CConstaterende datBarendrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Voorstel

commissie Ruimte 10 mei 2022, gemeente BarendrechtBij agendapunt: Ontwerpbestemmingsplan Middeldijk 2813.067 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Raadsvoorstel Onderwerp: Ontwerpbestemmingsplan Middeldijk 28

College van burgemeester en wethouders 4 april 2022

Zaaknummer 411028

Portefeuillehouder Lennart van der Linden

Commissie Ruimte 10 mei 2022

Openbaar

Geadviseerd besluit 1. Medewerking te verlenen aan de realisatie van 11 woningen en omzetting van een bedrijfswoning naar een reguliere woning aan de Middeldijk 28 onder de voorwaarde dat door de heer Zwaal vooraf een schriftelijke instemming wordt afgegeven dat hij bereid is medewerking te verlenen aan de ontwikkeling van zijn gronden in de Zuidpolder 2. In te stemmen met het ontwerpbestemmingsplan Middeldijk 28 3. Vast te stellen dat, gezien de vormvrije m.e.r.-beoordeling, geen omvangrijke negatieve milieueffecten aan de orde zijn die een milieueffectrapportage rechtvaardigen 4. Geen exploitatieplan vast te stellen, zoals bedoeld in artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening, omdat de kosten anderszins verzekerd zijn 5. Het ontwerpbestemmingsplan Middeldijk 28 aan de Commissie Ruimte voor te leggen voor akkoord terinzagelegging

Bijlagen 1. Overeenkomst Zuidpolder en Middeldijk, ondertekend.pdf 2. Anterieure overeenkomst Middeldijk 28.pdf 3. Toelichting ontwerpbestemmingsplan Middeldijk 28.pdf 4. Regels ontwerpbestemmingsplan Middeldijk 28.pdf 5. Verbeelding ontwerpbestemmingsplan Middeldijk 28.pdf 6. Commissienotitie ontwerpbestemmingsplan Middeldijk 28.pdf 7. Technische vragen EVB inzake ontwerpbestemmingsplan Middeldijk 28.pdf 8. Niet openbare technische vragen EVB inzake ontwerpbestemmingsplan Middeldijk 28.pdf 9. 2022-05-10 Reactie technische vragen ontwerpbestemmingsplan Middeldijk 28.pdf 10. 2022-05-10 Geheime beantwoording technische vragen ontwerpbestemmingsplan Middeldijk 28.pdf 11. Advies commissie Ruimte 10 mei 2022.pdf

1/54

Toelichting Bestemmingsplan Middeldijk 28 te Barendrecht Gemeente Barendrecht

NL.IMRO. 0489.Middeldijk28-ON01 Ontwerp - november 2021

1

2/54

INHOUDSOPGAVE

PAG.

1. Inleiding 1.1 Situering 1.2 Aanleiding en doelstelling 1.3 Het bestemmingsplan 1.4 Leeswijzer 2. Beschrijving plangebied en bouwplan 2.1 Inleiding 2.2 Ontstaansgeschiedenis 2.3 Huidige situatie 2.4 Plan 3. Beleidskader 3.1 Inleiding 3.2 Rijksbeleid 3.3 Provinciaal beleid 3.4 Regionaal beleid 3.5 Gemeentelijk beleid 4. Omgevingsaspecten 4.1 Inleiding 4.2 Verkeer/parkeren 4.3 Flora en fauna 4.4 Archeologische waarden en cultuurhistorie 4.5 Waterhuishouding 4.6 Milieuzonering 4.7 Geluid 4.8 Bodem 4.9 Luchtkwaliteit 4.10 Externe veiligheid 4.11 Kabels en leidingen 4.12 Vormvrije mer 5. Juridische toelichting 5.1 Juridische planopzet 5.2 Bestemmingswijzer 5.3 Plantoetsing en handhaving 6. Uitvoering 6.1 Economische uitvoerbaarheid 6.2 Planschade 7. Overleg ex artikel 3.1.1. Bro/zienswijzen

3 3 4 4 5 6 6 6 6 8 9 9 9 10 11 11 13 13 13 14 15 16 18 18 19 19 21 21 21 23 23 23 23 24 24 24 25

Bijlagen: -Verkennend bodemonderzoek (Dordrecht Research, 21 augustus 2020, nr. 200711) -Quick scan Flora&Fauna (Breur Ecologie&Onderzoek, 5 oktober 2020, nr. QS20048v01) -Archeologisch advies (BOOR, 1 juni 2021, nr. AS21/06851-21/0009985) -Akoestisch onderzoek (Kraaij akoestisch advies, 23 augustus 2021, nr. VL. 2135.R01) -AERIUS-berekening (Ad Fontem, 1 juni 2021, nr. 21AF143)

2

3/54

1. Inleiding 1.1 Situering Het plangebied betreft het perceel Middeldijk 28 te Barendrecht. Het plangebied ligt in de bebouwde kom van Barendrecht. Op het perceel is op dit moment agrarische bebouwing aanwezig in de vorm van een boerderijwoning met aangebouwde schuur en een vrijstaand agrarisch bedrijfsgebouw.

Figuur 1.1: luchtfoto plangebied

Figuur 1.2: foto boerderij en schuur

Het plangebied is met de bestemming ‘Bedrijf’ opgenomen in het bestemmingsplan ‘Woongebied Oost’ van de gemeente Barendrecht.

3

4/54

Figuur 1.3: deel verbeelding bestemmingsplan Woongebied Oost

1.2 Aanleiding en doelstelling Op het perceel Middeldijk 28 is altijd een agrarisch bedrijf gevestigd geweest. In de loop der jaren zijn de agrarische gronden van het bedrijf, vanwege de voortschrijdende verstedelijking van Barendrecht, verkocht om te worden gebruikt voor de realisering van woningbouw. Op enig moment is aan het agrarische bedrijfscomplex de bestemming ‘Bedrijf’ gegeven, omdat er ter plaatse agrarisch gerelateerde bedrijfsactiviteiten plaatsvonden, zoals de opslag van aardappelen. De bestaande bebouwing is inmiddels verouderd en minder geschikt voor bedrijfsmatige activiteiten. Om die reden is nagedacht over een vervolgfunctie voor de bebouwing. Vanwege de behoefte aan de realisering van woningen in het centrum van Barendrecht is het plan opgevat om op het perceel een dergelijke woonfunctie te realiseren. Een gebruik voor woondoeleinden stemt niet overeen met het geldende bestemmingsplan ‘Woongebied Oost’. Om deze reden is voorliggend bestemmingsplan ‘Middeldijk 28 Barendrecht’ gemaakt.

1.3 Het bestemmingsplan Het voorliggende bestemmingsplan ‘Middeldijk 28 Barendrecht’ maakt het mogelijk om in totaal 11 woningen te realiseren op het perceel Middeldijk 28 te Barendrecht en om daarnaast de bestaande bedrijfswoning om te zetten naar een reguliere woning. Het plan voorziet in 5 woningen in de bestaande gerestaureerde schuur en 6 nieuwe woningen op de locatie van de voormalige schuur. Het bestemmingsplan bestaat uit de volgende stukken: - Verbeelding (plankaart); - Regels. Het bestemmingsplan gaat vergezeld van deze toelichting. 4

5/54

1.4 Leeswijzer Deze toelichting omvat een omschrijving op hoofdlijnen van het plangebied en het plan (hoofdstuk 2). Het relevante beleid voor het plangebied (hoofdstuk 3) en een omschrijving van de verschillende omgevingsaspecten (hoofdstuk 4). In hoofdstuk 5 wordt een juridische toelichting gegeven. Hoofdstuk 6 omvat de aspecten planschade en economische uitvoerbaarheid. Tot slot wordt in hoofdstuk 7 het overleg ex artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening beschreven, alsmede de uitkomst van de zienswijzenprocedure.

5

6/54

2. Beschrijving plangebied en bouwplan 2.1 Inleiding In dit hoofdstuk worden het plangebied en het bouwplan beschreven.

2.2 Beschrijving plangebied en omgeving Het plangebied ligt aan de Middeldijk in Barendrecht. Aan dit deel van de Middeldijk bevinden zich diverse gebouwen en gebruiksfuncties, van woningen tot van oudsher gevestigde bedrijven. Het plangebied ligt aan de noordzijde van de Middeldijk, de achterzijde van het gebied grenst aan de woonwijk Molenvliet.

2.3 Huidige situatie Op het perceel is voormalige agrarische bedrijfsbebouwing aanwezig. Het betreft twee bouwelementen, enerzijds de voormalige boerderij met aan de voorzijde bedrijfswoning en daaraan vastgebouwd een boerderijschuur. Ten oosten daarvan staat een vrijstaand bedrijfsgebouw.

Figuur 2.1: luchtfoto plangebied

Het plangebied is kadastraal bekend gemeente Barendrecht, sectie B nr. 2670 en heeft een totale oppervlakte van 4.470 m².

6

7/54

Figuur 2.2: kadastrale tekening plangebied

Figuur 2.3 foto bestaande bedrijfswoning met boerderijschuur

Figuur 2.4: foto vrijstaande bedrijfsgebouw

7

8/54

2.4 Plan In het nieuwe plan wordt de boerderij omgebouwd naar 5 patiowoningen. Het vrijstaande bedrijfsgebouw wordt afgebroken en herbouwd als woongebouw met daarin 6 patiowoningen. Daarnaast wordt de bestaande bedrijfswoning planologisch gewijzigd in reguliere woning. De stedenbouwkundige opzet van het woningontwerp wordt vooral bepaald door de bestaande opzet van de bebouwing in de Middeldijk. De omvang van de bebouwing vermindert. Een bestaande aanbouw aan de boerderijschuur wordt verwijderd. Daarnaast wordt het nieuwe vrijstaande woongebouw minder diep dan het huidige bedrijfsgebouw.

Figuren 2.5 en 2.6 bestaande en nieuwe bouwmassa bebouwing Middeldijk 28

Figuur 2.7: tekening met ligging complex en parkeerplaatsen

8

9/54

3. Beleidskader 3.1

Inleiding

In dit hoofdstuk worden de hoofdlijnen beschreven van het relevante beleid van het rijk, provincie en gemeente.

3.2

Rijksbeleid

3.2.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012) De SVIR vervangt de Nota Ruimte uit 2006. In de SVIR kiest het Rijk drie doelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028): • Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland; • Het verbeteren en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat; • Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn. In de SVIR wordt ten aanzien van het onderwerp ‘Verstedelijkings- en landschapsbeleid’ aangegeven, dat het Rijk dit overlaat aan de provincies en gemeenten. Het plan tot het realiseren van 11 woningen in een bestaande woonkern passen binnen het streven om een leefbare woonomgeving te waarborgen. De conclusie is dat het plan niet in strijd is met de SVIR. 3.2.2 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Naar verwachting treedt in 2022 de Omgevingswet in werking. De Omgevingswet bundelt alle huidige wetten over de leefomgeving. Daarbij hoort ook één Rijksvisie op de leefomgeving: de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). Op 20 juni 2019 is het ontwerp voor de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) verschenen. Nederland staat voor diverse urgente opgaven, die zowel lokaal, nationaal als wereldwijd spelen.

Denk aan de opgaven op het gebied van klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Deze opgaven zullen Nederland flink veranderen. Door goed in te spelen op deze veranderingen kan Nederland vooroplopen en kansen verzilveren. Met de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. In de NOVI zijn deze maatschappelijke opgaven samengevat in vier prioriteiten: -ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; -duurzaam economisch groeipotentieel; -sterke en gezonde steden en regio's; -toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. In de NOVI worden geen specifieke uitspraken gedaan met betrekking tot het voorliggende plangebied. Wel draagt het voorliggende bestemmingsplan bij aan de ambitie van het Rijk om het bestaand stedelijk gebied verder te verdichten.

9

10/54

3.2.3 Ladder voor duurzame verstedelijking In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de zogenaamde ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ opgenomen. Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. De ladder beoogt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. Artikel 3.1.6, lid 2 van het Bro bepaalt ten aanzien van de werking van de ladder dat de ladder toegepast moet worden bij bestemmingsplannen, die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken. Ingevolge artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro wordt verstaan onder stedelijke ontwikkeling: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. Binnen het plangebied is sprake van inbreiding. De inbreiding houdt in dat 11 woningen aan het woonbestand worden toegevoegd. Deze woningen liggen nabij het centrum en sluiten aan bij de vraag naar een gevarieerder woonaanbod. Daarnaast wordt conform het beleid van de duurzaamheidsladder ruimte geboden aan inbreiding zodat uitbreiding in het landelijk gebied wordt voorkomen. Uit de uitspraak d.d.

28 juni 2017 ECLI:NL:RVS:2017:1724 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat wanneer een bestemmingsplan voorziet in niet meer dan 11 extra woningen, die gelet op hun onderlinge afstand als één woningbouwlocatie als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid van het Bro kunnen worden aangemerkt, deze ontwikkeling in beginsel niet als een stedelijke ontwikkeling kan worden aangemerkt. Het bouwplan is niet in strijd met de ladder voor duurzame verstedelijking.

3.3

Provinciaal beleid

De omgevingsverordening en de omgevingsvisie Zuid-Holland De omgevingsverordening en de omgevingsvisie Zuid-Holland zijn op 1 april 2019 in werking getreden. Deze vervangen de Verordening Ruimte en de Visie Ruimte. Het nieuwe omgevingsbeleid bestaat uit de volgende onderdelen: De introductie op het Omgevingsbeleid, waarin opgenomen de ruimtelijke hoofdstructuur, een overzicht van de samenhangende beleidskeuzes per provinciale beleidsopgave en de ontwikkelrichting die is opgenomen onder ‘Ambities en sturing’. Een beschrijving van de omgevingskwaliteit van Zuid-Holland, waaronder de provinciale inzet voor het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit. De provincie wil met haar Omgevingsvisie een uitnodigend perspectief bieden, zonder een beoogde eindsituatie te schetsen. Daarom omvat de Omgevingsvisie geen eindbeeld voor 2030 of 2050, maar wel ambities die voortkomen uit actuele maatschappelijke opgaven. Stedelijke ontwikkelingen moeten binnen bestaand stads- en dorpsgebied (BSD) plaatsvinden. Het perceel Middeldijk 28 ligt binnen dit bestaand stads- en dorpsgebied.

10

11/54

3.4 Regionaal beleid Gebiedsvisie Deltapoort 2025 (2012) De Gebiedsvisie Deltapoort 2025 is het ruimtelijk kader (op hoofdlijnen) waarbinnen verschillende ruimtelijke opgaven binnen Deltapoort, waaronder de sanering van (verspreid liggende) glastuinbouwbedrijven, worden uitgevoerd, met als doel het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit van het gebied. In dit kader hebben de gemeenten Barendrecht, Ridderkerk, Hendrik-Ido-Ambacht en Zwijndrecht de ambitie geformuleerd om in vier jaar tijd 35 hectare verspreid liggend glas te saneren. Naast het saneren voorziet de gebiedsvisie ook in het realiseren van nieuwe glastuinbouw clusters in de Deltapoort. Ten noordoosten van het Barendrecht is een gebied van circa 30 hectare aangewezen voor de volwaardige ontwikkeling van glastuinbouw. In het Deltapoort-gebied worden vijf themagebieden met een groene hoofdtint onderscheiden. Deze themagebieden vormen tezamen het landschappelijk raamwerk; door thematisering worden de landschappelijke kwaliteiten van het betreffende gebied (en dus het raamwerk) versterkt. Het plangebied heeft geen bijzondere aanduiding gekregen in de visie..

Figuur 3.2 kaart Ruimtelijk streefbeeld Gebiedsvisie Deltapoort 2025 De herontwikkeling van een bedrijfslocatie naar een woonlocatie past binnen de uitgangspunten van de Gebiedsvisie Deltapoort 2025.

3.5

Gemeentelijk beleid

3.5.1 Structuurvisie In januari 2018 is de strategische visie ''Samen Bouwen aan Barendrecht Van Goed naar ...'' vastgesteld. 11

12/54

De visie wordt als toetsingskader gebruikt voor te maken keuzes op verschillende beleidsterreinen. In deze visie is geen specifiek beleid opgenomen over de locatie Middeldijk 28. Op 2 juli 2012 is de gemeentelijke structuurvisie van Barendrecht vastgesteld. In de visie is onder meer als opgave opgenomen om het kwalitatieve woningaanbod zo goed mogelijk te laten aansluiten op de marktvraag door het benutten van kennis ten aanzien van leefstijlen. Het bouwplan aan de Middeldijk 28 past binnen die opgave. 3.5.2 Duurzaamheid In de notitie Duurzame Ontwikkeling Barendrecht (8 mei 2012) wordt beschreven hoe de gemeente zich wil inzetten voor een Duurzaam Barendrecht. Duurzame ontwikkeling wordt niet alleen vanuit het energie- en klimaatvraagstuk benaderd, maar haakt aan bij de brede definitie van duurzame ontwikkeling: De Barendrechtse aanpak van duurzame ontwikkeling vindt plaats binnen de beleidskaders op de diverse schaalniveaus, waar de diverse duurzaamheidsdoelstellingen zijn geformuleerd. Na een periode van stimulering door het Rijk, door middel van subsidies en programma's wordt nu ingezet op een gezamenlijke verantwoordelijkheid van burgers, bedrijven en organisaties, om tot duurzame oplossingen te komen. De woningen worden zonder gasaansluiting gerealiseerd. Daarnaast wordt de woningen gerealiseerd conform de duurzaamheidseisen zoals vastgesteld in het Bouwbesluit.

3.5.3 Bestemmingsplan ‘Woongebied Oost’ Het perceel Middeldijk 28 Barendrecht is opgenomen in het bestemmingsplan ‘Woongebied Oost’. De raad van de gemeente Barendrecht heeft het bestemmingsplan op 17 mei 2013 vastgesteld. Uit de verbeelding blijkt dat de gronden de bestemming ´Bedrijf´ hebben. Er is een bebouwingspercentage van 65 vastgesteld. Voor het plangebied geldt de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie - 3’.

Figuur 3.3: deel verbeelding bestemmingsplan ‘Woongebied Oost’

12

13/54

4. Omgevingsaspecten 4.1 Inleiding In dit hoofdstuk zullen de verschillende omgevingsaspecten nader worden beschreven en toegelicht.

4.2 Verkeer/parkeren Ontsluiting/parkeren In de wegenstructuur komt geen verandering. De Middeldijk ontsluit het plangebied. Ten aanzien van het aspect ‘parkeren’ geldt het volgende. De meest recente parkeernormering van het CROW is de publicatie ‘Toekomstbestendig parkeren, publicatie nr. 381’. Hieronder de voor dit bestemmingsplan relevante parkeernormen. Uitgaande van de classificatie ‘sterk stedelijk’ en ‘rest bebouwde kom’ zijn er voor de 11 nieuwe patiowoningen tussen de 1,4 en 2,2 parkeerplaatsen per woning nodig, gemiddeld 1,8 per woning. Dit komt uit op een parkeervraag van 1,8 x 11 woningen = 19,8 parkeerplaatsen. Daarnaast is er de bestaande woning Middeldijk 28, hiervoor geldt de parkeereis van 2,1 parkeerplaatsen.

Figuur 4.1 deel CROW publicatie 381

De totale parkeereis is daarmee 19,8 + 2,1 = 21,9, afgerond 22 parkeerplaatsen. In figuur 4.1 is een situatie van de parkeerplaatsen ingetekend. Hierin bleek dat er ruimte is voor 24 parkeerplaatsen binnen het plangebied. Er komen derhalve voldoende parkeerplaatsen bij het bouwplan Middeldijk 28 te Barendrecht. .

13

14/54

Figuur 4.1 situering parkeerplaatsen

Verkeersgeneratie In de genoemde CROW publicatie 381 zijn ook normen opgenomen ten aanzien van de verkeersgeneratie van functies, zoals wonen. Ten aanzien van koopwoningen tussen/hoek geldt een aanname van de verkeersgeneratie per etmaal van gemiddeld 7,1 voertuigen en voor vrijstaande woningen gemiddeld 8,2 voertuigen. Derhalve in totaal 86,3 verkeersbewegingen. In de bestaande situatie genereerde het ter plaatse gevestigde bedrijf en de bedrijfswoning ook vervoersbewegingen. Bij een arbeidsextensief/bezoekersextensief bedrijf (loods, opslag, transportbedrijf) gaat het om een norm van gemiddeld 4,35 vervoersbewegingen per 100 m2. Er is nu ongeveer 1.450 m2 aan bedrijfsruimte aanwezig, dit komt uit op gemiddeld 63 vervoersbewegingen. Er is sprake van een toename van het aantal voertuigen van (86 – 63 =) 23 verkeersbewegingen, hetgeen een beperkte toename. Er worden daardoor geen problemen verwacht. De aanwezige wegen zijn voldoende gedimensioneerd om deze toename te verwerken. Uit oogpunt van verkeer is het plan realiseerbaar.

4.3. Flora en fauna In het kader van de verscherpte natuurwetgeving dient, voordat ergens ruimtelijke ingrepen plaatsvinden, te worden onderzocht of er belangrijke natuurwaarden voorkomen op een te bebouwen locatie. Er is een quick scan Wet natuurbescherming uitgevoerd om te bezien of er zich beschermde soorten voordoen in het plangebied (Breur Ecologie&Onderzoek, 5 oktober 2020, nr. QS20048v01). De quick scan heeft tot de volgende conclusies geleid: • De ontwikkeling leidt niet tot negatief effect op beschermde natuurgebieden. 14

15/54

• De geplande ontwikkeling heeft mogelijk negatief effect op nest- of verblijfplaatsen van: ◦ Huismus ◦ Gierzwaluw ◦ Vleermuizen Aanvullend onderzoek naar deze soorten is noodzakelijk. • Het plangebied is geschikt als nesthabitat van algemene broedende vogels, waarvan de nesten alleen zijn beschermd wanneer zij in gebruik zijn. Bij het plannen van de werkzaamheden wordt hierom aangeraden om rekening te houden met het vogel broedseizoen. • Afgezien van de wettelijk beschermde soorten geldt voor alle soorten flora en fauna te allen tijde de zorgplicht. Dit betekent dat de initiatiefnemer verplicht is om zorgvuldig te werken en dat onnodige schade aan planten of dieren altijd dient te worden voorkomen. Vanwege de conclusie dat aanvullend onderzoek nodig is naar huismus, gierzwaluw en vleermuis is opdracht gegeven voor een dergelijk onderzoek. De uitkomst van het aanvullend onderzoek wordt later in deze toelichting verwerkt. Voor de volledigheid wordt opgemerkt, dat de aanwezige platanen aan de noord- en oostzijde van het plangebied aanwezig blijven. Het bouwplan houdt rekening met de aanwezigheid van deze bomen. Stikstof Vanwege recente jurisprudentie moet er ook aandacht worden besteed aan de vraag, of bij een ruimtelijke ontwikkeling er sprake zal zijn van een toename van stikstofdepositie in een Natura 2000 gebied.

Er is in dit kader een AERIUS-berekening uitgevoerd (Ad Fontem, 1 juni 2021, nr. 21AF143). Uit de uitkomst blijkt, dat het project een bijdrage van 0,00 mol N/ha/jaar heeft in stikstofgevoelig Natura2000 gebied, waardoor er geen toename zal zijn van stikstofdepositie. Uit oogpunt van het aspect ‘natuur’ is het plan uitvoerbaar, dit met die aantekening dat er nog wel nader onderzoek wordt gedaan naar de aanwezigheid van huismus, gierzwaluw en vleermuis.

4.4 Archeologische waarden en cultuurhistorie. Archeologie De bescherming van het archeologische erfgoed in de bodem en de inbedding ervan in de ruimtelijke ordening is het onderwerp van het Europese Verdrag van Valetta (Malta, 1992). Nederland heeft dit Verdrag ondertekend en goedgekeurd en in nationale wetgeving opgenomen (Erfgoedwet). De bescherming van het archeologische erfgoed is een taak van de gemeente geworden. Er dient in bestemmingsplannen aandacht te worden besteed aan archeologische aspecten.

15

16/54

De gemeente Barendrecht heeft hierover advies gevraagd van de afdeling Archeologie van de gemeente Rotterdam (BOOR). Bij brief van 1 juni 2021, nr. AS21/06851-21/0009985 heeft het BOOR de gemeente bericht, dat zij naar aanleiding van de voorgelegde plannen geen reden ziet tot archeologisch vooronderzoek (bureauonderzoek en/of inventariserend veldonderzoek) op de planlocatie en adviseert de gemeente Barendrecht dan ook om af te zien van een dergelijk onderzoek. Een eerste reden daarvoor is dat een fors deel van de werkzaamheden bestaat uit het ombouwen van een bestaand bouwwerk waarbij - naar wordt aangenomen - relatief weinig tot nu toe ongeroerde grond zal worden aangetast. Daarnaast beoordeelt Archeologie Rotterdam het palenplan in een situatie als die van de nieuwbouw van de woningen op de locatie van de te slopen loods op het oostelijke deel van het perceel als niet intensief. Archeologie Rotterdam acht de kans klein dat daar door het heien archeologische waarden in die mate worden verstoord dat eventueel toekomstig onderzoek ervan niet meer mogelijk is. Mochten er tijdens toekomstige werkzaamheden onverhoopt toch zaken worden aangetroffen, dan is er een wettelijke plicht om dergelijke toevalsvondsten direct te melden bij de bevoegde overheid, de gemeente Barendrecht (Erfgoedwet 2016, artikel 5.10).

Cultuurhistorie De bestaande bebouwing is niet aangewezen als rijks-, provinciaal- of gemeentelijk monument. Molenbiotoop Het plangebied valt niet binnen een molenbiotoop.

4.5 Waterhuishouding Waterschapsbeleid Waterbeheerprogramma 2016-2021 Vanaf 2016 is er een nieuw waterbeheer programma van kracht. Het programma bestaat uit een statisch en een dynamisch deel. Het statisch deel bevat de doelen die het waterschap wil bereiken, zowel op de lange termijn als voor de planperiode. Het dynamisch deel bevat de maatregelen die nodig zijn om de doelen uit het statisch deel te realiseren. Het plan bevat doelen en maatregelen voor de thema’s Calamiteitenzorg, Water en Ruimte, Waterveiligheid, Voldoende Water, Schoon water en Waterketen. Voor het thema water en ruimte is de nadere uitwerking van de deltabeslissing ruimtelijke adaptatie de belangrijkste ontwikkeling. Hierbij wordt uitgegaan van meerlaagse veiligheid: preventie (laag 1), ruimtelijke inrichting (laag 2) en crisisbeheersing (laag 3). Voor Hollandse Delta ligt de nadruk op de eerste laag: een overstroming voorkomen door middel van (primaire) waterkeringen. Voor de tweede laag is als doel geformuleerd dat de ruimtelijke inrichting bijdraagt aan het beperken van de gevolgen van een overstroming. Uit het oogpunt van waterkwaliteit moet schoon hemelwater bij voorkeur worden afgekoppeld en direct worden geloosd op oppervlaktewater. Dit vermindert de vuiluitworp uit het gemengde rioolstelsel en verlaagd de hydraulische belasting van de afvalwaterzuivering.

16

17/54

Waterkwantiteit Bij een toename van aaneengesloten verhard oppervlak van 500 m² of meer in stedelijk gebied en 1.500 m2 in niet-stedelijk gebied moet voor hemelwater een lozingsvergunning worden aangevraagd in het kader van de Keur. Als er sprake is van toename aan verhard oppervlak, dan moet in principe 10% van deze toename worden gecompenseerd in de vorm van open water binnen het peilgebied waarin de toename van verharding plaatsvindt. Het plangebied heeft een oppervlakte van 4.470 m2, waarvan er in de huidige situatie circa 3.400 m2 is verhard met bebouwing en terreinverharding. In de nieuwe situatie is er ongeveer 3.100 m2 verhard met bebouwing, terreinverharding, parkeerplaatsen. Er is sprake van een beperkte afname van de verharding binnen het plangebied. Afvalwaterketen en riolering Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering (persriool). Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: • hemelwater vasthouden voor benutting, • (in-) filtratie van afstromend hemelwater, • afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater, • afstromend hemelwater afvoeren naar RWZI.

Watersysteemkwaliteit en ecologie Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet-uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase. Waterbeheer Voor aanpassingen aan het bestaande watersysteem dient bij het waterschap vergunning te worden aangevraagd op grond van de "Keur". Dit geldt dus bijvoorbeeld voor het graven van nieuwe watergangen, het aanbrengen van een stuw of het afvoeren van hemelwater naar het oppervlaktewater. In de Keur is ook geregeld dat een beschermingszone voor watergangen en waterkeringen in acht dient te worden genomen. Dit betekent dat binnen de beschermingszone niet zonder ontheffing van het waterschap gebouwd, geplant of opgeslagen mag worden. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit, het profiel en/of de veiligheid wordt aangetast, de aan- of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Ook voor het onderhoud gelden bepalingen uit de "Keur". Het onderhoud en de toestand van de (hoofd)watergangen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd. De beoogde ontwikkeling wordt gerealiseerd buiten de kern en beschermingszones van de aanwezige keringen en de watergangen. Voor voorliggende plan is dan ook geen vergunning op basis van de Keur noodzakelijk.

Water en Waterstaat in het bestemmingsplan Voor waterkeringen (kernzone) inclusief de beschermingszones geldt een zogenaamde dubbelbestemming, deze hebben de bestemming 'Waterstaat - Waterkering' toebedeeld gekregen.

17

18/54

Ter bescherming van de met de waterhuishouding samenhangende voorzieningen en waterbergingsgebieden is de vigerende bestemming 'Waterstaat - Waterstaatkundige functie' toegekend. Conclusie De ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.

4.6 Milieuzonering Ter bepaling van de mogelijkheid om milieubelastende bestemmingen te realiseren in de nabijheid van milieugevoelige bestemmingen, zoals woningen, wordt gebruik gemaakt van de systematiek van milieuzonering. In de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) is één en ander nader beschreven en uitgewerkt. In deze VNG-publicatie is ook een Staat van Bedrijfsactiviteiten opgenomen, waarbij per type bedrijf wordt aangegeven welke afstanden tussen milieugevoelige en milieubelastende bestemmingen moet worden aangehouden. Zo ontstaat een zone rond een perceel met een bedrijfsbestemming waar in principe geen milieugevoelige bestemmingen zijn toegestaan. Op deze wijze wordt geborgd dat er geen onaanvaardbare milieuoverlast voor milieugevoelige bestemmingen aan de orde zal zijn. In het bestemmingsplan ‘Woongebied Oost’ is een vergelijkbare Staat van Bedrijfsactiviteiten opgenomen. Met dit plan vervalt een milieubelastende functie. De woningen die er voor in de plaats komen, komen niet in een zone van enig bedrijf/inrichting. In de omgeving van het plangebied Middeldijk 28 bevinden zich geen millieugevoelige en milieubelastende bestemmingen. Het plan is uit oogpunt van milieuzonering realiseerbaar.

4.7 Geluid Railweg- en/of industrielawaai Het plangebied ligt niet binnen een geluidszone van een spoorlijn of een industrieterrein.. Wegverkeerslawaai De meest voorkomende vorm van geluidhinder is degene die wordt veroorzaakt door het wegverkeer. Volgens de Wet geluidhinder) Wgh mag de geluidsbelasting op woningen in principe de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet overschrijden. De voorkeursgrenswaarden is de waarde die zonder meer kan worden toegestaan. Indien nieuwe geluidsgevoelige functies worden toegestaan, stelt de Wet geluidhinder de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting ten gevolge van alle wegen, met uitzondering van 30 km wegen, op een bepaalde afstand van de geluidsgevoelige functie(s). Er is akoestisch onderzoek uitgevoerd naar wegverkeerslawaai (Kraaij akoestisch advies, 23 augustus 2021 , nr. VL. 2135.R). Uit het onderzoek blijkt, dat de voorkeursgrenswaarde en richtwaarde van 48 dB uit de Wgh niet wordt overschreden. Er zijn in onderhavige situatie geen aanvullende maatregelen noodzakelijk om het woon- en leefklimaat te verbeteren. 18

19/54

De geluidbelasting op de geplande woningen ten gevolge van de 2e Barendrechtseweg (inclusief de 3e Barendrechtseweg) bedraagt ten hoogste 30 dB inclusief aftrek ingevolge artikel 110g Wet geluidhinder. De geluidbelasting ten gevolge van de (niet gezoneerde weg) Middeldijk bedraagt ten hoogste 42 dB inclusief aftrek ingevolge artikel 110g Wet geluidhinder. Aan de voorkeurswaarde van 48 dB uit de Wet geluidhinder wordt voldaan. Er is daarom geen besluit hoger waarde nodig. Met deze waarden is er geen cumulatieberekening nodig. Omdat de voorkeurswaarde niet wordt overschreden, vormt wegverkeerslawaai geen belemmering voor de voorgenomen herontwikkeling op de locatie Middeldijk 28 te Barendrecht. Er is sprake van een goede ruimtelijke ordening. Conclusie Het plan kan uit oogpunt van akoestiek worden gerealiseerd.

4.8 Bodem In het kader van de voorbereiding van het bestemmingsplan en het bouwplan voor de nieuwe woningen is verkennend bodemonderzoek als bedoeld in NEN 5740 uitgevoerd. Uit het onderzoek (Dordrecht Research, 21 augustus 2020, nr. 200711) blijkt, dat er zeer licht verhoogde gehalten in grond en grondwater zijn aangetroffen. De aangetroffen gehalten zijn echter van dien aard dat er, met betrekking tot de bodemkwaliteit, geen nader onderzoek noodzakelijk is. Er zijn geen factoren aanwezig die een belemmering kunnen vormen voor de voorgenomen aanvraag van een omgevingsvergunning.

4.9 Luchtkwaliteit In hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer is de regelgeving met betrekking tot luchtkwaliteit vastgelegd. In artikel 5.16 is vastgelegd dat bestuursorganen bevoegdheden, zoals het vaststellen van een bestemmingsplan of het nemen van een projectbesluit, mogen uitoefenen wanneer sprake is van één van de volgende gevallen: a. Er is geen sprake is van een (dreigende) overschrijding van de grenswaarden; b. De concentratie van de desbetreffende stoffen in de buitenlucht verbetert of blijft ten minste gelijk; c. Het plan draagt ‘niet in betekenende mate’ bij aan de concentratie van de desbetreffende stoffen in de buitenlucht; d. De ontwikkeling is opgenomen in een vastgesteld programma, zoals het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Een nadere uitwerking van de regelgeving met betrekking tot het begrip ‘niet in betekende mate’ is vastgelegd in het ‘Besluit niet in betekende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’ en de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’. Voor ontwikkelingen die ‘niet in betekenende mate’ bijdragen aan de luchtverontreiniging hoeft niet te worden getoetst aan de grenswaarden. In de Regeling zijn categorieën van gevallen benoemd die in ieder geval als ‘niet in betekenende mate’ worden aangemerkt en waarvoor toetsing aan de grenswaarden dus zonder meer achterwege kan blijven. 19

20/54

Het bestemmingsplan voorziet in een bouwplan voor 11 woningen en de omzetting van de huidige bedrijfswoning in een reguliere woning, terwijl er nu in planologische zin al één woning en bedrijfsbebouwing aanwezig zijn. Het aantal verkeersbewegingen neemt beperkt toe, in paragraaf 4.2 is dit reeds besproken. De luchtkwaliteit wordt hierdoor in ieder geval niet zwaarder belast. Het plan draagt om die reden niet in betekende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2020 (http://www.nsl-monitoring.nl/viewer/) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat in 2020 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs het plangebied ruimschoots onder de grenswaarden van 40 μg/m³ liggen, zie de gegevens van rekenpunt 15956665 in figuur 4.2.

Figuur 4.2 Concentraties luchtkwaliteit op rekenpunt 15956665 nabij Middeldijk 28

Conclusie Gezien de aard en omvang van het planvoornemen, kan geconcludeerd worden dat de ruimtelijke ontwikkeling die dit bestemmingsplan mogelijk maakt, niet in betekende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Vanuit het aspect luchtkwaliteit bestaat er geen belemmering voor de geplande ontwikkeling.

20

21/54

4.10 Externe veiligheid Het wettelijk kader voor de beoordeling van veiligheidsaspecten ten aanzien van inrichtingen is het Besluit externe veiligheid inrichtingen milieubeheer (BEVI), voor buisleidingen het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en voor vaarroutes het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). In overeenstemming met artikel 5 van dit BEVI dient bij een besluit in het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) onderzocht te worden in hoeverre er sprake is van aanwezigheid van risicovolle inrichtingen in de nabijheid van de locatie waarop het Wro besluit betrekking heeft. Tevens dienen de risicocontour voor het plaatsgebonden risico (PR 10-6 contour) en het groepsrisico (GR) met de eventuele toename hiervan berekend te worden. Het GR dient in de toelichting op het besluit te worden verantwoord. Uit de Risicokaart Nederland blijkt dat er zich geen objecten in de nabijheid van het plangebied bevinden die relevant zijn voor het aspect ‘externe veiligheid’.

Figuur 4.6: deel risicokaart Nederland

Vanuit oogpunt van externe veiligheid zijn er geen belemmeringen in het kader van dit bestemmingsplan. Het bestemmingsplan kan als aanvaardbaar worden bestempeld.

4.11 Kabels en leidingen Binnen het plangebied liggen diverse kabels en leidingen, zoals elektriciteit, telefoon en kabeltelevisie, doch deze zijn planologisch gezien niet relevant.

4.12 Vormvrije M.e.r. In mei van 2017 is een wijziging van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) en de Wet milieubeheer in werking getreden. 21

22/54

Deze wijziging is een gevolg van een herziening van de Europese m.e.r.-richtlijn. Het bouwen van woningen is een activiteit die valt onder categorie D11.2 van het Besluit m.e.r.. Echter hierna wordt nogmaals gemotiveerd dat er geen belangrijke nadelige milieugevolgen ten gevolge van het plan optreden een en ander overeenkomstig de criteria genoemd in Bijlage III van de Europese m.e.r.-richtlijn. 1. Kenmerken van de projecten Bij de kenmerken van de projecten moet in het bijzonder in overweging worden genomen: - De omvang van het project betreft het hergebruik van het casco van een bestaand gebouw en de realisatie van een nieuw gebouw, dit voor in totaal 11 nieuwe woningen en de omzetting van de huidige bedrijfswoning in een reguliere woning. - Het gebruik van natuurlijke hulpbronnen betreft het afvoeren van hemelwater in de nabij gelegen watergang, er worden geen uitlogende materialen gebruikt. - De productie van afvalstoffen is niet aanwezig. Huishoudelijk afvalwater wordt via de riolering afgevoerd. - Er is geen sprake van verontreiniging en hinder. Verwezen wordt naar onderdeel bedrijven en milieuzonering onder 4.6. - Er is geen onaanvaardbaar risico van zware ongevallen en/of rampen, waaronder rampen door klimaatverandering. Verwezen wordt naar het onderdeel externe veiligheid zoals beschreven onder 4.11.

- Er zijn geen onaanvaardbare risico's voor de menselijke gezondheid. Verwezen wordt naar het onderdeel externe veiligheid, zoals beschreven onder 4.11. 2. Plaats van het project Bij de mate van kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop de projecten van invloed kunnen zijn moet in het bijzonder in overweging worden genomen: - Het bestaande grondgebruik betreft bedrijfsmatig en deels wonen. - Het gebied ligt niet in een beschermingszone, ligt binnen het bestaand stedelijk gebied en is een herontwikkeling passend in het bestaande gebied ter plaatse. - Het gebied heeft archeologisch gezien geen hoge verwachting, de ingreep is zodanig dat geen archeologisch onderzoek behoeft te worden uitgevoerd. Verwezen wordt naar paragraaf 4.4. - Het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied, te weten het desbetreffende deel van de Oude Maas ligt op ruim 1,75 km ten zuiden van het plangebied. De herontwikkeling van het plangebied heeft geen nadelige gevolgen voor en leidt niet tot een grotere belasting van het Natura 2000 gebied. 3. Kenmerken van het potentiële effect Gezien de beperkte omvang van het project zijn er geen potentiële aanzienlijke effecten te verwachten. Dit is ook beschreven in hoofdstuk 4 van deze toelichting.

22

23/54

5. Juridische toetsing 5.1 Juridische planopzet In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat bestemmingsplannen geheel digitaal moeten worden opgesteld en vastgesteld. Het bestemmingsplan is opgesteld aan de hand van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). De regels zijn qua opzet en inhoud, uiteraard voor zover relevant, gelijk aan de regels zoals opgenomen in het bestemmingsplan ‘Woongebied Oost’.

5.2 Bestemmingswijzer 5.2.1 Inleidende bepalingen De artikelen 1 en 2 bevatten de algemene regels zoals de begripsbepalingen en de wijze van meten. 5.2.2. Bestemmingsregels (hoofdstuk 2) Op de woonpercelen wordt de bestemming ‘Wonen’ gelegd. Via aanduidingen wordt de situering (bouwvlak) en de bouwhoogte van de bebouwing geregeld. Het gedeelte van het terrein dat onbebouwd blijft, heeft de bestemming ‘Tuin’. Binnen die bestemming mogen ook parkeerplaatsen worden aangelegd. Op gronden met de bestemming ‘Tuin’ mogen, behoudens een fietsenstalling/berging van maximaal 100 m2 verder geen bouwwerken worden opgericht. Daarnaast zijn de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 1’, ‘Waarde – Archeologie 3’, ‘Waterstaat – Waterkering’ en ‘Waterstaat - Waterstaatskundige functie’ opgenomen. 5.2.3 Algemene bepalingen De Anti-dubbeltelregel en de overgangsregels zijn overgenomen uit het Bro. Daarnaast is een artikel opgenomen voor de titel van het plan, voor toegelaten overschrijdingen, algemene afwijkingsbepalingen en aanvullende werking van de bouwverordening.

5.3 Plantoetsing en handhaving De gemeente Barendrecht is belast met het toezicht op de uitvoering van de bouwwerkzaamheden overeenkomstig het bepaalde in dit bestemmingsplan.

23

24/54

6. Uitvoering 6.1 Economische uitvoerbaarheid Het plan omvat het leggen van een woonbestemming voor 11 nieuwe woningen en 1 bestaande woning. De gronden zijn in eigendom bij de initiatiefnemer van het bouwplan. Er is een anterieure overeenkomst afgesloten zodat de uitvoerbaarheid is gewaarborgd. Dit betekent dat het kostenverhaal is verzekerd. Er hoeft dan ook geen exploitatieplan als bedoeld in artikel 6.12 van de Wro worden vastgesteld. De realisering van het plan wordt verzorgd door initiatiefnemers. De financiële dekking voor het plan is hiermee geregeld en de economische uitvoerbaarheid is voldoende gewaarborgd.

6.2 Planschade Tussen de gemeente en de ontwikkelaar wordt ter afdekking van eventuele planschadeclaims een planschadeovereenkomst ex artikel 6.4a Wro afgesloten.

24

25/54

7. Overleg ex artikel 3.1.1. Bro/zienswijzen 7.1 Vooroverleg

In het kader van het vooroverleg met de overlegpartners zijn een drietal inhoudelijke reacties ontvangen. Het Waterschap en de provincie hebben met instemming gereageerd op het bestemmingsplan. De Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond heeft aangegeven, dat er met betrekking tot dit plan geen relevante fysieke veiligheidsaspecten zijn geconstateerd. Wel adviseert de VRR bij deze ontwikkelingen zorg te dragen voor toereikende bereikbaarheid en bluswatervoorzieningen zodat de hulpdiensten bij een incident adequaat kunnen optreden. De regionaal vastgestelde ‘Handleiding advies bluswater en bereikbaarheid VRR’ biedt hiervoor mogelijkheden om daar invulling aan te geven. De initiatiefnemer zal bij de verdere uitwerking van de plannen hiermee rekening houden.

7.2 Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan ‘Middeldijk 28 Barendrecht heeft vanaf xx-xx-2021 voor een periode van zes weken ter inzage gelegen. Gedurende deze periode zijn wel/geen zienswijzen ingediend.

25

26/54

Bestemmingsplan ‘Middeldijk 28 te Barendrecht’ Regels

Planstatus: ontwerp november 2021

1 27/54

Inhoudsopgave

Hoofdstuk 1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen Artikel 2 Wijze van meten Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Artikel 3 Tuin Artikel 4 Wonen Artikel 5 Waarde – Archeologie - 3 Artikel 6 Waterstaat – Waterkering Artikel 7 Waterstaat – Waterstaatkundige functie Hoofdstuk 3 Algemene regels Artikel 8 Anti-dubbeltelregel Artikel 9 Algemene bouwregels Artikel 10 Algemene afwijkingsregels Artikel 11 Algemene gebruiksregels Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels Artikel 12 Overgangsrecht Artikel 13 Slotregel

2 28/54

Hoofdstuk 1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen In deze regels wordt verstaan onder: 1.1 plan het bestemmingsplan ‘Middeldijk 28 te Barendrecht’ met identificatienummer NL.IMRO. 0489.Middeldijk28-ON01 van de gemeente Barendrecht; 1.2 bestemmingsplan de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels; 1.3 Aanduiding Een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.4 Aanduidingsgrens De grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 1.5 Achtererfgebied Erf aan de achterkant en de niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijkant, op meer dan 1m van de voorkant, van het hoofdgebouw. (Zie ook Bor bijlage 2, artikel 1.1). 1.6 Ander bouwwerk Een bouwwerk, geen gebouw zijnde. 1.7 Anti-dubbeltelling Geen bouwwerk of complex van bouwwerken mag worden opgericht indien daardoor een ander bouwwerk of complex van bouwwerken met het daarbij behorende bouwperceel, hetzij niet langer zou blijven voldoen aan, hetzij in grotere mate zou gaan afwijken van het plan. 1.8 Archeologische waarde Gebied dat vanuit archeologisch oogpunt bescherming behoeft door middel van een dubbelbestemming. Het gebied is gewaardeerd op basis van de trefkans op archeologische relicten.

Voor de dubbelbestemming 'Waarde-Archeologie' gelden de regels conform de dubbelbestemming 'Waarde-Archeologie' van het bestemmingsplan. 1.9 Bebouwbaar erf al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover een bestemmingsplan of een beheersverordening van toepassing is, deze die inrichting niet verbieden; 1.10 Bebouwing Eén of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

3 29/54

1.11 Bebouwingspercentage De in procenten uitgedrukte som van de oppervlakte van de bebouwing in verhouding tot het grondoppervlak binnen een bebouwingsvlak c.q. bestemmingsvlak. 1.12 Bedrijf Een inrichting of instelling gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, distribueren, installeren en/of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van (commerciële) diensten. Een bedrijf aan huis daaronder niet inbegrepen. 1.13 Bedrijf aan huis Het door de bewoner uitoefenen van bedrijfsmatige activiteiten aan huis: a. niet zijnde horeca, prostitutie of detailhandel, behoudens detailhandel als ondergeschikte nevenactiviteit van de ter plaatse uitgeoefende bedrijfsactiviteit; b. de uitoefening ondergeschikt is aan de woonfunctie als hoofdfunctie van de woning en het uiterlijk aanzien van de woning niet zodanig verandert dat de woning het karakter van een woning grotendeels verliest; c. waarvoor geen melding- of vergunningplicht op grond van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Activiteitenbesluit) noodzakelijk is; d. de bewoner op betreffende adres in de Gemeentelijke Basis Administratie (GBA) staat ingeschreven. 1.14 Bedrijfsgebouw Een gebouw dat uitsluitend dient voor de uitoefening van een bedrijf.

1.15 Bedrijfsvloeroppervlak Het gezamenlijk bruto vloeroppervlak van bedrijven, waaronder ook kantoren, winkels en horecabedrijven, met inbegrip van de daartoe behorende magazijnen en overige dienstruimten, voor zover geen deel uitmakend van een bedrijfs- of dienstwoning. De berekening vindt plaats per bouwlaag. 1.16 Begane grondvloer/begane grondlaag De vloer direct gelegen achter de hoofdentree van een gebouw. 1.17 Beroep aan huis De uitoefening van een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten door de bewoner op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, educatief, kunstzinnig, ontwerptechnisch, maatschappelijk, consumentverzorgend of daarmee gelijk te stellen gebied, mits: a. geen horeca, prostitutie of detailhandel zijnde, behoudens detailhandel als ondergeschikte nevenactiviteit van de ter plaatse uitgeoefende bedrijfsactiviteit; b. de uitoefening ondergeschikt is aan de woonfunctie als hoofdfunctie van de woning en het uiterlijk aanzien van de woning niet zodanig verandert dat de woning het karakter van een woning grotendeels verliest; c. de bewoner op betreffende adres in de Gemeentelijke Basis Administratie (GBA) staat ingeschreven.

4 30/54

1.18 Bestaande bebouwing De als zodanig op de verbeelding aangegeven bebouwing, zoals deze bestaat op het tijdstip van de ter inzage legging van het ontwerpplan dan wel op grond van een verleende bouwvergunning / omgevingsvergunning is c.q. kan worden gebouwd , tenzij in de planregels anders is bepaald. 1.19 Bestaand gebruik Het gebruik van grond en opstallen, zoals dat bestaat op het tijdstip dat het plan of betreffende planonderdeel rechtskracht heeft gekregen. 1.20 Bestaande goot- en bouwhoogte De bestaande goot- en bouwhoogte zoals deze feitelijk ten tijde van de ter inzage legging van het ontwerpplan dan wel op grond van een verleende omgevingsvergunning is c.q. kan worden gerealiseerd, tenzij in de planregels anders is bepaald. 1.21 Bestemmingsgrens de grens van een bestemmingsvlak. 1.22 Bestemmingsvlak Een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming. 1.23 Bewoner De persoon die volgens de Gemeentelijke Basis Administratie (GBA) staat ingeschreven als feitelijke bewoner van het betreffende adres. 1.24 Bijbehorende bouwwerken Uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak.

1.25 Bouwen Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats. 1.26 Bouwgrens De grens van een bouwvlak. 1.27 Bouwlaag Een doorlopend gedeelte van een gebouw dat is begrensd door op (nagenoeg) gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen en dat zodanige afmetingen en vormen heeft dat dit gedeelte zonder ingrijpende voorzieningen voor primaire functies van het gebouw of de daaraan gerelateerde functies geschikt of geschikte maken is, balkon en dakterrassen daaronder begrepen. 1.28 Bouwhoogte Het hoogste punt van een gebouw, ondergeschikte bouwdelen, zoals schoorstenen en antennes niet meegerekend.

5 31/54

1.29 Bouwperceel Een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. 1.30 Bouwperceelgrens de grens van een bouwperceel. 1.31 Bouwvlak Een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten. 1.32 Bouwwerk Elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond. 1.33 Brand- en/of explosiegevaarlijke stoffen Goederen die naar hun aard zodanig brand- en/of explosiegevaar kunnen opleveren dat verkoop in een woon-/winkelgebied, dan wel daarmee qua aard te vergelijken gebied, niet verantwoord is. 1.34 Bruto vloeroppervlak en Bedrijfsvloeroppervlak (BVO) De bruto vloeroppervlakte van een ruimte of van een groep van ruimten is de oppervlakte, gemeten op vloerniveau langs de buiten omtrek van de opgaande scheidingsconstructies die de desbetreffende ruimte of groep van ruimten omhullen. De bruto vloeroppervlakte van een overdekt gebouw gebonden buitenruimte, die niet of slechts gedeeltelijk omsloten is en daarom geen vaste buiten begrenzing heeft, is gelijk aan de verticale projectie van het overdekkende bouwdeel, ongeacht de vloerconstructie of wijze van verharding.

Zie ook NEN 2580. 1.35 Carport/overkapping Een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met tenminste een dak en niet of slechts aan één zijde voorzien van een wand, bestaande wanden van overige gebouwen meegerekend. 1.36 Cultuurhistorische waarde De aan een bouwwerk of een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan door het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis heeft gemaakt van dat bouwwerk of dat gebied. 1.37 Dakkapel Een bescheiden, ondergeschikte uitbouw in de kap, bedoelt om de lichttoetreding te verbeteren en het bruikbaar woonoppervlak te vergroten en waarvan de plaatsing niet ten koste gaat van de karakteristiek van de kapvorm. 1.38 Detailhandel Het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- en bedrijfsactiviteit, waaronder horeca.

6 32/54

1.39 Dienstverlening Het beroeps en/of bedrijfsmatig verlenen van diensten waarbij het publiek rechtstreeks te woord wordt gestaan en geholpen, zoals een kapsalon, reisbureau, uitzendbureau, bankfiliaal, wasserette, apotheek, pedicures, makelaarskantoren of daarmee naar aard gelijk te stellen diensten, eventueel met bijbehorend kantoor, magazijn of ambacht, zulks met uitzondering van horecabedrijven en seksinrichtingen. 1.40 Erf Al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijke opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw. 1.41 Erker Een ondergeschikte uitbouw van een woning met de omvang en uitstraling van een uitgebouwd venster, veelal gelegen voor de voorgevel. 1.42 Escortbedrijf De natuurlijke persoon, groep van personen of rechtspersoon die bedrijfsmatig, of in een omvang alsof hij bedrijfmatig is, prostitutie aanbiedt die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend. 1.43 Gebouw Elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. 1.44 Geluidscherm Een ander bouwwerk waarvan de plaatsing als doel heeft om het geluid van wegverkeer, railverkeer en industrielawaai te verminderen.

1.45 Geluidsgevoelige objecten Onderwijsgebouwen met uitzondering van een gymnastieklokaal, ziekenhuizen en verpleeghuizen en bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen andere gezondheidszorggebouwen. Als andere gezondheidszorggebouwen worden bedoeld: a. verzorgingstehuizen; b. psychiatrische inrichtingen; c. medisch centra; d. poliklinieken; e. medische kleuterdagverblijven; en f. woningen. Zie tevens artikel 1 Wet geluidhinder. 1.46 Handel in en verkoop van goederen en diensten via internet bedrijfsmatig te koop aanbieden (waaronder niet begrepen de uitstalling ten verkoop), het verkopen en/of leveren van goederen voor gebruik, verbruik of aanwending overwegen anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit, waar vrijwel uitsluitend een elektronische transactie tot stand komt, dat in of bij een woning wordt uitgeoefend door de bewoner van de woning, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is.

7 33/54

1.47 Hoofdgebouw Een gebouw of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is. 1.48 Hoofdwoonverblijf De woning waar u gedurende het hele jaar of het grootste deel van het jaar feitelijk woont en volgens de Gemeentelijke Basis Administratie staat ingeschreven. 1.49 Horeca Een bedrijf dat geheel of gedeeltelijk is gericht op het tegen vergoeding verstrekken van nachtverblijf, het exploiteren van zaalaccommodatie, het verstrekken van drank en het voor direct consumptie bereiden en verstrekken van etenswaren. Zie ook Bijlage 3 Staat van Horeca-activiteiten in het bestemmingsplan. 1.50 Kamerverhuur Woonfunctie, voor zover niet gelegen in logiesgebouwen zoals pensions en hotels, voor het direct of indirect bedrijfsmatig en/of als tegenprestatie verschaffen van woonverblijf aan meer dan één huishouden en/of aan meer dan vier afzonderlijke personen die geen sociale band met elkaar hebben (afgeleid van Gebruiksbesluit en art 30 van de Huisvestingswet).

1.51 Kantoor Voorzieningen gericht op het al dan niet commercieel verlenen van diensten op administratief, financieel, architectonisch, juridisch of een daarmee naar aard gelijk te stellen gebied, waarbij het publiek niet of slechts in ondergeschikte mate rechtstreeks te woord wordt gestaan en geholpen.

1.52 Kunstwerk Een constructie ten dienste van civieltechnische en/of infrastructurele voorzieningen, zoals een brug, een dam, een tunnel, een via- of aquaduct of een sluis, dan wel een daarmee gelijk te stellen voorziening; vliesconstructies en duikers daaronder niet begrepen. 1.53 Luifel Aan een gebouw of ander bouwwerk gebouwd bouwwerk zonder eigen op de grond rustende draagconstructie voorzien van een dak doch zonder eigen wanden. 1.54 Maaiveld De bovenkant of oppervlakte van het direct afgewerkt terrein. 1.55 Maatschappelijke dienstverlening Dienstverlening inzake welzijn, volksgezondheid, kinderopvang, cultuur, religie, begraafplaatsen, crematoria, sport, onderwijs en daarmee gelijk te stellen dienstverlening. 1.56 Maatschappelijke voorziening Overheidsvoorzieningen en voorzieningen inzake welzijn, volksgezondheid, kinderopvang, cultuur, religie, begraafplaatsen, crematoria, sport, onderwijs, verpleeg- en bejaardencentra en daarmee gelijk te stellen voorzieningen, alsook ondergeschikte detailhandel en horeca ten dienste van deze voorzieningen.

8 34/54

1.57 Mantelzorg Het bieden van zorg aan eenieder die hulpbehoevend is op het fysieke, psychische en/of sociale vlak, op vrijwillige basis en buiten organisatorisch verband. 1.58 Mindervaliden cq. gehandicapte Een persoon die ten gevolge van ziekte of gebrek aantoonbare aanzienlijke beperkingen ondervindt op het gebied van het wonen of van het zich binnen of buiten de woning verplaatsen. 1.59 Monumenten (rijks en gemeentelijk) Onroerende monumenten welke krachtens de monumentenwet of een gemeentelijke verordening bescherming genieten. 1.60 Natuurwaarden Terrein of water, dan wel samenstel van terreinen of wateren, dat van algemeen belang is om zijn natuurwetenschappelijke betekenis of zijn natuurschoon. 1.61 NEN Door de Stichting Nederland Normalisatie-instituut uitgegeven norm. 1.62 Nevenactiviteit Een activiteit ondergeschikt aan de hoofdactiviteit in zowel omvang (m2), omzet (€) als de effecten op het woon- en leefklimaat. 1.63 Nutsvoorzieningen Voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, hoogspanningsmasten, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen, voorzieningen ten behoeve van (ondergrondse) afvalinzameling en apparatuur voor telecommunicatie.

1.64 Onderhoud Een activiteit gericht op het in zodanige conditie houden of brengen van objecten dat het voortbestaan van deze objecten op ten minste het bestaande kwaliteitsniveau wordt bereikt. 1.65 Openbaar toegankelijk gebied weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, alsmede pleinen, parken, plantsoenen, openbaar water en ander openbaar gebied dat voor publiek algemeen toegankelijk is, met uitzondering van wegen uitsluitend bedoeld voor de ontsluiting van percelen door langzaam verkeer. 1.66 Peil a. voor gebouwen die onmiddellijk aan de as van de weg grenzen of waarvan de hoofdtoegang minder dan 1 m van de weg ligt: de hoogte van de bovenkant van die weg; b. in andere gevallen en voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld ter plaatse van de hoofdtoegang; c. indien wordt gebouwd in of aan een dijk, waterkering of in gebieden waar het peil op een perceel een verhang kent van meer dan 1 m:

9 35/54

1. voor gebouwen voor zover gelegen binnen een zone van ten hoogste 12 m uit de grens van een hoofdbestemming Verkeer: de hoogte van bovenkant van die weg; 2. voor gebouwen en andere bouwwerken buiten deze zone: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte terrein. 1.67 Perceel Een of meerdere aaneengesloten bij elkaar horende en in het gebruik een eenheid vormende grond cq. gronden. 1.68 Perceelsgrens Een grens tussen twee percelen. 1.69 Permanente bewoning Bewoning van een ruimte als hoofdverblijf c.q. vaste woon- of verblijfplaats door één of meer personen, die op dat adres zijn ingeschreven in de Gemeentelijke Basis Administratie. 1.70 Perifere detailhandel Bedrijven die door de aard en/of omvang van de aangeboden artikelen niet of nauwelijks in traditionele winkelgebieden zijn in te passen. Het gaat daarbij om: a. detailhandel in brand- en explosiegevaarlijke goederen; b. detailhandel in zeer volumineuze goederen: zoals auto's, motoren, boten, caravans, keukens, badkamers, vloerbedekking, parket, zonwering, tenten, grove bouwmaterialen en landbouwwerktuigen; c. tuincentra; d. bouwmarkten of grootschalige meubelbedrijven, inclusief in ondergeschikte mate: woninginrichting/stoffering, met een brutovloeroppervlakte van minimaal 1.000 m².

1.71 Praktijkruimte/ateliers Een werkruimte voor de uitoefening van medische, paramedische, vormgevende of daarmee gelijk te stellen beroepen of werkzaamheden, danwel een werkruimte ten behoeve van een kunstenaar. 1.72 Productiegebonden detailhandel Detailhandel in goederen die ter plaatse worden vervaardigd, geteeld, gerepareerd en/of toegepast in het productieproces, waarbij de detailhandelsfunctie ondergeschikt is aan de productiefunctie. 1.73 Prostitutie Het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen voor of met een ander tegen vergoeding of betaling.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11597158/1