Re-integratieverordening Participatiewet Barendrecht 2026
Tekst van het document
Re-integrateverordening Partcipatewet Barendrecht De raad van de gemeente Barendrecht; gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 11 november 2025, nr. 2025-080491; gelet op de artielen 7a, 8a, eerste lid aanhef en onder a, c, d en e, en tweede lid en 10b, vijfde lid en zevende lid, van de Partcipatewet; rtiel l IO W; rtiel l IO Z; B E S L U I T: vast te stellen de Re-integrateverordening Partcipatewet Barendrecht.
Hoofdstui 1 lgemene bepalingen rtiel 1 Defnites 1. In deze verordening wordt verstaan onder: a. doelgroep: personen als bedoeld in artiel 7, eerste lid, onder a van de wet; b. doorstroompunt: gemeenteliji loiet, dat de wetelijie opdracht uitvoert personen tussen de 18 en 27 jaar die voortjdig de school verlaten in beeld te brengen en, indien nodig, begeleiding te bieden met het doel het behalen van een startiwalifcate en het vooriomen van maatschappelijie uitval door een passende opleiding of baan te vinden voor de jongere; c. grote afstand tot de arbeidsmarit: deelname aan de arbeidsmarit is redelijierwijs niet mogeliji binnen één jaar; d. jobcoaching: door een eriende desiundige geboden methodische ondersteuning aan personen met een arbeidsbeperiing en aan werigevers, gericht op het vinden en behouden van weri voor betroiiene; e. iorte afstand tot de arbeidsmarit: deelname aan de arbeidsmarit is redelijierwijs mogeliji binnen één jaar; f. organisate: Een samenweriingsverband met een bepaald doel, met óf zonder winstoogmeri; g. overige voorzieningen: voorzieningen als bedoeld in artiel 8a, tweede lid, onder f, van de wet; h. persoonlijie ondersteuning bij weri: ondersteuning als bedoeld in artiel 10, eerste en derde lid, van de wet en begeleiding op de weriplei als bedoeld in artiel 10a van de wet; i.
plan van aanpai: een plan waarin staat welie steun en hulp de persoon irijgt en van wie. In het plan staat ooi wat de persoon moet doen om weer aan het weri te iomen en wat het gevolg is als de persoon zich niet houdt aan die afspraien. Een plan van aanpai is weteliji verplicht voor jongeren tot 27 jaar, op grond van artiel 44a van de wet; j. praitjiroute: het proces om de persoon, behorend tot de doelgroep, toegang tot het doelgroepenregister te laten veririjgen op basis van loonwaardevaststelling op de weriplei; i. voorziening: door het college noodzaieliji geachte voorziening, gericht op arbeidsinschaieling waaronder mede wordt begrepen persoonlijie ondersteuning bij het verrichten van opgedragen taien; l. werigever: degene die op basis van een arbeidsovereeniomst de bevoegdheid heef om de arbeid van een werinemer gedurende een overeengeiomen periode aan te wenden in zijn organisate; m. werinemer: persoon die op basis van een arbeidsovereeniomst arbeid verricht bij de werigever, daaronder begrepen een persoon als bedoeld in artiel 10d eerste of tweede lid van de wet met wie de werigever een dienstbetreiiing is aangegaan, dan wel dit van plan is; n. wet: Partcipatewet
P GIN
1 V N 11
2.
lle begrippen die in deze verordening worden gebruiit en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde beteienis als in de wet, het uitvoeringsbesluit en de lgemene wet bestuursrecht ( wb).
Hoofdstui 2 Beleid rtiel 2 Evenwichtge verdeling 1. Het college ian de voorziening, bedoeld in artiel van deze verordening, aanbieden aan personen die behoren tot de doelgroep met een iorte afstand tot de arbeidsmarit. 2. Het college ian de voorzieningen, bedoeld in de artielen 4 en 5 van deze verordening aanbieden aan personen die behoren tot de doelgroep met een grote afstand tot de arbeidsmarit. l. Het college houdt bij het aanbieden van de in deze verordening opgenomen voorzieningen reiening met de omstandigheden en functonele beperiingen van een persoon. De omstandigheden hebben in ieder geval betreiiing op zorgtaien van die persoon en de mogelijiheid dat hij behoort tot de doelgroep looniostensubsidie of gebruii maait van de voorziening beschut weri. Onder zorgtaien wordt in ieder geval verstaan: a. de opvang van ten laste iomende iinderen tot vijf jaar; en b. de noodzaielijiheid van het verrichten van mantelzorg.
Hoofdstui l Voorzieningen rtiel l. lgemene bepalingen over voorzieningen 1. Het college ian een voorziening weigeren als: a. de persoon ten behoeve van wie de voorziening zou worden verstreit niet behoort tot de doelgroep; b. de persoon onvoldoende medeweriing verleent aan het onderzoei dat nodig is voor het beoordelen van het recht op de voorziening; c. de persoon een beroep ian doen op een voorziening op basis van een andere wetelijie regeling, waardoor er spraie is van een voorliggende voorziening; d. de voorziening naar het oordeel van het college onvoldoende bijdraagt aan de arbeidsinschaieling; of e. er niet wordt voldaan aan de voorwaarden die in deze verordening worden gesteld om in aanmeriing te iomen voor die voorziening. 2. Het college ian een voorziening beëindigen als: a. de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn verplichtng als bedoeld in de artielen 9 en 17 van de wet, de artielen 1l en l7 van de Wet iniomensvoorziening oudere en gedeelteliji arbeidsongeschiite weriloze werinemers of de artielen 1l en l7 van de Wet iniomensvoorziening oudere en gedeelteliji arbeidsongeschiite gewezen zelfstandigen niet naiomt; b. de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer behoort tot de doelgroep; c.
de persoon die aan de voorziening deelneemt algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt waarbij geen gebruii wordt gemaait van een in deze verordening genoemde voorziening, tenzij het betref een persoon als bedoeld in artiel 7, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, van de wet; d. de voorziening naar het oordeel van het college niet langer voldoende bijdraagt aan een snelle arbeidsinschaieling; e. de voorziening naar het oordeel van het college niet meer geschiit is voor de persoon die gebruii maait van de voorziening; f. de persoon die aan de voorziening deelneemt niet naar behoren gebruii maait van de aangeboden voorziening;
P GIN
2 V N 11
g. de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer voldoet aan de voorwaarden die in deze verordening worden gesteld om in aanmeriing te iomen voor die voorziening. l. Het college biedt de goedioopst adequate voorziening aan, houdt bij het voorzieningenaanbod reiening met andere voorzieningen die in het iader van het sociaal domein beschiibaar zijn en stemt het aanbod, als dat nodig is, intern af zodat het optmaal bijdraagt aan een integrale ondersteuning van de persoon. Het college houdt bij de afstemming van het aanbod ooi reiening met voorzieningen op grond van andere wetelijie regelingen en stemt dit af in het plan van aanpai, bedoeld in artiel 44a van de wet. rtiel 4. Weriervaringsplei (WEP) 1. Het college ian een persoon een weriervaringsplei gericht op arbeidsinschaieling aanbieden als deze: a. behoort tot de doelgroep; en b. nog niet actef is geweest op de arbeidsmarit of een afstand tot de arbeidsmarit heef door langdurige weriloosheid; c. onvoldoende werinemersvaardigheden heef; of d. om arbeidsritme te behouden. 2. Het doel van een weriervaringsplei is het opdoen van relevante weriervaring, het ontwiiielen van vaardigheden om te functoneren binnen een arbeidsrelate, of het onderhouden en versterien van arbeidsritme. l.
Het college plaatst de persoon uitsluitend als hierdoor de concurrenteverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing op de arbeidsmarit plaatsvindt. 4. In een schrifelijie overeeniomst wordt in ieder geval vastgelegd: a. het doel van de weriervaringsplei; en b. de wijze waarop de begeleiding plaatsvindt. rtiel 5. Sociale actvering 1. Het college ian een persoon die behoort tot de doelgroep actviteiten aanbieden in het iader van sociale actvering voor zover de mogelijiheid bestaat dat hij op enig moment algemeen geaccepteerde arbeid ian veririjgen waarbij geen gebruii wordt gemaait van een voorziening. 2. Het college stemt de duur van de in het eerste lid bedoelde actviteiten af op de mogelijiheden en capaciteiten van die persoon. l. Het college biedt de actviteiten uitsluitend aan als hierdoor de concurrenteverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing op de arbeidsmarit plaatsvindt. rtiel . Detacheringsbaan 1. Het college ian door detachering zorgen voor toeleiding van een persoon die behoort tot de doelgroep naar een dienstverband met een werigever, gericht op arbeidsinschaieling. Deze persoon wordt dan werinemer. 2. De werinemer wordt voor het verrichten van arbeid via een weriplaatsbiedende organisate gedetacheerd bij een inlenende organisate.
De detachering wordt vastgelegd in een schrifelijie overeeniomst tussen zowel de werigever en inlenende organisate als tussen de werinemer en inlenende organisate. l. Een werinemer wordt uitsluitend geplaatst als hierdoor de concurrenteverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing op de arbeidsmarit plaatsvindt.
P GIN
l V N 11
rtiel 7. Proefplaats 1. Het college ian, als dit door hem noodzaieliji wordt geacht, een persoon als bedoeld in artiel 7, eerste lid, onder a, van de wet die algemene bijstand ontvangt, toestemming verlenen om op een proefplaats bij een werigever voor de duur van twee maanden, met de mogelijiheid tot verlenging met maximaal vier maanden, onbeloonde werizaamheden te verrichten met behoud van uitiering. 2. Het doel van een proefplaatsing is het vergroten van de ians op betaalde arbeid van een persoon bij een werigever, waarbij de proefplaats voor een zo beperit mogelijie duur wordt ingezet. l. l.Voor een proefplaats wordt uitsluitend toestemming verleend als: a. de persoon, gelet op zijn vaardigheden en capaciteiten, tot de werizaamheden in staat is; b. het college verwacht dat de plaatsing bijdraagt aan het vergroten van de ians op arbeidsinschaieling; c. als hierdoor de concurrenteverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en geen verdringing op de arbeidsmarit plaatsvindt; d. de werizaamheden van de persoon niet al eerder onbeloond door hem bij die werigever, of diens rechtsvoorganger, zijn verricht; en e. de werigever bij aanvang van de proefplaats schrifeliji de intente heef uitgesproien dat hij de persoon, bij gebleien geschiitheid, direct aansluitend aan zijn proefplaatsing, voor minimaal zes maanden, zonder proefijd, in dienst zal nemen. 4.
Het college weigert de toestemming, bedoeld in het eerste lid, als redelijierwijs ian worden aangenomen dat de persoon: a. ooi zonder proefplaatsing ian worden aangenomen voor dat weri; of b. als direct na de proefplaatsing spraie is van een dienstverband met forfaitaire looniostensubsidie als bedoeld in artiel 10d, vijfde lid, van de wet. 5. ls de werizaamheden op de proefplaats wegens zieite worden onderbroien, dan wordt deze periode voor de toepassing van de maximale periode, bedoeld in het eerste lid, buiten beschouwing gelaten. . Het college ian een persoon op een proefplaats persoonlijie ondersteuning bij weri en overige voorzieningen toeiennen overeeniomstg de bepalingen van Hoofdstui 4. rtiel 8. Scholing 1. Het college ian een persoon die behoort tot de doelgroep een scholingstraject aanbieden. 2. Een scholingstraject ian uitsluitend worden aangeboden indien aan één van de volgende toepassingscriteria wordt voldaan: a. Indien een persoon met een Partcipatewet-, IO W-, IO Z- of nw- uitiering, een niet-uitieringsgerechtgde dan wel een persoon zoals bedoeld in artiel 10 lid 2 wet niet beschiit over een startiwalifcate, of als de startiwalifcate onvoldoende aansluit bij de arbeidsmarit, ian een scholingstraject aangeboden worden die tot die iwalifcate leidt, en b.
Indien scholing wordt aangevraagd door een niet startgeiwalifceerde belanghebbende die de leefijd van 27 jaar nog niet heef bereiit. l. Het eerste lid is niet van toepassing op personen als bedoeld in artiel 7, derde lid, onderdeel a, van de wet.
P GIN
4 V N 11
rtiel 9. Partcipatevoorziening beschut weri 1. Het college verstreit om de in artiel 10b, eerste lid, van de wet bedoelde werizaamheden mogeliji te maien de volgende voorzieningen: a. fysieie aanpassingen van de weriplei of de weriomgeving; b. uitsplitsing van taien; of c. aanpassingen in de wijze van weribegeleiding, weritempo of arbeidsduur. 2. Het college ian aan personen van wie is vastgesteld dat zij uitsluitend in een beschute omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijiheden tot arbeidspartcipate hebben, tot het moment van aanvang van de dienstbetreiiing, bedoeld in artiel 10b, eerste lid, van de wet, daarnaast de volgende voorzieningen aanbieden: a. arbeidsmatge dagbesteding als bedoeld in artiel WMO; b. sociale actvering zoals bedoeld in artiel 5; c. scholing zoals bedoeld in artiel 8; d. persoonlijie ondersteuning zoals bedoeld in artiel 11; of e. schuldhulpverlening als bedoeld in de Wet gemeentelijie schuldhulpverlening. l. Het maximaal aantal dienstbetreiiingen beschut weri dat de gemeente eli jaar beschiibaar stelt, is geliji aan het aantal dat het riji eli jaar bij ministeriële regeling voor de gemeente vaststelt. rtiel 10. Ondersteuning personen jonger dan 27 jaar 1. De ondersteuning aan personen jonger dan 27 jaar in de gevallen, bedoeld in artiel 7a, eerste lid, onderdelen a, b en c, van de wet is gebaseerd op de behoefe en mogelijiheden van de persoon.
2. Ondersteuning ian gericht zijn op stabilisering van de persoonlijie omstandigheden, bemiddeling naar weri of bemiddeling naar onderwijs. l. Ondersteuning ian onder meer bestaan uit: a. begeleiding; b. trajecten gericht op het inzichteliji maien van eigen competentes, interesses en belemmeringen; c. leer-weritrajecten; d. trainingen; e. het behalen van een praitjiverilaring; f. verwijzen naar het doorstroompunt. 4. Ten aanzien van personen jonger dan 27 jaar met een arbeidsbeperiing ian ondersteuning, bedoeld in de artielen 12, 1 , 17, 18, 19, 20, 21, 22 en 2l, worden ingezet. 5. Op verzoei van een school voor praitjionderwijs, voortgezet speciaal onderwijs of middelbaar beroepsonderwijs ian het college bij een persoon onder de 27 jaar: a. de school helpen bij de ondersteuning van de betrefende persoon tjdens de opleiding of tot twee jaar na diplomering; b. de ondersteuning overnemen als bedoeld in artiel 9.2.1l., tweede en derde lid van de Wet educate en beroepsonderwijs. rtiel 11. Persoonlijie ondersteuning bij weri 1. Het college ian persoonlijie ondersteuning bij weri aanbieden aan personen behorend tot de doelgroep. 2. Persoonlijie ondersteuning bij weri als bedoeld in het eerste lid wordt, onverminderd het bepaalde in artiel l, verstreit overeeniomstg de bepalingen van Hoofdstui 4.
P GIN
5 V N 11
Hoofdstui 4 Voorzieningen P R GR F 4.1 DMINISTR TIEF PROCES LOONKOSTENSUBSIDIE rtiel 12. Specifei aanvraagproces looniostensubsidie 1. Het college verstreit overeeniomstg artiel 10d van de wet, ambtshalve of op aanvraag, looniostensubsidie aan de werigever die voornemens is een dienstbetreiiing aan te gaan met een persoon die behoort tot de doelgroep looniostensubsidie. In geval van een aanvraag zijn het tweede tot en met het vijfde lid van dit artiel van toepassing. 2. Het college bevestgt de ontvangst van de aanvraag schrifeliji aan de werigever, of als de aanvraag wordt gedaan door de persoon, aan de werigever en de persoon. l. Een aanvraag voor looniostensubsidie wordt, als het een persoon betref die nog niet behoort tot de doelgroep looniostensubsidie, ooi beschouwd als een aanvraag om vast te stellen of de persoon behoort tot de doelgroep looniostensubsidie, bedoeld in artiel 10c, eerste lid, onder a, van de wet. 4. ls de aanvraag is gedaan na het begin van de dienstbetreiiing voor een persoon als bedoeld in artiel 10d, tweede lid, van de wet, wordt de vaststelling of de persoon behoort tot de doelgroep looniostensubsidie bepaald door middel van de Praitjiroute. 5. Het college stelt binnen 8 weien na ontvangst van de aanvraag de loonwaarde vast, tenzij in overleg met de werigever toepassing wordt gegeven aan artiel 10d, vijfde lid, van de wet. .
Het college neemt bij het verstreiien van de looniostensubsidie het preferente proces looniostensubsidie in acht. 7. Looniostensubsidie ian alleen worden vastgesteld bij vaste uren en niet bij uitzendovereeniomst of nul uren contract. 8. De looniostensubsidie wordt uitsluitend verstreit als hierdoor de concurrenteverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en geen verdringing op de arbeidsmarit plaatsvindt. 9. De looniostensubsidie wordt niet verstreit als de werigever op grond van een andere regeling aanspraai maait op fnanciële tegemoetiomingen in verband met de indienstreding van de werinemer of als redelijierwijs ian worden aangenomen dat de persoon ooi zonder looniostensubsidie ian worden aangenomen voor dat weri. P R GR F 4.2 DMINISTR TIEF PROCES LOONKOSTENSUBSIDIE rtiel 1l. Voorwaarden toeienning persoonlijie ondersteuning bij weri en overige voorzieningen 1. Het college ian persoonlijie ondersteuning bij weri en overige voorzieningen verstreiien ten behoeve van een persoon met een arbeidsbeperiing. 2. Bij de toeienning van persoonlijie ondersteuning bij weri en overige voorzieningen gelden, onverminderd het bepaalde in artiel l, de volgende voorwaarden: a. de persoon behoort tot de doelgroep en is minimaal 18 jaar oud, tenzij hij VSO/PRO onderwijs heef genoten; b. de persoon ian zonder deze vorm van ondersteuning niet aan het arbeidsproces deelnemen; c.
de werigever biedt een dienstbetreiiing aan van minimaal maanden, met een minimale arbeidsduur van 12 uur per weei; d. het betref geen rbo-taai waarvoor de werigever verantwoordeliji is; e. het betref geen meeneembare voorziening die tot de standaarduitrustng van de werigever behoort of algemeen gebruiieliji is in een organisate; f. er is naar het oordeel van het college geen spraie van een weripleiaanpassing die in zijn algemeenheid van de werigever ian worden verlangd; en
P GIN
V N 11
g. de iosten van de voorziening(en) zijn naar het oordeel van het college proportoneel, dat wil zeggen dat de investering in de voorziening moet opwegen tegen de maatschappelijie opbrengsten van uitstroom naar weri. rtiel 14. anvraagprocedure persoonlijie ondersteuning bij werien en overige voorzieningen 1. Een aanvraag om persoonlijie ondersteuning bij weri en overige voorzieningen ian bij het college worden ingediend door de persoon of zijn werigever. 2. Het college bevestgt de ontvangst van de aanvraag. l. Het college onderzoeit, zo spoedig mogeliji, maar uiterliji binnen 8 weien na de aanvraag, de mogelijiheden en ondersteuningsbehoefe van de persoon. 4. Het college ian een desiundig oordeel en advies inwinnen, als de beoordeling van een aanvraag dit vereist. 5. Het college bepaalt na overleg met de persoon, en indien van toepassing met de werigever, welie ondersteuning of voorziening(en) het beste iunnen bijdragen aan de arbeidsinschaieling. .
Het college onderzoeit, voor zover nodig en gelet op de omstandigheden van de persoon, in daartoe vooriomende gevallen de mogelijiheden om door samenweriing met andere partjen, onder meer op het gebied van (publieie) gezondheid, jeugdhulp, maatschappelijie ondersteuning, onderwijs, schuldhulpverlening, welzijn en wonen, te iomen tot een zo goed mogeliji afgestemde integrale dienstverlening met het oog op de arbeidsinschaieling, bedoeld in artiel 8a, tweede lid, onder g, onderdeel 1, of de wijze van voortgezete persoonlijie ondersteuning, bedoeld in artiel 8a, tweede lid, onder g, onderdeel 2, van de wet. rtiel 15. Inhoud beschiiiing persoonlijie ondersteuning bij werien overige voorzieningen 1. Het college geef in een beschiiiing tot toeienning van persoonlijie ondersteuning of een overige voorziening in ieder geval aan: a. welie persoonlijie ondersteuning of overige voorziening wordt verstreit; b. als subsidie wordt verstreit, wat de omvang is van het subsidiebedrag; c. de duur en intensiteit van de ondersteuning; d. de ingangsdatum van de ondersteuning of overige voorziening; e. als de verstreiiing afwijit van wat is aangevraagd, wat de reden is van afwijiing; en f.voor zover van toepassing, welie andere ondersteuning of voorziening relevant is, of ian zijn, waaronder de wijze waarop de persoon integraal ian worden ondersteund. 2.
Het college geef in een beschiiiing tot afwijzing van persoonlijie ondersteuning of een overige voorziening op grond van het feit dat er een voorliggende voorziening bestaat, in ieder geval aan welie voorziening dit betref.
P R GR F 4.l SPECIFIEKE BEP LINGEN PERSOONLIJKE ONDERSTEUNING BIJ WERK rtiel 1 . Persoonlijie ondersteuning bij weri 1. Het college ian persoonlijie ondersteuning bij weri in de vorm van jobcoaching in natura verstreiien door middel van een jobcoach die werizaam is in een dienstverband bij of in opdracht van een derde, waarbij de gemeente de uitvoering van de jobcoaching heef ingeiocht. 2. Het college ian persoonlijie ondersteuning bij weri in de vorm van een subsidie toeiennen aan de werigever voor: a. jobcoaching door een interne of externe jobcoach; of b. interne weribegeleiding door een interne weribegeleider.
P GIN
7 V N 11
l. De in het eerste of tweede lid genoemde ondersteuning ian ooi worden aangeboden met het oog op het verrichten van werizaamheden, anders dan in dienstverband, zoals bij een proefplaats.
rtiel 17. Specifeie voorwaarden toeienning persoonlijie ondersteuning bij weri 1. De aanvraag voor persoonlijie ondersteuning bij weri moet binnen 8 weien na de ingangsdatum van de dienstbetreiiing zijn ontvangen, tenzij voorafgaand aan of op het moment van aanvang van het dienstverband de noodzaai voor die ondersteuning redelijierwijs nog niet beiend ion zijn. 2. Het college besluit op basis van individueel maatweri, waarbij de aard, omvang, duur en intensiteit van de persoonlijie ondersteuning wordt gewogen. rtiel 18. Jobcoaching 1. Het college ian een persoon als bedoeld in artiel 10, eerste en tweede lid, van de wet, ambtshalve dan wel op aanvraag, persoonlijie ondersteuning bieden als bedoeld in artiel 10, derde lid, aanhef en onderdeel a, van de wet, indien die persoon zonder ondersteuning niet in staat zou zijn de hem opgedragen taien te verrichten en deze persoon een arbeidsovereeniomst irijgt, dan wel heef, van ten minste drie maanden voor minimaal 8 uur per weei. 2. Het college ian een jobcoach ter ondersteuning bieden: a. een gecontracteerde jobcoachorganisate via de gemeente; of b. via een subsidie aan de werigever voor de uren ondersteuning door een bij hem in dienst zijnde jobcoach. l. Het college stelt de volgende iwaliteitseisen aan een jobcoach: a.
een met succes afgeronde hbo-opleiding of hbo weri- en deniniveau en een afgeronde opleidingsmodule voor jobcoach; of b. een met succes afgeronde hbo-opleiding of een hbo weri- en deniniveau en een in de praitji binnen een organisate gevolgde opleiding tot jobcoach. 4. De in te zeten jobcoaching wordt bepaald op basis van een regiem waarbij de jobcoaching ian worden verleend voor een aantal uren jobcoaching per halfaar en wel voor het eerste halfaar maximaal 2 uren, voor het tweede halfaar maximaal 2 uren. 5. Het college ian van de in het vierde lid bedoelde maximale uren afwijien voor zover toepassing daarvan, gelet op het belang dat beoogt te worden beschermd, leidt tot onbillijiheid van overwegende aard. . ls de gemeente een of meer jobcoaches gecontracteerd heef, biedt het college deze bij voorrang aan. rtiel 19. Interne weribegeleiding 1. ls een persoon uit de doelgroep voor het iunnen verrichten van weri is aangewezen op begeleiding die de gebruiielijie begeleiding door de werigever en andere werinemers aanzienliji te boven gaat, ian het college een subsidie verlenen aan de werigever voor de aangetoonde meeriosten die verbonden zijn aan het organiseren van de interne weribegeleiding. Dit altjd ter beoordeling van het college. 2.
Het college ian aan de werigever ambtshalve of op aanvraag een training aanbieden voor een of meer medeweriers om hen in staat te stellen aan personen behorend tot de doelgroep interne weribegeleiding te bieden.
P GIN
8 V N 11
P R GR F 4.4 SPECIFIEKE BEP LINGEN OVERIGE VOORZIENINGEN rtiel 20. Specifeie voorwaarden toeienning vervoersvoorziening 1. Het college ian een vervoersvoorziening toeiennen aan een persoon die door zijn beperiing niet zelfstandig naar zijn weriplei, proefplaats of opleidingslocate ian reizen. Deze vervoersvoorziening ian zowel in natura als in de vorm van een vergoeding in geld worden verstreit. 2. Het college biedt een vervoersvoorziening aan als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a. de persoon ian door zijn beperiing niet zelfstandig reizen of gebruii maien van het openbaar vervoer; en b. het vervoer is beperit tot woon-weriverieer. l. De hoogte van de vergoeding in geld hangt af van het aantal dagen dat moet worden gewerit en bedraagt het in de marit reguliere tarief voor een taxi of een andere vorm van vervoer. 4. Het college brengt een eventueel bedrag voor een vervoersvoorziening van de werigever aan de werinemer in mindering op de te verstreiien vervoersvoorziening. rtiel 21. Specifeie voorwaarden noodzaielijie intermediaire actviteit bij visuele of motorische handicap Het college ian een voorziening in de vorm van een intermediaire actviteit toeiennen die gericht is op de vervanging of ondersteuning van een door zieite of gebrei geheel of gedeelteliji ontbreiende visuele of motorische lichaamsfuncte. rtiel 22. Specifeie voorwaarden meeneembare voorzieningen 1.
Het college ian een meeneembare voorziening toeiennen, als dit nodig is voor de persoon om te iunnen werien. 2. Er is geen limitateve lijst van voorzieningen. In principe ian eli product als een meeneembare voorziening worden beschouwd als de noodzaai en meerwaarde in de werisfeer aantoonbaar is. l. De meeneembare voorziening wordt in principe in bruiileen beschiibaar gesteld. In bijzondere gevallen ian het college besluiten de voorziening in eigendom te verstreiien. rtiel 2l. Specifeie voorwaarden weripleiaanpassingen Het college ian een aanpassing van de weriplei toeiennen aan een persoon, als dit noodzaieliji is om zijn weri uit te voeren. In beginsel ian daarbij eli product als een weripleiaanpassing worden beschouwd als de noodzaai en meerwaarde in de werisfeer aantoonbaar zijn. rtiel 24. Uitstroompremie 1. Het college ian, na afoop van de proefperiode, ambtshalve eenmalig een uitstroompremie van €500- toeiennen aan een langdurig weriloze die duurzaam uitstroomt naar algemeen geaccepteerde arbeid met een arbeidscontract van minimaal maanden en daardoor niet langer recht heef op een uitiering van het college. 2. Onder een langdurig weriloze wordt verstaan: een persoon die gedurende een aaneengesloten periode van twaalf maanden of langer op een uitiering van het college aangewezen is geweest. l.
Onder duurzame uitstroom wordt verstaan: een periode van uitieringsonafanielijiheid van tenminste 12 maanden. 4. De uitstroompremie ian, vanaf datum uitstroom en indien de persoon langdurig weriloos is geweest, slechts eenmaal per 5 jaar aan dezelfde persoon worden toegeiend.
P GIN
9 V N 11
rtiel 25. Bijdrage duurzame plaatsing 5. Het college ian een bijdrage duurzame plaatsing geven aan werigevers die een arbeidsovereeniomst sluiten met een persoon uit de doelgroep die een uitiering ontvangt. Dit geldt ooi voor rechthebbende op een uitiering IO W en IO Z. . De bijdrage duurzame plaatsing wordt eenmalig per betroiiene voor één arbeidsovereeniomst bij één werigever verleend. 7. Het college geef alleen een bijdrage wanneer hierdoor de concurrenteverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en dit niet leidt tot verdringing op de arbeidsmarit. 8. Het college geef geen bijdrage als de werigever volgens andere regels recht heef op fnanciële steun die te maien heef met de indienstreding van de werinemer. 9. Het college ian nadere regels vaststellen voor de bijdrage duurzame plaatsing. 10. De raad ian voor de verschillende soorten subsidies een budgetplafond vaststellen in de begrotng, als dat nodig is om de fnanciële risicoss voor de gemeente te beperien. Een budgetplafond is het maximale bedrag dat het college aan een bepaalde soort subsidie per ialenderjaar ian uitgeven. ls dit budgetplafond bereiit is, verstreit het college geen subsidie meer, tenzij de wet anders is bepaald. rtiel 2 . Niet uitieringsgerechtgden 1. Het college ian ondersteuning bieden aan een niet-uitieringsgerechtgde als de persoon daar zelf een aanvraag voor indient.
Deze ondersteuning ian maximaal voor de duur van l maanden met de mogelijiheid van eenmalige verlening van nogmaals l maanden. 2. Bij de re-integrate van niet-uitieringsgerechtgden gelden de volgende eisen: a. de aanvrager dient zich voor minimaal twaalf uur per weei beschiibaar te stellen voor algemeen geaccepteerde arbeid; b. de noodzaai voor ondersteuning dient aanwezig te zijn en wordt door het college vastgesteld; c. de ondersteuning dient te allen tjde gericht te zijn op het veririjgen van betaalde arbeid; d. de aanvrager is verplicht ingeschreven te staan als werizoeiende bij het UWV. l. De algemene bepalingen uit artiel l van deze verordening zijn ooi op deze groep van toepassing. 4. Het college ian over het gestelde in dit artiel nadere regels stellen. 5. Geen recht op ondersteuning bestaat voor de niet-uitieringsgerechtgde, indien de nietuitieringsgerechtgde al minimaal 12 uur werizaam is of er spraie is van een voorliggende voorziening welie naar de mening van het college in voldoende mate bijdraagt aan de reintegrate van de aanvrager.
Hoofdstui 5 Slotbepalingen rtiel 27. Hardheidsclausule Het college ian in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende afwijien van de bepalingen in deze verordening, indien toepassing van de verordening tot onbillijiheden van overwegende aard leidt. rtiel 28. Intreiien oude verordening De verordening Re-integrate, Looniostensubsidie en Tegenprestate Barendrecht 202l wordt ingetroiien per 1 januari 202 . rtiel 29. Inweriingtreding 1. Deze verordening treedt in weriing na publicate op 1 januari 202 . 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Re-integrateverordening Partcipatewet Barendrecht.
P GIN
10 V N 1 1
ldus besloten door de gemeenteraad van Barendrecht in zijn openbare vergadering van 1 december 2025. de griffier,
de voorziter,
P GIN
11 V N 1 1