CConstaterende datBarneveld
Koppel je AI →
Document · PDF

01 De Eendracht_Toelichting

Gemeenteraad 8 oktober 2025, gemeente BarneveldBij agendapunt: Bestemmingsplan De Eendracht Terschuur n.a.v. tussenuitspraak Raad van State28.201 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Een aanvullend of nader bodemonderzoek wordt ter plaatse van de kadastrale percelen 3442 en 3444 niet noodzakelijk geacht. De milieuhygiënische bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor eventueel ontwikkeling van de locatie. 2. Een verkennend bodem- en asbest in grond- en puinonderzoek voor het perceel Eendrachtstraat 35 (nr. 21085601A) van 24 januari 2022. Dit onderzoek is als bijlage 3 bij deze toelichting opgenomen. Uit het 'verkennend bodemonderzoek' blijkt dat in de bovengrond licht verhoogde gehalten zijn aangetoond. In het grondwater is alleen een licht verhoogd gehalte barium aangetoond. Dit heeft echter een natuurlijke oorsprong (niet veroorzaakt door menselijk handelen). De hypothese 'onverdachte locatie' houdt geen stand houdt. Naar aanleiding van de aanwezigheid van puin in de bodem ter plaatse van boring 23 en de puinfundatie aan de oostzijde van het zuidelijk schuurdeel is een aanvullend asbest in grond- en puinonderzoek noodzakelijk. Uit het 'verkennend asbest in grondonderzoek drupzones' blijkt dat de hypothese ‘verdachte locatie’ stand houdt. In de vaste bodem is asbest aangetroffen. De gehalten overschrijdt de grenswaarde voor nader asbest in grondonderzoek echter niet.

"De Eendracht" (vastgesteld)

25

De Eendracht

Uit het 'verkennend asbest in grond- en puinonderzoek boring 23 en puinfundatie' blijkt dat de hypothese ‘verdachte locatie’ geen stand houdt. Er is geen asbest aangetroffen en/of aangetoond. De hypothese ‘verdachte locatie’ voor het asbest in grondonderzoek houdt wel stand. In de vaste bodem is asbest aangetroffen. Het gehalte overschrijdt echter niet de grenswaarde voor nader asbest in grondonderzoek. 3. Een verkennend bodem- en asbest in grondonderzoek voor het perceel Eendrachtstraat 29 (nr. 22038501A) van 31 augustus 2022. Dit onderzoek is als bijlage 4 bij deze toelichting opgenomen. Uit het 'verkennend bodemonderzoek' blijkt dat de hypothese 'onverdachte locatie' geen stand houdt. In de bovengrond is PCB licht verhoogd aangetoond. Zintuiglijk is geen (verontreinigd) dempingsmateriaal of slootbodem aangetoond. Een aanvullend onderzoek met een gewijzigde hypothese wordt niet noodzakelijk geacht. Uit het 'verkennend asbest in grondonderzoek' blijkt de hypothese ‘verdachte locatie’ ter plaatse van de tennisbaan geen stand houdt. Er is geen asbest aangetroffen en/of aangetoond. Ter plaatse van de spoelzone houdt de hypothese ‘verdachte locatie’ stand. In het mengmonster (SP) van de gaten Sp1 en Sp2 is asbest aangetoond. Het gehalte overschrijdt niet de interventiewaarde of de grenswaarde voor ‘onaanvaardbare risico’s buiten’.

De onderzoeksresultaten geven geen aanleiding om aanvullend of nader bodem- of asbest in grondonderzoek te adviseren. 4. Een verkennend asbest in puin- en grondonderzoek voor het perceel ten zuiden van Eendrachtstraat 29 (nr. 21009702J) van 13 januari 2022. Dit onderzoek is als bijlage 5 bij deze toelichting opgenomen. Uit dit onderzoek blijkt dat de hypothese ‘verdachte locatie’ voor het asbest in puinonderzoek geen stand houdt. In de puinverharding is geen asbest aangetroffen danwel aangetoond. Nader asbest in puinonderzoek is niet noodzakelijk. Uit de analyse van de standaardparameters blijkt verder dat in de puinlaag geen van de geanalyseerde parameters is aangetoond boven de maximale samenstellingsdanwel emissiewaarden. Er is hiermee indicatief sprake van een herbruikbare bouwstof. Verder blijkt dat de hypothese ‘verdachte locatie’ voor het asbest in grondonderzoek wel stand houdt. In de zwak puinhoudende grond onder de puinverharding is asbest aangetroffen. De interventiewaarde wordt echter niet overschreden. Nader asbest in grondonderzoek is niet noodzakelijk. 5. Een verkennend bodem- en asbest in puinonderzoek voor het perceel Eendrachtstraat 29a-31 (nr. 22036001A) van 11 juli 2022. Dit onderzoek is als bijlage 6 bij deze toelichting opgenomen. Uit het 'verkennend bodemonderzoek' blijkt dat de hypothese 'verdachte locatie' stand houdt.

PCB is in de vaste bodem licht verhoogd aangetoond. Een aanvullend onderzoek naar de standaardparameters, met een gewijzigde hypothese, wordt echter niet noodzakelijk geacht. Wel is, in verband met het aantreffen van een stabilisatielaag van gebroken puin in de boringen 3 en 4, aanvullend een asbest in puinonderzoek uitgevoerd. Uit dit onderzoek blijkt dat de hypothese ‘verdachte locatie’ geen stand houdt. Er is geen asbest aangetroffen en/of aangetoond. De onderzoeksresultaten geven geen aanleiding om aanvullend of nader bodem- of asbest in puinonderzoek te adviseren.

Conclusie Ondanks dat onderzoeken zijn uitgevoerd conform de geldende protocollen/richtlijnen, zijn het steekproefsgewijze benaderingen van de bodemkwaliteit. Gezien het (voormalige) gebruik van de onderzoekslocatie moet bij de voorgenomen herontwikkeling en de daarbij behorende grondroerende werkzaamheden rekening worden gehouden met het plaatselijk aantreffen van onvoorziene bodemverontreiniging (o.a. stortgaten, asbesthoudende plaatmateriaal et cetera). Aan-/afvoer van grond, bouwstoffen, et cetera naar/van de onderzoekslocatie moet voldoen aan de regels van het Besluit bodemkwaliteit en het handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie.

26

"De Eendracht" (vastgesteld)

De Eendracht

5.2

Cultuurhistorie

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) moet bij het opstellen van bestemmingsplannen rekening worden gehouden met cultuurhistorische waarden. Daar waar het voor de archeologie al gemeengoed is, geldt het dus ook voor andere aspecten van de cultuurhistorie. Rekening houden met cultuurhistorie impliceert dat bekend moet zijn wat er voor waarden aanwezig zijn. De gemeente heeft daarom een proces opgestart om bestaande kennisdocumenten te actualiseren en waar nodig nieuwe kennis op te bouwen. De gemeente beschikt over de volgende vastgestelde kaarten: Archeologische waarden- en verwachtingenkaart; Cultuurlandschappelijke waardenkaart; Historische stedenbouwkundige waardenkaarten. Door cultuurhistorie een plek te geven in procedures op het gebied van ruimtelijke ordening wordt ook bereikt dat de aandacht niet uitsluitend uitgaat naar individuele objecten (de aangewezen monumenten), maar juist de samenhang tussen gebouwen en hun omgeving.

5.2.1

Archeologie

Archeologische waarden- en verwachtingenkaart De archeologische waarden- en verwachtingenkaart van Barneveld (zie onderstaande afbeelding) geeft binnen het plangebied langs de Eendrachtstraat (blauwe contour) het volgende aan: Groen: lage verwachting; lage dekzandvlakte of laatglaciaal terras Geelgroen: lage dekzandwelving 10-25 cm met een middelhoge verwachting Geel: middelhoge verwachting; dekzandwelving 25-50 cm Voor het perceel Overbekerweg 6-8 (paars omcirkeld) is geen onderzoek uitgevoerd aangezien hier alleen het gebruik voor een niet-grondgebonden veehouderij gemaximaliseerd wordt in soort en aantal dieren. Dit is alleen een wijziging in de planregels. Voor het overige wordt met voorliggend bestemmingsplan niets gewijzigd op dit perceel en ook geen ontwikkeling mogelijk gemaakt.

Afbeelding: Archeologische waarden- en verwachtingenkaart Resultaten archeologisch onderzoek Het archeologisch adviesbureau RAAP heeft op 22 maart 2021 een archeologisch vooronderzoek "De Eendracht" (vastgesteld)

27

De Eendracht uitgevoerd (RAAPrap_5033_BATR_20210322). Dit onderzoek bestaat uit een bureau- en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek) en is als bijlage 7 bij deze toelichting is opgenomen. Op basis van het bureauonderzoek werd in het centrale deel van het onderzoeksgebied een dekzandwelving verwacht en in het zuiden een beekdal/beekdaloverstromingsvlakte. Het verkennend booronderzoek heeft echter aangetoond dat de bodem van het plangebied uit verspoeld dekzand bestaat. Er is geen bodemvorming aanwezig. De bouwvoor gaat overwegend abrupt over in een C-horizont, waarbij de top van de C-horizont is verploegd. In de noordoosthoek en in het zuiden zijn beekafzettingen aangeboord, bestaande uit veen-, klei-, en zandlagen. Archeologische indicatoren ontbreken. De verwachting dat binnen het plangebied een archeologische vindplaats aanwezig is, is laag. In de directe omgeving zijn meer geschiktere en hogere locaties aanwezig voor bewoning. Selectiebesluit Op basis van de resultaten van het verkennend booronderzoek kan het plangebied worden vrijgegeven voor de geplande woningbouw en de daaraan gerelateerde werkzaamheden. Er wordt geen archeologische vindplaats verwacht. Wel geldt altijd onderstaande meldingsplicht.

Meldingsplicht Indien bij de werkzaamheden vondsten als aardewerk, vuursteen, houtskool of opvallende donkere verkleuringen in het gele zand worden gedaan, waarvan men redelijkerwijs mag vermoeden dat deze van archeologische betekenis zijn, moet hiervan onmiddellijk melding worden gemaakt (art. 5.10 Erfgoedwet).

Conclusie Op basis van het uitgevoerde onderzoek vormt het aspect archeologie geen belemmering voor dit plan, waarbij rekening gehouden moet worden met de meldingsplicht..

5.2.2

Historischestedenbouwkundige waarden

De gemeenteraad heeft op 25 april 2018 ingestemd met de 'stedebouwkundige waardevolle gebieden' als weergegeven in de 'Historische stedebouwkundige waardenkaart' en de aangegeven 'vast te leggen kenmerken' in de bijbehorende Tabel, en deze te hanteren als toetsingskader bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het plangebied heeft volgens deze kaart geen bijzondere waarde(n).

5.2.3

Cultuurlandschappelijke waarden

De gemeenteraad heeft op 25 april 2018 ingestemd met de 'Cultuurlandschappelijke waardenkaart' als toetsingskader bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het plan ligt in een gebied dat wordt aangeduid als 'verdroogde veenontginningen' met een middenwaarde 2 waardering. Alleen zeer hoog gewaardeerde landschappen (waarde 5) krijgen een dubbelbestemming in het bestemmingsplan en hoog gewaardeerde landschappen (waarde 4) mits ze aan zeer hoog gewaardeerde landschappen grenzen. Dat is bij voorliggend plan niet aan de orde en daarmee is dit bestemmingsplan is niet strijdig met deze waardering.

5.3

Ecologie

De belangrijkste wet voor natuurbescherming in Nederland is de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb). Deze wet is op 1 januari 2017 in werking getreden. De Europese Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn zijn vertaald in deze wet. Daarnaast is qua ecologie ook het Gelders Natuurnetwerk (hierna: GNN) en de Groene Ontwikkelingszone (hierna: GO) van belang. Voor het perceel Overbekerweg 6-8 is geen onderzoek uitgevoerd aangezien hier alleen het gebruik voor een niet-grondgebonden veehouderij gemaximaliseerd wordt in soort en aantal dieren. Dit is alleen een wijziging in de planregels. Voor het overige wordt met voorliggend bestemmingsplan niets gewijzigd op dit perceel en ook geen nieuwe ontwikkeling mogelijk gemaakt. De uitgevoerde onderzoeken richten zich dan ook alleen op het deel van het plangebied langs de Eendrachtstraat.

28

"De Eendracht" (vastgesteld)

De Eendracht

5.3.1 5.3.1.1

Wet natuurbescherming Gebiedsbescherming

Hoofdstuk 2 van de Wnb regelt de bescherming van speciale beschermingszones ter uitvoering van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Zo'n speciale beschermingszone wordt aangeduid als “Natura 2000-gebied”. De Wnb bepaalt vervolgens wat er wél en niet mag in zo'n Natura 2000-gebied. Ook zijn er bijzondere nationale natuurgebieden. Op 27 juni 2014 is de aanwijzing van het gebied Veluwe als speciale beschermingszone onder de Habitatrichtlijn in werking getreden. Tevens is met dit besluit het besluit tot de aanwijzing van Veluwe als speciale beschermingszone onder de Vogelrichtlijn, inclusief de daarbij behorende Nota van toelichting, gewijzigd. Deze twee genoemde speciale beschermingszones vormen samen het Natura 2000-gebied Veluwe, waarbij instandhoudingsdoelstellingen zijn toegevoegd. Stikstof Het plangebied langs de Eendrachtstraat ligt respectievelijk op circa 8 en 9 kilometer afstand van de Natura 2000-gebieden 'Arkemheen' en 'Veluwe'. Het adviesbureau Econsultancy heeft op 14 juni 2023 een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd (nr. 17534.0001). Dit onderzoek inclusief de AERIUS-berekeningen is als bijlage 8 bij deze toelichting opgenomen. Uit het onderzoek blijkt dat het berekende projecteffect op de Natura 2000-gebieden als gevolg van zowel de aanleg- als de gebruiksfase kleiner dan of gelijk is aan 0,00 mol/ha/jaar.

Bij een dergelijk projecteffect zal het beoogde plan niet voor een significante toename in stikstofdepositie zorgen en kunnen negatieve effecten worden uitgesloten. Er is geen Wnb-vergunning (gebiedsbescherming) nodig voor het aspect stikstof.

5.3.1.2

Soortenbescherming

Hoofdstuk 3 van de Wnb regelt de bescherming van bepaalde plant- en diersoorten in Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden én daarbuiten. Er gelden drie beschermingsregimes, te weten voor vogels (Vogelrichtlijn), soorten onder de Habitatrichtlijn (bijlage IV, onderdeel a Habitatrichtlijn, dan wel bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn) en andere (nationale) soorten. Om te beoordelen of beschermde soorten in het plangebied aanwezig zijn, zijn onderzoeken uitgevoerd.

Beoordeling Het adviesbureau TAUW heeft de onderstaande onderzoeken uitgevoerd: 1. Een Quickscan Wet natuurbescherming (nr. R001-1280438VSX-V02-mwl-NL) van 30 september 2021. Dit onderzoek is als bijlage 9 bij deze toelichting opgenomen. Uit het onderzoek blijkt dat de beoogde ontwikkeling mogelijk in strijd is met de Wnb vanwege de mogelijke aanwezigheid van de beschermde soorten steenmarter, kleine marters, vleermuizen, jaarrond beschermde vogels en grote modderkruiper. Soortgericht onderzoek moet uitwijzen of de in het onderzoek genoemde soorten voorkomen en hoe ze gebruik maken van het plangebied. Afhankelijk van de resultaten van deze onderzoeken kan een ontheffing van de Wnb noodzakelijk zijn. Een (periodieke) broedvogelcontrole is nodig voordat het plangebied bouwrijp wordt gemaakt. Aan de hand van deze controle kan vastgesteld worden of een broedende vogel aanwezig is en of maatregelen getroffen moeten worden. Het plangebied bouwrijp maken in de periode van augustus tot en met februari verkleint de kans op het stilleggen van werkzaamheden door een broedende vogel. 2. Nader onderzoek naar beschermde soorten (nr. R002-1280438VSX-V02-srb-NL) van 15 juli 2022. Dit onderzoek is als bijlage 10 bij deze toelichting opgenomen.

Uit dit onderzoek blijkt dat in het plangebied verschillende beschermde functies aangetroffen zijn, namelijk: foerageergebied van de steenuil wat behoort tot de functionele leefomgeving daarvan; verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuizen (1 zomer-/paarverblijfplaats, 1 zomerverblijfplaats en 2 "De Eendracht" (vastgesteld)

29

De Eendracht paarterritoria); en 10 nestlocaties van huismussen en essentieel foerageergebied aanwezig in de schuren en het kippenhok bij Eendrachtstraat 35. Dit essentieel foerageergebied wordt gebruikt door huismussen met nestlocaties in én buiten het plangebied. Hiervoor moet een ontheffing van de Wnb aangevraagd worden bij het bevoegd gezag. De ontheffing moet ingediend worden voor de te overtreden verbodsbepalingen. Een activiteitenplan moet opgesteld worden als onderbouwing voor de ontheffingsaanvraag. De te nemen maatregelen bestaan onder andere uit het volgende: er moet alternatief foerageergebied voor steenuilen aangeboden worden in een straal van 300 meter rond de verblijfplaats. Het alternatief foerageergebied moet functioneel zijn voordat het huidige foerageergebied ongeschikt wordt gemaakt; er moeten alternatieve verblijfplaatsen voor gewone dwergvleermuis gerealiseerd worden; en er moeten alternatieve nestlocaties voor huismus gerealiseerd worden. In het kader van de zorgplicht moeten enkele aanvullende maatregelen genomen worden om schade aan niet beschermde soorten te voorkomen. Deze maatregelen bestaan uit: tijdens het bouwrijp maken van het terrein de werkzaamheden vanuit één richting uitvoeren.

Hierdoor kan aanwezige fauna het gebied tijdig ontvluchten; het dempen van watergangen met de nodige voorzichtigheid (langzaam dempen) en buiten kwetsbare periodes (strenge vorst of zeer warme periodes) van vissen uitvoeren. Ontheffing Wnb Als vervolg op het nader onderzoek is een activiteitenplan opgesteld en een ontheffing van de Wnb aangevraagd die betrekking heeft op de huismus, steenuil en de gewone dwergvleermuis. De ontheffing is op 4 oktober 2022 door de provincie Gelderland verleend (zaaknr. 2022-005788) en is onherroepelijk. In de ontheffing zijn de volgende mitigerende maatregelen opgenomen.

30

"De Eendracht" (vastgesteld)

De Eendracht

Tabel: Mitigerende maatregelen per soort

De genoemde maatregelen zijn inmiddels uitgevoerd. Door deze maatregelen is het negatieve effect op de lokale staat van instandhouding van de drie soorten uitgesloten. Onderstaande afbeeldingen geven de locaties van de nestkasten, die bij bestaande woningen geplaatst zijn, en het ten westen van het plangebied gelegen nieuwe foerageergebied weer.

"De Eendracht" (vastgesteld)

31

De Eendracht

Afbeelding: Locaties nieuwe huismuskasten

Afbeelding: Locaties nieuwe vleermuiskasten

32

"De Eendracht" (vastgesteld)

De Eendracht

Afbeelding: Locatie nieuw foerageergebied steenuil Aanvullend op bovenstaande ontheffing heeft de provincie op 1 november 2022 een wijziging van de ontheffing verleend (zaaknr. 2022-014410), die ook onherroepelijk is. Deze wijziging ziet op het uitbreiden van de ontheffing voor de kerkuil. Aan deze uitbreiding zijn aanvullende mitigerende maatregelen gekoppeld zoals het aanbieden van alternatieve voorzieningen. Ten noorden van het plangebied zijn drie kerkuilkasten opgehangen, zoals onderstaande afbeelding weergeeft.

Afbeelding: Locaties nieuwe kerkuilkasten Algemene zorgplicht Voor de uitvoering van werkzaamheden geldt de algemene zorgplicht. Alle broedende vogels, hun broedplaatsen én de functionele omgeving van de broedplaatsen zijn beschermd tijdens de broedperiode. Het verwijderen van bomen en struiken dient gezien te worden als een voor vogels verstorende activiteit en dient buiten het vogelbroedseizoen plaats te vinden. Verstorende werkzaamheden dienen niet tijdens de broedperiode (grofweg maart - augustus) uitgevoerd te worden, tenzij geconstateerd is dat er geen "De Eendracht" (vastgesteld)

33

De Eendracht vogelbroedgeval aanwezig is. Een ieder is verplicht om voldoende zorg in acht te nemen voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving.

5.3.1.3

Houtopstanden

De bescherming van houtopstanden conform hoofdstuk 4 van de Wnb heeft als doel om het aanwezige areaal bossen en beplanting in Nederland te behouden. Daarmee wordt de functie van bossen en beplantingen gegarandeerd als habitat voor dieren en planten, als recreatiegebied en als groene long. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, van een oppervlakte van tien are of meer of een bomenrij die twintig (of meer) bomen omvat. Voor het kappen of rooien van een houtopstand geldt een meld- en herplantplicht wanneer de houtopstand buiten de vastgestelde bebouwde kom ligt. De Wnb beschermt geen houtopstanden binnen de bebouwde kom.

Beoordeling Het adviesbureau Pius Floris Boomverzorging heeft de onderstaande drie onderzoeken uitgevoerd: 1. Een Boominventarisatie (nr. PFBV.21.RB.022) voor de percelen Eendachtstraat 29-33 van 24 februari 2021. Dit onderzoek is als bijlage 11 bij deze toelichting opgenomen. Uit deze inventarisatie blijkt dat in en grenzend aan het plangebied enkele houtwallen/hakhoutwallen, houtopstanden langs de Hoevelakense Beek en diverse bomen op en rond de gebouwen aan de Eendrachtstraat liggen. De meeste bomen staan in houtwallen langs de meest westelijke gebouwen en in de houtwal langs de Hoevelakense Beek (buiten het plangebied). De bomen groeien in sterke concurrentie van elkaar. De conditie van de meeste bomen is redelijk tot goed. Bij 14 bomen is de conditie als matig beoordeeld, vier bomen hebben een slechte conditie en drie bomen zijn afgestorven. 2. Een Boominventarisatie (nr. PFBV 21 206 WL) voor het perceel Eendachtstraat 35 van 14 december 2021. Dit onderzoek is als bijlage 12 tot en met 15 bij deze toelichting opgenomen. Uit deze inventarisatie blijkt dat enkele houtwallen/hakhoutwallen en diverse bomen rond de gebouwen aanwezig zijn. De meeste bomen staan in houtwallen langs de verschillende percelen. De bomen groeien dan ook in sterke concurrentie van elkaar. De conditie van de meeste bomen is redelijk tot goed (totaal 61 stuks).

Bij 13 bomen is de conditie als matig beoordeeld, twee bomen hebben een slechte conditie en één van de geïnventariseerde bomen is afgestorven. Indien duidelijkheid bestaat over de exacte nieuwe invulling van het terrein, is het aan te bevelen een Boomeffectanalyse (hierna: BEA) uit te laten voeren. Het advies is om de BEA al vroeg in het traject uit te voeren om zo een (voorlopige) invulling van het terrein te toetsen op (on)mogelijkheden rondom behoudenswaardige bomen of boomstructuren. Op deze manier kunnen problemen rond ontwerp en bomen in een vroeg stadium worden ontdekt. 3. Een Boomeffectanalyse (nr. PFBV 22 162 TH) voor het plangebied van 14 maart 2023. Dit onderzoek met bijlagen zijn als bijlage 16 tot en met 20 bij deze toelichting opgenomen. De onderzoeksbijlagen 4 en 5 zijn als respectievelijk bijlage 11 en 15 al bij deze toelichting opgenomen. Uit deze BEA blijkt dat in de huidige situatie de meeste bomen een redelijke tot goede conditie en toekomstverwachting hebben. De werkzaamheden voor het herinrichten van het plangebied zijn van (zeer) belemmerende invloed op het behoud van een deel van de bomen. Wanneer de werkzaamheden zonder specifieke maatregelen uitgevoerd worden, kan dit negatieve gevolgen hebben voor de toekomstverwachting.

Vandaar dat in de BEA verschillende specifieke maatregelen staan beschreven om duurzaam behoud van een deel van de bomen mogelijk te maken.

Indien kap nodig is zal daarvoor een kapmelding moeten worden gedaan bij de provincie en is er sprake van een herplantplicht op de kaplocatie. Indien dat niet mogelijk is zal naar een compensatie herplant 34

"De Eendracht" (vastgesteld)

De Eendracht (elders) moeten worden gezocht en afstemming daarover met de provincie moeten plaatsvinden. Het voornemen is de houtsingels zoveel mogelijk te handhaven. In de elzensingel ten westen van de te slopen bebouwing zullen een aantal doorsteken gemaakt worden ten behoeve van infrastructuur. Deze elzensingel wordt versterkt en krijgt de bestemming 'Groen'. Verder worden in het plangebied nieuwe bomen geplant en hiermee worden de te kappen bomen gecompenseerd. Zie ook paragraaf 5.12.

Conclusie Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor dit plan.

5.3.2

Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszones

Het plangebied ligt niet binnen de (voormalige) Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de opvolger van de EHS. Met het bestuursakkoord Natuur is de realisatie en het beheer van het NNN de verantwoordelijkheid van de provincies geworden. In de periode tot 2027 willen Rijk en provincies een forse extra stap zetten op weg naar realisatie van de doelen van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en de Kaderrichtlijn Water. Hierbij moet maximale synergie worden bereikt tussen natuur- en watermaatregelen. De provincies geven elk in hun eigen provincie uitwerking aan het natuurbeleid op basis van het Natuurpact. Voor de EHS uit de Structuurvisie Gelderland zijn in de Omgevingsvisie twee nieuwe natuurcategorieën in de plaats gekomen: het GNN en de GO. Uit paragraaf 4.2.1.2 blijkt dat het plangebied niet in het GNN of de GO ligt.

5.4

Externe veiligheid

Doel Externe veiligheid gaat over het beperken en beheersen van risico's en effecten van calamiteiten, en over het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten (bedrijven en transport) met gevaarlijke stoffen. Dat gebeurt door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren. In deze paragraaf wordt ingegaan op externe veiligheid in relatie tot verschillende risicovolle bronnen en/of objecten in en nabij het plangebied. Eerst wordt het wettelijk kader op nationaal niveau beschreven, daarna het gemeentelijk beleid en vervolgens overige wet- en regelgeving die voor het plangebied relevant is. Tot slot wordt zonodig het groepsrisico verantwoord.

Wettelijk kader Op nationaal niveau zijn verschillende wetten en regels ten aanzien van externe veiligheid. Voor bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI; oktober 2004). Voor transport is het Besluit externe veiligheid transportroutes van toepassing (Bevt: april 2015). Voor buisleidingen moet worden getoetst aan het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb; januari 2015). Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt tussen Plaatsgebonden risico en Groepsrisico. Plaatsgebonden Risico (PR) Dit is een maat voor de kans dat iemand dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met een gevaarlijke stof. De gestelde norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde (PR 10-6/jaar) die niet mag worden overschreden ten aanzien van 'kwetsbare objecten', alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10-6/jaar) ten aanzien van 'beperkt kwetsbare objecten'. Groepsrisico (GR) Dit is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Plasbrandaandachtsgebied (PAG) "De Eendracht" (vastgesteld)

35

De Eendracht Binnen het werkveld externe veiligheid wordt sinds jaren gewerkt met twee risiconormen, het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Bij de ontwikkeling van het Basisnet is hieraan een derde voorwaarde toegevoegd: het plasbrandaandachtsgebied (PAG). Hiermee wordt het effectgebied weergegeven van het scenario met de grootste kans van voorkomen: de plasbrand. In deze gebieden moet er in samenhang met mogelijkheden van plasbrandbestrijding en bouwtechnische maatregelen beargumenteerd worden waarom er gebouwd wordt. Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen Op 1 april 2015 is het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen van kracht geworden. Dit Basisnet geeft aan over welke routes (spoor, water en weg) gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Het Basisnet spoor heeft betrekking op het vervoer van gevaarlijke stoffen over het hoofdspoorwegennet. Op basis van de wet- en regelgeving omtrent het Basisnet worden, rekening houdend met te verwachten groei van vervoer van gevaarlijke stoffen door Nederland en verdichting van de ruimte naast het spoor (binnen een afstand van 200 m van het spoor) in met name stedelijke kernen, afspraken gemaakt over de risicoruimte. Beleidsvisie externe veiligheid In 2009 heeft de gemeente Barneveld de 'Beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld.

In deze visie is onder meer vastgelegd hoe in Barneveld nabij risicobronnen zal worden omgegaan met het veiligstellen van een acceptabel niveau van risico's externe veiligheid en beheersbaarheid.

Beoordeling Risicobronnen In de omgeving van het plangebied liggen de volgende risicobronnen: aardgastransportleiding parallel aan de Eendrachtstraat; aardgastransportleiding langs Rijksweg A1; gemeentelijk gasontvangstation aan de Eendrachtstraat; Een incident, bijvoorbeeld als gevolg van graafwerkzaamheden, kan leiden tot het scenario fakkelbrand. Gelet op de afstand vormen de effecten van een fakkelbrand naar verwachting geen significante bedreiging voor het plangebied. Rijksweg A1 en de spoorlijn Amersfoort-Apeldoorn Hierover vindt vervoer met gevaarlijke stoffen plaats waarbij als gevolg van een incident de scenario's explosie, plasbrand en toxische wolk op kunnen treden. Hier geldt dat het scenario toxische wolk relevant zal zijn omdat het effectgebied van dit scenario tot over het plangebied reikt. Bij een incident waarbij sprake is van een toxische wolk zal 'schuilen' het meest voor de hand liggende handelingsperspectief zijn. Verantwoording groepsrisico Het plangebied ligt niet in een aandachtsgebied voor externe veiligheid en daarom is geen nader onderzoek naar het groepsrisico noodzakelijk.

Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor dit plan.

5.5

Geluid

De basis voor de ruimtelijke afweging van geluid is de Wet geluidhinder (hierna: Wgh). Bij verlening van de omgevingsvergunning of het vaststellen van een bestemmingsplan komen in de volgende gevallen de regels van deze wet aan de orde: het bestemmen van gronden voor nieuwe geluidgevoelige objecten (bijvoorbeeld woningen en onderwijsgebouwen) binnen zones langs (spoor-)wegen en zones rondom industrieterreinen; het bestemmen van gronden voor de aanleg van nieuwe, dan wel reconstructie van gezoneerde (spoor-)wegen; het bestemmen van gronden voor (nieuwe) industrieterreinen waar zich grote lawaaimakers kunnen vestigen en herziening van zonegrenzen van industrieterreinen. De Wgh gaat uit van zones langs (spoor-)wegen en zones bij industrieterreinen. Het gebied binnen deze zone geldt als akoestisch aandachtsgebied waar, voor bouwplannen en bestemmingsplannen, een akoestische toetsing uitgevoerd dient te worden. De geluidbelasting op de gevels van nieuwe 36

"De Eendracht" (vastgesteld)

De Eendracht geluidgevoelige bestemmingen mag in principe niet meer bedragen dan de voorkeursgrenswaarde. Indien de geluidbelasting op de gevel hoger is dan de voorkeursgrenswaarde kan onder bepaalde voorwaarden een verzoek worden gedaan tot vaststelling van een hogere waarde. Hierbij mag de geluidbelasting de uiterste grenswaarde niet overschrijden. De voorkeursgrenswaarde en uiterste grenswaarde voor nieuwe of bestaande geluidgevoelige bestemmingen verschillen per geluidsbron. In geval van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen binnen zones langs wegen of spoorwegen, of binnen de zone van een industrieterrein, is akoestisch onderzoek vereist. De nieuwe woonfunctie is op grond van de Wgh aangewezen als geluidgevoelige bestemming. Daarom dient de geluidbelasting vanwege het wegverkeer te worden getoetst aan de grenswaarden uit de Wgh in samenhang met het geldende geluidsbeleid "Beleidsregels hogere grenswaarden Wet geluidhinder Barneveld 2009". Voor het perceel Overbekerweg 6-8 is geen onderzoek uitgevoerd aangezien hier alleen het gebruik voor een niet-grondgebonden veehouderij gemaximaliseerd wordt in soort en aantal dieren. Dit is alleen een wijziging in de planregels. Voor het overige wordt met voorliggend bestemmingsplan niets gewijzigd op dit perceel en ook geen nieuwe ontwikkeling mogelijk gemaakt.

Het uitgevoerde onderzoek richt zich dan ook alleen op het deel van het plangebied langs de Eendrachtstraat.

Beoordeling Het adviesbureau SPAWNP heeft de onderstaande twee onderzoeken uitgevoerd: 1. Een akoestisch onderzoek Ruimtelijke Ordening (nr. 22200016.r02b) van 20 maart 2023. Dit onderzoek is als bijlage 21 bij deze toelichting opgenomen. Uit dit onderzoek blijkt dat zowel door het sportpark als door de scholen wordt voldaan aan de standaardeisen uit het Activiteitenbesluit milieubeheer. Dit laatste omdat een aantal maatgevende activiteiten in het kader van het Activiteitenbesluit niet worden beoordeeld. In het kader van de beoordeling van een goede ruimtelijke ordening moeten deze bronnen wel worden beschouwd. Om te voldoen aan de richtwaarden, is onderzocht welke bronnen maatgevend zijn en welke geluidreducerende maatregelen getroffen kunnen worden. Gelet op de bronnen, die de overschrijdingen veroorzaken, is het technisch en praktisch niet mogelijk om bronmaatregelen te treffen. De enige opties om het woon- en leefklimaat te verbeteren, zijn het plaatsen van schermen in het overdrachtsgebied c.q. het treffen van maatregelen aan de gevels van de woningen en appartementen. Op de verbeelding, in de regels en in het beeldkwaliteitsplan worden de benodigde geluidschermen vastgelegd zodat in de tuinen sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Onderstaande afbeelding is een fragment van figuur 7.2 vanuit het rapport die de locaties en hoogten van de geluidschermen weergeven.

De in het rapport genoemde locaties aan de zuidzijde van het plangebied zijn vanwege een andere inrichting van dit deel van het plangebied niet meer aan de orde. Immers, de woningen waar maatregelen nodig waren zijn vervallen. De in artikel 16.1.2 van de regels opgenomen voorwaardelijke verplichting is hierop ook aangepast.

Afbeelding: Fragment figuur 7.2 (schoollocatie)

"De Eendracht" (vastgesteld)

37

De Eendracht 2. Een akoestisch onderzoek Wet geluidhinder Wegverkeerslawaai (nr. 22200016.r01) van 6 maart 2023. Dit onderzoek is als bijlage 22 bij deze toelichting opgenomen. Uit dit onderzoek blijkt dat de geluidbelasting op de nieuwe geluidgevoelige bestemmingen: vanwege de Rijksweg A1 en de Eendrachtstraat bij de nieuwe woningen hoger is dan de voorkeurswaarde, maar lager dan de maximaal toelaatbare waarde. De voorkeurswaarde wordt alleen overschreden ter plaatse van de “eerstelijns woningen” binnen het plangebied, ten opzichte van de beide wegen. ten gevolge van de beide wegen, bij de nieuwe scholen ruim lager is dan de voorkeurswaarde. Rekening houdend met alle wegen, blijkt dat alle nieuwe woningen een geluidluwe gevel hebben en een buitenruimte, die gelegen is aan de geluidluwe gevel, hetgeen de voorkeur heeft van de gemeente. Daar waar de geluidbelasting hoger is dan 53 dB, is de mogelijkheid om op de eerste verdieping minimaal één slaapkamer te realiseren aan een geluidluwe zijde. Gezien de situatie en de berekende waarden zijn binnen het bouwplan geen reële maatregelen mogelijk om de geluidbelasting bij de nieuwe woningen te reduceren tot maximaal 48 dB (de voorkeurswaarde).

Om deze nieuwe woningen te kunnen realiseren, moet de gemeente Barneveld hogere waarden, ten gevolge van het wegverkeerslawaai op de rijksweg A1 en de Eendrachtstraat, vaststellen en vastleggen in het kadaster. Met een te nemen besluit separaat aan voorliggende bestemmingsplanprocedure zullen de hogere waarden vastgesteld en vastgelegd worden. Uit het onderzoek blijkt verder dat ten gevolge van de veranderende verkeersintensiteiten op de bestaande wegen buiten het onderzoeksgebied de geluidbelasting op de bestaande woningen niet relevant zal wijzigen. Het is de verwachting dat het extra verkeer ten gevolge van 'De Eendracht' niet zal leiden tot extra geluidhinder bij de bewoners van de bestaande woningen.

Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor dit plan mits enkele geluidschermen geplaatst en een besluit hogere waarden genomen worden. Deze laatstgenoemde procedure zal separaat aan deze bestemmingsplanprocedure plaatsvinden.

5.6

Geur

Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan toetst het bevoegde gezag enerzijds of in het plangebied een qua geur acceptabel woon- en leefklimaat gegarandeerd is. Anderzijds is het uitgangspunt dat met het plan de omliggende bedrijven niet vergaand in hun ontwikkelingsmogelijkheden mogen worden beperkt. Uitgangspunt voor de toetsing zijn de normen zoals die in of op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (hierna: Wgv) zijn vastgelegd. De Wgv maakt het mogelijk om bij verordening af te wijken van de wettelijke geurnormen. De gemeente Barneveld heeft van die mogelijkheid gebruik gemaakt (bij besluit van 7 oktober 2008). Op 8 oktober 2008 is de Verordening geurhinder en veehouderij in werking getreden, waarbij voor een aantal aangegeven delen van het grondgebied van Barneveld andere normen dan de wettelijke zijn vastgesteld. Op 15 december 2021 is er een nieuwe Verordening door de raad vastgesteld en is de Verordening geur en veehouderij (vastgesteld op 7 oktober 2008) ingetrokken. Deze nieuwe Verordening geurhinder en veehouderij is in werking getreden op 24 december 2021, waarbij opnieuw voor een aantal aangegeven delen van het grondgebied van Barneveld andere normen dan de wettelijke zijn vastgesteld. Het plan is getoetst aan de normen die zijn vastgesteld in deze verordening, voor zover deze normen van toepassing zijn in of rond het plangebied.

Veel bedrijven hebben geen omgevingsvergunning milieu meer nodig, maar vallen onder algemene milieuregels zoals vastgelegd in het Activiteitenbesluit milieubeheer. Aangezien de geurnormen uit de Wgv vrijwel één op één zijn overgenomen in het Activiteitenbesluit, kunnen bedrijven die onder dit besluit vallen ook gewoon worden meegenomen in de Wgv-toets. Onder een 'geurgevoelig object' wordt verstaan: een gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt. 38

"De Eendracht" (vastgesteld)

De Eendracht

In de omgeving van het plangebied ligt één veehouderij, aan de Overbekerweg 6-8 in Zwartebroek. De veehouderijen aan de Eendrachtstraat 29-33 en 35 in Terschuur worden beëindigd en wegbestemd met dit bestemmingsplan.

Beoordeling belemmering ontwikkelingsmogelijkheden Vanuit de Wgv geldt een afstand van 100 meter tot woningen binnen de bebouwde kom. Ter plaatse van de nieuwe woonwijk geldt een norm voor de voorgrondbelasting van 8,0 OuE/m3. De afstand tussen het bouwvlak van de veehouderij aan de Overbekerweg 6-8 en het plangebied bedraagt meer dan 120 meter. In de vergunde situatie worden alleen dieren gehouden zonder geuremissiefactor; melkvee en jongvee. De veehouderij heeft echter op 14 juli 2022 een melding activiteitenbesluit en omgevingsvergunning beperkte milieutoets ingediend voor het houden van 38 melkkoeien, 22 stuks jongvee, 3.166 vleeskuikens en 10 schapen. De geuremissie vanuit deze aangevraagde situatie is berekend met het model V-stacks vergunning (V. 2020) op de grens van de beoogde woonwijk:

Tabel: Berekening model V-stacks vergunning De voorgrondbelasting van geur is beperkt. Daarnaast wordt in dit plan het gebruik voor een niet-grondgebonden veehouderij gemaximaliseerd in soort en aantal dieren. Daarmee is omschakeling naar het houden van grote aantallen dieren met geuremissiefactoren, zoals pluimvee, varkens en vleeskalveren, niet meer mogelijk op deze veehouderij.

Conclusie Het agrarische bedrijf wordt deels in zijn ontwikkelingsmogelijkheden beperkt omdat het gebruik voor een niet-grondgebonden veehouderij met voorliggend bestemmingsplan gemaximaliseerd wordt. De vereiste afstand tussen de beoogde woonwijk tot het bouwvlak van de veehouderij wordt gehaald. Beoordeling woon- en leefklimaat Voor het woon- en leefklimaat nabij een veehouderij is de geurbelasting veelal bepalend. Zowel de voorgrondbelasting (vanwege een nabijgelegen veehouderij) als de achtergrondbelasting (vanwege alle veehouderijen in de omgeving samen) kan een rol spelen. Als vuistregel wordt aangehouden; de voorgrondbelasting is bepalend voor de hinder als de voorgrondbelasting tenminste de helft bedraagt van de achtergrondbelasting. Voorgrondbelasting Op de Overbekerweg 6-8 worden in de huidige situatie enkel dieren gehouden zonder geuremissiefactor. Wanneer er wordt omgeschakeld naar het houden van vleeskuikens is de geurbelasting ter plaatse beperkt; maximaal 0,7 OuE/m³. Daarnaast wordt aan de vereiste afstanden vanuit de geurwetgeving voldaan. Achtergrondbelasting De achtergrondbelasting in dit gebied is, na het beëindigen van de veehouderijen die onderdeel uitmaken van het plangebied, beperkt; maximaal 10 OuE/m³. Bij een dergelijke achtergrondbelasting is sprake van een redelijk goed tot zeer goed woon- en leefklimaat.

Uitloop Overbekerweg 6-8 In de aangevraagde situatie is ook sprake van een uitloop van de vleeskuikens, aangrenzend aan de rand "De Eendracht" (vastgesteld)

39

De Eendracht van het plangebied. Het gaat echter om een beperkt aantal kuikens die beschikking hebben over 20 m2 uitloop per dier. De uitloop zal daarom zo extensief gebruikt worden dat enige stof- of geuroverlast naar de omgeving beperkt is. Bovendien wordt enige afstand aangehouden tussen de grenzen van de uitloop en de beoogde gevoelige objecten in de woonwijk. Conclusie Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied.

Beoordeling luchtkwaliteit In de Wm zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen. Hierin is opgenomen dat bij een ruimtelijk besluit de gevolgen voor de luchtkwaliteit getoetst moet worden. Om te bepalen of de kwaliteit van de lucht ter plaatse voldoet aan de eisen uit de Wet milieubeheer en de daarop gebaseerde regelgeving, dient bij nieuwe ontwikkelingen onderzoek gedaan te worden naar de luchtkwaliteit. De volgende grenswaarden gelden voor fijn stof: 40 µg/m³ als jaargemiddelde concentratie; 50 µg/m³ als vierentwintig-uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal 35 etmalen per kalenderjaar mag worden overschreden. Er is beoordeeld of de luchtkwaliteit ter plaatse aanvaardbaar is. Hierbij is gekeken naar de invloed van de fijn stof uitstoot van de omliggende agrarische bedrijven. De veehouderijen in de omgeving hebben geen relevante fijnstof-emissie (>500 kg per jaar). Er is daarom geen berekening gemaakt van de luchtkwaliteit. Conclusie De fijnstof-concentratie ter plaatse van het plangebied voldoet naar verwachting aan de grenswaarden. Conclusie De ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende veehouderijen worden niet belemmerd door dit plan. Ook is ter plaatse van het plangebied sprake van een aanvaardbaar woon-en leefklimaat. Het aspect geur vormt geen belemmering voor dit plan.

5.7

Ladder voor duurzame verstedelijking

In het Bro is de verplichting opgenomen om in het geval van nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. Artikel 3.1.6, tweede lid Bro luidt per 1 juli 2017 als volgt: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen (artikel 1.1.1, eerste lid, onder i van het Bro).

Beoordeling Toepassing van de 'ladder voor duurzame verstedelijking' houdt een antwoord op de volgende rechtsvragen in. Als een rechtsvraag positief kan worden beantwoord, dan moet de ladder verder doorlopen worden. Als dit niet het geval is, dan is de ladder niet verder van toepassing of kan niet aan de ladder worden voldaan. 1. 2. 3. 4. 5. 40

Voorziet het onderhavige besluit in een stedelijke ontwikkeling? Voorziet het onderhavige besluit in een nieuwe stedelijke ontwikkeling? Is er sprake van een behoefte aan de voorziene ontwikkeling? Is de voorziene ontwikkeling gelegen buiten bestaand stedelijk gebied? Is het mogelijk om de voorziene ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied te realiseren? "De Eendracht" (vastgesteld)

De Eendracht

Hieronder de antwoorden op bovenstaande vragen:

1. Voorziet het onderhavige besluit in een stedelijke ontwikkeling? Uit de 'overzichtsuitspraak' d.d. 28 juni 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1724) van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) blijkt dat wanneer een ruimtelijk besluit voorziet in méér dan 11 woningen, die gelet op hun onderlinge afstand als één woningbouwlocatie is aan te merken, deze ontwikkeling in beginsel als een stedelijke ontwikkeling aangemerkt moet worden. Het voorliggende ruimtelijke besluit maakt ter plaatse van het plangebied de bouw van circa 160 woningen en een schoolgebouw met kinderopvang mogelijk. De ontwikkeling is daarom gelet op de omvang als 'stedelijke ontwikkeling' te classificeren. De 'ladder voor duurzame ontwikkeling' moet verder worden doorlopen.

2. Voorziet het onderhavige besluit in een nieuwe stedelijke ontwikkeling? Uit de eerder genoemde 'overzichtsuitspraak' blijkt dat van een 'nieuwe' stedelijke ontwikkeling kan worden gesproken als uit een onderling samenhangende beoordeling blijkt dat sprake is van een functiewijziging en dat sprake is van een groter planologisch beslag op de ruimte. Het plangebied 'De Eendracht' kent momenteel een agrarische bestemming. Gronden met deze bestemming zijn met name bedoeld voor bedrijven met een agrarische bedrijfsvoering. Het voorliggende ruimtelijke besluit maakt ter plaatse van het plangebied de bouw van circa 160 woningen en een schoolgebouw mogelijk. Op basis van de geldende bestemmingsplannen 'Buitengebied 2012' en 'Zwartebroek-Terschuur-De Glind' is het niet mogelijk om binnen het plangebied een samenhangend nieuw woongebied te ontwikkelen. Gelet hierop is sprake van een functiewijziging en vindt ook een vergroting van het planologische beslag op de ruimte plaats. De 'ladder voor duurzame ontwikkeling' moet verder worden doorlopen.

3. Is er sprake van een behoefte aan de voorziene ontwikkeling? Uit de 'overzichtsuitspraak' blijkt dat, indien sprake is van een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling', de behoefte aan de nieuwe stedelijke ontwikkeling in het ruimtelijk besluit beschreven moet worden. Het kan hierbij zowel gaan om de kwantitatieve behoefte als een kwalitatieve behoefte. De beschrijving van de behoefte moet gebaseerd worden op voldoende actuele, concrete en zo mogelijk cijfermatige gegevens. Het is niet in strijd met art. 3.1.6, tweede lid van het Bro als voor de onderbouwing van de behoefte in het ruimtelijk besluit wordt verwezen naar één of meer onderzoeksrapporten of beleidsdocumenten. Kwantitatieve behoefte Uit jurisprudentie blijkt dat de behoefte aan woningen kan worden onderbouwd met gebruikmaking van regionale woningbouwafspraken. Het Ministerie van BZK/Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening heeft in maart 2022 de Nationale Woonen Bouwagenda gepresenteerd. In de periode 2022 tot en met 2030 wil de provincie zo'n 900.000 nieuwbouwwoningen gerealiseerd zien met daarbij aandacht voor meer betaalbaarheid. Het streven van het Rijk is om toe te groeien naar tweederde betaalbaarheid in de programmering, dat wil zeggen in de vorm van sociale huurwoningen (streven is om op naar 30% te groeien), middeldure huurwoningen en goedkopere koopwoningen.

In dat kader zijn er Woondeals met alle gemeenten en regio's in Nederland gesloten. Voor de regio Foodvalley gaat het om ruim 25.000 woningen die in de periode 2022 tot en met 2030 gerealiseerd moeten worden. De gemeente Barneveld draagt hier met een bod van 5.380 woningen ruimhartig aan bij. Dit betekent een nieuwbouwproductie van gemiddeld 600 woningen per jaar. Locatie 'De Eendracht' in Terschuur is in deze aantallen opgenomen. In de gemeentelijke Hoofdlijnennotitie, die in juli 2021 door de raad is vastgesteld, wordt aan de hand van verschillende groeiscenario's nader ingegaan op de mogelijke koers van de gemeente Barneveld, mede in relatie tot deze regionale ruimtelijke verkenningen. Het advies hierin is om te koersen op een woningbouwprogramma van 8.000 tot 10.000 woningen in de periode tot 2040. Met als speciaal accent dat meer aandacht voor de bouw in de kleinere kernen is gevraagd, 'de kracht van de kernen', mede in verband "De Eendracht" (vastgesteld)

41

De Eendracht met het willen versterken van de leefbaarheid in deze kernen. Terschuur is de zesde grootste kern van de gemeente Barneveld met zo'n 1.500 inwoners en circa 550 woningen. De realisatie van voorliggend bouwplan zal gefaseerd plaatsvinden (in 4 fasen). In de in maart 2021 vastgestelde Woonvisie 2021-2025 'Wonen voor Jong en Oud', is de koers van de bouw van gemiddeld 500 woningen per jaar vastgesteld. Daarbij is ook een streefprogramma opgenomen, dat voorziet in een gewenste differentiatie naar huur- en koopprijsklassen. Gelet op het regionale woningbouwprogramma, het gemeentelijk woningbouwprogramma alsook de genoemde onderzoeken, kan worden gesteld dat het voorliggende planvoornemen past binnen de kwantitatieve behoefte aan woningen in de gemeente. Kwalitatieve behoefte Onderzoeksbureau RIGO heeft in 2019 op basis van het WoON2018 onderzoek een woningbehoefteonderzoek in opdracht van de gemeente Barneveld uitgevoerd. Behalve genoemde kwantitatieve ontwikkelingen is ook op de kwalitatieve behoefte ingegaan. Dit heeft geresulteerd in de gemeentelijke woonvisie geresulteerd in het volgende streefprogramma voor de periode 2021-2025, die in onderstaande tabel wordt weergegeven.

Tabel: Streefprogramma nieuwbouw 2021-2025 Ten behoeve van voorliggende ontwikkeling is een stedenbouwkundig plan opgesteld, die uitgaat van het onderstaande programma. Er zullen verschillende woningtypen in verschillende prijsklassen worden gerealiseerd. Daarmee is er voor de verschillende doelgroepen (starters, doorstromers, jong, midden leeftijdsgroepen en ouderen) wat te kiezen. Onder Sociale Koop Laag worden woningen tot € 260.000 bedoeld, Sociale Koop Hoog heeft betrekking op woningen van € 260.000 tot € 320.000, Middelduur betreft woningen in de prijsklasse van enerzijds € 320.000 tot € 355.000 en anderzijds tot de actuele NHG grens (€ 405.000 in 2023). Onder duur wordt de prijsklasse vanaf de actuele NHG grens bedoeld (€ 405.000, prijspeil 2023). In de verdeling zoals die nu is opgenomen kan 55% tot de categorie betaalbaarheid worden gerekend. Het programma kent een breed palet aan woonproducten: rug-aan-rugwoningen, seniorenwoningen, appartementen, rijwoningen, hoekwoningen (met en zonder garage), tiny houses, tweekappers en vrijstaande woningen en kavels voor zelfrealisatie.

Tabel: Overzicht prijscategorieën en woningtypen De ontwikkeling zal in vier fasen worden gebouwd om zo ook de lokale woningmarkt beter te kunnen 42

"De Eendracht" (vastgesteld)

De Eendracht bedienen. 'De Eendracht' is als ontwikkeling voorzien binnen de totale programmering van het woningbouwprogramma van de gemeente tot en met 2030. Het programma, kan gezien de vraag vanuit de markt en de gewenste toevoeging, op voldoende belangstelling rekenen.

4. Is de voorziene ontwikkeling gelegen buiten bestaand stedelijk gebied? Uit de wetstekst en de 'overzichtsuitspraak' blijkt dat indien de 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' buiten 'bestaand stedelijk gebied' is gelegen, de verantwoording in het ruimtelijke besluit een motivering moet bevatten waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Ex artikel 1.1.1 van het Bro verstaat onder 'bestaand stedelijk gebied': bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur. Het voorgaande bestemmingsplan maakt slechts een beperkt stedenbouwkundig samenstel van bebouwing, infrastructuur en groen mogelijk. Gelet daarop is het plangebied gelegen buiten het 'bestaand stedelijk gebied', maar wel direct grenzend aan de bestaande bebouwing van de kern Terschuur.

5. Is het mogelijk om de voorziene ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied te realiseren? Realisatie van circa 160 woningen en een schoolgebouw door middel van inbreiding binnen de kern Terschuur ligt niet voor de hand. Dit is onder andere vanwege de omvang van het benodigde plangebied. Vandaar dat een dergelijk plan alleen mogelijk worden gemaakt buiten bestaand stedelijk gebied. In eerste instantie was woningbouw op een kleinere schaal bedacht op de locatie van de sportvelden, zoals in de 'Structuurvisie Kernen Barneveld 2022' beschreven staat. Echter, op basis van de gezamenlijke huisvestingsopgave voor de scholen, een betere woonkwaliteit door de grotere afstand tot de Rijksweg A1, de herontwikkelingsmogelijkheid van de te beëindigen agrarische bedrijven, het vervallen van milieucontouren van deze bedrijven en kostenbesparing door de velden niet te verplaatsen, heeft dit tot een heroverweging en daarmee tot voorliggend plan geleid. Zoals in paragraaf 4.5.2 beschreven staat is bij de invulling en opbouw van dit plan rekening gehouden met de historische opbouw van Terschuur, de overgang van kern naar landschap en de aanwezige groen- en waterstructuren.

Conclusie De voorgenomen ontwikkeling sluit aan bij de uitgangspunten van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. Geconcludeerd wordt dat in deze situatie sprake is van een duurzame stedelijke ontwikkeling.

5.8

Leidingen en laagvliegroutes

Ten westen van het plangebied liggen twee rioolleidingen. Met de al aanwezige dubbelbestemming is een regeling getroffen ter bescherming van deze leidingen. Binnen het plangebied zelf komen geen leidingen of beschermingszones van leidingen voor die in het kader van dit bestemmingsplan bescherming behoeven. Er zijn geen laagvliegroutes die beperkingen stellen aan de bouwhoogten.

5.9

Luchtkwaliteit

In de Wm zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen. Hierin is opgenomen dat bij een ruimtelijk besluit de gevolgen voor de luchtkwaliteit getoetst moet worden. Om te bepalen of de kwaliteit van de lucht ter plaatse voldoet aan de eisen uit de Wm en de daarop gebaseerde regelgeving, dient bij nieuwe ontwikkelingen onderzoek gedaan te worden naar de luchtkwaliteit. Projecten waarvan aannemelijk is dat deze niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging hoeven niet getoetst te worden aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit.

"De Eendracht" (vastgesteld)

43

De Eendracht

Beoordeling De ontwikkelingen in het plangebied zijn dermate kleinschalig, dat ze vallen binnen de randvoorwaarden van het Besluit Niet in Betekenende Mate Bijdragen. De invloed van deze kleinschalige ontwikkelingen hoeven niet in beeld te worden gebracht. Het genoemde besluit heeft betrekking op de vraag of de gevolgen van een plan voor de luchtkwaliteit dienen te worden onderzocht. In het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) dient de luchtkwaliteit ter plaatse van nieuwe gevoelige bestemming die gelegen zijn op een afstand van minder dan 300 meter vanaf de rand van een rijksweg of minder dan 50 meter vanaf de rand van een provinciale weg te worden beoordeeld. Voorliggend plan maakt met basisonderwijs en kinderopvang een gevoelige bestemming mogelijk als bedoeld in het Besluit gevoelige bestemmingen (zie artikel 3 Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen)). Er moet daarom worden beoordeeld of het mogelijk maken van deze functies in overeenstemming is met het Besluit gevoelige bestemming (luchtkwaliteitseisen). De verkeersaantrekkende werking van het plan is niet groter is dan die van 1500 woningen waarvan verondersteld wordt dat deze niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Dit plan zal dan ook niet in betekende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit.

Verder kan in het kader van een goede ruimtelijke ordening worden gesteld dat de achtergrondconcentratie van de voornaamste luchtverontreinigende stoffen (pm10, pm2,5 en no2) ruim onder de grenswaarden zijn gelegen. Een goed woon- en leefklimaat ter hoogte van het plan is daarmee geborgd.

Conclusie Op basis van het voorgaande vormt luchtkwaliteit geen belemmering voor uitvoering van voorliggend plan.

5.10

Milieueffectrapportage

Niet voor alle nieuwe activiteiten hoeft een m.e.r.-procedure gevolgd te worden. Uitgangspunt van de m.e.r.-beoordeling is het 'nee, tenzij' -principe. Dat wil zeggen dat alleen een milieueffectrapport (MER) hoeft te worden opgesteld, wanneer er omstandigheden zijn die (waarschijnlijk) leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen. De Wm maakt onderscheid in een m.e.r.-procedure voor plannen (planMER) en voor besluiten (besluitMER of projectMER). Voor een bestemmingsplan kan zowel de plan-m.e.r.-plicht als de besluit-m.e.r.-plicht gelden. Er zijn drie sporen waarlangs de m.e.r.-plicht kan ontstaan: 1. Plan- en/of besluit-m.e.r.-plicht: als de voorgenomen activiteit vermeld is in het Besluit milieueffectrapportage; 2. Plan-m.e.r.-plicht: als voor het plan een zogeheten passende beoordeling op grond van de Wnb gemaakt moet worden. Dat is het geval als het plan significante negatieve gevolgen kan hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000 gebied; 3. Toetsing aan de provinciale milieuverordening. Besluit milieueffectrapportage De lijst van activiteiten in de onderdelen C en D van het Besluit bestaat uit vier kolommen. De eerste kolom bevat een omschrijving van de m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteiten. De tweede kolom vermeldt eventuele drempelwaarden.

Wettelijk kader Voor de vraag of een bestemmingplan besluit-m.e.r.-plichtig is, geldt dat het Besluit milieueffectrapportage onderscheid maakt naar m.e.r.-plichtige activiteiten en m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten. Onderdeel C van de bijlage bij dit Besluit vermeldt voor welke activiteiten altijd verplicht een MER moet worden opgesteld, voordat een (m.e.r.-plichtig) besluit mag worden genomen. In onderdeel D is vermeld welke activiteiten beoordelingsplichtig zijn. Voor dergelijke activiteiten moet het bevoegd gezag beoordelen of op basis van 'belangrijke nadelige gevolgen die de voorgenomen activiteit voor het milieu kan hebben', een 44

"De Eendracht" (vastgesteld)

De Eendracht m.e.r.-procedure noodzakelijk is. Daarbij geldt dat een bestemmingsplan alleen besluit-m.e.r.-plichtig is, als het bestemmingsplan in kolom 4 wordt genoemd. Voor de vraag of een bestemmingsplan plan-m.e.r.-plichtig is, geldt dat dit het geval is als het plan genoemd is in kolom 3 en activiteiten mogelijk maakt die in onderdeel C en D, kolom 1 vermeld zijn en voldoen aan de in kolom 2 genoemde drempelwaarden. Als een bestemmingsplan een activiteit mogelijk maakt die Besluit-m.e.r.-plichtig is op grond van de uitkomst van een toets van een activiteit die onder de drempelwaarden blijft, dan is dat bestemmingsplan alsnog plan-m.e.r.-plichtig. Het maakt dan immers een (besluit) m.e.r.-plichtige activiteit mogelijk. Voor zowel de plan-m.e.r.- als besluit-m.e.r.-plicht geldt dat als de activiteit onder de drempelwaarden uit kolom 2 van bijlage D blijft, met een vormvrije m.e.r. beoordeeld moet worden of alsnog een MER moet worden opgesteld. De centrale vraag die daarbij beantwoord moet worden is of er omstandigheden zijn die (waarschijnlijk) leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen. Daarbij moet in ieder geval worden getoetst aan de criteria die opgenomen zijn in bijlage III van de Europese m.e.r.-richtlijn. Als dergelijke milieugevolgen kunnen optreden, geldt alsnog de betreffende plan- en/of besluit-m.e.r.-plicht.

Toetsing In dit geval gaat het om de bouw van circa 160 woningen en een schoolgebouw. Dit bouwplan is aan te merken als een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in categorie 11.2 van Bijlage D van het Besluit milieueffectrapportage. Omdat het bouwplan niet voldoet aan de drempelwaarden van kolom 2 geldt dat er een vormvrije m.e.r.-beoordeling moet worden uitgevoerd. Dat betekent dat het voornemen om op deze locatie dit bouwplan te bouwen moet worden getoetst aan de criteria uit Bijlage 3 van de Europese richtlijn milieueffectrapportage. Op basis van de toetsing aan het Besluit m.e.r. is het uitvoeren van een vormvrije m.e.r.-beoordeling noodzakelijk en uitgevoerd. Deze beoordeling is als bijlage 24 bij deze toelichting opgenomen met als conclusie dat het plan geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt.

Passende beoordeling via de Wet natuurbescherming Voor het vaststellen van plannen die significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied kunnen hebben, dient een passende beoordeling gemaakt te worden (artikel 7.2a Wm juncto artikel 2.8, eerste lid Wnb). Uit de beoordeling van het aspect ecologie (zie paragraaf 5.3) blijkt dat voor dit plan geen passende beoordeling nodig is. De plan-m.e.r-plicht op grond van de noodzaak van een passende beoordeling voor de Wnb is hier niet aanwezig.

Provinciale milieuverordening Provinciale Staten kunnen in de provinciale milieuverordening extra activiteiten met gevallen, plannen en besluiten aanwijzen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben en dus m.e.r.-plichtig zijn (artikel 7.6 Wm). Dit is dus aanvullend op de m.e.r.-plicht op basis van onderdeel C van de bijlage Besluit m.e.r. (en dus ook aanvullend op de verplichting vanuit de Europese richtlijnen) én conform dezelfde systematiek. Provinciale Staten hebben geen extra activiteiten met gevallen, plannen en besluiten aangewezen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (en zo m.e.r.-plichtig zijn).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Barneveld&id=dc73d203-7fe4-4140-9fab-cbabc8bbb34f