CConstaterende datBarneveld
Koppel je AI →
Document · PDF

Achterveldseweg IV, partiële herziening Buitengebied 2012_Toelichting_Bijlagen.pdf

Gemeenteraad 20 april 2022, gemeente BarneveldBij agendapunt: Bestemmingsplan 'Achterveldseweg IV' partiele herziening Buitengebied 2012 (Achterveld)28.401 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Achterveldseweg IV, partiële herziening Buitengebied 2012

Inhoudsopgave

Bijlagen bij de toelichting Bijlage 1

Quickscan Flora Fauna

Bijlage 2

Verkennend- en nader bodemonderzoek

"Achterveldseweg IV, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)

1

LANDBORG T.a.v. dhr. G. van Ingen Holevoetplein 301 3925 ZG Scherpenzeel

Datum

12 maart 2021

Kenmerk

BE/2021/167/r

Uw kenmerk

Email d.d. 9 februari 2021

Auteur(s)

ir. M. Poelman

Collegiale toets

ir. ing. K.J. Rebergen

Quickscan Wet natuurbescherming Achterveldseweg 39 te Achterveld Aan de Achterveldseweg 39 te Achterveld is een boerenerf gesitueerd met een woning, diverse bijgebouwen (voormalige paardenstallen), een rijbak, een paddock en een longeer cirkel. De initiatiefnemer is voornemens drie van de bijgebouwen op de planlocatie te slopen, en een deel van het dak van één van de bijgebouwen te saneren in verband met asbest. Er wordt tevens een nieuwe woning met bijgebouw gerealiseerd. Het bestemmingsplan voorziet niet in de beoogde ontwikkeling en dient derhalve te worden gewijzigd van agrarsch naar wonen. De beoogde ontwikkeling heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Middels voorliggend ecologisch oriënterend onderzoek is de (potentiële) aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de betekenis van de planlocatie voor deze soorten in kaart gebracht. Landborg begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie B.V.

verzocht de planlocatie te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde flora en fauna en deze vervolgens te toetsen aan de effecten van de werkzaamheden en het geldende bestemmingsplan. Onderzoeksdoelen Middels dit oriënterende onderzoek worden de volgende onderzoeksvragen beantwoord: • Is het bestemmingsplan dat wordt opgesteld voor het project zoals hiervoor omschreven uitvoerbaar zoals het bepaalde in de Wro (art. 3.1.6 Bro)? • Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie? • Welke negatieve effecten treden op voor (potentieel) aanwezige flora en fauna als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op het de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van het Gelders Natuurnetwerk en de Groene Ontwikkelingszone? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd? • Dienen er vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming te worden genomen, en zo ja, welke?

Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Achterveldseweg 39 te Achterveld. Het betreft een agrarisch perceel met een woning, en 6 bijgebouwen, waarvan een deel voormalige paardenstallen betreffen (figuur 1 & 2). Het terrein rondom de bebouwing is deels verhard met klinkers en deels onverhard. Op de onverharde delen zijn een paddock, een rijbak, een longeercirkel en grasland aanwezig. Ten zuiden van gebouw 7 liggen hopen met mest en hooi. In figuur 2 en bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan. Hieronder volgt een omschrijving van de diverse gebouwen. De nummers komen overeen met de nummers in figuur 2. De gebouwen 5, 6 en 7 zullen gesaneerd worden in de beoogde ontwikkeling: Gebouw 1:

Een woning opgetrokken uit gemetselde muren en een dak bedekt met dakpannen. Gebouw 2: Een voormalige paardenstal opgetrokken uit gemetselde muren en een dak bedekt met dakpannen. Gebouw 3: Een bijgebouw opgetrokken uit gemetselde muren en een dak bedekt met dakpannen. Gebouw 4: Een voormalige paardenstal opgetrokken uit gemetselde muren en een dak bedekt met golfplaten. Gebouw 5/6: Gebouw 5 & 6 vormen één geheel als open kapschuur met muren die deels gemetseld en deels van hout zijn. Er is geen spouw aanwezig. Het dak is bedekt met golfplaten zonder dakbeschot. Het meest zuidelijke deel van gebouw 6 beteft een klein deel dat afgezonderd is van de rest en bestaat uit gemetselde muren zonder spouw en een dak bedekt met damwandplaten. Gebouw 7: Een voormalige paardenstal. De muren zijn deels gemetseld met spouw en deels bedekt met damwandplaten. Aan de noordzijde zijn over bijna de gehele lengte van het pand grote schuifdeuren van damwandplaten aanwezig. De directe omgeving van de planlocatie wordt gekenmerkt door agrarische gebied met weilanden,boerenerven en kleine boschages en bomenrijen. Op circa 900 m ten westen begint de bebouwde kom van Achterveld. De Barneveldse Beek ligt ten nooren op ongeveers 1,3 km, en de A30 ligt op circa 2,8 km ten oosten. A

B

C

D

Figuur 1

2

Fotografische indruk van de planlocatie en de diverse te slopen gebouwen. A) Overzichtsfoto; B) Gebouw 5/6; C) gebouw 7 gezien vanuit het noordwesten; Gebouw 7 gezien vanuit het zuidwesten.

Figuur 2

Satelliet beeld (boven) en schematische tekening (onder) van de planlocatie (rood omkaderd) gelegen aan de Achterveldseweg 39 te Achterveld (bron kaartmateriaal: arcgis.com).

Functieverandering en effecten De beoogde ingrepen zijn permanent van karakter (figuur 3). De woning (gebouw 1) en 3 bijgebouwen (gebouw 2 t/m 4) blijven behouden. In een deel van het dak van gebouw 4 zal asbestsanering plaatsvinden. Drie bijgebouwen (5 t/m 7) worden gesloopt. Er zal een nieuwe woning met bijgebouw gerealiseerd worden. Tevens zullen er diverse bomen(rijen), fruitbomen en nieuwe meidoornhagen aangeplant worden. Ook zal er een poel aangelegd worden. De functie van het perceel dient te wijzigen van agrarisch naar wonen. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten:

3

• • • • • • •

Saneren van drie bijgebouwen (5 t/m 7): algemene sloopwerkzaamheden en afvoer sloopmateriaal; Asbestsanering van een deel van het dak van gebouw 4; Aanplanten van bomen en een hagen; Verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; Egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; Realisatie nieuwbouw: algemene bouwwerkzaamheden; Revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.

Figuur 3

Visuele representatie van de huidige situatie (boven) en de beoogde situatie (onder) (bron: Landborg).

Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. Veldbezoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 22 februari 2021 en is uitgevoerd door ir. M. Poelman. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 8/8 bewolkt, 13 Celsius en windkracht 2-3 (Bft). Externe bronnen Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF). Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.

4

Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 zijn drie voormalige wetten; de Flora- en faunawet samen met de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998, vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Bevoegdheden zijn met het ingaan van deze wet overgedragen van het rijk naar de provincie. Algemene zorgplicht In de Algemene zorgplicht (art. 1.11) wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moet worden. Het uitgangspunt van de Algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. (a) Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (art. 3.5) en Andere soorten (art. 3.10). Hierin worden ook rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Bij negatieve effecten op soorten in de specifieke soortenbescherming geldt een ontheffingsplicht. Van de verboden als bedoeld in Andere soorten art. 3.10 eerste lid kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen voor bepaalde soorten.

In de Omgevingsverordening Provincie Gelderland is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 1 Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Gelderland. Aardmuis

Gewone bosspitsmuis

Ondergrondse woelmuis

Bastaardkikker

Gewone pad

Ree

Bosmuis

Haas

Rosse woelmuis

Bruine kikker Dwergmuis Dwergspitsmuis

Huisspitsmuis Kleine watersalamander Konijn

Tweekleurige bosspitsmuis Veldmuis Vos

Egel

Meerkikker

Woelrat

(b) Gebiedsbescherming Naast de specifieke soortenbescherming kent Nederland ook gebiedsbescherming, waarbij bepaalde gebieden extra bescherming genieten. Het gaat hier hoofdzakelijk om Natura 2000gebieden, het Gelders Natuurnetwerk en de Groene Ontwikkelingszone. In deze gebieden mogen in principe geen werkzaamheden binnen de grenzen uitgevoerd worden. Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist en binnen het Gelders Natuurnetwerk geldt het ‘nee, tenzij’-principe. In bepaalde gevallen dient er natuurcompensatie uitgevoerd te worden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Ten aanzien van het Gelders Natuurnetwerk en de Groene Ontwikkelingszone geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden geldt een ontheffingsplicht. (c) Houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten.

Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden. Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft:

5

a) houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) éénrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013.

Beoordeling (a) soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ontwikkeling. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten (beschermingsregime ‘Andere soorten’) geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen (zie soortenbescherming). In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt c.q. soorten waarvoor een ontheffingsplicht noodzakelijk is. Vaatplanten Binnen een straal van circa 2 km van de planlocatie is het voorkomen van beschermde vaatplanten niet bekend (NDFF 2011-2021). Ter plaatse van de planlocatie is slechts sprake van inheemse of aangeplante vaatplanten zonder beschermde status. Enkele waargenomen soorten betreffen: koningslinde, laurierkers, paardenbloem, raaigras, straatgras, wilde peen en zwarte els. Op de muren van de bebouwing is geen (beschermde) muurvegetatie aangetroffen. De planlocatie is een boerenerf dat grotendeels bebouwd of verhard is. De onverharde delen zijn met name bedekt met zand in de rijbak en longeercirkel en wat grasland.

De bodem is geëutrofieerd, gezien het perceel lang is gebruikt als paardenstal en fokkerij, waarbij veel mest op het land terecht is gekomen. Dit is geen geschikt habitat voor het gros van de beschermde soorten, gezien deze over het algemeen specifieke eisen stellen aan hun milieu, zoals kalkhoudende schrale grond of stikstofarme blauwe graslanden. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. De beoogde ontwikkeling leidt derhalve niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie, waarmee negatieve effecten ten aanzien van beschermde vaatplanten kunnen worden uitgesloten. Grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van circa 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende zoogdieren: boommarter, bruine rat, bunzing, das, egel, haas, huismuis, konijn, mol, ree, rode eekhoorn, rosse woelmuis, vos, wezel en woelrat (NDFF 2011-2021). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: boommarter, bunzing, das, rode eekhoorn en wezel. De boommarter komt voor in verschillende typen bossen. Rust- en/of nestlocaties zijn vaak aanwezig in boomholten, holen gemaakt door andere dieren (vos, das, konijn) of onder takkenbossen.

De soort komt ook voor in stadsparken met voldoende (oude) bomen en vakantiehuizen of schuren in of aan de rand van natuurgebieden (Zoogdiervereniging boommarter, 2020). Op de planlocatie zijn geen potentiële nestlocaties aanwezig voor de boommarter. Ook is de planlocatie te open en zijn er te weinig bomen en/of andere (dekking biedende) groenstructuren aanwezig om van essentieel belang te zijn voor de soort. Negatieve effecten op de boommarter zijn uitgesloten.

6

Dassen leven in diverse biotopen; hooggelegen en laaggelegen gronden op korte afstand van elkaar, in meestal bosrijke gebieden met kleinschalige akker- en weidelandschappen met voldoende bosschages, houtwallen, struweel, singels en heggen. Dassen leven in burchten welke veelal in bosranden, houtwallen, brede heggen, in hoog liggend terrein of op hellingen liggen. Belangrijk voor hethabitat van de das zijn de nabijheid van voedselgronden (gras- en akkerlanden) en water; voldoende dekking; een goed vergraafbare grond met een grondwaterstand van tenminste 1,5 m onder het maaiveld en weinig verstoring (BIJ12 kennisdocument Das, 2017; Zoogdiervereniging, 2020). De planlocatie zal geen essentiële functie vervullen voor de das. Er zijn geen sporen van een burcht en er is ook geen sprake van geschikt foerageergebied. Tevens is er sprake van te weinig dekking en te veel verstoring. Negatieve effecten op de das zijn uitgesloten. Kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel) leven voornamelijk in structuurrijke kleinschalige natuur- en cultuurlandschappen met voldoende schuilmogelijkheid. Vaak betreffen het landschappen met afwisselend graslanden, akkerlanden, struweel en bosschages. Hermelijn en, in mindere mate, bunzing prefereren daarnaast waterrijke gebieden. Wezel prefereert drogere gebieden.

Bunzing en wezel kunnen in bebouwde omgeving en tuinen voorkomen, maar de hermelijn vermijdt bebouwing. Nest- en rustplaatsen kunnen allerlei goed beschutte structuren zijn als takkenhopen, rommelhoeken, holen van andere dieren en holle boomstammen. Verder bevinden kleine marterachtigen zich veelal in bescherming biedende structuren als (oever) begroeiingen, houtwallen, bosranden, akkerranden, heggen en droge sloten. De wezel komt ook in grootschalige akkerbouwgebieden relatief vaak voor, gezien ze in de gangen van knaagdieren kunnen schuilen (Zoogdiervereniging handleiding kleine marters, 2017; Zoogdiervereniging, 2020). Op de planlocatie zijn geen structuren of sporen aangetroffen die duiden op de (potentiële) aanwezigheid van een vaste verblijfplaats van een kleine marterachtige. Er zal tevens geen sprake zijn van een essentiële foerageer- of migratiefunctie, gezien er te weinig dekkingbiedende groenstructuren aanwezig zijn, en er sprake is van veel verstoring door menselijke activiteiten (o.a. auto sleutelen in gebouw 7), twee loslopende honden (rottweiler en jack russel), diverse paarden en een kat. Negatieve effecten op kleine marterachtigen zijn uitgesloten. De rode eekhoorn leeft in loofbos, naaldbos of gemengd bos, maar ook in tuinen, parken en houtwallen in de buurt van bos.

Oudere loof en naaldbomen bieden schuil en nestgelegenheid en voorzien de soort in hun voedselbehoefte, welke voornamelijk bestaat uit zaden en noten. Eekhoorns bouwen op minstens 5 m hoogte nesten in bomen (Zoogdiervereniging eekhoorn, 2020). Op de planlocatie zijn te weinig (nest- en foerageer)bomen aanwezig om van essentieel belang te zijn voor de rode eekhoorn. Tevens is het gebied niet goed bereikbaar voor de soort. Negatieve effecten op de eekhoorn zijn uitgesloten. De planlocatie heeft enkel mogelijk een functie voor algemene soorten zoals egel, konijn, mol en veldmuis. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Op en rondom de planlocatie zijn geen holen, nesten of sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten die buiten de Omgevingsverordening van de provincie vallen (zie Wnb art 3.10). Effecten op beschermde zoogdieren zijn uitgesloten. Vleermuizen Binnen een straal van circa 2 km is het voorkomen bekend van de volgende vleermuissoorten: bosvleermuis, gewone dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis (NDFF 2011-2021).

Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als Habitatrichtlijnsoorten beschermd. Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat (BIJ12 kennisdocument Gewone dwergvleermuis, 2017; Limpens et al., 1997; Dietz et al., 2011). Op de planlocatie zijn alle bomen geïnspecteerd op de aanwezigheid van boomholten of loshangende bast welke kunnen dienen als rust- en/of verblijfplaats van vleermuizen. Deze zijn niet aangetroffen. Bovendien is er geen sprake van het kappen van bomen. Negatieve effecten op boom bewonende vleermuissoorten zijn niet aan de orde.

7

De te slopen bebouwing is nauwkeurig geïnspecteerd op de aan- dan wel afwezigheid van potentiële verblijfplaatsen en geschikte invliegopeningen. Alle gevels en daken van de betreffende bebouwing zijn gecontroleerd op eventuele openingen als open stootvoegen, kierende daklijsten, ontbrekende/scheefliggende dakpannen, ontbrekende specie en overige gevelafwerkingen die vleermuizen toegang kunnen verlenen tot een open dakruimte en/of spouwmuur waar ze een verblijfplaats zouden kunnen vinden. Een dergelijke verblijfplaats moet voldoen aan een geschikt microklimaat, met een constante (lage) temperatuur, een hoge luchtvochtigheid en weinig invloed van weersomstandigheden. De te slopen bebouwing is niet geschikt voor vleermuisverblijfplaatsen. Gebouw 5/6 heeft geen spouw en geen dakbeschot, waardoor vleermuizen geen verblijfplaats kunnen vinden in de gevels of het dak. Gebouw 7 heeft deels een spouwmuur, welke echter niet toegankelijk is voor vleermuizen. Er is slechts één opening aangetroffen die toegang geeft tot de spouw, welke zich op minder dan 1 meter hoogte bevindt (figuur 4). Dit is geen geschikte invliegopening voor vleermuizen. Het dak van gebouw 7 is bedekt met golfplaten, wat niet geschikt is voor vleermuizen. Het deel van het dak van gebouw 4 waar asbestsanering plaats zal vinden is eveneens niet geschikt voor vleermuizen.

In gebouw 5/6 zijn geen geschikte loshangende houten balken aangetroffen welke als hangplaats kunnen dienen voor de gewone grootoorvleermuis. Het is derhalve uit te sluiten dat de bebouwing op de planlocatie gebruikt wordt door vleermuizen die in bebouwing leven, zoals gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis.

Figuur 4

De zuidelijke muur van gebouw 7 met één lage opening naar de spouwmuur. De scheur boven het raam betreffen enkel wat ontbrekend specie.

Hoewel het uitgesloten is dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als vaste rust- en/of verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute. In de luwte van opgaande vegetatie of bebouwing kunnen vliegbewegingen en foerageeractiviteiten van vleermuizen plaatsvinden. Hierbij kan sprake zijn van tijdelijke verstoring van vleermuizen ten gevolge van werkzaamheden of lichtgebruik. Vleermuizen jagen op insecten waarbij ze opportunistisch gebruik maken van een groot netwerk aan jachtgebieden. Gedurende het foerageren verspreiden vleermuizen zich diffuus over het landschap waarbij veelal gebruik wordt gemaakt van bosranden, bomenlanen, oeverzones of andere structuurrijke zones. Op de planlocatie zal geen sprake zijn van essentieel foerageergebied, gezien er veel vergelijkbaar en geschikter gebied aanwezig is in de omgeving. Ook zal er geen sprake zijn van een essentiële vliegroute, gezien er geen doorlopende rechtlijnige structuren als bomenrijen aanwezig zijn.

8

Vleermuizen kunnen verblind en daardoor gedesoriënteerd raken als gevolg van felle verlichting. Sterk verlichte locaties worden gemeden door vleermuizen. Tijdens en na de beoogde ontwikkeling dient bij voorkeur geen verlichting te worden toegepast. Bij voorkeur de werkzaamheden uitvoeren tussen zonsopkomst en zonsondergang. Mocht verlichting noodzakelijk zijn wordt vleermuisvriendelijke verlichting geadviseerd. Amfibieën Binnen een straal van circa 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende amfibieënsoorten: bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander (NDFF 2011-2021). Voor al deze soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming, maar dat er vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Amfibieën leven in zowel een aquatisch (m.n. lente/zomer) als een terrestrisch (m.n. herfst/winter) habitat. Beide habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen. Op de planlocatie is geen oppervlaktewater aanwezig. Er liggen enkel wat kavelsloten rondom de planlocatie, welke echter onaangetast blijven binnen de beoogde ontwikkeling. Gezien de geringe hoeveelheid groenstructuren en de hoge mate van verharding, bebouwing en verstoring door mensen, honden, paarden en katten zal er eveneens geen sprake zijn van essentiële overwinterings- of foerageerfunctie.

In de toekomstige situatie wordt een poel aangelegd, wat de planlocatie juist interessanter maakt voor amfibieën. Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad, gedurende de terrestrische (herfst/winter) periode voorkomen binnen de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen (zie Wet natuurbescherming). Negatieve effecten op beschermde amfibieën zijn derhalve uitgesloten. Reptielen Binnen een straal van circa 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende inheemse reptielen: hazelworm (NDFF 2011-2021). Voor alle inheemse reptielen geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Hazelwormen hebben een voorkeur voor enigszins vochtige, met dichte vegetatie bedekte gebieden met een flinke strooisel laag. De soort leeft voornamelijk in open bossen, bosranden en heidegebieden, en de overgangen hiertussen. De soort kan ook voorkomen in houtwallen, struwelen, spoor- en wegbermen, kalkgraslanden, vestingwerken, steenhopen, ruderale plaatsen en tuinen (Ravon hazelworm, 2020). Op de planlocatie is geen geschikt habitat aanwezig voor de hazelworm. Negatieve effecten zijn uitgesloten.

Reptielen zijn over het algemeen verbonden aan structuurrijke en weinig verstoorde biotopen als heidevelden, bosgebied en natuurlijke oevers. Gezien de afwezigheid van structuurrijke biotopen en de hoge mate van menselijke verstoring is het voorkomen van beschermde reptielen binnen het plangebied uitgesloten. Negatieve effecten op beschermde reptielen zijn derhalve uitgesloten. Vissen Op de planlocatie en binnen de invloedssfeer van de beoogde ontwikkeling bevindt zich geen oppervlaktewater. Negatieve effecten op (beschermde) vissen zijn uitgesloten. Insecten en andere ongewervelden Binnen een straal van circa 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende beschermde insecten of ongewervelden: grote weerschijnvlinder (NDFF 2011-2021). De grote weerschijnvlinder komt voor in oudere, vochtige loofbossen, wilgenbroekbossen of groepen samenhangende bosjes in beekdalen. Geschikte waardplanten zijn wilgen zoals de grauwe wilg (De vlinderstichting, 2020). Op de planlocatie is geen geschikt habitat aanwezig. Op de planlocatie zijn geen plantensoorten aangetroffen die specifiek voor een beschermde ongewervelde een waardplant vormen. Ook is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Negatieve effecten op de soortgroep zijn uitgesloten.

9

Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: buizerd (in de verte), houtduif, huismus, koolmees, pimpelmees en zwarte kraai. Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) De huismus broedt vrijwel altijd bij bebouwing en bouwt zijn nesten onder dakpannen, onder golfplaten, kieren/gaten in de muur en in spantconstructies. Vanuit de nestlocatie en/of vanaf een uitzichtpunt moet de huismus zijn omgeving kunnen zien. Hierbij moet er in de directe omgeving continu voedsel te vinden zijn in de vorm van zaden van grassen en onkruiden en larven van insecten. Daarnaast moet er beschutting nabij de foerageerlocaties, voldoende jaarrond groene struiken of heesters, plaatsen met stof en grind voor stofbaden en water voor waterbaden aanwezig zijn (BIJ12 kennisdocument Huismus, 2017). Er zijn huismussen aangetroffen op het dak van de woning. Deze blijft echter behouden. Ten noorden en westen van de woning zijn diverse geschikte groenstructuren en zand voor zandbaden aanwezig die tot het functionele leefgebied van de huismussen behoren. Dit blijft ook allemaal behouden. De te slopen gebouwen (gebouw 5 t/m 7) zijn niet geschikt voor huismussen gezien er bij geen van de daken dakbeschot aanwezig is. Daarnaast zijn er direct naast deze gebouwen geen geschikte groenstructuren aanwezig.

Het voorkomen van nestlocaties van huismus in de te slopen bebouwing is derhalve uitgesloten. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot aantasting van groene delen en resulteert niet in afname van essentieel leefgebied. Er komt juist meer groen bij in de toekomstige situatie. Van aantasting van nestlocaties en functioneel leefgebied van de huismus is derhalve geen sprake. Om verstoring van de huismussen in en rondom de woning te voorkomen dienen de werkzaamheden buiten het broedseizoen (maart t/m augustus) van de huismus plaats vinden. De gierzwaluw leeft evenals de huismus in de directe omgeving van mensen en broedt tevens als koloniebroeder in gevels en onder (pannen)daken (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017). De planlocatie is landelijk gelegen, wat niet erg geschikt is voor gierzwaluwen. Er zijn tevens geen geschikte invliegopeningen aangetroffen die naar potentiële nestlocaties leiden in de te slopen bebouwing. Hierdoor kan de aanwezigheid van gierzwaluw op de planlocatie uitgesloten worden. In de bebouwing zijn geen sporen van uilen met jaarrond beschermde nesten (kerkuil en steenuil) aangetroffen. Er zijn geen grote nesten of horsten aangetroffen in de bomen op en rondom de planlocatie. De aanwezigheid van nesten van in bomen broedende soorten als buizerd, sperwer en ransuil kan uitgesloten worden.

De bewoner gaf aan dat er wel eens een buizerd jaagt op de weilanden rondom de planlocatie. Deze blijven echter onaangetast tijdens de beoogde ontwikkeling. Op de planlocatie en binnen de invloedsfeer van de beoogde ontwikkeling is geen sprake van essentieel functioneel leefgebied van uilen en roofvogelsoorten. Van overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van vogels met jaarrond beschermde nestlocaties en functioneel leefgebied is geen sprake. Vogels - Algemene broedvogels en categorie 5 (beschermde nestlocatie gedurende broedperiode en bij ecologisch zwaarwegende redenen) De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De struiken, bomen en bebouwing vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. In gebouw 5/6 en gebouw 7 zijn nesten houtduiven aangetroffen (figuur 5). Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode maart t/m augustus. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de werkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie.

Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige.

10

Figuur 5

Nest van een houtduif in gebouw 5/6.

Beoordeling (b) gebiedsbescherming De planlocatie maakt deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000, het Gelders Natuurnetwerk en de Groene Ontwikkelingszone. Op een afstand van circa 8,8 km ligt het Natura 2000-gebied ‘Veluwe’ (figuur 6). De planlocatie ligt midden in de Groene Ontwikkelingszone en op een afstand van circa 400 m het Gelders Natuurnetwerk (figuur 7).

Arkemheen

Veluwe

8,8 km

Figuur 6

11

De planlocatie ligt op een afstand van circa 8,8 km tot het Natura 2000-gebied ‘Veluwe’ (bron: nationaal Georegister PDOK).

400 m

Figuur 7

De planlocatie ligt midden in de Groene Ontwikkelingszone en op een afstand van circa 400 m ligt het Gelders Natuurnetwerk (bron: geoportaal.gelderland.nl).

Ondanks dat de beoogde ontwikkeling buiten een Natura 2000-gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden voldoende groot en de aard en schaal van de ontwikkeling voldoende klein is om significante negatieve effecten uit te kunnen sluiten. Ten aanzien van het Gelders Natuurnetwerk geldt dat externe werking geen toetsingskader is. De planlocatie ligt midden in een Groene Ontwikkelingszone. Hierbij geldt het Ja, mits-principe. Hieronder is weergegeven wat dit betekent (Omgevingsverordening Gelderland, 2021): 1.

Een bestemmingsplan voor gronden gelegen binnen de Groene ontwikkelingszone maakt geen nieuwe grootschalige ontwikkeling mogelijk die leidt tot een significante aantasting van de kernkwaliteiten Groene ontwikkelingszone van het betreffende gebied, tenzij: a) er geen reële alternatieven zijn; b) sprake is van redenen van groot openbaar belang; c) de negatieve effecten op de kernkwaliteiten, de oppervlakte en de samenhang zoveel mogelijk worden beperkt; d) de overblijvende negatieve effecten op de kernkwaliteiten, de oppervlakte en de samenhang gelijkwaardig worden gecompenseerd overeenkomstig paragraaf 2.6.2.

2.

Een bestemmingsplan voor gronden gelegen binnen de Groene ontwikkelingszone kan een nieuwe kleinschalige ontwikkeling mogelijk maken, als: a) in de toelichting bij het bestemmingsplan wordt aangetoond dat de kernkwaliteiten van het betreffende gebied, in hun onderlinge samenhang bezien, per saldo substantieel worden versterkt; b) deze versterking planologisch is verankerd in hetzelfde of een gelijktijdig vast te stellen bestemmingsplan.

Binnen de huidige ontwikkeling is sprake van een bestemmingsplan wijziging. De toekomstige situatie zal waarschijnlijk gunstiger worden met betrekking tot beschermde natuurwaarden, gezien de afname van het verharde oppervlak, en de groenere inrichting met aanplant van bomen, hagen en de aanleg van een poel. In een aanvullende ‘Ja, mits’-toetsing dient te worden onderbouwd hoe aan de mits wordt voldaan, en hoe exact wordt gewaarborgd dat er geen sprake is van negatieve effecten op de kernkwaliteiten van het gebied.

12

Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. Blom Ecologie B.V. adviseert om projecten die kunnen leiden tot een toename van stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden te beoordelen middels de AERIUS Calculator. Doel daarvan is vast te stellen of significante effecten kunnen worden uitgesloten. In sommige gevallen kan op voorhand negatieve effecten ten aanzien van stikstofdepositie worden uitgesloten, wegens de grote afstand tot stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden, een afname in stikstofemissie of een beperkte ingreep. De beoogde ontwikkeling betreft de sanering van 3 bijgebouwen en de realisatie van een woning met bijgebouw. Ten opzichte de huidige situatie leidt de beoogde ingreep mogelijk tot een zeer beperkte toename in het aantal verkeersbewegingen. De nieuwbouw zal zonder gasaansluiting in de gebruiksfase geen stikstofuitstoot hebben. Gedurende de aanlegfase kan er een beperkte en tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en transportbewegingen (het ‘projecteffect’).

In de handreiking ‘woningbouw en AERIUS’ (Rijksoverheid januari 2020) wordt uitgegaan van de volgende kengetallen: • Emissie woning tijdens gebruiksfase: geen; • Emissie uit verkeer tijdens gebruiksfase: 0,27 kg NOx per woning; • Emissie uit de aanlegfase (mobiele werktuigen en transport): 3 kg NOx per woning. Gezien er sprake is van een grote afstand (8,8 km) tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied en in de gebruiksfase hooguit mogelijk sprake is van een beperkte toename in stikstofemissie wordt op voorhand uitgesloten dat er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden. Een berekening middels de AERIUS Calculator kan derhalve achterwege blijven.

Beoordeling (c) houtopstanden In de beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien.

13

Conclusies Samenvatting (a) Soortenbescherming De planlocatie heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. (b) Gebiedsbescherming De planlocatie maakt onderdeel uit van de Groen Ontwikkelingszone (GO). Er dient een ‘Ja, mits’-toets uitgevoerd te worden om te waarborgen dat de kernkwaliteiten, samenhang en oppervlakte van de GO niet worden aangetast. De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied en het Gelders Natuurnetwerk. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot Natura 2000-gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een Nee, tenzij-toets, Voortoets en/of AERIUS-calculatie zijn niet benodigd. (c) Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming. Tabel 2

Overzicht van de Soortenbescherming. Voor de benoemde soorten geldt dat aanvullend onderzoek benodigd is. Soortenbescherming Soortgroep BeschermingsSoortspecifiek Mogelijk functie regime Wet nb onderzoek plangebied Vaatplanten Grondgebonden zoogdieren Vleermuizen Amfibieën Reptielen Vissen Insecten en andere ongewervelden Vogels

N.v.t. N.v.t. N.v.t. N.v.t. N.v.t. N.v.t. N.v.t. N.v.t.

Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee

N.v.t. N.v.t. N.v.t. N.v.t. N.v.t. N.v.t. N.v.t. N.v.t.

Tabel 3 Overzicht van de Gebiedsbescherming. Gebiedsbescherming

Afstand

Effecten

Nader onderzoek

Natura 2000

8,8 km

Geen

N.v.t.

Gelders Natuurnetwerk

400 m

Geen

N.v.t.

Groene Ontwikkelingszone

Ligging in GO

Mogelijk

‘Ja, mits’-toets

Tabel 4

14

Overzicht van de Houtopstanden.

Houtopstanden

Aanwezig

Kap

Melding

Struiken

Ja

Nee

N.v.t.

Bomen

Ja

Nee

N.v.t.

Uitvoerbaarheid De beoogde ontwikkeling leidt niet tot overtreding van soortenbescherming en houtopstanden in het kader van de Wnb. De planlocatie ligt midden in de Groene Ontwikkelingszone. Er dient een ‘Ja, mits’-toets uitgevoerd te worden om te waarborgen dat de kernkwaliteiten, samenhang en oppervlakte van de Groene Ontwikkelingszone niet worden aangetast. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels (in het kader van Algemene Zorgplicht). Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. Conclusie De sloop van 3 gebouwen en de realisatie van een nieuwe woning met bijgebouw aan de Achterveldseweg 39 te Achterveld is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro).

Vervolgstappen • De planlocatie ligt midden in een Groene Ontwikkelingszone. Er dient een ‘Ja, mits’-toets uitgevoerd te worden om aan te tonen dat de kernkwaliteiten, samenhang en oppervlakte van de Groene Ontwikkelingszone niet worden aangetast ten gevolge van de beoogde ontwikkeling.

Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te bieden in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van huismussen en algemene broedvogels (maart t/m augustus).

Als de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden.

15

Literatuur BIJ12, 2017. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gierzwaluw Apus apus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Huismus Passer domesticus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Levendbarende hagedis Zootoca vivipara, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Poelkikker Rana lessonae, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Zandhagedis Lacerta agilis, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Rugstreeppad Epidalea calamita (voorheen Bufo calamita), versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Ruige dwergvleermuis Pipistrellus nathusii, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (redactie) 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. – Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Creemers, R.C.M & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (redactie), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. -Nederlandse fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Diepenbeek, A., 1999. Veldgids Diersporen. KNNV Uitgeverij 5e druk 2015, Zeist.

Dietz, C., O. von Helversen, D. Nill & P.H.C. Lina, 2011. Vleermuizen: alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika: biologie, kenmerken en bedreigingen. Tirion Natuur, Utrecht. Limpens, H., K. Mostert & W. Bongers, 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen. Onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV Uitgeverij, Utrecht. Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.geoportaal.gelderland.nl www.nationaalgeoregister.nl www.natura2000.eea.europa.eu www.ndff.nl www.ravon.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.synbiosys.alterra.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuisprotocol.nl www.vlinderstichting.nl www.wilde-planten.nl www.zoogdiervereniging.nl

16

We hopen u met deze rapportage voldoende te hebben geïnformeerd. Mochten er desondanks vragen zijn kunt u vrijblijvend contact opnemen. Met vriendelijke groet,

Blom Ecologie B.V., ir. M. Poelman Auteur

Blom Ecologie B.V., ir. ing. K.J. Rebergen Collegiale toets

Bijlage 1 Fotografische impressie

© BLOM ECOLOGIE B.V. ZANDWEG 46A - 4181 PM WAARDENBURG Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld. Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V.

17

Bijlage 1 Fotografische impressie

18

Figuur 1

De planlocatie is gelegen aan de Achterveldseweg 39 te Achterveld en bestaat uit een Boerenerf met een woning en diverse bijgebouwen.

Figuur 2

Het deel van het dak van gebouw 4 waar asbestsanering plaats zal vinden.

19

Figuur 3

Houtduif nest in gebouw 7.

Figuur 4

Gebied aan de zuidzijde van de planlocatie met gebouw 7 aan de linkerkant.

VERKENNEND BODEM- EN ASBEST IN GROND/PUINONDERZOEK Achterveldseweg 39 Achterveld kenmerk PJ Milieu BV: 21012301A / 02A

VERKENNEND BODEM- EN ASBEST IN GROND/PUINONDERZOEK Achterveldseweg 39 Achterveld kenmerk PJ Milieu BV: 21012301A / 02A

opdrachtgever:

Landborg te Scherpenzeel

datum rapport:

4 oktober 2021

kenmerk:

21012301A / 02A

status:

Definitief

uitgevoerd door:

PJ Milieu BV

projectleider en rapporteur:

ing. D.H. van Vulpen | vulpen@pjmilieu.nl

autorisatie:

ir. H.J.R. van Dasselaar

PJ Milieu BV | Nijverheidsstraat 21 | 3861 RJ Nijkerk | 033-2458511 | info@pjmilieu.nl | www.pjmilieu.nl

INHOUDSOPGAVE 1 | INLEIDING ......................................................................................................... 4 2 | VOORONDERZOEK ............................................................................................... 5 2.1 | Werkwijze ................................................................................................... 5 2.2 | Resultaten vooronderzoek ............................................................................. 5 2.2.1 | Onderzoekslocatie ............................................................................ 5 2.2.2 | Omgeving ....................................................................................... 7 2.3 | Hypothese en onderzoeksopzet ...................................................................... 7 3 | VERKENNEND BODEMONDERZOEK ....................................................................... 10 3.1 | Uitvoering veldonderzoek ............................................................................ 10 3.2 | Resultaten veldonderzoek ........................................................................... 10 3.3 | Uitvoering laboratoriumonderzoek ................................................................ 11 3.4 | Analyseresultaten ......................................................................................

11 3.5 | Deelconclusie verkennend bodemonderzoek .................................................. 13 4 | VERKENNEND ASBEST IN GRONDONDERZOEK DRUPLIJN ........................................ 14 4.1 | Uitvoering veldonderzoek ............................................................................ 14 4.2 | Resultaten veldonderzoek ........................................................................... 14 4.3 | Laboratoriumonderzoek .............................................................................. 15 4.4 | Analyseresultaten ...................................................................................... 15 4.5 | Deelconclusie verkennend asbest in grondonderzoek druplijn ........................... 15 5 | VERKENNEND ASBEST IN GROND- / PUINONDERZOEK HALFVERHARDING................. 16 5.1 | Uitvoering veldonderzoek ............................................................................ 16 5.2 | Resultaten veldonderzoek ........................................................................... 16 5.3 | Laboratoriumonderzoek .............................................................................. 17 5.4 | Analyseresultaten ...................................................................................... 17 5.5 | Deelconclusie verkennend asbest in grond- / puinonderzoek halfverharding .......

17 6 | CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN ....................................................................... 18 6.1 | Conclusies ................................................................................................ 18 6.1.1 | Deelconclusie verkennend bodemonderzoek ....................................... 18 6.1.2 | Deelconclusie verkennend asbest in grondonderzoek druplijn ................ 18 6.1.3 | Deelconclusie verkennend asbest in grond- / puinonderzoek halfverharding 18 6.1.4 | Eindconclusie ................................................................................. 19 6.2 | Aanbevelingen ........................................................................................... 19

BIJLAGEN 1 | Boorprofielen met legenda en verklaring onafhankelijkheid uitvoering veldwerk 2 | Analysecertificaten 3 | Toetsing analyseresultaten 4 | Achtergrondinformatie 5 | Kadastrale kaart en tekening

Verkennend bodem- en asbest in grond-/puinonderzoek

1

INLEIDING

In opdracht van Landborg te Scherpenzeel is door PJ Milieu BV in februari een verkennend bodem- en asbest in grond- / puinonderzoek uitgevoerd ter plaatse van de Achterveldseweg 39 te Achterveld. In september 2021 is het onderzoek aangevuld (zie hoofdstuk 2). Onderhavige rapportage vervangt dan ook de eerder door PJ Milieu BV opgestelde rapportage met kenmerk 21012301A. Aanleiding Aanleiding tot het uitvoeren van het onderzoek is een voorgenomen onroerende zaak transactie (verkoop) van een deel van het perceel, alsmede de aanvraag van een omgevingsvergunning (bestemmingswijziging en bouw woning). Normering en verantwoording Voorafgaand aan het veld- en laboratoriumonderzoek is vooronderzoek uitgevoerd volgens de NEN 57251, aanleiding A2. Het aansluitend uitgevoerde verkennend bodemonderzoek is gebaseerd op de NEN 57403. Het asbest in grond- / puinonderzoek is gebaseerd op de NEN 57074 en de NEN 58975. Doelstelling Het doel van het vooronderzoek is inzicht krijgen in de mogelijke aanwezigheid van verontreinigingen op de onderzoekslocatie. Het doel van het verkennend bodem- en asbest in grondonderzoek is het vaststellen van de actuele bodemkwaliteit. Een nadere uitwerking van deze doelstelling is omschreven in paragraaf 2.3. Indeling rapport In de rapportage worden de wijze van uitvoering en de resultaten van het onderzoek besproken.

Op de volgende pagina’s geven wij de resultaten van het vooronderzoek, het verkennend bodemonderzoek en het verkennend asbest in grond- en puinonderzoek weer. Het rapport sluit af met conclusies en aanbevelingen. Verantwoording Dit onderzoek is uitgevoerd met de grootst mogelijke nauwkeurigheid en conform de daarvoor opgestelde normen en richtlijnen. Desondanks dient opgemerkt te worden dat een bodemonderzoek slechts bestaat uit een steekproef, waarbij een relatief gering aantal boringen, gaten, sleuven en analyses uitgevoerd worden. Het kan niet geheel uitgesloten worden dat op de locatie een verontreiniging aanwezig is, die bij dit onderzoek niet aangetroffen is. Een onderzoek heeft over het algemeen een geldigheid van maximaal vijf jaar. De exacte geldigheidstermijn is afhankelijk van het gebruik van de locatie en het bevoegd gezag dat het onderzoek beoordeelt. Tenslotte wordt opgemerkt dat PJ Milieu BV geen financieel of zakelijk belang heeft bij de kwaliteit van de onderzochte locatie.

1 2

3 4 5

NEN 5725, Bodem. Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek, Delft 2017 De (verplicht) te onderzoeken aspecten worden in de NEN 5725 afhankelijk gesteld van de aanleiding van het onderzoek. Aanleiding A is als volgt geformuleerd: opstellen hypothese over de bodemkwaliteit ten behoeve van uit te voeren bodemonderzoek NEN 5740+A1, Bodem. Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek, Delft 2016 NEN 5707+C2, Bodem. Inspectie en monsterneming van asbest in bodem en partijen grond, Delft 2017 NEN 5897+C2, Inspectie en monsterneming van asbest in bouw- en sloopafval en recyclinggranulaat, Delft 2017

21012302A | Achterveldseweg 39 Achterveld

4

Verkennend bodem- en asbest in grond-/puinonderzoek

2

VOORONDERZOEK

2.1

Werkwijze

Het vooronderzoek heeft betrekking op de onderzoekslocatie en de omgeving. De volgende bronnen zijn geraadpleegd: ▪ het Kadaster; ▪ de opdrachtgever; ▪ gemeente Barneveld / Omgevingsdienst De Vallei; ▪ het Bodemloket en Topoptijdreis.nl; ▪ de Grondwaterkaart van Nederland, de Bodemkaart van Nederland en/of het DINOloket. Voorafgaand aan de uitvoering van het bodemonderzoek zijn de onderzoekslocatie en de omgeving geïnspecteerd. Onder bijlage 5 zijn opgenomen: ▪ een kadastrale kaart; ▪ een situatietekening. In paragraaf 2.2 wordt het één en ander verwoord en geïnterpreteerd weergegeven. Daarnaast wordt relevante aanvullende informatie verstrekt. 2.2

Resultaten vooronderzoek

2.2.1 Onderzoekslocatie Topografische en algemene gegevens Enkele (topografische) gegevens van de onderzoekslocatie zijn weergegeven in tabel 1. Tabel 1

Topografische en algemene gegevens locatie

Algemeen Adres onderzoekslocatie

Achterveldseweg 39 Achterveld

Gemeente

Barneveld

Kadastrale aanduiding

Gemeente Barneveld, sectie E, perceel 5820

Artikel 55

Ten aanzien van dit perceel zijn geen aantekeningen in het kader van het artikel 55 Wet bodembescherming opgenomen. Dit houdt in dat bij het Kadaster geen bodeminformatie geregistreerd is

Oppervlakte perceel

7.575 m²

Oppervlakte onderzoekslocatie

Circa 1.620 m²

X-coördinaat

164.137

Y-coördinaat

460.479

Huidig gebruik De onderzoekslocatie maakt deel uit van het perceel Achterveldseweg 39. Door de opdrachtgever is aangegeven dat onderzoek alleen diende plaats te vinden op het te verkopen en te herontwikkelen terreindeel ten zuiden van de schuren. De locatie heeft een agrarische functie. De onderzoekslocatie is in februari 2021 uitpandig gedeeltelijk voorzien van een halfverharding bestaande uit (gebroken) puin. Tegen de schuur aan is de locatie ten dele verhard met stelconplaten en klinkers. Tevens is hier een mesthoop gesitueerd. Op de locatie vindt verder opslag plaats van grond en (wegen)bouwmaterialen.

21012302A | Achterveldseweg 39 Achterveld

5

Verkennend bodem- en asbest in grond-/puinonderzoek

De kwaliteit van de depots grond is niet bekend. De aanwezige depots grond zijn afkomstig van projecten welke door het ter plaatse voorheen gevestigde kleinschalig grondverzetbedrijf P.H. van Middelaar zijn uitgevoerd. Het grondverzetbedrijf geeft aan naar verwachting sprake is van schone grond. De kwaliteit van de gronddepots wordt binnen het kader van dit onderzoek (ten behoeve van de omgevingsvergunning) niet vastgesteld. De aanwezige schuur is voorzien van asbesthoudende dakbeplating zonder (goed functionerende) goot. Langs een deel van de schuur watert het dak af op onverhard maaiveld (zogeheten druplijn). Het is niet met zekerheid te stellen of ter plaatse van de mesthoop afwatering al dan niet op verharding plaatsvindt. Tijdens de visuele inspectie van de locatie zijn verder geen bodembedreigende activiteiten aangetroffen. In bijlage 5 is een situatietekening opgenomen.

Historisch gebruik Bij de gemeente Barneveld zijn ten aanzien van de locatie de volgende vergunningen bekend: - 1959: bouw veeschuur en kippenhoek; - 1964: verbouwen kippenhok; - 1967: bouw varkensschuur; - 1970: bouw veldschuur; - 1970: veranderen en uitbreiden woning; - 1976: bouw varkensschuur / loods; - 1977: hinderwetvergunning voor het oprichten en in werking hebben van een veehouderij met mestopslag; - 1990: hinderwetvergunning voor het uitbreiden en wijzigen van een veehouderij met mestopslag; - 2017: melding activiteitenbesluit voor het omzetten van gemengde veehouderij naar paardenhouderij; - 2021: sloopmelding voor het slopen van bijgebouwen. Op de hinderwettekeningen uit 1977 en 1990 zijn een ondergrondse olietank van 3.000 liter (1977) en een bovengrondse olietank van 200 liter (1990) zichtbaar. Alleen de ondergrondse 3.000 liter tank is gelegen binnen de onderzoekslocatie (zie tekening onder bijlage 5). Verder zijn binnen de onderzoekslocatie geen bodembedreigende activiteiten bekend. Van de locatie is geen bodeminformatie (bijvoorbeeld een voorgaand bodemonderzoek of een bodemsanering) bekend. Per abuis zijn de bovenstaande gegevens opgevraagd nadat het onderzoek in februari 2021 was uitgevoerd. Dit resulteert erin dat in september 2021 een extra deellocatie (de ondergrondse olietank) aanvullend is onderzocht.

Toekomstig gebruik Men is voornemens een deel van het perceel te verkopen en ter plaatse nieuwbouw van een woning te realiseren. Asbest Om vast te stellen of de bodem van de locatie op voorhand verdacht is op aanwezigheid van asbest, zijn de volgende acties uitgevoerd: • globale inspecteren van de locatie (maaiveld en gebouwen); • bestuderen luchtfoto’s; • verzamelen informatie over ophogingen, dempingen en/of stort afval of puin. Op basis van de aanwezigheid van een druplijn en een (gebroken) puinverharding wordt de locatie als verdacht ten aanzien van asbest beschouwd.

21012302A | Achterveldseweg 39 Achterveld

6

Verkennend bodem- en asbest in grond-/puinonderzoek

2.2.2 Omgeving Definiëring omgeving De omgeving wordt gedefinieerd als de onderzoekslocatie en de directe omgeving tot een afstand van maximaal 25 meter. Gebruik De onderzoekslocatie is gelegen in het buitengebied van de gemeente. Het gebied wordt in hoofdzaak benut voor agrarische doeleinden. Voor zover bekend blijft dit gebruik ongewijzigd. Bodembedreigende activiteiten Van de directe omgeving zijn geen relevante gegevens bekend met betrekking tot (voormalige) bodembedreigende activiteiten. Ook expliciete bronnen van PFAS (inclusief GenX) zijn niet bekend. Bodeminformatie Van de directe omgeving is geen relevante bodeminformatie (bijvoorbeeld een voorgaand bodemonderzoek of een bodemsanering) bekend. Bodemopbouw en geohydrologie De locatie is opgenomen in rapport GWK-37 en gelegen op kaartblad 32 oost. Regionaal bestaat de bodem tot circa 10 meter minus maaiveld (m-mv) uit zand, matig fijn. De regionale grondwaterstroming is westelijk gericht. De onderzoekslocatie bevindt zich niet in een grondwaterbeschermingsgebied. Achtergrondgehalten De gemeente Barneveld beschikt over een (regionale) bodemkwaliteitskaart. De uitkomsten van het onderzoek kunnen met de in deze kaart genoemde achtergrondgehalten worden vergeleken. Over het algemeen vindt dit echter alleen plaats als in de grondmonsters matig of sterk verhoogde gehalten zijn aangetoond. 2.3

Hypothese en onderzoeksopzet

Op basis van de resultaten van het vooronderzoek wordt verwacht dat op de locatie sprake zal zijn van aanwezigheid van bodemverontreiniging (verdachte locaties). Het verkennend bodem- en asbest in grondonderzoek wordt uitgevoerd conform de NEN 5740 en de NEN 5707. In onderstaande tabel zijn de te onderscheiden deellocaties beschreven. Tabel 2

Te onderscheiden deellocaties

DL

Omschrijving

V/O

Verwachte stoffen

Oppervlakte (m²)

A

Druplijn

V

Asbest

18

B

Puinverharding

V

Asbest

250

C

Voormalige ondergrondse tank

V

Minerale olie en vluchtige aromaten

10

D

Overig terrein

O

-

1.620

DL V/O

= =

deellocatie verdachte of onverdachte locatie ten aanzien van bodemverontreiniging

21012302A | Achterveldseweg 39 Achterveld

7

Verkennend bodem- en asbest in grond-/puinonderzoek

Het algemene doel van verkennend bodemonderzoek is het vaststellen van de actuele bodemkwaliteit. Formeel (volgens de NEN 5740 en de NEN 5707) is de doelstelling in deze situatie als volgt: - deellocatie A en B: met een relatief geringe onderzoeksinspanning na te gaan of de verdenking van verontreiniging van de vaste bodem en de puinverharding met asbest terecht is en een indicatieve uitspraak te doen over het asbestgehalte in de bodem en de puinverharding; - deellocatie C: vaststellen of de aanwezigheid van een ondergrondse brandstoftank heeft geleid tot het ontstaan van bodemverontreiniging; - deellocatie D: de onderzoeksopzet voor een onverdachte locatie wordt gehanteerd. Doel hiervan is aantonen dat op de onderzoekslocatie redelijkerwijs gesproken geen verontreinigende stoffen aanwezig zijn in de grond of het freatisch grondwater in gehalten boven respectievelijk de achtergrondwaarde en de streefwaarde. In de onderstaande tabellen is de gehanteerde onderzoeksstrategie (NEN 5740, NEN 5707 en NEN 5897) en het daarop gebaseerde veld- en laboratoriumwerkzaamheden schematisch weergegeven. Tabel 3

Onderzoeksstrategie en veld- en laboratoriumonderzoek deellocatie A

NEN 5707: Onderzoeksstrategie voor een verdachte locatie, plaatselijke bodembelasting Veldonderzoek

Laboratoriumonderzoek Aantal (meng)monsters

Aantal gaten

Grond

Verzamelmonsters

2

1

-*

* afhankelijk van hetgeen wordt aangetroffen

Tabel 4

Onderzoeksstrategie en veld- en laboratoriumonderzoek deellocatie B

NEN 5897: Onderzoeksstrategie voor halfverhardingslagen Veldonderzoek

Laboratoriumonderzoek Aantal (meng)monsters

Aantal gaten

Puin

Verzamelmonsters

4

1

-*

* afhankelijk van hetgeen wordt aangetroffen

Tabel 5

Onderzoeksstrategie en veld- en laboratoriumonderzoek deellocatie C

NEN 5740: Onderzoeksstrategie voor een locatie met één of meer ondergrondse opslagtanks (VEP-OO) Veldonderzoek Aantal boringen en peilbuizen

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Barneveld&id=2a045d18-ca35-46bb-aeee-f1c7df260a01