Verordening leerlingenvervoer Barendrecht 2025.pdf
Tekst van het document
Verordening leerlingenvervoer Barendrecht 2025 De raad van de gemeente Barendrecht; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 1 april 2025, nummer 2025-016736; gezien het advies van de commissie Samenleving op 8 april 2025; gelet op de Wet op het primair onderwijs, de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet op de expertisecentra; BESLUIT: de Verordening leerlingenvervoer Barendrecht 2025 vast te stellen. Hoofdstuk 1. Definities Artikel 1. Definities In deze verordening wordt verstaan onder: - aangepast vervoer: door het college georganiseerd vervoer in de vorm van vervoer per besloten busvervoer, schoolbusvervoer, taxi, taxibus, bustaxi of touringcar; - afstand: afstand tussen de woning en de school, gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende begaanbare en veilige weg; - begeleider: ouder of persoon die door de ouders wordt ingezet om de leerling tijdens het vervoer te begeleiden; - college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Barendrecht; - eigen vervoer: vervoer per eigen motorvoertuig of (elektrische) fiets; - gehandicapte leerling: een leerling die door een structurele lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of psychische handicap niet, of niet zelfstandig, van het openbaar vervoer of de fiets gebruik kan maken als gevolg van structurele belemmeringen in de zelfredzaamheid; - inkomen: inkomensgegeven als bedoeld in artikel 21,
aanhef en onder e, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, in het peiljaar, bedoeld in artikel 4, zevende lid, van de Wet op het primair onderwijs; - leerling: de leerling die een school bezoekt; - openbaar vervoer: personenvervoer waarvan iedereen, met of zonder betaling, gebruik kan maken; - opstapplaats: een door het college aangewezen locatie, vanaf waar de leerling gebruik kan maken van het vervoer; - ouders: met gezag over de leerling belaste ouder(s), voogd(en) of verzorger(s) van de leerling; - persoonlijk vervoersontwikkelingsplan: een schriftelijk plan waarin de activiteiten worden beschreven waarmee de leerling, die de leeftijd van negen jaar heeft bereikt, de vaardigheden kan aanleren die nodig zijn om zoveel mogelijk zelfstandig en met het openbaar vervoer of de fiets te reizen; - reistijd: voor de heenreis de totale tijdsduur tussen het verlaten van de woning en de aanvang van de schooldag volgens de schoolgids, minus maximaal 10 minuten. Voor de terugreis de totale tijdsduur tussen het einde van de schooldag volgens de schoolgids en de aankomst bij de woning, plus een eventuele wachttijd voor het openbaar vervoer of maximaal 10 minuten bij gebruikmaking van aangepast vervoer;
1
- samenwerkingsverband: samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 18a van de Wet op het primair onderwijs; - school: de schoollocatie waar de leerling onderwijs volgt. Dit is: 1°. het primair onderwijs: basisschool of speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs; 2°. het speciaal onderwijs: school voor speciaal onderwijs of het speciaal onderwijs binnen een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra; of 3°. het voortgezet onderwijs: school voor voortgezet onderwijs als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs 2020; - toegankelijke school: school waarop de leerling is aangewezen van de verlangde godsdienstige of levensbeschouwelijke richting of de openbare school; - vervoer: openbaar vervoer, aangepast vervoer of eigen vervoer tussen de woning of de opstapplaats en de school dat plaatsvindt aansluitend op het begin en einde van de schooldag volgens de schoolgids, tenzij de structurele handicap van een leerplichtige leerling die aansluiting onmogelijk maakt; - vervoersvoorziening: 1°. financiering van de goedkoopst mogelijke manier van openbaar vervoer voor de leerling en, indien nodig, diens begeleider; 2°. aanbieding van aangepast vervoer dat door het college wordt verzorgd of geregeld; of 3°.
gehele of gedeeltelijke financiering van de door het college noodzakelijk geachte vervoerkosten van de leerling en, indien nodig, diens begeleider; - woning: plaats waar de leerling feitelijk en structureel verblijft. Hoofdstuk 2. Algemene bepalingen Artikel 2. Algemene bepalingen 1. Voor het schoolbezoek kent het college, op aanvraag van de ouders van leerlingen die in de gemeente verblijven, een vervoersvoorziening toe, in overeenstemming met deze verordening. 2. Als de leerling meerderjarig en handelingsbekwaam is, wordt de vervoersvoorziening op aanvraag aan de leerling zelf toegekend. 3. Bij de beoordeling van een aanvraag voor een vervoersvoorziening voor de leerling en eventueel een begeleider, wordt rekening gehouden met de zelfstandigheid en zelfredzaamheid van zowel de leerling als het gezin. 4. De gegevens voortkomend uit de aanvraag voor een vervoersvoorziening worden uitsluitend gebruikt om de aanvraag te beoordelen en om de vervoersvoorziening voor de leerling uit te voeren. 5. Wanneer het college gebruikmaakt van het eerste lid, verlangt zij van ouders die slechts een gedeeltelijke bekostiging van de vervoerskosten ontvangen, een bijdrage tot maximaal het bedrag dat zij volgens deze verordening moeten bijdragen aan de vervoerskosten. Weigering of nalatigheid in de betaling van deze bijdrage leidt tot verval van de aanspraak op de vervoersvoorziening. 6.
De bepalingen in deze verordening doen niets af aan de verantwoordelijkheid van de ouders voor het schoolbezoek van hun kinderen. 7. Bij de beoordeling van een aanvraag wordt rekening gehouden met de redelijke inzet die van ouders kan worden verwacht en hun mogelijkheden om de leerling zelf te brengen en te halen. 8. Het college kan beleidsregels vaststellen voor de uitvoering van deze verordening. Hoofdstuk 3. Aanvraagprocedure
2
Artikel 3. Aanvraagprocedure 1. Een aanvraag voor een vervoersvoorziening wordt ingediend door de ouders van de leerling of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling. De aanvraag wordt ingediend in de gemeente waar de leerling woont, door middel van een volledig ingevuld en ondertekend formulier. De aanvraag kan digitaal of op papier worden ingediend. 2. Wanneer het een aanvraag betreft voor het komende schooljaar, dient deze uiterlijk acht weken voor aanvang van het schooljaar te worden ingediend, tenzij er gegronde redenen zijn om de aanvraag later in te dienen. 3. Bij toekenning van een vervoersvoorziening geldt deze: a. indien het een vergoeding betreft, vanaf de door de ouders gevraagde datum, met de voorwaarde dat deze datum niet ligt voor de datum van ontvangst van de aanvraag; b. indien aangepast vervoer wordt aangeboden, vanaf een datum die zo dicht mogelijk ligt bij de door de ouders verzochte datum. Artikel 4. Besluit vervoersvoorziening 1. Het college bepaalt bij de toekenning van de vervoersvoorziening de wijze en het tijdstip van verstrekking of uitbetaling, evenals de duur van de voorziening. 2. Het college kan aanvullende voorwaarden stellen bij de toekenning van een vervoersvoorziening. 3.
Indien het college dit noodzakelijk acht, kan een vervoerstraining worden toegekend en kan een persoonlijk vervoersontwikkelingsplan als bijlage aan het besluit worden toegevoegd. Hoofdstuk 4. Beoordelingscriteria Artikel 5. Algemene voorwaarden voor toekenning van de vervoersvoorziening 1. Wanneer een vervoersvoorziening wordt verstrekt, is de goedkoopst passende vervoersvoorziening het uitgangspunt. 2. Bij de keuze voor de vervoersvoorziening wordt door het college achtereenvolgens beoordeeld of vervoer, eventueel met begeleiding, mogelijk is: a. met de fiets; b. met openbaar vervoer; c. met eigen vervoer; d. met aangepast vervoer. 3. Ouders zijn verantwoordelijk om, indien nodig, voor begeleiding te zorgen. 4. Ouders zijn verantwoordelijk voor het gedrag van de minderjarige leerling tijdens het aangepast vervoer. Artikel 6. Afwijzingsgronden 1. Er wordt geen vervoersvoorziening toegekend als de afstand tussen de woning en de dichtstbijzijnde toegankelijke school kleiner is dan 6 kilometer. Deze grens geldt niet voor gehandicapte leerlingen. 2.
Er wordt geen vervoersvoorziening toegekend voor het bezoeken van het voortgezet onderwijs dan wel het voortgezet speciaal onderwijs, tenzij de leerling door een handicap niet zelfstandig gebruik kan maken van het openbaar vervoer, zoals bedoeld in artikel 8.28 van de Wet op het voortgezet onderwijs 2020 en artikel 4, vierde lid, van de Wet op de expertisecentra. Artikel 7. Andere oplossing
3
1. Als de leerling recht heeft op een passende voorziening op basis van een andere regeling, kan geen beroep worden gedaan op een vervoersvoorziening. 2. Als de leerling recht heeft op een (gedeeltelijke) vergoeding van de reiskosten via een andere regeling, wordt deze vergoeding betrokken bij het bepalen van de hoogte van de vergoeding of in rekening gebracht als eigen bijdrage. Artikel 8. Vervoersvoorziening naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school 1. Een vervoersvoorziening wordt verstrekt voor de afstand tussen de woning van de leerling (of opstapplaats) en de dichtstbijzijnde toegankelijke school. 2. Een vervoersvoorziening wordt ook verstrekt over de afstand tussen de woning van de leerling (of de opstapplaats) en: a. de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke speciale school voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband van de basisschool waar de leerling vandaan komt; of b. een andere speciale school voor basisonderwijs als het vervoer daarheen goedkoper is voor het college dan naar de school genoemd onder a. 3. Als ouders een vervoersvoorziening aanvragen voor een school die verder weg ligt dan de dichtstbijzijnde toegankelijke school vanwege specifieke onderwijsbehoeften van de leerling, wordt dit alleen toegekend als aan de volgende voorwaarden is voldaan: a.
de ouders hebben voldoende aangetoond wat de specifieke en noodzakelijke onderwijsbehoefte van de leerling is; b. de ouders hebben aangetoond dat de dichtstbijzijnde school niet toegankelijk is, omdat het noodzakelijke specifieke onderwijsaanbod ontbreekt. Artikel 9. Schooltijden en wachttijden 1. Bekostiging van het aangepast vervoer vindt plaats op standaard schooldagen en schooltijden. Deze zijn opgenomen in de schoolgids van de school die de leerling bezoekt. 2. Als er binnen een school sprake is van verschillende lesroosters binnen de vaste schooltijden, kan het college besluiten een wachttijd van één of meerdere lesuren in te stellen bij het gebruik van aangepast vervoer, om zo beter aan te sluiten op het reguliere leerlingenvervoer. 3. Aangepast vervoer op schooldagen en schooltijden die afwijken van de dagen en tijden in de schoolgids wordt niet bekostigd, tenzij ouders kunnen bewijzen dat de structurele handicap van een leerplichtige leerling het onmogelijk maakt om zich aan de standaard schooltijden te houden. Artikel 10. Tijdelijk verblijf buiten de gemeente 1. Het college kan, voor een periode van maximaal zes weken, een tijdelijke vervoersvoorziening toekennen aan de ouders van een leerling, die door een crisissituatie tijdelijk buiten de gemeente verblijft, onder de volgende voorwaarden: a.
de leerling blijft zijn huidige school bezoeken en deze school bevindt zich op maximaal 90 minuten reistijd vanaf de tijdelijke verblijfsplaats; b. vóór het tijdelijk verblijf buiten de gemeente was al een vervoersvoorziening toegekend op basis van deze verordening; en c. de intentie is dat de leerling terugkeert naar de oorspronkelijke gemeente. 2. Het besluit waarmee de vervoersvoorziening is toegekend voorafgaand aan een tijdelijke vervoersvoorziening wordt opgeschort vanaf de datum van het tijdelijk verblijf buiten de gemeente en wordt hervat zodra de leerling terugkeert, tenzij het besluit inmiddels is verlopen. 3. Als de vervoersvoorziening bestaat uit aangepast vervoer, kan het college, in overleg met de gemeente waarin de leerling tijdelijk verblijft, besluiten dat die gemeente het vervoer uitvoert.
4
Artikel 11. Vervoersvoorziening voor weekeinde en vakantie bij verblijf in een internaat, pleegof gastgezin 1. Met inachtneming van artikel 8 kan het college op aanvraag een vervoersvoorziening toekennen voor het begin van het weekeinde en de vakantie aan ouders van de leerling die in de gemeente wonen en wiens kind in een internaat, pleeg- of gastgezin verblijft om passend speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs te volgen. Het vervoer vindt plaats van de school naar het woonadres van de ouders van de leerling. 2. Het college kent aan de ouders van de leerling een vervoersvoorziening toe voor het weekeindvervoer van de leerling voor de heen- en terugreis tussen het internaat, pleeg- of gastgezin en de woning van de ouders. De vervoersvoorziening geldt voor eenmaal in het weekeind, voor zover deze weekeinden niet vallen binnen de schoolvakanties zoals bedoeld in het derde lid. 3. Het college kent aan de ouders van de leerling een vervoersvoorziening toe voor het vakantievervoer. Dit geldt één keer per schoolvakantie (van twee dagen of meer) voor de reis van het internaat waar de leerling verblijft en naar school gaat naar de woning van de ouders en terug. De vakantie moet in de schoolgids van de school staan. Andere vervoersmomenten kunnen worden aangevraagd via jeugdwetvervoer. 4. Artikel 18, eerste lid, aanhef en onder a, is niet van toepassing. Artikel 12.
Vervoersvoorziening naar stageadres 1. Als er al recht is op een vervoersvoorziening naar een school voor voortgezet speciaal onderwijs of voor voortgezet onderwijs, kan op verzoek een vervoersvoorziening worden toegekend voor vervoer naar een stageadres. Hiervoor moet een aparte aanvraag worden ingediend. 2. In afwijking van het bepaalde in artikel 2, eerste en tweede lid, kan een aanvraag voor stagevervoer ook worden ingediend door de school voor voortgezet speciaal onderwijs of voortgezet onderwijs. 3. De vervoersvoorziening naar een stageadres wordt alleen toegekend als aan de volgende voorwaarden is voldaan: a. de stage maakt onderdeel uit van het onderwijsprogramma, zoals vermeld in de schoolgids van de school of in het stagecontract; b. de stagetijden vallen binnen de reguliere schooltijden; c. de stage vindt plaats op één stageadres; en d. het stageadres ligt op de route tussen woning of de opstapplaats en de school. Als wordt aangetoond dat dit niet mogelijk is, dan kan het stageadres liggen binnen een door het college vastgestelde maximale straal van de woning of de school. 4. Het college kan het stagecontract opvragen. Artikel 13. Vervoer van en naar een opvangadres 1.
Als er recht is op een vervoersvoorziening van de woning (of de opstapplaats) naar een school en terug, kan op verzoek een vervoersvoorziening worden toegekend voor het vervoer van de woning naar een ander opvangadres en terug. Dit wordt alleen toegekend als de kosten voor het college vergelijkbaar zijn met de kosten van vervoer van de woning naar de school en terug. 2. Een vervoersvoorziening van het opvangadres naar de school of terug is alleen bij hoge uitzondering mogelijk als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a. het opvangadres ligt in Barendrecht; b. er zijn geen extra kosten voor het college; c. andere leerlingen op dezelfde route hebben geen onevenredig nadeel; d. de opvang is structureel (op vaste dagen en naar een vast adres).
5
Artikel 14. Aanwijzing opstapplaats 1. Het college kan bij het verstrekken van aangepast vervoer een opstapplaats aanwijzen van waaruit de leerling gebruik maakt van de vervoersvoorziening. 2. De opstapplaats ligt op maximaal 2 kilometer of 30 minuten loopafstand van de woning van de leerling. 3. De ouders zorgen ervoor dat de leerling naar en op de opstapplaats wordt begeleid als dit nodig is. 4. Het college wijst geen opstapplaats aan als ouders kunnen aantonen dat begeleiding door hen of anderen redelijkerwijs onmogelijk is of ernstige nadelen voor het gezin oplevert en er geen andere oplossing mogelijk is. Hoofdstuk 5. Vervoersvergoeding Artikel 15. Vervoersvergoeding voor de leerling 1. Het college bepaalt de hoogte van de vervoersvoorziening in de vorm van een vervoersvergoeding op basis van de kosten van het openbaar vervoer, met inachtneming van eventuele kortingen die voor de leerling gelden. 2. Als voldaan is aan de afstandsgrens zoals genoemd in artikel 6, eerste lid, verstrekt het college een vergoeding aan de ouders van de leerling die een school voor primair onderwijs, voortgezet speciaal onderwijs of speciaal onderwijs bezoekt, op basis van de kosten van het openbaar vervoer. 3.
Als er recht bestaat op een vervoersvergoeding, zoals bedoeld in het tweede lid, en de leerling volgens het college, al dan niet met begeleiding, gebruik kan maken van de fiets, verstrekt het college een vergoeding op basis van de kosten van het vervoer per fiets. 4. De kilometervergoeding voor de fiets bedraagt 50% van de maximale onbelaste kilometervergoeding voor eigen vervoer, zoals gehanteerd door de Belastingdienst, en wordt naar beneden afgerond. Artikel 16. Vervoersvergoeding voor de begeleider 1. Het college verstrekt aan de ouders van de leerling, die een school bezoekt en daarvoor recht heeft op een vervoersvergoeding, een vergoeding van de kosten van het openbaar vervoer of het vervoer per fiets van een begeleider als: a. de leerling op 1 augustus van het betreffende schooljaar jonger dan negen jaar is; b. de leerling op 1 augustus van het betreffende schooljaar ouder dan negen jaar is en volgens het college voldoende is aangetoond dat de leerling niet zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik kan maken. 2. De kilometervergoeding voor de fiets bedraagt 50% van de maximale onbelaste kilometervergoeding voor eigen vervoer, zoals gehanteerd door de Belastingdienst. De kilometervergoeding wordt naar beneden afgerond. 3.
Als een begeleider meer dan één leerling tegelijk begeleidt, komen alleen de kosten van het vervoer ten behoeve van één begeleider voor bekostiging in aanmerking. 4. Bij de vergoeding van de kosten van het openbaar vervoer houdt het college rekening met eventuele kortingen die voor de begeleider kunnen gelden. 5. Als begeleiding vereist is, vergoedt het college geen andere kosten dan de vervoerskosten die gepaard gaan met de begeleiding van de leerling. Artikel 17. Vervoersvergoeding op basis van door ouders georganiseerd vervoer
6
1. Als ouders recht hebben op een vervoersvoorziening, kan het college de ouders vragen of toestaan om zelf één of meerdere leerlingen naar school te brengen of iemand anders in te schakelen om dat te doen. 2. De vergoeding voor dit vervoer is een kilometervergoeding per schooldag. Dit wordt berekend op basis van het belastingvrije kilometerbedrag voor woon-werkverkeer zoals bepaald door de Belastingdienst. De vergoeding is voor twee retourritten per dag tussen huis en school. 3. Als ouders toestemming hebben gekregen, zoals beschreven in het eerste lid, vergoedt het college aan ouders die meer dan één leerling tegelijk zelf vervoeren of laten vervoeren, per schooldag een bedrag op basis van de helft van de kilometervergoeding voor elke extra leerling die zij meenemen. De kilometervergoeding is gebaseerd op de belastingvrije vergoeding voor woon-werkverkeer, zoals gehanteerd door de Belastingdienst. 4. Als ouders hun kind laten vervoeren door een ander die al een vergoeding van het college ontvangt, krijgen de ouders van de leerling geen extra vergoeding. Het college verstrekt een extra vergoeding aan de persoon die de leerlingen vervoert. Artikel 18. Vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer 1. Het college biedt aangepast vervoer aan ouders van leerlingen als: a.
de leerling recht heeft op een vergoeding (volgens artikel 15 of 16) en de reis met openbaar vervoer meer dan anderhalf uur duurt. De reistijd met aangepast vervoer moet de reistijd terugbrengen tot maximaal de helft van de reistijd met openbaar vervoer; of b. recht bestaat op een vergoeding (volgens artikel 15 of 16) en er geen openbaar vervoer beschikbaar is, tenzij de leerling met de fiets naar school kan gaan (eventueel onder begeleiding); of c. recht bestaat op een vergoeding (volgens artikel 16) en ouders kunnen aantonen dat begeleiding door hen of anderen redelijkerwijs onmogelijk is of ernstige nadelen voor het gezin oplevert en er geen andere oplossing mogelijk is; of d. de leerling, volgens het college, ook met begeleiding geen gebruik kan maken van openbaar vervoer of de fiets. Artikel 19. Bekostiging andere passende vervoersvoorziening Als ouders recht hebben op een vervoersvoorziening, kan het college na overleg met ouders een andere passende vervoersvoorziening aanbieden. Dit gebeurt alleen als de kosten gelijk zijn aan of lager zijn dan de kosten van het openbaar vervoer. Hoofdstuk 6. Eigen bijdrage Artikel 20. Eigen bijdrage (drempelbedrag) 1.
Ouders van een leerling die naar een school voor basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs gaat, met een gezamenlijk inkomen hoger dan € 31.500,-, krijgen alleen een vergoeding voor het vervoer als de vervoerskosten hoger zijn dan de kosten voor openbaar vervoer over de afstand zoals genoemd in artikel 6, eerste lid. 2. Ouders van een leerling die naar een school voor basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs gaat, met een gezamenlijk inkomen hoger dan € 31.500,-, betalen een eigen bijdrage per kind per schooljaar. Deze bijdrage is gelijk aan de kosten van het openbaar vervoer over de afstand zoals genoemd in artikel 6, eerste lid. 3. De kosten voor openbaar vervoer, genoemd in het eerste en tweede lid, betreffen de kosten van het gebruik van een OV-chipkaart of een andere binnen de gemeente geldende OV-betaalmogelijkheid, welke voor de in artikel 6, eerste lid, bepaalde afstand redelijkerwijs zouden worden gemaakt,
7
ongeacht of er openbaar vervoer beschikbaar is of daadwerkelijk wordt gebruikt. Hierbij wordt rekening gehouden met kortingen voor de leerling. 4. Het bedrag van € 31.500,- genoemd in het eerste en tweede lid, wordt met ingang van 1 januari 2026 jaarlijks aangepast aan de wijziging die het indexcijfer van de regelingslonen van volwassen werknemers heeft ondergaan ten opzichte van het voorafgaande jaar en rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 450,-. Het aangepaste bedrag treedt in plaats van het in het eerste en tweede lid genoemde bedrag van € 31.500,-. 5. Dit artikel geldt niet voor gehandicapte leerlingen. Artikel 21. Eigen bijdrage in de vorm van een draagkrachtafhankelijke bijdrage 1. Als de ouders ervoor kiezen hun kind naar een school voor basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs te sturen die meer dan 20 kilometer van huis ligt, betalen zij een bijdrage afhankelijk van hun inkomen, tot maximaal de vervoerskosten. 2. De hoogte van de bijdrage wordt per gezin berekend en is afhankelijk van het inkomen van de ouders. De bedragen van de eigen bijdrage per gezin per jaar per inkomenscategorie bedragen: Inkomen vanaf
Tot
Eigen bijdrage
0
€ 42.000
nihil
€ 42.000
€ 50.000
€ 185
€ 50.000
€ 58.000
€ 820
€ 58.000
€ 65.000
€ 1.520
€ 65.000
€ 74.500
€ 2.230
€ 74.500
€ 81.500
€ 2.990
€ 81.5000
Voor elke € 5.000,- erbij
€ 715
3.
De inkomensgrenzen zoals genoemd in het tweede lid, worden jaarlijks met ingang van 1 januari geïndexeerd. Dit gebeurt op basis van de CBS-tabel ontwikkeling Cao-lonen. De bedragen worden afgerond op een veelvoud van € 500,-. 4. De bedragen van de eigen bijdrage zoals genoemd in het tweede lid, worden jaarlijks met ingang van 1 januari geïndexeerd. Dit gebeurt op basis van de wijziging die het consumentenprijsindexcijfer van de reeks alle huishoudens op het onderdeel vervoersdiensten heeft ondergaan ten opzichte van het voorafgaande jaar. De bedragen worden afgerond op een veelvoud van € 5,-. 5. Ouders kunnen, in afwijking van het tweede lid, het college verzoeken rekening te houden met het actuele inkomen, wanneer sprake is van een aantoonbare structurele inkomensdaling. 6. Het drempelbedrag, genoemd in artikel 20, kan samen met de draagkrachtafhankelijke eigen bijdrage, genoemd in het eerste lid, in rekening worden gebracht aan het gezin. 7. Dit artikel geldt niet voor gehandicapte leerlingen. Hoofdstuk 7. Rechtmatigheid Artikel 22. Beëindiging, herziening, opschorting, intrekking en/of terugvordering van de vervoersvoorziening
8
1. Ouders of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling zijn verplicht alle veranderingen die van invloed kunnen zijn op de vervoersvoorziening direct door te geven aan het college. Dit moet schriftelijk gebeuren onder vermelding van de datum waarop de wijziging plaatsvond. 2. Het college kan een besluit als bedoeld in deze verordening beëindigen, herzien, opschorten of intrekken als het college vaststelt dat: a. niet (meer) is of wordt voldaan aan de voorwaarden en verplichtingen zoals gesteld bij of krachtens deze verordening; of b. de voorziening is toegekend op basis van zodanig onjuiste informatie, dat met kennis van de juiste informatie een ander besluit was genomen; of c. de verstrekte vervoersvoorziening niet meer de meest passende vervoersvoorziening is; of d. sprake is van onaanvaardbaar gedrag door de leerling of ouders in het aangepast vervoer; of e. het vervoer van de leerling leidt tot een onveilige situatie in het aangepast vervoer; of f. ouders weigeren het drempelbedrag uit artikel 20 te betalen of achterstallig zijn met betalen; of g. ouders weigeren de draagkrachtafhankelijke eigen bijdrage uit artikel 21 te betalen of achterstallig zijn met betalen. 3.
Vervoersvoorzieningen die onterecht zijn ontvangen, kunnen worden teruggevorderd van de ouders of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling, of worden verrekend met een verstrekte maar nog niet betaalde vervoersvergoeding. Hoofdstuk 8. Slotbepalingen Artikel 23. Beslissing college in gevallen waarin de regeling niet voorziet Het college beslist in gevallen waarin deze verordening niet voorziet. Artikel 24. Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van bepalingen in deze verordening in het voordeel van ouders. Indien nodig kan het college advies inwinnen bij deskundigen. Artikel 25. Intrekking oude regeling De verordening bekostiging leerlingenvervoer Barendrecht 2023 wordt ingetrokken. Artikel 26. Inwerkingtreding en citeertitel 1. Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na de datum van bekendmaking. 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening leerlingenvervoer Barendrecht 2025. Aldus vastgesteld door de gemeenteraad van Barendrecht op 15 april 2025, de griffier,
de voorzitter,
C.M. Krouwel
drs. R.E. Schneider
9