CConstaterende datBarneveld
Koppel je AI →
Document · PDF

Apeldoornsestraat e.a._Toelichting_Bijlage 14 Heetweg - Quickscan

Gemeenteraad 17 april 2024, gemeente BarneveldBij agendapunt: Bestemmingsplan Apeldoornsestraat en afwaarderingslocaties, partiële herziening Buitengebied 2012” (in Voorthuizen, Kootwijk en Kootwijkerbroek)7.599 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

VERKENNEND ONDERZOEK NAAR BESCHERMDE FLORA EN FAUNA HEETWEG 8-01 EN 8-02 TE KOOTWIJK

Gertjan Cozijnsen De haarstraat 1 3861 VE Nijkerk Kvk:85564753 Btw-id: NL004115333B71 Iban: NL61RABO0189385928 Tel: 0642926885 Email: info@cozijnsenflorafaunaadvies.nl

Oriënterend onderzoek ecologie in het kader van de Wet natuurbescherming

A

Te slopen: A Bron: www.perceelloep.nl

Opdrachtgever: Contactpersoon: Kenmerk rapport: Datum veldbezoek: Datum rapport: Versie Auteur

Midden Nederland Makelaars B.V. Dhr. E. Top 23VC119 3 oktober 2023 9 oktober 2023 1.0 Gertjan Cozijnsen

Heetweg 8-01 en 8-02 te Kootwijk

1

Inhoudsopgave 1.INLEIDING 1.1 AANLEIDING EN DOEL 1.2 OMSCHRIJVING GEBIED

3 3 4

2.OMSCHRIJVING PERCEEL 2.1 ALGEMEEN 2.2 BESCHRIJVING

5 5 5

3. ONDERZOEKSMETHODE 3.1 OPZET 3.2 BRONNENONDERZOEK 3.3 VELDBEZOEK

6 6 6 6

4.NATUURWETGEVING EN BELEID 4.1 WET NATUURBESCHERMING 4.2 ZORGPLICHT EN VERBODSBEPALINGEN

7 7 7

5.DE ACTIVITEITEN 5.1 INGREPEN

9 9

6. HOUTOPSTANDENBESCHERMING 6.1 BESCHERMING VAN HOUTOPSTANDEN 6.2 EFFECTENBEOORDELING HOUTOPSTANDENBESCHERMING

9 9 9

7. SOORTENBESCHERMING 7.1 BESCHERMING VAN SOORTEN 7.2 VERWACHTING/BUREAU ONDERZOEK 7.3 FLORA 7.4 GRONDGEBONDEN ZOOGDIEREN 7.5 VLEERMUIZEN 7.6 VOGELS 7.7 AMFIBIEËN EN REPTIELEN 7.8 VISSEN 7.9 INSECTEN, LIBELLEN EN ONGEWERVELDEN 7.10 EFFECTENBEOORDELING SOORTENBESCHERMING

10 10 10 11 11 13 16 17 17 18 18

8 GEBIEDENBESCHERMING 8.1 BESCHERMING VAN NATURA 2000 GEBIEDEN 8.2 NNN EN OVERIGE NATUURGEBIEDEN 8.3 EFFECTENBEOORDELING GEBIEDENBESCHERMING

20 20 22 23

9.CONCLUSIE EN ADVIES 9.1 CONCLUSIE 9.2 ADVIES

24 24 25

10.BRONNEN BIJLAGE 1 FOTO OVERZICHT BIJLAGE 2 OVERZICHTSTEKENING BIJLAGE 3 REGISTRATIEFORMULIE FLORA FAUNA INVATARISATIE BIJLAGE 4 TOELICHTING REGISTRATIEFORMULIER

26 27 28 29 31

Heetweg 8-01 en 8-02 te Kootwijk

2

1.Inleiding 1.1 Aanleiding en doel In opdracht van Midden Nederland Makelaars B.V. heeft Cozijnsen Flora Fauna Advies een QuickScan uitgevoerd aan de Heetweg 8-01 en 8-02 te Kootwijk, in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb). De aanleiding voor dit verzoek is een bestemmingswijziging waarbij er één schuur (figuur 1.1:A) zal worden gesloopt. De overige bebouwing op het perceel blijft gehandhaafd. Deze QuickScan zoomt in op de (mogelijke) effecten door de activiteiten en op welke wijze gehandeld kan worden. Mochten de voorgenomen plannen gewijzigd worden dient voorliggend onderzoek te worden geactualiseerd. De resultaten in deze QuickScan zijn drie jaar geldig, mits binnen deze periode de omstandigheden op de planlocatie, de wetgeving en de provinciale verordening niet wezenlijk veranderen. Het doel van dit onderzoek is door middel van een oriënterend bronnenonderzoek en veldbezoek te onderzoeken of de voorgenomen ontwikkelingen kunnen leiden tot overtredingen van de wet natuur bescherming (Wnb).

Figuur 1.1: Bewerkte tekening van de bestaande opstallen.

Heetweg 8-01 en 8-02 te Kootwijk

3

1.2 Omschrijving gebied Het perceel bevindt zich aan de Heetweg 8-01 en 8-02 in Kootwijk, gemeente Barneveld, in de provincie Gelderland. Ten noorden van het perceel is het dorp Kootwijk gelegen, ten zuiden het Kootwijkerzand. Ten oosten op ca. 5km afstand is Radio Kootwijk gelegen. Kootwijk is gelegen midden in de bossen, op de westflank van de Veluwe en heeft een belangrijke toeristische functie. In Kootwijk zijn opgravingen gedaan uit de vroege middeleeuwen echter is het niet duidelijk of dat toen een tijdelijke bewoning is geweest. De naam Kootwijk staat voor (‘kot, kleine boerderij’) en (‘wijk, vestigingsplaats’).

1975

2022 Bron: www.topotijdreis.nl

Heetweg 8-01 en 8-02 te Kootwijk

4

2.Omschrijving perceel 2.1 Algemeen Het plangebied is gelegen aan de Heetweg 8-01 – 8-02 te Kootwijk in de gemeente Barneveld, provincie Gelderland. Op het perceel zijn een woning en diverse opstallen aanwezig, de initiatiefnemer is voornemens één schuur te gaan slopen. De bestaande woning en overig opstallen (B t/m D) blijven hierbij behouden. Hier vinden geen werkzaamheden plaats. Tijdens ons bezoek is de schuur en het omliggend gebied beoordeelt om de invloedsfeer van de werkzaamheden buiten de daadwerkelijk planlocatie te kunnen beoordelen.

Figuur 2.1: De schuur (A - rood gearceerd) zal gesloopt worden met de voorgenomen plannen. Regionale ligging kaartinzet rechts. Bron: PDOK Viewer.

2.2 Beschrijving De locatie aan de Heetweg bestaat uit een woning en omliggende tuin. Achter de woning zijn nog twee opstallen aanwezig. Hier bestaat het omliggend gebied uit straatverharding en gazongras, dit wordt intensief onderhouden. De te slopen schuur bevindt zich op ruime afstand van de voorgenoemde bebouwing. Het gebied rond deze schuur bestaat uit gazon welke onderhouden wordt. Er is in de directe omgeving van de schuur geen opgaand groen aanwezig. De schuur is deels in gebruik als dierenverblijf. Dit gedeelte heeft gemetselde gevels, de nok is betimmerd met damwandplaat en er is geen spouw of binnenbetimmering aanwezig. Het overige deel wordt gebruikt als opslagruimte. Hier zijn de gevels gebouwd op een laag metselwerk met daarop wandbeplating. Ook hier is geen spouw of binnenbetimmering aanwezig. Het dakvlak van de gehele schuur is gebouwd op een houtconstructie met daarop golfplaat zonder dakbeschot. Aan de westzijde van de schuur is een lage overkapping van een houtconstructie gebouwd dit heeft een dak van blikplaat. Voor een verdere beschrijving van de te slopen bebouwing verwijzen we u naar de foto bijlage hier zijn een aantal detail foto’s in opgenomen.

Heetweg 8-01 en 8-02 te Kootwijk

5

3.Onderzoeksmethode 3.1 Opzet In dit verkennend onderzoek is de locatie onderzocht op de aanwezigheid van beschermde plantsoorten en diersoorten. Voordat de locatie bezocht werd, heeft er eerst een bronnenonderzoek plaatsgevonden, daarbij wordt onder andere rekening gehouden met aanwezigheid van waargenomen beschermde soorten in de afgelopen 3 jaar binnen een afstand van 5 km van het plangebied.

3.2 Bronnenonderzoek Voorafgaande aan het veldonderzoek is doormiddel van beschikbare literatuur, online raadpleegbare websites met verspreidingsgegevens(o.a., NDFF, RAVON, SOVON, Vlinderstichting, Zoogdiervereniging, FLORON, telmee.nl) een goed beeld verkregen van de (potentieel) te verwachten beschermde soorten in of nabij het plangebied. Deze kennis is vervolgens meegenomen tijdens het veldonderzoek.

3.3 Veldbezoek De locatie is op 3 oktober 2023 in de middag bezocht. Tijdens het onderzoek is de omgeving en de locatie onderzocht op mogelijke soorten en/of sporen. Tijdens het onderzoek was het droog de tempratuur was circa 20°C. Tijdens het veldbezoek is zoveel mogelijk concrete informatie verzameld met betrekking tot de aanwezigheid van beschermde soorten. Waarnemingen (zicht en geluid) en sporenonderzoek naar de aanwezigheid van pootafdrukken, graafsporen, holen, nesten, uitwerpselen, haren, beschermde plantsoorten e.d.. Het veldbezoek wordt met de grootst mogelijke zorg uitgevoerd, echter is het niet per definitie uit te sluiten dat er bepaalde soorten voorkomen die niet in dit rapport genoemd zijn. Het veldbezoek is uitgevoerd door Gertjan Cozijnsen gecertificeerd Flora-Faunacontroleur, actief vrijwilliger bij de Zoogdiervereniging (Vleermuiswerkgroep Leusden), ruime ervaring in faunabeheer en natuurlijk landschap onderhoud en inrichting. Tijdens het onderzoek was een verrekijker, warmtebeeld, holtecamera en een zaklamp voorhanden.

Heetweg 8-01 en 8-02 te Kootwijk

6

4.Natuurwetgeving en beleid 4.1 Wet natuurbescherming Doelstelling van de Wet natuurbescherming in het kader van soortbescherming is het beschermen en ontwikkelen van natuur, mede vanwege de intrinsieke waarden, en het behouden en herstellen van biologische diversiteit. Het uitgangspunt van de wet is ‘nee, tenzij’. Dit betekent dat activiteiten met een schadelijk effect op beschermde soorten in principe verboden zijn. Van het verbod op schadelijke handelingen (‘nee’) kan onder voorwaarden (‘tenzij’) worden afgeweken, met een ontheffing of vrijstelling. Het verlenen hiervan valt onder de bevoegdheid van de provincie. Daarnaast erkent de wet dat ook dieren en planten die geen direct nut opleveren voor de mens van onvervangbare waarde zijn; de erkenning van de intrinsieke waarde van het in het wild levende dier of plant. Deze erkenning is terug te vinden in de zorgplicht.

4.2 zorgplicht en verbodsbepalingen De zorgplicht houdt in dat een ieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende planten en dieren, alsmede voor hun directe leefomgeving. In de Wet natuurbescherming bestaat uit een drietal hoofdstukken waarin de volgende zaken worden beschermd: • • •

Houtopstandenbescherming Soortenbescherming Gebiedenbescherming (Natura 2000)

In de wet spreekt men van ‘algemene zorgplicht’. Daarnaast bevat de wet een aantal verbodsbepalingen. Alleen de meest relevante verbodsbepalingen worden hieronder genoemd. Artikel 2 de zorgplicht: De Zorgplicht houdt in dat je schade aan Natura 2000-gebieden en in het wild levende planten en dieren, alsmede hun directe leefomgeving probeert te; a. Voorkomen b. Beperken c. Ongedaan maken. Verboden soortbescherming: In de wet natuurbescherming wordt onderscheid gemaakt tussen soorten welke onder het beschermingsregime van de Europese soorten: Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn en de Nationale soorten: overige beschermde soorten vallen. Hiervoor gelden de volgende verboden:

Heetweg 8-01 en 8-02 te Kootwijk

7

Om aantoonbaar invulling te geven aan de zorgplicht moet er aantoonbaar zorgvuldig gehandeld worden. Dit kan: • •

Praktisch: voorkomen/beperken overtreden van de verbodsbepalingen. Juridisch: Inzet van het juiste instrument voor werkzaamheden op locaties met beschermde soorten (zie bijlage 3: Beschermde soorten van Ministerie van LNV)

De instrumenten zijn: •

Vrijstelling: o Provinciale vrijstelling van de verbodsbepalingen: Slechts de zorgplicht van toepassing. Geldt voor bepaalde soorten. Bron: provinciale verordening. • Gedragscode: o Een specifieke vrijstelling voor het uitvoeren van beheer en/of ruimtelijke ontwikkeling, opgesteld door de branche/sector en goedgekeurd door de rijksoverheid en provincie. • Ontheffing: o (specifieke of gebiedsgerichte) ontheffing van de verbodsbepalingen o.b.v. aanvraag door initiatiefnemer/gebruiker en voorschriften van provincie • Omgevingsvergunning: (specifieke of gebiedsgerichte) ontheffing van de verbodsbepalingen o.b.v. aanvraag door initiatiefnemer/gebruiker en voorschriften van provincie.

Heetweg 8-01 en 8-02 te Kootwijk

8

5.De Activiteiten 5.1 Ingrepen De ingrepen zijn permanent van karakter en betreffen: *Saneren van eventueel aanwezige asbesthoudende materialen. *Slopen en afvoeren van schuur (A). *Afvullen ontstane bouwput met grond. *Netjes afwerken en inrichten van het terrein. Na de sloop van schuur (A), inclusief de verkoop van de verkoopmeters daarvan, zal de functie ‘specifieke vorm van wonen-agrarische nevenactiviteit’ gewijzigd worden naar enkel de woonfunctie.

6.Houtopstandenbescherming 6.1 Bescherming van houtopstanden Het is verboden houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, zonder voorafgaande melding bij de provincie. Een houtopstand is hierbij gedefinieerd als een eenheid van bomen of struiken met een oppervlakte van ten minste 1.000 vierkante meter of een rijbeplanting die meer dan 20 bomen omvat. De wet schrijft verder voor dat wanneer een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, de grond binnen drie jaar moet worden herbeplant. Bovenstaande bescherming geldt niet voor alle houtopstanden. De regels zijn onder meer niet van toepassing op houtopstanden op erven of in tuinen en op houtopstanden binnen de, bij besluit van de gemeenteraad, vastgelegde grenzen van de bebouwde kom. Ook voor het dunnen van een houtopstand gelden de regels niet. Indien een of meerder bomen binnen de bebouwde kom worden geveld, is de gemeente het bevoegd gezag. In de meeste gevallen zal er dan een omgevingsvergunning aangevraagd moeten worden. Dit is na te gaan op de gemeentelijke website.

6.2 Effectenbeoordeling Houtopstandenbescherming Er zijn vooralsnog geen plannen voor de kap van bomen. Wel zal er zorgvuldig omgegaan moeten worden met de te behouden bomen welke in het plangebied aanwezig zijn. Dit door buiten de invloedsfeer van de bomen te werken, hetgeen haalbaar moet zijn.

Heetweg 8-01 en 8-02 te Kootwijk

9

7.Soortenbescherming 7.1 Bescherming van soorten Bij het onderdeel soortenbescherming is het uitgangspunt dat er geen schade mag worden toegebracht aan beschermde dieren of planten. De wet kent een drietal beschermingsregimes; beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn, beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn en beschermingsregime “andere soorten”. Elk beschermingsregime heeft zijn eigen verbodsbepalingen. Voor ieder ruimtelijk plan of ruimtelijke ontwikkeling is het verplicht om te toetsen of deze kan leiden tot overtreding van de betreffende verbodsbepalingen. Wanneer sprake is of kan zijn van een overtreding, dan dient er onderzocht te worden of een vrijstelling geldt. Indien er geen vrijstelling geldt, kan het aanvragen van een ontheffing noodzakelijk zijn.

7.2 Verwachting/bureau onderzoek Op basis van het bureau onderzoek wordt onderzocht welke soorten er op de planlocatie en de directe omgeving voor kunnen komen en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ruimtelijke ingreep. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten geldt een vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. In de voorliggend onderzoek is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt. Op basis van bronnenonderzoek, omgeving, bouwstijl en gebruikte bouwmaterialen, aard, omvang en gebruik van het onderzoeksgebied, dan lijkt het onwaarschijnlijk dat er beschermde soorten worden aangetroffen uit tabel 1: 1. Niet te verwachten soortgroepen Vissen Vaatplanten Libellen Reptielen Kevers

Mogelijk aanwezige soortgroepen Vogels Grondgebonden zoogdieren Amfibieën vleermuizen

Heetweg 8-01 en 8-02 te Kootwijk

10

7.3 Flora Uit literatuurgegevens en studies (bron:NDFF) is bekend dat een aantal soorten in de omgeving voor komen zoals: denneorchis, kartuizer anjer, kleine schorseneer en wilde averuit (in een straal van 15km). Dennenorchis komt voor in voedselarme, iets vochtige dennenbossen. Vooral in dennenbossen met een slecht ontwikkelde struiklaag komt de soort voor. Vaak kenmerkt de vegetatie zich door een dikke moslaag. De kartuizer anjer staat op zonnige, warme en droge, matig voedselarme en uitgesproken stikstofarme, basenrijke en vaak kalkhoudende grond (al of niet lemig zand en mergel) en ook op stenige plaatsen). Ze groeit in schrale- en kalkgraslanden, in bossages langs bermen en dijken en op leisteenhellingen en zandsteenrotsen. Kleine schorseneer is een langlevende voorzomerbloeier met een raapvormige wortelstok. In Nederland is ze een typische bewoner van heischrale graslanden en droge heiden op leemarme of zwak lemige bodems met keileem in de ondergrond. Op de Veluwe komen alleen in het Nationaal Park De Hoge Veluwe en in de omgeving van Radio Kootwijk/Asselsche Heide nog populaties van enige omvang voor. Wilde averuit is een plant van zonnige, droge, grazige maar niet te dicht begroeide plaatsen op kalkhoudend, humusarm zand. Het plangebied bestaat volledig uit grasmengsel en wordt gemaaid en begraasd.

Daardoor is het voorkomen van bovengenoemde beschermde planten uitgesloten op de planlocatie. Er zijn geen muren met (beschermde) muurvegetatie aanwezig. De beoogde ingreep leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot het habitat van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Daarnaast zijn beschermde planten niet aangetroffen gedurende het veldbezoek. Hiermee kan worden uitgesloten dat er sprake is van het opzettelijk vernielen van beschermde planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied. Soortenbescherming Flora

Effecten Wnb Geen overtreding

Vervolgstappen N.v.t.

7.4 Grondgebonden zoogdieren Uit literatuurgegevens en studies (bron:NDFF) is bekend dat een aantal soorten in de omgeving voor komen zoals: boommarter, bosmuis, das, eekhoorn, egel, haas, steenmarter, rosse woelmuis, vos , ree, wildzwijn en edelhert (in een straal van 0-1km). Verder bunzing, wezel, veldmuis, aardmuis en konijn (1-5km). De das leeft in allerlei soorten biotopen, met een voorkeur voor kleinschalig akker- en weidelandschap met verspreide bosjes, heggen en houtwallen. Maar ook open terreinen, zoals vochtige heiden en rivierdalen zijn geschikte leefgebieden. Zelfs in afgravingen en onder gebouwen worden soms verblijfplaatsen van de das aangetroffen. Het leefgebied van de das moet voldoen aan voldoende dekking, weinig verstoring en een groot voedselaanbod.

Heetweg 8-01 en 8-02 te Kootwijk

11

Wezels leven vooral in kleinschalige en structuurrijke landschappen met veel natuurlijke elementen en overgangen. Er is een duidelijke binding met vochtig-natte terreinen en oppervlaktewater. Een bunzing maakt zijn schuilplaats in oude holen van bijvoorbeeld konijn, mol, vos en das. Maar ook onder steenhopen, houtmijten, in holle bomen of onder boomwortels. Hij bekleedt zijn hol met gras en mos. In de winter maakt de bunzing zijn schuilplaats op warmere plaatsen, zoals onder stro- en hooibalen bij boerderijen. De steenmarter heeft binnen zijn leefgebied soms wel tientallen schuilplaatsen, die hij echter niet allemaal even frequent gebruikt. Dit kunnen bijvoorbeeld boomholtes, takkenhopen, dichte struwelen, zolders of kruipruimtes zijn. Maar ook spouwmuren of ruimten onder de dakbedekkingen. De boommarter is een uitgesproken bosbewoner onder de marterachtigen en komt voor in grote, structuurrijke bossen - zowel naald-, loof- als gemengd bos – vormen zijn typisch biotoop. De egel leeft in bijna alle landschappen. In sommige gebieden zijn ze echter algemener dan in andere. Tuinen, bosranden, struweel en loofbos, liefst met ondergroei, zijn goede leefgebieden. Egels komen ook in steden voor, zolang er maar groen en schuilplaatsen aanwezig zijn (Zoogdiervereniging egel 2023).

De rode eekhoorn leeft in loofbos, naaldbos of gemengd bos maar ook in tuinen, parken en houtwallen in de buurt van bos (Zoogdiervereniging eekhoorn, 2022). Een steenmarter heeft binnen zijn territorium verscheidene verblijfplaatsen. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen, zoals uitwerpselen of prooiresten, aangetroffen die duiden op het gebruik van de onderzoekslocatie als vaste rust- of verblijfplaats door deze soort. Bij intensief gebruik van een locatie door deze soort zijn dergelijke sporen vrij eenvoudig aan te treffen. Van de wezel, bunzing en egel zijn geen verblijfplaatsen in het plangebied aanwezig. Structuurrijke vegetaties, bloemrijke graslanden, takkenrillen, holen, struwelen en vermolmde boomstobben zijn in het plangebied afwezig. Het plangebied herbergt geen geschikte vaste rust- en verblijfplaatsen (zoals grondholen) voor das. Het plangebied is omheind, verhardt en bebouwd en maakt geen deel uit van essentieel functioneel leefgebied voor das. Bomen met holten en grote boomnesten zijn afwezig, waardoor aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen van boommarter en eekhoorn is uitgesloten.

Van de strikt beschermde soorten zoals de das, boommarter, bunzing, eekhoorn en wezel vind er als gevolg van de voorgenomen ingreep geen aantasting van het functioneel leefgebied van deze soorten plaats doordat de ingreep zal plaatsvinden in een gebied wat reeds bebouwd, verhard is en het voor deze soorten ontbreekt aan geschikt leefgebied vanwege de eisen die deze zoogdieren stellen aan hun leefgebied. In de omgeving van de onderzoekslocatie zijn waarnemingen bekend van algemeen beschermde soorten waar een vrijstelling voor geldt zoals ree, egel, haas, konijn, en vos. voor deze soorten geldt de algemene zorgplicht. De zorgplicht houdt in dat negatieve effecten op de aanwezige flora en fauna in alle gevallen tot het minimale worden beperkt, ook als er een vrijstelling is voor bepaalde soorten. Soortenbescherming Grondgebonden zoogdieren

Effecten Wnb Mogelijke overtreding

Vervolgstappen Algemene soorten / Zorgplicht

Heetweg 8-01 en 8-02 te Kootwijk

12

7.5 Vleermuizen Uit literatuurgegevens en studies (bron:NDFF) is bekend dat een aantal soorten in de omgeving voor komen zoals : gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, meervleermuis, rosse vleermuis en gewone grootoorvleermuis (in een straal van 0-5 km). Onderzoek: Tijdens een veldbezoek worden bomen en eventueel aanwezige bebouwing onderzocht op mogelijkheden voor potentiële verblijfplaatsen voor vleermuizen, daarbij wordt er gelet op eventuele openingen die geschikt kunnen zijn en gebruikt bouwmateriaal, eventuele aangetroffen sporen van vleermuizen, eventuele verlichting rondom het pand etc. Ons onderzoek is gebaseerd op het vleermuisprotocol 2021, verschillende literatuur van onder andere Drs H.J.G.A. Limpens en eigen ervaring met vleermuisonderzoek. De locatie was goed te beoordelen als hulpmiddel is een warmtebeeldcamera en verrekijker gebruikt met 8x42 vergroting. Verblijfplaatsen: Vleermuizen zitten overdag vooral op beschutte donkere plekken, zoals in de spouw of onder de dakbedekking. Ook achter betimmering van daken of in dubbelwandige schoorstenen vinden vleermuizen soms een geschikt onderkomen. De temperatuur in het verblijf is van groot belang voor de groei en ontwikkeling van de jongen. Afhankelijk van de buitentemperatuur zoeken vleermuizen warme, heel warme of juist iets koelere plekken op.

Vleermuizen kiezen dan ook het liefst gebouwen met een spouwruimte uit, waarbinnen ze de ruimten met verschillende temperaturen kunnen gebruiken.

Herkennen verblijfplaatsen aan de hand van sporen: Er zijn twee soorten sporen die kunnen worden onderscheiden: uitwerpselen, veeg en vetsporen. Sporen van vleermuizen worden gevonden aan de buitenschil van objecten (bijvoorbeeld op gevels, raamkozijnen, lekdorpels, zonneschermen, en boomschors) en aan de binnenzijde van objecten (open ruimtes die vleermuizen gebruiken om te verblijven). Vet en veeg sporen worden gevonden op oppervlaktes waar vleermuizen regelmatig en veelvuldig langs bewegen en schuren. Naast sporen die duiden op aanwezigheid, wordt er ook gezocht naar sporen die duiden op afwezigheid van vleermuizen. Vleermuizen maken alleen gebruik van vrije invliegopeningen en het gebruik van een in vliegopening door vleermuizen houdt de invliegopening ook relatief vrij en schoon (op sporen van aanwezigheid na). Openingen die gevuld zijn met stof spinrag worden niet gebruikt door vleermuizen. Daarnaast zijn vleermuizen relatief schone dieren, ze gaan niet tussen vuil zitten. Wanner een ruimte te stoffig is, te tochtig is, te veel spinrag bevat en/of te gevuld is met rommel, mestgeur (ammoniak) dan wordt een ruimte ongeschikt om als verblijfplaats te gebruiken.

Wanneer er geen sporen van aanwezigheid worden aangetroffen in of op een object, dan kan de aanwezigheid van stof, tocht, spinrag, rommel en mestgeur een bevestiging zijn voor de afwezigheid van vleermuizen in een object. Om een verblijfplaats van vleermuizen vast te stellen op basis van sporen is het niet noodzakelijk de gehele ruimte op de cm te controleren op de aanwezigheid van sporen. Sporen van vleermuizen zijn altijd te vinden binnen 1.tot 1,5 m van een invliegopening, zowel aan de binnenkant als buitenkant van een verblijfplaats. Daarbij wordt er tijdens het veldbezoek altijd gelet op een combinatie van factoren en op de bouwkundige aspecten. Wanneer tijdens het sporenonderzoek blijkt dat er potentieel geschikte verblijfplaatsen aanwezig zijn die niet zijn te overzien wordt er aanvullend onderzoek geadviseerd.

Heetweg 8-01 en 8-02 te Kootwijk

13

Verblijfplaatsen Er is in het plangebied gezocht naar vleermuizen en naar potentiële rust- verblijfplaatsen van vleermuizen. Het plangebied is bezocht op een moment op de dag dat vleermuizen niet foerageren en geen lijnvormige landschapselementen benutten als vliegroute. De mogelijke betekenis van het plangebied als foerageergebied en vliegroute voor vleermuizen is bepaald op basis van een visuele beoordeling van de landschappelijke karakteristieken van het plangebied. De te slopen bebouwing is nauwkeurig geïnspecteerd op de aan- dan wel afwezigheid van potentiële verblijfplaatsen en geschikte invliegopeningen. De gevels en het dakvlak is gecontroleerd op eventuele openingen als open stootvoegen, kierende daklijsten, ontbrekende specie en overige gevelafwerkingen die vleermuizen toegang kunnen verlenen tot een spouwmuur of het gebouw. Vleermuisverblijfplaatsen in bebouwing kunnen aangetroffen worden onder daken en tussen dakbeschot. De te slopen bebouwing in het plangebied heeft geen dakbeschot bovendien wordt golfplaatdakbedekking vrijwel nooit door vleermuizen gebruikt doordat er onder dit soort daken grote temperatuurverschillen kunnen ontstaan is het klimaat er erg onstabiel.

De schuur is vanwege de bouwstijl geen spouw, golfplaat dak zonder dakbeschot, de constructie en de afwezigheid van geschikte openingen, ongeschikt als verblijfplaats voor gebouwbewonende vleermuissoorten. De schuur was aan de binnenzijde goed te beoordelen door de afwezigheid van betimmering en spouwruimte , daardoor zouden eventuele aanwezige soorten direct opgemerkt worden. Daarnaast zijn er ook geen sporen van vleermuizen die duiden op aanwezigheid aangetroffen. Wegens het ontbreken van gevels met een spouw, holtes en kieren is het voor vleermuizen onmogelijk om in de bebouwing een geschikte verblijfplaats te vinden. Door het ontbreken van potentiële verblijfplaatsen ,donkere schuilplaatsen met een voldoende stabiel klimaat en het niet vinden aantreffen van soorten en/of sporen zijn negatieve effecten door de sloop van de bebouwing uit te sluiten (zie ook ter onderbouwing hiervoor de details in de fotobijlage).

Verblijfplaatsen buiten het plangebied Het is door de onderlinge afstand tot de bebouwing in de omgeving niet aannemelijk dat er in de directe invloedssfeer van de onderzoekslocatie potentiële verblijfplaatsen aanwezig zijn die negatieve invloed kunnen ondervinden van de werkzaamheden.

Bomen Er zijn geen bomen aanwezig op de onderzochte locatie die potentieel geschikt zijn als vaste rust en verblijfplaats daarmee zijn boombewonende vleermuizen uit te sluiten.

Foeragerende vleermuizen Op basis van een beoordeling van de inrichting en het beheer, wordt het plangebied als een beperkt geschikt foerageergebied voor vleermuizen beschouwd. Vermoedelijk foerageren soorten als, gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis in de omgeving van het perceel en vliegen ze over het plangebied terwijl ze foerageren. Gelet op de omgeving en de inrichting van het perceel, wordt het daadwerkelijke plangebied niet als essentieel foerageergebied voor vleermuizen beschouwd. Als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied naar verwachting niet af.

Heetweg 8-01 en 8-02 te Kootwijk

14

Vliegroutes Vleermuissoorten gebruiken lijnvormige elementen als oriëntatie punten tijdens het foerageren en om van verblijfplaats naar foerageergebied te vliegen (en van foerageergebied naar verblijfplaats). Lijnvormige elementen die benut worden als vliegroute kunnen bestaan uit houtopstanden en wateren, maar ook lantarenpalen en gevels van gebouwen. De bebouwing vormt geen schakel in een lijnvormig element en maakt daarom geen onderdeel uit van een vliegroute van vleermuizen. Soortenbescherming Vleermuizen

Effecten Wnb Geen overtreding

Vervolgstappen N.v.t.

Kader-Vleermuisverblijfplaatsen Onder de vleermuizen zijn gebouw bewonende en/of boom bewonende soorten aanwezig. Gewone dwergvleermuis en laatvlieger zijn hoofdzakelijk gebouw bewonend. Watervleermuis is voornamelijk boom bewonende en gewone grootoorvleermuis en ruige dwergvleermuis bewonen zowel bomen als gebouwen. Voorbeelden van verblijfplaatsen in gebouwen zijn ruimtes in spouwmuren en achter boeiboorden en gevelbetimmering. Holten en spleten in bomen en ruimtes achter loszittend schors zijn voorbeelden van verblijfplaatsen in bomen. Vanuit de verschillende functies van de verblijfplaats worden weer andere eisen gesteld aan bijvoorbeeld het klimaat, de toegankelijkheid en de stand van het verblijf ten opzichte van de zon. Als kraamverblijfplaats worden meestal gebouwen en/of bomen uitgekozen waarbinnen een constant verblijfklimaat heerst. Bij gebouwen zijn dit voornamelijk woningen met een spouwmuur of geïsoleerd dak. Sommige vleermuizen hebben aan een opening van 1-2,5cm voldoende om naar binnen te kruipen. Bij bomen gaat het meestal om dikke, oude bomen met een dikke restwand.

Kader- Foerageergebieden en vliegroutes Foerageergebieden en vliegroutes van vleermuizen zijn beschermd indien bij het verdwijnen ook een verblijfplaats ongeschikt wordt. Bijvoorbeeld door het onderbreken van een vliegroute wordt een foerageergebied onbereikbaar, waardoor de vleermuizen onvoldoende voedsel kunnen vinden. Bij het verdwijnen van foerageergebieden of vliegroutes wordt daarom onderzocht of er voldoende alternatieven zijn. Vleermuizen maken gebruik van lijnvormige landschapselementen zoals bomenrijen en singels om zich langs te verplaatsen. Een aaneengesloten kronendak heeft hierbij de voorkeur. Van vleermuizen is bekend dat onderbrekingen in de lijnstructuur maximaal 100 tot 200 meter mogen bedragen (kleinere en langzaam vliegende soorten 50 meter). Wanneer de onderbrekingen groter zijn dan deze afstand kunnen sommige soorten deze afstand niet overbruggen en zullen ze afwijken naar alternatieve vliegroutes en foerageergebieden.

Heetweg 8-01 en 8-02 te Kootwijk

15

7.6 Vogels Uit literatuurgegevens en studies (bron:NDFF) is bekend dat een aantal soorten in de omgeving voor kunnen komen zoals: boerenzwaluw, gierzwaluw, huiszwaluw, oeverzwaluw, zwarte roodstaart, huismus, spreeuw boomkruiper, buizerd, havik, sperwer, kerkuil, ransuil en steenuil deze komen voor in een straal van (0-5 km). Steenuilen foerageren gemiddeld tot op een afstand van 300 meter van de nestlocatie (BIJ12 2017). Dit gebied wordt ook actief verdedigd tegen andere territoriumhouders. De steenuil zoekt voedsel op plaatsen waar lange en korte vegetatie elkaar afwisselen, zoals schapen en paardenweitjes, erven, moestuinen en tuinen. De kerkuil is een standvogel. Na vestiging blijven ze in de meeste gevallen hun hele leven in hetzelfde gebied. De soort komt voor in cultuurland met gras- en bouwlanden die begrensd worden door kruidenrijke akkerlanden, heggen, bosjes of houtwallen. Kerkuilen nestelen met voorkeur in hoge, donkere tochtvrije delen van boerenschuren, kerken, torens en kastelen of in geplaatste nestkasten. Binnen het territorium zijn een aantal vaste plekken die worden gebruikt als nest- of rustplaats. De functionele leefomgeving van een nest moet het hele jaar voldoende voedsel leveren en is daarom van groot belang. Naast foerageergebied en nestlocatie zijn zit- en uitkijkposten binnen het functioneel leefgebied ook van belang (Kennisdocument Kerkuil).

Huismussen zijn sterk geassocieerd met mensen. De nestplaats is in de regel gebonden aan bebouwing. Voor zijn voedsel is de huismus sterk afhankelijk van wat de mens hem al dan niet bewust biedt. Deze voedselbron moet continu aanwezig zijn. De huismus heeft een sterke binding met mensen en komt tot broeden in of tegen gebouwen in dorpen en steden, in en bij boerderijen, maneges, kinderboerderijen en andere vormen van bebouwing in het landelijk gebied. Op plekken waar menselijke bebouwing wordt afgewisseld met groenvoorzieningen zijn meer huismussen dan op plekken waar geen groen aanwezig is (BIJ12 kennisdocument Huismus, 2023). De te slopen schuur heeft een golfplaat dak. Hieronder is geen dakruimte aanwezig. Er zijn evenmin andere ruimtes aanwezig die geschikt zijn als potentiële nestlocaties voor soorten als de huismus en gierzwaluw. De huismus is niet waargenomen op het perceel, en er worden geen groenstructuren aangetast de geschikt zijn voor de huismus. De gierzwaluw is een koloniebroeder en geeft de voorkeur aan stedelijk gebied met een ruim aanbod aan van nestlocaties. De planlocatie is gelegen in agrarisch gebied, er zijn geen geschikte nestlocaties waargenomen. Er zijn geen oude/nesten van de boerenzwaluw waargenomen in het plangebied. Negatieve effecten voor deze gebouwbewonende soorten kunnen worden uitgesloten.

In de schuur zijn er geen sporen aangetroffen die wijzen op aanwezigheid van uilen. Er is geen zolderruimte aanwezig, op de balken van de dakconstructie bevinden zich geen sporen van uitwerpselen. Ook zijn er geen braakballen gevonden het ontbreekt geheel aan sporen hierdoor kan worden uitgesloten dat de schuur een functie vervult voor soorten als steenuil en kerkuil. Er zijn geen grote nesten of horsten aangetroffen in de bomen op het perceel buiten de daadwerkelijke planlocatie. Het groen rond de planlocatie wordt niet aangetast. Negatieve effecten op nestlocaties en/of leefgebied van uilen en roofvogelsoorten kunnen worden uitgesloten. Er is wat betreft vogels met jaarrond beschermde nesten geen sprake van het vangen of doden van individuen, het wegnemen van rust- of nestplaatsen, of het wegnemen van structuren die essentieel zijn in het functioneren van rust- of nestplaatsen. De planlocatie vormt voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties, er zijn geen nesten aangetroffen. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de Heetweg 8-01 en 8-02 te Kootwijk

16

functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 augustus. Ten aanzien van algemene broedvogels kunnen de sloopwerkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige. Soortenbescherming Algemene Vogels

Effecten Wnb Geen overtreding

Vogels jaarrond beschermd

Geen overtreding

Vervolgstappen Broedvogelcheck bij sloop in het broedseizoen N.v.t.

7.7 Amfibieën en reptielen Uit literatuurgegevens en studies (bron:NDFF) is bekend dat een aantal soorten in de omgeving voor komen zoals: de bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander en de alpenwatersalamander (in een straal 0-1km). Het onderzoeksgebied is visueel onderzocht op het voorkomen van amfibieën en reptielen. Op basis van landschappelijke kenmerken kan goed beoordeeld worden wat de potentie van het onderzoeksgebied is voor beschermde soorten. Binnen het plangebied is geen open water aanwezig beschermde amfibieën en reptielen worden niet verwacht. broeihopen, structuurrijke vegetaties, heidevelden, voedselarme poelen en zandverstuivingen zijn in het plangebied afwezig. Derhalve kunnen deze worden uitgesloten. De onderzoekslocatie vormt door het intensieve gebruik en onderhoud geen geschikt landhabitat voor beschermde amfibieënsoorten. Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad voorkomen op de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen op basis van de vastgestelde provinciale verordeningen. Er is ten aanzien van amfibieën geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Soortenbescherming Amfibieën en reptielen

Effecten Wnb Geen overtreding

Vervolgstappen Algemene soorten/ Zorgplicht

7.8 Vissen Op de planlocatie en binnen de invloedssfeer van de beoogde werkzaamheden bevindt zich geen oppervlaktewater. Er is ten aanzien van vissen geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Soortenbescherming Vissen

Effecten Wnb Geen overtreding

Vervolgstappen N.v.t.

Heetweg 8-01 en 8-02 te Kootwijk

17

7.9 Insecten, libellen en ongewervelden Uit literatuurgegevens en studies (bron:NDFF) is bekend dat een aantal soorten in de omgeving voor komen zoals: grote vos (0-1km). Van beschermde libelsoorten wordt alleen op groter afstand melding gemaakt van gevlekte witsnuitlibel en kempense heidelibel. Gedurende het veldbezoek zijn geen (sporen en/of delen van) beschermde vlinders, libellen of andere ongewervelden aangetroffen. Op de planlocatie zijn geen plantensoorten aanwezig die specifiek voor een beschermde ongewervelde een waardplant vormen. Ook is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Er is ten aanzien van insecten en andere ongewervelden geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Soortenbescherming Insecten, libellen en ongewervelden

Effecten Wnb Geen overtreding

Vervolgstappen N.v.t.

7.10 Effectenbeoordeling soortenbescherming Invloedsfeer: Naast een tijdelijk effect in het onderzoeksgebied, kan het voorkomen dat een voorgenomen activiteit een negatief effect heeft op beschermde soorten of beschermd natuurgebied. Het effect van de voorgenomen activiteit op een beschermde soort verschilt per soort en/of soortgroep. In deze studie is er gekeken naar de uitvoering van de sloop en bouwwerkzaamheden en is er een inschatting gemaakt van de mogelijke effecten. Beoordeling: De invloedsfeer van de uitvoering is lokaal en wordt uitgevoerd op reeds bestaande wegen en verharding. Mogelijk zijn tijdens de werkzaamheden geluid en stof waarneembaar buiten het daadwerkelijke plangebied, deze effecten zijn naar verwachting incidenteel, kortstondig en hebben geen wezenlijke schadelijke invloed op beschermde soorten, rust- of voortplantingsplaatsen buiten het plangebied. Samenvatting soortbescherming: Soortenbescherming Flora Grondgebondenzoogdieren Vleermuizen Algemeen vogels Vogels jaarrond Beschermd Amfibieën en reptielen Vissen Insecten, libellen en ongewervelden

Effecten Wnb Geen overtreding Geen overtreding Geen overtreding Geen overtreding Geen overtreding Geen overtreding Geen overtreding Geen overtreding

Vervolgstappen N.v.t. Algemene soorten / Zorgplicht N.v.t. Broedvogelcheck bij sloop in het broedseizoen N.v.t. Algemene soorten / Zorgplicht N.v.t. N.v.t.

Heetweg 8-01 en 8-02 te Kootwijk

18

Beschermde soorten De inrichting en het gevoerde beheer maken het daadwerkelijke plangebied tot een weinig geschikt functioneel leefgebied van beschermde dieren en tot een ongeschikte groeiplaats van beschermde planten. Grondgebonden zoogdieren bezetten er geen vaste rust- en voortplantingsplaats. Amfibieën bezetten er een geen (winter)rustplaats. Er nestelen geen vogels in het plangebied en vleermuizen bezetten er geen vaste rust- of voortplantingsplaats. Algemene soorten In het kader van de zorgplicht is de initiatiefnemer verplicht om schadelijke gevolgen voor in het wild levende dieren en planten zo veel mogelijk te voorkomen. Dit betreft maatwerk. Indien het mogelijk is om zinvolle concrete maatregelen m.b.t. de zorgplicht te benoemen dan zijn deze opgenomen in dit rapport. Voor sommige algemene veel voorkomende soorten is er in de provincie geen ontheffing vereist en nader onderzoek is niet noodzakelijk. Wel geldt voor deze soorten de algemene zorgplicht. Te denken valt aan het verplaatsen van dieren naar veilige locaties buiten het werkgebied indien zij aangetroffen worden tijdens de werkzaamheden.

Algemene vogels en niet jaarrond beschermde nesten Schadelijke effecten door uitvoering van de werkzaamheden op bezette nesten van vogels met niet jaarrond beschermde nesten en algemene vogels zijn te voorkomen (in gebruik zijnde vogelnesten mogen in principe nooit worden verstoord) door buiten het broedseizoen te werken (buiten grofweg de periode 1 maart – 15 augustus). Werken binnen het broedseizoen is mogelijk indien er geen bezette nesten worden verstoord. Verlichting Veel algemene en beschermde diersoorten (bijvoorbeeld vleermuizen) zijn vooral actief gedurende de vroege ochtend, late avond en nacht. Indien er extra verlichting gebruikt gaat worden dan dient deze afgewend te worden van aanwezige bebouwing en groenstructuren in de omgeving om eventuele aanwezige soorten niet negatief te beïnvloeden en wordt geadviseerd natuurvriendelijk te verlichten door amberkleurige lichtbronnen te gebruiken.

Bron afbeelding: www.rijkswaterstaat.nl

Heetweg 8-01 en 8-02 te Kootwijk

19

8. Gebiedenbescherming 8.1 Bescherming van Natura 2000 gebieden Natura 2000 Bij de aanwijzing van een Natura 2000-gebied worden voor het gebied instandhoudingsdoelstellingen voor te beschermen soorten en/ of Habitats vastgesteld. Het is verboden om zonder vergunning projecten of andere handelingen te realiseren of te verrichten die de instandhoudingsdoelstellingen kunnen schaden. Als een plan of project mogelijk negatieve effecten kan hebben op Natura 2000gebied, vindt eerst een globale toetsing plaats, de voortoets. Als uit de voortoets blijkt dat er zeker geen negatieve effecten zijn, dan kan het betreffende plan worden vastgesteld, of geldt in het geval van een project geen vergunningplicht. Als de kans op significante effecten niet kan worden uitgesloten dan moet, conform artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming een passende beoordeling worden gemaakt. De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Wel is Kootwijk geheel omsloten door het Natura2000 gebied Veluwe. Natura2000 gebied Veluwe is op het korst gemeten op een afstand van ca. 275 meter afstand onderzoekslocatie gelegen.

Bron: www.pdok.nl

Heetweg 8-01 en 8-02 te Kootwijk

20

Heetweg 8-01 en 8-02 te Kootwijk

21

Bron: www.natura2000.nl

Directe effecten op aanwezige kwalificerende habitattypen, habitatrichtlijnsoorten en broedvogels zijn uit te sluiten. De ontwikkeling wordt uitgevoerd op een reeds bestaand en bebouwd plangebied buiten Natura 2000 gebied. Tijdens de werkzaamheden is geen sprake van bronbemaling en/of heiwerkzaamheden. De werkzaamheden zijn van dien aard dat negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen zijn uitgesloten. Ten aanzien van stikstof adviseren wij de initiatiefnemer om in overleg te treden met bevoegd gezag of een AERIUS berekening noodzakelijk is voor de aanlegfase. (sloop opstallen) De werkzaamheden zijn minimaal, echter bevoegd gezag kan hier specifiek om vragen. Een berekening voor de gebruiksfase is niet aan de orde aangezien er niet nieuw gebouwd gaat worden.

8.2 NNN gebieden en overige natuurgebieden De Wet natuurbescherming draagt Gedeputeerde Staten op, om in hun provincie te zorgen voor een landelijk ecologisch netwerk, genaamd Natuurnetwerk Nederland. Voor dit netwerk geldt, op basis van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening, een ‘nee, tenzij’- beschermingsregime. Activiteiten die de wezenlijke waarden en kenmerken van het netwerk aantasten zijn niet toegestaan, tenzij er sprake is van groot openbaar belang, er geen reële alternatieven zijn, negatieve effecten zoveel mogelijk worden beperkt en overblijvende negatieve effecten worden gecompenseerd. Provincies dienen deze bescherming te regelen bij provinciale verordening. Daarnaast kunnen provincies bij provinciale verordening andere gebieden met bijzondere natuurwaarden beschermen, genaamd bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen.

Heetweg 8-01 en 8-02 te Kootwijk

22

Bron: www.gelderland.maps.arcgis.com

De onderzoeklocatie is niet in een NNN, maar wel tegen een Groene Ontwikkelzone aan gelegen. Door het uitvoeren van de plannen worden geen negatieve effecten verwacht op de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN gebied. De situatie blijft ten opzichte van bestaande bebouwing vrijwel onveranderd, er zal zelfs een bouwwerk verdwijnen. Van afname van areaal is geen sprake. Een toetsing aan het NNN-beleid wordt daarom niet noodzakelijk geacht.

8.3 Effectenbeoordeling gebiedenbescherming Directe effecten op aanwezige kwalificerende habitattypen (Natura2000) zijn uit te sluiten. De ontwikkeling worden uitgevoerd op een reeds bebouwd en verhard plangebied. Ter plaatse zijn geen habitattypen aanwezig en kunnen daar ook niet ontwikkelen. Tijdens de werkzaamheden is er geen sprake van bronbemaling en/of heiwerkzaamheden. Negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van Veluwe zijn uitgesloten. Ten aanzien van stikstof adviseren wij de initiatiefnemer om in overleg te treden met bevoegd gezag of een AERIUS berekening noodzakelijk is voor de aanlegfase. (sloop opstallen) De werkzaamheden zijn minimaal, echter bevoegd gezag kan hier specifiek om vragen. Een berekening voor de gebruiksfase is niet aan de orde aangezien er niet nieuw gebouwd gaat worden. Door het uitvoeren van de plannen worden geen negatieve effecten verwacht op de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN gebied. De situatie blijft ten opzichte van bestaande bebouwing vrijwel onveranderd, er zal zelfs een bouwwerk verdwijnen. Van afname van areaal is geen sprake. Een toetsing aan het NNN-beleid wordt daarom niet noodzakelijk geacht.

Heetweg 8-01 en 8-02 te Kootwijk

23

9.Conclusie en advies 9.1 Conclusie Houtopstandenbescherming *Er zijn vooralsnog geen plannen voor de kap van bomen. Wel zal er zorgvuldig omgegaan moeten worden met de te behouden bomen welke in het plangebied aanwezig zijn. Dit door buiten de invloedsfeer van de bomen te werken, hetgeen haalbaar moet zijn.

Soortenbescherming * De invloedsfeer van de uitvoering is lokaal en wordt uitgevoerd op reeds bestaande wegen en verharding. Mogelijk zijn tijdens de werkzaamheden geluid en stof waarneembaar buiten het daadwerkelijke plangebied, deze effecten zijn naar verwachting incidenteel, kortstondig en hebben geen wezenlijke schadelijke invloed op beschermde soorten, rust- of voortplantingsplaatsen buiten het plangebied. *De inrichting maakt het daadwerkelijke plangebied tot een weinig geschikt functioneel leefgebied van beschermde dieren en tot een ongeschikte groeiplaats van beschermde planten. Grondgebonden zoogdieren bezetten er geen vaste rust- en voortplantingsplaats. Amfibieën bezetten er een geen (winter)rustplaats. Er nestelen geen vogels in het plangebied en vleermuizen bezetten er geen vaste rust- of voortplantingsplaats. Aanvullend onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. *Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van algemeen voorkomende vogelsoorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 augustus. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige.

* In het kader van de zorgplicht is de initiatiefnemer verplicht om schadelijke gevolgen voor in het wild levende dieren en planten zo veel mogelijk te voorkomen. Voor sommige algemene veel voorkomende soorten is er in de provincie geen ontheffing vereist en nader onderzoek is niet noodzakelijk. Wel geldt voor deze soorten de algemene zorgplicht. Te denken valt aan het aanpassen van de werkwijze zodat onverhoopte aanwezige soorten de gelegenheid krijgen om veilig weg te komen. *Veel algemene en beschermde diersoorten (bijv. vleermuizen) zijn vooral actief gedurende de vroege ochtend, late avond en nacht. Indien er extra verlichting gebruikt gaat worden dan dient deze afgewend te worden van aanwezige groenstructuren om eventuele aanwezige soorten niet negatief te beïnvloeden en wordt geadviseerd natuurvriendelijk te verlichten door amberkleurige lichtbronnen te gebruiken. * Zorgplicht is altijd van toepassing.

Heetweg 8-01 en 8-02 te Kootwijk

24

Gebiedenbescherming

*Directe effecten op aanwezige kwalificerende habitattypen (Natura2000) zijn uit te sluiten. De ontwikkeling worden uitgevoerd op een reeds bebouwd en verhard plangebied. Ter plaatse zijn geen habitattypen aanwezig en kunnen daar ook niet ontwikkelen. Tijdens de werkzaamheden is er geen sprake van bronbemaling en/of heiwerkzaamheden. Negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van Veluwe zijn uitgesloten. *Ten aanzien van stikstof adviseren wij de initiatiefnemer om in overleg te treden met bevoegd gezag of een AERIUS berekening noodzakelijk is voor de aanlegfase. (sloop opstallen) De werkzaamheden zijn minimaal, echter bevoegd gezag kan hier specifiek om vragen. *Een berekening voor de gebruiksfase is niet aan de orde aangezien er niet nieuw gebouwd gaat worden. *Door het uitvoeren van de plannen worden geen negatieve effecten verwacht op de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN gebied. De situatie blijft ten opzichte van bestaande bebouwing vrijwel onveranderd, er zal zelfs een bouwwerk verdwijnen. Van afname van areaal is geen sprake. Een toetsing aan het NNN-beleid wordt daarom niet noodzakelijk geacht.

8.2 Advies * Tijdens de verdere inrichtingswerkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (algemene zorgplicht). *Tijdens de werkzaamheden zal dit onderzoek op locatie aanwezig moeten zijn. *Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct gestopt te worden met de werkzaamheden en contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. *Door het uitvoeren van bovengenoemde maatregelen wordt voorkomen dat er verbodsbepalingen worden overtreden en aan de zorgplicht wordt voldaan.

Heetweg 8-01 en 8-02 te Kootwijk

25

10.Bronnen

www.natura2000.nl www.NDFF.nl www.nederlandsesoorten.nl www.ravon.nl www.infomil.nl www.synbiosys.alterra.nl www.sovon.nl www.arcgis.com www.waarneming.nl www.bij12.nl www.kadastralekaart.com www.rijksoverheid.nl www.vogelbescherming.nl www.vogelvisie.nl www.zoogdiervereniging.nl www.earth.google.com www.vleermuisprotocol.nl

Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar worden gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of welke wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de auteursrechthebbende. Cozijnsen Flora Fauna Advies kan door de opdrachtgever niet aansprakelijk worden gesteld voor schade die voortvloeit uit gebruik van data of gegevens of door toepassing van aanbevelingen en conclusies, die zijn opgenomen in deze rapportage.

Heetweg 8-01 en 8-02 te Kootwijk

26

Bijlage 1 foto overzicht

De te slopen schuur noord- zuidzijde en omliggend gebied.

Gevel westzijde geen spouwruimte, gedeelte ingericht als dierenverblijf, overige deel wordt gebruikt als opslagruimte.

Geen spouwruimte en dakbeschot aanwezig, de ruimtes waren goed te beoordelen.

Heetweg 8-01 en 8-02 te Kootwijk

27

Bijlage 2 overzichtstekening

Bestaande situatie.

Nieuwe situatie.

Heetweg 8-01 en 8-02 te Kootwijk

28

Bijlage 3 Registratieformulier Flora Fauna inventarisatie

Registratieformulier Flora en fauna inventarisatie Deel 1: (Vaste) rust en voortplantingsplaatsen (V)RVP), groeiplaatsen (GP) en geef de locaties op de kaart aan. Maak zo nodig een duidelijke schets op de achterzijde voor de locatie van de (V)RVP en GP> Benoem kort alle mogelijk gevonden kenmerken en geef zo nodig aan of inspectie nodig is. Deel 2: Leefgebied, invoeren indien soort slechts is waargenomen of sporen aanwezig zijn en geen rust- en voortplantingsplaats is gevonden. Begrens het leefgebied op de kaart. Plaats: Kootwijk Straat: Heetweg Nadere plaatsbepaling: N.v.t.

Deel 1: Vaste rust/ voortplantingsplaatsen en groeiplaatsen Volg Type (V)RVP plaats Beheer groep Nr: of GP

gebruik

Soortgroep

Soort

T-P

Opmerking/ Inspectie ……………

1

Inspectie …………………..

2

Inspectie ……………………………………………

3

Inspectie

Heetweg 8-01 en 8-02 te Kootwijk

29

2 Leefgebied Code A V13

Soortgroep

Soort houtduif

waarneming vliegend

Opmerking/Inspectie x GEEN Inspectie

B

GEEN Inspectie

C

V27

koolmees

Tuin woonhuis

x

GEEN Inspectie

D

V23

merel

vliegend

x

GEEN Inspectie

E

GEEN Inspectie

F

V13

Tortel duif

boom

GEEN Inspectie

G

V29

Kauw

boom buiten plangebied

GEEN x X Inspectie s x

Heetweg 8-01 en 8-02 te Kootwijk

30

Bijlage 4 Toelichting Registratieformulier

Heetweg 8-01 en 8-02 te Kootwijk

31

Heetweg 8-01 en 8-02 te Kootwijk

32

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Barneveld&id=4c1d28ad-679f-46a2-a8fd-d3a47134f720