CConstaterende datBarneveld
Koppel je AI →
Document · PDF

B-1.1 Besluit B&W inzake het beleidsplan onderwijskansen 2023-2026 d.d. 7-2-23.pdf

Gemeenteraad 22 maart 2023, gemeente BarneveldBij agendapunt: Ingekomen en uitgaande stukken8.220 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

-1Afdeling: Samenleving Behandelaar: D.C. van Eijsden Telefoonnummer: +31619269615

Voorstelnr. 2609 Barneveld, 1 februari 2023 Portefeuillehouder: J. de Heer-Verheij

Ter kennisname naar de raad Nummer beleidsproduct:

Op overzicht Bestaand beleid (website)

Onderwerp:

Beleidsplan Onderwijskansen Barneveld 2023-2026

Gevraagde beslissing: 1. Het beleidsplan onderwijskansen gemeente Barneveld 2023-2026 vast te stellen.

1. Inleiding Jaarlijks krijgen we middelen vanuit de rijksoverheid ten behoeve van de bestrijding van onderwijsachterstanden door middel van het bieden van onderwijskansen. Deze middelen worden voor het grootste deel besteed aan het voorschoolse deel van voor- en vroegschoolse educatie (VVE). Dit betreft de peuters die een VVE-indicatie hebben ontvangen. In 2023 is er vanuit het Rijk een nieuwe beleidsperiode onderwijsachterstanden. Parallel aan deze periode loopt dit beleidsplan onderwijskansen 2023-2026, waarin wordt aangegeven op welke thema’s de komende jaren zal worden samengewerkt op het gebied van bestrijding onderwijsachterstanden.

2. Beoogd effect Jonge kinderen krijgen de mogelijkheden om zo goed mogelijk te kunnen in- en doorstromen op de basisschool.

3. Argumenten 1.1 Er is nog geen beleidsplan voor onderwijsachterstanden in Barneveld. In het beleidsplan Sociaal Domein- Mensen Voorop staat beschreven wat we in Barneveld willen bereiken op het gebied van het onderwijsachterstandenbeleid. De praktische uitwerking daarvan stond in verschillende kwaliteitskaders, subsidieregelingen en prestatie-afspraken. Om een samenvattend document te hebben over wat we precies concreet doen en waar onze ambities liggen voor de komende beleidsperiode onderwijsachterstanden 2023-2026 hebben we gekozen om dit beleidsplan onderwijskansen op te stellen. 1.2 Het beleidsplan benoemt de thema’s van samenwerking Het plan kent zes thema’s die samen precies aangeven waar gemeente en maatschappelijke partners (onderwijs, kinderopvang, bibliotheek, GGD/CJG) samen op trekken om gelijke onderwijskansen te creëren. Ook worden de afspraken rondom samenwerking en overleg benoemd.

4. Kanttekeningen Jaarlijkse vaststelling budget Het budget voor het onderwijsachterstandenbeleid wordt door het rijk jaarlijks vastgesteld. De verwachting is dat we onze afspraken en ambities binnen dit jaarlijks vastgestelde budget kunnen uitvoeren, maar we kunnen niet alle ontwikkelingen in de komende jaren voorzien.

5. Financiën De uitvoering van het beleidsplan vindt plaats binnen het reguliere begrotingsproces.

6. Participatie en communicatie a) Participatie

-2Het beleidsplan is tot stand gekomen na consultatie met de belangrijke samenwerkingspartners. Dat zijn de aanbieders van de peuteropvang, het CJG, de bibliotheek, het onderwijs en de JGZ. Hun input en opmerkingen zijn in het plan verwerkt.

b) Communicatie Als het beleidsplan is vastgesteld, zal het als zodanig met de belangrijke partners worden gedeeld.

7. Uitvoering Planning: De afspraken en ambities genoemd in het beleidsplan zullen als zodanig worden opgepakt, of zijn dat al inmiddels.

Evaluatie/controle: Jaarlijks vinden er gesprekken plaats met de aanbieders van de peuteropvang. Dit is een belangrijke pijler voor de evaluatie van ons beleid. Daarnaast hebben we doorlopend gesprekken met de partners, waardoor wij ook feedback ontvangen over het door ons gevoerde beleid. Ook voert de GGD inspecties uit bij peuteropvanglocaties. De uitkomsten van deze onderzoeken nemen we ook mee bij onze evaluaties en controle.

8. Bijlagen -Beleidsplan onderwijsansen gemeente Barneveld 2023-2026

Beleidsplan onderwijskansen Gemeente Barneveld 2023-2026

Inhoudsopgave Inleiding ..........................................................................................................................................3 1. Landelijke context .......................................................................................................................4 1.1 Gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid.............................................................................4 1.2 Nationaal Programma Onderwijs...............................................................................................5 2. Lokale visie..................................................................................................................................6 2.1 Doelen en ambities....................................................................................................................6 2.2 Speerpunten..............................................................................................................................7 3.

Thema’s.......................................................................................................................................8 3.1 Doelgroep, bereik en toeleiding.................................................................................................8 3.2 Voorschoolse educatie...............................................................................................................9 3.3 Doorgaande lijn .......................................................................................................................11 3.4 OAB in het onderwijs ...............................................................................................................12 3.5 Een gezamenlijke focus op taal ................................................................................................13 3.6 Zicht op bereik, kwaliteit en opbrengsten ................................................................................14 4. Afspraken rondom samenwerking en overleg ............................................................................16 Bijlage 1: Rollen, taken en verantwoordelijkheden van de verschillende partners .........................17 Bijlage 2: Kwaliteitskader peuteropvang gemeente Barneveld 2023…………………………………………….20

2

Inleiding Voor u ligt het beleidsplan Onderwijskansen Barneveld voor de periode 2023-2026. Het beschrijft de wijze waarop de gemeente, met haar partners, in de komende beleidsperiode invulling geeft aan het onderwijskansenbeleid in Barneveld. Dit beleidsplan is tot stand gekomen in samenwerking met de educatieve partners in de gemeente Barneveld; kinderopvangorganisaties, onderwijs, bibliotheek en de jeugdgezondheidszorg (VGGM). Al vele jaren werkt de gemeente samen met haar educatieve partners om kinderen met een (risico op) (taal)achterstand die ondersteuning te bieden die zij nodig hebben om succesvol deel te nemen aan het onderwijs. Als gemeente hebben we gebruik gemaakt van de kennis en ervaring van deze partners om tot een nieuw beleidsplan onderwijskansen te komen. Een beleidsplan dat concrete aanknopingspunten biedt om de komende vier jaar gemeentebreed samen te werken aan kwaliteitsgericht onderwijskansenbeleid. Leeswijzer Dit beleidsplan is opgebouwd uit een aantal onderdelen. In het eerste hoofdstuk schetsen we de recente ontwikkelingen in de landelijke regelgeving, die belangrijke kaders bieden voor het lokale beleid. In hoofdstuk 2 beschrijven we de lokale visie op onderwijskansen en formuleren we een aantal doelen, ambities en speerpunten voor de nieuwe beleidsperiode. In het derde hoofdstuk is het nieuwe beleid uitgewerkt in een aantal kernthema’s.

Per kernthema is beschreven wat we met elkaar willen bereiken (de ambitie) en hoe we dat willen gaan doen (welke activiteiten, initiatieven). In het laatste hoofdstuk gaan we in op de samenwerking en overlegstructuur.

3

1. Landelijke context 1.1 Gemeentelijk onderwijskansenbeleid Het gemeentelijk onderwijskansenbeleid, ook wel het onderwijsachterstandenbeleid (GOAB) genoemd, is gericht op het vergroten van onderwijskansen voor kinderen die dat nodig hebben. Het doel van het onderwijskansenbeleid is om kinderen te ondersteunen die op basis van hun omgevingskenmerken (dat wil zeggen: het gezin of de buurt waarin zij opgroeien) een vergroot risico lopen op een onderwijsachterstand. Het onderwijskansenbeleid valt in twee delen uit een: - Beleid voor de voorschoolse periode (gemeente ontvangt de middelen vanuit het Rijk) - Beleid voor de basisschoolperiode (schoolbestuur ontvangt de middelen vanuit het Rijk). Gemeenten hebben een wettelijke verantwoordelijkheid voor het realiseren van een voldoende gespreid en kwalitatief goed aanbod voorschoolse educatie (VE) voor peuters van 2,5 – 4 jaar oud. Voorschoolse educatie vindt plaats in de kinderopvang. Het is een aanbod van spelenderwijs leren waarbij gebruik wordt gemaakt van ontwikkelingsgerichte programma’s, gericht op de taal, reken, motoriek en sociaal-emotionele ontwikkeling van kinderen. Sinds 1 augustus 2020 moet het VEaanbod 960 uur bedragen, zodat een kind vanaf de dag dat het 2,5 jaar oud is en tot het 4 jaar oud is (een periode van anderhalf jaar) tenminste 960 uur VE kan ontvangen. Dit is max 16 uur per week.

Vanaf 1 januari 2022 dient een VE-aanbieder voor de verhoging van de kwaliteit van voorschoolse educatie een pedagogisch beleidsmedewerker in te zetten (op hbo werk- en denkniveau). Schoolbesturen in het basisonderwijs ontvangen naast de lumpsum aanvullende OAB-middelen die ze kunnen inzetten om onderwijsachterstanden te bestrijden, met name in de vroegschoolse periode (groep 1 en 2). De hoogte van budget voor gemeenten en schoolbesturen wordt bepaald op basis van een rekenmethode, waarbij het CBS op basis van vijf omgevingsfactoren (o.a. opleidingsniveau ouders, herkomstland, verblijfsduur in Nederland) het risico op onderwijsachterstanden bepaalt. Hoe hoger dat risico, hoe hoger het budget.1 Indien er in een gemeente aan de wettelijke verantwoordelijkheid voor voorschoolse educatie is voldaan, mag het resterende gemeentelijke budget ook worden ingezet voor het bestrijden van onderwijsachterstanden op basisscholen. Naast bovenstaand beschreven eigen verantwoordelijkheden, zijn er ook gezamenlijke verantwoordelijkheden: de gemeente, de kinderopvangaanbieders en de schoolbesturen dienen minstens één keer per jaar te overleggen over het beleid voor voor- en vroegschoolse educatie (VVE). Er dienen afspraken te zijn over wie de doelgroepkinderen zijn voor voorschoolse educatie, over de toeleiding, de doorlopende leerlijn en de resultaten van de vroegschoolse educatie.

De Inspectie van het Onderwijs ziet er op toe dat gemeenten en scholen aan hun wettelijke taak ten aanzien het van GOAB voldoen. Op niveau van de VE-aanbieder inspecteert zowel de GGD als de Inspectie van het Onderwijs. In bijlage 1 zijn de (wettelijke) taken en verantwoordelijkheden verder uitgewerkt.

1 https://www.cbs.nl/nl-nl/dossier/dossier-onderwijsachterstanden

4

1.2 Nationaal Programma Onderwijs Het Nationaal Programma Onderwijs (NP Onderwijs) is een programma bedoeld om onderwijsvertragingen in te lopen en moet leerlingen ondersteunen die het moeilijk hebben door schoolsluitingen en corona. Het basisonderwijs, voortgezet onderwijs, middelbaar beroepsonderwijs en hoger onderwijs ontvangen voor de schooljaren 2021/22 en 2022/2023 aanvullende subsidie op basis van hun leerlingpopulatie. Mochten de middelen in deze schooljaren niet helemaal ingezet kunnen worden, of kiest een school ervoor de middelen meer te spreiden, dan mogen scholen de ontvangen middelen ook nog inzetten in schooljaren 2023/2024 en 2024/2025. Ook gemeenten ontvangen extra budget vanuit het Rijk. Het is de bedoeling dat gemeenten en scholen samen optrekken in het NP Onderwijs. Naast scholen en gemeenten zijn ook andere organisaties uit het jeugddomein relevante gesprek- en uitvoeringspartners, zoals bijvoorbeeld jeugd(hulp)organisaties, de bibliotheek, JGZ, het jongerenwerk en (school)maatschappelijk werk. Het Rijk omschrijft verschillende rollen voor de gemeenten binnen het NP Onderwijs. De gemeente kan aanvullende programma’s financieren en de lokale samenwerking versterken. Daarnaast mag de gemeente ook geld besteden aan het inhalen van corona- achterstanden bij thuiszitters, kinderen die niet staan ingeschreven bij een school.

In oktober 2022 heeft de gemeente Barneveld een subsidieregeling NPO vastgesteld. Aanvragers kunnen een beroep doen op de NPO gelden om projecten in te zetten die achterstanden als gevolg van corona inhalen en daarbij tegelijk het algemene welzijn van jongeren in de gemeente bevorderen. De aanvragen worden via het Platform Jeugd Barneveld ingediend.

5

2. Lokale visie In de gemeente Barneveld willen wij doelgroepkinderen optimale ontwikkelkansen bieden. Ieder kind in Barneveld verdient een eerlijke kans op een succesvolle onderwijsloopbaan en verantwoordelijke plek in de maatschappij, ongeacht het gezin of de buurt waarin het opgroeit. Onder doelgroepkinderen verstaan we alle kinderen tot 12 jaar in de gemeente Barneveld met (een risico op) een taal- of onderwijsachterstand als gevolg van kenmerken van hun gezin en/of leefomgeving. Het gaat hierbij vooral om kinderen die opgroeien in een thuisomgeving waarin geen of weinig Nederlands wordt gesproken; waarin weinig ruimte is voor ontwikkelingsstimulering; een omgeving waarin weinig gepraat, gelezen en gespeeld wordt en waarin weinig gerichte ondersteuning van de onderwijsloopbaan plaatsvindt. In Barneveld worden ook kinderen tot de doelgroep gerekend die belemmeringen ervaren in hun sociaal-emotionele ontwikkeling en daardoor risico lopen in het onderwijs (taal)achterstanden op te lopen.

We streven in Barneveld naar een proactieve, integrale en thuisnabije aanpak voor deze groep kinderen, bestaande uit twee componenten: • preventie: het tijdig signaleren en voorkomen van achterstanden • curatie: het effectief aanpakken van bestaande achterstanden We streven naar een gezamenlijke aanpak, waarin ieders (wettelijke) taken, rollen en verantwoordelijkheden duidelijk zijn vastgelegd. Tegelijkertijd hechten we belang aan ruimte voor maatwerk en eigenheid op locatie. Bij een gezamenlijke aanpak denken we nadrukkelijk ook aan de afstemming tussen onderwijs/kinderopvang en jeugdhulp. Een onderwijsachterstand staat namelijk niet altijd op zichzelf. Soms is er meer aan de hand en dan is bijvoorbeeld snel schakelen met het CJG belangrijk.

2.1 Doelen en ambities Het eerste doel van het gemeentelijke onderwijskansenbeleid is dat kinderen een zo goed mogelijke start op de basisschool kunnen maken. Dit betekent dat wij ons inspannen om voldoende en kwalitatief hoogwaardig aanbod aan voorschoolse educatie en ondersteuning voor peuters met een (risico op) (taal)achterstand te realiseren. Binnen het beleid is en blijft dit de hoogste prioriteit: we zetten ons in om ontwikkelingsachterstanden bij jonge kinderen weg te werken, zodat zij goed voorbereid het onderwijs instromen. De gemeente neemt hierin verantwoordelijkheid en regie, en werkt hierin nauw samen met de kinderopvangaanbieders. Tegelijkertijd weten wij dat niet alle onderwijsachterstanden bij de start van het onderwijs verdwenen zijn. Ook zijn er kinderen met een onderwijsachterstand die tussentijds instromen in het onderwijs. Het onderwijs is de primaire verantwoordelijke om – wanneer dit het geval is - deze achterstanden te verminderen. Het tweede doel van het gemeentelijke onderwijskansenbeleid is dan ook het onderwijs te ondersteunen, zodat zij onderwijsachterstanden zo goed mogelijk kunnen aanpakken. We streven naar voldoende, kwalitatief sterke voorzieningen voor schoolgaande kinderen met een (taal)achterstand.

Ons derde doel is dat de educatieve partners met elkaar samenwerken om het aanbod en de voorzieningen op het gebied van onderwijsachterstanden met elkaar te verbinden en op elkaar aan te laten sluiten. De gemeente treedt op als regisseur waar het gaat om het realiseren van verbindingen tussen partijen binnen het netwerk rondom kinderen. 6

2.2 Speerpunten Op hoofdlijnen stellen we met elkaar een aantal uitgangspunten vast die de basis vormen voor de keuzes die we de komende tijd met elkaar maken. •

• •

• •

Wie? We richten ons in het onderwijskansenbeleid op een afgebakende doelgroep: kinderen van 0 tot 12 jaar met (een risico op) taal- of onderwijsachterstanden, als gevolg van factoren in het gezin (onvoldoende ontwikkelingsstimulering en/of sociaal-emotionele problematiek). Het gaat om kinderen die van huis uit minder kansen krijgen om zich tot hun volle potentieel te ontwikkelen. Met ons aanbod in opvang en onderwijs willen we die kansen vergroten. Waar? Om gelijke kansen te bieden durven wij ongelijk te behandelen. We hebben in ons beleid extra aandacht voor hotspots: we besteden extra tijd, aandacht en middelen aan die plekken (opvanglocaties, scholen, kernen) waar de problematiek het zwaarst is. Wat? We vinden het van groot belang dat doelgroepkinderen zich in de volle breedte kunnen ontwikkelen. We kiezen echter in onze aanpak voor een focus op het stimuleren van de taalontwikkeling, omdat we weten dat taal één van de belangrijkste sleutels tot een succesvolle onderwijsloopbaan is. Waarmee? Bij het kiezen van (nieuwe) aanpakken en activiteiten onderzoeken we altijd eerst of er bewijs is voor effectiviteit, zowel in de wetenschap als in de (eigen) praktijk en of er draagvlak is onder het voorschoolse en/of onderwijsveld. Hoe? We zetten ons gezamenlijk in om een goede structuur en cultuur neer te zetten voor het werken aan gelijke kansen voor doelgroepkinderen.

We integreren het onderwijskansenbeleid waar nodig en mogelijk met andere beleidsterreinen, om een zo effectief mogelijke aanpak te realiseren.

7

3. Thema’s In dit hoofdstuk beschrijven we per thema wat we gezamenlijk willen bereiken en welke mogelijkheden we zien om beleid en praktijk de komende jaren te versterken en vernieuwen.

3.1 Doelgroep, bereik en toeleiding 3.1.1 Wat willen we bereiken?

We streven naar een maximaal bereik van doelgroepkinderen in de gemeente Barneveld. Peuters waarbij sprake is van een risico op een taal- of ontwikkelingsachterstand worden tijdig geïndiceerd door de Jeugdgezondheidszorg (JGZ) en toegeleid naar voorschoolse educatie. De focus in indicering ligt op kinderen met een (risico op) taalachterstand, die is ontstaan door onvoldoende taalaanbod. We willen dat alle doelgroeppeuters uiterlijk op 2 ½ jarige leeftijd starten met voorschoolse educatie en 16 uur per week deelnemen, zodat het kind bij de start van de basisschool 960 uur VE heeft gehad. Het streven is om doelgroepkinderen al op tweejarige leeftijd met een aantal uren per week deelname aan de peuteropvang te laten starten.

3.1.2 Wat gaan we doen? Doelgroep

De definitie van een doelgroepkind in de voorschool is als volgt gedefinieerd: “Kinderen van 0 – 4 jaar die een achterstand hebben of die het risico lopen op een ontwikkelingsachterstand op het gebied van de spraak-, taal-, motorische- en/ of sociaal emotionele ontwikkeling. Maar met name op het gebied van spraak- taalontwikkeling en/of waarbij omgevingsfactoren de totale ontwikkeling belemmeren”. De gemeente Barneveld heeft als doel een VVE-indicatie af te geven aan kinderen die daadwerkelijk extra ondersteuning nodig hebben. De inschatting of een kind een VVE- indicatie nodig heeft wordt gedaan op basis van de uitkomsten van het Van Wiechen ontwikkelingsonderzoek en de professionele inschatting van de medewerker van de jeugdgezondheidszorg (JGZ). Het resultaat is dat kinderen die het daadwerkelijk nodig hebben gebruik kunnen maken van een VVE plek. Daarnaast is het ook mogelijk dat een beroepskracht voorschoolse educatie een kind doorgeeft aan de JGZ. Na deze signalering en verwijzing geeft de JGZ in overleg met ouders een VVE indicatie af. Soms komt een achterstand pas in beeld als een kind zich in een groep bevindt. De medewerker van de JGZ blijft wel de persoon die een indicatie afgeeft.

Toeleiding en bereik

VVE-geïndiceerde kinderen worden door JGZ doorverwezen naar een locatie met voorschoolse educatie. Dit gebeurt rond de leeftijd van 24 maanden, zodat het kind dat nog geen gebruik maakt van kinderopvang op tweejarige leeftijd voor een aantal uren/dagdelen per week een start kan maken op een peutergroep. Bij 2,5-jarige leeftijd wordt het aantal uren vervolgens geïntensiveerd. In grote lijnen ziet de toeleiding er als volgt uit: - JGZ indiceert kinderen die onder de doelgroepdefinitie vallen vóór de leeftijd van 24 maanden. Kinderen die nog geen gebruik maken van de kinderdagopvang kunnen zo op tweejarige leeftijd een start maken op een peutergroep; - JGZ informeert ouders vóór de leeftijd van 24 maanden over de indicering en het voorschoolse aanbod in Barneveld; 8

-

-

JGZ verwijst ouders door naar de aanbieders van voorschoolse educatie; JGZ informeert de kinderopvangorganisatie met een standaard digitaal verwijsformulier dat het een kind met VE-indicatie naar een betreffende locatie heeft doorverwezen; JGZ registreert of een kind met VE-indicatie is geplaatst op een voorschoolse voorziening. Dit wordt geanonimiseerd in de peutermonitor opgenomen. JGZ krijgt bericht van de aanbieder van voorschoolse educatie als een verwijzing geen aanmelding oplevert. De aanbieder heeft dan vaak al zelf contact gezocht met de ouders. Er vindt een overdracht plaats van de geïndiceerde peuter van JGZ naar de peuteropvangorganisatie. JGZ geeft elk kwartaal door middel van de Peutermonitor door hoeveel indicaties en verwijzingen aan VVE-indicaties zijn afgegeven. Ze geven aan wat de reden van de indicatie is. Als er geen gebruik van de verwijzing wordt gemaakt geeft de JGZ dit ook aan in de Peutermonitor met daarbij een reden van geen deelname. JGZ heeft minimaal 1x per jaar overleg met de gemeente om de data in de Peutermonitor te evalueren.

Het bereik wordt vier keer per jaar gemonitord. De JGZ levert hiervoor de benodigde gegevens aan bij de gemeente, zo veel mogelijk geautomatiseerd in de Peutermonitor. De gemeente deelt de cijfers in de betreffende gemeentelijke overleggen. We besteden de komende tijd extra aandacht aan de groep kinderen met een VE-indicatie, die geen gebruik maakt van voorschoolse voorzieningen. We brengen in kaart wat de beweegredenen van ouders zijn om kinderen niet deel te laten nemen aan een voorschools programma en we werken enkele oplossingsrichtingen uit. We willen uiteindelijk zorgen voor een community van “ambassadeurs”: alle professionals die werken met jonge gezinnen (denk aan verloskundigen, kraamverzorgenden, CJG, huisartsen, organisaties die hulpverlenen in gezinnen) weten hoe de lijnen naar JGZ en voorschoolse educatie lopen en stimuleren ouders hiervan gebruik te maken.

3.2 Voorschoolse educatie 3.2.1 Wat willen we bereiken?

Het voorschools aanbod bestaat uit 960 uur VE voor doelgroeppeuters. Het aanbod is er op gericht kinderen een zo goed mogelijke start op de basisschool te geven, door een uitdagende ontwikkelomgeving te bieden. Het stimuleren van de taalontwikkeling is daarbij ons speerpunt. We streven naar thuisnabije voorzieningen: iedere peuter heeft dichtbij huis de mogelijkheid om deel te nemen aan voorschoolse educatie. Afstand mag geen reden zijn voor non-bereik. Dat betekent dat we zorgen voor een goed gespreid aanbod over de verschillende kernen. Indien nodig bieden we via een subsidieregeling extra financiële ondersteuning om peuteropvang in de kleine kernen (b.v. Garderen, Stroe) mogelijk te maken. Ook streven we zoveel mogelijk naar gemengde groepen waar doelgroepkinderen en niet-doelgroepkinderen van elkaar kunnen leren. Voor groepen met een zware populatie is mogelijk extra investering nodig. Voor peuters en gezinnen met een aanvullende ondersteuningsbehoefte is er een duidelijke zorgstructuur waardoor zij snel de professionele hulp krijgen die zij nodig hebben. Voor professionals is duidelijk welke zorg en ondersteuning beschikbaar is en de routes hiernaar toe worden duidelijk vastgelegd. Samen met de basisscholen realiseren we voor ieder kind een doorgaande ontwikkellijn. We zorgen voor een goede onderlinge afstemming als het gaat om zorg en begeleiding van het individuele kind,

9

maar vinden het ook belangrijk om gezamenlijk initiatieven te ontplooien die aan de bredere groep doelgroepkinderen en hun gezinnen ten goede komen.

3.2.2 Wat gaan we doen? Sinds 1 januari 2021 is in Barneveld de nieuwe subsidieregeling van kracht, dat 960 uur voorschoolse educatie (16 uur per week) regelt voor peuters met een VE-indicatie tussen 2 en 4 jaar. Peuters zonder VE-indicatie kunnen tussen 2 en 4 jaar 480 uur (8 uur per week) gebruik maken van de peuteropvang. Aanbieders ontvangen subsidie voor het uitvoeren van VE via een geld-volgt-kindregeling. Ouders betalen een inkomensafhankelijke bijdrage, via kinderopvangtoeslag of via de gemeentelijke regeling. Aanvullend hierop ontvangen peuteropvangaanbieders een opslag per uur voor extra voorbereidingsen evaluatietijd en de door de gemeente gehanteerde kwaliteitseisen bovenop de wettelijke minimumeisen. We houden vast waar we trots op zijn, en versterken waar nodig. In Barneveld zijn de VE- partners trots op het eigen pedagogisch en educatief handelen op de groepen. Aandachtspunten zijn de doorgaande lijn, de ouderbetrokkenheid en zorg en ondersteuning. De uitwerking van deze thema’s is in de volgende hoofdstukken te vinden. We voeren jaarlijks met elkaar gesprekken over de kwaliteitsaspecten voor VE en de invulling van deze aspecten. We gebruiken daarvoor in eerste instantie het kwaliteitskader peuteropvang gemeente Barneveld (bijlage 2), de inspectierapporten en de jaarverslagen i.v.m. de subsidievaststelling.

De komende jaren werken we aan een stevige positionering van de nieuwe pedagogisch beleidsmedewerkers/coaches VE binnen de organisaties, met een focus op het verbeteren van de (educatieve) kwaliteit en uitvoering van VE. Zij krijgen een inhoudelijke en coachende rol in het creëren van een uitdagend en ontwikkelingsstimulerend aanbod voor doelgroeppeuters. Ook vervullen de coaches een brugfunctie naar JGZ, jeugdhulp en het onderwijs. Ze spelen bovendien een rol in het vergroten van de ouderbetrokkenheid en leesstimulering bij ouders van VE-geïndiceerde peuters. Gemeente en kinderopvangorganisaties onderzoeken of hierin gezamenlijke focuspunten geformuleerd kunnen worden en of gezamenlijk overleg en scholing van toegevoegde waarde is . Ook zorgen we er gezamenlijk voor dat kinderen en gezinnen met een aanvullende zorg- en/of ondersteuningsbehoefte goed en snel geholpen worden. We maken afspraken met elkaar over de routes naar zorg en ondersteuning, waarbij we het CJG zien als het eerste aanspreekpunt wanneer er bij ouders of professionals zorgen zijn over de ontwikkeling van het jonge kind. We organiseren een multidisciplinair overleg (MDO) waarin we op casusniveau (het aanbod voor) zorg- en doelgroepkinderen met elkaar kunnen bespreken.

3.3 Doorgaande lijn 3.3.1 Wat willen we bereiken?

Ieder doelgroepkind verdient een zachte landing op de basisschool. Dat zien we als een gezamenlijke verantwoordelijkheid van kinderopvang, onderwijs en ouders. Wanneer er extra zorgen zijn rondom een kind, spannen wij ons hiervoor extra in. We willen dat de doorgaande lijn van voor- naar vroegschool voor iedere partner een belangrijk aandachtspunt is binnen de VVE-aanpak, dat zowel in beleid als praktijk concrete uitwerking krijgt. Dat betekent dat we zowel op locatieniveau als op gemeentelijk niveau hierover concrete werkafspraken met elkaar maken.

10

3.3.2 Wat gaan we doen?

We zetten ons gezamenlijk in voor een doorgaande lijn voor kinderen met een VVE-indicatie. De gemeente voert de regie en is wettelijk verantwoordelijk voor de realisatie van gemeentelijke afspraken en uniforme werkwijzen rondom de doorgaande lijn. In de gemeente Barneveld zijn 7 clusters gemaakt waarin peuteropvang en basisscholen zitten die het meeste met elkaar samenwerken en/of waar de meeste kinderen naar doorstromen. Binnen een cluster worden o.a. de afspraken gemaakt over de overdracht van de kindgegevens en de zorg en begeleiding van kinderen. De pedagogisch beleidsmedewerker van de peuteropvang heeft hierbij een coördinerende en initiërende rol. Als er behoefte en/of mogelijkheden zijn voor meer samenwerking, dan wordt dit ook schriftelijk vastgelegd. Warme overdracht van voor- naar vroegschool Het maakt niet uit van welke opvanglocatie een kind vertrekt of naar welke school een kind gaat, elke doelgroeppeuter in Barneveld wordt warm overgedragen. We maken op gemeenteniveau afspraken over wat een warme overdracht inhoudt: welke gegevens worden overgedragen en welke personen bij de warme overdracht aanwezig zijn. We hebben speciale aandacht voor het betrekken van ouders bij de overdracht. Op locatie- en clusterniveau worden individuele afspraken gemaakt over de precieze invulling van het proces.

We streven op elke locatie naar een standaardprocedure, waardoor voor iedereen de taken en verantwoordelijkheden duidelijk zijn. Zo spreken we af wie het aanspreekpunt per locatie is, wie het initiatief neemt voor het maken van de afspraak en wie bij het gesprek aanwezig is. We hechten belang aan een terugkoppeling van vroegschool naar voorschool en zorgen er de komende jaren voor dat deze een structurele plek krijgt in de samenwerking. Versterken van de doorgaande ontwikkellijn Voor kinderen met een VVE-indicatie is er extra aandacht voor de doorgaande ontwikkellijn. Een doorgaande ontwikkellijn betekent dat voor- en vroegscholen het pedagogisch klimaat en educatief handelen op elkaar afstemmen en werken aan het wegnemen van ontwikkelingsdrempels. Ontwikkelingsdrempels zijn de verschillen die een kind ervaart na een overgangsmoment, en die een negatieve impact kunnen hebben op het welbevinden en de ontwikkeling van het kind (en de ouders). De doorgaande ontwikkellijn kan op verschillende manieren versterkt worden. In het gemeentelijke VVE-overleg wordt onderzocht wat wenselijk en werkbaar is in de gemeente Barneveld.

Welke initiatieven zijn kansrijk, kunnen op gemeenteniveau worden gerealiseerd en welke kwaliteitscriteria willen we daarbij hanteren? Het gaat hierbij onder andere om initiatieven als: - Doorbegeleiding van VVE kinderen door pedagogisch medewerkers op de vroegschool; - Gezamenlijke scholing/studiedagen voor pedagogisch medewerkers en leerkrachten (bijv. elk jaar een of twee thema-avonden); - Gezamenlijke VVE-verbeterplannen voor koppels/clusters van scholen en kinderopvang, evt. met aansluiting van (zorg)partners uit de wijk; - Het faciliteren van gezamenlijke overlegmomenten en/of collegiale consultatie. Het versterken van de doorgaande ontwikkeling in VVE is het meest relevant voor kinderopvangorganisaties en scholen met relatief veel VVE-kinderen. Het verdient de voorkeur om in eerste instantie juist met deze scholen en voorscholen te investeren in de samenwerking en doorgaande lijn.

11

Doorgaande lijn in zorg Voor kinderen met extra zorg- en ondersteuningsvragen vinden we een meer intensieve samenwerking van belang. In de eerste plaats zien we hier een rol voor de pedagogisch coaches van de kinderopvang en IB’ers van de basisschool, die op de locatie gezamenlijk optrekken in het realiseren van passende ondersteuning en begeleiding richting de basisschool. Bij een meer complexe hulpvraag is de coach on the job van het CJG het eerste aanspreekpunt en van daaruit kan verwezen worden voor verder onderzoek of ondersteuning. Behalve het gesprek over individuele kinderen op locatieniveau, hebben we in het multidisciplinair overleg (MDO) bij complexere casussen. Deze casussen leveren input op voor het gemeentelijk beleid.

3.4 OAB in het onderwijs 3.4.1 Wat willen we bereiken?

Als kinderen vier jaar oud zijn maken ze de overstap naar de basisschool. We streven er naar dat zoveel mogelijk kinderen met een VVE-indicatie ook bij de kleuters worden ondersteund met een beredeneerde taalaanpak, om te voorkomen dat zij met een achterstand instromen in groep 3. Ook na groep 3 geven wij speciale aandacht aan kinderen met taal- en onderwijsachterstanden. We ondernemen hierin activiteiten die bewezen effectief zijn en waar bij voorkeur al positieve ervaringen mee zijn opgedaan. We delen onze initiatieven en leren van elkaar. Omdat veel doelgroepkinderen uit kwetsbare gezinnen komen, vinden we het belangrijk dat niet alleen de kinderen, maar ook de ouders de zorg en aandacht krijgen die zij nodig hebben. We benadrukken met elkaar het belang van een stevige verbinding tussen onderwijs en zorg, waarbij we vooral rond preventie een goede gemeentelijke structuur willen neerzetten. De ene school heeft meer met onderwijsachterstanden te maken dan de andere school2. De komende jaren gaan we gerichter investeren op scholen met veel doelgroepkinderen: aan die scholen gaan we meer tijd, middelen en aandacht besteden. Dat betekent dat we op die scholen ook hogere verwachtingen hebben van een kwaliteitsimpuls op OAB-thema’s zoals de doorgaande lijn, het taalonderwijs en de ouderbetrokkenheid.

3.4.2 Wat gaan we doen?

Taalklas Barneveld PO Voor nieuwkomersleerlingen van 6 tot 13 jaar financiert de gemeente Barneveld al een aantal jaar een Taalklas. Kinderen die nieuw zijn in Nederland hebben extra taalonderwijs nodig omdat zij nog geen Nederlands spreken. Deze leerlingen starten in de deeltijd Taalklas: zij volgen twee dagen een basisprogramma Nederlands in een aparte voorziening, de andere dagdelen gaan zij naar hun eigen reguliere school. De Taalklas is boven-bestuurlijk georganiseerd: er is één taalklas waar kinderen van alle scholen aan deel kunnen nemen. Schoolbesturen betalen een solidariteitsbijdrage, en het overige wordt betaald uit het OAB-budget. In 2021 is de taalklas geëvalueerd door bureau Sardes. In deze evaluatie wordt geadviseerd omwille van de effectiviteit in te zetten op een fulltime taalklas. Binnen het LEA is in september 2022 inmiddels besloten om een fulltime klas op te zetten. De voorbereidingen zijn hiervoor momenteel aan de gang. Als alles volgens planning loopt, zal met ingang van schooljaar 2023-2024 de fulltime taalklas van start gaan. Aangezien het in deze variant niet alleen om taalonderwijs gaat, kan vanaf dat moment beter worden gesproken over nieuwkomersonderwijs. Met deze nieuwe werkwijze zal er ook een nieuwe bekostiging aan de orde zijn, omdat de grootste kosten kunnen worden afgedekt door de rijksbekostiging van schoolgaande nieuwkomers.

2 In Bijlage 2 is een overzicht met de onderwijsachterstandsscores van het CBS te vinden.

12

Overige activiteiten binnen het onderwijs Ook is het mogelijk dat aanvullende activiteiten en/of pilots op het aanbod van voor- en vroegschoolse educatie worden ingezet. Zo zijn er in de afgelopen jaren vanuit de onderwijsachterstandsmiddelen een bijdrage gedaan aan De Lijster, voor een programma van het Jeugdeducatiefonds, en voor St. IMC weekendschool voor de uitvoering van het beroepskeuzeprogramma op de Donnerschool.

3.5 Een gezamenlijke focus op taal 3.5.1 Wat willen we bereiken?

Een taalrijke omgeving, waar veel met kinderen wordt gepraat, gelezen, gezongen en gespeeld is een basisvoorwaarde voor de schoolse ontwikkeling van kinderen. In Barneveld zijn alle professionals rondom het kind en ouders zich bewust van het belang van een taalrijke (thuis)omgeving, leesbevordering en het voorkomen van laaggeletterdheid.

3.5.2 Wat gaan we doen? Extra taalondersteuning voor ouders en kind Ouders en professionals rondom het kind werken samen en ieder vanuit zijn eigen rol aan het versterken van de taalrijke (thuis)omgeving van kinderen met een risico op een onderwijsachterstand. Een voorbeeld hiervan is logopedische inzet via het consultatiebureau. Ouders die vaardigheden missen worden zo vroeg mogelijk gesignaleerd en extra ondersteund. We onderzoeken of dit mogelijk is via Thuis in taal. De aanpak Thuis in Taal helpt pedagogisch medewerkers en leerkrachten stapsgewijs een wederkerige relatie met ouders op te bouwen en de samenwerking vorm te geven ter ondersteuning van de taalontwikkeling van het kind. Deze basis wordt gelegd door middel van het doorlopen van een stappenplan. In Barneveld kan deze aanpak in eerste instantie op de peuteropvang worden geïmplementeerd. Gaandeweg kunnen basisscholen in dezelfde aanpak worden meegenomen. Leesbevordering Op school en in de kinderopvang is gerichte taalstimulering en leesonderwijs nodig om kinderen met een risico op onderwijsachterstand maximale onderwijskansen te bieden.

Als het gaat om leesbevordering ondersteunt de bibliotheek in Barneveld scholen en kinderopvangaanbieders met programma’s zoals de Bibliotheek op school, de Voorleesexpres en BoekStart voor baby’s en in de kinderopvang, inclusief het aanstellen van een boekstartcoach die ook op de consultatiebureaus actief is. We onderzoeken het huidige aanbod vanuit de Bibliotheek gericht op de VVE. De bibliotheek neemt hier een voortrekkersrol in en sluit op dit thema aan bij de werkgroep VVE. - Hoe kunnen we het huidige aanbod van beter en structureler onder de aandacht brengen van scholen en kinderopvang? - Welk aanbod gericht op de VVE kunnen, en willen we, verbeteren dan wel uitbreiden? Het gaat hier bijvoorbeeld om de themakisten voor VVE of het aantal locaties dat deel kan nemen aan BoekStart in de kinderopvang of de BoekStartcoach op de consultatiebureaus. - Zijn er mogelijkheden om VoorleesExpress, de Bibliotheek op school of BoekStart te intensiveren? Laaggeletterdheid signaleren en herkennen Barneveld werkt mee aan de aanpak laaggeletterdheid. De gemeente en de bibliotheek nemen deel aan het taalhuis Barneveld en kunnen de verbinding leggen met de werkgroep VVE. Bijvoorbeeld als het gaat om kennis over het herkennen en signaleren van laaggeletterde ouders.

13

Samenvattend: we realiseren een gezamenlijke focus op taal voor Barneveld door de samenwerking tussen Bibliotheek, JGZ, kinderopvang en onderwijs te versterken. We zorgen voor een groter bewustzijn van het belang van een preventieve aanpak voor laaggeletterdheid, het belang van een taalrijke (thuis)omgeving en leesbevordering, bij alle professionals en ouders. We maken gebruik van, en leren van, elkaars expertise. We zorgen ervoor dat alle professionals van de JGZ, kinderopvang, school en bibliotheek die contact hebben met ouders bekend zijn met het aanbod in Barneveld op het gebied van laaggeletterdheid, taalrijk- en meertalig opvoeden. We maken in de werkgroep VVE afspraken over het verzamelen en delen van deze informatie.

3.6 Zicht op bereik, kwaliteit en opbrengsten 3.6.1 Wat willen we bereiken?

Met elkaar moeten en willen we het bereik, de kwaliteit en de opbrengsten van onze inspanningen beter zichtbaar maken. We gaan in beeld brengen of we de doelstellingen van ons beleid behalen. Het gaat in de kern om de volgende doelstellingen: 1. alle kinderen die dat nodig hebben, nemen deel aan voor- en vroegschoolse educatie en/of andere ontwikkelingsstimulerende activiteiten; 2. de kinderen die deelnemen aan het aanbod lopen hun achterstanden in / maken een significante groei door in hun ontwikkeling; 3. de kwaliteit van ons aanbod is goed en we hebben zicht op waar verbeteringen mogelijk zijn. De beschikbare informatie hierover willen we vaker met elkaar bespreken. We vinden het belangrijk om met elkaar een kwaliteitsdialoog te voeren met als hoofdvraag: doen we in Barneveld de goede dingen voor de doelgroepkinderen? De gemeente moet wettelijk met schoolbesturen afspraken maken over de resultaten van vroegschoolse educatie. Belangrijk is dat de resultaten meetbaar zijn en daadwerkelijk gemeten worden. Dit betekent dat scholen/schoolbesturen concrete gegevens moeten aanleveren zodat de gemeente (en de inspectie) kan (kunnen) nagaan in hoeverre de gewenste resultaten bereikt worden. De ambitie en resultaatafspraken worden zowel voor de voor- als vroegschool gemaakt.

De ambitie en resultaatafspraken voor zowel de voor- als vroegschool worden gemeten op drie onderdelen te weten: A) B) C)

basiskenmerken en sociaal emotionele ontwikkeling Spraak-/ taalontwikkeling, de ontluikende geletterdheid Rekenontwikkeling, de ontluikende gecijferdheid

Omdat er met veel verschillende methodes wordt gewerkt hebben wij ervoor gekozen om de ambitie en de resultaatafspraken onafhankelijk van een observatiesysteem te maken. Alle voorscholen en basisscholen volgen de ontwikkelingen van de kinderen. Op deze manier kunnen zij aan de hand van hun eigen systeem vaststellen of een doelgroepkind een ambitie heeft gehaald of niet. We weten dat doelgroepkinderen in hun taalontwikkeling vaak een achterstand hebben ten opzichte van leeftijdsgenoten. Het doel van VVE is om deze achterstanden in te lopen en doelgroepkinderen een goede start te geven in groep 3. Onze ambitie, daar waar we samen naar streven en elk doelgroepkind toewensen, is dat de achterstand verdwijnt. De realiteit is dat doelgroepkinderen, ondanks onze inzet, vaak een achterstand houden ten opzichte van kinderen die niet tot de doelgroep behoren. Waar we in ieder geval naar streven is dat de achterstand kleiner wordt en dat ieder kind groei en ontwikkeling doormaakt. 14

Ambitie: Alle doelgroepkinderen hebben een leeftijdsadequate groei doorgemaakt in de periode dat zij de voor- en vroegschool hebben bezocht. De doelstelling die daarbij is geformuleerd is dat 75% van alle doelgroepkinderen een leeftijdsadequate groei heeft doorgemaakt in de periode dat zij de voor- en vroegschool hebben bezocht.

3.6.2 Wat gaan we doen?

We voeren in ieder geval de wettelijke verplichte onderdelen uit, deze zijn: • Bereik voorschoolse educatie: hoeveel kinderen met een indicatie nemen daadwerkelijk deel aan voorschoolse educatie, en met welke intensiteit? • Resultaatafspraken VVE: zicht op de ontwikkeling van doelgroepkinderen, lopen ze hun (verwachte) achterstanden in? Bereik voorschoolse educatie Het in kaart brengen van het bereik van de voorschoolse educatie is een gezamenlijke inspanning van gemeente, JGZ en kinderopvangorganisaties. Het gaat hier met name om een gemeentelijke analyse van al beschikbare gegevens, zoals de bereikcijfers van JGZ en de jaarlijkse VE-subsidieaanvragen en beschikkingen van kinderopvangorganisaties. De monitor bestaat uit de volgende onderdelen: • aantal geïndiceerde peuters • redenen van verwijzing • aantal geplaatste peuters • VE-tijd (deelname in maanden/dagdelen) • redenen voor non-bereik Het is van belang om de analyses niet alleen op gemeenteniveau te doen, maar ook uitsplitsingen te doen op locatie, wijk en kern/gemeenteniveau.. We gebruiken de Peutermonitor hierbij als basis. Resultaatafspraken VVE Eenmaal per jaar op 1 oktober vullen alle voor- en vroegscholen het formulier verantwoording resultaatafspraken in. De gemeente verzamelt deze formulieren en verwerkt ze tot een monitor. Daarbij wordt er in de monitor ook data opgenomen uit de Peutermonitor.

De Peutermonitor is een digitaal instrument wat de gemeente gebruikt voor de financiële verantwoording. Daarnaast geeft de Peutermonitor ook informatie over het bereik, toeleiding, reden van indicatie en spreiding van de kinderen met een VVE-indicatie. De monitor wordt voorgelegd aan werkgroep VVE en aan de LEA. Indien de resultaten daartoe aanleiding geven kan worden aangestuurd op aangescherpt beleid. Resultaatafspraken zijn afspraken tussen schoolbesturen/kinderopvangorganisaties en gemeente over de resultaten die zij met de (voor en) vroegschool willen behalen. De resultaatafspraken zijn bedoeld om antwoord te geven op de vraag hoe doelgroepkinderen in Barneveld zich ontwikkelen en in hoeverre in de voor- en vroegschoolse periode eventuele achterstanden worden ingelopen. Belangrijk om hier te noemen is dat het uitdrukkelijk niet gaat om afspraken waar men op wordt afgerekend: de essentie is het stellen van ambitieuze verwachtingen en op basis daarvan een kwaliteitsdialoog te voeren met elkaar.

15

4. Afspraken rondom samenwerking en overleg Systematisch werken aan gelijke kansen voor doelgroepkinderen bestaat uit een aantal onderdelen: 1. Overleg op bestuursniveau over beleidsontwikkelingen; 2. Overleg op uitvoerend niveau over beleidsontwikkelingen en de vertaling van beleid naar praktijk; 3. VVE- overleg op kind en locatieniveau voor pedagogisch coaches en ib’ers; 4. Multidisciplinair overleg voor het brede jeugddomein voor kennisdeling en casuïstiek; 5. Kennisdeling tussen OAB partners voor kwaliteitsverbetering en creëren van gedeelde waarden en werkwijzen. Barneveld is een gemeente bestaande uit verschillende kernen en zogenaamde clusters van scholen/peuteropvanglocaties. Structureel overleg vindt zowel plaats op het niveau van de gemeente als op het niveau van de clusters. Op gemeenteniveau vindt kennisdeling, beleidsontwikkeling en de ontwikkeling van procesafspraken en benodigde materialen plaats. Op clusterniveau vindt het overleg over individuele kinderen en casuïstiek plaats. Hier worden werkafspraken en richtlijnen uitgewerkt en in gebruik genomen. Daarnaast hebben deze overleggen een signalerende functie: er worden waardevolle praktijkervaringen opgehaald die ingebracht kunnen worden op de agenda van de LEA en de werkgroep VVE. Overlegstructuur 1.

VVE werkgroep (smal) De VVE werkgroep (smal) bestaat uit de vertegenwoordigers vanuit de gemeente en aanbieders van de peuteropvang. De werkgroep VVE ontwikkelt beleid en bereidt met dit beleid de besluitvorming voor, welke plaatsvindt in de LEA of door de gemeente zelf. Uit het overleg van de VVE-werkgroep kunnen specifieke opdrachten naar voren komen, die in een kleinere (eventueel tijdelijke) werkgroep kunnen worden belegd (zie 2). 2. VVE werkgroep (breed) De VVE werkgroep (breed) bestaat uit vertegenwoordigers vanuit de gemeente, aanbieders van de peuteropvang, JGZ, bibliotheek en onderwijs. Deze werkgroep doet voornamelijk beleidsvoorbereiding op verschillende thema's, zoals werkafspraken toeleiding, ouderbetrokkenheid en doorgaande lijn. Ook worden er indien gewenst themabijeenkomsten georganiseerd. 3. Bestuurlijk Platform Jeugd Barneveld In het Bestuurlijk Platform (voorheen: LEA) vindt bestuurlijk overleg plaats over onderwijsaangelegenheden. In het Bestuurlijk Platform zitten schoolbesturen, besturen kinderopvang en de gemeente.

16

Bijlage 1: Rollen, taken en verantwoordelijkheden van de verschillende partners In het gemeentelijk onderwijskansenbeleid heeft iedere partij zijn eigen (wettelijke) taken en verantwoordelijkheden. Op hoofdlijnen ziet dat er als volgt uit: • De gemeente is primair verantwoordelijk voor het realiseren van voldoende, kwalitatief hoogwaardig voorschools aanbod. Deze taak voert zij uit in samenwerking met de kinderopvangaanbieders. • De gemeente ondersteunt het onderwijs bij haar primaire taak om onderwijsachterstanden in de schoolse periode te bestrijden. • De gemeente treedt op als regisseur waar het gaat om het realiseren van verbindingen tussen partijen binnen het netwerk rondom kinderen. In onderstaande tabellen zijn de taken en verantwoordelijkheden van de verschillende partners preciezer uitgewerkt. Gemeente Verantwoordelijkheden

Taken

Rollen

De gemeente is wettelijk verantwoordelijk voor: • voldoende en kwalitatief hoogwaardig aanbod van voorschoolse educatie • het vaststellen van de doelgroep • het bereik van alle doelgroepkinderen en goede toeleiding van kinderen naar voorschoolse educatie • toezicht op en handhaving van de kwaliteit de kinderopvang en de peuteropvang • jaarlijks overleg voeren met de schoolbesturen over de resultaten van vroegschoolse educatie Daarnaast zal de gemeente: • het onderwijs ondersteunen bij OAB-aanbod in de schoolse periode • overige partijen, zoals huisartsen en gastouderbureaus informeren over gemaakte afspraken indien daar noodzaak dan wel aanleiding voor is • evalueren, verbeteren en borgen van het OAB-beleid in een kwaliteitscyclus • vaststellen kaders en randvoorwaarden voor uitvoering VVE samen met de VVE-partners • actualiseren subsidie/kwaliteitseisen VVE • vaststellen en jaarlijks evalueren uurprijs VVE • faciliteren van uitwisseling tussen kinderopvang en scholen • bewaken traject resultaatafspraken • deelname aan gemeentelijk overleg • trekker en regisseur voor VVE • partner en toezichthouder VVE-uitvoering • partner en facilitator OAB-samenwerking

17

Levert informatie over

• • • •

Kengetallen over aantallen peuters in de gemeente (CBS) GGD-rapportages over kwaliteit kinderopvang Rapportages Inspectie van het Onderwijs over kwaliteit VVE Data uit de Peutermonitor

Kinderopvangaanbieders Verantwoordelijkheden

Taken

Rollen

Levert informatie over

•

Het bieden van aanbod volgens door gemeente opgestelde subsidievoorwaarden VE, de wet Kinderopvang en de landelijke geldende kwaliteitseisen voor VE • Het bieden van informatie aan ouders over VE Wettelijke taken: • Deelnemen aan het maken van afspraken over doelgroepdefinitie en toeleiding VE • Maken van afspraken over de doorgaande lijn en de overdracht naar scholen Overige taken: • deelnemen aan OAB-overleg • evalueren OAB samen met andere partners • uitwisseling met de scholen • uitvoeren gemeentelijk VE-beleid • meedenken en input geven aan gemeentelijk beleid • signaleren wanneer beleid en praktijk niet goed aansluiten op elkaar • aantal peuters en aantal VVE-peuters • afgenomen aanbod (in jaren/dagdelen) • observaties ontwikkeling VVE-peuters conform werkwijze resultaatafspraken

Onderwijs Verantwoordelijkheden Taken

Rollen

Samenwerkingsverband/schoolbesturen/scholen: • Passend (taal)aanbod kinderen met (een risico op) een (taal)achterstand Wettelijke taken (schoolbesturen) • Deelnemen aan het maken van afspraken over doelgroepdefinitie en toeleiding VE • Maken van afspraken over de doorgaande lijn en overdracht met kinderopvangorganisaties en gemeente • Jaarlijks overleg voeren met de gemeente over de resultaten van vroegschoolse educatie • Organiseren taalonderwijs bij taalachterstanden in het onderwijs Overige taken (scholen): • Bieden van passend taalaanbod • Deelname aan overleg indien aan de orde • evalueren OAB samen met andere partners • uitwisselen en terugkoppelen met kinderopvangorganisaties • uitvoeren vroegschoolse educatie 18

• • Leveren informatie over

•

meedenken en input geven aan gemeentelijk beleid signaleren wanneer beleid en praktijk niet goed aansluiten op elkaar observaties ontwikkeling leerlingen conform werkwijze resultaatafspraken

JGZ Verantwoordelijk heden

• •

Rollen Levert informatie over

• • • • •

Indicatie van peuters op basis van de door de gemeente vastgestelde doelgroepdefinitie Leveren van informatie aan ouders van peuters in de gemeente m.b.t. voorschoolse voorzieningen en VVE meedenken en input geven aan gemeentelijk beleid signaleren wanneer beleid en praktijk niet goed aansluiten op elkaar aantal geïndiceerde peuters, conform afspraken met gemeente aantal geïndiceerde peuters in kinderopvang non-bereik

19

Bijlage 2: Kwaliteitskader peuteropvang gemeente Barneveld De inspectie-eisen zijn gekoppeld aan de Subsidieregeling peuteropvang gemeente Barneveld. Op grond van deze regeling kan kinderopvang in aanmerking komen voor een subsidie indien zij voldoet aan dit kwaliteitskader. Deze subsidie volgt een peuter, die gebruik maakt van een door de gemeente Barneveld erkende peuteropvang uitgevoerd onder de Wet kinderopvang. Het toezicht conform de Wet Kinderopvang wordt uitgevoerd door de GGD. De GGD rapporteert de gemeente over de uitkomsten van de inspectie. De gemeente is verantwoordelijk voor eventuele handhaving. Daarnaast legt de kinderopvang jaarlijks verantwoording af aan de gemeente over de uitvoering van het kwaliteitskader. Doel: Bewaken, beheersen en verbeteren van de peuteropvang/VVE kwaliteit in de gemeente Barneveld. Looptijd: Dit kwaliteitskader is geldig vanaf 1-1-2023. Nr. 1. Wettelijke kaders peuteropvang

Omschrijving Houders die het peuterarrangement aanbieden voldoen aan de vereisten die zijn opgenomen in: • De wet Kinderopvang • De wet Innovatie en Kwaliteit Kinderopvang • Het besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie • Het toezichtkader onderwijsinspectie Controlerende instantie GGD

2. Kindgebonden

2.1 Doel: een ontwikkelingsgericht aanbod wordt aangeboden aan peuters van 2 tot 4 jaar.

financiering

2.2 Eisen aanbod3: • Dagdeel peuteropvang duurt niet langer dan 6 uur of als peuteropvang plaatsvindt binnen dagopvang mag maximaal 6 uur meetellen voor het totaal van 320 of 960 uur. • Peuteropvang wordt gegeven in een horizontale groep. Als er sprake is van een verticale stamgroep wordt deze ten behoeve van de peuteropvang gesplitst in gescheiden groepen. • Peuteropvang duurt minimaal 40 weken per jaar. • Er wordt gewerkt met een door het NJI goedgekeurde integraal VVE-programma. • De ontwikkeling van de kinderen wordt structureel gevolgd door een kindvolgsysteem dat voldoet aan de eisen van het waarderingskader van de inspectie van het Onderwijs.

peuteropvang

Peuteropvang voor kinderen van 2 tot 4 jaar zonder VVE indicatie: • Totaal 8 uur per week of totaal 320 uur per jaar. Peuteropvang kinderen van 2 tot 4 jaar met een VVE indicatie4: • Totaal 16 uur per week of totaal 640 uur per jaar. • Totaal uren in de periode van 2,5 tot 4 jaar 960 uur.

3 Alleen in de kleine kern kan (in overleg) worden afgeweken van het verplichte 16-uursaanbod bij gebrek aan VVE-doelgroepkinderen.

4 Voor peuters van 2 tot 2,5 jaar geldt er geen verplichting om 16 uur VVE aan te bieden door de locatie, maar is de 16 uur een maximum.

20

3.Inzet pedagogisch

3.1 Doel: inzet verhogen van de kwaliteit van het aanbod van VE

beleidsmedewerker

3.2 Voorwaarden: • Gestelde eisen conform art. 2a van het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie • Elke locatie beschrijft in haar pedagogisch beleidsplan (onderdeel subsidieaanvraag) welke kwaliteit verbeterende maatregelen zij gaat nemen en neemt daarin op welke rol en aandeel de PBM’er hierin gaat vervullen. • Er is 10 uur per doelgroeppeuter VVE beschikbaar. Deze 10 uur is gebaseerd op een plaatsingsperiode van een kalenderjaar. Indien de plaatsingsperiode minder is, wordt het aantal uur naar rato berekend.

VVE (PBM’er)

3.3 Verantwoording: Op locatieniveau vindt verantwoording op inzet plaats. Ook achteraf wordt dit verwoord in de inhoudelijke en financiële toelichting over de inzet van de aangevraagde subsidie(s). 3.4 Afstemming inzet op gemeenteniveau Doorgaande lijn: • Afspraken uitvoeren zoals staan beschreven in het beleidskader onderwijskansen gemeente Barneveld hoofdstuk 3.3 Ouders: • Elke locatie maakt jaarlijks een werkplan ouderbetrokkenheid (onderdeel van het pedagogisch beleidsplan). Externe zorg: • Organisaties die subsidie ontvangen op basis van de regeling peuteropvang gemeente Barneveld nemen actief deel aan de externe zorgstructuur. 4.Subsidie voor locaties

4.1 Doel: De gemeentelijke kostprijs peuteropvang gaat uit van gemiddelde spreiding doelgroeppeuters over de

met hoog aandeel VVE

peuteropvanglocaties. Hoewel het de bedoeling is dat er zoveel mogelijk gemengde peutergroepen zijn (kinderen met en zonder vve-indicatie die samen spelen en zich ontwikkelen), is het aantal doelgroeppeuters (peuters met een vve-indicatie van de Jeugdgezondheidszorg) op sommige locaties hoger dan op andere locaties. Locaties met een hoog aandeel doelgroeppeuters vergen veel van de pedagogisch medewerkers, zoals frequenter teamoverleg/groepsbesprekingen, meer extra tijd per doelgroeppeuter en ouder(s), extra coaching en overleg met het basisonderwijs. Daarom is er de mogelijkheid om voor locaties met meer dan 40% doelgroeppeuters (min. 15 doelgroeppeuters), de groepsgrootte terug te brengen of extra ‘handen op de groep’ te faciliteren. We verwachten dat hierdoor de opbrengst van het educatieve programma beter tot zijn recht komt. 4.2 Voorwaarden: • In het pedagogisch beleidsplan (onderdeel subsidieaanvraag) wordt beschreven hoe de subsidie ingezet wordt. • En hoe de inzet van deze subsidie zich verhoudt met de inzet van de pedagogisch beleidsmedewerker/coach. 4.3 Verantwoording: Op locatieniveau vindt verantwoording op inzet plaats. Ook achteraf wordt dit verwoord in de inhoudelijke en financiële toelichting over de inzet van de aangevraagde subsidie(s).

5. Beleidsplan

5.1 Doel: De resultaten van de kinderen met een VVE indicatie worden geregistreerd en gerapporteerd volgens de

onderwijskansen

afspraken beschreven in het beleidsplan onderwijskansen gemeente Barneveld hoofdstuk 3.6. 5.2 Voorwaarden: De aanbieder levert concrete gegevens aan zodat de gemeente kan nagaan in hoeverre gewenste resultaten worden bereikt. De resultaten worden gemeten op drie onderdelen: a. basiskenmerken en sociaal emotionele ontwikkeling b. spraak-/ taalontwikkeling, de ontluikende geletterdheid. c. rekenontwikkeling, de ontluikende gecijferdheid.

6. Plusje (extra opslag)

6.1 Doel: extra opslag voor voorbereidings- en evaluatietijd en uitvoering aan de gemeente gehanteerde

peuteropvang

kwaliteitseisen boven op de wettelijke minimumeisen. 6.2 Voorwaarden:

21

De voorschoolse instelling legt in het pedagogisch werkplan vast op welke wijze door pedagogisch medewerkers invulling wordt gegeven aan de voorbereidings- en evaluatietijd, oudercontactmomenten en overleg momenten.

7. Inzet extra uren PM-

7.1 Doel: Ook kinderen met een extra ondersteuningsbehoefte kunnen gebruik maken van de voorschoolse

er

voorzieningen. Als er extra ondersteuning nodig is om een kind of groep (tijdelijk) te begeleiden, de ontwikkeling te bevorderen of de veiligheid te borgen kan een extra pedagogisch medewerker (PM-er) worden ingezet. 7.2 Voorwaarden: • De aanbieder gaat akkoord met de afspraken zoals beschreven in de handreiking interne en externe zorgstructuur. Dit betekent dat er voor een aanvraag afstemming nodig is met de Coach on the job. • Indien men gebruik heeft gemaakt van de subsidie voor inzet van extra uren PM-er wordt dit opgenomen in de inhoudelijke en financiële toelichting over de inzet van de aangevraagde subsidie(s). Ook wordt daarin opgenomen hoe de aanvraag zich heeft verhouden met de inzet van de PBM’er.

8. Kleine kern

8.1 Doel: peuteropvang ook in kleine kernen toegankelijk 8.2 Voorwaarden: • Er is sprake van een groep als er in een kalenderjaar gemiddeld 6 kinderen gebruik maken van de peuteropvang. • Er is maar 1 aanbieder van peuteropvang in een dorpskern. • De hoogte van de aanvullende subsidie is maximaal de aanvulling die nodig is tot het vastgestelde exploitatiemodel.

22

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Barneveld&id=59ee7c16-4e1f-42b5-8283-fc9580aa8300