02 Putterweg IV_Toelichting_Bijlage 1 Bodemonderzoek, Verhoeven, 28 juni 2019.pdf
Tekst van het document
RAPPORT: Diverse onderzoeken Putterweg 1 te Garderen
PROJECTNUMMER: B19.7431B Versie: 01
VERHOEVEN MILIEUTECHNIEK B.V. Van Voordenpark 16 5301 KP Zaltbommel TEL: 0418-572060 www.verhoevenmilieu.nl info@verhoevenmilieu.nl
RAPPORT: Diverse onderzoeken, Putterweg 1 te Garderen PROJECTNUMMER: B19.7431B Versie 01
OPDRACHTGEVER: Gemeente Barneveld
DATUM: 28 juni 2019
Auteur:
Autorisatie:
M. Schimmel MSc. Junior projectleider Verhoeven Milieutechniek B.V.
ing. H.M.W. van der Donk Senior projectleider Verhoeven Milieutechniek B.V.
B19.7431B/R7431B-01/MS
2
SAMENVATTING De gemeente Barneveld heeft Verhoeven Milieutechniek B.V. opdracht gegeven voor het uitvoeren van diverse milieuhygiënische onderzoeken, een asbestinventarisatie en een geohydrologisch onderzoek voor de onderzoekslocatie gelegen aan de Putterweg 1 te Garderen. De aanleiding tot de onderzoeken betreft de voorgenomen herontwikkeling van de locatie en bijbehorende bestemmingsplanwijziging. De onderzoeken zijn uitgevoerd conform de normen NEN 5725:2017, de NEN 5740/A1:2016, de NEN 5707:2015/C2:2017 en de NEN 5897:2015/C2:2017 en conform de CROW-publicatie 210. De asbestinventarisatie en het geohydrologisch onderzoek zijn uitgevoerd door onderaannemers, indien noodzakelijk conform de geldende norm en/of certificering (zie bijlage 8 en 9). Verhoeven Milieutechniek B.V. (certificaatnummer: EC-SIK-20250, geldig tot 20-6-2022, afgegeven door Normec Certification) is gecertificeerd conform BRL SIKB 2000 (versie 6). Verhoeven Milieutechniek B.V. heeft op geen enkele wijze belangen bij de uitkomsten van het bodemonderzoek. Namens Verhoeven Milieutechniek B.V. zijn de werkzaamheden gecoördineerd door de heer M. Schimmel MSc.
Conclusie historische informatie Uit de beschikbare gegevens komen de volgende aandachtspunten naar voren: Ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn geen recente gegevens van de algemene bodemkwaliteit bekend; De locatie is deels bebouwd en uitpandig deels verhard met klinker en/of tegels; In het dorpshuis ie een schietkelder aanwezig (geweest); Perceel B 1854 betreft een oprit met parkeerplaats en is geheel verhard met asfalt (circa 720 m2). De teerhoudendheid hiervan is onbekend; Het is onbekend of onder de verharding puinfundering aanwezig is. De agrarische opstallen op het achterterrein, waarvan er 1 is ingestort, zijn mogelijk voorzien van asbesthoudende dakbedekking; Op het noordwestelijk deel van de locatie is een puinpad aanwezig met een lengte van circa 20 meter; Uit de historische kaarten blijkt dat op de locatie geen gedempte sloten, kassen en/of boomgaarden aanwezig zijn. Wel is er een grond-/houtwal aanwezig. Op basis van de reeds bekende gegevens dient een verkennend bodemonderzoek en onderzoek naar asbest in de grond te worden uitgevoerd, waarbij wordt geadviseerd om voor de gehele locatie uit te gaan van de verdachte heterogene strategie. Aanvullend dient de teerhoudendheid van de asfaltverharding te worden bepaald conform de CROW.
Daarnaast wordt geadviseerd een indicatief funderingsonderzoek en verkennend onderzoek naar asbest in puin conform de NEN5787 uit te voeren ter plaatse van het puinpad en indien onder de verhardingen funderingslagen worden aangetroffen. Mogelijk hebben de resultaten van het aanvullend historisch onderzoek en locatiebezoek nog invloed op de onderzoeksopzet van het verkennend bodemonderzoek. Tevens dient een asbestinventarisatie te worden uitgevoerd ter plaatse van de te slopen bebouwing. Aanvullend dient een geohydrologisch onderzoek uitgevoerd te worden ten behoeve van het infiltratieadvies. Diverse onderzoeken, Putterweg 1 te Garderen Rapportnr.: B19.7431B versie: 01 datum: 28 juni 2019
3 Conclusies diverse onderzoeken Verkennend bodemonderzoek Voor de onderzoekslocatie werd de hypothese gesteld van een verdachte locatie met betrekking tot de aanwezigheid van verontreinigingen. Op basis van de onderzoeksresultaten kan de gestelde hypothese worden verworpen, aangezien in onderzochte bovengrond maximaal licht verhoogde gehalten voor lood, PAK en/of minerale olie is aangetoond. In de ondergrond zijn geen verhoogde gehalten voor de onderzochte parameters aangetoond. De aangetoonde verhoogde gehalten betreffen overschrijdingen van de achtergrondwaarden. Aangezien de gestandaardiseerde meetwaarden de index van 0,5 niet overschrijden, zijn geen vervolgstappen in het kader van de Wbb noodzakelijk. Het grondwater is niet onderzocht, aangezien de grondwaterstand zich beneden 5 m-mv bevindt. Onderzoek naar asbest Voor wat betreft asbest in bodem is de hypothese gesteld van een verdachte locatie met betrekking tot het voorkomen van een asbestverontreiniging. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt de gestelde hypothese aangenomen, aangezien zowel zintuiglijk als analytisch asbest is aangetroffen. Uit de resultaten kan worden geconcludeerd dat er sprake is van een ernstige verontreiniging met asbest in de bovengrond ter plaatse van proefgat B28.
De verontreiniging wordt veroorzaakt door hechtgebonden chrysotiel asbest in zowel de grove (> 20 mm) als in de fijne fractie (< 20 mm). Het berekende totaal gewogen gehalte van ruim 1.200 mg/kg d.s.. overschrijd ruimschoots de interventiewaarde In de overige onderzochte monsters, van de verdachte grondlagen en actuele contactzone in de afwateringszone van de asbesthoudende opstallen zonder dakgoot, zijn geen gehalten aangetoond die de norm voor nader onderzoek overschrijden. Ter plaatse van het puinpad is in de volledige puinlaag zowel zintuiglijk als analytisch geen asbest aangetroffen. Verhoeven Milieutechniek B.V. besteedt veel zorg aan de uitvoering van de veldwerkzaamheden, doch bestaat de mogelijkheid dat niet alle asbestverdachte plaatmaterialen zijn waargenomen. Het blijft derhalve mogelijk dat bij aantreffen van asbesthoudend plaatmateriaal de interventiewaarde in de praktijk toch wordt overschreden. Asfalt Op basis van de resultaten van de PAK-marker en aanvullende PAK-analyses is ter plaatse van het gehele traject geen sprake van teerhoudend asfalt (PAK < 10 mg/kg d.s.). Het asfalt kan koud worden hergebruikt. Indicatief fundering onderzoek De stabilisatie van het puinpad (volledig puin), ter plaatse van de boringen B29, B30 en B31, voldoet indicatief aan de kwaliteit van een niet-vormgegeven bouwstof.
Deze vrijkomende stabilisatielaag kan indicatief worden hergebruikt als niet-vormgegeven bouwstof.
Diverse onderzoeken, Putterweg 1 te Garderen Rapportnr.: B19.7431B versie: 01 datum: 28 juni 2019
4 Algehele conclusie en aanbevelingen Met de uitgevoerde onderzoeken is de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse van de onderzoekslocatie aan de Putterweg 1 vooralsnog in onvoldoende mate onderzocht. Op basis van de onderzoeksresultaten bestaan vooralsnog bezwaren tegen de voorgenomen herontwikkeling van de locatie en bijbehorende bestemmingsplanwijziging in verband met een ernstige asbestverontreiniging ter plaatse van proefgat B28. Rekening houdend met de voorgenomen herontwikkeling wordt geadviseerd om een nader onderzoek naar asbest uit te voeren ter plaatse van de proefgat B28 conform de NEN 5707:2015/C2:2017. Aanbevolen wordt het nader onderzoek naar asbest uit te voeren na de sloop van de opstallen en verwijdering van de asbesthoudende materialen, zodat hier ook nog aanvullend kan worden onderzocht. Hierbij dient rekening te worden gehouden met de aangetroffen asbesthoudende materialen op het maaiveld en in de bebouwing en opstallen, die conform de richtlijnen door een daartoe gecertificeerde onderaannemer dienen te worden verwijderd. Daarnaast dienen de gesloten afwerkingen, onder de dakconstructie en de fundering van de woning nog te worden geïnventariseerd voor de aanvang van de sloopwerkzaamheden. Voor wat betreft de overige resultaten van de grond, waarbij maximaal licht verhoogde gehalten zijn aangetroffen, zijn geen vervolgstappen noodzakelijk.
Wel is mogelijk ook in de toekomst onder de gesloopte bebouwing nog aanvullend NEN-onderzoek noodzakelijk, in combinatie met het nog uit te voeren (nader) asbestonderzoek.
Diverse onderzoeken, Putterweg 1 te Garderen Rapportnr.: B19.7431B versie: 01 datum: 28 juni 2019
5 INHOUDSOPGAVE SAMENVATTING................................................................................................................................................ 2 1.
INLEIDING .................................................................................................................................................. 6
2.
DOELSTELLINGEN VAN DE ONDERZOEKEN .................................................................................. 6
3.
LOCATIEGEGEVENS ............................................................................................................................... 6 3.1. ALGEMENE GEGEVENS................................................................................................................................ 6 3.2. HISTORISCH ONDERZOEK (NEN5725) ....................................................................................................... 7 3.3. ASBESTINVENTARISATIE ............................................................................................................................. 9 3.4. GEOHYDROLOGISCH ONDERZOEK ............................................................................................................. 9
4.
BODEMOPBOUW EN GEOHYDROLOGIE ........................................................................................ 10 4.1. BODEMOPBOUW ........................................................................................................................................ 10 4.2. GEOHYDROLOGIE ..................................................................................................................................... 10
5.
HYPOTHESE ............................................................................................................................................. 10
6.
OPZET VAN HET ONDERZOEK .......................................................................................................... 11 6.1. ONDERZOEKSSTRATEGIE DIVERSE ONDERZOEKEN ................................................................................. 11 6.2. VELDWERKZAAMHEDEN ........................................................................................................................... 12
7.
WIJZE VAN BEOORDELING EN INTERPRETATIE ........................................................................ 15 7.1. GROND/GRONDWATER .............................................................................................................................. 15 7.2. ASBEST ...................................................................................................................................................... 16 7.3. ASFALT ...................................................................................................................................................... 16
8.
LABORATORIUMWERKZAAMHEDEN EN RESULTATEN ........................................................... 17 8.1. ZINTUIGLIJKE WAARNEMINGEN ............................................................................................................... 17 8.2. LABORATORIUMWERKZAAMHEDEN EN ANALYSERESULTATEN .............................................................. 17 8.3. INTERPRETATIE ANALYSERESULTATEN ................................................................................................... 22
9.
CONCLUSIES EN AANBEVELING ....................................................................................................... 24 9.1. VERKENNEND BODEMONDERZOEK........................................................................................................... 24 9.2. VERKENNEND ONDERZOEK NAAR ASBEST................................................................................................ 24 9.3. ASFALTONDERZOEK ................................................................................................................................. 24 9.4. INDICATIEF FUNDERING ONDERZOEK ...................................................................................................... 24 9.5. ALGEHELE CONCLUSIE EN AANBEVELINGEN ........................................................................................... 25
10. REFERENTIES .......................................................................................................................................... 26 BIJLAGEN
1. 2 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9.
Situering in de regio Situatieschets met geplaatste (asfalt)boringen en proefgaten Boorprofiel beschrijvingen Analysecertificaten grond, asbest, asfalt en uitloging Achtergrond- en interventiewaarden grond Formulieren asbestonderzoek Berekening asbestconcentratie Rapportage asbestinventarisatie SC540 Rapportage geohydrologisch onderzoek
Diverse onderzoeken, Putterweg 1 te Garderen Rapportnr.: B19.7431B versie: 01 datum: 28 juni 2019
6
1.
INLEIDING De gemeente Barneveld heeft Verhoeven Milieutechniek B.V. opdracht gegeven voor het uitvoeren van diverse milieuhygiënische onderzoeken, een asbestinventarisatie en een geohydrologisch onderzoek voor de onderzoekslocatie gelegen aan de Putterweg 1 te Garderen. De aanleiding tot de onderzoeken betreft de voorgenomen herontwikkeling van de locatie en bijbehorende bestemmingsplanwijziging. De onderzoeken zijn uitgevoerd conform de normen NEN 5725:2017 [1], de NEN 5740/A1:2016 [2], de NEN 5707:2015/C2:2017 [3] en de NEN 5897:2015/C2:2017 [4] en conform de CROW-publicatie 210 [5]. De asbestinventarisatie en het geohydrologisch onderzoek zijn uitgevoerd door onderaannemers, indien noodzakelijk conform de geldende norm en/of certificering (zie bijlage 8 en 9). Verhoeven Milieutechniek B.V. (certificaatnummer: EC-SIK-20250, geldig tot 20-6-2022, afgegeven door Normec Certification) is gecertificeerd conform BRL SIKB 2000 (versie 6). Verhoeven Milieutechniek B.V. heeft op geen enkele wijze belangen bij de uitkomsten van het bodemonderzoek. Namens Verhoeven Milieutechniek B.V. zijn de werkzaamheden gecoördineerd door de heer M. Schimmel MSc.
2.
DOELSTELLINGEN VAN DE ONDERZOEKEN De aanleiding tot de onderzoeken betreft de voorgenomen herontwikkeling van de locatie en bijbehorende bestemmingsplanwijziging. De onderzoeken hebben tot doel de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem (inclusief asbest), om te bepalen of en in welke mate belemmeringen bestaan tegen de voorgenomen herontwikkeling van de locatie en bijbehorende bestemmingsplanwijziging. Tevens dienen de civieltechnische hergebruiksmogelijkheden te worden bepaald van eventuele asfalt-, en/of funderings- en/of puinlagen. Aanvullend dient bepaald te worden of de locatie geschikt is voor het infiltreren van water, waarbij tevens een geohydrologisch onderzoek wordt uitgevoerd. Daarnaast wordt vastgesteld middels een asbestinventarisatie of en in welke mate in de te slopen bebouwing asbesthoudende materialen aanwezig zijn.
3.
LOCATIEGEGEVENS 3.1.
Algemene gegevens
De locatie is gelegen aan de Putterweg 1 te Garderen en staat kadastraal bekend als gemeente Garderen, sectie B, nummers 2103, 2212, 2448, 2447, 2158 en 1854. De locatie betreft een dorpshuis met gymzaal en peuterspeelzaal en een agrarisch perceel met enkele opstallen. Het voornemen bestaat om de locatie te herontwikkelen, waarbij het openbare gebied wordt heringericht en woningbouw wordt gerealiseerd. De bebouwing is nog in gebruik, waardoor inpandig onderzoek niet mogelijk is. Uitpandig is de locatie rondom het dorpshuis grotendeels verhard, waaronder een deel met asfalt (perceel 1854, circa 720 m2). Het achterterrein is braakliggend. De gehele locatie heeft een totale oppervlakte van circa 1,2 hectare. Voor de situering van het perceel in de regio wordt verwezen naar bijlage 1.
Diverse onderzoeken, Putterweg 1 te Garderen Rapportnr.: B19.7431B versie: 01 datum: 28 juni 2019
7
3.2.
Historisch onderzoek (NEN5725)
Algemeen Voorafgaand aan het verkennend bodemonderzoek dient een historisch vooronderzoek uitgevoerd te worden conform de NEN 5725. Door een medewerker van Verhoeven Milieutechniek B.V. zijn de websites www.topotijdreis.nl, www.bodemloket.nl, de websites van de provincie Gelderland (o.a. Asbestkansenkaart) en de website van het Kadaster bekeken. Door de opdrachtgever zijn reeds de beschikbare gegevens opgevraagd bij de Omgevingsdienst De Vallei. Bodemkwaliteitsgegevens Op basis van gegevens van www.bodemloket.nl blijkt dat op een deel van de locatie een verkennend bodemonderzoek is uitgevoerd in 1997 (Vink, kenmerk M97-165, d.d. 09-10-1997). Direct ten noorden van de locatie, aan de Putterweg 5, is eveneens een verkennend bodemonderzoek bekend (Kattenbroek, kenmerk IK/VO/95202, d.d. 29-11-1995). Daarnaast staat locatie aan de Putterweg 3, direct ten noorden van de locatie, geregistreerd (GE020300745, locatiecode AA020300698). Hiervan zijn echter geen verdere gegevens bekend. Volgens het bodemloket is de provincie Gelderland de gegevensbeheerder. Gezien de dateringen van de onderzoeken (ruim 20 jaar oud) zijn de voornoemde gegevens naar verwachting niet relevant voor de actuele bodemkwaliteit. Wel zijn de beschikbare opgevraagd bij de provincie Gelderland. Door de provincie Gelderland is aangegeven dat de gemeente Barneveld de gegevens beheerder is.
Wel is bekend dat ter plaatse van de Putterweg 3 een ondergrondse tank aanwezig is (geweest). Vervolgens is de beschikbare informatie opgevraagd bij de gemeente Barneveld via de officiële manier bij de Omgevingsdienst De Vallei. De beschikbare gegevens zijn vervolgens digitaal verstrekt en hieronder kort samengevat. Putterweg 1 Van de onderzoekslocatie is een Hinderwetvergunning bekend uit 1977 voor de oprichting van een dorpshuis met schietkelder. Het betreft de bebouwing op het oostelijk deel van onderhavige onderzoekslocatie. Naast de schietkelder had de milieuvergunning ook betrekking op een peuterspeelzaal, houden van vergaderingen, beoefen van sport, een discoruimte, beoefenen schoolgymnastiek en een muziekvereniging. Op een deel van de locatie is in 1997 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (Vink Milieutechnisch Adviesburo b.v., projectnummer M97-165, d.d. 9 oktober 1997). Het onderzoek is uitgevoerd in verband met de aanvraag van een bouwvergunning ten behoeve van de uitbreiding voor een peuterspeelzaal. Zintuiglijk werden geen bijzonderheden aangetroffen in de opgeboorde grond. Analytisch werd in de bovengrond maximaal een licht verhoogd gehalte voor PAK aangetoond. Voor de overige onderzochte parameters in de bovengrond, in de ondergrond en in het steekbusmonster werden geen verhoogde gehalten aangetoond.
Op 23 april 2010 is de staat van de gevel van het dorpshuis geïnspecteerd i.v.m. de aanwezigheid van asbesthoudende gevelbeplating (BOOT, kenmerk P09-0604-005, d.d. 26 april 2010). Hieruit is gebleken dat de gevelbeplating niet (verder) is beschadigd). Bij een droge en warme periode van een aantal dagen worden de verweerde platen zeer droog en is de kans op emissie van respirabele vezels groot.
Diverse onderzoeken, Putterweg 1 te Garderen Rapportnr.: B19.7431B versie: 01 datum: 28 juni 2019
8 Op 19 juli 2010 is een volledige asbestinventarisatie uitgevoerd van het dorshuis (BOOT, kenmerk P09-0604-57, d.d. 12 augustus 2010). Hierna is nog aan aanvullende inventarisatie uitgevoerd n.a.v. een calamiteit (BOOT, kenmerk P09-0604, d.d. 17 augustus 2010). Op het dorpshuis is asbesthoudende gevelbeplating aanwezig, waarvan plaatmateriaal door een calamiteit (stormschade) op het perceel terecht is gekomen. Geadviseerd is alle losse materalen middels handpicking te verwijderen en alle werkzaamheden door een erkend SC-530 bedrijf uit te laten voeren. Koudhoornseweg 3 (tegenover nr. 5) Van de onderzoekslocatie is een Hinderwetvergunning bekend uit 1976 voor de oprichting van een veehouderij met mestopslag. Het betreft de agrarische opstallen op het westelijk deel van onderhavige onderzoekslocatie. De vergunning is ingetrokken in 2012 aangezien de agrarische opstallen al geruime tijd niet meer in gebruik waren. Voor zover bekend hebben nooit bodemonderzoeken plaatsgevonden op dit deel van de onderzoekslocatie. Putterweg 5 Ter plaatse van de Putterweg 5, direct ten noorden van onderhavige onderzoekslocatie, is in 1995 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd in verband met de aanvraag van een bouwvergunning (Kattenbroek van de Streek, kenmerk IK/VO/95202, d.d. 29 november 1995). Op deze locatie is een ondergrondse opslagtank aanwezig geweest (gesaneerd in 1992).
Tijdens het verkennend onderzoek werden licht verhoogde gehalten voor cadmium en PAK aangetoond, waarbij het gehalte voor PAK het criterium voor nader onderzoek overschreed. In de ondergrond werd een licht verhoogd gehalte voor cadmium aangetroffen. Voor de overige onderzochte parameters in de boven- en ondergrond werden geen verhoogde gehalten aangetoond. Historisch kaartmateriaal Uit het historische kaartmateriaal is af te leiden dat eerste bebouwing rond de onderzoekslocatie reeds sinds circa 1900 aanwezig is. Op de locatie zelf is de eerste bebouwing reeds rond 1962 zichtbaar. Hiervoor betrof de locatie vermoedelijk agrarische percelen. Het dorpshuis met gymzaal is gerealiseerd in 1997. De agrarische opstallen op het achterterrein dateren van 1983. Voor zover bekend zijn geen slootdempingen, boomgaarden en/of kassen aanwezig geweest op de locatie. Mogelijk zijn er wel enkele grondwallen aanwezig op de locatie. Op basis van de risicokaart van de gemeente Barneveld is de locatie niet verdacht op de mogelijke aanwezigheid van NGE (niet gesprongen explosieven). Locatiebezoek Tijdens het locatiebezoek, voorafgaand aan de werkzaamheden, is gebleken dat de agrarische opstallen op het achterterrein zijn voorzien van asbestverdachte dakbedekking zonder dakgoot. Daarnaast is 1 opstal ingestort, waardoor asbestverdacht materiaal op maaiveld terecht is gekomen.
Vanaf de noordwestzijde is een puinpad aangetroffen welke vanaf de Koudhoornseweg de onderzoekslocatie opgaat en vervolgens doorloopt op het aangrenzend perceel. Het puinpad op de locatie heeft een lengte van circa 20 meter. Daarnaast is op de perceelsgrens van percelen 2103 en 2212 een grond-/houtwal aanwezig, begroeid met bodem. Hierdoor is perceel 2212 ook hoger gelegen. Verder zijn geen bodembedreigende activiteiten aangetroffen of overige waarnemingen gedaan op de locatie die kunnen duiden op een bodemverontreiniging. Asbest Op basis van de asbestkansenkaart van de provincie Gelderland bestaat er een kleine kans op het voorkomen van asbest in de bodem. Gezien de aanwezige asbestverdachte opstallen, waarvan er 1 is ingestort, en het puinpad dient de locatie als verdacht te worden beschouwd op het voorkomen van asbest in de bodem / puin. Diverse onderzoeken, Putterweg 1 te Garderen Rapportnr.: B19.7431B versie: 01 datum: 28 juni 2019
9 Conclusies historisch onderzoek Uit de beschikbare gegevens komen de volgende aandachtspunten naar voren: Ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn geen recente gegevens van de algemene bodemkwaliteit bekend; De locatie is deels bebouwd en uitpandig deels verhard met klinker en/of tegels; In het dorpshuis ie een schietkelder aanwezig (geweest); Perceel B 1854 betreft een oprit met parkeerplaats en is geheel verhard met asfalt (circa 720 m2). De teerhoudendheid hiervan is onbekend; Het is onbekend of onder de verharding puinfundering aanwezig is. De agrarische opstallen op het achterterrein, waarvan er 1 is ingestort, zijn mogelijk voorzien van asbesthoudende dakbedekking; Op het noordwestelijk deel van de locatie is een puinpad aanwezig met een lengte van circa 20 meter; Uit de historische kaarten blijkt dat op de locatie geen gedempte sloten, kassen en/of boomgaarden aanwezig zijn. Wel is er een grond-/houtwal aanwezig. Op basis van de reeds bekende gegevens dient een verkennend bodemonderzoek en onderzoek naar asbest in de grond te worden uitgevoerd, waarbij wordt geadviseerd om voor de gehele locatie uit te gaan van de verdachte heterogene strategie. Aanvullend dient de teerhoudendheid van de asfaltverharding te worden bepaald conform de CROW.
Daarnaast wordt geadviseerd een indicatief funderingsonderzoek en verkennend onderzoek naar asbest in puin conform de NEN5787 uit te voeren ter plaatse van het puinpad en indien onder de verhardingen funderingslagen worden aangetroffen. Mogelijk hebben de resultaten van het aanvullend historisch onderzoek en locatiebezoek nog invloed op de onderzoeksopzet van het verkennend bodemonderzoek. Tevens dient een asbestinventarisatie te worden uitgevoerd ter plaatse van de te slopen bebouwing. Aanvullend dient een geohydrologisch onderzoek uitgevoerd te worden ten behoeve van het infiltratieadvies. 3.3.
Asbestinventarisatie
Op 7 juni 2019 is een asbestinventarisatie uitgevoerd in het dorpshuis met aan de Putterweg 1 en in de agrarische opstallen op het perceel erachter door het onafhankelijke asbestinventarisatiebureau, Siav Asbestinventarisaties. Hieruit is gebleken dat op verschillende plekken asbesthoudend materiaal is toegepast. Tevens bestaat er een redelijke vermoeden van de aanwezigheid van verborgen asbestverdacht materiaal. Voor het complete rapportage van de asbestinventarisatie wordt verwezen naar bijlage 8. 3.4.
Geohydrologisch onderzoek
Door het onafhankelijke geotechnisch onderzoeksbureau, Loots Grondwatertechniek is een geohydrologisch onderzoek uitgevoerd om de grondwaterstand, bodemopbouw en infiltratiecapaciteit uitgevoerd. Hiervoor zijn naast een bureaustudie aanvullende gegevens uit voorliggend bodemonderzoek en infiltratieproeven verzameld. Uit het onderzoek is gebleken dat in de bovenste 4 meter geen storende lagen voorkomen. Het grondwater bevindt zich op circa 20 m-mv. Voor de infiltratie van hemelwater kan waterberging plaatsvinden door middel van greppels/wadi’s en/of infiltratiekratten of een combinatie hiervan. Voor de complete rapportage van het geohydrologisch onderzoek wordt verwezen naar bijlage 9. Diverse onderzoeken, Putterweg 1 te Garderen Rapportnr.: B19.7431B versie: 01 datum: 28 juni 2019
10
4.
BODEMOPBOUW EN GEOHYDROLOGIE 4.1.
Bodemopbouw
Uit de grondwaterkaart van Nederland [6] blijkt dat op de onderzoekslocatie gestuwde afzettingen van circa 75 meter aanwezig is. De gestuwde afzettingen bestaan uit een complexe eenheid met variabele opbouw, hoofdzakelijk bestaande matig fijne tot grove, grindige zanden, afgewisseld met klei- of leemlagen. DE onderliggende goed doorlatende watervoerende lagen bestaan voornamelijk uit grofzandige afzettingen met veel grind (Formaties van Urk, Appelscha, Peize en Waalre). 4.2.
Geohydrologie
De gemiddelde grondwaterstand is circa NAP + 20 m. en daarmee ruim 20 m-mv. Het grondwaterstromingsrichting in het eerste watervoerend pakket is globaal westelijk gericht De locatie is voor zover als bekend niet gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied 5.
HYPOTHESE Op basis van de beschikbare informatie is voor de onderzoekslocatie uitgegaan van een verdachte locatie met betrekking tot het voorkomen van een bodem- en asbestverontreiniging. Voor het asfalt wordt ervan uitgegaan dat deze is aangebracht voor 1995 (mogelijk teerhoudend).
Diverse onderzoeken, Putterweg 1 te Garderen Rapportnr.: B19.7431B versie: 01 datum: 28 juni 2019
11
6.
OPZET VAN HET ONDERZOEK 6.1.
Onderzoeksstrategie diverse onderzoeken
Verkennend bodemonderzoek Voor de onderzoeksopzet wordt voor de algemene bodemkwaliteit de NEN 5740:2009/A1:2016 gehanteerd, waarbij is uitgegaan van de onderzoeksstrategie ‘diffuus belaste niet-lijnvormige locatie met een heterogeen verdeelde verontreinigende stof op schaal van monsterneming (VEDHE-NL) met een oppervlakte van maximaal 1,2 hectare. Aangezien bekend is dat de grondwaterstand zich ruim beneden 5,5 m-mv bevindt, kan grondwateronderzoek conform de NEN5740/A1 achterwege gelaten worden. Hiervoor in de plaats worden wel boringen geplaatst tot circa 4,0 m-mv, welke tevens gecombineerd worden voor het geohydrologisch onderzoek. In verband de mogelijke aanwezige grondwal en verhardingen worden enkele boringen dieper doorgezet. Onderzoek naar asbest De onderzoeksopzet voor het onderzoek naar asbest in grond is opgesteld conform de NEN 5707:2015/C2:2017. Hierbij wordt de onderzoeksstrategie voor een verdachte locatie gehanteerd voor een diffuus belaste locatie met een heterogeen verdeelde asbestverontreiniging op schaal van de monsterneming (VED-HE, < 1,2 hectare). Ten behoeve van het onderzoek naar asbest worden met een schep proefgaten gegraven met een omvang van 0,3 m x 0,3 m tot minimaal 0,5 m-mv, waarna alle proefgaten dieper zijn doorgeboord tot in de onverdachte/ongeroerde ondergrond.
Ter plaatse van de afwateringszone van de asbestverdachte dakbedekking, waar de contactlaag door ‘asbestregen’ mogelijk verontreinigd is geraakt met asbestvezels, worden de proefgaten in de contactlaag (bovenste 10 cm) met een omvang van 1,0 x 1,0 m gegraven. Het onderzoek naar asbest in puin, ter plaatse van het puinpad en, indien van toepassing, onder de asfaltverharding, is afgeleid van de NEN 5897:2015/C2:2017. Ter plaatse van de asfaltverharding wordt het opgeboorde materiaal (grond en fundering) geïnspecteerd uit boorgaten met een diameter van 12 cm in plaats van proefgaten. Hierdoor betreft het een indicatief onderzoek naar asbest voor het gedeelte onder het asfalt. Ter plaatse van het puinpad kunnen wel proefgaten van 0,3 m x 0,3 m worden gegraven. Zintuiglijk kan tot 20 mm worden beoordeeld of asbestverdachte materialen aanwezig zijn. Voor de fractie < 20 mm dient dit middels een analyse te worden geverifieerd. Ten behoeve van het onderzoek naar asbest wordt tevens een locatie- en maaiveldinspectie uitgevoerd. Van de meest verdachte grondlagen uit de proefgaten, worden mengmonsters samengesteld voor analyses op asbest conform NEN 5898:2015 (fractie < 20 mm). De veldwerkzaamheden voor het onderzoek naar asbest worden zoveel als mogelijk gecombineerd uitgevoerd met het verkennend bodemonderzoek.
Asfaltonderzoek Aangezien het asfalt mogelijk wordt verwijderd, is geadviseerd om het asfalt direct te laten onderzoeken afgeleid van de CROW (publicatie 210). Uitgegaan is van een dikte van maximaal 20 centimeter van vrijkomend asfalt over een oppervlakte circa 720 m2 (circa 360 ton). Op basis hiervan worden in totaal 3 asfaltboringen geplaatst waarvan de asfaltkernen worden geanalyseerd voor laagdiktebepalingen en PAK-marker in het lab. Op basis van de resultaten van laagdiktebepalingen en PAK-markertest zullen (meng)monsters worden samengesteld voor analyse op PAK middels een GCMS-analyse. Diverse onderzoeken, Putterweg 1 te Garderen Rapportnr.: B19.7431B versie: 01 datum: 28 juni 2019
12 Indicatief funderingsonderzoek Voor de stabilisatie van het puinpad en/of de eventuele fundering onder de (asfalt)verharding worden, indien van toepassing, indicatieve funderingsonderzoeken uitgevoerd. Hierbij worden mengmonsters van het puinpad en/of de eventuele fundering geanalyseerd op het uitloog- en samenstellingspakket bestaande uit: - De metalen (antimoon (Sb), Arseen (As), barium (Ba), cadmium (Cd), chroom (Cr), kobalt (Co), koper (Cu), kwik (Hg), lood (Pb), molybdeen (Mo), nikkel (Ni), seleen (Se), tin (Sn), vanadium (V), zink (Zn)), bromide, chloride, fluoride, sulfaat in het eluaat van het uitloogonderzoek Schudproef (L/S=10); - Som-PCB; - Som-PAK; - Minerale olie (MO). Het onderzoek naar asbest in puin, ter plaatse van het puinpad en, indien van toepassing, onder de asfaltverharding, is afgeleid van de NEN 5897:2015/C2:2017. Ter plaatse van de asfaltverharding wordt het opgeboorde materiaal (grond en fundering) geïnspecteerd uit boorgaten met een diameter van 12 cm in plaats van proefgaten. Hierdoor betreft het een indicatief onderzoek naar asbest voor het gedeelte onder het asfalt. Ter plaatse van het puinpad kunnen wel proefgaten van 0,3 m x 0,3 m worden gegraven. Hierbij is rekening gehouden met het samenstellen en analyseren van 1 mengmonster op asbest in puin (< 20 mm).
De veld- en laboratoriumwerkzaamheden voor de diverse onderzoeken worden zoveel mogelijk gecombineerd. 6.2.
Veldwerkzaamheden
Algemeen / certificering Verhoeven Milieutechniek B.V. (certificaatnummer: EC-SIK-20250, geldig tot 20-6-2022, afgegeven door Normec Certification) is gecertificeerd conform BRL SIKB 2000 (versie 6), protocol 2001: het plaatsen van boringen en peilbuizen en protocol 2018: locatie-inspectie en monsterneming van asbest in bodem. De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd met behulp van een schop, Edelmanboor en kernboor. Tijdens de veldwerkzaamheden is de opgeboorde grond / puin zintuiglijk beoordeeld op het voorkomen van puin en/of asbest (fractie > 20 mm). In tabel 6.1 zijn de uitvoeringsdata, gehanteerde protocollen en gecertificeerde medewerker(s) weergegeven. Tabel 6.1: Uitvoeringsdata en gehanteerde onderzoeksprotocollen Data
Bedrijf
4 t/m 7 juni 2019
Verhoeven Milieutechniek B.V.
Gecertificeerde medewerker(s) De heer M.A.H. van Baal
Protocol BRL SIKB 2001 (v. 6) 2018 (v. 6)
De puinlaag van het puinpad betreft geen bodem en is derhalve niet conform protocol 2018 onderzocht. Verhoeven Milieutechniek B.V. heeft op geen enkele wijze belangen bij de uitkomsten van het bodemonderzoek.
Diverse onderzoeken, Putterweg 1 te Garderen Rapportnr.: B19.7431B versie: 01 datum: 28 juni 2019
13 Grond Ten behoeve van het verkennend bodemonderzoek zijn in totaal 31 boringen (B01 t/m B31) geplaatst. Boringen B06, B16 en B17 zijn in de asfaltverharding geplaatst ten behoeve van het asfaltonderzoek. Boringen B29, B30 en B31 zijn geplaatst in het puinpad. In tabel 6.2 zijn de uitgevoerde veldwerkzaamheden weergegeven. Tabel 6.2: Uitgevoerde veldwerkzaamheden Boringen / peilbuizen Circa 2,0 m-mv
Circa 0,5 m-mv
Circa 1,0 m-mv
B02, B04, B10, B11, B13, B23, B27, B28
B01, B05, B06, B14 t/m B19, B21, B03, B07, B08, B09, B22, B24, B25, B29 t/m B31 B26
Circa 4,0 m-mv B12, B20
Asbest Ten behoeve van het onderzoek naar asbest op de locatie is allereerst een locatie- en maaiveldinspectie uitgevoerd. Hieruit is gebleken dat het maaiveld deels bestaat klinkers/tegels, asfalt en puin (totaal 20 %) en dat het onverharde maaiveld deels bedekt is met vegetatie (30 %). Ondanks de aanwezige belemmeringen heeft een efficiënte maaiveldinspectie (> 25 % zichtbaar) plaats kunnen vinden. Op het maaiveld zijn, met uitzondering van het ingestorte asbesthoudende opstal, geen asbestverdachte plaatmaterialen (fractie > 20 mm) waargenomen. Ten behoeve van de onderzoeksopzet en op basis van de maaiveldinspectie en de zintuiglijke waarnemingen bij de boringen van het verkennend onderzoek, zijn in totaal 28 proefgaten (B01 t/m B05, B07 t/m B15, B18 t/m B31) met een afmeting van 0,3 m x 0,3 m tot circa 0,5 m-mv gegraven. Voor de inspectie van de ondergrond zijn diverse proefgaten doorgezet tot in de ongeroerde ondergrond (gecombineerd met boringen). Ter plaatse van de afwateringszone van de asbestverdachte dakbedekking, waar de contactlaag door ‘asbestregen’ mogelijk verontreinigd is geraakt met asbestvezels, zijn 6 proefgaten (B21, B22, B23, B25, B26 en B27) in de contactlaag (bovenste 10 cm) met een omvang van 1,0 x 1,0 m gegraven.
Om een verontreiniging met asbest vast te stellen is, per proefgat, de grove fractie (> 20 mm) van het vrijgekomen materiaal geïnspecteerd op asbestverdachte materialen (fractie > 20 mm) en puinrestanten. Hierbij is in de vrijgekomen uit proefgat B28 circa 700 gram asbestverdacht plaatmateriaal (> 20 mm, type A) aangetroffen. Aanvullend is het vrijkomende materiaal uit de asfaltboringen B06, B16 en B17 bestudeerd. Hierbij is geen funderingsmateriaal (volledig puin aangetroffen). Wel is ten noordwesten, richting de Koudhoornseweg, een puinpad met een volledige puinlaag aangetroffen (proefgaten B29 t/m B21). In het veld zijn 10 grond(meng)monsters en 1 puinmengmonster samengesteld ten behoeve van het analytisch onderzoek naar asbest in de fijne fractie (< 20 mm). Een overzicht van de samengestelde (meng)monsters en de zintuiglijke waarnemingen met bijbehorende analyses is in tabel 8.6 van hoofdstuk 8 weergegeven. Een compleet overzicht van de zintuiglijke waarnemingen is in tabel 8.1 van hoofdstuk 8 weergegeven. De veldwerkformulieren van het asbestonderzoek zijn opgenomen in bijlage 6.
Diverse onderzoeken, Putterweg 1 te Garderen Rapportnr.: B19.7431B versie: 01 datum: 28 juni 2019
14 Asfaltonderzoek Conform de CROW 210 zijn in totaal 3 asfaltboringen (B06, B16 en B17), gecombineerd met het verkennend bodemonderzoek, geplaatst. De asfaltkernen zijn verzameld en aan het laboratorium aangeboden voor analytisch onderzoek naar PAK. Aangezien geen funderingsmateriaal onder het asfalt en de klinkers/tegels is aangetroffen, is indicatief funderingsonderzoek niet van toepassing. Indicatief funderingsonderzoek Van het funderingsmateriaal uit het puinpad ter plaatse van de boringen met proefgaten B29, B30 en B31 (volledig puin) is één mengmonster samengesteld. Het mengmonster wordt aan het laboratorium aangeboden voor analytisch onderzoek naar PAK, minerale olie, PCB, metalen en anionen. De situatieschets met de geplaatste (asfalt)boringen en proefgaten is opgenomen als bijlage 2.
Diverse onderzoeken, Putterweg 1 te Garderen Rapportnr.: B19.7431B versie: 01 datum: 28 juni 2019
15
7.
WIJZE VAN BEOORDELING EN INTERPRETATIE 7.1.
Grond/grondwater
De verontreinigingssituatie van de bodem kan worden beoordeeld door toetsing van de gemeten gehaltes in grond en/of grondwater aan de streef-, achtergrond- en interventiewaarden. De achtergrondwaarden voor grond zijn opgenomen in de Regeling bodemkwaliteit [6]. De meest recente streef- en interventiewaarden voor grondwater en interventiewaarden voor grond zijn vermeld in de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 [7] en worden gebruikt voor de toetsing van de analyseresultaten. De streefwaarden geven voor het grondwater het niveau aan waarbij sprake is van een duurzame bodemkwaliteit. In het bodembeschermingsbeleid geven zij het te bereiken en te behouden kwaliteitsniveau voor het grondwater aan. De achtergrondwaarden geven voor de grond het niveau aan waarbij sprake is van een duurzame bodemkwaliteit. In het bodembeschermingbeleid geven zij het te bereiken en te behouden kwaliteitsniveau voor de grond aan. De interventiewaarden geven aan wanneer de functionele eigenschappen die de bodem heeft voor mens, dier en plant ernstig zijn of dreigen te worden verminderd. Om van een geval van ernstige bodemverontreiniging te spreken dient voor ten minste één stof de gemiddelde concentratie van minimaal 25 m3 grond of 100 m3 bodemvolume voor grondwater hoger te zijn dan de interventiewaarde.
De achtergrond- en interventiewaarden voor de vaste bodem zijn gerelateerd aan het lutum- en/of het organische stofgehalte van de bodem. Om de verkregen analyseresultaten te kunnen toetsen aan de achtergrond- en interventiewaarden worden de meetwaarden, met behulp van de analytisch vastgestelde gehalten aan lutum en/of organische stofgehalte, teruggerekend naar gestandaardiseerde meetwaarden (GSSD). Indien de lutum en/of organische stofgehalten niet analytisch zijn vastgesteld, zijn ze aan de hand van de zintuiglijke waarnemingen, in combinatie met de overige analyseresultaten, ingeschat. Aan de hand van bovenstaande waarden wordt een index berekend. De index wordt voor grond berekend met de formule: (GSSD - achtergrondwaarde) / (interventiewaarde achtergrondwaarde). Voor grondwater wordt de achtergrondwaarde in de formule vervangen door de streefwaarde. Indien de index groter is dan 1 wordt de interventiewaarde overschreden. Uit de toetsing van de GSSD aan de streef-, achtergrond-, en interventiewaarden kan het volgende worden afgeleid: Bij een overschrijding van de streef- en/of achtergrondwaarde is het vermoeden van bodemverontreiniging bevestigd. Bij een berekende index groter dan 0,5 bestaat het vermoeden van een geval van ernstige bodemverontreiniging.
Middels de uitvoering van de aanvullende analyses, mogelijk gevolgd door een nader bodemonderzoek, dient de omvang van de verontreiniging(en) te worden bepaald. Afhankelijk van de resultaten wordt het vermoeden van een geval van ernstige bodemverontreiniging bevestigd dan wel verworpen. In het eerste geval dient overgegaan te worden tot de uitvoering van een saneringsonderzoek, gevolgd door een sanering.
Diverse onderzoeken, Putterweg 1 te Garderen Rapportnr.: B19.7431B versie: 01 datum: 28 juni 2019
16
7.2.
Asbest
De interventiewaarde voor asbest in de grond is vermeld in de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 [7] en bedraagt 100 mg/kg d.s. gewogen asbestconcentratie (serpentijnconcentratie vermeerderd met tienmaal de amfiboolconcentratie). De aangetroffen concentraties voor asbestverdachte grondmonsters en aan asbestverdachte plaatmaterialen worden teruggerekend naar het in het veld geïnspecteerde volume en vervolgens getoetst aan de interventiewaarde bodemsanering. Als tijdens de analyse van asbest in fijne fractie (< 20 mm) blijkt dat er in een monster niethechtgebonden asbest is aangetroffen en dat er losse vezels zijn aangetroffen in de fractie < 500 µm, wordt in de NEN 5898 eveneens geadviseerd een onderzoek naar het aantal respirabele vezels uit te voeren middels SEM analyse. Als tijdens het onderzoek naar asbest in de grond een gewogen asbestgehalte van meer dan 1.000 mg/kg d.s. (hechtgebonden) en/of meer dan 100 mg/kg d.s. (niet-hechtgebonden) wordt aangetoond, moet op basis van de risicobeoordeling in de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 [7] eveneens een onderzoek naar de respirabele vezels worden uitgevoerd. Indien de gewogen asbestconcentratie groter is dan de halve interventiewaarde bestaat het vermoeden van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Het uitvoeren van een nader onderzoek naar asbest in de grond is dan verplicht.
De hoogst berekende waarde binnen een (deel)locatie is hiervoor bepalend. Er is sprake van een geval van ernstige verontreiniging met asbest in de bodem indien de berekende concentratie binnen een ruimtelijke eenheid hoger is dan de interventiewaarde. Het vaststellen van de gemiddelde gewogen asbestconcentratie dient te worden uitgevoerd conform de NEN 5707. Als respirabele vezels in de bovengrond (contactzone, of diepte graafwerkzaamheden) worden aangetoond en het gewogen gehalte van 10 mg/kg d.s. wordt overschreden is reeds sprake van “onaanvaardbare risico’s buiten”. Opgemerkt wordt dat het volumecriterium voor een bodemverontreiniging met asbest niet van toepassing is bij het vaststellen van de ernst. 7.3.
Asfalt
De teerhoudendheid van het asfalt kan worden beoordeeld door toetsing van de gemeten gehalten in de asfaltkern aan de maximale samenstellingswaarde voor asfalt/bitumenproducten uit het Besluit bodemkwaliteit (PAK: 75 mg/kg d.s.). Middels een PAK-detector kan indicatief het gehalte aan PAK in een asfaltkern worden vastgesteld. Bij verkleuring is het gehalte voor PAK groter dan 250 mg/kg d.s. en indien er geen verkleuring optreedt, is het gehalte kleiner dan 250 mg/kg d.s. Bij de afwezigheid van een verkleuring, moet middels aanvullend analytisch onderzoek worden aangetoond of het gehalte aan PAK kleiner is dat 75 mg/kg d.s.
Diverse onderzoeken, Putterweg 1 te Garderen Rapportnr.: B19.7431B versie: 01 datum: 28 juni 2019
17
8.
LABORATORIUMWERKZAAMHEDEN EN RESULTATEN 8.1.
Zintuiglijke waarnemingen
De bodem ter plaatse van de onderzoekslocatie bestaat vanaf maaiveld/onderzijde van de verharding tot de maximaal geboorde diepte van circa 3,5 m-mv over het algemeen uit matig fijn, zwak siltig zand, plaatselijk zwak tot matig humeus. Tijdens de veldwerkzaamheden zijn zintuiglijk diverse bijmengingen met bodemvreemd materiaal aangetroffen. Een volledig overzicht van de zintuiglijk waargenomen bijzonderheden is weergegeven in tabel 8.1. Tabel 8.1: Zintuiglijke waarnemingen per boring / proefgat Boring
Proefgat
Traject (m -mv) 0,10 - 0,50
Grondsoort
Waargenomen bijzonderheden
Ja
Diepte boring (m -mv) 1,00
B08
Zand
B09
Ja
2,00
0,10 - 0,30
Zand
B28
Ja
0,50
0,00 - 0,50
Zand
zwak puinhoudend, zwak baksteenhoudend, zwak betonhoudend zwak puinhoudend, zwak baksteenhoudend, zwak betonhoudend sterk betonhoudend, matig baksteenhoudend, circa 700 gr. asbestverdacht materiaal (type A) volledig puin volledig puin volledig puin
B29 Ja 1,00 0,00 - 0,50 + B30 Ja 1,00 0,00 - 0,50 + B31 Ja 1,30 0,00 - 0,80 + Toelichting bij de tabel: + Betreft geen bodem (> 50 % bodemvreemd materiaal); Zwak ≥ 1 % < 5 %; Matig ≥ 5 % < 10 %; Sterk ≥ 10 % < 20 %; Volledig ≥ 50 %.
Verder zijn tijdens de visuele inspectie van het maaiveld en de opgeboorde grond geen overige waarnemingen gedaan die duiden op de aanwezigheid van een bodemverontreiniging. De volledige boorprofiel beschrijvingen zijn opgenomen in bijlage 3. 8.2.
Laboratoriumwerkzaamheden en analyseresultaten
De analyses zijn uitgevoerd door het geaccrediteerde laboratorium van SYNLAB Analytics & Services B.V. te Rotterdam (grond, asbest, asfalt en uitloging). De analysecertificaten zijn opgenomen in bijlage 4. De achtergrondwaarden voor grond en maximale samenstellings- en emissiewaarden voor fundering en asbest in puin zijn opgenomen in de Regeling bodemkwaliteit. De meest recente interventiewaarden voor grond en asbest in grond zijn vermeld in de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 en worden gebruikt voor de toetsing van de analyseresultaten. De analysecertificaten zijn opgenomen in bijlage 4. Een volledig overzicht van de toetsings- en analyseresultaten voor de grond is opgenomen als bijlage 5. In tabel 8.2 is een overzicht opgenomen van de opmerkingen die aan de analysecertificaten zijn toegevoegd. Tabel 8.2: Opmerkingen analysecertificaten Certificaat -nummer Asbest 13047816
Mengmonster
Parameter
Opmerking
Toelichting
ASB-A
Asbest plaatmateriaal (> 20 mm)
De verschillende materialen in het monster zijn op visuele basis gesorteerd. Van elke materiaalsoort is één stuk geanalyseerd. De overige stukken binnen een materiaalsoort zijn beoordeeld op eventuele afwijkingen, geteld en gewogen.
In het veld is al het aangetroffen plaatmateriaal door de veldwerker als één type (A) gekenmerkt. Gezien de hoeveelheid aangetroffen plaatmateriaal, is al het materiaal (ca50 stuks) in als verzamelmonster geanalyseerd, Aangezien in het lab ook maar 1 type plaatmateriaal is aangetoond, wordt de eindconclusie van dit onderzoek naar verwachting niet beïnvloed.
Diverse onderzoeken, Putterweg 1 te Garderen Rapportnr.: B19.7431B versie: 01 datum: 28 juni 2019
18 Grond Op basis van de deellocaties en de zintuiglijke waarnemingen tijdens de veldwerkzaamheden, zijn de onderstaande grond(meng)monsters samengesteld, geselecteerd en geanalyseerd. De grond(meng)monsters met bijbehorende analyses en resultaten zijn in tabel 8.3 weergegeven. Tabel 8.3: Overzicht grond(meng)monsters met bijbehorende analyses en resultaten Mengmonster
Omschrijving
MM01
Bovengrond, zand Zintuiglijk: zwak puinhoudend, zwak baksteenhoudend, betonhoudend Bovengrond, zand Zintuiglijk: -
MM02
M03
MM04
Bovengrond, zand Zintuiglijk: sterk betonhoudend, matig baksteenhoudend, ca. 700 gr. asbestverdacht materiaal (type A) Bovengrond, zand Zintuiglijk: -
MM05
Bovengrond, zand Zintuiglijk: -
MM06
Ondergrond, zand Zintuiglijk: (onder volledige puinlaag) Ondergrond, zand Zintuiglijk: -
MM07
MM08
Ondergrond, zand Zintuiglijk: -
MM09
Ondergrond, zand Zintuiglijk: -
Boringen Analysepakket Resultaten (traject in (m -mv) > AW < I >I B08 (0,10 - 0,50) NEN, L en H B09 (0,10 - 0,30) B06 (0,08 - 0,50) B16 (0,09 - 0,59) B18 (0,10 - 0,60) B19 (0,05 - 0,50) B28 (0,00 - 0,50)
NEN, L en H
-
-
NEN, L en H
Pb, PAK, MO
-
B22 (0,00 - 0,50) B23 (0,00 - 0,50) B25 (0,00 - 0,50) B27 (0,00 - 0,50) B01 (0,00 - 0,50) B02 (0,00 - 0,50) B05 (0,00 - 0,50) B10 (0,00 - 0,50) B29 (0,50 - 1,00) B30 (0,50 - 1,00) B31 (0,80 - 1,30) B07 (1,00 - 1,50) B07 (1,50 - 2,00) B09 (1,00 - 1,50) B15 (0,50 - 1,00) B17 (0,50 - 1,00) B20 (0,50 - 1,00) B21 (0,70 - 1,00) B22 (1,00 - 1,50) B22 (1,50 - 2,00) B24 (0,50 - 1,00) B26 (0,50 - 1,00) B26 (1,50 - 2,00) B01 (0,50 - 1,00) B03 (1,00 - 1,50) B03 (1,50 - 2,00) B12 (0,50 - 1,00) B12 (1,00 - 1,50) B12 (1,50 - 2,00)
NEN, L en H
PAK
-
NEN, L en H
-
-
NEN, L en H
-
-
NEN, L en H
-
-
NEN, L en H
-
-
NEN, L en H
-
-
Toelichting bij de tabel: NEN De zware metalen barium [Ba], cadmium [Cd], kobalt [Co], koper [Cu], kwik [Hg], lood [Pb], molybdeen [Mo], nikkel [Ni] en zink [Zn], polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK, 10 VROM), Polychloor bifenylen (PCB) en minerale olie (MO); L en H Lutum en organische stof (humus); AW Achtergrondwaarde; I Interventiewaarde; Niets waargenomen/aangetoond.
Diverse onderzoeken, Putterweg 1 te Garderen Rapportnr.: B19.7431B versie: 01 datum: 28 juni 2019
19 Asbest Om een verontreiniging met asbest vast te stellen is per proefgat de grove fractie ( > 20 mm) van het vrijgekomen materiaal geïnspecteerd op asbestverdachte materialen (fractie > 20 mm) en puinrestanten. Hierbij is in proefgat B28 asbestverdacht (plaat)materiaal (fractie > 20 mm) aangetroffen. Tabel 8.4: Overzicht aangetroffen asbestverdacht (plaat)materiaal (> 20mm) tijdens veldwerk Proefgat B28
Traject (m -mv) 0,0-0,5
Soort Type A – Golfplaat
Hoeveelheid in gram 695,4
Van het asbestverdacht (plaat)materiaal uit proefgat B28 is het monster ASB-A samengesteld en in het laboratorium geanalyseerd op de aanwezigheid van asbest conform de NEN5896:2003 (asbest in plaatmateriaal). De resultaten zijn weergegeven in tabel 8.5. Tabel 8.5: Asbestverdacht (plaat)materiaal en percentage asbest conform analysecertificaat Monstercode ASB-A
Materiaal Bitumen
Hechtgebonden N.V.T.
Type* N.V.T.
Gemeten gehalte % -
Gemiddeld gehalte % -
Plaat Ja Chrysotiel 10-15 12,5 Toelichting bij de tabel: * Chrysotiel (witte asbest) is een serpentijnasbest. Bij serpentijnasbest zijn de vezels gekruld. Crocidoliet (blauwe asbest) en amosiet (bruine asbest) zijn een amfiboolasbest. Bij amfiboolasbest zijn de vezels staafvormig en daardoor gevaarlijker. Daarom wordt de amfiboolconcentratie met een factor 10 verhoogd; N.V.T. Niet van toepassing (geen asbest).
Op basis van de zintuiglijke waarnemingen zijn in totaal 10 grondmonsters en 1 puinmonster samengesteld. Hiervan zijn 5 grondmonsters en 1 puinmonster aangeboden aan het lab ter analyse (fractie < 20 mm). De samenstelling van de onderzochte grondmonsters is weergegeven in tabel 8.6. Tabel 8.6: Overzicht samenstelling mengmonsters met analyses Monstercode
Proefgat(en)
Zintuiglijke waarnemingen
Traject (m -mv) 0,1-0,5 0,0-0,5 0,1-0,5
Soort
Analysepakket
MMASB01 MMASB02 MMASB03
B15, B18, B20 B07 B08, B09
MMASB04
B28
zwak puinhoudend, zwak baksteenhoudend, zwak betonhoudend sterk betonhoudend, matig baksteenhoudend, circa 700 gr. asbestverdacht materiaal (type A) Volledig puin
Grond Grond Grond
Asbest in grond (>10 kg)1 Niet geanalyseerd Asbest in grond (>10 kg)1
0,0-0,5
Grond
Asbest in grond (>10 kg)1
MMASB05 B26, B27 0,0-0,1 Grond MMASB06 B26, B27 0,1-0,5 Grond MMASB07 B22, B23, B24, B25 0,0-0,5 Grond MMASB08 B21, B22, B23, B25 0,0-0,1 Grond MMASB09 B02, B04, B10, B11 0,0-0,5 Grond MMASB10 B01, B03, B05 0,0-0,5 Grond MMASB11 B29, B30, B31 0,0-0,8 Puin Toelichting bij de tabel: N iets aangetroffen/waargenomen Zwak ≥ 1 < 5 %; Uiterst ≥ 20 < 50 %; Volledig > 50 %; 1 Asbestanalyse conform NEN5898:2015: asbest in grond of puin < 20 mm.
Asbest in grond (>10 kg)1 Niet geanalyseerd Niet geanalyseerd Asbest in grond (>10 kg)1 Niet geanalyseerd Niet geanalyseerd Asbest in puin (>25 kg)1
Diverse onderzoeken, Putterweg 1 te Garderen Rapportnr.: B19.7431B versie: 01 datum: 28 juni 2019
20 De resultaten van de geanalyseerde grondmonsters en de gewogen hoeveelheid asbest (< 20 mm, conform analysecertificaten) zijn weergegeven in tabel 8.7. Tabel 8.7: grond- en puinmonsters en gewogen hoeveelheid asbest < 20 mm conform analysecertificaat Monstercode
Soort
Hechtgebonden Ja Ja Ja -
Type*
Gemeten < 20 mm (mg/kg d.s.) <2 1,8 76 < 0,1 <2 <1
Totaal gewogen < 20 mm (mg/kg d.s.) <2 1,8 76 < 0,1 <2 <1
MMASB01 MMASB03 Board Chrysotiel MMASB04 Plaat Chrysotiel MMASB05 Board Chrysotiel MMASB08 MMASB11 Toelichting bij de tabel: * Chrysotiel (witte asbest) is een serpentijnasbest. Bij serpentijnasbest zijn de vezels gekruld. Crocidoliet (blauwe asbest), amosiet (bruine asbest) en anthophylliet (gele asbest) zijn een amfiboolasbest. Bij amfiboolasbest zijn de vezels staafvormig en daardoor gevaarlijker. Daarom wordt de amfiboolconcentratie met een factor 10 verhoogd; Niets aangetoond.
Aan de hand van de analyseresultaten in de tabellen 8.4, 8.5 en 8.7 en de waarnemingen in het veld (o.a. afmetingen proefgat, hoeveelheid asbesthoudende materialen fractie > 20 mm, fractie puin > 20 mm) is de totaal gewogen asbestconcentratie in proefgat B28 berekend. Deze is weergegeven in tabel 8.8. In de overige proefgaten is zintuiglijk geen asbest in de fractie > 20 mm aangetroffen. Voor de overige proefgaten is geen totaalgehalte aan asbest berekend, maar wordt dit gelijkgesteld aan de weergegeven gewogen gehalten in tabel 8.7. De complete berekening is opgenomen in bijlage 8 en de resultaten zijn beknopt weergegeven in tabel 8.8. Tabel 8.8: Totale asbestconcentraties Proefgat (traject in m-mv) B28 (0,00-0,50)
Gewogen asbestconcentratie fractie > 20 mm (mg/kg d.s.) 1.172
Gewogen asbestconcentratie fractie < 20 mm (mg/kg d.s.) 56
Totaal gewogen asbestconcentratie (mg/kg d.s.) 1.228
Asfalt De asfaltkernen van de boringen B06, B16 en B17 zijn geselecteerd voor een onderzoek naar de constructieopbouw (laagdikte) en een PAK-detector onderzoek. Uit het constructie onderzoek blijkt dat de kernen bestaan uit 3 lagen (3 DAB-lagen). De lagen komen per boring met elkaar overeen. Geen van de lagen gaf verkleuring tijdens het PAKdetector onderzoek. Conform de CROW en op basis van de resultaten van het PAK-detector onderzoek zijn twee asfaltmengmonsters samengesteld en geanalyseerd op de aanwezigheid van PAK. De laboratorium resultaten zijn in bijlage 4 (inclusief foto’s van de asfaltkernen) weergegeven. In onderstaande tabel 8.9 zijn de resultaten kort samengevat. Tabel 8.9: Samenvatting analyseresultaten asfalt Locatie Putterweg 1
Soort asfalt (opbouw verschilt per boring) DAB 0-8 DAB 0-6
Toelichting bij de tabel: DAB Dichtasfaltbeton; 0-8 Grindslag (diameter in mm).
Diverse onderzoeken, Putterweg 1 te Garderen Rapportnr.: B19.7431B versie: 01 datum: 28 juni 2019
Resultaten PAK [mg/kg d.s.] < 10 < 10
Koud hergebruik mogelijk Nee Nee
21 Indicatief fundering onderzoek (stabilisatielaag) Tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden is ter plaatse van het puinpad, in boringen met proefgaten B29, B31 en B31 een stabilisatie laag aangetroffen. Van de volledige puinlaag is één indicatief mengmonster samengesteld en aangeboden aan het lab. Om de hergebruiksmogelijkheden van de stabilisatie onder de asfaltverharding te bepalen zijn de, in de bovenstaande tabel weergegeven, mengmonsters aangeboden aan het laboratorium. In het laboratorium is het puin verkleind met behulp van een kaakbreker. Dit materiaal is vervolgens onderzocht op PAK, minerale olie en PCB. Daarnaast is het gebroken puin ingezet op een schudproef (L/S=10) waarna het eluaat is onderzocht op de uitloging van 15 metalen en 4 anionen. De analyseresultaten zijn getoetst aan de tabellen 1 en 2 uit bijlage A van de Regeling bodemkwaliteit voor een niet-vormgegeven bouwstof. De analyseresultaten en de maximaal toegestane waarden zijn in tabel 8.10 weergegeven. Tabel 8.10: Hergebruiksmogelijkheden vrijkomende niet-vormgegeven bouwstof Parameter
Berekende cumulatieve emissiewaarden (mg/kg d.s.)
MMUITLOOG01 PAK Minerale olie PCB Bromide Chloride Fluoride Sulfaat Antimoon Arseen Barium Cadmium Chroom Kobalt Koper Kwik Lood Molybdeen Nikkel Seleen Tin Vanadium Zink Toelichting bij de tabel: (1)
-
Gemeten waarden (mg/kg d.s.)
Maximale emissiewaarde (mg/kg d.s.)
50(1) 1.000(1) 0,5
7,3 210 2,6 28,7 0,12 Maximale samenstellingswaarden voor (meng)granulaten; Gehalte lager dan de detectielimiet
Diverse onderzoeken, Putterweg 1 te Garderen Rapportnr.: B19.7431B versie: 01 datum: 28 juni 2019
Maximale samenstellings-waarde (mg/kg d.s.)
20 616 55 2.430 0,32 0,9 22 0,04 0,63 0,54 0,9 0,02 2,3 1 0,44 0,15 0,4 1,8 4,5
22
8.3.
Interpretatie analyseresultaten
Grond In het onderzochte mengmonster van de zwak puin-, baksteen- en betonhoudende bovengrond uit boringen B08 en B09 (MM01, zand) zijn geen verhoogde gehalten voor de onderzochte NENparameters aangetoond ten opzichte van de betreffende achtergrondwaarden. In het onderzochte mengmonster van de zintuiglijk schone bovengrond onder de asfalten/klinkerverharding uit boringen B06, B16, B18 en B19 (MM02, zand) zijn geen verhoogde gehalten voor de onderzochte NEN-parameters aangetoond ten opzichte van de betreffende achtergrondwaarden. In het onderzochte puntmonster van de sterk beton- en matig baksteenhoudende bovengrond, met asbesthoudende plaatmateriaal, uit boring B28 (M03, zand) zijn licht verhoogde gehalten voor lood, PAK en molybdeen aangetoond. De gehalten overschrijden de betreffende achtergrondwaarden, maar blijven ruim beneden de interventiewaarden alsmede onder de index van 0,5. De overige onderzochte parameters zijn niet verhoogd aangetoond. In het onderzochte mengmonster van de zintuiglijk schone bovengrond uit boringen B22, B23, B25 en B27 (MM04, zand), rondom de agrarische opstallen, is een licht verhoogd gehalte voor PAK aangetoond. De overige onderzochte parameters zijn niet verhoogd aangetoond.
In het mengmonster MM05 (zand) van de zintuiglijk schone bovengrond zijn geen verhoogde gehalten voor de onderzochte NEN-parameters aangetoond ten opzichte van de betreffende achtergrondwaarden. In mengmonster MM06 (zand) van de zintuiglijk schone grond onder de volledige puinlaag ter plaatse van boringen B29, B30 en B31, zijn geen verhoogde gehalten voor de onderzochte NENparameters aangetoond ten opzichte van de betreffende achtergrondwaarden. In de onderzochte mengmonsters van zintuiglijk schone ondergrond (MM07, MM08 en MM09, zand) zijn eveneens geen verhoogde gehalten voor de onderzochte NEN-parameters aangetoond ten opzichte van de betreffende achtergrondwaarden. Asbest Tijdens het onderzoek naar asbest zijn, naast de in de asbestinventarisatie beschreven materialen, op het maaiveld elders geen asbestverdachte materialen (> 20 mm) aangetroffen. Wel is in de opgegraven grond uit proefgat B28 circa 695 gram asbestverdacht plaatmateriaal aangetroffen. Het betreft hechtgebonden chrysotiel (gemiddeld 12,5 %) asbest (type A - plaat). In het monster van de sterk beton- en matig baksteenhoudend grond (0,0-0,5 m-mv) met asbesthoudend plaatmateriaal (MMASB04) is analytisch inde fijne fractie (< 20 mm) eveneens asbest aangetroffen. Het betreft hechtgebonden chrysotiel asbest in een gewogen gehalte van circa 76 mg/kg d.s.
Het berekende totaal gewogen gehalte bedraagt 1.228 mg/kg d.s. en overschrijdt hiermee ruimschoots de interventiewaarde van 100 mg/kg d.s. In het monster van de zwak puin-, baksteen en betonhoudende grond (0,1-0,5 m-mv) uit proefgaten B08 en B09 (MMASB03) alsmede in het monster van de actuele contactlaag (0,0-0,1 m-mv) uit de proefgaten B26 en B27, in de afwateringszone van de asbesthoudende opstallen zonder dakgoot (MMASB05), zijn analytisch geringe gehalten voor asbest aangetoond. Het betreft hechtgebonden chrysotiel asbest in gehalten onder 2 mg/kg d.s. en blijven daarmee ruim beneden de interventiewaarde alsmede onder de norm voor nader onderzoek (50 mg/kg d.s.)
Diverse onderzoeken, Putterweg 1 te Garderen Rapportnr.: B19.7431B versie: 01 datum: 28 juni 2019
23 In de overige onderzochte grondmonsters (MMASB01 en MMASB08) is zowel zintuigelijk als analytisch geen asbest aangetoond. In het onderzochte puinmonster van de volledige puinlaag ter plaatse van het puinpad (MMASB11) is eveneens zowel zintuiglijk als analytisch geen asbest aangetoond. Asfalt Het asfalt ter plaatse van oprit/parkeerplaats is opgebouwd uit 3 lagen. Op basis van de resultaten van de PAK-marker en aanvullende PAK-analyses is ter plaatse van het gehele traject geen sprake van teerhoudend asfalt (PAK < 10 mg/kg d.s.). Voor de uitgebreide laagopbouw per asfaltboring en de complete analyseresultaten wordt verwezen naar bijlage 4. Fundering (indicatief) In het uitloogmonster MMUITLOOG01 (volledig puin, puinpad) zijn indicatief geen overschrijdingen van de maximale samenstellings- en emissiewaarden aangetoond. Derhalve kan het funderingsmateriaal indicatief worden hergebruikt als funderingsmateriaal. Aangezien geen funderingsmateriaal onder het asfalt en de klinkers/tegels is aangetroffen, is een indicatief funderingsonderzoek hiervoor niet van toepassing.