Wijzigingen Verordening Individuele Inkomenstoeslag 2023.pdf
Tekst van het document
Overzicht wijzigingen Individuele inkomenstoeslag 2023 1. Technische wijzigingen Nummering artikelen Door een wetswijziging is het niet meer noodzakelijk om de regels voor de studietoeslag per verordening vast te leggen. Deze regels worden in landelijke wetgeving vastgelegd. De verordening Individuele studie- en inkomenstoeslag dient hierdoor gewijzigd te worden. Hoofstuk 2 uit de verordening is verwijderd. De verordening stelt nu alleen de regels vast voor de individuele inkomenstoeslag. Hierdoor is de nummering van de artikelen aangepast.
2. Inhoudelijke wijzigingen algemeen Toelichting In de toelichting is het onderdeel over overgangsrecht niet meer opgenomen. Het overgangsrecht had bettrekking op veranderingen door de invoering van de Participatiewet. De Participatiewet is in 2015 ingevoerd en derhalve is er geen overgangsrecht meer noodzakelijk.
3. Inhoudelijke wijzigingen per artikel Verordening Individuele studieen inkomenstoeslag (OUD)
Verordening Individuele inkomenstoeslag 2022 (NIEUW)
Toelichting
Hoofstuk 2 Studietoeslag (artikel 3, 4 en 5) zijn verwijderd
n.v.t.
Artikel 3. Algemene voorwaarden 1. Als één van de gehuwden op grond van artikel 11 of artikel 13, eerste lid, van de Participatiewet geen recht heeft op bijstand, komt de rechthebbende echtgenoot in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag naar de hoogte die voor hem als alleenstaande of alleenstaande ouder geldt. 2. Voor toepassing van het eerste lid is de situatie op de peildatum leidend. 3. Niet voor individuele inkomenstoeslag komt in aanmerking de belanghebbende die een opleiding volgt als bedoeld in de WSF 2000/WTOS.
Artikel 3. Algemene voorwaarden 1. Als één van de gehuwden op grond van artikel 11 of artikel 13, eerste lid, van de Participatiewet geen recht heeft op bijstand, komt de rechthebbende echtgeno(o)te in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag, naar de hoogte die voor de rechthebbende echtgeno(o)te als alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden. 2. Voor toepassing van het eerste lid is de situatie op de peildatum leidend.
I.v.m. wetswijziging is het niet meer noodzakelijk om de bepalingen uit Hoofstuk 2 in de verordening op te nemen Lid 3 is nu opgenomen in artikel 6 lid 4.
Artikel 8. Hoogte individuele inkomenstoeslag 1. De hoogte van de individuele inkomenstoeslag bedraagt; a. voor een alleenstaande; € 362 b. voor een alleenstaande ouder; € 465 c. voor gehuwden: € 550 d. voor een alleenstaande en alleenstaande ouder in een inrichting: € 130 e. voor gehuwden in een inrichting € 250. 2. De bedragen genoemd in het eerste lid worden jaarlijks geïndexeerd op 1 januari, overeenkomstig de ontwikkelingen van de consumentenprijsindex volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek en op hele euro’s afgerond naar boven. 3. Voor toepassing van het eerste lid is de situatie op de peildatum bepalend.
Artikel 5. Hoogte individuele inkomenstoeslag 1. De hoogte van de individuele inkomenstoeslag bedraagt; a. voor een alleenstaande; € 410,00 (2022) b. voor een alleenstaande ouder; € 525,00 (2022) c. voor gehuwden: € 621,00 (2022) d. voor een alleenstaande en alleenstaande ouder in een inrichting: € 149,00 (2022) e. voor gehuwden in een inrichting € 284,00 (2022) 2. De bedragen genoemd in het eerste lid worden jaarlijks geïndexeerd op 1 januari, overeenkomstig de ontwikkelingen van de consumentenprijsindex volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek en op hele euro’s afgerond naar boven. 3. Voor toepassing van het eerste lid is de situatie op de peildatum bepalend.
De bedragen zijn aangepast naar de vastgestelde bedragen voor 2022
N.v.t.
Artikel 6. Geen zicht op inkomensverbetering 1. Van degene die gedurende de referteperiode van 36 maanden een laag inkomen heeft gehad, kan worden gesteld dat er geen zicht is op inkomensverbetering. 2. De individuele omstandigheden worden betrokken bij de beoordeling van het zicht op inkomensverbetering. 3. Tot de individuele omstandigheden worden in ieder geval gerekend: a. de krachten en bekwaamheden van de persoon; en b. de inspanningen die de persoon heeft verricht om tot inkomensverbetering te komen. 4. Lid 1 is niet van toepassing op personen die uit ’s Rijks kas
Artikel 6 is toegevoegd aan de verordening om duidelijkheid te creëren omtrent het begrip ‘geen zicht op inkomensverbetering’. In de prakrijk blijkt dat als er gedurende de referteperiode een laag inkomen is ontvangen de kans op inkomensverbetering binnen in ieder geval een jaar klein is. Wel dienen hierbij de omstandigheden en inspanningen van de persoon in ogenschouw genomen te worden.
bekostigd onderwijs volgen of kunnen volgen.
Door te kiezen voor deze benadering is het voor een grote groep minima mogelijk om een individuele inkomenstoeslag aan te vragen. Hier is voor gekozen ter compensatie van verminderde koopkracht en energiekosten die hoger zullen worden.
Personen die uit Rijkskas bekostigd onderwijs volgens of kunnen volgen hebben geen recht op de toeslag, omdat hier wel sprake is van zicht op inkomensverbetering. Artikel 9 Beleidsregels 1. Het college stelt beleidsregels vast met betrekking tot de uitvoering van deze verordening. 2. De beleidsregels, zoals bedoeld in het eerste lid, geven met betrekking tot de individuele studietoeslag in ieder geval aan wanneer een persoon niet in staat is om het wettelijk minimumloon te verdienen, maar wel mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft en hebben voor de individuele inkomenstoeslag in ieder geval betrekking op de invulling van het begrip ‘geen uitzicht op inkomensverbetering' zoals bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de P-wet.
N.v.t.
Artikel 9 uit de oude verordening is verwijderd, omdat de bepalingen die in aanvullend beleid kunnen worden opgenomen al zijn vastgelegd in artikel 6 van de nieuwe verordening. Aanvullend beleid is niet meer noodzakelijk.