11 Harskamperweg-Oosterbrinkweg, ph Bgb 2012_Toel._Bijlage 10 Nat.toets Harsk. 32.pdf
Tekst van het document
Natuurtoets Harskamperweg 32, Kootwijkerbroek Inventarisatie en beoordeling in het kader van natuurwetgeving en -beleid
VanWestreenen BV
Definitief
Zuiderzeelaan 53 8017 JV Zwolle T 0384236464
Colofon
E info@ecogroen.nl I www.ecogroen.nl
Natuurtoets Harskamperweg 32, Kootwijkerbroek Inventarisatie en beoordeling in het kader van natuurwetgeving en -beleid
20-179
18 september 2020
Definitief
A. (Anne) Gerritsma & H. (Harma) Scholten
n.v.t.
A. (Anton) Alberts
VanWestreenen BV
©Ecogroen bv Alles uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt, mits onder vermelding van bron en status. Gerritsma, A. & H. Scholten (2020). Natuurtoets Harskamperweg 32, Kootwijkerbroek. Inventarisatie en beoordeling in het kader van natuurwetgeving en -beleid. Rapport 20-179. Ecogroen bv Zwolle.
Inhoud Samenvatting
5
1.
Inleiding 1.1 Aanleiding en doelstelling 1.2 Huidige situatie en voorgenomen ontwikkeling 1.2.1 Huidige situatie 1.2.2 Voorgenomen ontwikkeling 1.3 Leeswijzer
8 8 8 8 8 9
2.
Wettelijk kader en methode 2.1 Wettelijk kader 2.1.1 Wet natuurbescherming 2.1.2 Toetsingskader bestemmingsplannen 2.1.3 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening 2.2 Onderzoeksmethode 2.2.1 Literatuuronderzoek 2.2.2 Quickscan veldbezoek 2.2.3 Gericht onderzoek naar wezel 2.2.4 Toets gebiedsbescherming (Natura 2000-gebieden) 2.2.5 Toets soortbescherming 2.2.6 Toets houtopstanden 2.2.7 Toets Natuurnetwerk Nederland
10 10 10 11 11 12 12 12 12 13 13 13 13
3.
Gebiedsbescherming 3.1 Relevante Natura 2000-gebieden 3.2 Relevante instandhoudingsdoelen 3.3 Afbakening effecten 3.3.1 Mogelijke effecten 3.4 Effectbeoordeling 3.4.1 Habitattypen en typische soorten 3.4.2 Habitatsoorten 3.4.3 Broedvogels
14 14 15 15 15 16 16 17 18
4.
Soortbescherming 4.1 Flora 4.1.1 Japanse duizendknoop 4.2 Zoogdieren 4.2.1 Vleermuizen 4.2.2 Grondgebonden zoogdieren 4.2.3 Overige zoogdieren 4.3 Vogels 4.3.1 Vogels met jaarrond beschermde nesten 4.3.2 Overige vogels 4.4 Reptielen 4.4.1 Hazelworm
20 20 20 21 21 21 22 22 22 23 23 23
4.5
4.6
4.7
4.4.2 Overige reptielen Amfibieën 4.5.1 Rugstreeppad 4.5.2 Overige amfibieën Ongewervelden 4.6.1 Vliegend hert 4.6.2 Overige ongewervelden Vissen
24 24 24 24 25 25 25 25
5.
Houtopstanden 5.1 Beoordeling houtopstanden
26 26
6.
Natuurnetwerk Nederland 6.1 Beoordeling Natuurnetwerk Nederland
27 27
Geraadpleegde bronnen
29
Bijlagen Bijlage 1 - Gewenste situatie Bijlage 2 - Instandhoudingsdoelen Veluwe Bijlage 3 - Overzicht typische soorten
Natuurtoets NatuurtoetsHarskamperweg Harskamperweg32, 32,Kootwijkerbroek Kootwijkerbroek
Samenvatting Aanleiding, doel en situatie Leverancier van bouwmaterialen Van de Pol Bouwen & Wonen in Kootwijkerbroek wil een aantal ontwikkelingen realiseren op hun perceel aan de Harskamperweg 32. Het plan is om de bebouwing op het perceel uit te breiden, verharding aan te brengen en om een gedeelte buitenopslag en verharding te legaliseren. Een deel van de ontwikkelingen is voorzien op grond met de bestemming natuur. VanWestreenen heeft, namens Van de Pol Bouwen & Wonen, voor de plannen een verzoek ingediend bij de gemeente Barneveld om het bestemmingsplan te wijzigen. Om de bestemmingswijziging mogelijk te maken zijn de afgelopen jaren al een aantal stappen gezet. Zo heeft natuurcompensatie plaats gevonden op perceel Houtbeek en is een kassencomplex gesloopt aan de Oosterbrinkweg om nieuwe bebouwing mogelijk te maken. Voor de plannen op het perceel Harskamperweg 32 vraagt de gemeente om een toetsing aan de natuurwetgeving om inzichtelijk te maken of de plannen kunnen conflicteren met beschermde natuurwaarden. In voorliggende natuurtoets wordt hier invulling aan gegeven.
Gebiedsbescherming (Natura 2000) Het plangebied ligt buiten de begrenzing van Natura 2000-gebied Veluwe. Door de aanlegwerkzaamheden en de gebruiksfase kunnen effecten optreden als gevolg van verstoring door geluid en licht en optische verstoring. Uit de effectbeoordeling in hoofdstuk 3 blijkt dat negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van het Natura 2000-gebied Veluwe zijn uitgesloten. Dit vanwege de ligging, de aard van het voornemen en de bestaande verstoring in het plangebied, percelen rond het plangebied en tussenliggende N310. De effecten als gevolg van stikstofdepositie worden separaat beoordeeld en zijn geen onderdeel van deze natuurtoets.
Soortbescherming • In het plangebied zijn potentiële verblijfplaatsen en foerageergebied van wezel aangetroffen. Uit soortgericht onderzoek met wildcamera’s zijn echter geen exemplaren of sporen aangetroffen. • Door aanwezigheid van beplanting is geschikt foerageergebied van vleermuizen aanwezig. De werkzaamheden leiden echter niet tot aantasting van onmisbare foerageergebieden. Van een onmisbare vliegroutes is geen sprake.
05
Natuurtoets Harskamperweg 32, Kootwijkerbroek
• Op het woonerf grenzen aan het plangebied zijn (potentiële) nestlocaties van huismus aanwezig in de woning. Door de plannen worden deze niet aangetast. Overige (potentiële) nestlocaties van vogels met jaarrond beschermd nesten zijn niet aanwezig of te verwachten. Wel zijn (nesten van) enkele algemene vogels van bos en tuinen aangetroffen en te verwachten. • Overige beschermde soorten worden niet verwacht in het plangebied. Bij de geplande ingrepen kunnen wel enkele exemplaren en verblijfplaatsen van grondgebonden zoogdieren en amfibieën met een provinciale vrijstelling verloren gaan. Voor deze soorten geldt in voorliggende situatie een provinciale vrijstelling van de verbodsartikelen uit de Wet natuurbescherming, waardoor het nemen van vervolgstappen voor deze soorten niet aan de orde is.
Bescherming van houtopstanden • Het plangebied ligt buiten de begrenzing bebouwde kom houtopstanden, waardoor het beschermingsregime van de Wet natuurbescherming geldt. De te vellen bomen maken onderdeel uit van een bos dat voldoet aan de criteria voor een ‘houtopstand’ en heeft daarmee een beschermde status. • Naast bescherming van houtopstanden onder de Wnb hanteren gemeenten soms ook beschermingsregels.
Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt buiten de begrenzing van het Gelders natuurnetwerk (GNN). In het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening’ is beoordeeld of het plan de wezenlijke waarden en kenmerken kan aantasten. Gezien de aard van de werkzaamheden en de tussenliggende infrastructuur zijn negatieve effecten op de kernkwaliteiten van het GNN uitgesloten.
Conclusie en advies • Vervolgstappen ten aanzien van Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland zijn niet aan de orde en vormen geen belemmering voor het vaststellen van het bestemmingsplan. • Voor het vellen van het bosje geldt een meldings- en herplantlicht. Indien de compensatie al is uitgevoerd op het perceel Houtbeek, is voldaan aan de herplantplicht. Voor het vellen van het bosje is minimaal 6 weken vooraf de werkzaamheden een kapmelding bij de provincie Gelderland noodzakelijk. Het onderdeel houtopstanden vormt geen belemmering voor het vaststellen van het bestemmingsplan. • Werkzaamheden die broedbiotopen van aanwezige vogels beschadigen dienen altijd te worden voorkomen. Uitvoering van de werkzaamheden dient zoveel mogelijk buiten het broedseizoen plaats te vinden. Voor de meeste soorten kan de periode tussen 1 maart en 15 juli worden aangehouden als broedseizoen. Indien werkzaamheden in de periode half februari tot half december worden opgestart, adviseren we om voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelcontrole door een ter zake deskundige uit te laten voeren. Vervolgstappen voor vogels zijn niet aan de orde, mits rekening gehouden wordt met het broedseizoen. Het onderdeel broedvogels vormt daarmee geen belemmering voor het vaststellen van het bestemmingsplan.
• In het bosje in het zuiden van het plangebied is een (jonge) groeilocaties van Japanse duizendknoop aangetroffen. De Japanse duizendknoop is een invasieve exoot. De plant is zo sterk dat deze in staat is met haar meterslange wortels schade aan te richten aan funderingen of ondergrondse leidingen. De Japanse duizendknoop kan zich in hoog tempo uitbreiden waardoor schade al op korte termijn kan ontstaan. Geadviseerd wordt om Japanse duizendknoop op de groeilocatie volledig te verwijderen en het afval af te voeren naar een gecertificeerd verwerker van groenafval afkomstig van invasieve exoten.
06
Natuurtoets Harskamperweg 32, Kootwijkerbroek
07
Natuurtoets NatuurtoetsHarskamperweg Harskamperweg32, 32,Kootwijkerbroek Kootwijkerbroek
1. Inleiding 1.1
Aanleiding en doelstelling Leverancier van bouwmaterialen Van de Pol Bouwen & Wonen in Kootwijkerbroek wil een aantal ontwikkelingen realiseren op hun perceel aan de Harskamperweg 32. Een deel van de ontwikkelingen is voorzien op grond met de bestemming natuur. VanWestreenen heeft, namens Van de Pol Bouwen & Wonen, voor de plannen een verzoek ingediend bij de gemeente Barneveld om het bestemmingsplan te wijzigen. Om de bestemmingswijziging mogelijk te maken zijn de afgelopen jaren al een aantal stappen gezet. Zo heeft natuurcompensatie plaats gevonden op perceel Houtbeek en is een kassencomplex gesloopt aan de Oosterbrinkweg om nieuwe bebouwing mogelijk te maken. Voor de plannen op het perceel Harskamperweg 32 vraagt de gemeente om een toetsing aan de natuurwetgeving om inzichtelijk te maken of de plannen kunnen conflicteren met beschermde natuurwaarden. In voorliggende natuurtoets wordt hier invulling aan gegeven.
1.2
Huidige situatie en voorgenomen ontwikkeling
1.2.1
Huidige situatie Het plangebied ligt tussen de Harskamperweg (oostzijde) en Oude Garderderenseweg (westzijde) in Kootwijkerbroek (zie figuur 1.1). In het plangebied zijn bedrijfspanden, een bosje aan de zuidzijde en bomenrij langs de Oude Garderenseweg aanwezig. Er is geen (permanent) water aanwezig in het plangebied. Het perceel grenst aan verschillende woonerven. Parallel aan de Harskamperweg ligt de provinciale weg N310, die grenst aan het Natura 2000-gebied Veluwe. Ter hoogte van het plangebied zijn langs de N310 enkele lantaarnpalen aanwezig. De bedrijfspanden worden gebruikt als opslag en showroom voor bouwmaterialen. Vrijwel het gehele bedrijfserf is verhard om de materialen met klein materieel te kunnen verplaatsen. Een deel van de verharding is in gebruik als parkeergelegenheid voor bezoekers.
1.2.2
Voorgenomen ontwikkeling Het plan is om de bebouwing op het perceel met 1.450m2 uit te breiden, verharding aan te brengen en om een gedeelte buitenopslag en verharding te legaliseren. Voor de uitbreiding van de bebouwing en aanleggen van verharding is het nodig om een deel van het bosje aan de zuidzijde van het plangebied te verwijderen (zie figuur 1.1 en bijlage 1).
08
Natuurtoets Harskamperweg 32, Kootwijkerbroek
Figuur 1.1 Huidige situatie van het plangebied (rood omlijnd). Het gele kader geeft weer waar de nieuwe bebouwing beoogd wordt. Bron: Nationaal Georegister.
1.3
Leeswijzer In hoofdstuk 2 zijn het wettelijk kader waarbinnen de natuurtoets is uitgevoerd en de onderzoeksmethode beschreven. Op basis van de verzamelde informatie volgt een korte beschrijving van te verwachten effecten op beschermde gebieden (hoofdstuk 3), beschermde soorten (hoofdstuk 4), houtopstanden (hoofdstuk 5) en het Natuurnetwerk Nederland (hoofdstuk 6). Tevens is beschreven of, en zo ja, welke vervolgstappen nodig zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen. In hoofdstuk 7 zijn de geraadpleegde bronnen vermeld.
09
Natuurtoets NatuurtoetsHarskamperweg Harskamperweg32, 32,Kootwijkerbroek Kootwijkerbroek
2. Wettelijk kader en methode 2.1
Wettelijk kader
2.1.1
Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming (Wnb; Overheid, 2020) regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden, soorten en houtopstanden. In kader 2.1 wordt een samenvatting van de relevante wetteksten gegeven. Kader 2.1 Wet natuurbescherming Zorgplicht (artikel 1.11) De Wet eist van iedereen zorgplicht voor de natuur. Zorgplicht is altijd van kracht, ook ten aanzien van niet beschermde natuur. Artikel 1.11 schrijft voor dat niemand moedwillig natuurgebieden of in het wild levende dieren of planten of hun directe leefomgeving mag verstoren, schaden of doden. Dit kan door het achterwege laten van een handeling of door het treffen van maatregelen ter voorkoming van schade of -als zelfs dat niet kan- de ontstane schade zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. Een voorbeeld van voorzorg is het werken in de minst kwetsbare periode van soorten. Natura 2000 (hoofdstuk 2) Hoofdstuk 2 regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden, bestaande uit Habitatrichtlijngebieden (HR) en Vogelrichtlijngebieden (VR). Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelen geformuleerd voor de bescherming van natuurlijke habitats, habitats van soorten en leefgebieden van vogels. Artikelen 2.1 tot en met 2.11 van de Wet regelen de bescherming van (de doelen voor) Natura 2000-gebieden.
Artikel 2.7 verplicht om vooraf te beoordelen of plannen en projecten in of in de nabijheid van Natura 2000-gebieden significant negatieve effecten kunnen hebben op de voor deze gebieden geformuleerde doelen. Als uit de beoordeling blijkt dat geen significant negatieve effecten optreden dan kan een plan worden vastgesteld of is een vergunning voor een project niet nodig. Zijn significant negatieve effecten niet uit te sluiten, dan is een nadere beoordeling nodig. Artikel 2.8 bevat de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan voor het vaststellen van een plan of het verlenen van een vergunning. Het bevoegd gezag is meestal de provincie waar (het grootste deel van) de ingreep of handeling plaatsvindt, soms is dat het Rijk. Soorten (hoofdstuk 3) Hoofdstuk 3 regelt de bescherming van soorten. De bescherming van soorten is verdeeld over de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10. Het betreft de bescherming van: • Vogels zoals genoemd in de Vogelrichtlijn (artikel 3.1), in de praktijk vaak onderverdeeld in: – Vogels met jaarrond beschermde nesten, zoals huismus, gierzwaluw en buizerd. – Overige vogels, waarvan nesten alleen tijdens het broedseizoen zijn beschermd (periode van nestbouw, ei-leg, broeden en voeren van de jongen op het nest). • Soorten (exclusief vogels) van de Habitatrichtlijn (bijlage IV) en de Verdragen van Bern (bijlage II) en Bonn (bijlage I), zoals bedoeld in artikel 3.5.
• Andere soorten (artikel 3.10), onderverdeeld in: – Soorten waarvoor geen vrijstelling geldt. – Soorten waarvoor -op basis van de betreffende provinciale verordening- vrijstelling van de verbodsbepalingen geldt. Indien effecten niet zijn uit te sluiten moet -voorafgaand aan het vaststellen van een plan- zijn beoordeeld of er uitzicht is op het verkrijgen van een ontheffing. Als er aantoonbaar uitzicht is op het verkrijgen van een ontheffing dan kan het plan worden
10
Natuurtoets Harskamperweg 32, Kootwijkerbroek
vastgesteld. Als bij ruimtelijke ingrepen verbodsbepalingen worden overtreden dan is het noodzakelijk om een ontheffing aan te vragen bij het bevoegd gezag, tenzij gewerkt kan worden volgens een goedgekeurde gedragscode. Het bevoegd gezag is meestal de provincie waar (het grootste deel van) de ingreep of activiteit plaatsvindt, soms is dat het Rijk. Voor het verkrijgen van een ontheffing moet zijn beschreven hoe de initiatiefnemer er voor zorgt dat schade aan beschermde soorten tot een minimum beperkt blijft, welke mitigerende en compenserende maatregelen nodig zijn, dat alternatieven ontbreken en aan welk wettelijk belang wordt voldaan. Houtopstanden (hoofdstuk 4) Hoofdstuk 4 regelt de bescherming van houtopstanden. Een bij Wet beschermde houtopstand betreft een zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend buiten de bebouwde kom, die een oppervlakte grond beslaat van tien are of meer, of bestaat uit een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gerekend over het totaal aantal rijen. Voor het kappen (van een deel) van een beschermde houtopstand geldt meld- (artikel 4.2) en herplantplicht (artikel 4.3). Er geldt een verbod op de kap als het voornemen daartoe niet (maximaal een jaar en minimaal een maand) vooraf is gemeld bij bevoegd gezag. Binnen drie jaar moet dezelfde grond op bosbouwkundig verantwoorde wijze zijn herbeplant.
De gemeenteraad stelt de grens bebouwde kom Wet natuurbescherming vast. Het bevoegd gezag is meestal de provincie waar (het grootste deel van) de ingreep plaatsvindt, soms is dat het Rijk. Provinciale staten kunnen in de provinciale verordening regels opnemen over de melding en de herplant, zoals herplant op andere gronden dan waar de (deels) gevelde opstand stond.
2.1.2
Toetsingskader bestemmingsplannen De volgens de Wnb beschermde waarden dienen op twee manieren betrokken te worden bij vaststelling en wijziging van een bestemmingsplan (Kaajan, 2018): 1. De uitvoerbaarheidstoets die volgt uit de Wet ruimtelijke ordening. Met deze toets wordt de vraag of de beschermingsregimes uit de Wnb de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat beantwoord. Vrij vertaald wordt bepaald of er uitzicht is op het verkrijgen van een Wnb-vergunning of -ontheffing voor het project dat voortvloeit uit het bestemmingsplan. 2. Wnb-toets, zoals vastgelegd in artikel 2.7 lid 1 Wnb & artikel 2.8 lid 1 Wnb e.v. Kortweg: Voorafgaand aan vaststelling van het bestemmingsplan moet worden nagegaan of (uitvoering van) het plan kan leiden tot mogelijke significant negatieve effecten op een Natura 2000-gebied. Volgens vaste jurisprudentie bestaat deze toets uit een vergelijking tussen de huidige feitelijke, planologische legale situatie en de maximale plansituatie.
2.1.3
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening De bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is vastgelegd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro; Staatsblad, 2011) en uitgewerkt in provinciale verordeningen. Toetsing aan het Barro is noodzakelijk wanneer er sprake is van een planwijziging of activiteiten die in afwijking van een plan mogelijk worden gemaakt. In het Barro staat dat bij provinciale verordening gebieden moeten worden aangewezen die het NNN vormen. Bij provinciale verordening worden in het belang van de bescherming, instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden regels gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen. Voor nieuwe ontwikkelingen binnen en nabij het NNN, waarbij wordt afgeweken van het bestemmingsplan, geldt een ‘nee, tenzij’-afweging. Dit houdt kortweg in dat significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN niet toegestaan is. Regels voor beoordeling van effecten op het NNN zijn vastgelegd in provinciale verordeningen.
11
Natuurtoets Harskamperweg 32, Kootwijkerbroek
2.2
Onderzoeksmethode
2.2.1
Literatuuronderzoek Gestart is met een literatuuronderzoek om uit te zoeken of er beschermde soorten en gebieden (habitattypen en leefgebied van soorten met een instandhoudingsdoel) bekend zijn in en rondom het plangebied. Er is gebruik gemaakt van beschikbare bronnen zoals de interactieve atlas van provincie Gelderland en actuele verspreidingsgegevens, waaronder de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). Bij het raadplegen van de NDFF is een zoekgebied aangehouden van ruim één tot drie kilometer rondom het plangebied en is gezocht naar waarnemingen in de periode van de afgelopen 20 jaar.
2.2.2
Quickscan veldbezoek De verzamelde informatie uit het literatuuronderzoek vormt de basis voor het veldbezoek dat op 30 april (droog, matige wind en 11 graden) is uitgevoerd door een ecoloog van Ecogroen. In het veld is een eerste scan in het plangebied en de directe omgeving (zone van circa 50 meter) uitgevoerd, waarbij aandacht is besteed aan beschermde soorten, leefgebieden van soorten en habitats.
2.2.3
Gericht onderzoek naar wezel Conform de handreiking kleine marters in relatie tot soortbescherming (Bouwens, 2017) is gericht onderzoek naar wezel uitgevoerd. Er zijn twee wildcamera’s (gemonteerd in een houten kast met een blikje vis als lokmiddel) in het plangebied geplaatst. Op 16 juli 2020 zijn de camera’s geplaatst in het potentiële leefgebied van de wezel (zie figuur 2.1). De cameravallen zijn verdekt opgesteld en zodanig geplaatst dat er optimaal zicht is op (potentiële) verblijfplaatsen, verbindingszones en foerageergebied. De camera’s hebben ruim zes weken lang beeldmateriaal verzameld. Op 4 en 18 augustus 2020 zijn de camera’s in het veld gecontroleerd op functioneren, is beeldmateriaal uitgelezen en zijn batterijen gewisseld. Daarbij is gelet op eventuele sporen van wezel. Op 1 september 2020 zijn de camera’s opgehaald. Vervolgens zijn de verkregen beelden zijn geanalyseerd op aanwezigheid van wezel in het plangebied.
Figuur 2.1 Locatie cameravallen (oranje stippen) in het plangebied (rode lijn).
12
Natuurtoets Harskamperweg 32, Kootwijkerbroek
2.2.4
Toets gebiedsbescherming (Natura 2000-gebieden) In deze natuurtoets is beoordeeld of het plan leidt tot significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van het Natura 2000-gebied Veluwe. Er is gestart met het bepalen van de (mogelijke) negatieve effecten die als gevolg van de plannen kunnen optreden. Daarbij is op basis van het uitgevoerde literatuuronderzoek en het veldbezoek beoordeeld welke beschermde natuurwaarden met instandhoudingsdoelen in en rondom het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Vervolgens is beoordeeld of negatieve effecten te verwachten zijn op instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebied Veluwe, en zo ja, of deze significant (kunnen) zijn. Indien (mogelijk) sprake is van significant negatieve effecten is advies gegeven over te nemen vervolgstappen, zoals nader onderzoek of een vergunningaanvraag.
2.2.5
Toets soortbescherming Aan de hand van het uitgevoerde literatuuronderzoek en het veldbezoek is beoordeeld of er beschermde soorten voorkomen of te verwachten zijn binnen de invloedssfeer van het plan. Vervolgens is beoordeeld of door de werkzaamheden voor het realiseren van de bebouwing en verharding verbodsbepalingen worden overtreden. Ook wordt aangegeven welke mitigerende maatregelen mogelijk zijn om ontheffing te voorkomen, of een ontheffingsplicht van toepassing is en of vervolgonderzoek nodig is om kennisleemten op te vullen.
2.2.6
Toets houtopstanden Als eerste stap is beoordeeld of het toetsingskader van de Wnb houtopstanden van toepassing is binnen het plangebied. Vervolgens is bepaald of vervolgstappen aan de orde zijn.
2.2.7
Toets Natuurnetwerk Nederland Aan de hand van het uitgevoerde literatuuronderzoek en het veldbezoek is beoordeeld of, in het kader van goede ruimtelijke ordening, er door de plannen effecten kunnen optreden op de kernkwaliteiten van het Gelders natuurnetwerk (GNN). Indien dit het geval is, is er een advies opgenomen over de te nemen vervolgstappen.
13
Natuurtoets NatuurtoetsHarskamperweg Harskamperweg32, 32,Kootwijkerbroek Kootwijkerbroek
3. Gebiedsbescherming 3.1
Relevante Natura 2000-gebieden Het plangebied ligt op ongeveer 50 meter afstand van Natura 2000-gebied Veluwe (zie figuur 3.1). Gezien de korte afstand tussen het beschermde gebied en het plangebied kan sprake zijn van negatieve effecten op dit beschermde gebied door de plannen. Andere Natura 2000-gebieden liggen op meer dan 17 kilometer afstand. Negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van deze verder weg gelegen Natura 2000-gebieden zijn, vanwege de afstand en aard van de voorgenomen ontwikkeling, op voorhand uitgesloten. Voorliggende toetsing gaat daarom alleen in op Natura 2000-gebied Veluwe.
Figuur 3.1 Ligging van het plangebied (rood omlijnd) ten opzichte van Natura 2000-gebied Veluwe (groen). Bron: Nationaal Georegister.
14
Natuurtoets Harskamperweg 32, Kootwijkerbroek
3.2
Relevante instandhoudingsdoelen Natura 2000-gebied Veluwe is aangewezen als beschermingszone van achttien habitattypen, zeven habitatrichtlijnsoorten en tien broedvogelsoorten (zie kader 3.1). Voor deze habitattypen en soorten gelden instandhoudingsdoelen ten aanzien van oppervlak, kwaliteit en populatieomvang (zie bijlage 2). Kader 3.1 Beschermde natuurwaarden van Natura 2000-gebied Veluwe Habitattypen Stuifzandheiden met struikhei Binnenlandse kraaiheibegroeiingen Zandverstuivingen Zwakgebufferde vennen Zure vennen Droge heiden Jeneverbesstruwelen Heischrale graslanden Blauwgraslanden Pioniervegetaties met snavelbiezen Kalkmoerassen Beuken-eikenbossen met hulst Oude eikenbossen Overgangs- en trilvenen (trilvenen) Vochtige heiden (hogere zandgronden) Actieve hoogvenen (heideveentjes) Beken en rivieren met waterplanten (waterranonkels) Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen)
3.3
Afbakening effecten
3.3.1
Mogelijke effecten
Habitatsoorten Gevlekte witsnuitlibel Vliegend hert Beekprik Rivierdonderpad Kamsalamander Meervleermuis Drijvende waterweegbree Broedvogels Wespendief Nachtzwaluw IJsvogel Draaihals Zwarte specht Boomleeuwerik Duinpieper Roodborsttapuit Tapuit Grauwe klauwier
Op basis van de effectenindicator (Broekmeyer et al., 2005; Broekmeyer et al., 2008; Broekmeyer et al., 2010; Broekmeyer et al., 2014), de ligging van het plangebied ten opzichte van het Natura 2000gebied, de aard en omvang van het initiatief (zie paragraaf 1.2) en bekende dosis-effectrelaties zijn de te verwachten effecten in beeld gebracht. Doordat het plangebied buiten de begrenzing van Natura 2000-gebieden ligt zijn directe negatieve effecten, als gevolg van bijvoorbeeld oppervlakteverlies en betreding, op voorhand uitgesloten. Indirecte (uitstralende) effecten door verstoring door geluid, licht en optische verstoring kunnen gezien de afstand tot het Natura 2000-gebied niet op voorhand worden uitgesloten. Effecten op beschermde natuurwaarden kunnen ontstaan tijdens de bouwwerkzaamheden en de aanleg van verharding (aanlegfase). Tijdens de gebruiksfase kunnen effecten ontstaan door de aanwezigheid van mensen en voertuigen op het bedrijventerrein. Verzuring en vermesting Uitvoering van het bestemmingsplan kan leiden tot een lokale toename van stikstofdepositie. De mogelijke effecten van de stikstofuitstoot zijn separaat beoordeeld en maken geen onderdeel uit van deze rapportage.
15
Natuurtoets Harskamperweg 32, Kootwijkerbroek
3.4
Effectbeoordeling In deze paragraaf wordt beoordeeld of de te verwachten effecten leiden tot significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebied Veluwe. Hierbij worden eerst de habitattypen en typische soorten behandeld, vervolgens de habitatsoorten en als laatste de broedvogels.
3.4.1
Habitattypen en typische soorten Habitattypen Natura 2000-gebied Veluwe is aangewezen voor achttien habitattypen (zie kader 3.1). De dichtstbijzijnde habitattypen liggen in het gebied Loofles en betreffen Vochtige heiden (hogere zandgronden; H4010A), habitattype Zure vennen (H3160) en habitattype Stuifzandheiden met struikhei (H2310). De habitattypen liggen tussen de circa 300 en 450 meter van het plangebied (zie figuur 3.2). Andere habitattypen liggen op meer dan 1,5 kilometer van het plangebied. Habitattypen zijn niet gevoelig voor verstoring door geluid en licht en optische verstoring. Negatieve effecten op habitattypen zijn daarmee uitgesloten. Typische soorten Het toetsingscriterium ten aanzien van typische soorten is dat de soortenrijkdom in het gebied behouden moet blijven en (bij grootschalige gebieden) de gemiddelde verspreiding niet afneemt (Min. EZ, 2014a). Het gaat alleen om effecten op typische soorten die aanwezig zijn in het habitattype. Aan elk habitattype zijn typische soorten uit verschillende soort-groepen, zoals insecten, planten, reptielen, zoogdieren en vogels gebonden. Bijlage 3 geeft een overzicht van de typische soorten behorende bij de drie hierboven genoemde habitattypen (Min. EZ, 2014b). Vanwege de aard van het voornemen en afstand tot verder weg gelegen habitattypen (> 1,5 km), worden effecten op typische soorten van deze habitattypen uitgesloten.
Van de verschillende soortgroepen met typische soorten zijn vogelsoorten het meest gevoelig voor verstoring. Soortgroepen als insecten en reptielen blijken weinig gevoelig voor verstoring. In tabel 3.1 zijn de typische vogelsoorten van de nabij liggende habitattypen zure vennen en stuifzandenheiden met struikhei weergegeven. Voor habitattype vochtige heiden zijn geen typische vogelsoorten aangewezen. Uit literatuuronderzoek naar verstoringsafstanden van vogels (Krijgsveld et al., 2008) blijkt dat de verstoringsafstanden voor de in tabel 3.1 genoemde typische vogelsoorten bij landrecreatie gemiddeld ligt tussen de 25 en 200 meter. De activiteit in het plangebied is vergelijkbaar met landrecreatie; beweging, geluid en menselijke activiteit. Gezien het dichtstbijzijnde habitattype op ca 300 meter ligt, reikt de verstoring van het plangebied niet tot het leefgebied van de typische soorten. Daarbij ligt tussen het plangebied en de habitattypen een bosgebied, wat een afschermende en dempende werking heeft voor optische verstoring en geluid en licht. Dit bosgebied maakt geen onderdeel uit van het leefgebied van de typische soorten. Negatieve effecten als gevolg van verstoring door geluid en licht en optische verstoring op typische soorten treedt daarom niet op.
De soortenrijkdom in het gebied wordt niet aangetast en de verspreiding van typische soorten neemt niet af door de voorgenomen plannen. Effecten op typische soorten zijn daarmee uitgesloten. Tabel 3.1 Typische soorten van de soortgroep vogels behorende bij habitattypen H2310 = stuifzandheiden met struikhei; H3160 = Zure vennen. Boomleeuwerik Klapekster Roodborsttapuit Tapuit
Veldleeuwerik Geoorde fuut Wintertaling
16
Natuurtoets Harskamperweg 32, Kootwijkerbroek
Figuur 3.2 Ligging van plangebied (rood omlijnd) ten opzichte van habitattypen (paars = Vochtige heiden, blauw = zuur ven, geel = stuifzandheiden met struikhei) in Natura 2000-gebied Veluwe (groen omlijnd). Bron: Provincie Gelderland, 2020a.
3.4.2
Habitatsoorten Natura 2000-gebied Veluwe is aangewezen voor zeven habitatsoorten (zie kader 3.1). Gevlekte witsnuitlibel, vliegend hert, beekprik, rivierdonderpad, kamsalamander en drijvende waterweegbree zijn niet tot weinig gevoelig voor verstoring (Ministerie EZ, 2014b). Op basis van de afstand (en de aard van het voornemen, worden negatieve effecten als gevolg van verstoring op deze soorten op voorhand uitgesloten. Meervleermuis kan wel gevoelig zijn voor verstoring, waardoor effecten op voorhand niet zijn uit te sluiten. Meervleermuis De meervleermuis komt voor in waterrijke gebieden met moerassen, weiden en bossen. Verblijfplaatsen bevinden zich in gebouwen op zolders, spouwmuren en onder dakpannen. (Kraam)kolonies bevinden zich vaak in dorps-/stadkernen, buiten begrenzing van Natura 2000-gebieden. Meervleermuizen foerageren vooral boven open water in schemer en nacht. Voor vliegroutes van verblijfplaatsen naar foerageergebied maken vleermuizen vaak gebruik van lijnvormige landschapselementen zoals kanalen en bosranden. De meervleermuis is matig gevoelig voor geluid en optische verstoring, maar zeer gevoelig voor licht (Ministerie EZ, 2014b). Meervleermuis heeft een behoudsdoelstelling.
In Natura 2000-gebied Veluwe gaat het hierbij om behoud van de overwinteringsplaatsen (nabij Arnhem) en landschappelijke structuren waarop de soort zich oriënteert (Provincie Gelderland, 2017). De Veluwe is door zijn droge karakter en afwezigheid van kanalen en groot open water weinig geschikt als leefgebied tijdens de actieve periode (periode buiten de overwinteringsperiode). Door de plannen worden de overwinteringsplaatsen van meervleermuis niet verstoord. Bovendien zijn in het plangebied geen potentiële verblijfplaatsen aanwezig doordat de bebouwing gladde metalen wanden heeft en geen gaten en kieren bevat waardoor vleermuizen naar binnen kunnen. Ook worden geen landschappelijke structuren doorsneden of verstoord. Negatief effect op het instandhoudingsdoel van meervleermuis is uitgesloten.
17
Natuurtoets Harskamperweg 32, Kootwijkerbroek
3.4.3
Broedvogels In het Natura 2000-gebied Veluwe zijn tien broedvogelsoorten aangewezen (zie kader 3.1). Ter hoogte van het plangebied bestaat het Natura 2000-gebied vooral uit (naald)bos. Op circa 300 meter van het plangebied is open habitat aanwezig met het ven Loofles. Vanwege de afstand, de afschermde werking van het tussenliggende bos, de aard van het voornemen en de huidige verstoring van geluid, licht en optische verstoring door de N310, worden effecten op broedvogels met instandhoudingsdoelen die gebonden zijn aan (half open) heide en heideranden, overgangszones, duinen, struweel en (open) water op voorhand uitgesloten. Dit zijn de broedvogels nachtzwaluw, draaihals, roodborsttapuit, boomleeuwerik, duidpieper, grauwe klauwier en ijsvogel. De bosrand van het Natura 2000-gebied begint op circa 50 meter vanaf het plangebied. Vanwege deze afstand zijn effecten op de bosbewoners zwarte specht en wespendief niet op voorhand uit te sluiten. Zwarte specht Ter hoogte van het plangebied zijn binnen het Natura 2000-gebied verschillende waarnemingen bekend van zwarte specht (NDFF, 2020). Het bosgebied ter hoogte van het plangebied is aangegeven als primair leefgebied van zwarte specht (Sierdsema et al., 2008). Op basis van de waarnemingen en geschikt leefgebied, wordt aangenomen dat zwarte specht in het bosgebied ter hoogte van het plangebied jaarrond voorkomt.
De totale populatie op de Veluwe wordt geschat op circa 300 - 450 broedparen (Sierdsema et al., 2008; Sierdsema, 2015). Dit overlapt deels met het instandhoudingsdoel voor zwarte specht binnen het Natura 2000-gebied: behoud van omvang en kwaliteit van het leefgebied dat geschikt is voor 400 broedparen. De huidige trend op de Veluwe is onbekend; momenteel is onduidelijk of het aantal van 400 broedparen wordt gehaald. Zwarte spechten zijn matig tot gemiddeld gevoelig voor verstoring (Min. EZ, 2014b). Doordat de soort leeft in besloten en halfopen landschap is de habitatgevoeligheid matig. Gemiddelde verstoringsafstanden van spechten liggen tussen de 25 meter en 250 meter vanaf de verstoringsbron (Krijgsveld et al., 2008). Verstoring van geluid en licht en optische verstoring is vanwege de afstand (>50m) van het plangebied tot het leefgebied (bos) van de zwarte specht en de dempende en afschermende werking van het bos beperkt tot de bosrand. In de huidige situatie is al verstoring door geluid, licht en optische verstoring in het plangebied en naastliggende woningen aanwezig. Daarbij ligt de N310 tussen het plangebied en het Natura 2000-gebied, waardoor de eventuele extra verstoring in het plangebied als gevolg van de plannen ondergeschikt is aan de huidige verstoring. De draagkracht van het bosgebied als leefgebied voor zwarte specht ter hoogte van het plangebied verandert niet.
Op basis van de aard van het voornemen, de afstand tot Natura 2000-gebied en tussenliggende infrastructuur, worden negatieve effecten op instandhoudingsdoelen van zwarte specht uitgesloten. Wespendief Ter hoogte van het plangebied zijn binnen het Natura 2000-gebied verschillende waarnemingen bekend van wespendief (NDFF, 2020). Het betreft vooral waarnemingen van overvliegende of foeragerende dieren. Nesten zijn niet gedocumenteerd (NDFF, 2020; Sierdsema et al., 2008). Het bosgebied ter hoogte van het plangebied is aangegeven als primair leefgebied van wespendief (Sierdsema et al., 2008). Voor de wespendief geldt een behoudsdoel. De huidige populatie op de Veluwe omvat circa 100 broedparen. Dit komt overeen met het beoogde draagvlak voor het leefgebied van deze soort (Van Manen et al., 2011; Provincie Gelderland, 2017). Wespendief is matig verstoringsgevoelig (Min. EZ, 2014b).
18
Natuurtoets Harskamperweg 32, Kootwijkerbroek
Verstoring van geluid en licht en optische verstoring is vanwege de afstand (>50m) van het plangebied tot het leefgebied (bos) van de wespendief en de dempende en afschermende werking van het bos beperkt tot de bosrand. In de huidige situatie is al verstoring door geluid, licht en optische verstoring in het plangebied en naastliggende woningen aanwezig. Daarbij ligt de N310 tussen het plangebied en het Natura 2000-gebied, waardoor de eventuele extra verstoring in het plangebied als gevolg van de plannen ondergeschikt is aan de huidige verstoring. De draagkracht van het bosgebied als leefgebied voor wespendief ter hoogte van het plangebied verandert niet. Op basis van de aard van het voornemen, de afstand tot Natura 2000-gebied en tussenliggende infrastructuur, worden negatieve effecten op instandhoudingsdoelen van zwarte specht uitgesloten.
19
Natuurtoets NatuurtoetsHarskamperweg Harskamperweg32, 32,Kootwijkerbroek Kootwijkerbroek
4. Soortbescherming 4.1
Flora Het plangebied bestaat vooral uit verharding, bomen en een bosje. Het bosje bestaat uit jonge bomen als berk, lijsterbes en zomereik. De ondergroei bestaat uit zevenblad, grote brandnetel, lookzonder-look en glanzige ooievaarsbek. Tijdens het veldbezoek zijn geen in de Wnb beschermde plantensoorten aangetroffen. Op basis van de aangetroffen soortensamenstelling, de terreingesteldheid en bekende verspreidingsgegevens (NDFF, 2020) worden ook geen beschermde soorten verwacht. Het nemen van vervolgstappen ten aanzien van de soortgroep flora is in het kader van de Wnb niet aan de orde.
4.1.1
Japanse duizendknoop In het zuidelijk bosje in het plangebied is tijdens het veldbezoek een (nog jonge) groeiplaats van Japanse duizendknoop aangetroffen. De Japanse duizendknoop is een invasieve exoot. De plant is zo sterk dat deze in staat is met haar meterslange wortels schade aan te richten aan funderingen of ondergrondse leidingen. De Japanse duizendknoop kan zich in hoog tempo uitbreiden waardoor schade al op korte termijn kan ontstaan. Japanse duizendknoop plant zich vegetatief voort; stengelen worteldelen breken af en lopen uit op de locatie waar zij terechtkomen. Verplaatsing van grond en eventueel maaiwerkzaamheden werken deze verspreiding in de hand. Op dit moment zijn Aziatische duizendknopen niet opgenomen in de zogeheten Unielijst, waardoor er geen sprake is van een wettelijke bestrijdings- of beheersingsplicht (zie kader 4.1). Om schade te voorkomen is het belangrijk dat deze plant op de juiste wijze en volledig wordt verwijderd. Geadviseerd wordt om Japanse duizendknoop op de groeilocatie volledig te verwijderen en het afval af te voeren naar een gecertificeerd verwerker van groenafval afkomstig van invasieve exoten. Kader 4.1 Invasieve exoten op de Unielijst Per 3 augustus 2016 geldt een Europees verbod (EU-exotenverordening 1143/2014) op bezit, handel, kweek, transport en import van een aantal schadelijke exotische planten en dieren.
Deze soorten staan op de zogenaamde Unielijst. Deze invasieve exoten zijn op de Unielijst geplaatst, omdat ze in delen van de EU schade (kunnen gaan) toebrengen aan de biodiversiteit en/of ecosysteemdiensten. Ze kunnen ook nadelige gevolgen hebben voor de menselijke gezondheid, veiligheid of de economie. Men mag onder andere geen handeldrijven met een soort die op de Unielijst staat. Verder geldt voor lidstaten de plicht om in de natuur aanwezige populaties op te sporen en te verwijderen of de populatie zodanig te beheren dat verspreiding en schade zoveel mogelijk worden voorkomen.
20
Natuurtoets Harskamperweg 32, Kootwijkerbroek
4.2
Zoogdieren
4.2.1
Vleermuizen Het leefgebied van vleermuizen bestaat uit verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebieden (zie ook kader 4.2). Hieronder worden deze onderdelen nader beoordeeld. Kader 4.2 Vleermuizen Verblijfplaatsen Verblijfplaatsen kunnen zich bevinden in donkere en voor vleermuizen bereikbare ruimten in bomen, huizen, kelders et cetera en kunnen aanwezig zijn in de vorm van kraamverblijven / zomerverblijven, baltslocatie / paarverblijven en winterverblijven. Verstoring, beschadiging, vernietiging of het verwijderen van deze verblijfplaatsen is verboden. Vliegroutes Voor oriëntatie tijdens de trek van en naar hun verblijfplaatsen en foerageergebieden gebruiken vleermuizen veelal jarenlang dezelfde structuren. Vanwege dit traditiegetrouwe gedrag van vleermuizen vormen bepaalde lijnvormige structuren (bijvoorbeeld rijen woningen, watergangen en bomenrijen) een belangrijk onderdeel van een vliegroute. Wanneer alternatieve structuren ontbreken zijn dergelijke structuren ‘onmisbaar’ en zodoende beschermd. Foerageergebieden Locaties waar insecten aanwezig zijn, bijvoorbeeld langs randen van bossen, bomenrijen of boven water zijn van belang als foerageergebied voor vleermuizen. Foerageergebied van vleermuizen geniet binnen de Wet natuurbescherming echter geen juridische bescherming, tenzij het ‘onmisbaar’ is voor het voortbestaan van een populatie.
Verblijfplaatsen Als gevolg van de plannen wordt er aan bestaande bebouwing gewerkt. Door gladde metalen wanden en op basis van de bouwconstructie (geen gaten en kieren) is deze bebouwing ongeschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. In de bomen in het plangebied zijn geen geschikte holten of scheuren, kieren of loszittende schors gevonden die kunnen dienen als verblijfplaats voor vleermuizen. Vervolgstappen voor verblijfplaatsen van vleermuizen zijn niet aan de orde. Foerageergebied Door aanwezigheid van bomen en beplanting is het plangebied en omgeving geschikt als foerageergebied voor vleermuizen. Door de plannen gaat een beperkt deel van een bosje verloren. Echter blijven in de omgeving voldoende foerageergebied over in vorm van bosranden, tuinen en bos, waardoor geen sprake is van verlies van onmisbaar foerageergebied. Vervolgstappen voor foerageergebieden voor vleermuizen zijn niet aan de orde. Vliegroutes De bomenrij langs de Oude Gardense weg en bosrand aan de zuidzijde van het plangebied kunnen dienen als vliegroute. De bosrand blijft bestaan en ook de bomenrij langs de Oude Gardensweg blijft zijn (mogelijke) functie als vliegroute behouden. Vervolgstappen voor vliegroutes zijn niet aan de orde. 4.2.2
Grondgebonden zoogdieren Wezel Wezel is bekend in de omgeving van het plangebied (NDFF, 2020). Het betreffen waarnemingen van monitoring van faunapassages onder de N310 net ten zuiden van het plangebied. In het plangebied is geschikt leefgebied van wezel aanwezig in het zuidelijk bosje. Hier is dekking aanwezig in vorm van takkenhopen (snoeiafval) en muizenholen waar wezel kan verblijven en foerageren.
21
Natuurtoets Harskamperweg 32, Kootwijkerbroek
Aanvullend onderzoek naar wezel is uitgevoerd om gebruik van het plangebied door wezel te kunnen vaststellen of uitsluiten (zie paragraaf 2.2). Uit de analyse van de camerabeelden komt naar voren dat er geen exemplaren van wezels zijn vastgelegd. Ook zijn geen sporen zoals uitwerpselen van deze soorten vastgesteld tijdens de uitgevoerde controle bezoeken voor de camera’s. Op basis van de resultaten van het cameraonderzoek wordt het voorkomen van wezel binnen het plangebied niet verwacht. Vervolgstappen ten aanzien van deze soorten zijn niet aan de orde. Das Uit bekende verspreidingsgegevens (NDFF, 2020) is het voorkomen van das in de omgeving bekend. De bekende, bewoonde dassenburchten liggen buiten het plangebied, op de Veluwe. Echter zijn er meerdere faunavoorzieningen in de N310 waardoor dassen kunnen foerageren buiten het Natura 2000-gebied. In het plangebied is geschikt foerageergebied aanwezig in vorm van grasland en het bosje. Echter zijn deze percelen omheind met gaas, waardoor het niet toegankelijk is voor das. Er zijn tijdens het veldbezoek dan ook geen sporen van das gevonden in het plangebied. Gezien er geen verblijfplaatsen en foerageergebied van das verloren gaat door de plannen, zijn vervolgstappen niet aan de orde. 4.2.3
Overige zoogdieren Verblijfplaatsen en leefgebied van overige beschermde zoogdieren zonder provinciale vrijstelling, zoals boommarter, worden op basis van terreinkenmerken, het terreingebruik, het onderzoek en bekende verspreidingsgegevens niet verwacht. Vervolgstappen voor deze soorten zijn niet aan de orde. Wel zijn in het plangebied vaste verblijfplaatsen van een aantal algemeen voorkomende grondgebonden zoogdiersoorten, zoals rosse woelmuis en gewone bosmuis, aangetroffen en/of te verwachten. Bij de geplande ingrepen kunnen enkele verblijfplaatsen en/of exemplaren van deze grondgebonden zoogdieren geschaad worden. In voorliggende situatie geldt voor deze soorten in de provincie Gelderland een vrijstelling van de verbodsartikelen uit de Wnb, waardoor het nemen van vervolgstappen voor deze zoogdieren niet aan de orde is. De zorgplicht (zie kader 2.1) blijft wel van kracht op deze soorten.
4.3
Vogels Bij Vogels wordt onderscheid gemaakt in twee categorieën met een verschillend beschermingsregime (zie kader 2.1).
4.3.1
Vogels met jaarrond beschermde nesten Van veel vogels zijn nesten alleen gedurende het broedseizoen beschermd. Voor een aantal vogelsoorten geldt echter dat de nestlocaties inclusief de functionele leefomgeving jaarrond beschermd zijn (zie kader 4.3).
Kader 4.3 Broedvogels met jaarrond beschermde nestplaatsen Onder jaarrond beschermde nesten van vogels wordt in Gelderland verstaan: in functie zijnde nesten van de boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, kerkuil, oehoe, ooievaar, ransuil, roek, slechtvalk, sperwer, steenuil, wespendief en zwarte wouw. Voor sommige andere soorten geldt dat de nesten jaarrond beschermd zijn als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen.
22
Natuurtoets Harskamperweg 32, Kootwijkerbroek
In het plangebied zijn geen vogels met jaarrond beschermde nesten bekend (NDFF, 2020). Tijdens het veldbezoek is wel een foeragerende huismus waargenomen net buiten het plangebied; bij de woning op het naastgelegen woonerf. Tijdens het veldbezoek zijn geen nesten, sporen of exemplaren van overige broedvogels met jaarrond beschermde nestplaatsen aangetroffen in of rondom het plangebied. In een boom op het erf van nummer 36 zijn recent twee bosuilenkasten opgehangen. Deze zijn (nog) niet in gebruik. Huismussen kunnen broeden onder de dakpannen van de woning(en) buiten het plangebied. Deze woningen worden door de plannen niet aangetast en door de afstand en erfbeplanting niet verstoord. De bebouwing in het plangebied ontbreken openingen of holten waar huismus kan broeden. Door de verharding is er ook geen geschikt foerageergebied aanwezig. Als gevolg van de plannen worden geen (potentiele) nestlocaties of onmisbaar foerageergebied van vogels met jaarrond beschermde nesten aangetast. Het nemen van vervolgstappen is voor vogels met jaarrond beschermde nesten zijn niet aan de orde. 4.3.2
Overige vogels Doordat het plangebied grotendeel verhard is, is beperkt broedbiotoop aanwezig voor vogels zonder jaarrond beschermde nesten. Door aanwezigheid van het bosje zijn soorten als houtduif, merel, heggemus, tjiftjaf en zwartkop te verwachten. Voor alle inheemse vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die soorten, nesten, eieren of vaste rust- of verblijfplaatsen beschadigen of verstoren. In het kader van de Wnb wordt voor het broedseizoen geen standaardperiode gehanteerd, omdat deze per soort en vaak per jaar kan verschillen. Van belang is of een broedgeval wordt verstoord, ongeacht de datum. Uitvoering van de werkzaamheden dienen zo veel mogelijk buiten het broedseizoen plaats te vinden. Voor de meeste soorten kan de periode tussen 1 maart en 15 juli worden aangehouden als broedseizoen. Vooral soorten als de houtduif en merel kunnen tot laat in het seizoen doorgaan met broeden en ook vroeg in het seizoen starten met broeden. Indien werkzaamheden in de periode half februari tot half december worden opgestart wordt geadviseerd om voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelcontrole door een ter zake deskundige uit te voeren. Mochten broedende vogels aanwezig zijn dan dienen de werkzaamheden ter plekke te worden uitgesteld tot de jongen zijn uitgevlogen.
4.4
Reptielen
4.4.1
Hazelworm Het voorkomen van hazelworm is bekend in de nabijheid van het plangebied (NDFF, 2020). In de NDFF is gezocht in een zone van ruim 3 kilometer vanaf het plangebied. De meeste waarnemingen zijn bekend in het Natura 2000-gebied Veluwe, in het bosgebied en rondom ven Loofles aan de overzijde van de N310. Er is er één oude waarneming (uit 2012) bekend buiten het Natura 2000 gebied, op het erf van de Harskamperweg 30. De betreffende waarneming heeft een lage nauwkeurigheid, waardoor onduidelijk is of de waarneming daadwerkelijk is gedaan op het erf. Doordat slechts één niet-recente waarneming is gedaan met een grote onnauwkeurigheid, de tussenliggende N310 voor een hazelworm zorgt voor een moeilijk te passeren barrière en aan de westzijde (zijde plangebied) geen waarnemingen van hazelworm zijn gedaan in een ruime zone rond het plangebied, is onwaarschijnlijk dat sprake is van een populatie hazelworm in het plangebied. Bovendien vormt de enige locatie waar werkzaamheden plaatsvinden - het zuidelijke bosje in het plangebied - marginaal geschikt biotoop voor hazelworm. Belangrijke elementen als liggend dood hout zijn niet aanwezig.
23
Natuurtoets Harskamperweg 32, Kootwijkerbroek
Tijdens het veldbezoek is het bosje ook intensief onderzoek op mogelijke verblijfplaatsen in het gebied onderzocht op aanwezigheid van hazelworm, door onder het snoeiafval te kijken. Er zijn hierbij geen hazelwormen aangetroffen. Op basis van het veldbezoek, terreinkenmerken en bekende verspreidingsgegevens worden geen vaste verblijfplaatsen van hazelwormen verwacht in het plangebied en zijn vervolgstappen niet aan de orde. 4.4.2
Overige reptielen Op basis van het veldbezoek, terreinkenmerken en verspreidingsgegevens (NDFF, 2020) wordt voortplanting en overwintering van de overige soorten van de habitatrichtlijn, de Verdragen van Bern en Bonnen en nationaal beschermde reptielen (zoals adder en gladde slang) niet verwacht. Vervolgstappen voor deze soorten zijn niet aan de orde.
4.5
Amfibieën
4.5.1
Rugstreeppad Het voorkomen van rugstreeppad is bekend in de nabijheid van het plangebied (NDFF, 2020). In de NDFF is gezocht in een zone van ruim 3 kilometer vanaf het erf. De waarnemingen zijn gedaan in het Natura 2000-gebied Veluwe, rondom het ven Loofles (voortplanting) en het bosgebied nabij het ven. Aan de westzijde van de N310 (zijde plangebied) zijn geen waarnemingen van rugstreeppad gedaan in een ruime zone rond het plangebied. De soort is tijdens het veldbezoek ook niet waargenomen. Er is geen (permanent) oppervlaktewater aanwezig in het plangebied, waardoor voortplanting van rugstreeppad is uitgesloten. Dichtstbijzijnde voortplantingswater (Loofles) ligt op circa 300 meter van het plangebied. De tussenliggende N310 is voor een rugstreeppad voor een moeilijk te passeren barrière. Ook is rondom Loofles en verder op de Veluwe ruim voldoende optimaal foerageer- en overwinteringsgebied voor een populatie rugstreeppadden. Daarbij is het plangebied grotendeels verhard en daarom marginaal geschikt als foerageer-of overwinteringsgebied. Op basis van bekende verspreidingsgegevens, het veldbezoek en terreinkenmerken en worden geen vaste verblijfplaatsen of onmisbaar foerageergebied van rugstreeppad verwacht in het plangebied en zijn vervolgstappen niet aan de orde.
4.5.2
Overige amfibieën Door de afwezigheid van permanent oppervlaktewater wordt voorplanting van beschermde amfibieën binnen het plangebied uitgesloten. Op basis van het veldbezoek, terreinkenmerken en verspreidingsgegevens wordt ook overwintering van de in de Habitatrichtlijn en de Verdragen van Bern en Bonn en overige nationaal beschermde amfibieën (zoals kamsalamander en poelkikker) uitgesloten. Wel kunnen enkele algemene soorten amfibieën zoals kleine watersalamander, gewone pad en bruine kikker overwinterend aanwezig zijn in de strooisellaag en (muizen)holen van het bosje binnen het plangebied. Bij de geplande ingrepen kunnen enkele exemplaren van vrijgestelde beschermde amfibieën geschaad worden. In voorliggende situatie geldt vrijstelling van de verbodsartikelen uit de Wnb, waardoor het nemen van vervolgstappen voor deze amfibieën niet aan de orde is.
24
Natuurtoets Harskamperweg 32, Kootwijkerbroek
4.6
Ongewervelden
4.6.1
Vliegend hert Het voorkomen van vliegend hert is bekend in en rondom de Veluwe. Nabij het plangebied zijn geen waarnemingen bekend (NDFF, 2020). De belangrijkste voorwaarden waar een gebied aan moet voldoen om een populatie vliegende herten te kunnen herbergen zijn; voldoende dood (eiken)hout, aangetast door witrot én kwijnende eiken met bloedende wondjes als voedingsplek en ontmoetingsplek voor vliegende herten (Smit & Krekels, 2008). Beide voorwaarden zijn niet aanwezig in of nabij het plangebied. Vervolgstappen ten aanzien van vliegend hert zijn niet aan de orde.
4.6.2
Overige ongewervelden Op basis van terreinkenmerken, biotoopeisen en bekende verspreidingsgegevens worden geen andere beschermde ongewervelden verwacht in of nabij het plangebied. Vervolgstappen voor deze soorten zijn niet aan de orde.
4.7
Vissen Op basis van de terreinkenmerken (afwezigheid oppervlaktewater), habitateisen en bekende verspreidingsgegevens (NDFF, 2020) worden in het plangebied geen voortplantings- of vaste verblijfplaatsen verwacht van vissen. Het nemen van vervolgstappen in het kader van de Wnb is niet aan de orde voor vissen.
25
Natuurtoets NatuurtoetsHarskamperweg Harskamperweg32, 32,Kootwijkerbroek Kootwijkerbroek
5. Houtopstanden 5.1
Beoordeling houtopstanden Het plangebied ligt buiten de begrenzing bebouwde kom Wnb (Gelderland, 2020d) en valt daarmee onder het beschermingsregime van het hoofdstuk houtopstanden uit de Wnb (art. 4.1 - 4.5; zie ook kader 2.1). Conform de begripsbepaling in de wetstekst Wnb betreft een houtopstand een zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, die: • een oppervlakte grond beslaat van tien are of meer, of • bestaat uit een rijbeplanting van meer dan twintig bomen, gerekend over het totaal aantal rijen. De te vellen bomen maken onderdeel uit van een bos dat voldoet aan de criteria voor een ‘houtopstand’. De houtopstand valt niet onder de uitsluitingsregels van de Wnb. Geconcludeerd wordt dat er ten aanzien van de Wnb vervolgstappen aan de orde zijn. Voor vellen van de bomen geldt een meldings- en herplantplicht. Bij een (bestemmings)planwijziging is ontheffing van de Wnb voor houtopstanden niet mogelijk. Een melding van voorgenomen kap is verplicht en compensatie is nodig. Indien de compensatie al is uitgevoerd op het perceel Houtbeek, is voldaan aan de herplantplicht en is enkel een melding bij het bevoegd gezag (provincie Gelderland) vooraf (minimaal 6 weken) het vellen van de houtopstand nodig. Naast bescherming van houtopstanden onder de Wnb hanteren gemeenten ook beschermingsregels voor houtopstanden.
Mogelijk is een omgevingsvergunning noodzakelijk.
26
Natuurtoets NatuurtoetsHarskamperweg Harskamperweg32, 32,Kootwijkerbroek Kootwijkerbroek
6. Natuurnetwerk Nederland 6.1
Beoordeling Natuurnetwerk Nederland Uit de kaartviewer van provincie Gelderland blijkt dat het plangebied niet binnen het Gelders natuurnetwerk (GNN) of de groene ontwikkelzone (GO) ligt (Provincie Gelderland, 2020b). Het dichtstbijzijnde GNN-gebied - deelgebied Kootwijk- ligt op ongeveer 50 meter van het plangebied en overlapt met het Natura 2000-gebied Veluwe (zie figuur 6.1). De kernkwaliteiten die bij deelgebied Kootwijk horen zijn o.a. dat het onderdeel is van grootschalig aaneengesloten gebied van droge, voedselarme bossen, zandverstuivingen en heide, dat er groot wild voorkomt en dat het leefgebied is van de das (Provincie Gelderland, 2020c). Daarnaast kent het GNN een aantal algemene kernkwaliteiten waaronder rust, stilte, en donkerte en abiotische waarden als aardkundige waarden, kwel, bodem en grondwaterreservoir. Met de beoogde ontwikkeling wordt afgeweken van het vigerende bestemmingsplan. De provinciale regels van Gelderland over het GNN gelden echter alleen voor gronden binnen het GNN. De “neetenzij”-toets is daarom niet aan de orde. In het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening’ is het wel noodzakelijk te waarborgen dat een plan de kernkwaliteiten van het GNN niet aantast. Goede ruimtelijke ordening houdt in dat naastgelegen functies elkaar niet mogen hinderen. Voor de uitwerking van het plan wordt er niet in het watermilieu gewerkt.
Ook vinden er geen grootschalige grondwerkzaamheden plaatst. Hierdoor worden de algemene abiotische waarden niet aangetast. Door de ligging van het plangebied buiten het GNN wordt ook de aaneengeslotenheid van het gebied met droge voedselarme bossen, zandverstuivingen en heide niet aangetast. Door de afschermende werking van de tussenliggende provinciale weg vinden er ook geen effecten plaats op het groot wild, het leefgebied van de das (zie hoofdstuk 4) en de kernkwaliteit rust, stilte en donkerte (zie ook hoofdstuk 3). Het plan heeft geen negatieve effecten op de kernkwaliteiten van het GNN. Het nemen van vervolgstappen is niet aan de orde.
27
Natuurtoets Harskamperweg 32, Kootwijkerbroek
Figuur 6.1 Ligging van plangebied (rood omlijnd) ten opzichte van deelgebieden van het GNN (donkergroen) en GO (lichtgroen). Bron: Provincie Gelderland, 2020c.
28
Natuurtoets NatuurtoetsHarskamperweg Harskamperweg32, 32,Kootwijkerbroek Kootwijkerbroek
Geraadpleegde bronnen Literatuur Bouwens, S. (2017). Handreiking kleine marters in relatie tot soortbescherming. Provincie Noord-Brabant, Zoogdiervereniging rapport 2017.32. Broekmeyer, M., Ottburg, F., Schotman, A., & Wamelink, W. (2014). Update effectenindicator Natura 2000; aanpassing storende factoren vermesting en verzuring in verband met gegevens Programmatische Aanpak Stikstof (PAS). Alterra, Wageningen. Broekmeyer, M.E.A. (2008). Effectenindicator Natura 2000-gebieden; Aanvulling bij het Alterra-rapport 1375 uit 2005. Alterra, Wageningen. Broekmeyer, M.E.A. (2010). Update effectenindicator. Alterra-rapport 1976, Alterra, Wageningen. Broekmeyer, M.E.A., Schouwenberg, E.P.A.G., Van der Veen, M., Prins, A.H., & Vos, C.C. (2005). Effectenindicator Natura 2000-gebieden; Achtergronden en verantwoording ecologische randvoorwaarden en storende factoren. Alterra-rapport 1375, Alterra, Wageningen. Kaajan, M.M. (2018). 107. Bescherming van Natura 2000-gebieden via het bestemmingsplan. Tijdschrift Natuurbeschermingsrecht Nummer 5-6, augustus 2018. SDU. Den Haag. Krijgsveld, K.L., Smits, R.R. & van der Winden, J. (2008). Verstoringsgevoeligheid van Vogels. Update literatuurstudie naar de reacties van vogels op recreatie, Bureau Waardenburg, 23 december 2008. Bureau Waardenburg, Culemborg. Ministerie EZ (2014a). Leeswijzer Natura 2000 profielen.
Geheel herziene versie september 2014. Ten behoeve van de profielen behorende bij de aanwijzing van de Natura 2000-gebieden in de EEZ. Ministerie van Economische Zaken, Den Haag. Ministerie EZ (2014b). Natura 2000 profielen habitattypen, habitatrichtlijnsoorten en vogelrichtlijnsoorten. Ministerie van Economische Zaken, Den Haag. Provincie Gelderland (2017). Beheerplan Natura 2000-gebied Veluwe. December 2017. Arnhem. Salomons M. (2019). Quickscan Natuurtoets Inrichtingsplan Houtbeek, Stroe. Toetsing effecten op beschermde natuurwaarden onder de Wet natuurbescherming. Rapport 18-255. Ecogroen bv Zwolle. Sierdsema, H. (2015). Toelichting abundantiekaart en aantalsschatting Zwarte Specht Veluwe. Sovon Vogelonderzoek Nederland, juni 2015. Sierdsema, H., J. van Diermen, B. Aarts, L. van den Bremer en A. van Kleunen (2008). Factsheets van broedvogels in de Natura 2000-gebieden van Gelderland. SOVON-onderzoeksrapport 2008/14. SOVON, Beek-Ubbergen. Smit, J.T. & R.F.M. Krekels (2008). Vliegend hert op de Veluwe. Beschermingsplan 2009-2013. – EIS-Nederland en Bureau Natuurbalans-Limes Divergens, Leiden – Nijmegen.
29
Natuurtoets Harskamperweg 32, Kootwijkerbroek
Van Manen W., van Diermen J., van Rijn S. & van Geneijgen P. (2011). Ecologie van de Wespendief Pernis apivorus op de Veluwe in 2008-2010, populatie, broedbiologie, habitatgebruik en voedsel. Natura 2000 rapport, Provincie Gelderland Arnhem NL / stichting Boomtop www.boomtop.org Assen NL.
Internet Overheid (2020). Wet natuurbescherming. Geraadpleegd op 27 mei 2020 via: https://wetten.overheid.nl/BWBR0037552. Provincie Gelderland (2020a). Interactieve kaart Natura 2000-gebieden in Gelderland. Geraadpleegd op 27 mei 2020 via: https://gelderland.maps.arcgis.com/apps/webappviewer/index.html?id=cf084cb64bd349298e6f69a3d0937400. Provincie Gelderland (2020b). Kaartviewer Gelders Natuurnetwerk. Geraadpleegd op 27 mei 2020 via: https://www.arcgis.com/apps/webappviewer/index.html?id=a01fc4e9da1248f8ae24b6378444ab26. Provincie Gelderland (2020c). Kaartviewer Kernkwaliteiten GNN GO. Geraadpleegd op 2 juni 2020 via: https://www.arcgis.com/apps/webappviewer/index.html?id=92d4c54aed8147ae8aa704c312f719bc Provincie Gelderland (2020d). Kaartviewer Natuurregels in Gelderland – detailkaart Wet natuurbescherming: houtopstanden en soorten via: https://gelderland.maps.arcgis.com/apps/MapSeries/index.html?appid=38465e1d8fec467ba027024c1e3476d1 NDFF (2020). Nationale Databank Flora en Fauna Uitvoerportaal. Geraadpleegd op 18 juni 2020 via: https://www.ndff-ecogrid.nl/uitvoerportaal/. RAVON (2020). Hazelworm en rugstreeppad. Geraadpleegd op 14 juni 2020 via: https://www.ravon.nl/Soorten/Soortinformatie/. Sovon (2020). Zwarte Specht en wespendief. Geraadpleegd op 15 juni 2020 via: https://www.sovon.nl/nl/.