Woonzorganalyse Barendrecht.pdf
Tekst van het document
Woonzorganalyse gemeente Barendrecht
26 januari 2022 Eindrapportage – definitief – versie 2
DATUM
26 januari 2022
TITEL
Woonzorganalyse Barendrecht
ONDERTITEL
OPDRACHTGEVER
BAR-organisatie
AUTEUR(S)
Ronald Camstra
PROJECTNUMMER
489.106
STATUS
Eindrapportage – definitief – versie 2
Inhoud Inhoud
3
4
1
Inleiding Onderzoeksvragen Afbakening Leeswijzer
4 4 4 5
Mensen met een verstandelijke beperking Woonvraag van verstandelijk beperkten Aanbodanalyse De huisvestingsopgave: match tussen vraag en aanbod
26 26 29 29
5
2
Managementsamenvatting De belangrijkste huisvestingsopgaven
6 7
3
Ouderen & mensen met een lichamelijke beperking Zorgvraag in beeld Ontwikkeling van de vraag naar wonen met zorg Vraag naar toegankelijke (‘geschikte’) woningen Mensen met een lichamelijke beperking Geclusterd en geschikt woningaanbod De huisvestingsopgave: match vraag en aanbod
8 8 13 14 17 18 23
Beschermd wonen en uitstroom uit Maatschappelijke Opvang Doelgroepen en context Vraaganalyses Beschermd Wonen Aanbodanalyse Regulier woonaanbod Match vraag en aanbod
30 30 31 32 32 33
Bijlage 1: Afkortingen en begrippen
34
Bijlage 2: Input van zorgaanbieders
36
1 Inleiding We staan aan de vooravond van een flinke vergrijzing. In samenhang met de extramuralisering leidt dit tot veranderingen in de wereld van wonen en zorg. Ouderen met een zorgvraag, cliënten in de gehandicaptenzorg, mensen die Geestelijke GezondheidsZorg (GGZ) ontvangen en uitstromen uit Beschermd Wonen, de mensen die een beroep doen op de Maatschappelijke Opvang (MO) en niet in de laatste plaats de kwetsbare jongeren, die uitstromen uit de Jeugdzorg, blijven langer zelfstandig wonen of kunnen eerder terug naar huis. Als gevolg van de beweging naar langer en weer thuis wonen, neemt het aantal zorgbehoevenden dat op de woningmarkt blijft en weer komt toe. Niet alleen verandert de omvang van deze groepen, ook hun woonwensen veranderen, bijvoorbeeld ten aanzien van de mogelijkheid om zorg te ontvangen, betaalbaarheid, levensloopbestendigheid en samenleven met leeftijds- of woonstijlgenoten. Succesvolle extramuralisering is mogelijk, maar alleen als wonen, woonomgeving en de sociale en zorginfrastructuur zodanig op elkaar worden afgestemd dat men kan terugvallen op een steunnetwerk. De vraag is in hoeverre het huidige woonzorgvastgoed en de huidige woningen voldoen aan de gewenste kwaliteiten, en of de woonomgeving en het aanbod van zorg en ondersteuning aansluiten bij de vraag.
De BAR-organisatie heeft Companen gevraagd onderzoek te doen naar de huisvestingsopgave naar wonen met zorg voor de verschillende doelgroepen in de gemeente Barendrecht. De resultaten van dit onderzoek kunnen gebruikt worden in het lokale samenwerkingsproces om de huisvestingsopgave voor wonen met zorg te realiseren.
Onderzoeksvragen Dit onderzoek heeft als hoofddoel om het beeld van vraag en aanbod van zorgvastgoed te actualiseren in het kader van de recente ontwikkelingen in de zorg. De (toekomstige) woonbehoefte van inwoners is hierin het vertrekpunt. Op basis van de behoefte is vervolgens de noodzaak voor passend aanbod bepaald. De onderzoeksvragen zijn: - Wat is de ontwikkeling van de doelgroepen als gevolg van demografische ontwikkelingen (op basis van gemeentelijke bevolkingsprognoses), maatschappelijke trends en beleidsontwikkelingen tot 2040? - Wat is het huidige aanbod aan woningen en woonvormen voor deze doelgroepen, en welke plannen voor uitbreiding hebben partijen op de korte termijn? - Welke mogelijke knelpunten zijn er in de match van vraag en aanbod van passende woningen (woonzorgvormen) nu en op langere termijn (2025, 2030, 2040) en welke aanvullende maatregelen zijn nodig om hier in te voorzien? We hanteren als zichttermijn voor de vraagontwikkeling en huisvestingsopgave de peilmomenten 2021-2025-2030-2040, waarbij de doorkijk naar 2040 is bedoeld om het punt op de horizon voor de langere termijn te verkennen.
Afbakening De focus ligt in dit onderzoek op de woonvraag die samenhangt met die behoefte aan zorg en ondersteuning. Om die reden hanteren we in dit rapport niet het in de zorgwereld gebruikelijke onderscheid tussen intramurale en
4
extramurale zorg. In de praktijk zien we namelijk veel voorbeelden waarbij vastgoed voor zowel intramurale als extramurale zorg wordt ingezet. In dit rapport sluiten wij aan bij de verschijningsvorm van het vastgoed. Daarom maken we onderscheid tussen geclusterde woonvormen en regulier wonen. Mensen met een zware zorgvraag wonen meestal in een geclusterde woonvorm, passend bij de zorgvraag van zware/intensieve zorg/begeleiding. Het is soms ook mogelijk om in een reguliere woning intensieve zorg te ontvangen. Andersom komt het bij ouderen voor dat mensen zonder zware zorgvraag er toch voor kiezen om in een geclusterde woonvorm te gaan wonen. Bij een aantal doelgroepen hanteren we ook de term ‘gespikkeld wonen’. Dit zijn reguliere, nietgeclusterde woningen die liggen in de nabijheid van een woonvorm waarvandaan ondersteuning en begeleiding geboden wordt. De definities en begrippen staan in de bijlage.
hoofdstukken (3 tot en met 5) behandelen we steeds de woonopgave van afzonderlijke doelgroepen: - Hoofdstuk 3. Ouderen en mensen met een lichamelijke beperking - Hoofdstuk 4. Verstandelijk beperkten - Hoofdstuk 5. Beschermd Wonen en Maatschappelijke Opvang In de bijlagen staan een overzicht van begrippen, afkortingen en woonvormen (bijlage 1) en een overzicht van de uitvraag onder zorgaanbieders (bijlage 2).
Doelgroepen In het onderzoek worden de volgende doelgroepen onderscheiden: - Ouderen (65+) - Mensen met een verstandelijke beperking (VG) - Mensen met een lichamelijke beperking (LG) - Mensen met een psychiatrische aandoening (doelgroep beschermd wonen) - ‘Uitstromers’ vanuit beschermd wonen, maatschappelijke opvang en jeugdzorg met verblijf
Leeswijzer Dit rapport begint met een samenvatting van de belangrijkste bevindingen: de verhouding tussen vraag en aanbod aan woningen voor verschillende zorgdoelgroepen en een aantal aanbevelingen voor het vervolg. In de volgende 5
2 Managementsamenvatting In dit onderzoek is gekeken hoe de (verwachte) vraag naar wonen met zorg zich verhoudt tot het huidige aanbod voor verschillende zorgdoelgroepen. In dit hoofdstuk vatten we de huisvestingsopgave kort samen op gemeentelijk niveau. Eerst geven we een totaaloverzicht van de kwantitatieve opgaven voor alle doelgroepen. Vervolgens geven we de beleidsopgaven per doelgroep. In de afzonderlijke hoofdstukken verdiepen we de uitkomsten.
Figuur 2.1: Overzicht van de vraag-aanbodbalansen voor de gemeente Barendrecht (2021 - 2040)
Totale huisvestingsopgave Ouderen: 24-uurszorg PG
-40 -70 -90 -180
Ouddren:24-uurszorg SOM
-40 -60 -80 -170
De grootste opgaven als vertrekpunt In de komende 20 jaar stijgt het aantal oudere huishoudens in Barendrecht van 5.740 naar 9.190. Maar liefst 44% van alle huishoudens is straks 65 jaar of ouder. Door het stijgende aantal ouderen groeit ook het aantal zorgvragers. Voor zorg aan huis biedt geclusterd wonen door hogere efficiëntie uitkomst. Aan deze woonvorm is ook een groeiende behoefte, de prognose laat hier het grootste tekort zien. Hoewel slechts 23 procent van de woningvoorraad in Barendrecht geschikt is voor mensen met een mobiliteitsbeperking, bestaat hier op papier nog geen tekort aan geschikte reguliere woningen. Het overschot loopt in de komende jaren wel snel terug. Bovendien is in de praktijk een groot deel van de geschikte woningen bewoond door mensen die (nog) geen fysieke beperking hebben, zodat een overschot alleen op papier bestaat. Vanuit preventief oogpunt is het verstandig om een overaanbod aan geschikte woningen te hebben, omdat veel ouderen al vóórdat ze eventuele lichamelijke gebreken krijgen gelijkvloers willen gaan wonen.
Ouderen: Geclusterd wonen
-630
-1.330
-300
-60
Verstandelijk beperkten: Geclusterd wonen
-80 -70 -70 -60
Verstandelijk beperkten: Gespikkeld wonen
-20 -30 -30 -40
-1.500
-1.000 2021
2025
-500
0
2030
2040
6
De belangrijkste huisvestingsopgaven Ouderen
Vraag en aanbod 24-uurszorg (PG en SOM): hier is op dit moment al sprake van een tekort, terwijl dit landelijk vaak nog niet zo is. Het tekort groeit naar 350 plekken. In de huidige situatie zien wij nauwelijks een tekort aan geclusterde woningen (slechts 60). Richting 2040 loopt het tekort echter snel op tot 1.300 woningen. Per marktsegment zien we nu al tekorten in de particuliere huur en koopsector, en ontspanning op het sociale segment, maar in de sociale huur ontstaan in de tijd ook tekorten. Begin met nieuwe geclusterde woonconcepten te realiseren, bij nieuwe woonconcepten zoals het hofjeswonen, woonboerderijen of luxe (geschikte) appartementen. Inventariseer of bestaand geclusterd aanbod genoeg kwaliteit biedt Slechts 23 procent van de woningen is levensloopgeschikt. Dit weegt op dit moment nog op tegen het aantal mensen met een mobiliteitsbeperking, maar vraagt wel aandacht voor matching van geschikte woningen aan de bewoners die dit nodig hebben.
Beschermd Wonen (Wmo)
Huidige lokale vraag bedraagt rond de 20-30 plekken per jaar.
Uitstromers uit instellingszorg
Jaarlijks stromen rond de 5 BW-cliënten uit Uitstroom MO en Jeugdzorg is niet in beeld
Verstandelijk beperkten
Huidige vraag is 300 indicaties. Dit aantal indicaties zal bij ongewijzigd licht dalen naar 280. Echter verwachten wij dat meer cliënten landelijk ‘lokaal’ gaan en willen wonen. Dit leidt tot een stabilisatie op 300 indicaties. Er zijn op dit moment slechts 190 plekken, zodat er in beide scenario’s sprake is van een tekort. 7
3 Ouderen & mensen met een lichamelijke beperking Lang niet alle ouderen (65-plussers) hebben een zorgvraag, en lang niet alle ouderen hebben behoefte aan een specifiek soort woning vanwege die zorgvraag. Verreweg de meeste ouderen (94%) wonen thuis, zo blijkt uit de Monitor Zorg voor ouderen 2018 van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa). Veel ouderen zijn daarbij niet afhankelijk van langdurige zorg en ondersteuning. Ook van de 85-plussers woont 70% nog thuis, vaak met ondersteuning vanuit de wijkverpleging. In dit hoofdstuk gaan wij in op de woonvraag van twee groepen ouderen: - Ouderen die vanwege hun gezondheidssituatie een beroep doen op Wlzzorg. Dat betekent dat zij ‘levenslang en levensbreed’ ondersteuning nodig hebben, thuis of in een zorginstelling. Het gaat om mensen die permanent toezicht of 24 uur per dag zorg in de nabijheid nodig hebben. De meeste van deze mensen wonen in een verpleeghuis of verzorgingshuis. Een toenemend aandeel Wlz-cliënten ontvangt deze zorg thuis vanuit een MPT, PGB of VPT. - Daarnaast gaan wij in op de woonvraag van ouderen met een lichtere zorgvraag: welk deel van hen zal een beroep doen op een geclusterde woonvorm, en welk deel zal wonen in een (aangepaste) reguliere woning? - Tot slot, besteden we aandacht aan de woonbehoefte mensen met een lichamelijke- of mobiliteitsbeperking.
In de afgelopen jaren is de toegang tot de Wlz ingeperkt voor ouderen die Verpleging en Verzorging (VV) nodig hebben. Mensen met een zorgvraag waar vroeger indicatie VV 1, 2 of 3 voor werd afgegeven, kunnen tegenwoordig geen beroep meer doen op een woonplek in een instelling. In plaats daarvan krijgen
zij ondersteuning vanuit de Wmo. Bestaande cliënten met een lichte zorgvraag die in een instelling wonen, mogen hier wel blijven.
Zorgvraag in beeld De groep ouderen in de gemeente Barendrecht zal in de komende jaren sterk gaan groeien: zijn er in 2021 ruim 5.740 65+-huishoudens, in 2040 zal dit aantal zijn opgelopen tot 9.190 huishoudens, een stijging van 60 procent. Het aandeel oudere huishoudens van het totaal aantal huishoudens in Barendrecht neemt dan toe van 29 procent nu naar 44 procent in 2040, zoals grafiek 3.1 laat zien: Figuur 3.1: Huishoudenssamenstelling 2021 (binnenring) - 2040 (buitenring)
19% 16%
10%
56%
3% 17% 71%
8% 65 - 74 jaar
75 - 84 jaar
85+
Overige huishoudens
8
Lang niet al deze ouderen hebben een zorgvraag en dat betekent dat zij ook lang niet allemaal behoefte hebben aan een specifieke woonvorm. Voor een deel van de ouderen geldt dit wél. Om een inschatting te kunnen maken van de toekomstige zorgvraag én van de woonvraag die hiermee samenhangt, sluiten wij met onze prognoses aan bij het Zorgtredenmodel van de NZa.
Zorgtredenmodel van de NZa
Figuur 3.2: Zorgtredenmodel NZa (Monitor Zorg voor Ouderen, 2018)
In zorgtrede 5 maakt de oudere structureel (langer dan 3 mnd) gebruik van de zorg die net onder zorgtrede 4 is beschreven. Deze groep ouderen kan ook nog steeds gebruik maken van huishoudelijke hulp (Wmo). In zorgtrede 6 zitten ouderen die zijn opgenomen in een intramurale instelling of die een 'Volledig Pakket Thuis (VPT)' ontvangen via de Wlz.
Het zorgtredenmodel van de Nederlandse Zorgautoriteit bevat zes treden. Alle Nederlandse ouderen (65+) zijn ingedeeld in één van deze treden op basis van de aard en mate van hun zorggebruik. De indeling van ouderen naar zorgtreden gebeurt op basis van de zwaarste zorgvorm die ouderen in het afgelopen half jaar ontvingen. Ter voorbeeld: in zorgtrede 4 en 5 kunnen mensen óók gebruik maken van huishoudelijke hulp vanuit de Wmo:
Vitale ouderen zitten in zorgtrede 1. Zij wonen zelfstandig thuis en gaan slechts af en toe naar de huisarts of de apotheek voor medicatie. Zorgtrede 2 omvat zelfstandig thuiswonende ouderen die gebruik maken van medisch-specialistische zorg vanwege een acute zorgvraag, chronische ziekte of specialistische geestelijke gezondheidszorg. In zorgtrede 3 vallen ouderen die gebruik maken van Wmo-zorg en daarmee een lichte mate van afhankelijkheid van zorg of ondersteuning hebben. Deze zorg betreft hulpmiddelen, voorzieningen, huishoudelijke hulp of andere zorg waarvoor een eigen bijdrage verschuldigd is. Bij zorgtrede 4 maakte de oudere tijdens de afgelopen zes maanden tijdelijk (niet meer dan 3 maanden) gebruik van professionele zorg: persoonlijke verzorging en wijkverpleging uit de Zvw of mpt/pgb uit de Wlz, of revalidatiezorg, eerstelijnsverblijf of Wmo-verblijf of andere Wmozorg die in 2015 uit de AWBZ is overgeheveld. Deze groep ouderen kan ook nog steeds gebruik maken van huishoudelijke hulp uit de Wmo.
Hoe hoger de leeftijd, hoe vaker een oudere gebruik maakt van relatief zware zorg; de verdeling over de zorgtreden van 85-plussers ziet er dan ook heel anders uit dan van de groep 65-75-jarigen. Figuur 3.3 toont de landelijke verdeling over zorgtreden van verschillende leeftijdsgroepen.
9
Figuur 3.3: Verdeling zorgvraag in zorgtreden, naar leeftijd
65-75 jr
31%
75-85 jr 85+ jr
17% 8%
Zorgtrede 1
58% 49%
18% Zorgtrede 2
Figuur 3.4: Prognose zorgvraag ouderen in Barendrecht naar zorgtrede (in personen)
6% 9% Zorgtrede 3
5% 8% 31% Zorgtrede 4
14%
7%
28% Zorgtrede 5
Zorgtrede 6
Bron: NZA, Monitor Zorg voor ouderen (2018)
150 150 900 470 300 4.630
Wanneer we deze cijfers doorrekenen met de bevolkingsprognose per leeftijdscategorie voor Barendrecht, dan kunnen we een prognose berekenen voor de toekomstige omvang van de groep ouderen in de verschillende zorgtreden in de gemeente. Daarbij leiden veranderingen in de leeftijdsopbouw tot veranderingen in de zorgvraag.
180 180 1.090 560 360 5.180
210 210 1.280 660 420
5.980
280 280 1.550 760 490
320 320 1.760 850 550
6.700
7.120
2.210
2.410
2.770
3.120
3.260
2021
2025
2030
2035
2040
Zorgtrede 1
Zorgtrede 2
Zorgtrede 3
Zorgtrede 4
Zorgtrede 5
Zorgtrede 6 (PG)
Zorgtrede 6 (SOM) Bron: NZa, Monitor Zorg voor ouderen, bevolkingsprognose Barendrecht, bewerking Companen.
Van zorgvraag naar woonvraag Ouderen in zorgtrede 6 wonen in een verzorgings- of verpleeghuis (of krijgen Wlz-zorg thuis via een Volledig Pakket Thuis). Landelijk gaat het om 6% van de 65-plussers. De overige ouderen wonen volgens de definitie van de NZa ‘thuis’. Dit kan echter ook een geclusterde woonvorm zijn speciaal voor ouderen. Hoe hoger de zorgtrede, hoe groter de kans dat een oudere ervoor kiest om in een geclusterde woonvorm te gaan wonen.
10
In de onderstaande grafiek 3.5 geeft weer hoe wij ouderen in de verschillende zorgtreden toerekenen aan de verschillende woonvormen in de gemeente Barendrecht op dit moment. Voor de ‘basisvariant’ van de prognose woonvormen gaan wij uit van deze percentages, en rekenen deze demografisch door.
Vervolgens hebben we aannames gedaan over de wijze waarop de huidige verdeling zich in de toekomst zal gaan ontwikkelen naar 2040. Deze percentages zijn gebaseerd op aannames n.a.v. maatschappelijke trends die we in ons werkveld waarnemen: 1.
Figuur 3.5: Situatie 2021, inschatting woonvraag per zorgtrede
100% 90% 80% 70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0%
12%
12%
20%
30%
40%
Meer ouderen met een zwaardere zorgvraag kiezen voor geclusterd wonen. We zien dat de beweging van het verpleeghuiszorg naar geclusterd wonen fors is. Ouderen willen veelal maar 1 keer verhuizen, en zien het verpleeghuis steeds vaker als een laatste redmiddel/eindstation. Zij kiezen bij verhuizing voor een stap naar geclusterd wonen. Een voorwaarde voor deze trend is het realiseren van de juiste geclusterde woonconcepten.
88% 88%
88%
80%
70%
Effect: Ouderen zullen in de toekomst vaker de stap zullen zetten vanuit regulier wonen naar een vorm van geclusterd wonen in plaats van naar een verpleeghuis.
60% 9%
9%
Zorgtrede Zorgtrede Zorgtrede Zorgtrede Zorgtrede Zorgtrede Zorgtrede 1 2 3 4 5 6 (PG) 6 (SOM) Regulier wonen
Geclusterd wonen
24-uurszorg SOM
24-uurszorg PG
We maken hierbij een onderscheid tussen de volgende woonvormen: - Regulier wonen (‘normale’ eengezinswoningen of appartementen) - Geclusterd wonen voor ouderen (bijvoorbeeld seniorenwoningen, aanleunwoningen, hofjeswonen) - Geclusterd wonen met 24-uurszorg (gefinancierd vanuit de Wlz en alleen toegankelijk met een Wlz-indicatie)
2.
Aantrekkelijk nieuw geclusterd aanbod wakkert vraag aan, mede door aandacht voor doorstroming. De vraag naar geclusterd wonen neemt toe, ook onder ouderen zonder directe zorgvraag. Een groeiende groep ouderen zal voorsorteren op een eventuele zorgvraag of mogelijke vereenzaming. De ontwikkeling van nieuw, aantrekkelijk aanbod in geclusterde, ‘vernieuwende woonvormen’ (zoals hofjeswonen) wakkert deze vraag aan, mits de partijen in de gemeente dit aanbod goed onder de aandacht weten te brengen bij de doelgroep. Financieringsvormen zoals VPT en MPT (Volledig/ Modulair Pakket Thuis) werken ondersteunend aan dit verhuisgedrag.
Effect: Ouderen zullen in de toekomst eerder de stap zullen zetten vanuit regulier wonen naar een vorm van geclusterd.
11
3.
De inzet van technologie maakt ‘thuis’ wonen vaker en langer mogelijk voor zorgvragers. Een groot deel van de nieuwe generatie ouderen is bezig om ‘de eigen zaakjes te regelen’, waardoor ze langer in de huidige woning kunnen blijven wonen. Er zijn ook ouderen die dit zelf niet kunnen en tegen problemen aanlopen, zoals financiële beperkingen.
Figuur 3.6: Situatie 2040, inschatting woonvraag per zorgtrede
100% 90%
15% 35%
80%
40%
70%
Effect: We verwachten een voorzichtig effect, waarbij mensen met een lichtere zorgvraag (zorgtrede 4) vaker regulier blijven wonen en dus niet verhuizen richting een vorm van geclusterd wonen. Daarnaast zullen zware somatische zorgvragers (zorgtrede 6) vaker blijven wonen in geclusterd wonen, en dus niet verhuizen naar een 24-uurszorginstelling.
60%
Samenvattend zorgen bovenstaande trends voor enige verschuiving van de vraag van regulier wonen en van 24-uurszorg naar geclusterd wonen voor ouderen. De inzet van technologie dempt dit effect; ouderen kunnen een verhuizing hierdoor ook langer uitstellen. Een deel van de langdurige zorgvragers zal in de toekomst Wlz-zorg ontvangen in geclusterd wonen in plaats van in het verpleeghuis. We zien bijvoorbeeld een verschuiving van 24-uurszorg richting geclusterd wonen. Steeds meer (intensieve) somatische zorg wordt thuis geleverd. Voor het leveren van (intensieve) ambulante zorg zijn geclusterde woonvormen geschikt vanwege de beperkte reisafstand tussen adressen.
10%
Figuur 3.6 vat de gewijzigde inschatting van de woonvraag in 2040 samen:
15%
50% 85%
50% 40%
85%
85% 65%
30% 20%
60%
50% 5% 10%
0%
5% 10%
Zorgtrede Zorgtrede Zorgtrede Zorgtrede Zorgtrede Zorgtrede Zorgtrede 1 2 3 4 5 6 (PG) 6 (SOM) Regulier wonen
Geclusterd wonen
24-uurszorg SOM
24-uurszorg PG
Het resultaat is een toenemende behoefte aan geclusterd wonen. Dit moet niet opgevat worden als tegenstrijdig aan de tendens dat ouderen steeds langer vitaal blijven. Als ouderen langer vitaal blijven, dan blijven ze tot op hogere leeftijd in een lage zorgtrede. Zorgtrede 1 is de meest vitale groep onder 65+’ers; zij maken geen gebruik van specialistische zorg of thuiszorg vanuit Wmo of Zvw. Als ouderen langer vitaal blijven, dan blijven ze dus langer in zorgtrede 1. Verreweg het grootste deel van de mensen in zorgtrede 1 woont in een reguliere woning en gaat pas verhuizen als de vitaliteit achteruit gaat (en ze dus 12
in een hogere zorgtrede terecht komen). Ons model gaat er wel van uit dat toekomstige ouderen iets vaker dan nu al voordat ze een zorgvraag hebben (dus al in zorgtrede 1 of 2), de stap zullen zetten naar geclusterd wonen. De veronderstelling die hier onder ligt, is gebaseerd op veel signalen dat ouderen soms wel willen verhuizen omdat ze hun huis of tuin te groot vinden / willen voorsorteren op een latere zorgvraag, maar dat niet doen omdat er voor hen op dit moment geen aantrekkelijk aanbod is. Deze latente vraag nemen we op deze manier mee. Vanuit een groeiend besef van eigen verantwoordelijkheid en de wens om regie te houden over het eigen leven willen veel ouderen nadenken over hoe ze ‘later’ willen wonen; voor een deel van hen leidt dat ook tot de wens om te verhuizen in een eerder stadium dan dat het om gezondheidsredenen echt moet.
Ontwikkeling van de vraag naar wonen met zorg In de vorige paragraaf lieten we zien welke groei we in de komende jaren verwachten voor de verschillende zorgtreden. Wanneer we deze ‘zorgprognose’ vertalen naar een prognose van de woonvraag, dan leidt dit tot de volgende prognose voor woonvormen. Een groot gedeelte van deze 65plushuishoudens zal voornamelijk binnen de vraag naar regulier wonen blijven vallen. Als we het hebben over een reguliere woning dan betreft het een ‘gewone’, niet-geclusterde woning. Het gaat hierbij zowel om gezinswoningen als om appartementen of studio’s waar ook mensen zonder zorgvraag kunnen wonen.
Tabel 3.1: Prognose woonvormen, basisvariant (2021 - 2040; afgerond op tientallen)
Regulier wonen Geclusterd wonen Geclusterd wonen (24-uurszorg SOM) Geclusterd wonen (24-uurszorg PG) Totaal aantal huishoudens 65+
2021
2025
2030
2035
2040
4.390 1.110
4.930 1.280
5.700 1.490
6.440 1.710
6.820 1.870
130
160
190
240
280
130
160
190
240
280
5.760
6.530
7.570
8.630
9.250
Bron: Bevolkingsprognose Barendrecht, gegevens zorggebruik CIZ & NZa, en bewerking Companen.
Het gaat hier puur om de geschatte vraag, niet om de daadwerkelijke aantallen woningen in de verschillende vormen, ook in het basisjaar 2021. Op basis van de demografische samenstelling schatten wij de huidige vraag naar geclusterd wonen in Barendrecht in op ruim 1.100 woningen, maar het is daarmee nog niet gezegd dat die er nu ook zijn. Indien de vraag in 2021 al hoger is dan het huidige aanbod, dan is er op dit moment al sprake van een tekort. De groei van de groep 65-plushuishoudens zal leiden tot een stijging van de vraag naar alle onderscheiden woonvormen. In absolute zin is de stijging van de vraag naar reguliere woningen het grootst. Maar doordat er steeds meer ‘oudere ouderen’ in de gemeente zullen wonen, zal de behoefte aan geclusterd wonen relatief meer gaan toenemen (met bijna 70 procent, tegen 55 procent groei van de vraag naar regulier wonen). Naast bovenstaande basisvariant hebben we ook de trendvariant uitgewerkt waarin we rekening hebben gehouden met de verandering van voorkeuren en een aantal trends, zoals die hierboven kort zijn beschreven (zie figuur 3.6).
De basisvariant op basis van ongewijzigde voorkeuren (weergegeven in figuur 3.5) ziet er als volgt uit: 13
Figuur 3.7: Ontwikkeling geclusterde woonvormen (basis= rechte lijn; trend; stippellijn)
Tabel 3.2: Prognose woonvormen, trendvariant (2021 - 2040; afgerond op tientallen)
Regulier wonen Geclusterd wonen Geclusterd wonen (24-uurszorg SOM) Geclusterd wonen (24-uurszorg PG) Totaalaantal huishoudens 65+
2021 4.380 1.130 130
2025 4.840 1.370 160
2030 5.510 1.700 180
2035 6.090 2.080 230
2040 6.310 2.400 270
130
160
180
230
270
5.770
6.530
7.570
8.630
9.250
Bron: Bevolkingsprognose Barendrecht, gegevens zorggebruik CIZ & NZa, en bewerking Companen.
Met de twee prognoses (tabel 3.1 en 3.2) creëren we een bandbreedte waarbinnen de werkelijke vraag zich waarschijnlijk zal voltrekken. In grafiek 3.7 geven we deze bandbreedte grafisch weer voor de geclusterde woonvormen. De stippellijn geeft hierbij het trendscenario aan. In het trendscenario zien we een toegenomen stijging van de geclusterde ‘tussenvormen’; woonvormen die geschikt zijn voor zorgsituaties tussen de reguliere woningvoorraad en de verpleeghuizen in. De rechte lijnen geven zicht op de basisvariant.
3000 2500 2000 1500 1000 500 0 2021
2025
Geclusterd wonen
2030 24-uurszorg SOM
2035
2040 24-uurszorg PG
Bron: Woonzorgweter, Companen.
Vraag naar toegankelijke (‘geschikte’) woningen Een deel van de zelfstandig (regulier) wonende ouderen heeft behoefte aan een ‘toegankelijke’ of ‘geschikte’ woning. Zij ervaren mobiliteitsbeperkingen binnen en/of buiten de woning. Het zijn niet alleen ouderen die behoefte hebben aan rolstoelgeschikte woningen, ook mensen met een lichamelijke beperking zijn op zoek naar een woning die voor hen toegankelijk is. 14
Om de vraag naar geschikte woningen te bepalen, maken we onderscheid tussen mensen die een rollator gebruiken en mensen die een rolstoel gebruiken. Mensen in een rolstoel hebben immers aanvullende eisen ten aanzien van toegankelijkheid in de woning, om bijvoorbeeld huishoudelijke taken te kunnen uitvoeren of zich vrij te bewegen door het huis (draaicirkels).
rolstoel alleen buitenshuis gebruiken. Voor de berekeningen in dit hoofdstuk gaan wij er echter vanuit dat iedere persoon in een rolstoel ook daadwerkelijk behoefte heeft aan een rolstoelgeschikte woning. Voor de rest van de groep mensen met een mobiliteitsbeperking gaan wij ervan uit dat zij behoefte hebben aan een rollatorgeschikte woning.
Zowel aan de vraag- als aan de aanbodkant geldt dat de indeling op basis van mobiliteitsbeperkingen de indeling naar zorgvraag (in ‘zorgtreden’) doorkruist. Niet alle mensen met een zorgvraag hebben ook een mobiliteitsbeperking, en vice versa. En rollator- en rolstoelgeschikte woningen komen zowel voor in geclusterde woonvormen als ook in reguliere, al dan niet geclusterde woningen.
Tabel 3.3: Vraagprognose ‘geschikte’ woningen (2021 - 2040; huishoudens; afgerond op 5-tal)
Het aantal mensen met een mobiliteitsbeperking ontlenen wij aan onderzoeksgegevens van ABF (2020). Zij ramen het aantal huishoudens met een ADL-beperking1 op circa 635 huishoudens in 2021. Er is geen prognose beschikbaar van het toekomstig aantal mensen met een mobiliteitsbeperking. Om hier toch een inschatting van te kunnen maken, kijken we naar de verwachte ontwikkeling van de groep ouderen die valt in zorgtrede 3 t/m 5 (waarbij wij ervan uitgaan dat de ontwikkeling van het aantal mensen met een mobiliteitsbeperking hier gelijke tred mee houdt).
Toename 2021
2025
2030
2035
2040
2021-
200
220
255
290
305
105
2040 Rolstoelgeschikte woning Rollatorgeschikte woning
830
925
1.070
1.200
1.275
445
Totaal
1.030
1.145
1.325
1.490
1.580
525
Bron: Woonzorgweter, Companen
Tabel 3.3 laat zien dat in de huidige situatie circa 200 huishoudens in de gemeente Barendrecht behoefte hebben aan een rolstoelgeschikte woning en circa 830 huishoudens aan een rollatorgeschikte woning. De behoefte aan ‘geschikte’ woningen groeit van ruim 1.000 woningen nu (2021) naar bijna 1.600 in 2040.
Op basis van (schaarse) landelijke data weten we dat circa 1% van alle huishoudens een bewoner heeft die gebruik maakt van een rolstoel. Dit houdt in dat 1% van alle woningen rolstoelgeschikt zou moeten zijn. In de praktijk blijkt een deel van de mensen die gebruik maakt van een rolstoel ook uit de voeten te kunnen met een rollatorgeschikte woning, bijvoorbeeld omdat zij de
1 Beperkingen bij Algemene Dagelijkse Levensverrichtingen zoals traplopen, zich wassen
of aankleden.
15
Marktsegment Op basis van het WoON2018, is achterhaald in welk marktsegment mensen nu wonen en hoe zij graag willen wonen. Dat maakt het mogelijk om de prognose voor geclusterd wonen voor ouderen verder uit te splitsen. Wij verwachten dat circa 65% van de ouderen die geclusterd wil wonen een sociale huurwoning wenst. 23% van de ouderen wenst een koopwoning en 12% een particuliere huurwoning. Deze aandelen leiden tot de volgende onderverdeling van de behoefte aan geclusterd wonen, naar marktsegment: Tabel 3.4: Verwachte vraag naar geclusterd wonen, uitgesplitst naar marktsegmenten (2020 - 2040; huishoudens; afgerond op 10-tal)
Sociale huur Part. huur Koop Totaal
2021 720 - 730 130 250 - 260 1.110 - 1.130
2025 820 - 880 150 - 160 290 - 320 1.280 – 1.370
2030 950 – 1080 170 - 200 350 – 400 1.490 – 1.700
2040 1.170 – 1.500 210 - 290 440 – 570 1.870 – 2.400
Bron: Woonzorgweter, Woon2018 en CBS-Microdata.
16
Mensen met een lichamelijke beperking Tussen de (somatische) ouderenzorg en de zorg voor lichamelijk beperkten bestaat veel synergie. Mensen met een lichamelijk handicap hebben net als ouderen vaak behoefte aan een aangepaste woning en soms ook aan (intensieve) zorg. In deze paragraaf brengen we de langdurige zorgvragers met een lichamelijke beperking in beeld. Over het algemeen wonen mensen die vanwege lichamelijke beperkingen Wlz-zorg ontvangen in kleinschalige, geclusterde concepten. Een deel van de cliënten woont in een groepswoning met gedeelde voorzieningen. De illustraties hieronder geven een indruk van de variëteit aan woonvormen die vallen onder de noemer ‘geclusterd wonen’. Figuur 3.8: Voorbeelden geclusterd wonen voor lichamelijk beperkten
Om een inschatting te maken van de omvang van de groep met een lichamelijke beperking, is gebruik gemaakt van de afgegeven LG-indicaties vanuit CIZ-data. Dit zijn de afgegeven indicaties voor mensen die 24-uurszorg nodig hebben. Het aantal mensen met een LG-indicatie in de gemeente Barendrecht was in de afgelopen jaren redelijk stabiel. In de gemeente wonen relatief minder mensen met een LG-indicatie dan gemiddeld in Nederland. Tabel 3.5. Gemeente Barendrecht: Wlz-indicaties LG
Barendrecht LG-indicaties per 1.000 inwoners
1-1-2018 20
1-1-2019 20
1-1-2020 20
1-1-2021 25 0,5
16.295
16.020
15.870
15.955 0,9
Nederland LG-indicaties per 1.000 inwoners Bron: CIZ.
In combinatie met de bevolkingsprognose van de gemeente Barendrecht kan een inschatting worden gemaakt van het aantal mensen met en LG-indicatie voor de periode tot 2040. In 2021 hadden 10 mensen in de gemeente een LGindicatie. Dit aantal blijft naar verwachting de komende jaren stabiel. Tabel 3.6: Vraag naar wonen LG (2021 - 2040; huishoudens; afgerond op 10-tal)
Demografische doorrekening
2021
2025
2030
2035
2040
25
25
25
25
25
Bron: Woonzorgweter, Companen.
We zien dat de huidige vraag voor mensen met een LG-beperking relatief beperkt is. Nu het zorglandschap in toenemende mate gedecentraliseerd wordt, verwachten wij dat mensen met een beperking vaker ‘lokaal gaan wonen’: de vraag kan zich in de toekomst meer evenwichtig spreiden over het land. In dat scenario kan de vraag in 2040 oplopen tot 45 plekken. 17
Geclusterd en geschikt woningaanbod Companen heeft een uitvraag gedaan onder zorgaanbieders en corporaties om het aanbod aan ouderenhuisvesting in beeld te brengen. Het bestaand aanbod aan ouderenhuisvesting zetten wij hier af tegen de (toekomstige) vraag. Tabel 3.7: Aanbod geclusterd woningaanbod naar aanbieder (situatie 2021)
Organisatie Patrimonium Barendrecht Woonzorg NL Wooncompas Wooncompas Maaswonen Laurens Laurens Totaal
Naam Complex Niet gespecificeerd Windsingel Mullerhaven Avenue Carré Carnisseborgh De Elf Ranken Borgstede
Geclusterd wonen 782 80 41 140 30
1.073
24 uur PG
24 uur SOM
62 33 95
64 40 104
geclusterd wonen om complexen waarvoor een Wlz-indicatie geen voorwaarde is om er te kunnen wonen. In veel gevallen is het wél mogelijk om hier Wlz-zorg te ontvangen, via een VPT of MPT. Het gaat dus om ‘tussenvormen’, tussen regulier wonen en het verpleeghuis, waar zowel zorgvragers als zorgdragers wonen. In totaal hebben we zicht gekregen op 1.073 woningen in geclusterde woonvormen. Het betreft in alle gevallen sociale huurwoningen. Van Patrimonium Barendrecht is geen compleet overzicht ontvangen, zodat we hier geen uitsplitsing kunnen maken naar complex, en ook niet hebben kunnen toetsen of de 782 als 55-plus gelabelde woningen van Patrimonium aan alle aspecten van de definitie van geclusterd wonen voldoen.
Bron: Aanbodinventarisatie, Companen.
We zien momenteel in de gemeente Barendrecht 199 plekken geclusterd wonen met 24-uurszorg. Het aanbod aan 24-uurszorg wordt bewoond door mensen met somatische of psychogeriatrische klachten. De praktijk leert dat een (groot) deel van deze plekken wisselend inzetbaar is: hetzij voor mensen met somatische of psychogeriatrische problematiek, maar soms ook voor thuiszorg (Zvw) en tijdelijke zorg. In de aanbodinventarisatie is zowel gekeken naar complexen waar alleen mensen met een Wlz-indicatie kunnen wonen, als naar het aanbod aan ‘geclusterd wonen voor ouderen’. Zoals eerder beschreven, gaat het bij 18
Geschikt woningaanbod In onze analyse van de geschiktheid van de woningvoorraad zijn wij uitgegaan van de volgende meetgraad voor ‘geschiktheid’: alle primaire voorzieningen (slaapkamer, woonkamer, toilet, badkamer en keuken) liggen gelijkvloers of zijn zonder traplopen bereikbaar. De woning is geschikt voor bewoners met geringe beperkingen bij het lopen, die eventueel een wandelstok of kruk(ken) gebruiken. Alle appartementen of (galerij)flats gelden als ‘geschikt’, zolang deze over een lift beschikken. Eengezinswoningen wijzen wij als ‘potentieel geschikt’ aan als zij voldoen aan één van deze kenmerken: • eengezinswoning, gebouwd na 1998; • inhoud bij koopwoning is groter dan 350 m3 en gebouwd na 1965; • inhoud bij huurwoning is groter dan 300 m3 en gebouwd na 1980; • geschakelde woning. Figuur 3.8: Aanbod ‘geschikte’ woningen in de gemeente Barendrecht volgens ‘doorzonscan’ (2021)
Ongeveer de helft de woningvoorraad in de gemeente Barendrecht is potentieel schikt (51%). Dit zijn ongeveer 10.000 woningen. Een beperkt gedeelte (23%) van de woningen in de gemeente is reeds geschikt en 25% van de woningvoorraad is niet geschikt voor ouderen of mensen met een mobiliteitsbeperking. Het gaat hier over ongeveer 4.500 geschikte woningen en ongeveer 5.000 niet-geschikte woningen. In vergelijking met andere gemeenten is het aandeel geschikte woningen in Barendrecht gemiddeld. Barendrecht zit tussen de buren Ridderkerk (25 procent) en Albrandswaard (17 procent) in, en bijvoorbeeld Papendrecht heeft 25 procent geschikte woningen, gemeente Westland 22 procent, Rijswijk 27 procent, Katwijk 31 procent, Gooise Meren 26 procent en Stichtse Vecht 24 procent. Alleen in gemeenten met duidelijk meer appartementsbouw ligt het percentage hoger.
Uitsplitsing naar eigendomssituatie De geschiktheidsopgave binnen Barendrecht is onevenredig verdeeld naar de eigendomssituatie. Huurwoningen zijn vaker gelijkvloers dan koopwoningen, en daarmee vaker geschikt voor ouderen. De uitsplitsing van de woningvoorraad naar eigendom laat het volgende beeld zien:
Bron: WOZ-registratie gemeente Barendrecht, bewerkt door Companen (2021).
19
Figuur 3.9: Geschiktheid woningvoorraad naar eigendom volgens ‘doorzonscan’ (2021)
Huur corporatie
46%
Huur particulier
19%
34%
Koop
14%
Gemeente Barendrecht 0% Geschikt voor ouderen
24%
51% 40%
Geschikt te maken
25% 60%
80%
100%
Huur corporatie Huur particulier Koop Gemeente Barendrecht
Geschikt te maken 797 1008 8200 10006
Niet geschikt
Totaal
1432 311 3205 4951
4122 1988 13328 19443
Bron: WOZ-gegevens gemeente Barendrecht
Niet geschikt voor ouderen
Bron: WOZ-gegevens gemeente Barendrecht.
Geschikt voor ouderen 1893 669 1923 4486
16%
62%
20%
getallen
35%
51%
23%
Tabel 3.8: Geschiktheid woningvoorraad gemeente Barendrecht naar eigendomsvorm, in absolute
Sociale huurwoningen zijn relatief het vaakst geschikt voor ouderen (bijna de helft van de voorraad). In absolute aantallen gaat het om bijna 1.900 geschikte corporatiewoningen. Aan de andere kant telt de sociale huur ook relatief veel ongeschikte woningen, ruim een derde is niet geschikt te maken. Dit hangt veelal samen met de afwezigheid van een lift of een nauwe trapopgang, waardoor er geen ruimte is voor een traplift. De geschiktheid in de particuliere huursector is iets lager dan in de sociale huur, maar groter dan in de koopsector. Het aandeel geschikte woningen is 34% (669 woningen). Bovendien is een fors deel van de rest wel geschikt te maken, slechts 16 procent van de particuliere huur is ongeschikt voor ouderen. De grootste opgave ligt in de koopsector; het aandeel ‘geschikte woningen’ is hier klein, slechts 14 procent (1.900 woningen). Meer dan de helft van de koopwoningen is wel geschikt te maken, vaak gaat het hier om grote eengezinswoningen waar ruimte is voor een traplift.
Uitsplitsing naar leeftijdsklasse Niet iedere geschikte woning wordt bewoond door een oudere met een mobiliteitsbeperking. We zien dat van de geschikte woningvoorraad zo’n 38 procent wordt bewoond door huishoudens onder de 65 jaar. Deze woningen zijn dus niet op korte termijn beschikbaar voor ouderen met een mobiliteitsbeperking. Het aantal voor ouderen beschikbare geschikte woningen is dan ongeveer 2.700. Figuur 3.10: Bewoners van geschikte, geschikt te maken en ongeschikte woningen naar leeftijd.
Geschikte woning
24%
14%
Geschikt te maken
25%
57%
Niet geschikt voor ouderen
24%
47% 0%
Tot 55 jaar
26%
55-64 jaar
20%
40%
65-74 jaar
11% 13% 4% 1%
23%
17%
60%
80%
75-84 jaar
9% 4% 100%
85+ jaar
Bron: WOZ-gegevens en BRP-gegeven gemeente Barendrecht.
20
Tabel 3.9: Bewoners van geschikte, geschikt te maken en ongeschikte woningen naar leeftijd, in absolute getallen Geschikte Geschikt te Niet geschikt woning maken voor ouderen Tot 55 jaar 1053 5675 2263 55-64 jaar
617
2418
1110
65-75 jaar
1138
1250
809
75-85 jaar
1098
423
455
85+ jaar
460
122
195
Totaal
4366
9888
4832
Bron: WOZ-gegevens en BRP-gegeven gemeente Barendrecht.
Tabel 3.9 laat de absolute aantallen zien. Er wonen in Barendrecht 195 huishoudens van boven de 85 jaar in een woning die niet geschikt is en ook niet geschikt te maken. Deze huishoudens kunnen bij een afnemend mobiliteitsvermogen in acute problemen geraken.
Figuur 3.11: Geschiktheid van de woning naar leeftijd.
Tot 55 jaar
12%
63%
25%
55-64 jaar
15%
58%
27%
65-74 jaar
36%
39%
25%
75-84 jaar
56%
21%
23%
85+ jaar
59%
16%
25%
0%
20%
Geschikt voor ouderen
40%
60%
Geschikt te maken
80%
100%
Niet geschikt voor ouderen
Bron: WOZ-gegevens en BRP-gegeven gemeente Barendrecht.
Ook in figuur 3.11 is te zien dat de oudere leeftijdsklassen vaker in een geschikte woning wonen. Van de oudste twee klassen, 75-84 jaar en 85 jaar en ouder, woont meer dan de helft in een geschikte woning. Het aandeel ongeschikte woningen is in iedere leeftijdsklasse ongeveer een kwart, en opvallend constant naar leeftijd. Ongeveer een kwart van de oudere Barendrechters woont dus in een woning die niet geschikt is voor ouderen en ook niet geschikt is te maken. Een deel van deze groep kan bij het ouder worden hierdoor op termijn in problemen komen.
21
Uitsplitsing naar wijken en dorpen In de wijken 02 (Noord + Binnenland), 09 (Meerwede) en 10 (Waterkant + Havenkwartier + Gaatkensoog) is het aandeel geschikte woningen voor ouderen en mensen met een mobiliteitsbeperking het hoogst (meer dan één op de drie). In Dorpzicht daarentegen zijn er helemaal geen geschikte woningen. Hier zijn wel de meeste woningen geschikt te maken, net als in de recente wijken in de westkant van de gemeente. In het Centrum, in de wijk Oranjewijk en in wijk 05 (Paddewei + Molenvliet) is meer dan de helft van de woningen ongeschikt.
In figuur 3.13 is de geschiktheid naar leeftijd bekeken per wijk. Ook hier vallen weer flinke verschillen per wijk waar te nemen. In de wijken Noord, Vrijheidsakker, Meerwede en Waterkant woont een meerderheid van de 65plussers in een woning die geschikt is. In de wijken Dorpzicht en Oranjewijk wonen ouderen het minst vaak in een geschikte woning. Figuur 3.13: Geschiktheid van de huidige woning van 65-plussers naar wijk.
Figuur 3.12: Geschiktheid woningvoorraad naar wijk (2021)
Bron: WOZ-gegevens en BRP-gegeven gemeente Barendecht. Bron: WOZ-gegevens gemeente Barendrecht..
22
Figuur 3.14: Geschikt te maken woningen van 65-plussers naar wijk.
Tabel 3.10: Woningen van 85-plussers naar geschiktheid, per wijk Geschikt voor ouderen
Geschikt te maken
Niet geschikt voor ouderen
Totaal
Wijk 01 Centrum
28
1
32
61
Wijk 02 Noord + Binnenland
93
15
35
143
Wijk 03 Oranjewijk
6
7
25
38
Wijk 04 Buitenoord + Ter Leede
48
27
12
87
Wijk 05 Paddewei + Molenvliet
46
23
50
119
Wijk 06 Nieuweland + Bijdorp
66
18
26
110
Wijk 07 Dorpzicht
0
4
1
5
Wijk 08 Smitshoek + Voordijk + Riederhoek
18
9
10
37
Wijk 09 Meerwede
72
8
0
80
56
2
0
58
Wijk 10 Waterkant + Havenkwartier Gaatkensoog Wijk 11 Vrijhoekakker + Vrijenburg Bron: WOZ-gegevens en BRP-gegeven gemeente Barendrecht.
+
18
3
0
21
Wijk 12 Buitengebied
9
5
4
18
Gemeente Barendrecht
460
122
195
777
In de wijk Dorpzicht zijn de meeste woningen van 65-plussers wel geschikt te maken. Anders is dat met name in het Centrum, waar nauwelijks woningen geschikt te maken zijn. Als we tenslotte inzoomen op de 85-jarigen, dan ontstaat het beeld dat te zien is in tabel 3.10. Boven de 85 jaar zijn ouderen veelal kwetsbaarder, en kan een niet-geschikte woning ineens een probleem gaan geven. Van de 777 Barendrechtse huishoudens met een 85-plusser wonen er 195 in een nietgeschikte woning. Zij wonen vooral in de oudere wijken van de gemeente: Centrum, Noord en Paddewei / Molenvliet.
De huisvestingsopgave: match vraag en aanbod Het aantal reguliere geschikte woningen dat beschikbaar is voor senioren is 2.700. Dit lijkt voldoende om aan de vraag te kunnen voldoen, de vraag ontwikkeld zich van 1.030 geschikte woningen nu naar 1.580 geschikte woningen in 2040. Dat er in kwantitatief opzicht sprake is van een balans, wil echter niet zeggen dat dat op individueel niveau ook zo is. Er kunnen immers ook ouderen in een geschikte woning wonen die zelf nog geen
23
mobiliteitsbeperking hebben. Het teruglopen van het overschot is daarom wel zorgelijk. Een vergelijking van de vraagprognose met het aanbod aan specifieke woonvormen voor ouderen, laat zien dat het totale woningaanbod voor ouderen op dit moment al een klein tekort laat zien. Figuur 3.17: Vraag-aanbodbalans geclusterde woonvormen voor ouderen (trendvariant)
2021
-40 -40 -60 1 -70 -60 -300
2025
-630
2030
-90-80 -150-140 -180 -170 -2000
-1500
2035
-1.010
2040
-1.330 -1000
Geclusterd wonen
-500 24-uurszorg SOM
0
500
24-uurszorg PG
Tabel 3.11: Vraag-aanbodbalans geclusterde woonvormen voor ouderen in de twee varianten
Vraag 2021
Aanbod 2021
24-uurs PG
130
90
24-uurs SOM
130
100
Geclusterd wonen
1.130
1.070
Totaal
1.390
1.260
Aanbod -vraag 2021 -40 -30 -60 -130
Aanbod -vraag 2025 -70 -60 -210 tot -300 -340 tot -430
Aanbod -vraag 2030 -90 tot -100 -80 tot -90 -420 tot – 630 -610 tot -800
Aanbod vraag 2040 -180 tot -190 -170 tot -180 -800 tot -1.330 -1.170 tot -1.680
Bron: aanbodinventarisatie, prognosemodel Companen.
Uit het overzicht blijkt dat er op korte termijn een aantal knelpunten zal ontstaan: De capaciteit aan 24-uurszorg kent momenteel een tekort van zo’n 70 plekken. Geleidelijk ontstaat er een groeiend tekort aan plekken, waarbij we een versnelling zien ontstaan na 2030 door een oplopend aantal 85plussers. Het tekort zal in 2040 zijn opgelopen tot 350 tot 370 plekken (afhankelijk van het vraagscenario). In de huidige situatie is er een gering tekort aan geclusterde woningen, minder dan 5 procent. Tot 2040 verdubbelt echter de vraag, waardoor een fors tekort ontstaat tot tussen de 1.170 en 1.680 woningen.
Bron: aanbodinventarisatie, prognosemodel Companen.
Richting 2040 loopt het tekort snel verder op. In onderstaande tabel is te zien wat de balans is van vraag en aanbod, uitgaande van het huidige aanbod en een bandbreedte in de vraagprognose tussen beide varianten.
24
Tabel 3.12: Vraag-aanbodbalans geclusterde woonvormen voor ouderen naar marktsegment in de twee varianten
Sociale huur Part. huur Koop Totaal
Vraag 2021 730 130 270 1.130
Aanbod 2021 1.070 0 0 1.070
Vraag 2040 1.170 – 1.500 210 - 290 440 - 570 1.820 – 2.360
Tekort 2040 100 - 430 210 - 290 440 - 570 750 – 1.290
In de koopsector en de particuliere huursector is voor zover Companen heeft kunnen nagaan op dit moment geen aanbod, maar er is wel vraag naar geclusterd wonen in de koopsector, en deze vraag neemt toe.
Bron: Woonzorgweter, Woon2018 en CBS-Microdata.
Kijkend naar de marktsegmentatie van de geclusterde woonvormen van ouderen, dan valt het volgende op: Op het sociale huuraanbod in geclusterde vorm is op dit moment voldoende aanbod (althans op papier, want door het ontbreken van aanbod in de koopsector zal er vraagsubstitutie naar de huursector plaatsvinden). Het aanbod is ruim vergeleken bij de vraag, maar dit slaat na 2030 om in een tekort.
Niet al het aanbod dat is meegeteld onder de noemer ‘geclusterd wonen voor ouderen’ zal perse voldoen aan de woonwensen van mensen met een (oplopende) zorgvraag: niet alle complexen zullen een ontmoetingsruimte of gezamenlijke tuin in het complex hebben of in de directe nabijheid, en we zien landelijk dat een beperkt deel van de complexen beschikt over een scootmobielberging. Met het oog op de toenemende vraag naar geclusterd wonen voor ouderen ligt hier een opgave om het bestaande aanbod aan te passen zodat het wel in alle gevallen voldoet aan de gewenste kwaliteit.
25
4 Mensen met een verstandelijke beperking De groep mensen met een verstandelijke beperking kent een diverse samenstelling. Zij kunnen onder andere behoefte hebben aan verpleging of verzorging, huishoudelijke hulp of begeleiding bij gedragsproblematiek. Wonen met andere verstandelijk beperkten in een geclusterd woonconcept is doorgaans prettig voor deze groep. Een deel van de verstandelijk beperkten is ook zelfredzamer en woont in toenemende mate zelfstandig in de wijk. In dit hoofdstuk brengen wij de behoefte aan geclusterde en gespikkelde plekken voor zorg met verblijf voor de VG-groep in beeld, en zetten we deze vraagontwikkeling af tegen het bestaande aanbod.
In dit onderzoek richten wij ons primair op de groep die gebruik maakt van Wlzzorg. Dit houdt in dat we het hebben over mensen die ‘levenslang en levensbreed’ ondersteuning nodig hebben, thuis of in een zorginstelling. Deze mensen staan onder permanent toezicht of ontvangen 24 uur per dag zorg in de nabijheid. Omdat we ingaan op de groep mensen die levenslang behoefte hebben aan zorg met verblijf, spreken we niet over een groep die uitstroomt. In de afgelopen jaren is de toegang tot de Wlz voor mensen met een verstandelijke beperking iets beperkter geworden. Nieuwe cliënten met een lichte zorgvraag (Wlz-indicaties VG 1 en 2) kunnen tegenwoordig geen beroep meer doen op een woonplek in een instelling. In plaats daarvan krijgen zij ondersteuning vanuit de Wmo. Bestaande cliënten met een lichte zorgvraag die in een instelling wonen, mogen hier wel blijven. Ondanks de beperkte toegang tot Wlz-indicaties, zien wij een landelijke trend waarin er steeds meer mensen een indicatie voor VG hebben. Deze groei stijgt sneller dan de algehele
bevolkingsgroei. Deels wordt dit verklaard door het ouder worden van de doelgroep. Andere mogelijke verklaringen zijn herindicering of betere diagnostiek. De VG-doelgroep gaat daarnaast steeds vaker extramuraal wonen. Door technologische ontwikkeling in de zorg is het steeds vaker (beter) mogelijk om buiten een instelling te wonen. Daarnaast is er een toenemende vraag zichtbaar vanuit cliënten (en verwanten) om het zorgpakket zelf samen te stellen. Wanneer iemand een Wlz-indicatie heeft, kunnen woningaanpassingen die ervoor moeten zorgen thuis te kunnen blijven wonen, hier ook (deels) uit betaald worden. Ook hebben verstandelijk beperkten, met een Wlz-indicatie en een leeftijd tot 23 jaar, recht op huurtoeslag op huurwoningen met een prijs tot de liberalisatiegrens (in 2021: € 751,33). Voor jongere VG-cliënten in de Wmo geldt echter de kwaliteitskortingsgrens, ook wel de jongerengrens genoemd (€ 442,46).
Woonvraag van verstandelijk beperkten Het aantal Wlz-indicaties voor zorg aan verstandelijk beperkten (VG) is over de jaren 2015 tot en met 2021 gestegen. In 2021 waren er volgens de afgegeven Wlz-indicaties van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) 300 mensen met een VG-indicatie in Barendrecht. Deze stijging komt mede doordat er omstreeks 2016 en 2017 een fors aantal mensen een herindicering naar de Wlz-zorg heeft gekregen. Landelijk zien wij dat een deel van de doelgroep VG in 2015 is overgegaan naar de Wmo, maar dat een deel van deze groep later alsnog een VG-indicatie heeft gekregen. Hiermee lijkt de toename in indicaties tussen 2016 en 2017 vooral een ‘reparatie’.
26
Figuur 4.1: Historisch zorggebruik VG gemeente Barendrecht (2015 – 2020)
Figuur 4.2: Gemeente Barendrecht. Prognose zorgvraag (2021 - 2040), demografische doorrekening
350 300 5 25 20 65 15 40
250 200 150 100 50 0
5 30 15 70
60 10 2016 2VG
3VG
5 30 20
10 30 15
5 30 15
30 20
80
85
90
85
30 45
35 50
35 50
35 50
45
60 10 2017
60 10 2018
60 10 2019
60 10 2020
60 10 2021
4VG
5VG
6VG
7VG
8VG
400 300
20
20
30
40
40
280
270
260
250
240
2021
2025
2030
2035
2040
200
50
100 0
Geclusterd wonen
Totaal (SG)LVG
Gespikkeld wonen
Bron: Indicatiegegevens CIZ.
Bron: Bevolkingsprognose Barendrecht, Indicatiegegevens CIZ, bewerking Companen.
Aan de hand van deze indicatiegegevens en de bevolkingsprognose van de gemeente Barendrecht hebben wij een inschatting opgesteld van de zorgvraag van verstandelijk beperkten voor de periode tot 2040. In deze basisprognose is inzichtelijk gemaakt hoe de totale zorgvraag van verstandelijk beperkten zich zal ontwikkelen. De onderstaande tabel toont de verwachte vraag naar VGplekken volgens de basisprognose: een beleidsvrije, demografische doorrekening op basis van de huidige vraag.
Trendscenario (scenario: ‘lokaal wonen’)
Tabel 4.1: Gemeente Barendrecht. Prognose woonvormen (2021 - 2040), demografische
In de basisprognose komt naar voren dat het aantal mensen met een VGindicatie in de komende decennia licht gaat dalen. In vergelijkbare onderzoeken is geopperd dat het aandeel mensen met een Wlz-indicatie voor VG juist zal gaan stijgen, door toegenomen levensverwachting en vitaliteit van de groepen verstandelijke beperkten. In het tweede scenario (trendscenario) wordt dit wel meegerekend. Tabel 4.2: Gemeente Barendrecht. Prognose woonvormen (2021 - 2040), scenario ‘lokaal wonen’
doorrekening
Prognose Geclusterd wonen Gespikkeld wonen
2021 300 280 20
2025 290 270 20
2030 290 260 30
2035 290 250 40
2040 280 240 40
Prognose Geclusterd wonen Gespikkeld wonen
2021 300 280 20
2025 300 270 30
2030 300 270 30
2035 300 260 40
2040 300 260 40
Bron: Bevolkingsprognose Barendrecht, Indicatiegegevens CIZ, bewerking Companen.
Bron: Bevolkingsprognose Barendrecht, Indicatiegegevens CIZ, bewerking Companen.
27
In de trendscenario is het uitgangspunt dat het aandeel mensen met VGindicatie in de komende jaren geleidelijk aan richting het landelijk gemiddelde beweegt, omdat nieuwe VG-cliënten er vaker voor kiezen om in hun eigen omgeving te blijven wonen in plaats van naar een verder afgelegen instelling te verhuizen (vandaar de benaming ‘lokaal wonen’). In dit scenario zal het aantal mensen met een VG-indicatie in de gemeente Barendrecht licht toenemen. Figuur 4.3: Gemeente Barendrecht. Prognose zorgvraag (2021 - 2040), scenario ‘lokaal wonen’
350 300 250
20
30
30
40
40
280
270
270
260
260
2021
2025
2030
2035
2040
200 150 100 50 0
Geclusterd wonen
Gespikkeld wonen
Bron: Bevolkingsprognose Barendrecht, Indicatiegegevens CIZ, bewerking Companen.
Trends en ontwikkelingen Een aantal trends zijn van invloed op de toekomstige vraag naar wonen met VG-zorg: Klanten kunnen door de inzet van sociale robots zelfstandiger leven. Ze helpen de klant bij de dagindeling en ondersteuning van activiteiten. De robot stuurt herinneringen voor dagtaken en kan bijvoorbeeld aangeven of het verstandig is om een jas aan te trekken als de klant naar buiten gaat. Ook stimuleren robots de communicatieve en sociale vaardigheden door zelf gesprekken te voeren én berichten af te spelen van verzorgers en naasten. Er zijn tal van apps en e-learning modules voor de GZ ontwikkeld. Apps kunnen bijvoorbeeld helpen bij het herkennen en reguleren van emoties. Apps zijn op alle momenten van de dag beschikbaar, zo kunnen ze ondersteuning bieden wanneer de klant dat nodig heeft. Daarnaast zijn elearning modules die helpen bij het behouden van de ‘eigen regie’. De klant kan dan in eigen tijd blijven werken aan zelfstandigheid. Er zijn medische hulpmiddelen die helpen het vergroten van de leefomgeving. Er zijn helmen die als kraag onder kleding gedragen kunnen worden en bij een valbeweging omhoog schieten als een helm. Doordat de helm onzichtbaar is, kunnen klanten met val-gevaar met meer vertrouwens op pad. Ook zijn er apps in ontwikkeling die als virtuele geleidelijn dienen. Die helpen klanten om in onbekende gebouwen eenvoudig te navigeren.
Tezamen met de deelnemers aan de werksessie nemen wij de trend van het ‘lokaal wonen’ waar: wij zien een toenemende behoefte van cliënten om te wonen in de omgeving waar zij opgegroeid zijn of vertrouwd mee zijn. In veel kleinere gemeenten worden daardoor in de laatste jaren meer kleinschalige woonlocaties aangeboden.
28
Aanbodanalyse Aan alle zorgaanbieders in de gemeente Barendrecht is gevraagd hoeveel woonzorgplekken zij hebben voor deze doelgroep. In de onderstaande tabel wordt het geïnventariseerde aanbod weergegeven. Tabel 4.3: Aanbod naar woonvorm (2021)
Zorgaanbieder ASVZ Humanitas Humanitas Humanitas Humanitas Humanitas Humanitas Overburen Overburen Zuidwester Totaal
Complex Vrijheidakker Concertweg Donge Vrijheidsakker Klarinetweg oneven Klarinetweg even Gezinsopvang Meliom KSW-B Pottenbakkerij
Aantal woningen 25 15 8 24 26 32 6 28 22 15 201
stijgende levensverwachting). Een vergelijking van de vraagprognose met het huidige woonzorgaanbod voor de doelgroep verstandelijk beperkten, laat het volgende zien: Het aanbod dat in beeld is voorziet niet voldoende in de vraag naar VGaanbod. De huidige vergelijking van vraag en aanbod leidt tot een tekort aan 100 plekken. Door demografische ontwikkelingen loopt dit tekort op terug naar 80 plekken. Het is echter mogelijk dat niet al het geclusterd woningaanbod in de gemeente in beeld is gebracht. Er is geen beeld van het aanbod van gespikkeld wonen. Tabel 4.4: Balans tussen vraag en aanbod aan woonvormen voor VG
Aanbod Basisprognose Scenario lokaal wonen
200 200
Vraagaanbod 2021 -100 -100
Vraagaanbod 2025 -90 -100
Vraagaanbod 2030 -90 -100
Vraagaanbod 2035 -90 -100
Vraagaanbod 2040 -80 -100
Bron: prognosemodel Companen.
Bron: Aanbodinventarisatie zorgaanbieders gemeente Barendrecht..
Zorgaanbieders ASVZ, Humanitas, Zuidwester en Stichting Overburen hebben samen tien complexen gemeld met in totaal 201 VG-plekken.
De huisvestingsopgave: match tussen vraag en aanbod Bij het opstellen van de huisvestingsopgave gaan wij uit van de basisprognose. Het scenario ‘lokaal wonen’ geldt als een alternatief; op de verdeling van Wlzplekken heeft de gemeente immers weinig sturingsmogelijkheden. De beweging van het ‘lokaal wonen’ staat of valt met de wil van zorgaanbieders om aanbod te spreiden en de wil van cliënten om elders te gaan wonen. De basisprognose geeft een ‘neutraal’ toekomstbeeld, waarin er rekening wordt gehouden met demografische ontwikkelingen (zoals bevolkingsgroei of een 29
5 Beschermd wonen en uitstroom uit Maatschappelijke Opvang Beschermd Wonen (BW) is bedoeld voor mensen die niet zelfstandig kunnen wonen vanwege psychische en/of psychosociale problematiek en die begeleid worden bij het wonen. Na een verblijf in Beschermd Wonen kan de cliënt uitstromen richting zelfstandig wonen, soms met een tussenstap. Ook is er jaarlijks uitstroom vanuit de Maatschappelijke Opvang en Jeugdhulp-metverblijf. In dit hoofdstuk maken we een analyse van de ontwikkeling van de vraag naar plekken voor zorg met verblijf voor mensen met een indicatie voor BW en gaan we in op de jaarlijkse vraag naar woonruimte die voortkomt uit de uitstroom uit zorgvoorzieningen.
Doelgroepen en context Barendrecht maakt onderdeel uit van de Beschermd Wonen regio Rotterdam, samen met de gemeenten Albrandswaard, Capelle aan den IJssel, Krimpen aan den IJssel, Lansingerland, Ridderkerk en Rotterdam. Centrumgemeente Rotterdam is verantwoordelijk voor deze zorg in alle gemeenten in deze regio en is budgethouder.
Maatschappelijke opvang Mensen die (tijdelijk) geen vorm van onderdak hebben, kunnen terecht bij de maatschappelijke opvang. In Nederland geldt dat iedereen hier terecht moet kunnen voor een slaapplek; er is geen maximum aantal plekken in de nachtopvang. De maatschappelijke opvang kent een grote verscheidenheid aan vormen, en ook een grote diversiteit aan ‘gebruikers’. Gezinnen kunnen op diverse locaties terecht in gezinsopvang, terwijl de nachtopvang dient voor korter verblijf voor met name alleenstaanden. Het gaat om mensen met
uiteenlopende problematiek: huiselijk geweld, psychische problemen, schulden of verslaving. Maar steeds vaker gaat het ook om mensen die als gevolg van een scheiding, al dan niet in combinatie met werkloosheid, op straat komen te staan. Maatschappelijke opvang is per definitie tijdelijk: het is altijd de bedoeling dat mensen die hier verblijven, op enig moment weer zelfstandig gaan wonen. Mensen voor wie dit niet haalbaar blijkt, stromen soms door naar Beschermd Wonen.
Beschermd Wonen (Wmo) Nu de Wlz is opengesteld voor ggz-cliënten met een langdurige zorgvraag, zullen BW-voorzieningen (Wmo) vaker een ‘doorstroomkarakter’ hebben; na verloop van tijd zullen de meeste cliënten weer zelfstandig(er) gaan wonen met meer of minder intensieve begeleiding. Hoeveel mensen naar verwachting op jaarbasis zullen uitstromen en dus op zoek moeten naar alternatieve woonruimte is van veel factoren afhankelijk. Daarnaast kan ‘uitstroom’ vanuit BW in de praktijk verschillende dingen betekenen: Een cliënt verhuist vanuit een BW-instelling naar een zelfstandige woning of naar een appartement of studio in een geclusterde woonvorm. In beide gevallen gaat de cliënt zelf huur betalen. Als nog ondersteuning nodig is, dan wordt deze geboden in de vorm van ambulante begeleiding. Een cliënt verhuist niet, maar de woonplek wordt ‘omgeklapt’: de BWindicatie vervalt en wordt vervangen door een indicatie voor ambulante begeleiding. De cliënt gaat voortaan zelf huur betalen.
Kwetsbare jongeren De groep ‘kwetsbare jongeren’ (18 tot 23 jaar) die een specifieke vraag heeft op de woningmarkt is eveneens een diverse groep. Het grootste deel stroomt uit vanuit een pleeggezin of jeugdhulpinstelling. Er bestaat een variëteit aan woonvormen voor jeugdhulp met verblijf, waaronder pleeggezinnen, gezinshuizen of in een ‘residentiële setting’ zoals een behandelgroep. Rond hun 30
18e levensjaar2 stromen kwetsbare jongeren uit. Een deel van hen gaat vervolgens wonen in een zelfstandige woning of kamer, maar er zijn ook jongeren die doorstromen naar instellingszorg of een vorm van begeleid wonen.
Veranderingen in het Beschermd Wonen-stelsel Vanaf 1 januari 2022 vindt geleidelijk een verdere decentralisatie van Beschermd Wonen plaats, met een zichttermijn tot 1 januari 2033. De wettelijke centrumgemeentefunctie die Rotterdam nu vervult komt dan te vervallen, de regionale gemeenten maken met elkaar nieuwe afspraken over de verdeling tussen centrumgemeente en overige gemeenten. De financiële middelen voor Beschermd Wonen worden vanaf 2023 gedecentraliseerd en aan elke individuele gemeente beschikbaar gesteld op basis van een ingroeipad. Daarnaast ontvangt een deel van de huidige Beschermd Wonen-cliënten vanaf 1 januari 2021 financiering vanuit de Wlz, omdat zij ‘levenslang’ ondersteuning nodig hebben. Zorg en verblijf worden dan niet meer betaald vanuit de Wmo, maar vanuit de Wlz. Landelijk wordt verwacht dat ongeveer 35% van het cliëntenbestand in 2020 straks financiering uit de Wlz krijgt. De woon- en zorgvraag van deze doelgroep zal onder dit nieuwe financieringsregime niet wezenlijk veranderen. De cliënten hebben immers nog steeds behoefte aan een beschermde woonplek. Vanwege de soortgelijke woonvraag, nemen wij in dit hoofdstuk de gehele groep BW mee; zijnde alle mensen die financiering vanuit Wmo en Wlz zullen ontvangen.