Ruimtelijke Onderbouwing Middenbaan 64
Tekst van het document
De volledige rapportage van het onderzoek d.d. 12 mei 2020, uitgevoerd door Voortman Ingenieurs, is als bijlage aan deze ruimtelijke onderbouwing toegevoegd. Conclusie Het aspect ‘Geluid’ vormt geen belemmering voor het transformatieplan.
4 Conform artikel 110g van de Wet geluidhinder mag het resultaat van de berekende geluidbelasting met maximaal 5 dB
worden verminderd voordat de geluidbelasting wordt getoetst aan de (voorkeurs) grenswaarden.
29
3.2.4
Luchtkwaliteit
Toetsingskader De Rijksoverheid werkt samen met provincies en gemeenten om te voldoen aan de Europese normen voor luchtkwaliteit. In Europees verband zijn normen vastgelegd voor de maximum concentratie van een aantal stoffen, zoals fijn stof en stikstofoxiden, in de buitenlucht. Kort samengevat hebben luchtkwaliteitsregels gevolgen voor het uitvoeren van (ruimtelijke) projecten. Uitgangspunt is dat een project niet leidt tot overschrijding van de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Als er wel een overschrijding is, dan mag een project de luchtkwaliteit niet ‘in betekenende mate’ verslechteren. Huidige luchtkwaliteit Om inzicht te krijgen in de heersende luchtkwaliteit zijn met name stikstofoxide (NO2) en fijn stof belangrijke componenten. De twee belangrijkste ‘maten’ voor fijnstof zijn PM10 (Particulate Matter, met een grootte tot 10 micrometer) en PM2,5 (fijnstof met een grootte tot maximaal 2,5 micrometer). PM2,5 is daarmee een deel uit de fractie PM10. De concentraties PM10 en PM2,5 hangen sterk met elkaar samen. In de praktijk blijkt dan ook dat als aan de grenswaarden voor PM10 wordt voldaan, ook de grenswaarde van PM2,5 wordt nageleefd. Bij het bepalen van de luchtkwaliteit zijn voor de genoemde componenten de volgende grenswaarden van toepassing: ˗ NO2: 40 µg/m3 als jaargemiddelde (sinds 2015). ˗ PM10: 40 µg/m3 als jaargemiddelde.
˗ PM2.5: 25 µg/m3 als jaargemiddelde (sinds 2015). Besluit ‘Niet In Betekenende Mate bijdrage’ (NIBM) Het Besluit ‘Niet In Betekenende Mate bijdrage (NIBM)’ betekent dat ruimtelijke ontwikkelingen die ‘niet in betekenende mate’ leiden tot een verslechtering van de heersende luchtkwaliteit, niet afzonderlijk getoetst hoeven te worden op de grenswaarden. Binnen de gestelde kaders is toetsing aan de grenswaarden van de luchtkwaliteit niet noodzakelijk, tenzij een dreigende overschrijding van één of meerdere grenswaarden te verwachten is. Elk project dat NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit kan dus worden uitgevoerd. Op Rijksniveau is de definitie van ‘in betekenende mate’ vastgelegd in een algemene maatregel van bestuur (AMvB). In deze AMvB, te zien als luchtkwaliteitseisen, is vastgelegd dat projecten die leiden tot een toename van (concentratie-)grenswaarden van een stof met meer dan 3%, in betekenende mate bijdragen aan de luchtvervuiling. Onder deze 3% grens is dus sprake van NIBM. Deze 3%grens is in deze AMvB voor een aantal veel voorkomende ruimtelijke functies op voorhand reeds gekwantificeerd. Ter indicatie: in relatie tot woningbouw is de NIBM-grens gekoppeld aan 1.500 woningen met één ontsluitingsweg.
Toetsing transformatieplan Middenbaan 64 Huidige luchtkwaliteit Om nader inzicht te krijgen in de huidige luchtkwaliteit ter hoogte van de locatie Middenbaan 64 in Barendrecht is gebruik gemaakt van de (algemeen gehanteerde) Atlas Leefomgeving van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, mede opgesteld door Rijkswaterstaat en het RIVM en in samenwerking met provincies, gemeenten en andere beleids- en kennisinstituten. Op grond van de Atlas Leefomgeving kunnen met betrekking tot het plangebied de volgende jaargemiddelde concentraties over 2018 worden vermeld: ˗ NO2: 26,2 µg/m3 ˗ PM10: 23,9 µg/m3 ˗ PM2.5: 12,6 µg/m3 Uit bovenstaande gegevens kan worden geconcludeerd dat de concentraties van NO2, PM10 en PM2.5 ruim onder de betreffende grenswaarden liggen. De huidige luchtkwaliteit ter plaatse is dus goed te noemen. Het is niet aannemelijk te veronderstellen dat het transformatieplan, mede gezien het voormalige gebruik op deze locatie, zal leiden tot een overschrijding van de grenswaarden van deze (meest) bepalende luchtkwaliteitscomponenten.
30
Besluit ‘Niet In Betekenende Mate bijdrage’ (NIBM) Om de bijdrage van ruimtelijke plannen op de luchtkwaliteit te kunnen vaststellen en daarmee inzicht te krijgen of deze bijdrage wel/niet als NIBM kan worden aangemerkt, heeft het ministerie van Infrastructuur en Milieu in samenwerking met Kenniscentrum InfoMil de NIBM-tool ontwikkeld. Om de mogelijke impact van het transformatieplan op de luchtkwaliteit te bepalen is deze NIBM-tool toegepast. Conform de kengetallen van het CROW wordt hierbij uitgegaan van een verkeersgeneratie van gemiddeld 3 verkeersbewegingen per dag per appartement en 30 verkeersbewegingen voor de commerciële gebruiksfunctie. Het via de NIBM-tool berekende resultaat is weergegeven in figuur 3.13. Figuur 3.13: Indicatie bijdrage verkeer aan transformatieplan op luchtkwaliteit (NIBM-tool 2020).
De indicatieve berekening toont aan dat het transformatieplan een NIBM-ontwikkeling vormt. Conclusie Het aspect ‘Luchtkwaliteit’ vormt geen belemmering voor het transformatieplan.
3.2.5
Externe veiligheid
Toetsingskader Externe veiligheid (EV) richt zich op het beheersen van activiteiten die een risico voor de omgeving kunnen opleveren, zoals milieurisico’s, transportrisico’s en risico’s die kunnen optreden bij de productie, het vervoer en de opslag van gevaarlijke stoffen in inrichtingen. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de EV-situatie mede de ruimtelijke (on)mogelijkheden. Het EV-beleid is erop gericht te voorkomen dat er nabij kwetsbare bestemmingen (zoals woningen) activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden. Een en ander brengt met zich mee dat weloverwogen keuzes moeten worden gemaakt als het gaat om vestigingslocaties voor woningen enerzijds en risicovolle (bedrijfs)activiteiten anderzijds. Bij deze afwegingen biedt de wet- en regelgeving twee begrippen om het risiconiveau voor activiteiten met gevaarlijke stoffen in relatie tot de omgeving aan te geven. Het betreft hier het persoons- c.q. plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR).
31
Plaatsgebonden risico (PR) Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. De normstelling heeft de status van een grenswaarde die niet overschreden mag worden. Groepsrisico (GR Het GR kan worden beschouwd als de maat van maatschappelijke ontwrichting in geval van een calamiteit. Het GR drukt daarmee de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal 10 personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van een calamiteit. De normstelling heeft de status van een oriënterende waarde. Deze waarde is geen vastgestelde wettelijke norm. Desondanks hebben overheden en betrokken private instellingen een inspanningsverplichting om te voldoen aan deze oriënterende waarde en dient een toename van het GR bestuurlijk te worden verantwoord.
Toetsing transformatieplan Middenbaan 64 Op grond van de algemeen door overheden gehanteerde EV Signaleringskaart kan worden geconstateerd dat de planlocatie Middenbaan 64 niet binnen de invloedsfeer van EVrisicobronnen is gelegen (zie figuur 3.14). Figuur 3.14: EV-Signaleringskaart, uitsnede Barendrecht).
Middenbaan 64
Conclusie Het aspect ‘Externe Veiligheid’ vormt geen belemmering voor het transformatieplan.
32
3.2.6
Ecologie
Toetsingskader Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet en heeft als doel te komen tot één integrale en vereenvoudigde regeling van de natuurbescherming. Hierbij is de Europese regelgeving als uitgangspunt genomen. In de Wnb is nog steeds sprake van gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebieden die bescherming genieten zijn Natura2000-gebieden (Vogel- en Habitatrichtlijn) en gebieden binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Als het gaat om soortenbescherming kent de Wnb een apart beschermingsregime voor soorten van de Vogel- en de Habitatrichtlijn voor andere soorten, die vanuit nationaal oogpunt beschermd worden. Toetsing transformatieplan Middenbaan 64 Gebiedsbescherming De planlocatie is niet gelegen in of in de directe nabijheid van een Natura2000-gebied. Het meest nabij gelegen Natura2000-gebied is ‘Oude Maas’, gelegen op circa 2,7 kilometer ten zuiden van de planlocatie (zie figuur 3.15). Figuur 3.15: Ligging planlocatie t.o.v. Natura2000 gebieden (Bron: Provincie Zuid-Holland).
Middenbaan 64
Het meest nabijgelegen beschermd natuurgebied (NNN) is gelegen op een afstand van circa 2,5 kilometer ten zuid/zuidwesten van de planlocatie (zie figuur 3.16).
33
Figuur 3.16: Ligging planlocatie t.o.v. NNN-percelen (Bron: ArcGis, NatuurNetWerk Nederland).
Middenbaan 64
Natura2000 versus stikstofdepositie In 2015 is het Programma Aanpak Stikstof (PAS) vastgesteld om economische ontwikkelingen te kunnen verbinden met het op termijn realiseren van de instandhoudingsdoelstellingen van de voor stikstof gevoelige habitattypen en (leefgebieden van) soorten voor Natura 2000-gebieden die zijn opgenomen in dit programma. In het PAS zijn alle Natura 2000-gebieden opgenomen waar zich minimaal één stikstofgevoelig habitat bevindt dat te maken heeft met overbelasting door stikstof. Dit is het geval voor 118 van de 160 Natura 2000-gebieden. Bouwplannen kunnen leiden tot een toename van de stikstofdepositie ter plaatse van stikstofgevoelige habitattypen in een Natura 2000-gebied. Met name het gebruik van de gebouwen (de gebruiksfase) kan leiden tot een toename van de stikstofdepositie, bijvoorbeeld vanwege het gebruik van gas en het autoverkeer van de gebruikers van de gebouwen. Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1603 en ECLI:NL:RVS:2019:1604) beslist dat het PAS niet gebruikt mag worden als basis om toestemming te verlenen voor activiteiten die leiden tot een toename van stikstof ter plaatse van stikstofgevoelige habitattypen en soorten in Natura 2000-gebieden.
Deze beslissing heeft consequenties voor ruimtelijke ontwikkelingen, die kunnen leiden tot een toename van de stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebieden. Nu het ecologisch onderzoek (de ‘passende beoordeling’) van het PAS niet meer als basis voor toestemmingverlening kan worden gebruikt, is voor veel ruimtelijke ontwikkelingen nodig dat zij op een andere manier gaan aantonen, dat het project of plan op voorhand geen significant schadelijke effecten heeft op de Natura 2000-gebieden. De passende beoordeling van het PAS kan daarvoor sinds voornoemde uitspraak niet meer worden gebruikt. AERIUS Calculator Om voor afzonderlijke projecten aan te tonen wat het effect is op Natura 2000-gebieden is het rekeninstrument AERIUS in het leven geroepen. Dit instrument is na de uitspraak van de Raad van State op 16 september 2019 geactualiseerd in de AERIUS Calculator 2019. Op 14 januari heeft het RIVM een update van AERIUS Calculator beschikbaar gesteld, de AERIUS Calculator 2019A. Op 8 mei 2020 verscheen de AERIUS berekening, uitgevoerd voor het transformatieplan Middenbaan 64. Deze berekening toont aan dat het transformatieplan niet leidt tot een meetbare
34
depositie van NOx in Natura 2000-gebied, dat gevoelig is voor stikstof. In zowel de aanleg- als gebruiksfase ligt de emissie niet hoger dan 0,00 mol/ha/j. Als gevolg van de berekende emissie, tijdens de aanleg- en gebruiksfase, vindt er dan ook géén meetbare verhoging van de depositie NOx plaats in Natura 2000-gebieden als gevolg van de realisatie en het gebruik van het nieuwe gebouw binnen de planlocatie. Het transformatieplan leidt daarmee niet tot een verslechtering van de milieukwaliteit van Natura 2000-gebied. Resumerend vormt de Wnb geen belemmering en hoeft er geen vergunning in het kader van deze wet te worden aangevraagd voor de uitvoering van de voorgenomen activiteiten. De rapportage AERIUS Calculator 2019A is als bijlage aan deze ruimtelijke onderbouwing toegevoegd. Soortenbescherming: quickscan Flora & Fauna Ten aanzien van het deelaspect ‘soortenbescherming’ heeft het ecologisch adviesbureau EcoTierra in april 2020 een quickscan Flora & Fauna uitgevoerd, waarbij met name is gekeken naar (potentieel) aanwezige beschermde soorten. De quickscan heeft geleid tot onder meer de volgende constateringen en conclusies: ˗ Flora: binnen de planlocatie is geen beschermde flora, zoals beschermde muurplanten, aangetroffen. ˗ Vogels: mogelijk hebben gierzwaluwen een nestlocatie binnen de planlocatie. Er zijn geen jaarrond beschermde nesten aanwezig.
˗ Vleermuizen: de aanwezigheid van jaarrond beschermde verblijfplaatsen kon tijdens het veldbezoek niet worden uitgesloten. Er zullen door het transformatieplan geen essentiële foerageergebieden of vliegroutes verloren gaan. ˗ Grondgebonden zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen en ongewervelden: vaste verblijfplaatsen of exemplaren van Habitatrichtlijnsoorten of van niet-vrijgestelde nationaal beschermde soorten zijn niet aangetroffen. Kort samengevat komt uit de quickscan naar voren dat de aanwezigheid van een nestplaats van de gierzwaluw en een vaste rust- en/of voortplantingsplaats van een vleermuis in het gebouw niet met zekerheid kan worden uitgesloten. Nader onderzoek is dan ook nodig. De rapportage van de quickscan Flora & Fauna is als bijlage aan deze ruimtelijke onderbouwing toegevoegd. Soortenbescherming: (nader) natuurwaardenonderzoek Conform wettelijk onderzoeksprotocol heeft in de perioden juni-juli en augustus-september 2020 nader onderzoek plaatsgevonden naar de mogelijke aanwezigheid van (verblijfsplaatsen van) vleermuizen en/of gierzwaluwen. Uit dit (nader) natuurwaardenonderzoek is gebleken dat vleermuizen en gierzwaluwen geen vaste rust- of voortplantingsplaats bezetten in de te slopen bebouwing.
Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt geen vleermuis verstoord of gedood en wordt geen vaste rust- of voortplantingsplaats van een vleermuis of gierzwaluw verstoord, beschadigd of vernield. Om te komen tot uitvoering van het transformatieplan is een ontheffing op grond van de Wnb dan ook niet nodig. De rapportage van het (nader) natuurwaardenonderzoek, uitgevoerd door Natuurbank Overijssel, is als bijlage aan deze ruimtelijke onderbouwing toegevoegd. Conclusie Het aspect ‘Ecologie’ vormt geen belemmering voor het transformatieplan.
3.2.7
Water
Toetsingskader Het aspect Water betreft met name de waterhuishouding van een plangebied en zijn omgeving. Het gaat dan met name om de wijze waarop waterstromen in een gebied verlopen. Daarbij kan het gaan om de kringloop van het water in de natuur of om het afwateringssysteem, bestaande
35
uit sloten, kanalen, meren en dergelijke. Waterhuishouding omvat daarnaast ook de (technische) organisatie van het afvoeren van regen- en afvalwater alsmede de zuivering daarvan. Bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling is het van belang om aan te geven óf en in welke mate deze ontwikkeling gevolgen heeft voor de waterhuishouding in het gebied. Met name de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de aspecten van waterbeheersing, zijnde ‘vasthouden –> bergen –> afvoeren’ (in die volgorde), zijn van belang. Uitgangspunten in dit verband zijn: ˗ Zoveel mogelijk gebiedseigen water vasthouden en de inlaat van gebiedsvreemd water zoveel mogelijk beperken. ˗ Beperking van overlast door (grond)water of tekort aan water. Naast de waterkwantiteit heeft duurzaam omgaan met water ook betrekking op de kwaliteit van het water. Hierbij staat de trits ‘schoonhouden – scheiden – zuiveren’ centraal. Uitgangspunten in dit verband zijn: ˗ Vervuiling waar mogelijk bij de bron aanpakken; ˗ Voorkomen van verspreiding van verontreinigingen. Bij ruimtelijke (her)ontwikkelingen is het van belang om de waterhuishouding van het begin af aan mee te nemen in de planvorming. Om dat te waarborgen is de ‘Watertoets’ in het leven geroepen. Het doel van de watertoets is het bewerkstelligen van een goede en evenwichtige afstemming tussen waterbeheer (kwantiteit en kwaliteit) en ruimtelijke plannen.
De watertoets is vooral van toepassing bij bouwplannen, waarbij het verhard oppervlak toeneemt en een versnelde afvoer van (hemel)water het gevolg is. Door een toename aan verharding kan hemelwater niet langer infiltreren in de bodem, maar stroomt dit versneld af naar het oppervlaktewatersysteem. Door deze versnelde afvoer wordt het oppervlaktewatersysteem meer belast. Om deze belastingtoename te reduceren hebben veel waterschappen vastgelegd dat er in dergelijke situaties compenserende voorzieningen moeten worden aangebracht. Het Waterschap Hollandse Delta heeft in dit kader bepaald dat de versnelde afvoer als gevolg van de toename aan verharding binnen haar beheersgebied, waaronder Barendrecht, moet worden gecompenseerd door het aanbrengen van een gelijkwaardige vervangende voorziening. Het waterschap heeft in haar ‘Nota toetsingskaders en beleidsregels voor het watersysteem 2014’ echter opgenomen dat in sommige gevallen de eis tot volledige compensatie zwaar is ten opzichte van het te dienen waterstaatkundige doel. Om deze reden heeft het waterschap de verhardingstoename van maximaal 500 m2 in stedelijk gebied en 1.500 m2 in landelijk gebied, via een algemene regel, vrijgesteld van compensatieplicht. Indien er meer verharding toename plaatsvindt, moet volledig worden gecompenseerd.
Toetsing transformatieplan Middenbaan 64 Het kadastraal oppervlak van de planlocatie bedraagt 283 m2 en is daarmee op voorhand kleiner dan de drempelwaarde van 500 m2 bij de compensatieplicht vanuit het Waterschap. Het transformatieplan leidt daarmee niet tot de noodzaak van compensatie. Het voorgenomen gebouw wordt, net als het bestaande pand, aangesloten op de reeds aanwezige toe- en –afvoervoorzieningen met betrekking tot het (huishoudelijk) afvalwater. Conclusie Het aspect ‘Water’ vormt geen belemmering voor het transformatieplan.
3.2.8
Bodem
Toetsingskader Het bodembeleid in Nederland heeft als doel te voorkomen dat als gevolg van een aanwezige bodemverontreiniging onaanvaardbare risico’s ontstaan voor de gebruikers van deze bodem. De
36
Wet bodembescherming stelt dat de bodem geschikt dient te zijn voor de beoogde functie. De gewenste functie bepaalt daarbij als het ware de benodigde bodemkwaliteit. Toetsing transformatieplan Middenbaan 64 In april 2020 heeft Arnicon B.V. een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd binnen het perceel Middenbaan 64. Doel van dit onderzoek was om inzicht te verkrijgen of en in hoeverre het voormalige, dan wel het huidige gebruik van de locatie geleid kan hebben tot verontreiniging van de bodem. Het onderzoek is tevens uitgevoerd om een milieuhygiënische beoordeling te kunnen geven over het beoogde gebruik van deze locatie. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt geconcludeerd dat de eerder gedane hypothese ‘onverdacht’ voor bodemverontreiniging wordt bevestigd. De tijdens het onderzoek gemeten licht verhoogde gehalten aan zware metalen en PAK werden op basis van het vooronderzoek verwacht en geven geen aanleiding tot het verrichten van een nader onderzoek of het nemen van saneringsmaatregelen. Conclusie is dan ook dat de locatie geschikt wordt geacht voor de beoogde bestemming. De rapportage van het bodemonderzoek is als bijlage aan deze ruimtelijke onderbouwing toegevoegd. Conclusie Het aspect ‘Bodem’ vormt geen belemmering voor het transformatieplan.
3.2.9
Archeologie
Toetsingskader Op grond van het door Nederland ondertekende Verdrag van Valletta (1992) dient bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening te worden gehouden met mogelijk in de bodem aanwezige archeologische waarden. Het Verdrag is in 2008 geïmplementeerd in de Nederlandse wet- en regelgeving via de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz). Deze wet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem alsmede de inpassing ervan in ruimtelijke ontwikkelingen. De Wamz is erop gericht om bodemverstoringen pas te laten plaatsvinden nadat er archeologisch vooronderzoek heeft plaatsgevonden, er is vastgesteld of het om belangrijke archeologische sporen gaat en vervolgens is vastgesteld hoe met die archeologische informatie het beste kan worden omgegaan. Het Verdrag van Valletta geeft aan dat het belangrijk is dat in de ruimtelijke ordening rekening wordt gehouden met het belang van de archeologie. In de Wamz is daarom vastgelegd dat gemeenten bij de vaststelling van nieuwe bestemmingsplannen, of bij vrijstellingen op bestaande plannen, aan moeten geven welke archeologische waarden er in de bodem zitten en hoe de gemeente daarmee denkt om te gaan. Toetsing transformatieplan Middenbaan 64 Aan de planlocatie is in het vigerende bestemmingsplan de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 1’ toegekend.
Dit betekent dat dit perceel mede bestemd is voor het behoud van de aan de grond eigen zijnde archeologische waarden. Binnen deze dubbelbestemming is het niet toegestaan om zonder Omgevingsvergunning binnen het perceel werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren, die dieper reiken dan 0,5 m beneden maaiveld en die tevens een terreinoppervlakte groter dan 100 m2 beslaan. Het bouwplan voor het nieuwe gebouw voorziet niet in grondwerkzaamheden, die over een oppervlak van meer dan 100 m2 dieper zijn dan 0,5 m. Conclusie Het aspect ‘Archeologie’ vormt geen belemmering voor het transformatieplan.
37
3.2.10 Milieueffectrapportage Toetsingskader In de Wet milieubeheer en het hieraan verbonden Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is vastgelegd dat voorafgaande aan een ruimtelijke plan, dat voorziet in een (grootschalige) ontwikkeling met (belangrijke) nadelige milieugevolgen, een milieueffectrapprt (MER) moet worden opgesteld. De activiteiten waarvoor een MER moet worden opgesteld zijn opgenomen in de bijlage van het Besluit m.e.r.. Conform het Besluit m.e.r. kan een plan/project m.e.r.(beoordelings)plichtig kan zijn op (met name) de volgende manieren: ˗ Een plan/project is m.e.r.-plichtig als er sprake is van activiteiten en gevallen die de drempelwaarden uit de onderdelen C en D overschrijden en waarbij het plan wordt genoemd in kolom 3 van deze onderdelen. ˗ Een plan kan m.e.r.-(beoordelings)plichtig zijn indien het plan wordt genoemd in kolom 4 (besluiten) en er sprake is van activiteiten en gevallen die de drempelwaarden uit onderdeel C en D overschrijden. Bij een overschrijding van de drempelwaarden uit onderdeel C is in dit geval sprake van een m.e.r.-plicht. Bij een overschrijding van de drempelwaarden uit onderdeel D is het plan m.e.r.-beoordelingsplichtig. Ten aanzien van stedelijke ontwikkelingen is in het Besluit m.e.r.
een koppeling gelegd met de omschrijving onder D-11.2, kolom 1: ‘De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’. Als de ontwikkeling ook voldoet aan kolom 2 (drempelwaarde), dan is er sprake van een m.e.r.-plicht. Dit is het geval als de activiteit betrekking heeft op: ˗ Oppervlakte van 100 hectare of meer, ˗ Aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of ˗ Bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Blijft de ontwikkeling onder de drempel, dan is sprake van een vormvrije m.e.r.-beoordeling5. De vormvrije en tevens informele m.e.r.-beoordeling wordt uitgevoerd middels een zogenoemde ‘Aanmeldingsnotitie’, waarin aandacht moet worden besteed aan twee onderdelen: ˗ Een beschrijving van de voorgenomen activiteit c.q. ontwikkeling, met name een beschrijving van de fysieke kenmerken van de activiteit en een beschrijving van de locatie hiervan, met bijzondere aandacht voor de kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop de activiteit van invloed kan zijn. ˗ Een beschrijving van de waarschijnlijk belangrijkste gevolgen die de activiteit voor het milieu kan hebben, voor zover er informatie over deze gevolgen beschikbaar is.
Toetsing transformatieplan Middenbaan 64 Het transformatieplan kan worden gezien als een activiteit waarvoor een vormvrije m.e.r.beoordeling dient te worden uitgevoerd. De hierbij van toepassing zijnde aspecten komen inhoudelijk aan bod in voorliggende rapportage. Conclusie Voorliggende ruimtelijke onderbouwing geeft inhoudelijk invulling aan de aspecten, van belang bij een vormvrije m.e.r.-beoordeling van het transformatieplan voor locatie Middenbaan 64. Deze ruimtelijke onderbouwing zal tevens worden gekoppeld aan een aanmeldingsnotitie.
5
De vormvrije m.e.r.-beoordeling is het gevolg van de uitspraak van het Europese hof over de manier waarop de EU-richtlijn in de Nederlandse regelgeving was geïmplementeerd. De essentie van die uitspraak is dat m.e.r. altijd noodzakelijk is als belangrijke nadelige milieugevolgen niet kunnen worden uitgesloten.
38
3.3
Conclusie
Ten behoeve van de omgevingsvergunning ‘Handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening’ is in deze ruimtelijke onderbouwing het transformatieplan voor de locatie Middenbaan 64 in Barendrecht getoetst aan de beginselen van een goede ruimtelijke ordening. Uit deze onderbouwing kan het volgende worden geconcludeerd: ˗
Het transformatieplan geeft op passende wijze invulling aan ruimtelijke, functionele en maatschappelijke ambities en doelstellingen, zoals deze door het Rijk, de provincie ZuidHolland en de gemeente Barendrecht zijn geformuleerd.
˗
Het transformatieplan anticipeert op een bestuurlijk breed gewenste versterking van de vitaliteit van stads- en dorpskernen.
˗
Het transformatieplan komt tegemoet aan een structurele vraag naar starterswoningen vanuit een structureel aanwezige doelgroep. Mede gezien de binnenstedelijke locatie past het transformatieplan binnen het gedachtegoed van duurzame stedelijke ontwikkeling en de hierop afgestemde ‘Ladder’.
˗
Het transformatieplan leidt niet tot een negatieve beïnvloeding van de ruimtelijke omgeving c.q. het omringende milieu.
˗
De ruimtelijke omgeving c.q. het omringende milieu vormt geen belemmering voor de uitvoering van het transformatieplan.
Resumerend kan worden gesteld dat het transformatieplan voldoet aan de beginselen van een goede ruimtelijke ordening en is daarmee planologisch inpasbaar.
39
4
4.1
ECONOMISCHE EN MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID
Economische uitvoerbaarheid
Het transformatieplan wordt gerealiseerd vanuit een particuliere exploitatie. Private partijen zijn verantwoordelijk voor de uitvoering en dragen in beginsel het risico van planontwikkeling. Eventuele planschade wordt middels een privaatrechtelijke overeenkomst verhaald op de initiatiefnemer.
4.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
De Wabo-procedure kent de mogelijkheid voor een ieder om te reageren op een verleende (ontwerp)vergunning. Zo kan men een zienswijze indienen op de ontwerp Omgevingsvergunning, waarna de mogelijkheid tot beroep en hoger beroep openstaat op de vastgestelde Omgevingsvergunning. Zonder ingesteld beroep geldt de vastgestelde Omgevingsvergunning na afloop van de tervisielegging als onherroepelijk. De ontwerp Omgevingsvergunning lag van 15 januari tot en met 25 februari 2021 ter inzage. Er zijn twee zienswijzen ontvangen. De ontvangen zienswijzen zijn weerlegd en ongegrond verklaard.
40