners met een laag inkomen tegemoet te komen, zodat zij, bijvoorbeeld, kunnen deelnemen aan verenigingsactiviteiten en een lidmaatschap bij de Bibliotheek Barneveld kunnen hebben. De beschikbare voorzieningen voor deze inwoners zijn opgenomen in deze Beleidsregels bijzondere bijstand en minimaregelingen gemeente Barneveld.

HOOFDSTUK 1 ALGEMEEN De bepalingen opgenomen in hoofdstuk 1 zijn van toepassing het geheel van deze beleidsregels, dus zowel op de bijzondere bijstand (hoofdstuk 2) als op de minimaregelingen (hoofdstuk 3).

Artikel 1 Begripsomschrijvingen Behoeft geen toelichting

Artikel 2 Algemene bepalingen De verwijzing naar de artikelen 11 en 13 van de wet bepaalt dat het niet de bedoeling is om bijzondere bijstand en/of een minimaregeling te verstrekken aan een bredere doelgroep dan de wetgever bedoeld heeft. Door verwijzing naar de artikelen kan er geen verschil optreden tussen deze beleidsregels en de wet. De inlichtingenplicht is apart opgenomen, omdat de wet in beginsel niet van toepassing is op de minimaregelingen. Het is uiteraard wel wenselijk dat de cliënt ook ten aanzien van de minimaregelingen de verplichting heeft om alle informatie te verstrekken die nodig is voor de beoordeling van het recht.

Artikel 3 inkomen en vermogen In beginsel wordt voor het vaststellen van het inkomen en vermogen aangesloten bij de wet. Daarop zijn enkele uitzonderingen gemaakt om de aanspraak op de bijzondere bijstand en minimaregelingen voor iedereen zo gelijk mogelijk toegankelijk te maken. Lid 5 In beginsel wordt het laatste (maand)inkomen wordt gebruikt om het inkomen vast te stellen. Alleen als de cliënt wisselende inkomsten heeft, doordat er bijvoorbeeld een wisselend een aantal uren gewerkt wordt, wordt er gekeken naar het gemiddelde maandinkomen van de 3 voorafgaande maanden. Er is dus geen sprake van wisselende inkomen als de cliënt bijvoorbeeld net begonnen is in een nieuwe baan en daar voorafgaand een lager betaalde baan had. Dan moet uitgegaan worden van het nieuwe loon. Lid 6

Een cliënt die is toegelaten tot het minnelijk of wettelijke schuldhulptraject is verplicht om al het inkomen boven het Vrij te Laten Bedrag(VTLB) af te dragen aan de zogeheten boedel. De boedel wordt opgespaard om af te dragen aan de schuldeisers. De cliënt heeft dus feitelijk alleen beschikking over het VTLB. Voor de vaststelling van het inkomen voor de toepassing van deze beleidsregels, wordt het VTBL in beginsel gehanteerd als het inkomen waarover de cliënt daadwerkelijk de beschikking heeft. Het VTLB wordt berekend conform een landelijk vastgestelde rekenwijze (Recofa-richtlijnen) aan de hand van de beslagvrije voet en de feitelijke primaire lasten van de cliënt. Bij de berekening wordt het feitelijke inkomen van cliënt niet meegewogen. Dat betekent dat het VTLB in sommigen gevallen méér bedraagt dan het feitelijke inkomen. In die gevallen moet niet het VTLB gehanteerd worden, maar het feitelijke inkomen. Want de cliënt heeft dan alleen de beschikking over het feitelijke inkomen. Lid 7 De cliënt die in een inrichting verblijft, moet een inkomensafhankelijke eigen bijdrage betalen. Deze eigen bijdrage zo afgestemd dat de cliënt alleen nog de inrichtingsnorm van artikel 23 van de wet overhoudt.

Als bij het vaststellen van het inkomen van dergelijke cliënten geen rekening gehouden wordt met de verplichte afdracht van deze eigen bijdrage, komen zij niet/nauwelijks in aanmerking voor bijzondere bijstand en/of minimaregelingen, terwijl zij niet meer te besteden hebben dan een andere cliënt die een bijstandsnorm ontvangt. Om deze ongelijke situatie te voorkomen, moet bij het vaststellen van het inkomen van deze cliënt de eigen bijdrage die zijn aan het CAK betalen in mindering gebracht worden op hun inkomen.

Artikel 4 Zelfstandige De zelfstandige ondernemer heeft geen inkomen dat vooraf duidelijk is. Pas achteraf, na afsluiting van het kalenderjaar, zal uit de jaarcijfers blijken wat een zelfstandige aan inkomen heeft ontvangen. Om het mogelijk te maken dat ook zelfstandigen lopende een kalenderjaar gebruik kunnen maken van bijzondere bijstand en/of minimaregelingen, wordt het inkomen van de zelfstandige voorlopig vastgesteld aan de hand van de jaarcijfers van het vorige jaar. Mochten die nog niet beschikbaar zijn, dan kunnen de jaarcijfers van het daar daarvoor gebruikt worden. Het is wel raadzaam om de cliënt te vragen of deze jaarcijfers nog een reëel beeld geven van het inkomen, omdat achteraf nog wel het feitelijke inkomen vastgesteld moet worden. Als de cliënt dan veel meer verdiend heeft, zal de cliënt de verstrekte bijzondere bijstand alsnog terug moeten betalen. Na afloop van het kalenderjaar is de cliënt verplicht vóór 1 juli van het daaropvolgende jaar, de jaarcijfers te overhandigen. Met deze jaarcijfers wordt vervolgens het inkomen definitief vastgesteld. Omdat het inkomen wordt vastgesteld als een ‘voorlopig’ inkomen, wordt de bijzondere bijstand in beginsel verstrekt in de vorm van een lening.

Met het definitieve vastgestelde inkomen wordt vervolgens beoordeeld of de cliënt aanspraak zou hebben gehad op de bijzondere bijstand als het definitieve inkomen vooraf bekend geweest was. Voor het gedeelte dat in dat geval was toegekend, wordt de lening omgezet in bijstand ‘om niet’. Het gedeelte dat in dat geval niet zou zijn toegekend, moet door de cliënt worden terugbetaald. Als de cliënt weigert de jaarcijfers tijdig te verstrekken, waardoor het niet mogelijk is om het inkomen definitief vast te stellen, wordt alle verstrekte bijzondere bijstand teruggevorderd.

Artikel 5 inkomenspercentage Bij de aanvraag van bijzondere bijstand of minimaregelingen wordt het inkomen van de cliënt afgezet tegen de bijstandsnorm die op de cliënt van toepassing is. Dit wordt vastgelegd met het inkomenspercentage. De berekening is als volgt: (inkomen cliënt / toepasselijke bijstandsnorm) X 100 = inkomenspercentage

Het inkomenspercentage wordt vastgesteld voor een bepaalde periode. Door het vastleggen van het inkomenspercentage is gedurende die periode gelijk duidelijk voor welke minimaregelingen de cliënt in aanmerking komt en in welke gevallen van bijzondere bijstand, de cliënt mogelijk nog draagkracht heeft, bij de verschillende (afwijkende) draagkrachtbepalingen. Alleen in geval van noemenswaardige wijzigingen (in het inkomen of gezinssamenstelling) wordt het inkomenspercentage tussentijds opnieuw vastgesteld.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Barneveld&id=7a37d03c-2cae-46c0-b157-fa0b95a38aaf