CConstaterende datBarendrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Verordening Rechtspositie raads- en commissieleden gemeente Barendrecht 2025

gemeenteraad 4 november 2025, gemeente BarendrechtBij agendapunt: Vaststellen Verordening rechtspositie raads- en commissieleden Barendrecht 20253.811 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Verordening rechtspositie Raads- en commissieleden gemeente Barendrecht 2025

De raad van de gemeente Barendrecht gelet op de artikelen 95, eerste en tweede lid, 96, eerste en tweede lid, en 97, 98, 99 van de Gemeentewet en de artikelen 3.1.3, eerste lid, 3.1.4, eerste lid, 3.1.8, eerste lid, 3.1.9, 3.3.2, 3.3.3, tweede lid, 3.4.1, eerste lid, en 3.4.2 en 3.3.8 van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers; gezien het advies van de raadscommissie AZ&F van 13 oktober 2025; besluit vast te stellen de Verordening rechtspositie raads- en commissieleden gemeente Barendrecht 2025

Artikel 1 Definitiebepalingen In deze verordening wordt verstaan onder: a. commissielid: lid van een commissie als bedoeld in de artikelen 82, 83 en 84 van de Gemeentewet, dat niet tevens raadslid is of ambtenaar die als zodanig tot lid van een commissie is benoemd. b. griffier: de griffier, bedoeld in artikel 107 van de Gemeentewet. c. raadslid: lid van de gemeenteraad. Artikel 2. Vergoeding voor de werkzaamheden van raadsleden 1.

De raadsleden ontvangen vergoedingen zoals opgenomen in het rechtspositiebesluit en de rechtspositieregeling decentrale politieke ambtsdragers voor raadsleden.

2.

De buitengewoon commissieleden ontvangen vergoedingen zoals opgenomen in het rechtspositiebesluit en de rechtspositieregeling decentrale politieke ambtsdragers voor commissieleden.

Artikel 3. Toelage raadslid onderzoekscommissie Een raadslid dat lid is van een onderzoekscommissie als bedoeld in artikel 155a, derde lid, van de Gemeentewet wordt voor de duur van de activiteiten van die commissie ten laste van de gemeente een toelage per maand toegekend van 1/4e deel van de maandelijkse vergoeding voor de werkzaamheden, bedoeld in artikel 3.1.1, eerste lid, Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers. Artikel 4. Reis- en verblijfkosten raads- en commissieleden

1. Voor het bijwonen van vergaderingen van de gemeenteraad en commissies alsmede voor reizen, gemaakt voor de uitoefening van de functie, worden of wordt aan een raads- of commissielid vergoed: a. de kosten voor het gebruik van openbaar vervoer; b. bij gebruik van een eigen vervoermiddel het maximum bedrag dat door een werkgever aan een werknemer per afgelegde kilometer onbelast kan worden verstrekt. 2.

Voor het bijwonen van vergaderingen van de gemeenteraad en commissies alsmede voor reizen, gemaakt voor de uitoefening van de functie, worden aan een raads- of commissielid bij gebruik van een eigen vervoermiddel tevens de parkeer- of stallingkosten, veerkosten en tolkosten vergoed.

3.

Boetes en naheffingsaanslagen voor parkeren worden niet vergoed.

4.

Indien een raads- of commissielid een functionele beperking heeft, kan incidenteel voor reizen voor woon- werkverkeer en voor reizen binnen de gemeente, gemaakt voor de uitoefening van de functie, een voor de beperking geschikte vervoersvoorziening worden vergoed of ter beschikking gesteld.

5.

De noodzakelijke en redelijkerwijs gemaakte werkelijke verblijfkosten die een raads- of commissielid maakt in verband met reizen, gemaakt voor de uitoefening van de functie, worden ten laste van de gemeente vergoed.

Artikel 5. Verzekering raadsleden voor arbeidsongeschiktheid, ouderdom en overlijden Het bedrag dat raadsleden ontvangen op grond van artikel 3.1.9 eerste lid Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers wordt in maandelijkse termijnen uitbetaald.

Artikel 6. Loopbaanoriëntatie raadsleden n.v.t. Artikel 7. Nadere regels niet-partijpolitiek georiënteerde scholing raads- en commissieleden 1.

2. 3. 4.

Een raads- of commissielid die wil deelnemen aan niet-partijpolitiek georiënteerde scholing in verband met de vervulling van zijn functie, als bedoeld in artikel 3.3.3. Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers, dient daartoe vooraf een gemotiveerde aanvraag in bij de griffier. Deze aanvraag gaat vergezeld van inhoudelijke informatie en een kostenspecificatie. De griffier beslist op de aanvraag op basis van bewijsstukken, overeenkomstig het tweede lid. In voorkomende gevallen beslist het presidium op basis van meerderheid van stemmen.

Artikel 8. Verhoging vergoeding commissieleden (niet-raadsleden) voor het bijwonen van commissievergaderingen i.v.m. bijzondere deskundigheid of zwaarte taak Een commissielid wordt een vergoeding toegekend van 110% van de vergoeding waarop hij overeenkomstig artikel 3.4.1, eerste lid, van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers aanspraak op maakt als: a. het commissielid op grond van zijn bijzondere beroepsmatige deskundigheid op het taakgebied van de commissie is aangetrokken en/of b. het commissielid een vergoeding ontvangt die niet geacht kan worden in een redelijke verhouding te staan tot de zwaarte van zijn taak en/of de omvang van de door hem te verrichten arbeid. Artikel 9. Informatie- en communicatievoorzieningen raads- en commissieleden 1.

2.

Raads- en commissieleden aan wie, op aanvraag, noodzakelijk voor de dienstbetrekking, een iPad/tablet in bruikleen ter beschikking wordt gesteld, sluit hiervoor een bruikleenovereenkomst met de gemeente. Een raads- of commissielid levert na beëindiging van zijn functie de ter beschikking gestelde informatie- en communicatievoorzieningen in bij de gemeente.

Artikel 10. Aanwijzing als eindheffingsbestanddeel 1.

2.

Als eindheffingsbestanddeel als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 worden aangewezen de vergoedingen, tegemoetkomingen en verstrekkingen, genoemd in artikel 3.3.8 van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers. Als eindheffingsbestanddeel als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 worden verder aangewezen de vergoedingen, tegemoetkomingen en verstrekkingen, genoemd in deze verordening, voor zover deze worden gerekend tot een vergoeding, tegemoetkoming of verstrekking als bedoeld in artikel 31a, tweede lid, onderdelen a tot en met h, van de Wet op de Loonbelasting 1964.

Artikel 11. Betaling vaste vergoedingen Tenzij het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers of de Rechtspositieregeling decentrale politieke ambtsdragers anders bepalen, vindt de betaling van de vergoeding van commissieleden, bedoeld in artikel 3.4.1 het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers maandelijks plaats met inachtneming van een vergoeding per bijgewoonde vergadering. Artikel 12. Betaling en declaratie van onkosten

1.

2. 3. 4.

Tenzij het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers of de Rechtspositieregeling decentrale politieke ambtsdragers anders bepalen, vindt de betaling van kosten die op grond van deze verordening voor vergoeding of tegemoetkoming in aanmerking komen plaats door: a. betaling uit gemeentelijke middelen, op basis van een rechtstreeks aan de gemeente toegezonden factuur, b. betaling vooruit uit eigen middelen Een aanvraag om een vergoeding van de onkosten als bedoeld in dit artikel gaat vergezeld van een declaratieformulier en bewijsstukken. Het declaratieformulier en de bewijsstukken worden binnen drie maanden na factuurdatum of betaling door raads- of commissieleden ingediend bij de griffier. Voor zover van toepassing draagt de gemeente er zorg voor dat de betaling aan raads- of commissieleden zo spoedig mogelijk na het indienen van de aanvraag wordt overgemaakt.

Artikel 13. Inwerkingtreding en intrekking oude verordening Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na de datum van publicatie van het Gemeenteblad waarin deze verordening wordt geplaatst onder gelijktijdige intrekking van de Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden Barendrecht 2023. Artikel 14. Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening rechtspositie raads- en commissieleden Barendrecht 2025.

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van de gemeente Barendrecht d.d. 4 november 2025.

De griffier,

De voorzitter,

Mevr. C.M. Krouwel

drs. R.E. Schneider

TOELICHTING Verordening rechtspositie Raads- en commissieleden gemeente Barendrecht 2025 ALGEMEEN DEEL Wettelijke regelingen In de wet en nadere regelgeving zijn alle van belang zijnde onderwerpen geregeld betreffende de rechtspositie van gemeentelijke politieke ambtsdragers. In de Gemeentewet is aangegeven dat de nadere invulling van de rechtspositie van raads- en commissieleden alsmede de financiële voorzieningen moet worden geregeld bij of krachtens de wet (AMvB en ministeriële regeling). Deze nadere regeling is vastgelegd in het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers. In de Rechtspositieregeling decentrale politieke ambtsdragers zijn de (onkosten)vergoedingen nader uitgewerkt. Hoofdlijnen gemeentelijke verordening In deze verordening zijn bepalingen opgenomen inzake de rechtspositie van raadsleden en leden van gemeentelijke commissies zover die niet dwingend geregeld zijn in hogere wet- en regelgeving. De grondslag hiervoor is te vinden in de Gemeentewet en het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers en de Rechtspositieregeling decentrale politieke ambtsdragers. Het is bestuurlijk wenselijk om de voorzieningen zoals vergoedingen, tegemoetkomingen en andere rechtspositionele aanspraken voor decentrale politieke ambtsdragers dwingendrechtelijk in hogere wet- en regelgeving vast te leggen om politieke discussies te voorkomen.

Dit betekent dat er voor gemeenten minder ruimte is om lokaal bij verordening van wettelijke regelingen af te wijken. Als een gemeente besluit om bij verordening voorzieningen voor politieke ambtsdragers te regelen, zijn een aantal regels van belang. In artikel 99 Gemeentewet is bepaald dat ’buiten hetgeen hun bij of krachtens de wet is toegekend’, ontvangen de leden van de raad en/of door de raad ingestelde commissie (in de zin van artikel 82, 83 of 84 Gemeentewet) als zodanig geen andere vergoedingen en tegemoetkomingen ten laste van de gemeente. Deze verordening vormt een (nadere) uitwerking van de bij of krachtens de wet toegekende vergoedingen en tegemoetkomingen. De arbeidsverhoudingen en fiscale positie Raadsleden en commissieleden hebben geen dienstbetrekking bij de gemeente. De gemeente is dus niet de werkgever. Dat betekent bijvoorbeeld dat zij voor zover het betreft het raadslidmaatschap niet vallen onder de werknemersverzekeringen zoals de Werkloosheidswet (WW), Ziektewet (ZW) en de Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (WIA). Omdat er geen sprake is van een dienstbetrekking vallen raads- en commissieleden niet onder de Wet op de loonbelasting 1964 maar worden hun inkomsten belast in de Wet inkomstenbelasting 2001.

Wel kunnen raads- en commissieleden opteren voor de loonbelasting als voorheffing door samen met de gemeente te kiezen voor het fictief werknemerschap, het zogenaamde opting-in. Het fictief werknemerschap kan worden aangevraagd met behulp van een optingin verklaring bij de Belastingdienst.

Als de raads- en commissieleden en gemeente niet kiezen voor het fictief werknemerschap, dan geldt dat de onkostenvergoedingen en raadsvergoeding als inkomsten moeten worden verantwoord en mogen de (beroeps)kosten die worden gemaakt worden afgetrokken. Het resultaat zal het raads- of commissielid moeten verantwoorden in de aangifte inkomstenbelasting, onder de post inkomsten uit overige werkzaamheden. De gemeente dient jaarlijks alle betalingen en verstrekkingen voor de raads- en commissieleden die niet als fictief werknemerschap te kwalificeren zijn op grond van deze verordening aan de Belastingdienst doorgeven middels een formulier IB-47. Omdat raads- en commissieleden op persoonlijke titel worden gekozen, zijn zij niet aan te merken als (fiscaal) ondernemer. Er hoeft dan ook geen VAR-verklaring / Modelovereenkomst ZZP overgelegd te worden aan de gemeente. De Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (Appa) is niet van toepassing op raads- en commissieleden. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING Artikel 2. Vergoeding voor de werkzaamheden van raadsleden Raadsleden krijgen een vaste vergoeding. Hoeveel dat is, hangt af van het aantal inwoners van de gemeente (de inwonersklasse). Vanaf de dag van beëdiging hebben de raadsleden recht op de vergoedingen die bij hun functie horen.

Wat betreft de vergoeding voor de werkzaamheden is dit geregeld in artikel 3.1.1, eerste lid van het Rechtspositiebesluit. Het raadslid kan de vergoeding niet weigeren en de gemeente is verplicht de raadsvergoeding over te maken naar de bankrekening van het raadslid. Het raadslid mag zelf ervoor kiezen om (een deel) van de raadsvergoeding aan de eigen politieke partij te geven, maar dit is niet verplicht. Het is ook niet toegestaan om af te spreken dat de vergoeding direct naar de partij gaat (bijvoorbeeld met een akte van cessie). De reden hiervoor is dat het raadslid een onafhankelijke positie heeft en niet financieel afhankelijk mag zijn van de politieke partij. Artikel 3. Toelage raadslid onderzoekscommissie Het recht op de toelage voor de onderzoekscommissie is vastgelegd in het rechtspositiebesluit. De hoogte van de toelage moet in een verordening geregeld worden. De toelage is per jaar maximaal driemaal de maandelijkse vergoeding voor de werkzaamheden, bedoeld in artikel 3.1.1, eerste lid, Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers. Voor de leden van de onderzoekscommissie is de toelage per jaar maximaal 3x de maandelijkse vergoeding voor raadsleden. Jaarlijks kan de vergoeding voor raadsleden bij ministeriële regeling worden verhoogd. In de verordening is opgenomen de maximale vergoeding per maand.

In artikel 3.1.2 van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers is geregeld dat een raadslid dat lid van een vertrouwenscommissie, voor de duur van de activiteiten van de commissie, recht heeft op een toelage per maand (wordt bij ministeriële regeling jaarlijks verhoogd). Het recht en de hoogte van de toelage vloeien voort uit het besluit en zijn daarom niet in deze verordening opgenomen. Als er een vertrouwenscommissie bij verordening wordt ingesteld, hebben de leden recht op genoemde toelage. Artikel 4. Reis- en verblijfkosten raads- en commissieleden De grondslag voor de reiskostenvergoeding voor het bijwonen van vergaderingen van de gemeenteraad en commissies (woon-werkverkeer) en de reis- en verblijfkostenvergoeding voor reizen binnen de gemeente gemaakt voor de uitoefening van de functie (dienstreizen) is geregeld in artikel 3.1.7 van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers. In artikel 3.1 van de Regeling rechtspositie

decentrale politieke ambtsdragers zijn nadere regels gesteld over de hoogte van de vergoedingen en de voorwaarden voor de aanspraken. Er is een aanspraak op een vergoeding voor woon-werkverkeer voor het bijwonen van de vergaderingen van de gemeenteraad en commissies, dus niet voor fractieoverleg. Voor commissieleden geldt dat als er geen recht is op de vergoeding voor het bijwonen van een (commissie)vergadering er dan ook geen recht is op een vergoeding voor woon-werkverkeer. De kosten voor (dienst)reizen binnen en buiten de gemeente kunnen alleen gedeclareerd worden voor zover deze zijn gemaakt voor de uitoefening van de functie (van raadslid of commissielid). Daaruit volgt dat dienstreizen alleen ten laste van de gemeente gedeclareerd kunnen worden als de gemeente deze vergaderingen of bijeenkomsten organiseert, binnen of buiten het gemeentehuis, waarbij raadsleden of commissieleden door de gemeente gevraagd zijn om aanwezig te zijn. De kosten voor openbaar vervoer worden, net als voorheen, geheel vergoed. Wat onder openbaar vervoer wordt verstaan, is gedefinieerd in artikel 1.1. van de Regeling rechtspositie decentrale politieke ambtsdragers. Hierin staat: een voor een ieder openstaand personenvervoer volgens een dienstregeling met een auto, bus, trein, tram of via een geleidesysteem voortbewogen voertuig dan wel met een veerpont of een veerboot.

Een taxi valt niet onder het begrip "openbaar vervoer". Evenals onder het oude regime worden de kosten van een taxi dus niet vergoed. Wanneer een politieke ambtsdrager echter een functionele beperking heeft (bijvoorbeeld een gebroken been of blindheid), kan hem nu op grond van de onderhavige regeling wel een passende vervoersvoorziening worden aangeboden, bijvoorbeeld in de vorm van een taxi(vergoeding) of het voor de reis beschikbaar stellen van een dienstauto. Bij gebruik van een eigen vervoermiddel (auto, fiets, motorfiets) wordt het maximale bedrag vergoed dat een werkgever per kilometer fiscaal onbelast mag vergoeden aan een werknemer. Parkeer-, stalling, veer en tolkosten hebben, in tegenstelling tot brandstofkosten, geen relatie met het aantal afgelegde kilometers. Deze kosten worden door de gemeente vergoed bij woon-werkverkeer en dienstreizen. Naheffingsaanslagen die zijn opgelegd in verband met niet of te weinig betalen van parkeergeld worden, net zomin als parkeer- en andere boetes, uiteraard niet vergoed. De vergoeding van verblijfkosten die een ambtsdrager maakt in verband met dienstreizen is in principe niet gemaximeerd. De begrenzing zit in dat het moet gaan om daadwerkelijk gemaakte kosten die noodzakelijk en redelijkerwijs zijn gemaakt.

Om politieke discussie over declaratie van verblijfkosten te voorkomen worden de maximale vergoedingsbedragen uit artikel 5 van de Reisregeling Binnenland van het Ministerie van Binnenlandse Zaken gehanteerd. Deze vergoedingsbedragen worden jaarlijks herzien. Artikel 5. Verzekering raadsleden voor arbeidsongeschiktheid, ouderdom en overlijden Op grond van artikel 3.1.9 van het rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers bestaat de aanspraak voor raadsleden om jaarlijks een bedrag te ontvangen ter hoogte van het bedrag van de vergoeding van hun werkzaamheden voor een maand, waarmee zij voorzieningen kunnen treffen ter zake van arbeidsongeschiktheid, ouderdom en overlijden. Het bedrag dient als compensatie voor het feit dat volksvertegenwoordigers vaak een deel van de werkweek voor de volksvertegenwoordiging bezig zijn en daardoor in hun hoofdfunctie minder pensioen kunnen opbouwen. Vanaf 2025 is gekozen voor een centrale, voor alle betrokken volksvertegenwoordigers geldende regeling, met dien verstande dat degenen die de AOW-gerechtigde leeftijd hebben bereikt, hierop geen aanspraak meer kunnen maken. Deze norm is goed verdedigbaar gelet op het doel van de voorziening. Voor degene die de AOW-leeftijd heeft bereikt, is het onmogelijk zich alsnog te verzekeren

voor pensioen, nabestaandenpensioen of arbeidsongeschiktheid. De grens is gelegd bij de AOWgerechtigde leeftijd en niet bij de daadwerkelijke pensioendatum. De keuze hiervoor is ingegeven door het feit dat een eventuele eerdere pensioendatum een in de privésfeer genomen beslissing is. Bovendien zijn door deze grens de administratieve lasten voor de decentrale overheden zo laag mogelijk. De AOW-datum is namelijk kenbaarder dan de individuele pensioendatum. De administratieve lasten blijven ook beperkt omdat er in de gekozen opzet niet inhoudelijk beoordeeld hoeft te worden of de vergoeding daadwerkelijk is ingezet voor een voorziening voor arbeidsongeschiktheid, ouderdom en overlijden. Het zou bovendien de vraag zijn wie verantwoordelijk wordt voor deze controle, en wanneer die controle zou moeten plaatsvinden (alleen bij de eerste toekenning of jaarlijks). Voor degene wiens lidmaatschap van het vertegenwoordigend orgaan in de loop van een jaar begint of eindigt, wordt het bedrag naar evenredigheid van de duur van het lidmaatschap toegekend. De formulering is een bedrag “per jaar”. De nieuwe bepaling maakt het mogelijk om de uitkering maandelijks te laten plaatsvinden. Een maandelijkse uitkering is wenselijk om de administratieve last te beperken. Artikel 6.

Loopbaanoriëntatie raadsleden Dit artikel is alleen van toepassing voor een gemeente die is ingedeeld in inwonersklasse 7, 8 of 9. Artikel 7. Nadere regels niet-partijpolitiek georiënteerde scholing raads- en commissieleden Voor raads- en commissieleden is duidelijk bepaald dat de kosten voor scholing die niet-partijpolitiek is, zoals deelname aan congressen en opleidingen, door de gemeente kunnen worden betaald. Scholing die wel partijpolitiek is, wordt niet door de gemeente vergoed. Of scholing partijpolitiek is hangt af van de inhoud van die scholing. Dat betekent dat wanneer scholing verzorgd wordt door een politieke partij dit dus niet automatisch partijpolitieke scholing is. Om scholingskosten vergoed te krijgen, moet duidelijk worden uitgelegd dat het gaat om scholing die nodig is voor het werk. Scholing is nodig voor het werk als het bedoeld is om vakkennis en vaardigheden te leren of bij te houden die je voor je functie nodig hebt. Scholing is partijpolitiek georiënteerd als het helemaal of voor een deel het doel heeft om diegene op te leiden in de ideeën en standpunten van die partij. De gemeente kan ook dit soort scholing zelf geven of regelen. De kosten daarvan worden ook door de gemeente betaald. Volgens het tweede lid kan de gemeenteraad verdere regels maken over de scholing van raadsleden. Deze verdere regels kunnen bijvoorbeeld in een scholingsplan staan.

In dit plan kunnen procedureregels voor individuele aanvragen om scholing worden opgenomen en ook regels over de hoogte van de tegemoetkoming. Dit plan kan vervolgens als handvat of hulpmiddel worden gebruikt bij de beoordeling van deze individuele scholingsaanvragen. Het Rechtspositiebesluit is op twee onderdelen aangevuld. Ten eerste moeten de prijs en kwaliteit van de scholing in verhouding tot elkaar staan. Zo blijven de kosten redelijk. Daarnaast mogen de kosten niet al op een andere manier worden vergoed. Verder is in het besluit een koppeling gemaakt met artikel 3.1.7 en 3.2.9. De gemeente betaalt, als daar een goede reden voor is, de reis- en verblijfskosten die nodig zijn voor de scholing.

Artikel 8. Verhoging vergoeding commissieleden (niet-raadsleden) voor het bijwonen van commissievergaderingen i.v.m. bijzondere deskundigheid of zwaarte taak De hoogte van de vergoeding voor leden van gemeentelijke commissies, die zijn ingesteld op basis van artikel 82, 83 en 84 van de Gemeentewet is verplicht vastgesteld op een vast bedrag per inwonersklasse. Dit bedrag geldt voor elke vergadering van de commissie die het lid bijwoont. In bepaalde gevallen, bijvoorbeeld als er bijzondere deskundigheid nodig is of als het werk in de commissie zwaarder is, kan een hoger bedrag per vergadering worden toegekend dan is bepaald in het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers. Het kan bijvoorbeeld gaan om een raadscommissie met een bijzondere opdracht, waardoor het werk voor één of meerdere commissieleden meer tijd of inzet kost. Omdat dit in de verordening is opgenomen, kan de gemeente zelf een algemene en politieke afweging maken. Artikel 9. Informatie- en communicatievoorzieningen Ten laste van de gemeente wordt aan een raadslid en commissielid voor de duur van de uitoefening van zijn functie de noodzakelijke informatie- en communicatievoorzieningen ter beschikking gesteld. Onder informatie- en communicatievoorzieningen wordt ook verstaan een smartphone, een computer en de daarbij behorende (internet)abonnementen. Er mag slechts een één computer verstrekt worden.

Een computer is een desktop, laptop, tablet- of minicomputer. Een smartphone is niet te kwalificeren als computer. De gemeente verstrekt informatie- en communicatievoorzieningen in bruikleen aan de politieke ambtsdrager, omdat dit noodzakelijk gereedschap is voor het vervullen van de politieke functie. Het fiscale noodzakelijkheidscriterium vereist dat dit digitale gereedschap bij aftreden of ontslag weer door de ambtsdrager wordt ingeleverd bij de gemeente. De raads- en commissieleden kunnen deze voorzieningen onder voorwaarden overnemen. De voorwaarden zijn opgenomen in de Circulaire van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 29 maart 2022, 2022- 0000173050. Hierin staat onder andere dat geval dat de gemeente ervoor zorgt dat het ICT-middel door of namens de gemeente is geschoond met speciale software (conform Baseline Informatiebeveiliging Overheid (BIO). Verder dient de politieke ambtsdrager voor het overnemen van het ICT-middel op grond van de circulaire een vergoeding te betalen. Deze vergoeding dient gelijk te zijn aan de resterende waarde van het ICT-middel in het economisch verkeer. Artikel 10.

Aanwijzing als eindheffingsbestanddeel In het kader van de werkkostenregeling op grond van artikel 31 Wet op de Loonbelasting 1964 zijn een aantal vergoedingen in het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers en de verordening aangewezen als eindheffingsbestanddeel. De gemeente draagt in dat geval de loonbelasting, waardoor de vergoeding belastingvrij (netto) aan de politieke ambtsdrager kan worden overgemaakt. Anders worden deze door de Belastingdienst als loon gezien en moet hierover bij de politieke ambtsdragers loonbelasting worden ingehouden. In het kader van de werkkostenregeling kan in de financiële administratie worden aangegeven of een verstrekking of vergoeding onder de gerichte vrijstellingen, intermediaire kosten of onder de nihil-waarderingen valt.

Gemeenten mogen daarnaast een verstrekking of vergoeding in de vrije ruimte - tot een vastgesteld percentage fiscale loonsom - onderbrengen zonder fiscale consequenties. Indien de grens wordt overschreden, zal de gemeente 80% eindheffing moeten betalen. Artikel 11 Betaling vaste vergoedingen & artikel 12 Betaling en declaratie van onkosten Het Rechtspositiebesluit en de Rechtspositieregeling decentrale politieke ambtsdragers regelen wanneer de vergoedingen en onkosten betaald worden aan raads- en commissieleden. Daar waar geen expliciete termijn is genoemd, bieden deze artikelen uitkomst. De betaling van onkosten kan worden voorgeschoten uit eigen middelen, later gedeclareerd worden of de factuur wordt rechtstreeks naar de gemeente verstuurd. Hierbij gaat de voorkeur uit naar rechtstreeks facturering bij de gemeente. Raads- en commissieleden declareren in beginsel hun onkosten bij de griffier. Het vereiste om bewijsstukken te overleggen geldt niet wanneer de vergoeding een forfaitair bedrag betreft. Artikelen 13 en 14 zijn samengevoegd tot één artikel. Het nieuwe art. 13 heeft nu als kopje: Inwerkingtreding en intrekking oude verordening Artikel 14 Door de aanpassing zoals boven aangegeven is het nummer bij het laatste artikel gewijzigd in 14 i.p.v. 15. Verder is het jaartal aangepast.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16083204/2